Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR675471
Naar de door u bekeken versie
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR675471/4
Referendumverordening gemeente Haarlem 2022
Geldend van 05-04-2025 t/m heden
Intitulé
Referendumverordening gemeente Haarlem 2022De raad van de gemeente Haarlem,
gelezen het voorstel van het college d.d. 11 januari 2022,
gelezen het advies van de Referendumcommissie van 24 januari 2022,
Gelet op de artikelen 84, 149 en 154 van de Gemeentewet,
Besluit vast te stellen de volgende verordening:
Referendumverordening gemeente Haarlem 2022
Artikel 1 Begripsbepalingen
In deze verordening wordt verstaan onder:
- a.
kiesgerechtigden: degenen die stemrecht hebben voor de verkiezing van de leden van de raad, alsmede ingezetenen van de gemeente van zestien jaar en ouder die met uitzondering van hun leeftijd voldoen aan de vereisten voor het kiesrecht voor leden van de raad;
- b.
referendum: een volksraadpleging waarbij de kiesgerechtigden zich uitspreken over een ontwerp raadsbesluit;
- c.
centraal stembureau: het centraal stembureau dat voor de gemeenteraadsverkiezingen wordt ingesteld als bedoeld in hoofdstuk E van de Kieswet.
Artikel 2 Referendum, initiatief, onderwerpen
-
1. Er kan een referendum worden gehouden op initiatief van kiesgerechtigden.
-
2. Onderwerp van een referendum is een ontwerp raadsbesluit, met uitzondering van besluiten:
- a.
over individuele kwesties, zoals benoemingen, ontslagen, schorsingen, kwijtscheldingen en schenkingen;
- b.
over de hoogte van geldelijke voorzieningen voor ambtsdragers, gewezen ambtsdragers en hun nabestaanden;
- c.
over de vaststelling, wijziging of intrekking van de arbeidsvoorwaardenregeling en daaruit voortvloeiende besluiten met betrekking tot de griffier en de medewerkers van de griffie;
- d.
over het voor kennisgeving aannemen van notities en rapporten;
- e.
in het kader van deze verordening;
- f.
over de vaststelling van de gemeentelijke begroting en de rekening;
- g.
over de vaststelling van gemeentelijke tarieven en belastingen;
- h.
ter uitvoering van een besluit van een hoger bestuursorgaan of de wetgever waaromtrent de raad geen beleidsvrijheid heeft;
- i.
die naar het oordeel van de raad hun grondslag vinden in een eerder genomen besluit waarover een referendum is gehouden of kon worden gehouden;
- j.
die naar het oordeel van de raad gaan over een onderwerp waarover in de afgelopen vier jaar een referendum is gehouden;
- k.
waarvan de raad van mening is dat dringende redenen aanleiding zijn om geen referendum te houden.
- a.
Artikel 3 Samenstelling referendumcommissie
-
1. De raad stelt een referendumcommissie in en benoemt de leden, op voordracht van het college.
-
2. De referendumcommissie bestaat uit drie of vijf leden en kiest uit haar midden een voorzitter.
-
3. De referendumcommissie wordt ondersteund door de griffier of een door de griffier aan te wijzen medewerker van de griffie.
-
4. De voorzitter en de leden van de referendumcommissie kunnen geen deel uitmaken van of werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van bestuursorganen van de gemeente.
-
5. De leden worden benoemd voor een periode van maximaal zes jaar. Leden treden af volgens een bij hun benoeming vast te stellen aftreedschema. Aftredende leden kunnen eenmaal worden herbenoemd voor een periode van maximaal zes jaar.
-
6. [vervallen]
-
7. De leden van de commissie ontvangen een vergoeding voor het bijwonen van de vergaderingen van de commissie. Die vergoeding bedraagt maximaal 125% van het bedrag dat voor commissies in het Rechtspositiebesluit decentrale ambtsdragers is vastgelegd.
Artikel 4 Taken en vergaderingen referendumcommissie
-
1. De referendumcommissie heeft tot taak:
- a.
de raad te adviseren over:
- i.
de vraag of sprake is van een uitgezonderd besluit als bedoeld in artikel 2, tweede lid;
- ii.
de vraagstelling van een referendum inclusief de antwoordmogelijkheden en stemprocedure, en
- iii.
de datum van het te houden referendum;
- i.
- b.
de voorzitter van de raad te adviseren over het papieren en digitale formulier voor de ondersteuningsverklaringen;
- c.
burgemeester en wethouders te adviseren over:
- i.
de stembiljetten, en
- ii.
de verstrekking van subsidies als bedoeld in artikel 10;
- i.
- d.
toezicht te houden op:
- i.
de uitvoering van deze verordening, en
- ii.
het objectieve of neutrale karakter van de door de gemeente te verstrekken voorlichting over het referendum;
- i.
- e.
klachten te behandelen in het kader van de toezichttaak, genoemd onder d;
- f.
binnen drie maanden na de dag waarop het referendum wordt gehouden dan wel binnen drie maanden nadat een inleidend of definitief referendumverzoek is afgewezen, een evaluatie uit te brengen over het referendumproces.
- a.
-
2. De referendumcommissie kan op eigen initiatief advies uitbrengen over aanpassingen van deze verordening, over de bij referenda en referendumverzoeken te volgen procedure en over alle overige zaken die het referendum betreffen en die zij van belang acht.
-
3. De referendumcommissie vergadert in beslotenheid.
-
4. De adviezen van de referendumcommissie zijn openbaar.
Artikel 5 Initiatief van kiesgerechtigden, stap 1: inleidend verzoek
-
1. Het inleidend verzoek om een referendum te houden wordt ondersteund door tenminste dertienhonderd (1300) ondersteuningsverklaringen van personen die kiesgerechtigd zijn op de dag dat het formulier, bedoeld in het vierde lid, wordt verstrekt.
-
2. Een inleidend verzoek wordt schriftelijk ingediend bij de voorzitter van de raad, uiterlijk 5 werkdagen voor de raadsvergadering waarin het ontwerp raadsbesluit wordt besproken.
-
3. Een ondersteuningsverklaring voor het inleidend verzoek bestaat uit een handtekening met de daarbij behorende naam, adres, woonplaats en geboortedatum.
