Financiële verordening gemeente Hellendoorn 2022

Geldend van 23-03-2022 t/m heden

Intitulé

Financiële verordening gemeente Hellendoorn 2022

Nijverdal, 8 maart 2022 Nr. 2022-004355

De raad van de gemeente Hellendoorn;

Gelet op artikel 212 van de Gemeentewet;

Gezien het voorstel van het college van Burgemeester en Wethouders van 15 februari 2022;

b e s l u i t:

vast te stellen de

Financiële verordening gemeente Hellendoorn 2022

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • administratie: het systematisch verzamelen, vastleggen, verwerken en verstrekken van informatie ten behoeve van het besturen, het functioneren en het beheersen van (onderdelen van) de organisatie van de gemeente Hellendoorn en ten behoeve van de verantwoording die daarover moet worden afgelegd;

  • college: college van burgemeester en wethouders;

  • BBV: Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten;

  • financieel beheer: het sturing geven aan en toezicht op het beheer van middelen en het uitoefenen van rechten van de gemeente Hellendoorn;

  • rechtmatigheid: het in overeenstemming zijn met de programmabegroting en de van toepassing zijnde wettelijke regelingen;

  • doelmatigheid: het realiseren van bepaalde prestaties met een zo beperkt mogelijke inzet van middelen;

  • doeltreffendheid: de mate waarin de beoogde maatschappelijke effecten van het beleid ook daadwerkelijk worden behaald.

Hoofdstuk 2 Begroting en verantwoording

Artikel 2 Programmabegroting
  • 1.

    De raad stelt bij de aanvang van de nieuwe raadsperiode een programma-indeling inclusief de verdeling van taakvelden naar programma's vast. Daarnaast stelt de raad vast welke facultatieve paragrafen worden toegevoegd naast de verplichte paragrafen, zoals vastgesteld in artikel 9, tweede lid van het BBV.

  • 2.

    De raad stelt jaarlijks per programma vast:

    • a.

      de beoogde maatschappelijke effecten (wat willen we bereiken);

    • b.

      de prestaties (wat doen we);

    • c.

      de baten en lasten (wat kost het);

    • d.

      de investeringskredieten.

  • 3.

    Met het vaststellen van de programmabegroting autoriseert de raad het college tot het doen van uitgaven per programma tot de bedragen van het overzicht van baten en lasten voor het betreffende begrotingsjaar.

  • 4.

    Het college stelt per programma indicatoren voor met betrekking tot de beoogde (maatschappelijke) effecten en de te leveren goederen en diensten. Het voorstel van het college bevat ten minste de verplichte beleidsindicatoren, bedoeld in artikel 8, derde lid, onder a, van het BBV.

  • 5.

    De raad stelt de indicatoren, bedoeld in het vierde lid, vast.

  • 6.

    Het college draagt zorg voor het verzamelen en vastleggen van gegevens over de geleverde goederen en diensten en de maatschappelijke effecten, opdat de doelmatigheid, rechtmatigheid en doeltreffendheid van het beleid, zoals vastgesteld door de raad, kunnen worden getoetst.

Artikel 3 Producten
  • 1.

    Bij de programmabegroting en jaarstukken wordt een overzicht gegeven van de toedeling van de producten aan de programma's.

  • 2.

    De onderverdeling van de programma's in producten staat voor de raadsperiode vast, tenzij er dringende redenen zijn tot wijzigen. Wijzigingen worden bij de programmabegroting expliciet vermeld.

Artikel 4 Inrichting begroting en jaarstukken
  • 1.

    Bij de begroting en de jaarstukken wordt onder elk van de programma's het overzicht van de baten en lasten per product weergegeven; in de bijlage wordt een overzicht per taakveld weergegeven.

  • 2.

    Bij de uiteenzetting van de financiële positie in de begroting wordt van de nieuwe investeringen per investering het benodigde investeringskrediet weergegeven.

  • 3.

