Beleidsregel monitoring & evaluatie Waddenfonds

Geldend van 18-03-2022 t/m heden

Intitulé

Beleidsregel monitoring & evaluatie Waddenfonds

Vooraf

Het Waddenfonds heeft vier hoofddoelen. Deze hoofddoelen zijn uitgewerkt in thema’s en zogenaamde doelspecificaties. Door deze uitwerking kan het Waddenfonds veel verschillende projecten subsidiëren. Van alle projecten wil het Waddenfonds weten wat het resultaat is (output) en effect (outcome). Het Waddenfonds vraagt om die reden informatie van de subsidieontvangers over wat het resultaat van het project is, dit moet in het projectplan worden opgenomen. Ook vraagt het Waddenfonds aan de aanvragers wat het verwachte effect zal zijn, dit mag in het projectplan worden opgenomen. Het Waddenfonds is zelf verantwoordelijk om het uiteindelijke effect te bepalen.

In de Algemene subsidieverordening Waddenfonds is bepaald dat het dagelijks bestuur van het Waddenfonds ten minste éénmaal in de vier jaren aan het algemeen bestuur verslag uit moet brengen over de doeltreffendheid en de effecten van de subsidies die zijn verstrekt.

Om dit te kunnen doen heeft het Waddenfonds een monitoring- en evaluatie systeem ontwikkeld dat inzicht geeft in de mate waarin gesubsidieerde projecten (zowel majeure als thematische projecten) bijdragen aan de Waddenfondsdoelen en in de effectiviteit van door de projecten getroffen maatregelen.

Om dit inzicht te kunnen krijgen heeft het Waddenfonds informatie nodig over de output en de outcome van de projecten.

  • 1.

    Output: de concrete resultaten na afloop van het project. De subsidieaanvrager is verantwoordelijk voor het aanleveren van deze gegevens. De subsidieaanvrager moet in het projectplan, welke een verplichte bijlage is bij de subsidieaanvraag, aangeven wat er aan het eind van het project fysiek aan resultaat wordt opgeleverd. Deze output wordt door het Waddenfonds vertaald in meetbare outputindicatoren die onderdeel zijn van de verleningsbeschikking en het uitgangspunt zijn bij het vaststellen van de subsidie. Tijdens het project bewaakt de aanvrager de voortgang zodat de beoogde resultaten ook daadwerkelijk worden gerealiseerd. Aanvrager is verplicht periodiek te rapporteren aan het Waddenfonds over de voortgang van het project. Tevens dient aan het eind van het project te worden gerapporteerd over de gerealiseerde resultaten.

  • 2.

    Outcome: de effecten van het project. De projecten van het Waddenfonds dienen bij te dragen aan één of meerdere van de vier hoofddoelstellingen van het Waddenfonds. Aan de hand van de beoogde resultaten van een project kun je het beoogde effect formuleren. De subsidieaanvrager dient in het projectplan aan te geven wat het te verwachten effect is van het project en welke outcome-indicatoren geschikt zijn om dit effect te meten. Hiervoor kan worden geput uit op de website van het Waddenfonds gepubliceerde lijst met outcome-indicatoren die het Waddenfonds samen met de provincies en de Waddenacademie heeft opgesteld. De aanvrager heeft ten aanzien van outcome alleen een informatie verplichting die vorm krijgt in het projectplan op basis van de in het format van het projectplan opgenomen informatievragen aan aanvragers. Het Waddenfonds is verantwoordelijk voor het daadwerkelijk meten van het effect van de projecten (outcome-monitoring).

De gegevens op projectniveau ten aanzien van output en outcome vormen input voor de monitoring- en evaluatie systematiek van het Waddenfonds. Door het analyseren van deze gegevens, onder meer met behulp van expert-judgement kan het doelbereik van het Waddenfonds worden bepaald.

In deze beleidsregel monitoring- en evaluatie geven wij een nadere uitleg over de SME systematiek en wat er van een subsidieaanvrager wordt verwacht.

Besluit van het dagelijks bestuur op 9 maart 2022.