-
4. Ondersteuningsverklaringen worden geplaatst op een daartoe door de voorzitter van de raad verstrekt formulier waarop in ieder geval de titel van het ontwerp raadsbesluit is opgenomen. Tevens voorziet de gemeentelijke website in de mogelijkheid om digitale ondersteuningsverklaringen in te dienen. Deze digitale mogelijkheid komt zoveel mogelijk overeen met het papieren formulier voor de ondersteuningsverklaringen.
-
5. De voorzitter van de raad controleert de ondersteuningsverklaringen op naam, adres, woonplaats, geboortedatum en kiesgerechtigdheid als bedoeld in het eerste lid.
-
6. De raad beslist of het inleidend verzoek wordt ingewilligd.
-
7. Als het verzoek wordt ingewilligd, behandelt de raad in dezelfde raadsvergadering het ontwerp raadsbesluit waarop het verzoek zich richt. De stemming over het ontwerp raadsbesluit zoals dat luidt na verwerking van eventuele aangenomen amendementen, wordt vervolgens aangehouden tot de eerstvolgende vergadering na de dag waarop de uitslag van het referendum wordt bekendgemaakt, tenzij eerder negatief over de ontvankelijkheid van het referendumverzoek wordt beslist.
Artikel 6 Initiatief van kiesgerechtigden, stap 2: definitief verzoek
-
1. Het definitief verzoek om een referendum te houden wordt ondersteund door ten minste zesduizend zeshonderd (6.600) ondersteuningsverklaringen van personen die kiesgerechtigd zijn op de dag dat de raad heeft besloten dat het inleidend verzoek wordt ingewilligd.
-
2. Een definitief verzoek wordt ingediend bij de voorzitter van de raad binnen zes weken na de dag dat de raad heeft besloten dat het inleidend verzoek wordt ingewilligd.
-
3. Een ondersteuningsverklaring voor het definitief verzoek bestaat uit een handtekening met de daarbij behorende naam, adres, woonplaats en geboortedatum.
-
4. Ondersteuningsverklaringen worden geplaatst op een daartoe door de voorzitter van de raad verstrekt formulier waarop in ieder geval de titel van het ontwerp raadsbesluit is opgenomen. Tevens voorziet de gemeentelijke website in de mogelijkheid om digitale ondersteuningsverklaringen in te dienen. Deze digitale mogelijkheid komt zoveel mogelijk overeen met het papieren formulier voor de ondersteuningsverklaringen.
-
5. De voorzitter van de raad controleert de ondersteuningsverklaringen op naam, adres, woonplaats, geboortedatum en kiesgerechtigdheid als bedoeld in het eerste lid.
-
6. De voorzitter van de raad maakt wekelijks bekend hoeveel geldige ondersteuningsverklaringen zijn ingediend. Als het benodigde aantal ondersteuningsverklaringen is behaald, hoeven de overige verklaringen niet gecontroleerd te worden op geldigheid.
-
7. De voor het inleidend verzoek verzamelde ondersteuningsverklaringen tellen niet mee voor het definitief verzoek.
-
8. In de eerstvolgende vergadering van de raad na afloop van de termijn, bedoeld in het tweede lid, neemt de raad een besluit over het houden van het referendum.
-
9. [vervallen]
Artikel 7 Initiatief van de raad
[vervallen]
Artikel 8 Datum stemming
-
1. De raad bepaalt tegelijk met het besluit om een referendum te houden, of zo spoedig mogelijk daarna, de dag waarop de stemming over het referendum plaatsvindt.
-
2. De stemming vindt plaats uiterlijk vier maanden na de dag waarop besloten is tot het houden van een referendum. De raad kan deze termijn met maximaal twee maanden verlengen om de stemming te combineren met een reguliere verkiezing of om te voorkomen dat de stemming in een schoolvakantie voor het basis- en voortgezet onderwijs valt die voor de regio is aangewezen.
Artikel 9 Vraagstelling
-
1. De raad stelt tegelijk met het besluit om een referendum te houden, of zo spoedig mogelijk daarna, maar ten minste twaalf weken voor het referendum, de vraagstelling en de antwoordcategorieën van het referendum vast.
-
2. De vraagstelling wordt weergegeven op de stempas.
-
3. Bij een referendum wordt aan de kiesgerechtigden de vraag voorgelegd of zij vóór of tegen het ontwerp raadsbesluit zijn.
-
4. [vervallen]
Artikel 10 Budget en subsidieplafond
-
1. Onmiddellijk nadat is besloten tot het houden van een referendum stelt de raad een budget vast voor de organisatie van en de voorlichting over het referendum.
-
2. Tevens stelt de raad een subsidieplafond vast voor subsidie voor activiteiten ter ondersteuning van het publieke debat en de meningsvorming over het onderwerp waarop het referendum betrekking heeft.
-
3. Burgemeester en wethouders maken het subsidieplafond en de begin- en einddatum van de aanvraagtermijn, plus een redelijke termijn waarop eventuele onvolledige aanvragen dienen te worden aangevuld, bekend. De aanvraagtermijn voor subsidies kan niet eerder starten dan twee weken na bekendmaking van de subsidiemogelijkheid, waarbij voldoende rekening wordt gehouden met schoolvakanties voor het basis- en voortgezet onderwijs die voor de regio zijn aangewezen.
-
4. Op subsidies verstrekt op grond van deze verordening is de Algemene Subsidieverordening gemeente Haarlem 2021 niet van toepassing.
Artikel 11 Subsidiecriteria
-
1. Subsidie wordt uitsluitend verstrekt aan;
- a.
collectieven van ten minste zes kiesgerechtigden van wie de contactpersoon van het betreffende collectief op de dag van de aanvraag achttien jaar of ouder is; en
- b.
rechtspersonen die gevestigd of kantoorhoudend zijn in de gemeente Haarlem, met uitzondering van politieke groeperingen als bedoeld in hoofdstuk G van de Kieswet.
- a.
-
2. Niet voor subsidie komen in aanmerking activiteiten die:
- a.
geheel of gedeeltelijk plaatsvinden na de dag van de stemming;
- b.
met winstoogmerk worden ondernomen;
- c.
zijn begonnen voordat over de subsidieaanvraag is beslist.
- a.
-
3. De subsidie bedraagt 100% van de redelijke kosten van de activiteiten tot een maximum van € 5.000 per campagne-activiteit.