    Bij de uiteenzetting van de financiële positie in de begroting wordt in aanvulling op het bepaalde in artikel 20 en artikel 21 van het BBV inzicht gegeven in de ontwikkeling van de schuldpositie als gevolg van de begroting, de meerjarenraming, de investeringen en de grondexploitatie.

  • 4.

    In de begroting wordt een post onvoorzien van € 75.000,-- opgenomen.

Artikel 5 Uitvoering programmabegroting
  • 1.

    Het college stelt regels die waarborgen dat de uitvoering van de programmabegroting rechtmatig, doelmatig en doeltreffend verloopt.

  • 2.

    Het college draagt er ten aanzien van de productenraming zorg voor dat:

    • a.

      de lasten en baten eenduidig zijn toegewezen aan de producten van de productraming;

    • b.

      de budgetten uit de productraming en kredieten voor investeringen passen binnen de kaders, zoals geautoriseerd bij de vaststelling van de uiteenzetting van de financiële positie;

    • c.

      de lasten van de producten niet dusdanig worden overschreden dat de realisatie van andere producten binnen hetzelfde programma onder druk komt.

  • 3.

    Het college draagt er zoveel mogelijk zorg voor dat de lasten van de programma's, zoals geautoriseerd in de (gewijzigde) programmabegroting, niet worden overschreden.

  • 4.

    Het college informeert de raad als het verwacht dat de lasten van een programma de geautoriseerde lasten dreigen te overschrijden, de investeringsuitgaven van een investeringskrediet het geautoriseerde investeringskrediet dreigen te overschrijden of de baten van een taakveld of een prioriteit de geautoriseerde baten dreigen te onderschrijden. Het college komt met een voorstel aan de raad, hoe om te gaan met de dreigende overschrijding. De lasten van het taakveld worden verhoogd, het investeringskrediet wordt gewijzigd of het beleid wordt bijgesteld

  • 5.

    Het college kan besluiten tot het doen van eenmalige, niet begrote uitgaven die onvoorzien zijn en brengt deze ten laste van de post onvoorzien. Het college informeert de raad daarover.

Artikel 6 Tussentijdse rapportage en informatie
  • 1.

    Het college informeert de raad twee maal per jaar door middel van een tussentijdse rapportage over de realisatie van de programmabegroting en het daaraan ten grondslag liggende beleid van de gemeente.

  • 2.

    De tussentijdse rapportage bevat een uiteenzetting over de uitvoering en het bijstellen van het beleid en een overzicht met de bijgestelde raming van:

    • a.

      de baten en de lasten per programma, uitgesplitst naar producten;

    • b.

      de (beoogde) toevoegingen en onttrekkingen aan reserves per programma;

    • c.

      het resultaat, volgend uit de onderdelen a en b;

    • d.

      de realisatie en raming van de uitputting van de investeringskredieten.

  • 3.

    Financieel-technische aanpassingen welke niet leiden tot wijziging van het begrote financiële resultaat, welke geen beleidsinhoudelijke gevolgen hebben en waarvoor geen bestuurlijke afweging nodig is, kunnen maandelijks aan de gemeenteraad aangeboden worden met een verzamelwijziging. Daarbij gaat het om wijzigingen waarbij:

    • -

      de dekking reeds geregeld is;

    • -

      (aanvullende) middelen voor een specifiek doel worden ontvangen van het Rijk of van derden;

    • -

      budgetten intern tussen programma’s worden verschoven.

  • 4.

    Tussen salarissen en sociale lasten enerzijds en de kosten van personeel van derden anderzijds mag zonder financiële beperking worden geschoven, mits het gaat om personele mutaties binnen de bestaande formatie. In alle andere gevallen is dit slechts mogelijk als het uitgaven van incidentele aard betreft die niet tot extra verplichtingen in een volgend jaar leiden.

  • 5.

    Op kostensoorten die integraal door de programma’s lopen kan eveneens zonder financiële beperking worden geschoven. Dat geldt voor alle hieronder genoemde kostensoorten:

    • -

      beheerkosten gemeentelijke gebouwen;

    • -

      verzekeringen;

    • -

      energiekosten;

    • -

      licenties.