Beleidsregel van het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling Waddenfonds houdende regels omtrent het monitoren en evalueren van door het openbaar lichaam Waddenfonds te subsidiëren en gesubsidieerde projecten (Beleidsregel monitoring & evaluatie Waddenfonds)

Het dagelijks bestuur van het Waddenfonds;

gelet op:

  • titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht en

  • de artikelen 1.4, eerste lid, 1.9 en 2.14, tweede lid, van de Algemene subsidieverordening Waddenfonds 2017

overwegende dat:

  • op 3 juli 2020 de Beleidsregel monitoring & evaluatie Waddenfonds is vastgesteld;

  • doorontwikkeling van het systeem van monitoring & evaluatie (in het vervolg SME) wijziging van deze beleidsregel verlangt,

besluit de Beleidsregel monitoring & evaluatie Waddenfonds als volgt gewijzigd vast te stellen:

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

ASV

Algemene subsidieverordening Waddenfonds 2017;

Basismonitor Wadden

een systeem dat informatie in de vorm van meetnetten samenbrengt; Een meetnet is een stelsel van samenhangende meetstations, meet- en-of bemonsteringspunten.

Monitoring

het periodiek verzamelen en verwerken van gegevens om de bijdrage van gesubsidieerde projecten aan de doelen van het Waddenfonds en de effectiviteit van door gesubsidieerde projecten genomen maatregelen te kunnen analyseren.

Output

het concrete resultaat van de gesubsidieerde activiteit(en) dat ten behoeve van de subsidievaststelling wordt opgeleverd.

Outcome

de beoogde effecten van gesubsidieerde activiteit(en).

Outcome-indicator

Een maatstaf waarmee effecten kunnen worden gemeten.

Streefwaarde

de cijfermatige waarde die een outcome-indicator op een bepaald gekozen moment in de tijd heeft.

Evaluatie

het analyseren van de mate van doelbereik en de effectiviteit van uitgevoerde maatregelen van door het Waddenfonds gesubsidieerde activiteiten. Na afronding van het Waddenfonds in 2027 kan het ook gaan om het identificeren van verbeteringen ten behoeve van het (subsidie)beleid en het (beleids)instrumentarium.

SME

systematiek Monitoring en Evaluatie.

Expert-judgement

Een inschatting van één of meerdere deskundigen op grond van best beschikbare kennis en ervaring over de mate van bijdrage aan de doelen van het Waddenfonds van gesubsidieerde activiteiten in relatie tot andere mogelijke verklaringen.

Artikel 2 Toepassingsbereik

  • 1. Deze beleidsregel is van toepassing op subsidieverstrekking vanaf € 125.000 ten behoeve van:

    • a.

      majeure projecten in het kader van het Uitvoeringskader Waddengebied 2021 - 2027 en het Investeringskader Waddengebied 2016 - 2026; en

    • b.

      de thema’s in het Uitvoeringsprogramma Waddenfonds 2021 - 2027.

  • 2. Het dagelijks bestuur kan in nadere regels als bedoeld in artikel 1.4, vierde lid, van de ASV bepalen dat deze beleidsregel geheel of gedeeltelijk buiten toepassing blijft.

Artikel 3 Beleidsregels

De beleidsregel, volgens welke het dagelijks bestuur uitvoering geeft aan het monitoren, evalueren en bewaken van de voortgang van door het Waddenfonds te subsidiëren en gesubsidieerde activiteiten, is nader uitgewerkt in de bijlagen 1 en 2, die onlosmakelijk onderdeel uitmaken van de beleidsregel.

Artikel 4 Slotbepaling

  • 1. Deze beleidsregel wordt tenminste eenmaal per jaar geëvalueerd.

  • 2. Deze beleidsregel treedt in werking op 1 februari 2022 en wordt aangehaald als: Beleidsregel monitoring & evaluatie Waddenfonds.

Ondertekening

BIJLAGE 1.

1. Monitoring & evaluatie

1.1.Monitoring

Voor de evaluatie van effecten en effectiviteit van getroffen maatregelen door gesubsidieerde activiteit(en) heeft het Waddenfonds informatie nodig. Die informatie komt uit het monitoren van de ontwikkelingen zoals die zich voordoen in het Waddengebied en uit het monitoren van de resultaten en effecten van gesubsidieerde activiteiten door het Waddenfonds. Die monitoring vindt plaats op twee niveaus:

  • a.

    projectniveau: de output van projectmatige gesubsidieerde activiteiten wordt, voor zover van toepassing, in het aanvraagproces, in de uitvoeringsfase, bij de subsidievaststelling en na de subsidievaststelling in kaart gebracht. Dat gebeurt aan de hand van door subsidieontvangers op grond van de subsidiebeschikking in te dienen voortgangsrapportages, wijzigingsverzoeken en eindrapportages. Om de beoogde resultaten te kunnen bereiken is het noodzakelijk dat aanvragers tijdens het project de effectiviteit van de door het project uitgevoerde maatregelen monitoren.