-
4. Loonkosten of kosten voor eigen arbeid komen in beginsel niet in aanmerking voor subsidie.
-
5. [vervallen]
-
6. Subsidieverlening vindt plaats in volgorde van de door burgemeester en wethouders aangebrachte rangschikking.
-
7. Bij de rangschikking van de aanvragen kennen burgemeester en wethouders punten toe aan de hand van de volgende aspecten en tot het daarbij vermelde maximum aantal naar de mate waarin:
- a.
de activiteiten naar redelijke verwachting een bijdrage leveren aan het publieke debat en de meningsvorming (maximaal 50 punten);
- b.
en de activiteiten voldoende voor kiesgerechtigden toegankelijk en/of de uitingen voldoende openbaar zijn (maximaal 5 punten);
- c.
en de activiteiten vooraf bekend gemaakt zijn bij de kiesgerechtigden, althans wanneer de activiteiten zich daar redelijkerwijs voor lenen (maximaal 5 punten);
- d.
en er sprake is van voldoende spreiding over aanvragers, soort en inhoud van de activiteiten (maximaal 20 punten);
- e.
en het gevraagde bedrag in redelijke verhouding staat tot het ermee te realiseren product en het verwachte bereik van de activiteit (maximaal 20 punten).
- a.
-
8. Subsidieaanvragen die minder dan 60 punten behalen, komen niet voor subsidie in aanmerking, ook als het subsidieplafond niet wordt bereikt.
Artikel 12 Subsidieaanvragen
Burgemeester en wethouders stellen een aanvraagformulier beschikbaar dat een opgave bevat van de volgende gegevens:
- a.
de aard en inhoud van de activiteit;
- b.
de wijze waarop een bijdrage aan het publieke debat en de meningsvorming wordt gerealiseerd en het beoogde publieksbereik van de bijdrage;
- c.
een gespecificeerde begroting die inzicht geeft in de geraamde kosten en uitgaven voor zover deze betrekking hebben op de activiteit;
- d.
een zo concreet mogelijke tijdsplanning;
- e.
indien het een rechtspersoon betreft: de rechtsvorm, de statutaire naam, en het vestigingsadres van de rechtspersoon namens welke de aanvraag wordt gedaan en de handtekeningen van degene(n) die bevoegd is/zijn de rechtspersoon te vertegenwoordigen;
- f.
indien het een collectief van kiesgerechtigden betreft: de achternaam, voorletter(s), het adres, de woonplaats, de geboortedatum en de handtekening van zes kiesgerechtigden van wie een kiesgerechtigde van 18 jaar of ouder als contactpersoon is aangemerkt; en
- g.
het rekeningnummer waarop het subsidiebedrag bij toekenning dient te worden overgemaakt.
Artikel 13 Subsidieverlening en vaststelling
-
1. Twee weken na afloop van de sluitingsdatum van de aanvraagtermijn beslissen burgemeester en wethouders over de subsidieverlening.
-
2. De verleende subsidie wordt uitgekeerd in de vorm van een voorschot.
-
3. Uiterlijk acht weken na het referendum dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in. De aanvraag bevat een inhoudelijk verslag en bewijsstukken waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht.
-
4. Burgemeester en wethouders besluiten uiterlijk acht weken na de datum van de aanvraag over de vaststelling van de subsidie.
Artikel 14 Drempel
[vervallen]
Artikel 15 Procedure voorbereiding, stemming, uitslagbepaling en bekendmaking
-
1. Het college van burgemeester en wethouders is verantwoordelijk voor de voorbereiding, de stemming en de vaststelling en bekendmaking van de uitslag van het referendum.
-
2. Op de procedure ter voorbereiding, stemming en de vaststelling en bekendmaking van de uitslag van het referendum zijn de bepalingen voor de gemeenteraadsverkiezingen met decentrale stemopneming in de Kieswet en eventuele tijdelijke of experimentele wetten die een aanvulling zijn op de Kieswet voor zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing tenzij deze verordening anders bepaalt, met dien verstande dat:
- a.
‘de dag van de kandidaatstelling’ gelezen wordt als ‘de vierenveertigste dag voor de dag van de stemming’;
- b.
bij de bepalingen over stemming, stemopneming en uitslagvaststelling ‘kandidaten’ of ‘kandidaat’ gelezen wordt als ‘keuzemogelijkheden’ als bedoeld in artikel 9 lid 3 van deze verordening;
- c.
‘drie maanden nadat over de toelating van de gekozenen is beslist’ gelezen wordt als ‘drie maanden na de vaststelling van de uitslag’;
- d.
modellen en controleprotocollen voor het referendum worden vastgesteld door de projectleider verkiezingen;
- e.
de vaststelling van de uitslag door het centraal stembureau niet eerder plaats vindt dan de 7e dag na de stemming.
- a.
Artikel 16 Uitslag
-
1. Het centraal stembureau berekent de uitslag van het referendum en geeft aan hoeveel stemmen voor en tegen het ontwerp raadsbesluit zijn uitgebracht alsmede het aantal blanco en ongeldige stemmen en het aantal stemmen bij volmacht. Het centraal stembureau stelt vast of een meerderheid voor dan wel tegen het ontwerp raadsbesluit heeft gestemd waarbij blanco en ongeldige stemmen buiten beschouwing worden gelaten.
-
2. Het centraal stembureau brengt de uitslag over aan de raad, vergezeld van het proces-verbaal, en maakt beide onverwijld bekend op een algemeen toegankelijke wijze.
-
3. De raad doet op basis van het door het centraal stembureau vastgestelde proces-verbaal een uitspraak over of de stemming op wettige wijze is geschied.
Artikel 17 Strafbepaling
Met een hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie wordt gestraft degene die:
- a.
stembiljetten, volmachtbewijzen of stempassen namaakt of vervalst met het oogmerk deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;
- b.
stembiljetten, volmachtbewijzen of stempassen die hij zelf heeft nagemaakt of vervalst of waarvan de valsheid of vervalsing hem, toen hij deze ontving, bekend was, opzettelijk als echt en onvervalst gebruikt of door anderen doet gebruiken;
- c.
stembiljetten, volmachtbewijzen of stempassen voorhanden heeft met het oogmerk om deze wederrechtelijk te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;
- d.
als gemachtigde stemt voor een persoon, wetende dat deze is overleden;
- e.
bij een referendum door gift of belofte een kiesgerechtigde omkoopt om volmacht te geven tot het uitbrengen van zijn stem;
- f.
stelselmatig personen aanspreekt of anderszins persoonlijk benadert ten einde hen te bewegen het formulier op hun oproepingskaart, bestemd voor het stemmen bij volmacht, te ondertekenen en deze kaart af te geven.