Artikel 7 EMU-saldo

Wanneer het Rijk de gemeente bericht dat alle gemeenten samen het collectieve aandeel van gemeenten in het EMU-tekort, bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Wet houdbare overheidsfinanciën, hebben overschreden, informeert het college de raad of een aanpassing van de begroting nodig is. Als het college een aanpassing nodig acht, doet het college een voorstel voor het wijzigen van de begroting.

Artikel 8 Jaarstukken
  • 1.

    Het college draagt zorg voor een adequate verantwoording van gevoerd beleid en beheer in de gemeenterekening.

  • 2.

    Het college legt verantwoording af over de uitvoering van de programma's. In de verantwoording geeft het college aan:

    a. wat is bereikt;

    b. wat de kosten zijn;

    c. hoe de resultaten zich verhouden tot de in de programmabegroting gestelde doelen.

    Financiële afwijkingen groter dan € 25.000,-- op productniveau worden toegelicht.

  • 3.

    De raad bepaalt aan de hand van de uitvoering van de programma's of de beleidsdoelen van de programma's voor het lopende jaar bijstelling behoeven.

  • 4.

    In de jaarrekening wordt van de investeringen de uitputting van de geautoriseerde investeringskredieten weergegeven.

Hoofdstuk 3 Financieel beleid

Artikel 9 Financiële positie
  • 1.

    Het college draagt er zorg voor dat het beleid, waartoe de raad heeft besloten, in de uiteenzetting van de financiële positie en de meerjarenramingen is opgenomen.

  • 2.

    Het totaalbedrag aan verleende garanties en waarborgen wordt bij de uiteenzetting van de financiële positie expliciet vermeld.

Artikel 10 Waardering en afschrijving vaste activa

Het college biedt de raad ten minste één maal per vier jaar een (bijgestelde) nota investeren en afschrijven aan. De nota beschrijft de methodiek van afschrijving en de termijnen.

Artikel 11 Voorziening voor oninbare vorderingen
  • 1.

    Voor de bepaling van de oninbare vorderingen van debiteuren Participatiewet en BBZ-leningen wordt gebruik gemaakt van de statische bepaling. Per openstaande vordering wordt het risico van oninbaarheid ingeschat en op basis hiervan wordt de voorziening bepaald.

  • 2.

    Voor de overige openstaande vorderingen van verbonden partijen en derden wordt een separate voorziening wegens oninbaarheid gevormd.

  • 3.

    Indien de openstaande vordering, zoals bedoeld in het tweede lid, groter is dan € 25.000,-- wordt op basis van een individuele beoordeling de inbaarheid bepaald, de zogenaamde statische bepaling.

  • 4.

    Voor de overige vorderingen wordt een percentage meegenomen in de voorziening, de dynamische bepaling:

    Jaar t-4 en ouder: 100% dubieus;

    Jaar t-3: 75% dubieus;

    Jaar t-2: 50% dubieus;

    Jaar t-1: 25% dubieus

Artikel 12 Reserves en voorzieningen
  • 1.

    Het college biedt de raad ten minste één maal per vier jaar een (bijgestelde) nota reserves en voorzieningen aan.

  • 2.

    De nota behandelt minimaal:

    • a.

      de vorming en besteding van reserves;

    • b.

      de vorming en besteding van voorzieningen;

    • c.

      de minimale en maximale omvang van de reserves en voorzieningen.

Artikel 13 Kostprijsberekening
  • 1.

    Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, wordt een extracomptabel stelsel van kostentoerekening gehanteerd. Bij deze kostentoerekening worden naast de directe kosten, de overheadkosten en de rente van de inzet van vreemd vermogen voor de financiering van de in gebruik zijnde activa betrokken.

  • 2.

    Bij de directe kosten worden betrokken de bijdragen aan en onttrekkingen van voorzieningen voor de noodzakelijke vervanging van de betrokken activa en de afschrijvingskosten van de in gebruik zijnde activa. Voor de rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, worden daarbij ook de compensabele belasting over de toegevoegde waarde (BTW) en de gederfde inkomsten van het kwijtscheldingsbeleid betrokken.