  • De outcome van projectmatige gesubsidieerde activiteiten wordt door het Waddenfonds (eventueel samen met de drie Waddenprovincies) bepaald op basis van uit te voeren periodieke evaluaties.

  • b.

    gebiedsniveau: het met behulp van de Basismonitoring signaleren van trends en ontwikkelingen die de toestand van de Waddenzee en het Waddengebied op enig moment weerspiegelen.

De langs deze twee niveaus verkregen gegevens vormen enerzijds de basis voor de (periodieke) evaluatie van het beleid en leveren input voor eventuele bijstellingen van het subsidiebeleid en/of beschikkingen.

Toepassing van de SME methodiek maakt het samen met de data uit de voortgangs- en eindrapportages mogelijk om op basis van kwantitatieve en kwalitatieve gegevens te komen tot een beeld en waardering van de bijdrage van de gesubsidieerde projecten aan de Waddenfondsdoelen en van de effectiviteit van de uitgevoerde maatregelen. Naast de beschikbare kwantitatieve en kwalitatieve informatie (‘meten en berekenen’), is altijd een interpretatie (‘causaliteit’, ‘beredeneren’) nodig op basis van expert-judgement. Daarbij gaat het om het leggen van de mogelijke relatie tussen projecteffecten en de ‘staat van het wad’ / autonome trends en ontwikkelingen.

1.2. Evaluatie

In artikel 4:24 van de Algemene wet bestuursrecht staat dat tenminste éénmaal per vijf jaar een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de subsidie in de praktijk wordt gepubliceerd. In artikel 1.9 van de ASV is een kortere termijn gesteld en is bepaald dat het dagelijks bestuur éénmaal in de vier jaar aan het algemeen bestuur verslag doet van de effecten van de subsidie. Een regelmatige evaluatie van beleid en regelgeving kan bijdragen aan de beheersing van overheidsuitgaven.

Evaluatie van de bijdrage van Waddenfondsprojecten aan de doelen van het Waddenfonds vindt plaats op basis van onder meer de door het dagelijks bestuur vastgestelde SME. Die zorgt ervoor dat er straks via onder meer de Basismonitoring ook data beschikbaar zijn voor de geselecteerde outcome-indicatoren op basis waarvan een evaluator kan analyseren in welke mate projecten hebben bijgedragen aan de doelen en in hoeverre door de projecten getroffen maatregelen effectief zijn geweest.

1.3. De monitorsystematiek

Bij gesubsidieerde activiteiten ligt de focus veelal op de output: wat is het concrete resultaat van de gesubsidieerde activiteit, bijvoorbeeld een zonnepark, de aanleg van een zoet-zout overgang of een bezoekerscentrum.

Bij de outcome wordt voorbij de grenzen van het concrete (project)resultaat gekeken. Wat zijn de beoogde ecologische, economische of maatschappelijke effecten, zowel positief als negatief.

Ten behoeve van de monitoring wordt gebruikt gemaakt van hoofddoelen, gespecificeerde doelen, outcome-indicatoren en streefwaarden voor die indicatoren en van expert-judgement. In schema:

foto

De outcome-indicatoren en de streefwaarden daarvan zijn opgenomen in het format van het projectplan en ook te vinden op de website van het Waddenfonds: (PM: invoegen link zodra die is aangemaakt)

1.3. Hoofddoelen en gespecificeerde doelen

Het Waddenfonds heeft vier hoofddoelen:

  • a)

    het vergroten en versterken van de natuur- en landschapswaarden van het Waddengebied;

  • b)

    het verminderen of wegnemen van externe bedreigingen van de natuurlijke rijkdom van de Waddenzee;

  • c)

    een duurzame economische ontwikkeling in het Waddengebied, dan wel gericht zijn op een substantiële transitie naar een duurzame energiehuishouding in het Waddengebied en direct aangrenzende gebieden; en

  • d)

    het ontwikkelen van een duurzame kennishuishouding ten aanzien van het Waddengebied.

Ten behoeve van de monitoring zijn deze hoofddoelen in het Uitvoeringskader Waddenfonds gespecificeerd. De hoofddoelen en de gespecificeerde doelen zijn opgenomen in tabel 1 (zie bijlage 2).

