Subsidieregeling Peuterspeelopvang en Voorschoolse Educatie, Leiden 2022

Geldend van 13-04-2022 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2022

Intitulé

Subsidieregeling Peuterspeelopvang en Voorschoolse Educatie, Leiden 2022

Het college van burgemeester en wethouders van Leiden,

gelet op artikel 160 van de Gemeentewet en artikel 3 van de Algemene Subsidieverordening gemeente Leiden 2021,

besluit de volgende regeling vast te stellen:

Subsidieregeling Peuterspeelopvang en Voorschoolse Educatie, Leiden 2022

TITEL I. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

ASV

Algemene Subsidieverordening gemeente Leiden;

BSN

het Burgerservicenummer; een uniek persoonsnummer dat iedereen krijgt bij inschrijving in de Basis Registratie Personen (BRP);

doelgroeppeuter

een peuter in de leeftijd van 2,5 jaar tot de start van het basisonderwijs die op indicatie van de Jeugd Gezondheidszorg (JGZ), vanwege (het risico op) een onderwijsachterstand, in aanmerking komt voor VE;

format aanvraag

een door houder ingevuld Excelbestand met daarin de prognose van het aantal te plaatsen peuters;

format monitor en verantwoording

een door houder ingevuld Excelbestand met daarin de realisatiecijfers van het aantal geplaatste peuters en de gefactureerde ouderbijdragen per maand, het format wordt per kwartaal ingevuld en aan de gemeente Leiden beschikbaar gesteld;

hele dagopvang

kinderopvang voor kinderen 0-4 jaar voor hele dagen (veelal 11 uur per dag) gedurende 50 tot 52 weken per jaar;

houder

organisatie die kinderopvang aanbiedt op een of meer locaties die zijn geregistreerd in het LRK;

Inkomensverklaring

een recente officiële verklaring (voorheen IB60) van de Belastingdienst met daarop de inkomensgegevens van de ouders in een bepaald belastingjaar

kinderopvangtoeslag

tegemoetkoming voor ouders in de kosten van kinderopvang, uitbetaald via de belastingdienst;

koptarief

subsidie per uur die via de houders wordt toegekend aan ouders om het verschil tussen het door de houder per uur benodigde tarief voor peuterspeelopvang (kostprijs) en het landelijk maximum uurtarief te overbruggen;

landelijk maximum uurtarief

maximum uurtarief dat het ministerie van Sociale Zaken & Werkgelegenheid (SZW) hanteert voor de kinderopvangtoeslag voor de hele dagopvang;

LRK

landelijk Register Kinderopvang, het register waarin kinderopvanglocaties zijn opgenomen die voldoen aan de wettelijke kwaliteitseisen;

ouder

de bloed- of aanverwant in opgaande lijn of pleegouder/verzorger/voogd van de (doelgroep)peuter;

ouderbijdrage

de inkomensafhankelijke bijdrage die ouders zonder recht op kinderopvangtoeslag betalen aan de houder;

peuter

bij de gemeente Leiden ingeschreven kind in de leeftijd van 2 jaar tot de start van het basisonderwijs;

peuterspeelopvang

kinderopvang voor kinderen vanaf de leeftijd van 2 jaar tot de start van het basisonderwijs met een aanbod van 4 uur per dag gedurende 40 weken per jaar;

reguliere peuter

peuter die in aanmerking komt voor een reguliere plaats in de peuterspeelopvang; dat wil zeggen een plaats voor twee dagdelen per week gedurende 40 weken per jaar (dit is een niet-doelgroeppeuter vanaf 2 jaar of een doelgroeppeuter tussen 2 en 2,5 jaar);

VE-peuterplaats

plaats van (gemiddeld) 640 uren per jaar voor een doelgroeppeuter in de peuterspeelopvang met VE of hele dagopvang met VE;

VE-programma

een voorschools programma waarin op een gestructureerde en samenhangende wijze de ontwikkeling wordt gestimuleerd van kinderen op het gebied van rekenen, taal, motoriek, en sociaal-emotionele ontwikkeling;

voorschoolse educatie (VE)

aanbod van een VE-programma met als doel om doelgroeppeuters beter voor te bereiden op het basisonderwijs en onderwijsachterstanden zoveel mogelijk te voorkomen en in te lopen.