  • 3.

    Voor de toerekening van de overheadkosten aan de kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, wordt uitgegaan van een aandeel in de totale overheadkosten. Dit aandeel wordt bepaald door de geraamde directe kosten van de economische categorieën 1.1 Salarissen en sociale lasten en 3.5.1 Ingeleend personeel die worden besteed aan deze activiteit te delen door de totale geraamde directe kosten van de economische categorieën 1.1 Salarissen en sociale lasten en 3.5.1 Ingeleend personeel.

  • 4.

    Voor de toerekening van de overheadkosten worden de overheadkosten, die kunnen worden toegerekend aan activiteiten welke geheel of deels worden bekostigd met een specifieke uitkering of subsidie, bepaald in overeenstemming met de methodiek, zoals is beschreven in het derde lid.

  • 5.

    Voor de toerekening van de overheadkosten naar investeringsprojecten en grondexploitatie wordt aangesloten bij de methodiek zoals is beschreven in het derde lid.

  • 6.

    In afwijking van het derde lid wordt de toerekening van de overheadkosten aan de kostprijs van de rioolheffing en afvalstoffenheffing als volgt bepaald. De geraamde directe kosten, die met de rioolheffing of afvalstoffenheffing maximaal in rekening kunnen worden gebracht, delen door de totale geraamde directe kosten van de taakvelden.

  • 7.

    Het percentage van de toegerekende rente voor de financiering van de in gebruik zijnde activa, bedoeld in het eerste lid, wordt jaarlijks met de begroting vastgesteld. Het percentage van deze omslagrente wordt bepaald uit het gewogen gemiddelde van het bij de begroting geraamde rentepercentage van de rentekosten op de opgenomen langlopende leningen.

  • 8.

    In afwijking van het zevende lid wordt het percentage van de toerekening van rente over de grondexploitaties jaarlijks bij de begroting berekend en herrekend na vaststelling van de jaarrekening T-1. Het percentage wordt bepaald uit het gewogen gemiddelde van de rentelasten van de opgenomen langlopende en kortlopende leningen. Dit percentage wordt gecorrigeerd naar de verhouding vreemd vermogen: totaal vermogen.

  • 9.

    In afwijking van het zevende lid wordt bij een verstrekte lening voor de bepaling van de rentekosten van de inzet van vreemd vermogen in de kostprijs uitgegaan van de rente van de lening die voor de financiering van de verstrekte lening is aangetrokken. Deze rente wordt verhoogd met een opslag voor het debiteurenrisico.

Artikel 14 Prijzen economische activiteiten
  • 1.

    Voor de levering van goederen, diensten of werken aan overheidsbedrijven en derden en bijbehorende activiteiten waarmee de gemeente in concurrentie met marktpartijen treedt, wordt ten minste de geraamde integrale kostprijs in rekening gebracht. Bij afwijking doet het college vooraf voor elk van deze activiteiten afzonderlijk een raadsvoorstel, waarin het publiek belang van de levering van de desbetreffende goederen, diensten of werken wordt gemotiveerd.

  • 2.

    Bij het verstrekken van leningen of garanties aan overheidsbedrijven en derden brengt de gemeente de geraamde integrale kosten in rekening. Bij afwijking doet het college vooraf een raadsvoorstel, waarin het publiek belang van de lening of garantie wordt gemotiveerd.

  • 3.

    Bij het verstrekken van kapitaal door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden gaat het college uit van een vergoeding van ten minste de geraamde integrale kosten van de verstrekte middelen. Bij afwijking doet het college vooraf een raadsvoorstel, waarin het publiek belang van de kapitaalverstrekking wordt gemotiveerd.

  • 4.