1.4. Outcome-indicatoren en streefwaarden

Voor het kunnen bepalen van de bijdrage van gesubsidieerde activiteiten aan de doelen van het Waddenfonds zijn de gespecificeerde doelen voor zover mogelijk en relevant uitgewerkt tot een selectieve set van outcome-indicatoren. Deze outcome-indicatoren kunnen op basis van ervaringen en het beschikbaar komen van nieuwe inzichten worden aangepast.

Aan een outcome- indicator is of wordt een streefwaarde gekoppeld. De Streefwaarden zijn in samenwerking met de provincies (i.c. de Investeringskader Waddengebied (IKW) opgaveteams), en de Waddenacademie opgesteld en zijn voor het hele Waddengebied. Het zijn richtinggevende waarden en geen normerende waarden. De outcome-indicatoren en de streefwaarden vormen geen onderdeel van deze beleidsregel maar zijn opgenomen als bijlage bij het format voor het projectplan, zodat aanvragers bevraagd kunnen worden. Het Waddenfonds gebruikt ze ten behoeve van de evaluatie om te bepalen of projecten hebben beschreven in welke mate ze bijdragen aan ontwikkelingen in de gewenste richting. Streefwaarden kunnen op basis van de opgedane ervaringen en in overleg met eerdere genoemde partijen worden aangepast. Het Waddenfonds maakt gebruik van de opgestelde lijst met outcome-indicatoren en de streefwaarden zodat er te zijner tijd voldoende data zijn om het doelbereik van het Waddenfonds te kunnen evalueren. Uit een evaluatie kan blijken dat streefwaarden niet gehaald zijn. De streefwaarden kunnen dan bijgesteld worden of het beleid kan worden aangepast. Het niet halen van de streefwaarden hoeft niet te betekenen dat het Waddenfonds niet succesvol is geweest, want doelbereik kan ook door andere factoren en actoren worden bepaald naast de bijdrage van door het Waddenfonds gesubsidieerde activiteiten. Met behulp van expert-judgement zal dit als onderdeel van uit te voeren evaluaties altijd nader geanalyseerd worden.

1.5. Basismonitoring Wadden

Het Waddenfonds maakt voor het uitvoeren van evaluaties zoveel mogelijk gebruik van data uit bestaande meetnetten. Die data worden ontsloten en toegankelijk gemaakt via de Basismonitoring Wadden of via de beheerders van de betreffende meetnetten voor zover die geen onderdeel uit maken van de Basismonitoring Wadden.

Ook andere overheden kunnen van de meetnetten gebruik maken voor evaluatie van hun eigen doelbereik.

2. GEGEVENS TEN BEHOEVE VAN MONITORING EN EVALUATIE

2.1. Monitoringsparagraaf

In de ASV is bepaald dat het dagelijks bestuur formulieren en modellen kan vaststellen, waarvan het gebruik verplicht is voorgeschreven. Dit draagt bij aan een efficiënt subsidieproces. Daarom moet bij een aanvraag gebruik worden gemaakt van door het dagelijks bestuur vastgestelde formats. Het verstrekken van gegevens ten behoeve van een te subsidiëren activiteit is een verantwoordelijkheid van de subsidieaanvrager. Het format voor een projectplan voorziet daarom in een monitorings-paragraaf, waarin output en outcome kunnen worden beschreven. Daarin is ook de tabel met outcome-indicatoren en de streefwaarden opgenomen. Langs deze weg worden van de subsidieaanvrager de volgende gegevens verkregen:

2.1.1 Ten behoeve van de output:

  • a)

    een nauwkeurige omschrijving van het concrete resultaat dat met de te subsidiëren activiteit wordt opgeleverd;

  • b)

    een omschrijving aan welke van de ten tijde van de aanvraag in bijlage 2 (tabel 1) opgenomen hoofddoelen en gespecificeerde doelen dit resultaat bijdraagt, met inbegrip van een kwalitatieve en indien mogelijk kwantitatieve onderbouwing (meer dan één doel mogelijk);

  • c)

    een beschrijving van uit te voeren specifieke monitoringsactiviteiten door of namens de subsidieontvanger (bijvoorbeeld 0-metingen, metingen van de effectiviteit van de uitgevoerde maatregelen en overige metingen tijdens de projectperiode).

  • Als de te subsidiëren activiteit mede of uitsluitend betrekking heeft op het verwerven van kennis wordt (tevens) gevraagd:

  • d)

    een beschrijving welke kennisvragen de te subsidiëren activiteit beoogt te beantwoorden en op welke wijze de kennisvragen worden beantwoord; De subsidieontvanger levert op basis daarvan bij afronding van het project 1 of meerdere kennisrapporten op.