Weerstandsvermogen

het eigen financieel vermogen van de subsidieaanvrager dat bij de beoordeling van de hoogte van het te verlenen subsidiebedrag buiten beschouwing wordt gelaten. Het weerstandsvermogen bedraagt maximaal 10% van de totale jaaromzet.

Artikel 2. Doel

Deze subsidieregeling is van toepassing op door het college te verstrekken subsidies voor het voorkomen en verkleinen van risico’s op onderwijsachterstanden bij jonge kinderen voorafgaand aan de instroom in het basisonderwijs en sluit aan bij de wettelijke verplichting van de gemeente om een aanbod voor voorschoolse educatie in te richten (Wet op het Primair Onderwijs en Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie).

Artikel 3. Reikwijdte

  • 1. Voor zover in deze subsidieregeling niet anders is bepaald, zijn de begripsomschrijvingen en bepalingen van de ASV van toepassing.

  • 2. Subsidie is uitsluitend bedoeld voor houders voor locaties in de gemeente met peuterspeelopvang met VE-aanbod en voor locaties in de gemeente met hele dagopvang met VE-aanbod.

Artikel 4. Voorwaarden subsidieaanvraag

De subsidieaanvraag voldoet aan de volgende voorwaarden:

  • 1.

    De aanvraag wordt schriftelijk en bij voorkeur digitaal ingediend bij het college via het betreffende aanvraagformulier via de website van de gemeente www.leiden.nl/subsidies. De houder maakt daarnaast gebruik van het Format Aanvraag dat jaarlijks door de gemeente beschikbaar wordt gesteld.

  • 2.

    Bij de aanvraag overlegt de aanvrager in ieder geval de volgende gegevens:

    • a.

      een beschrijving van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd;

    • b.

      de doelen en resultaten welke met die activiteiten worden nagestreefd, en hoe de activiteiten daaraan bijdragen;

    • c.

      een sluitende begroting met inkomsten en uitgaven voor deze activiteiten. De begroting bevat ook een opgave van bij anderen aangevraagde subsidies of vergoedingen ten behoeve van dezelfde activiteiten, onder vermelding van de stand van zaken daarvan;

    • d.

      als het een subsidie betreft die per boekjaar aan een rechtspersoon wordt verstrekt, inzicht in het vermogen op het moment van de aanvraag;

    • e.

      de betreffende locatie(s) met bijbehorend(e) LRK-nummer(s);

    • f.

      een prognose van het gemiddeld aantal peuters per week, onderverdeeld naar

      • het aantal reguliere peuters van ouders zonder recht op kinderopvangtoeslag;

      • het aantal reguliere peuters van ouders met recht op kinderopvangtoeslag;

      • het aantal doelgroeppeuters van ouders zonder recht op kinderopvangtoeslag;

      • het aantal doelgroeppeuters van ouders met recht op kinderopvangtoeslag;

    • g.

      een prognose van de te factureren ouderbijdragen.

Artikel 5. Indieningstermijn

Aanvragen dienen uiterlijk vóór 15 oktober van het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar waarop aanvraag betrekking heeft te zijn ingediend.

Artikel 6. Beslistermijn

Het college beslist op een aanvraag voor een subsidie uiterlijk op 31 december van het jaar waarin de aanvraag is ingediend.

TITEL II. SPECIFIEKE BEPALINGEN

Artikel 7. Subsidiabele activiteiten

De subsidie kan worden aangevraagd voor:

  • a.

    peuterspeelopvang

  • b.

    werken met een VE-programma in de peuterspeelopvang

  • c.

    werken met een VE-programma in de hele dagopvang

Artikel 8. De subsidiehoogte en verdeelregels

  • 1. De subsidietarieven (bijlage A) worden jaarlijks geïndexeerd met de index die wordt gebruikt door het ministerie van SZW voor het landelijk maximum uurtarief, tenzij er gegronde redenen voor het college zijn om hiervan af te wijken.

  • 2. De hoogte van de subsidie is berekend op het aantal (doelgroep)peuters en het aantal uren dat deze peuters gebruik maken van de peuterspeelopvang of de hele dagopvang.