    Raadsbesluiten met de motivering van het publiek belang als bedoeld in de vorige leden zijn niet nodig als sprake is van:

    • a.

      leveringen van goederen, diensten of werken en het verstrekken van leningen, garanties en kapitaal aan andere overheden voor zover deze leveringen en verstrekkingen zijn bedoeld voor de uitoefening van de publieke taak door die andere overheid;

    • b.

      een bevoordeling van activiteiten in het kader van een bij wet opgedragen publiekrechtelijke taak;

    • c.

      een bevoordeling van activiteiten in het kader van een toegekend bijzonder of uitsluitend recht waarvoor prijsvoorschriften gelden;

    • d.

      een bevoordeling van sociale werkplaatsen;

    • e.

      een bevoordeling van onderwijsinstellingen;

    • f.

      een bevoordeling van publieke media-instellingen;

    • g.

      een bevoordeling die valt onder de reikwijdte van de staatssteunregels van het Werkingsverdrag van de Europese Unie en daarmee verenigbaar is.

Artikel 15 Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en leges

Het college doet de raad jaarlijks een voorstel voor de hoogte van de gemeentelijke tarieven voor de belastingen, de rioolheffingen, de afvalstoffenheffing, leges en rechten.

Artikel 16 Financieringsfunctie
  • 1.

    Het college draagt bij de uitoefening van de treasuryfunctie zorg voor:

    • a.

      het aantrekken van voldoende financiële middelen en het uitzetten van overtollige gelden om de begrotingshoofdstukken binnen de door de raad vastgestelde kaders van de programmabegroting uit te kunnen voeren;

    • b.

      het verzekeren van een duurzame toegang tot financiële markten tegen acceptabele condities;

    • c.

      het beheersen van de risico's verbonden aan de treasuryfunctie zoals renterisico's, koersrisico's, liquiditeitsrisico's en kredietrisico's.

  • 2.

    Het college stelt regels op ter uitvoering van het gestelde in het eerste lid en legt deze regels, alsmede de regels voor taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening vast in een treasurystatuut. Het college zendt het besluit ter kennisneming aan de raad.

  • 3.

    Het college evalueert de bepalingen inzake de treasuryfunctie minimaal één keer per vier jaar en doet van het resultaat daarvan melding aan de raad.

Hoofdstuk 4 Paragrafen

Artikel 17 Lokale heffingen
  • 1.

    Het college biedt de raad ten minste één maal per vier jaar een (bijgestelde) nota lokale heffingen aan. Deze nota behandelt in ieder geval:

    • a.

      de samenstelling van het pakket aan gemeentelijke belastingen en heffingen;

    • b.

      de verdeling van de druk van de belastingen over de diverse bevolkingsgroepen en soorten belastingplichtigen;

    • c.

      de kostendekkendheid van de heffingen;

    • d.

      de druk van de lokale belastingen en heffingen;

    • e.

      het kwijtscheldingsbeleid en het tarievenbeleid.

  • 2.

    Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf lokale heffingen de verplichte onderdelen op grond van artikel 10 van het BBV op.

Artikel 18 Weerstandsvermogen en risicobeheersing
  • 1.

    Het college biedt de raad ten minste één maal per vier jaar een (bijgestelde) nota risicobeheersing en weerstandsvermogen aan. In deze nota wordt ingegaan op het risicomanagement, het opvangen van risico's door verzekeringen, voorzieningen, het weerstandsvermogen of anderszins. In de nota wordt tevens de gewenste weerstandscapaciteit bepaald.

  • 2.

    In de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing bij de programmabegroting en de jaarstukken neemt het college de verplichte onderdelen op grond van artikel 11 van het BBV op.

  • 3.

    Voor het in beeld brengen van de weerstandscapaciteit van de gemeente wordt beoordeeld of de gemeente bij een risicoscenario de schuldverplichtingen in de toekomst kan blijven nakomen zonder dat de uitgaven aan noodzakelijke publieke voorzieningen in de knel komen.

Artikel 19 Onderhoud kapitaalgoederen
  • 1.