Artikel 18 Intrekken oude verordening en subsidieverordening referendum
De Referendumverordening Haarlem en de Verordening subsidieverstrekking referendum gemeente Haarlem worden ingetrokken.
Artikel 19 Citeertitel
Deze verordening kan worden aangehaald als Referendumverordening gemeente Haarlem 2022.
Artikel 20 Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van bekendmaking.
Ondertekening
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 24 maart 2022.
De griffier,
De voorzitter,
Algemeen
Een Referendumverordening waarbij de mogelijkheid wordt gegeven een referendum te organiseren over een ontwerp raadsbesluit is bij uitstek een instrument van de raad.
In de Referendumverordening worden diverse taken niet in handen van het college van burgemeester en wethouders (hierna: college) gelegd, maar aan de raad of griffier gelaten. De organisatie en uitvoering van het referendum zelf, nadat duidelijk is dat dit er komt, ligt uiteraard wel bij het college.
Artikelsgewijs
Artikel 1. Definities
Kiesgerechtigd
Voor het begrip ‘kiesgerechtigd’ is aangesloten bij degene die gerechtigd is deel te nemen aan de raadsverkiezingen. Dit is geregeld in artikel B3 van de Kieswet. Het is de wens van de raad om de leeftijdsgrens te verlagen naar zestien jaar. Als in de verordening dus wordt gesproken over ´kiesgerechtigden´, dan gaat het over personen die aan de in de Kieswet gestelde eisen voldoen, behalve de leeftijdseis, want die is verlaagd tot 16 jaar.
Referendum
Deze verordening gaat uit van een referendum op basis van een ontwerp raadsbesluit. Een referendum is te zien als een advies van burgers aan de raad over een voorgenomen besluit.
Centraal stembureau
De verordening geeft een aantal taken aan het centraal stembureau. Het verkiezingenstelsel kent meerdere centraal stembureaus. Er zijn geen bepalingen opgenomen om een apart centraal stembureau in te stellen en dit is ook niet de bedoeling. Om verwarring te voorkomen wordt duidelijk gemaakt dat het hier gaat om hetzelfde centraal stembureau als voor de gemeenteraadsverkiezingen.
Artikel 2. Referendum, initiatief, onderwerpen
Eerste lid
De raad beslist of er een referendum kan worden gehouden.
Onderwerp van een referendum is een ontwerp raadsbesluit in zijn geheel. In de praktijk kan het zijn dat onderdelen van het besluit tot meer of minder discussie leiden, maar het is niet mogelijk om daar onderscheid in te maken door een onderdeel uit het ontwerp raadsbesluit centraal te stellen en aan een referendum te onderwerpen.
Tweede lid
Een aantal onderwerpen, waarover de raad een besluit kan nemen, leent zich minder goed voor een referendum. In deze verordening is een lijst met uitzonderingen opgenomen, gebaseerd op de ervaringen met onder meer de ‘Tijdelijke referendumwet’ en autonome gemeentelijke referendumverordeningen. Enerzijds dient voorkomen te worden dat de verordening een leeg instrument wordt, waarbij het praktisch onmogelijk wordt een referendum te organiseren. Anderzijds is het voor de burger belangrijk dat duidelijk is over welke besluiten geen referendum kan worden gehouden. De uitgezonderde onderwerpen worden hierna toegelicht.
- a.
over individuele kwesties, zoals benoemingen, ontslagen, schorsingen, kwijtscheldingen, schenkingen;
Een referendum gaat niet over individuele kwesties maar over een beleidsmatig of inhoudelijk onderwerp. Ook zaken die nauw samenhangen met een persoon, zoals een kwijtschelding of schenking, zijn uitgezonderd.
- b.
over de hoogte van geldelijke voorzieningen voor ambtsdragers, gewezen ambtsdragers, en hun nabestaanden;
Zoals de rechtspositionele besluiten van de griffier en griffiemedewerkers geen onderwerp van een referendum kunnen zijn, zijn ook de rechtspositionele regelingen van raadsleden (politieke ambtsdragers) uitgezonderd van het referenduminstrument.
- c.
over de vaststelling, wijziging of intrekking van de arbeidsvoorwaardenregeling en daaruit voortvloeiende besluiten met betrekking tot de griffier en de medewerkers van de griffie;
De raad is de werkgever van de griffier en de griffiemedewerkers. Een referendum kan niet gaan over een persoon. Ook de rechtspositionele besluiten die de raad neemt met betrekking tot de griffier en de medewerkers van de griffie kunnen geen onderwerp zijn van een referendum. Het referendum treedt niet in dergelijke arbeidsrechtelijke verhoudingen.
- d.
over het voor kennisgeving aannemen van notities en rapporten;
Voor kennisgeving aannemen betekent dat de raad deze stukken niet inhoudelijk bespreekt. Er wordt wel een soort procesbesluit over genomen, namelijk dat het niet besproken wordt. Het is ongewenst om over een dergelijk procesbesluit een referendum te houden.
- e.
in het kader van deze verordening;
Er wordt een aantal besluiten genomen tijdens het referendumproces. Bijvoorbeeld een besluit over het inleidend verzoek, het definitieve verzoek, de datum en de vraagstelling. Als een dergelijk besluit referendabel zou zijn, dan zou het referendumproces worden verstoord.
- f.
over de vaststelling van de gemeentelijke begroting en de rekening;
Aan het eind van elk jaar moet de raad een begroting vaststellen op grond van artikel 212 Gemeentewet. Zonder deze begroting kan een gemeente in het komende kalenderjaar geen uitgaven doen. Een referendum over het raadsbesluit om een begroting vast te stellen kost tijd en zorgt er daardoor voor dat de gemeente de wet niet kan naleven. De gemeente is immers verplicht een begroting te hebben aan het begin van een nieuw kalenderjaar. Het bemoeilijkt bovendien het functioneren van de gemeente, omdat er geen uitgaven kunnen worden gedaan zonder een vastgestelde begroting. Het referenduminstrument is mede niet van toepassing op deze besluiten omdat het instrument deze grote ongewenste gevolgen heeft. In het geval er in een nota of beleid wordt gesproken over een wijziging van de begroting, betekent dit niet dat dit raadsvoorstel niet referendabel is. Het is gebruikelijk dat in een beleidsvoorstel wordt aangegeven wat de financiële consequenties zijn. Dit is echter niet de essentie van het voorstel.