  • e)

    kennisdeling: een beschrijving van de activiteiten waarmee de te ontwikkelen kennis gedeeld gaat worden.

2.1.2 Ten behoeve van de outcome:

  • a)

    een nauwkeurige omschrijving van het beoogde effect van de gesubsidieerde activiteit, met inbegrip van een kwalitatieve en indien mogelijk kwantitatieve onderbouwing;

  • b)

    met welke van de ten tijde van de aanvraag in het format van het projectplan genoemde outcome-indicator(en) het beoogde effect van de gesubsidieerde activiteit kan worden gemeten en met welk meetnet. Als het beoogde effect niet kan worden gemeten met één of meer van de outcome-indicatoren wordt de aanvrager gevraagd te omschrijven met welke outcome-indicator en met welk meetnet dat effect wel gemeten kan worden.

  • c)

    een omschrijving in welke mate het project kwantitatief bijdraagt aan de streefwaarde van de voor de aanvraag relevante outcome-indicator(en). Dat kan bijvoorbeeld in de vorm van een projectstreefwaarde voor de outcome-indicator worden gedaan. Als het bepalen van een kwantitatieve bijdrage niet mogelijk is dan wordt een kwalitatieve beschrijving gevraagd van de mate waarin wordt bijgedragen aan de gespecificeerde doelen uit tabel 1 (zie bijlage2).

  • Als de te subsidiëren activiteit mede of uitsluitend betrekking heeft op het verwerven van kennis wordt aan de subsidieaanvrager gevraagd (tevens) te omschrijven:

  • e)

    met welke vervolgactiviteiten gedacht wordt bij te dragen aan uitrol en toepassing van de ontwikkelde kennis in het Waddengebied.

3. Volgen van de output en outcome van gesubsidieerde activiteiten

Het verzamelen, verwerken en rapporteren van gegevens ten behoeve van een gesubsidieerde activiteit is een verantwoordelijkheid van de subsidieontvanger. Dit vindt, voor zover van toepassing, plaats via drie sporen, voortgangsrapportage, meldingen en aanvragen tot wijziging van de subsidieverlening en het verzoek tot subsidievaststelling.

Voortgangsrapportage

Op grond van de ASV kan het dagelijks bestuur aan het verstrekken van een subsidie vanaf € 25.000,= als de periode van uitvoering van de activiteiten meer dan 12 aaneengesloten maanden bedraagt, de verplichting opleggen dat één keer per periode van 12 maanden een tussentijds voortgangsverslag wordt overgelegd. In het kader van een doeltreffende subsidieverstrekking kan het dagelijks bestuur hiervan afwijken.

In de ‘Beleidsregel voorbereiding, toezicht en handhaving subsidieverstrekking Waddenfonds’ is hierover bepaald dat aan een subsidieontvanger, bij het verlenen van een subsidie vanaf € 125.000 en waarbij de periode van uitvoering van de activiteiten meer dan 12 aaneengesloten maanden bedraagt, steeds de verplichting wordt opgelegd om tenminste één keer per periode van 12 maanden een schriftelijke voortgangsrapportage aan het dagelijks bestuur te overleggen of een voortgangsgesprek te houden met de toezichthouder.

Meldingen en aanvragen tot wijziging van de subsidieverlening.

Op grond van de ASV is de subsidieontvanger verplicht wijzigingen in de omstandigheden, de begroting en de projectresultaten aan het Waddenfonds te melden. In voorkomende gevallen kan dit leiden tot wijziging of zelfs intrekking van het besluit tot subsidieverlening.

Op een aanvraag tot wijziging van een besluit tot subsidieverlening is het bepaalde in paragraaf 2.1 van overeenkomstige toepassing. Dit betekent dat de subsidieontvanger bij die aanvraag inzichtelijk maakt welke consequenties de wijziging heeft voor de output en de outcome.

De aanvraag tot subsidievaststelling

Op grond van de ASV wordt bij een subsidie van € 125.000 of meer bij de aanvraag tot vaststelling onder meer een activiteitenverslag overgelegd, waaruit genoegzaam blijkt dat de activiteit waarvoor subsidie is verleend overeenkomstig het besluit tot subsidieverlening is verricht en aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan.