    Het college biedt de raad (bijgestelde) nota's aan, die toezien op het onderhoud openbare ruimte. De nota's geven het kader weer voor de inrichting van het onderhoud, het beoogde onderhoudsniveau en het meerjarig budgettair beslag. Het gaat hierbij om de volgende nota's (inclusief de herzieningsperiode):

    • a.

      openbaar groen (10 jaar);

    • b.

      wegen (4 jaar);

    • c.

      kunstwerken (5 jaar);

    • d.

      openbare verlichting (5 jaar);

    • e.

      gladheidsbestrijding (4 jaar);

    • f.

      speelplaatsenbeleid (4 jaar).

  • 2.

    Het college biedt ten minste één maal per vier jaar een (bijgestelde) nota rioleringsplan aan. De nota geeft het kader weer voor de inrichting van het onderhoud, het beoogde onderhoudsniveau en de uitbreiding van de riolering alsmede de kwaliteit van het milieu en het meerjarig budgettair beslag.

  • 3.

    Het college biedt ten minste één maal per vier jaar een (bijgestelde) nota onderhoud gebouwen aan. De nota geeft het kader weer voor de inrichting van het onderhoud, het beoogde onderhoudsniveau voor het te plegen onderhoud en de bijbehorende kosten aan de gemeentelijke gebouwen en eveneens het meerjarig budgettair beslag.

  • 4.

    Bij de programmabegroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf onderhoud kapitaalgoederen, naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 12 van het BBV, in ieder geval op:

    • a.

      de voortgang van het geplande onderhoud;

    • b.

      de omvang van het achterstallig onderhoud.

Artikel 20 Financiering

In de paragraaf financiering bij de programmabegroting en de jaarstukken neemt het college naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 13 van het BBV in ieder geval op:

  • a.

    de schulden met een looptijd langer dan een jaar en het verschuldigde rentepercentage;

  • b.

    de liquiditeitsplanning en de financieringsbehoefte voor de komende vier jaar;

  • c.

    de rentevisie voor de komende vier jaar.

Artikel 21 Bedrijfsvoering

In de paragraaf bedrijfsvoering bij de programmabegroting en de jaarstukken neemt het college naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 14 van het BBV in ieder geval op de omvang, opbouw en ontwikkeling van het personeelsbestand en de loonkosten.

Artikel 22 Verbonden partijen
  • 1.

    Het college biedt ten minste één maal per vier jaar een (bijgestelde) nota verbonden partijen aan.

  • 2.

    De nota bevat de kaders voor het beleid aangaande (het aangaan van nieuwe) participaties, met name de condities waaronder het publiek belang is gediend met behartiging door verbonden partijen, de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de verbonden partijen en de financiële voorwaarden.

  • 3.

    In de paragraaf verbonden partijen bij de programmabegroting en de jaarstukken neemt het college de verplichte onderdelen op grond van artikel 15 van het BBV op.

Artikel 23 Grondbeleid
  • 1.

    Het college biedt ten minste één maal per vier jaar een (bijgestelde) nota grondbeleid aan ter behandeling en vaststelling door de raad. In deze nota wordt aandacht besteed aan:

    • a.

      de relatie met de programma's van de programmabegroting;

    • b.

      de strategische visie van het toekomstige grondbeleid van de gemeente;

    • c.

      de te ontwikkelen en in ontwikkeling genomen projecten;

    • d.

      de voorraadverwerving en uitgifte van gronden;

    • e.

      de uitgifte van gronden in erfpacht en de bijstelling van erfpachtvergoedingen.

  • 2.

    In de paragraaf grondbeleid bij de programmabegroting en de jaarstukken neemt het college naast de verplichte onderdelen op grond van artikel van 16 van het BBV in ieder geval op:

    • a.

      het verloop van de grondvoorraad;

    • b.

      de te ontwikkelen en in ontwikkeling genomen projecten.

Artikel 24 Verstrekking subsidies

Het college biedt ten minste één maal per vier jaar een (bijgestelde) nota verstrekking gemeentelijke subsidies aan. De nota bevat het kader voor de verstrekking van gemeentelijke subsidies en een overzicht van de toegekende gemeentelijke subsidies.