- g.
over de vaststelling van gemeentelijke tarieven en belastingen;
De raad besluit jaarlijks over de gemeentelijke tarieven en belastingen op grond van artikel 216 en 229 Gemeentewet. Net als bij het vaststellen van de begroting wordt de gemeentelijke uitvoeringsorganisatie ernstig belemmerd als dit besluit als gevolg van een referenduminitiatief niet op tijd wordt genomen. Daarnaast is het denkbaar dat het besluit over gemeentelijke tarieven en belastingen met enige regelmaat onderwerp van een referenduminitiatief wordt enkel om te protesteren tegen de hoogte van deze tarieven en belastingen. Het referenduminstrument is hier niet voor bedoeld. In het geval er in een nota of beleid wordt gesproken over invoering of verhoging van tarieven, betekent dit niet dat dit raadsvoorstel niet referendabel is.
- h.
ter uitvoering van een besluit van een hoger bestuursorgaan of de wetgever waaromtrent de raad geen beleidsvrijheid heeft;
Als de raad slechts kan instemmen met beleid dat vastgesteld is door een hogere regelgever, dan is een referendum niet mogelijk. De raad heeft immers niet de mogelijkheid of bevoegdheid om dat besluit te veranderen.
- i.
die naar het oordeel van de raad hun grondslag vinden in een eerder genomen besluit waarover een referendum is gehouden of kon worden gehouden;
Bij complexe onderwerpen worden door de raad vaak verschillende opeenvolgende besluiten genomen, vaak gedurende enkele jaren. Het betreft dan nauw aan het oorspronkelijke besluit gerelateerde vervolgbesluiten die direct voortvloeien uit het eerder genomen besluit. Het is aan de inwoners om alert te zijn en bij het eerste, oorspronkelijke besluit waarbij mogelijk wordt ingestemd met het project een referenduminitiatief te starten. Daarna is het niet meer mogelijk. Het is niet de bedoeling dat de specifieke uitvoering van een omvangrijk project of van beleid, dat in essentie is goedgekeurd, op een later moment nog ter discussie wordt gesteld middels een referendum.
- j.
die naar het oordeel van de raad gaan over een onderwerp waarover in de afgelopen vier jaar een referendum is gehouden;
Deze bepaling heeft als doel om in de toekomst een ‘loop’ van referenda over hetzelfde onderwerp te voorkomen. Overigens is deze uitzonderingsgrond zo geformuleerd dat de raad tot het oordeel moet komen. Dit oordeel moet draagkrachtig en kenbaar worden gemotiveerd in het dan voorliggende besluit.
- k.
waarvan de raad van mening is dat dringende redenen aanleiding zijn om geen referendum te houden.
Welke redenen dringend zijn, is aan de raad. Het is wel van belang dat deze dringende redenen draagkrachtig en kenbaar gemotiveerd zijn. Dit geldt overigens ook voor een beroep op de andere uitzonderingsgronden, genoemd in artikel 2, tweede lid.
Deze uitzonderingsgrond is in het verleden door meerdere gemeenteraden gebruikt om een inleidend referendumverzoek af te wijzen. Tegen het raadsbesluit staan bezwaar en beroep open. De rechter heeft in enkele gevallen keren een gemeenteraad in het ongelijk gesteld vanwege onvoldoende gemotiveerd gebruik van deze uitzonderingsgrond. Als voorbeeld kan worden verwezen naar een tweetal uitspraken: ECLI:NL:RBZUT:2011:BQ8971 en ECLI:NL:RBNHO:2017:11154. Voor een verduidelijking van de beoordelingsruimte van de raad, zie ECLI:NL:RVS:2017:2878. De raad kon hier, zo oordeelde de Raad van State, in redelijkheid tot het oordeel komen dat het inleidend verzoek moest worden afgewezen.
Artikel 3. Samenstelling referendumcommissie
Een referendumcommissie wordt ingesteld nadat de Referendumverordening is vastgesteld. Het is een permanente commissie, omdat een referenduminitiatief ineens kan opkomen en er dan binnen enkele dagen een advies dient te worden uitgebracht over bijvoorbeeld de vraag of een referendum mogelijk is over het ontwerp raadsbesluit. Het kan zijn dat de leden van de referendumcommissie lange tijd niet bijeenkomen. Als er geen referenduminitiatief is, zal er doorgaans geen reden zijn om te vergaderen. Met het tweede lid wordt een flexibele omvang van de referendumcommissie beoogd, die uit drie of vijf leden kan bestaan.
Voor de benoemingstermijn van (maximaal) zes jaar is aangesloten bij de termijn die gehanteerd wordt voor de rekenkamer. Om te voorkomen dat leden gelijktijdig (na zes jaar of twee maal zes jaar) aftreden, wordt een aftreedschema gemaakt en bij de benoeming vastgesteld. Bij de benoeming van de leden wordt de benoemingstermijn vermeld. De benoemingstermijn kan dus per lid verschillen. Leden kunnen maximaal twee termijnen worden benoemd. De totale zittingstermijn is daarmee maximaal twaalf jaar en kan ook korter zijn.
Wanneer een lid van de referendumcommissie ontslag neemt, is het aan de raad om zo snel mogelijk een vervanger te benoemen. Er is niet bepaald dat het lid van de referendumcommissie aanblijft totdat in diens opvolging is voorzien. Het kan soms enkele maanden duren voordat er een opvolger is benoemd. Het is niet gewenst om iemand die ontslag neemt in het ongewisse te laten over wanneer dat ontslag uiteindelijk ingaat. Er is niet expliciet geregeld dat leden van de referendumcommissie (bijvoorbeeld in geval van niet functioneren) ontslagen kunnen worden. In het algemeen geldt dat diegene die benoemt ook kan ontslaan.
Artikel 4. Taken en vergaderingen referendumcommissie
De referendumcommissie heeft diverse adviserende taken. Daarnaast houdt de referendumcommissie toezicht op het gehele referendumproces. De referendumcommissie kan gevraagd en ongevraagd advies geven.