De monitoring van de outcome van de gesubsidieerde activiteiten is een verantwoordelijkheid van het Waddenfonds. Dit laat onverlet dat van de subsidieontvanger kan worden gevraagd om informatie te leveren ten behoeve van door het Waddenfonds op te stellen evaluatierapportages met betrekking tot de outcome van gesubsidieerde projecten, dus ook nog na afronding van het project. Op grond van de ASV rust op de subsidieontvanger de verplichting om op verzoek van het dagelijks bestuur mee te werken aan een door of vanwege het dagelijks bestuur ingesteld evaluatieonderzoek naar de toepassing van ASV. Bij het besluit tot subsidieverlening kan deze verplichting worden geconcretiseerd.

Het Waddenfonds sluit voor de monitoring van de outcome zoveel als mogelijk aan bij de Basismonitoring Wadden en andere bestaande meetnetten.

4. Doorwerking van de beleidsregel:

Deze beleidsregel schept indirect informatieve verplichtingen voor subsidieontvangers. Het aanvraagproces ten behoeve van de subsidieverlening en de in het besluit tot subsidieverlening aan de subsidieontvanger op te leggen verplichtingen worden in overeenstemming met deze beleidsregel gebracht.

Uit de beleidsregel vloeit voort dat:

  • a)

    het aanvraagproces erin voorziet dat in het bij de aanvraag te overleggen projectplan de in 2.1.1 en 2.1.2 genoemde gegevens zijn uitgewerkt en beschreven;

  • b)

    aan een subsidieontvanger bij de subsidieverlening de verplichting wordt opgelegd dat:

    • in de schriftelijke voortgangsrapportage in elk geval verslag wordt gedaan van de in par. 2.1.1 en 2.1.2 genoemde gegevens en de mogelijke wijzigingen daarin;

    • in een verzoek tot wijziging van de subsidieverlening in elk geval verslag wordt gedaan van eventuele wijzigingen in de in paragraaf 2.1.1 en 2.1.2 genoemde gegevens;

    • in het activiteitenverslag bij een verzoek tot subsidievaststelling in elk geval verslag wordt gedaan van de in paragraaf 2.1.1 genoemde gegevens;

Bijlage 2: Tabel 1 met hoofd- en gespecificeerde doelen van het Uitvoeringskader en Uitvoeringsprogramma Waddenfonds 2021-2027

Hoofddoelen

Gespecificeerde doelen

I. Vergroten en versterken van de natuur- en landschapswaarden van het Waddengebied

Natuur

Meer ruimte voor natuurlijke processen, versterken van de Waddenzee en de randen van het Wad.

  • 1.

    Versterken van de ecologische functies van de Waddenzee als de kinder- en kraamkamer, voedselbron, rustgebied, broed- en leefgebied functies en als schakel in de trekroutes van vogels en vissen;

  • 2.

    Versterken habitatdiversiteit: streven naar een kwalitatief goede mix van habitattypes van voldoende omvang en dichtheid en niet te ver van elkaar verwijderd;

  • 3.

    Versterken van de Waddenzee door realiseren van meer Wadachtige milieus en brakwatergebieden binnendijks en door het versterken van de relaties met de Noordzeekustzone, het Deense en het Duitse Wad;

  • 4.

    Meer geleidelijke zoet-zout overgangen;

  • 5.

    Behoud en versterking van de natuurlijke sedimentatieprocessen en stromingspatronen;

  • 6.

    Verbetering natuur Eems-Dollard door meer ruimte te bieden voor natuurlijke processen, meer kwelders, zoet-zout overgangen, meer zwevende - en bodemalgen en gezonde leefgebieden voor vogels en vissen. Gestreefd wordt naar een natuurlijk troebele Dollard en daartoe dient vanaf 1-1-2023 jaarlijks minimaal een miljoen ton slib verwijderd te worden;

  • 7.

    Meer dynamiek in de kustverdediging van de Waddeneilanden en het kustgebied;

Versterken en verbeteren onderwaternatuur

  • 8.

    Een evenwichtiger voedselweb waarin alle potentiële trofische niveaus vertegenwoordigd zijn;

  • 9.

    Randvoorwaarden creëren of versterken voor de ontwikkeling van onderwaternatuur (plankton, algen, zeegras, mossel- en oesterbanken, schaaldieren e.d.);

  • 10.

    Vergroten areaal gesloten gebied (bij voorkeur op kombergingsniveau) en het stimuleren van natuur- en rustherstel daarbinnen);

  • 11.

    Verduurzaming mosselzaad invanginstallaties gericht op het versterken van de natuurwaarden onderwater;

  • 12.