  • 3. De subsidie wordt verdeeld op basis van de volgende berekeningen, rekening houdend met de plaatsingsperiode (het werkelijk aantal afgenomen uren) van een peuter:

    • a.

      per reguliere peuter in de peuterspeelopvang van ouders die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag: maximaal 320 uur per jaar (bijvoorbeeld 8 uur per week x 40 weken) maal het landelijk maximum uurtarief minus de in rekening gebrachte ouderbijdrage over deze uren;

    • b.

      per doelgroeppeuter in de peuterspeelopvang van ouders die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag: 640 uur per jaar (bijvoorbeeld 16 uren per week x 40 weken) maal het landelijk maximum uurtarief minus de in rekening gebrachte ouderbijdrage; de ouderbijdrage wordt over 320 uur per jaar in rekening gebracht;

    • c.

      per doelgroeppeuter in de peuterspeelopvang van ouders met recht op kinderopvangtoeslag: 320 uur per jaar maal het landelijk maximum uurtarief; ouders nemen aanvullend nog tenminste 320 uur per jaar af, waarover zij kinderopvangtoeslag kunnen aanvragen;

    • d.

      per doelgroeppeuter in de hele dagopvang van ouders met recht op kinderopvangtoeslag: 320 uur per jaar maal het door de houder gehanteerde uurtarief (voor hele dagopvang op deze locatie); ouders nemen aanvullend nog tenminste 320 uur per jaar af, waarover zij kinderopvangtoeslag kunnen aanvragen;

    • e.

      een koptarief per uur over alle uren van (doelgroep)peuters in de peuterspeelopvang;

    • f.

      per doelgroeppeuter die op 1 januari van het betreffende jaar gebruik maakt van de peuterspeelopvang of hele dagopvang, voor de bekostiging van de inzet van de pedagogisch beleidsmedewerker VE;

    • g.

      per locatie met VE voor de bekostiging van de meerkosten van het VE-aanbod.

  • 4. Indien een peuter een deel van het jaar is geplaatst, dan wordt de subsidie zoals opgenomen in lid 3. onder a tot en met e, naar rato van de plaatsingsperiode berekend. Hetzelfde geldt voor de subsidie voor VE-locaties zoals opgenomen in lid 3 onder g, als deze een deel van het jaar zijn geopend.

Artikel 9. Verplichtingen van de subsidieontvanger

De houder dient te voldoen aan de volgende verplichtingen:

  • a.

    de houder verleent doelgroeppeuters voorrang bij plaatsing;

  • b.

    de houder geeft peuters die woonachtig zijn in de gemeente Leiden voorrang bij plaatsing;

  • c.

    voor de hoogte van de ouderbijdrage voor de peuterspeelopvang hanteert de houder de ‘VNG adviestabel ouderbijdrage peuteropvang’ van het betreffende jaar. Indien een hoger uurtarief dan het landelijk maximum uurtarief wordt gehanteerd voor ouders, dan komt de subsidie zoals opgenomen in artikel 8, lid 3 onder e te vervallen.

  • d.

    voor de hoogte van de ouderbijdrage voor doelgroeppeuters in de hele dagopvang hanteert de houder een tarief dat niet hoger is dan het door de college vastgestelde maximum uurtarief voor hele dagopvang met VE.

  • e.

    de houder int zelf de ouderbijdrage en is verantwoordelijk voor het risico van niet-betalers;

  • f.

    voor het bepalen van de hoogte van de ouderbijdrage worden de meest recente Inkomensverklaringen gebruikt van beide ouders, en indien sprake is van een éénoudergezin, van één ouder. Bij sterke afwijking van het inkomen of wanneer ouders geen Inkomensverklaringen kunnen overleggen, kan gebruik worden gemaakt van aanvullende documenten zoals een salarisstrook, uitkeringsspecificatie, werkgeversverklaring, verklaring van schuldsanering. Uit de documenten dient te blijken dat het inkomen structureel is, en in ieder geval geldt voor de maand voorafgaand aan plaatsing;

  • g.

    indien de inkomenssituatie zodanig wijzigt dat ouders in aanmerking komen voor kinderopvangtoeslag, dan vervalt het recht op subsidie zodra het recht op kinderopvangtoeslag is ingegaan. Ouders zijn verplicht aan de houder per ommegaande te melden dat zij in aanmerking komen voor kinderopvangtoeslag;

  • h.

    voor doelgroeppeuters biedt de houder een warme overdracht naar het primair onderwijs;

  • i.

    de houder neemt deel aan het aanbod preventieve logopedie;

  • j.

    de houder werkt samen met jeugdgezondheidszorg en andere partners om preventie en zorg te bieden aan de peuters die dat nodig hebben;

  • k.