Eerste lid
Onder a tot en met c staat de advisering aan respectievelijk de raad, de voorzitter van de raad en het college. De referendumcommissie heeft een adviserende rol bij diverse stappen in het referendumproces die gevoelig kunnen liggen of voor discussie kunnen zorgen. Onder d is de rol van de referendumcommissie als toezichthouder op het hele referendumproces vastgelegd. Een uitvloeisel van die rol is de behandeling door de referendumcommissie van klachten over het referendumproces (onder e). Klachten kunnen over uiteenlopende zaken gaan, bijvoorbeeld het afkeuren van een aantal ondersteunende handtekeningen, het aantal stembureaus of een campagne-uiting van een organisatie.
Wellicht ten overvloede: de taak die de referendumcommissie heeft ten aanzien van klachten over het referendumproces heeft niet te maken met het klachtrecht dat wordt geregeld in hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb); dat klachtrecht gaat immers alleen over gedragingen van bestuursorganen en personen die daarbij werkzaam zijn. De afdoening daarvan is een taak van het bestuursorgaan zelf.
De referendumcommissie brengt na afloop van elk referendumproces een evaluatie uit (onder f). Dit kan gaan om een referendumproces inclusief een gehouden referendum, maar ook over een referendumproces waarbij het niet tot een daadwerkelijk gehouden referendum is gekomen.
Artikel 5. Initiatief van kiesgerechtigden, stap 1: inleidend verzoek
Het inleidend verzoek heeft twee functies: het aantonen dat er binnen de gemeente enig draagvlak is voor een referendum en een toetsing of over het ontwerp raadsbesluit een referendum kan worden gehouden. Daarom is het aantal handtekeningen voor het inleidend verzoek in de regel laag. Als norm wordt 1300 gehanteerd. Dit is 1 % van het aantal kiesgerechtigden in 2025. Het definitief verzoek (artikel 6) moet aantonen dat er voldoende draagvlak binnen de gemeente is om daadwerkelijk een referendum te houden. Voor het definitief verzoek wordt 6.600 als norm gebruikt.
Derde en vierde lid
Ondersteuningsverklaringen kunnen in de procedure voor het inleidend verzoek op grond van deze verordening schriftelijk worden ingediend, waarbij de mogelijkheid bestaat om deze digitaal te verzamelen. De handtekeningen moeten worden geplaatst op formulieren die door de voorzitter van de raad worden verstrekt. De referendumcommissie heeft een adviserende rol.
Vijfde lid
Bij het controleren van de geldigheid van de handtekeningen wordt beoordeeld of diegenen die de ondersteuningsverklaring indienen kiesgerechtigd zouden zijn voor de raadsverkiezingen op het moment dat de voorzitter van de raad het formulier voor de ondersteuningsverklaringen verstrekt. Kiesgerechtigd betekent in Haarlem dat de leeftijd verlaagd is naar 16 jaar. Bij het zetten van de handtekening is nog niet bekend of, en zo ja, wanneer het referendum gehouden wordt. Daarom wordt hier voor een andere peildatum gekozen dan de dag van het referendum. Om verwarring over deze peildatum te voorkomen is het goed om deze uitgiftedatum ook op het ondersteuningsformulier te zetten.
Het ligt voor de hand ook de controle te laten uitvoeren door de voorzitter van de raad. Deze heeft immers toegang tot de basisregistratie persoonsgegevens.
Zesde lid
De raad beslist of het inleidend verzoek wordt ingewilligd. Het besluit van de raad op het inleidend verzoek is een besluit in de zin van de Awb. Hiertegen staan bezwaar en beroep open.
Zevende lid
Als de raad het ontwerp raadsbesluit referendabel acht, wordt het inhoudelijk besproken, waarbij uiteraard amendementen en moties kunnen worden ingediend. Over het ontwerp raadsbesluit zelf wordt niet gestemd. Dit gebeurt pas nadat het referendum is gehouden, of nadat de raad heeft besloten dat er geen referendum gehouden kan worden.
Artikel 6. Initiatief van kiesgerechtigden, stap 2: definitief verzoek
De procedure voor het definitief verzoek is in grote lijnen gelijk aan die voor het inleidend verzoek. Dit houdt onder meer in dat de voorzitter van de raad controleert op voldoende handtekeningen van kiesgerechtigden. De kiesgerechtigdheid is hier gekoppeld aan de dag waarop de raad besloten heeft dat het inleidend verzoek wordt ingewilligd. Voor het aantal ondersteuningsverklaringen wordt als norm 6.600 kiesgerechtigden gehanteerd. Dit is 5% van het aantal kiesgerechtigden in 2025.
In de procedure voor het definitief verzoek wordt ook de digitale mogelijkheid opengesteld (vierde lid, tweede volzin).
Dat de ondersteuningsverklaringen van het inleidend verzoek niet meetellen voor het definitief verzoek heeft de volgende reden. Tijdens het inleidend verzoek is het ontwerp raadsbesluit nog niet besproken door de raad; het voorstel kan dus nog gewijzigd worden als gevolg van amendementen. Daarom is het mogelijk dat een kiesgerechtigde het inleidend verzoek ondersteunt, maar geen handtekening wil zetten voor het definitief verzoek, bijvoorbeeld omdat inmiddels aan zijn of haar bezwaren tegemoet is gekomen. Of over het ontwerp raadsbesluit een referendum kan worden gehouden is eerder in het proces, bij het inleidend verzoek beslist. Een voldoende aantal handtekeningen zal dan ook een positief besluit tot het houden van het referendum inhouden.
Artikel 7. Initiatief van de raad
[vervallen]
Artikel 8. Datum stemming
Over de dag van de stemming brengt de referendumcommissie advies uit (artikel 4, eerste lid, onder a, sub ii.).
Artikel 9. Vraagstelling referendum
De raad stelt de vraagstelling van het referendum vast na advies van de referendumcommissie; deze zal daarover doorgaans in overleg treden met de initiatiefnemers van het referendum en de portefeuillehouder uit het college.
Derde lid
Bij een referendum op initiatief van kiesgerechtigden ligt de vraagstelling grotendeels vast: de vraag is gekoppeld aan het ontwerp raadsbesluit. Doorgaans zal hier de vraagstelling zijn: “Bent u voor of tegen het ontwerp raadsbesluit?” Soms wordt in een raadsvoorstel een keuzemogelijkheid aan de raad gegeven, als dit voorstel het onderwerp is van een referendum zullen aan de kiesgerechtigden deze keuzemogelijkheden worden voorgelegd.