    Afname van menselijke invloed op wadplaten en creëren condities voor meegroeien met gecombineerde effect van zeespiegelrijzing en bodemdaling;

Versterken swimway voor vissen en flyway voor vogels

  • 13.

    Betere functievervulling van de Waddenzee als hotspot in de swim- en /of flyway (uitvoering geven aan aanbevelingen van de projecten RBVV2, Waddenmozaïek en Swimway);

  • 14.

    Versterken habitatdiversiteit;

  • 15.

    Vergroten rust en voedselaanbod;

  • 16.

    Versterken populaties c.q. lokale dichtheden aan trekvissen in het Waddengebied;

  • 17.

    Meer doortrek- en paaigebieden in het achterland voor vis alleen als onderdeel van dijkversterkingsprojecten;

  • 18.

    Aanleg of verbetering van (binnendijkse en buitendijkse) predatiebestendige vogelbroedgebieden en hoogwatervluchtplaatsen in de Waddenzee voor wadvogels;

  • 19.

    Kennisontwikkeling en monitoring ecologische schakelfunctie Waddenzee;

Vergroten biodiversiteit kustgebied en op de Waddeneilanden

  • 20.

    Vergroten van de biodiversiteit op de eilanden en in het kustgebied die passen bij kenmerkende landschapstypen van het Waddengebied

Werelderfgoed, cultuurhistorie en landschap

  • 21.

    Behouden en versterken van voor het Waddengebied typische cultuurhistorische- en landschappelijke elementen;

  • 22.

    Toevoegen van toekomstbestendige functies aan cultuurhistorisch erfgoed van het Waddengebied;

  • 23.

    Behouden en versterken van kernwaarden Waddengebied;

II. Verminderen of wegnemen van externe bedreigingen van de natuurlijke rijkdom van de Waddenzee

Bodem, water, licht en geluid

  • 24.

    Verbeteren waterkwaliteit door reductie en voorkomen van verontreinigingen in de Waddenzee;

  • 25.

    Minder en anders baggeren (met inzet van nieuwe technieken);

  • 26.

    Meer licht en zuurstof in waterkolom en op bodem (door verminderen en/of voorkomen negatieve effecten baggeren en andere vormen van bodemverstoring);

  • 27.

    Voorkomen en vermindering negatieve effecten zandsuppleties;

  • 28.

    Ontwikkelen en toepassen van nieuwe nuttige toepassingen van slib en bagger;

  • 29.

    Verminderen verstoring licht, geluid en rust van diverse bronnen in het Waddengebied;

  • 30.

    Slim benutten en het vasthouden van zoet water;

III. Duurzame economische ontwikkeling in het Waddengebied, dan wel gericht zijn op een substantiële transitie naar een duurzame energiehuishouding in het Waddengebied en direct aangrenzende gebieden

Duurzame recreatie en duurzaam toerisme

  • 31.

    Versterken toeristisch aanbod in de vorm van meer belevingsmogelijkheden, attracties en arrangementen gebaseerd op de kernwaarden en passend binnen de verhaallijnen van Programma VisitWadden;

  • 32.

    Verduurzamen recreatief-toeristisch aanbod;

  • 33.

    Verduurzamen van het toeristisch vervoer;

  • 34.

    Versterken gastheerschap en bewustwording Werelderfgoed Waddenzee;

Duurzame energiehuishouding

  • 35.

    Bevorderen van de energie- en warmtevoorziening met hernieuwbare bronnen door stimuleren van innovaties om energie op te slaan, warmtenetten of collectieve warmtepompen te ontwikkelen en bevorderen van innovaties met betrekking tot groen gas, smart grids e.d. die nog niet marktrijp zijn (TRL-fases 5-8);

  • 36.

    Bevorderen van technieken die de productie, opschaling en benutting van groene waterstof voor vergroening van de mobiliteit vanuit de havens en de industrie mogelijk maken;

  • 37.

    Optimaal afstemmen van vraag en aanbod van energie (groen gas, elektriciteit en warmte) door dorpen/energiecoöperaties, in combinatie met behoud en versterking van de kernwaarden;

  • 38.

    Zelfvoorzienende eilanden voor energie (elektriciteit, gas en warmte) op basis van duurzaam opgewekte brandstoffen conform het “Visiedocument duurzame Waddeneilanden”, waarbij het Waddenfonds projecten wil ondersteunen die eraan bijdragen om deze ambitie in 2026 te realiseren;

  • 39.