Hoofdstuk 5 Financiële organisatie en financieel beheer

Artikel 25 Administratie

De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij in ieder geval dienstbaar is voor:

  • a.

    het sturen en het beheersen van activiteiten en processen in de gemeente als geheel en in de diensten;

  • b.

    het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang van activa met economisch nut, activa met maatschappelijk nut, voorraden, vorderingen en schulden, enzovoorts;

  • c.

    het verschaffen van informatie aan de budgethouders en voor het maken van kostencalculaties;

  • d.

    het bevorderen van en het afleggen van verantwoording over de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de programmabegroting en ter zake geldende wet- en regelgeving;

  • e.

    de controle van de registratie van gegevens als zodanig en van de daaraan ontleende informatie alsmede voor de controle op de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen.

Artikel 26 Financiële organisatie
  • 1.

    Het college draagt de zorg voor en legt (in een besluit) vast:

    • a.

      een eenduidige indeling van de gemeentelijke organisatie en een eenduidige toewijzing van de gemeentelijke taken aan de verschillende organisatieonderdelen;

    • b.

      een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden, verantwoordelijkheden, zodat aan de eisen van interne controle wordt voldaan en de betrouwbaarheid van de verstrekte informatie aan beleids- en beheersorganen is gewaarborgd;

    • c.

      de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en investeringskredieten;

    • d.

      de te maken afspraken met de organisatie over de te leveren prestaties, de daarvoor beschikbare middelen en de wijze en frequentie van rapportage over de voortgang van de activiteiten en uitputting van middelen;

    • e.

      het beleid en de interne regels voor de inkoop en de aanbesteding van goederen, werken en diensten;

    • f.

      het beleid en de interne regels voor de steunverlening en de toekenning van subsidies aan ondernemingen en instellingen;

    • g.

      het beleid en de interne regels voor het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen, opdat aan de eisen van rechtmatigheid, controle en verantwoording wordt voldaan.

  • 2.

    Het college zendt het besluit ter kennisneming aan de raad.

Artikel 27 Interne controle
  • 1.

    Het college zorgt ten behoeve van het getrouwe beeld van de jaarrekening, bedoeld in artikel 213, derde lid, onder a, van de Gemeentewet, en de rechtmatigheid van de baten en lasten en de balansmutaties, bedoeld in artikel 213, derde lid, onder b, van de Gemeentewet, voor de jaarlijkse interne toetsing van de getrouwheid van de informatieverstrekking en de rechtmatigheid van de beheershandelingen. Bij afwijkingen neemt het college maatregelen tot herstel.

  • 2.

    Het college zorgt voor de systematische controle van de registratie en de ontwikkeling van de bezittingen en het vermogen van de gemeente met dien verstande dat de waardepapieren, de voorraden, de uitstaande leningen, de debiteurenvorderingen, de liquiditeiten, de opgenomen leningen, de kortlopende schulden en de vorderingen van crediteuren jaarlijks worden gecontroleerd en registergoederen en bedrijfsmiddelen ten minste één maal in de vier jaar. Bij afwijkingen in de registratie neemt het college maatregelen voor herstel van de tekortkomingen.

Hoofdstuk 6 Slotbepalingen

Artikel 28 Nadere regelgeving en afwijkingen
  • 1.

    Het college kan in voorkomende gevallen om bijzondere redenen besluiten tijdelijk af te wijken van de in deze verordening opgenomen regels. De raad wordt hierover vooraf gehoord.

  • 2.

    Het college kan regels vaststellen waarmee nadere uitvoering wordt gegeven aan de in deze verordening gestelde bepalingen.

Artikel 29 Intrekken oude verordening en overgangsrecht

De "Financiële verordening gemeente Hellendoorn 2017" wordt ingetrokken met ingang van het in artikel 30, eerste lid, genoemde tijdstip.

Artikel 30 Inwerkingtreding en citeertitel
  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking.

  • 2.

    Deze verordening wordt aangehaald als: Financiële verordening gemeente Hellendoorn 2022.

De raad voornoemd,

de griffier, de voorzitter,