Bij een referendum op initiatief van de raad kan de vraagstelling een andere vorm krijgen. De raad kan aan de kiesgerechtigde inwoners de (eenvoudige) vraag voorleggen of zij vóór dan wel tegen het ontwerp raadsbesluit zijn of verschillende antwoordcategorieën of oplossingsrichtingen. Als meer dan twee alternatieven worden voorgelegd, is er waarschijnlijk geen meerderheid voor een van de opties. Er zijn mogelijkheden waarbij ook inzicht wordt verkregen over de tweede of derde voorkeur van kiesgerechtigden. Als er gekozen wordt voor verschillende antwoordcategorieën of oplossingsrichtingen zal de referendumcommissie hierover adviseren met een voorstel voor de stemprocedure. Wat de meest geschikte stemprocedure is, hangt mede af van het aantal mogelijke antwoordopties en de aard ervan. Drie mogelijkheden zijn: (a) het uitbrengen van één stem op een antwoordmogelijkheid naar keuze; (b) het uitbrengen van één of meerdere stemmen op elk van de antwoordmogelijkheden die de kiezers verkiest (‘approval voting’); (c) het plaatsen van de antwoordmogelijkheden in volgorde van voorkeur (waarbij indien geen van de alternatieven een meerderheid heeft de stemmen van het minst populaire alternatief kunnen worden overgeheveld naar de keuze van tweede voorkeur bij de betreffende kiezers).
Artikel 10. Budget en subsidieplafond
Eerste lid
Als duidelijk is dat er een referendum komt, dient de raad een budget vast te stellen. Dit gebeurt in beginsel in dezelfde raadsvergadering en uiterlijk in de eerstvolgende raadsvergadering. Allereerst voor de organisatie van het referendum zelf (stempassen, stembiljetten, stembureaus, enz.). Daarnaast een bedrag voor voorlichting. Er kan vanuit de gemeente een folder worden opgesteld met neutrale informatie over het ontwerp raadsbesluit dat onderwerp is van het referendum, of er kan een referendumkrant worden gemaakt waarbij de neutrale gemeentelijke informatie kan worden aangevuld met informatie van voor- en tegenstanders. De referendumcommissie heeft een toezichthoudende rol bij het verstrekken van deze neutrale informatie door de gemeente. In het geval van een referendumkrant heeft de referendumcommissie uiteraard geen rol ten aanzien van de informatie verstrekt door voor- en tegenstanders.
Tweede lid
Daarnaast wordt een subsidiebudget-plafond vastgesteld voor het verstrekken van subsidies voor activiteiten die burgers en maatschappelijke organisaties rond het referendum organiseren. Voor subsidie komen activiteiten in aanmerking die het publieke debat en de meningsvorming rond het referendum ondersteunen.
Een subsidieplafond is belangrijk, omdat daardoor openeinderegelingen worden voorkomen. Als het subsidieplafond is bereikt, moet de aanvraag om subsidie namelijk worden geweigerd (artikel 4:25, tweede lid, van de Awb). Een subsidieplafond is iets anders dan alleen vermelding op de begroting dat er voor een bepaald beleidsterrein een bepaald bedrag beschikbaar is aan subsidies. Een subsidieplafond is concreter; het moet onder die naam worden vastgesteld als het bedrag dat gedurende een bepaald tijdvak ten hoogste beschikbaar is voor de verstrekking krachtens een wettelijk voorschrift van bepaalde met name genoemde subsidies (artikel 4:22 van de Awb). In deze verordening gebeurt dat door vermelding van het vaststellen van het plafond door de raad. Bij de bekendmaking van een subsidieplafond moet ook worden bekendgemaakt hoe het wordt verdeeld (artikel 4:26, tweede lid, van de Awb). De bekendmaking van het subsidieplafond gebeurt in dit geval door het college.
Derde lid
Een onvolledige aanvraag (er ontbreken gegevens) kan niet in behandeling worden genomen en
wordt afgewezen. Dit gebeurt echter niet voordat de aanvrager de kans heeft gekregen om de
aanvraag aan te vullen. Dit dient op korte termijn te gebeuren in verband met de korte termijn van twee weken waarop op de subsidieaanvragen wordt besloten.
Vijfde lid
De Algemene subsidieverordening (hierna: ASV) geeft diverse standaardbepalingen, bijvoorbeeld voor aanvraag- en beslistermijnen, die voor de hier bedoelde subsidies niet toepasbaar zijn en waarvan dus moet worden afgeweken. Ook bevat de ASV een bepaling waarin de bevoegdheid om nadere regels te stellen aan het college wordt gedelegeerd. Dat is bij een referendum niet wenselijk; het gaat immers om een instrument van de raad.
Artikel 11. Subsidiecriteria
Eerste lid
Het doel van de subsidieverstrekking is bijdragen aan de meningsvorming en aan het voeren van het publieke debat over het ontwerp raadsbesluit dat onderwerp is van het referendum onder de burgers in de gemeente. Burgers moeten hun mening kunnen vormen voordat zij een stem uitbrengen. Vaak zijn initiatiefnemers van een referendum en andere betrokkenen burgers. Om hen een mogelijkheid te geven subsidie aan te vragen voor het stimuleren van het publieke debat en meningsvorming wordt hier gesproken van een collectief van kiesgerechtigden, mits zij dit doen met een aantal van minimaal zes personen. In dat geval dienen zij ook kiesgerechtigd te zijn voor de raadsverkiezingen van de gemeente Haarlem. De Referendumverordening Haarlem hanteert een ruimere definitie van het begrip kiesgerechtigde: jongeren vanaf 16 jaar mogen stemmen en dus in een collectief van zes ook subsidie aanvragen. Hierbij wordt opgemerkt dat het noodzakelijk is dat de contactpersoon (een van de zes kiezers) wel 18 jaar of ouder is. Voor het organiseren van sommige onderdelen van activiteiten zal een meerderjarige nodig zijn in verband met de handelingsbekwaamheid.
Subsidies kunnen ook verstrekt worden aan organisaties in de vorm van rechtspersonen (verenigingen, wijkorganen, stichtingen e.d.). Politieke partijen kunnen geen subsidie aanvragen op basis van deze regels. Zij hebben hun eigen mogelijkheden om campagne te voeren.