    Versneld ontwikkelen en opschalen van technieken die elektriciteit uit water van de Waddenzee en de Noordzeekustzone van de eilanden (o.a. energiewinning uit getijde, golfslag en osmose) produceren, ook als economische kans voor het Waddengebied;

  • 40.

    Energie uit water combineren met reductie zandsuppleties, vooroeverwerking, mariene aquateelten en/of andere vormen van bij de natuurwaarden van de Waddenzee passend medegebruik;

  • 41.

    Stimuleren verduurzaming van energievoorziening in bestaande woningbouw in bebouwde omgeving in combinatie met energiebesparing en behoud en versterking van cultuurhistorische kwaliteiten van de bebouwde omgeving via innovatieve (pilot)projecten;

  • 42.

    Stimuleren fossielvrij maken van energievoorziening in de economische sectoren in combinatie met behoud en versterking van cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten via innovatieve (pilot)projecten;

Duurzame waddenhavens

  • 43.

    Reduceren emissies NOx, CO2, So2, fijnstof, geluid en licht en reduceren warmtelozingen naar water en lucht;

  • 44.

    Stimuleren nuttig hergebruik afvalstoffen en beperken grondstofgebruik;

  • 45.

    Meer voor het Waddengebied kenmerkende natuur in de havens, ook voor de kleinere havens Met biodiversiteit wordt hier bedoeld onderwaternatuur maar ook bijvoorbeeld stroken op industrieterreinen (haven) of tijdelijke natuur op braakliggend terrein;

  • 46.

    Verminderen belasting natuur Waddenzee vanuit de havens en havengebonden activiteiten ;

  • 47.

    Bij fysieke ruimtelijke uitbreiding uitvoering op een wijze die een plus oplevert voor de natuur (building with nature);

  • 48.

    Verduurzaming logistieke en industriële processen/ industrie in/bij havens (o.a. innovatieve projecten biobased, aquaculturen, (rest)stromen nuttig toepassen);

  • 49.

    Vergroenen en verduurzamen mobiliteit vanuit de havens en op de Waddenzee op basis van groene brandstoffen en voortstuwingstechnieken;

Duurzame landbouw

  • 50.

    Het bevorderen van een duurzame landbouw die voorbereid is op toenemende verziltende omstandigheden, droogte en extremere regenval;

  • 51.

    Verminderen van de emissies uit de landbouw die de ecologische kwaliteit van het Waddengebied en de Waddenzee verminderen (de Waddenzee via Thema: Externe bedreigingen) En verminderen van emissies uit de landbouw op kwetsbare natuurgebieden op de eilanden en in het kustgebied;

  • 52.

    Een landbouw die bijdraagt aan Waddenspecifieke biodiversiteit;

  • 53.

    Een kringlooplandbouw met benutten van bij voorkeur Waddenspecifieke reststromen (slib, algen en wieren, etc.);

Duurzame visserij

  • 54.

    Flexibele wadvisserij(keten) die inspeelt op de seizoenseffecten van de Waddenzee en die past binnen de ecologische functies, ontwikkelingen en waarden van de Waddenzee;

  • 55.

    Verminderen van de ecologische impact van visserij op de Waddenzee;

  • 56.

    Opwaarderen en/of circulair benutten van (bij)producten en/of reststromen;

  • 57.

    Bevorderen van aquaculturen op land in kustzone met het oogmerk de ecologische druk in de Waddenzee te verminderen en/of de ecologische omstandigheden te verbeteren;

  • 58.

    Verduurzaming bodemmosselzaadvisserij en/of mosselzaadinvanginstallaties;

IV. Het ontwikkelen van een duurzame kennishuishouding ten aanzien van het Waddengebied. De verantwoordelijkheid van de kennishuishouding is inmiddels ondergebracht bij het Bestuurlijk Overleg Waddengebied. Evaluatie hiervan is een verantwoordelijkheid van het BO Waddengebied. De hier genoemde gespecificeerde doelen zijn daarom niet uitgewerkt tot outcome-indicatoren.

Duurzame kennishuishouding

  • 59.

    Entameren van en coördinatie in kennisontwikkeling en -inzet kennisinstellingen, en het bepalen van prioritaire kennisvragen;

  • 60.

    Ontsluiten en toepassen kennis voor beleid en beheer;

  • 61.

    Coördineren, integreren en rapporteren monitoringprogramma's;

  • 62.

    Actieve verspreiding kennis over Waddengebied;

  • 63.

    Invulling geven aan ontbrekende schakels in de monitoringssystematiek van het Waddenfonds.