    de houder werkt actief mee aan de implementatie en evaluatie van het lokale onderwijskansenbeleid en het bijbehorende uitvoeringsplan ‘Integrale aanpak onderwijskansen 0-13 jaar’ (september 2018);

  • l.

    de houder verschaft op verzoek informatie aan de gemeente, de Inspectie van het Onderwijs, het Ministerie van Onderwijs of aan andere door de gemeente aangewezen instanties;

  • m.

    de houder stelt voor half april, half juli, half oktober en half januari van het jaar waarvoor de subsidie is afgegeven het Format Monitoring en Verantwoording ter beschikking aan de gemeente, ten behoeve van de voortgangsgesprekken tussen subsidieontvanger en gemeente;

  • n.

    de houder beschikt over onderliggende gegevens van de peuters waarvoor subsidie wordt ontvangen en kan deze indien gewenst binnen een redelijke termijn beschikbaar stellen aan de gemeente. Het gaat daarbij onder meer om:

    • i.

      door de ouders ondertekend contract;

    • ii.

      naam, geboortedatum en BSN van de peuter;

    • iii.

      een ‘Verklaring geen recht op Kinderopvangtoeslag’ en een Inkomensverklaring van de niet-werkende ouder, voor ouders die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag;

    • iv.

      inkomensgegevens van ouders die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag;

    • v.

      indien het gaat om een doelgroeppeuter: een bewijs van indicatiestelling voor VE van het consultatiebureau.

Artikel 10. Beschikbaar budget en verdeelsleutel

  • 1. De beschikbare maximale budgetten voor subsidieverlening op basis van deze subsidieregeling worden jaarlijks opgenomen in de gemeentelijke begroting.

  • 2. De aanvragen worden op volgorde van binnenkomst afgehandeld.

  • 3. Indien het maximaal beschikbare subsidiebedrag onvoldoende is om alle aanvragen te honoreren, wordt een rangorde vastgesteld op basis van de hieronder genoemde criteria:

    • a.

      aanvragen van houders die in het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar van de aanvraag gemeentelijke subsidie hebben ontvangen voor peuterspeelopvang en/of hele dagopvang, hebben voorrang boven houders die voor het eerst subsidie aanvragen;

    • b.

      als de aanvragen van de reeds subsidie ontvangende houders het budget overschrijden, wordt het aantal peuters in de aanvraag vergeleken met het gemiddeld aantal peuters in oktober van het voorgaande jaar; als met de gemiddelde aantallen van oktober het budget niet wordt overschreden, dan wordt het bedrag van de overschrijding naar rato gekort over de houders die meer hebben aangevraagd dan op basis van oktober van toepassing was; een en ander wordt afgerond op hele peuteraantallen;

    • c.

      aanvragen van houders die eerder nog geen subsidie hebben ontvangen, worden onderling geprioriteerd op de bijdrage die de nieuwe locatie levert aan een goede spreiding van voorzieningen over de stad. Een nieuwe locatie met de grootste afstand tot vergelijkbaar gesubsidieerd (peuterspeelopvang of hele dagopvang) aanbod krijgt daarbij de hoogste prioriteit. Bij gelijke afstand wordt binnen het maximaal beschikbare budget de resterende subsidie naar rato van de aangevraagde bedragen over de aanbieders verdeeld.

TITEL III. BEVOORSCHOTTING, VERANTWOORDING EN VASTSTELLING

Artikel 11. Bevoorschotting subsidie

  • 1. Het college bevoorschot de subsidie in zijn geheel. De uitbetaling vindt plaats op het moment van de verlening van de subsidie. Het subsidiebedrag wordt definitief vastgesteld na verantwoording.

  • 2. De subsidie wordt door de subsidieontvanger die een reguliere jaarsubsidie ontvangen zichtbaar verantwoord in de eerstvolgende jaarrekening bij de verantwoording van die reguliere jaarsubsidie; andere subsidieontvangers verantwoorden de subsidie afzonderlijk en conform de daaraan in de beschikking inzake de subsidieverlening opgenomen vereisten.

Artikel 12. Verantwoording en vaststelling subsidie

Voor de vaststelling van de subsidie geldt hetgeen is bepaald in art. 18 van de ASV.

  • 1.

    Een aanvraag tot subsidievaststelling wordt, conform ASV, vóór 1 mei bij het college ingediend.

  • 2.

    De subsidie wordt vastgesteld op basis van het daadwerkelijk aantal geplaatste peuters, het aantal uren per peuter en de gefactureerde ouderbijdrage voor ouders zonder recht op kinderopvangtoeslag.

  • 3.

    De houder maakt hierbij, naast de voorwaarden en vereisten uit de ASV, gebruik van het Format Monitor en Verantwoording dat jaarlijks door de gemeente beschikbaar wordt gesteld.

TITEL IV. HARDHEIDSCLAUSULE, INWERKINGTREDING EN CITEERTITEL

Artikel 13. Hardheidsclausule

Het college kan, in bijzondere gevallen, één of meer bepalingen van deze subsidieregeling buiten toepassing laten of daarvan afwijken.

Artikel 14. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking op de dag na bekendmaking en werkt terug tot 1 januari 2022.

Artikel 15. Intrekking

Vanaf de datum van inwerkingtreding van deze ‘Subsidieregeling Peuterspeelopvang en Voorschoolse Educatie, Leiden 2022’ wordt de Subsidieregeling Peuterspeelopvang en Voorschoolse Educatie, Leiden 2021’ ingetrokken.

Artikel 16. Citeertitel

Deze subsidieregeling wordt aangehaald als: ‘Subsidieregeling Peuterspeelopvang en Voorschoolse Educatie, Leiden 2022

Ondertekening

BIJLAGE A

Tarieven 2022 Subsidieregeling Peuterspeelopvang en Voorschoolse Educatie Leiden

De volgende subsidietarieven zijn van toepassing in 2022 in het kader van de Subsidieregeling Peuterspeelopvang en Voorschoolse Educatie Leiden:

  • a.

    koptarief van € 3,06 per uur voor de peuterspeelopvang met VE;

  • b.

    maximum uurtarief van € 9,23 voor de hele dagopvang met VE;

  • c.

    tarief van € 400 per doelgroeppeuter per jaar voor de inzet van de pedagogisch beleidsmedewerker VE en

  • d.

    tarief van € 25.500 per locatie ter dekking van de infrastructuur voor VE.

Toelichting Uren en financiering peuterspeelopvang

In onderstaand diagram is opbouw qua uren en financiering van de subsidieregeling in beeld gebracht voor de peuterspeelopvang.

Per type peuter ziet de financiering per uur voor de peuterspeelopvang er als volgt uit:

 

ouders zonder recht

op kinderopvangtoeslag

ouders met recht op

kinderopvangtoeslag

reguliere peuter

(niet-doelgroep)

  • ouders betalen een inkomensafhankelijke bijdrage over twee dagdelen (8 uur) per week

  • gemeente betaalt het verschil tussen de ouderbijdrage en het landelijk maximum uurtarief (in hoogte vergelijkbaar met kinderopvangtoeslag)

  • ouders betalen het totaalbedrag voor twee dagdelen (8 uur) per week op basis van het landelijk maximum uurtarief; ouders kunnen hierover kinderopvangtoeslag aanvragen

doelgroeppeuter

  • ouders betalen een inkomensafhankelijke bijdrage over de “eerste” twee dagdelen (8 uur) per week; gemeente betaalt het verschil tussen de ouderbijdrage en het landelijk maximum uurtarief (hoogte vergelijkbaar met kinderopvangtoeslag)

  • gemeente subsidieert de “extra” twee dagdelen (8 uur) per week volledig op basis van het landelijk maximum uurtarief

  • ouders betalen zelf het totaalbedrag voor de “eerste” twee dagdelen (8 uur) per week op basis van het landelijk maximum uurtarief; ouders kunnen hierover kinderopvangtoeslag aanvragen

  • gemeente subsidieert de “extra” twee dagdelen (8 uur) per week volledig op basis van het landelijk maximum uurtarief

Naast bovenstaande ouderbijdrage en subsidie per uur betaalt de gemeente ook een koptarief per uur over alle bezette uren. Dit koptarief is bedoeld om het verschil tussen de werkelijke kostprijs en het landelijk maximum uurtarief te overbruggen. De peuterspeelopvang kent met het aanbod van 4 uur per dag gedurende 40 weken per jaar een relatief hoge kostprijs per uur, omdat de vaste kosten over veel minder uren kunnen worden terugverdiend dan in de hele dagopvang. De hele dagopvang werkt met hele dagen van veelal 11 uur gedurende 52 weken per jaar.