Tweede lid
Het ligt voor de hand dat geen subsidie verstrekt wordt als de activiteiten plaatsvinden voor de aanvraag wordt ingediend of nadat het referendum gehouden is. Ook is subsidie niet bedoeld om winst te maken, dit is ook een afwijzingsgrond.
Derde en vierde lid
De subsidie is bedoeld als tegemoetkoming in materiële kosten. Alleen de kosten die direct samenhangen met de activiteit en die naar het oordeel van het college redelijk zijn in relatie tot de verwachte bijdrage van de activiteit aan het doel van deze subsidie komen in aanmerking. Denk aan de huur van een zaal voor een debatavond, het drukken van een folder of het maken van een filmpje. Het is niet bestemd voor loonkosten van de aanvrager of anderen. De kosten die voor subsidie in aanmerking komen moeten noodzakelijk zijn om de activiteit uit te kunnen voeren. Dus de zaalhuur voor een debatavond kan vergoed worden, eten en drinken, bijvoorbeeld in de vorm van een borrel na afloop, niet.
Zesde, zevende en achtste lid
De subsidie wordt verstrekt via een tendersysteem. In de beoordeling van de subsidieaanvragen is het in het zevende lid onder a. genoemde aspect het belangrijkste.
Artikel 12. Subsidieaanvragen
Er wordt een formulier vastgesteld waarmee de aanvraag voor subsidie gedaan wordt. Hierdoor is het voor de aanvragers duidelijk welke gegevens zij moeten aanleveren. Het is belangrijk dat er niet alleen een omschrijving van de activiteiten wordt aangeleverd, maar dat er ook een begroting wordt gemaakt waarin de inkomsten en uitgaven zijn opgenomen. Aanvragers zullen voor bijvoorbeeld de huur van een zaal of het ontwerpen van een website een offerte moeten aanvragen zodat zij een goed onderbouwde begroting kunnen aanleveren. Ook worden formele gegevens gevraagd. Voor een collectief van kiezers betekent dit dat er zes personen hun naam en adresgegevens aanleveren en hun handtekening zetten waarmee ze aangeven gezamenlijk verantwoordelijk te zijn voor de activiteit. Voor rechtspersonen die niet bekend zijn bij de gemeente betekent dit dat zij bijvoorbeeld een afschrift van de inschrijving van de kamer van koophandel dienen te overleggen. En uiteraard dient ook deze aanvraag ondertekend te zijn door de bevoegde personen (dit zijn er vaak meer dan één). Het aanvraagformulier staat op de website van de gemeente en kan worden geprint. Het ingevulde formulier kan per post worden opgestuurd of afgegeven worden aan de balie van het stadhuis.
Artikel 13. Subsidieverlening en vaststelling
Eerste lid
De beslissing op een aanvraag om subsidie is een verantwoordelijkheid van het college. De beschikking wordt uiterlijk twee weken nadat de termijn voor het aanvragen van subsidie is gesloten, verzonden.
Tweede lid
Indien een aangevraagde subsidie geheel of gedeeltelijk wordt verleend, wordt vervolgens zo spoedig mogelijk het betreffende bedrag bij wijze van voorschot aan de aanvrager uitbetaald.
Derde lid
Een referendumproces wordt oplettend gevolgd door inwoners en lokale media. Hoewel het om relatief lage subsidiebedragen zal gaan, moet wel verantwoording over de bestede gelden worden afgelegd voordat de subsidie definitief wordt vastgesteld. Dat gebeurt via de aanvraag tot vaststelling.
Als uit de overgelegde stukken (of op een andere manier) blijkt dat de activiteiten niet of niet geheel hebben plaatsgevonden, kan de subsidie lager worden vastgesteld dan was verleend, of zelfs worden ingetrokken. Hierbij kan het verstrekte voorschot (tweede lid ) – deels – worden teruggevorderd (artikelen 4:48, eerste lid, en 4:57 van de Awb).
Artikel 14. Drempel
[vervallen]
Artikel 15. Procedure voorbereiding, stemming, uitslagbepaling en bekendmaking
In de Referendumverordening worden diverse taken niet in handen van het college van burgemeester en wethouders gelegd, maar aan de raad of griffier gelaten. De organisatie en uitvoering van het referendum zelf, nadat duidelijk is dat dit er komt, ligt uiteraard wel bij het college.
Het ligt voor de hand om voor de procedures rond de stemming aan te sluiten bij de gang van zaken bij de raadsverkiezingen daarom wordt hier verwezen naar de Kieswet. Een algemene verwijzing is hiervoor voldoende en voorkomt ook dat verwijzingen onjuist zijn bij een wijziging van de Kieswet. Binnen de verwijzing schuurt een aantal onderdelen van de Kieswet met de praktijk van het referendum. Deze onderdelen worden hier apart uitgewerkt.
Het kan voorkomen dat naast de Kieswet een tijdelijke wet van toepassing is op het verkiezingsproces. Nieuwe ontwikkelingen met betrekking tot het verkiezingsproces worden doorgaans eerst op kleine schaal getest op basis van een experimentenwet, welke ook tijdelijk is. Op dit moment is er een experiment met een nieuw stembiljet. Indien de gemeente Haarlem meedoet aan een experiment of indien er een (landelijke) tijdelijke wet is, zijn de relevante bepalingen ook van toepassing op het referendumproces.
Artikel 16. Uitslag
In artikel 16 zijn bepalingen opgenomen over de taken van het centraal stembureau bij de telling, de vaststelling en de bekendmaking van de uitslag van een referendum. Deze wijken deels af van desbetreffende bepalingen in de Kieswet of vullen deze aan. Zie de toelichting bij artikel 15.
Bij reguliere verkiezingen is de raad het orgaan waarvoor kandidaten worden verkozen. Bij het referendum is dat niet het geval, maar de raad heeft wel een belangrijke rol als het orgaan dat door het referendum wordt geadviseerd. In het derde en vierde lid van artikel 16 zijn daarom enkele bepalingen opgenomen over de rol van de raad bij de vaststelling van de uitslag van het referendum.
Artikel 17. Strafbepaling
Op grond van artikel 154, eerste lid, van de Gemeentewet kan de raad op overtreding van een verordening een straf stellen van ten hoogste drie maanden hechtenis of een geldboete van de tweede categorie. Voor het bepalen van wat strafbaar is, is aangesloten bij hoofdstuk Z, paragraaf 1, van de Kieswet.
De artikelen 18, 19 en 20 behoeven geen toelichting.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl