Integrale uitvoeringsregels debiteuren ISD Bollenstreek 2022

Geldend van 28-01-2022 t/m heden

Intitulé

Integrale uitvoeringsregels debiteuren ISD Bollenstreek 2022

Inleiding

In de afgelopen tijd zijn de handhavingsverordening 2019 en het handhavingsbeleidsplan 2020-2023 vastgesteld.

In deze twee stukken zijn de belangrijkste uitgangspunten genoemd die gehanteerd worden voor het concept hoogwaardige handhaving in het kader van fraude of oneigenlijk gebruik van voorzieningen.

In deze stukken is voornamelijk de preventieve kant van handhaving in onze dienstverlening beschreven.

In de actualisering van het debiteurenbeleidsplan werken we de repressieve kant van de handhaving verder uit.

Het sluitstuk van het handhavingsbeleid is de feitelijke sanctionering en (waar mogelijk) terugvordering en invordering. Als de belanghebbende ondanks vroegtijdige voorlichting en een goede dienstverlening toch de fout in gaat, passen we een “lik op stuk” beleid toe waarbij we maatwerk toepassen.

De regels die hierin terug te vinden zijn, zijn bedoeld als uitvoeringsregels als uitwerking en vervolg op de handhavingsverordening en het handhavingsbeleidsplan.

Omdat genoemde beide stukken integraal zijn opgezet, worden ook de uitvoeringsregels integraal opgezet, voor zover dit mogelijk is.

In dit stuk vindt u de uitvoeringsregels voor terug- en invordering in de Participatiewet (Pw), IOAW, IOAZ, en Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). De Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) kent geen grond voor terugvordering. Omdat dit een integraal stuk betreft, wordt handhaving op dit gebied ook benoemd, meer specifiek gaat het om beëindiging of weigering van (toegang tot) de schuldhulpverlening.

Het onderdeel Verhaal is alleen van toepassing op de Pw, IOAW en IOAZ, en het onderdeel boete alleen op de Pw. Deze hoofdstukken zijn dus in het verlengde van het hoofdstuk Pw, IOAW, IOAZ opgenomen.

Omdat de grondslagen voor terugvordering en de wijze van invordering tussen de wetten onderling verschillen, worden de algemene bepalingen integraal opgenomen. Als het specifieker wordt, vraagt elke individuele wet om nadere uitwerking. Er is dan ook na de algemene bepalingen een uitwerking voor iedere wet opgenomen, voor zover nodig. Aan het einde van ieder hoofdstuk wordt per artikel de toepassing in de praktijk en uitwerking nader toegelicht.

Vanaf 1 januari 2021 wordt de Wet Vereenvoudiging beslagvrije voet van toepassing. Deze wet regelt een gemakkelijkere berekening van de beslagvrije voet. Gemeenten zijn opgeroepen om op de invoering alvast te anticiperen 1 , wat tot uiting komt in de 95% regel bij vaststelling van de afloscapaciteit 2.Bij vorderingen op personen met een lopende uitkering, wordt in principe 95% van de bijstandsnorm voor een alleenstaande of gehuwden gehanteerd als beslagvrije voet

Hiertoe is onder andere het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aangepast, waarnaar wordt verwezen in deze uitvoerende uitvoeringsregels.

Wettelijk kader

Op grond van artikel 58 van de Participatiewet (Pw) kan het dagelijks bestuur dat de bijstand heeft verleend de kosten van bijstand terugvorderen. Een gelijksoortige bepaling is sinds invoering van de Wet bundeling van uitkeringen inkomensvoorziening aan gemeenten (Wet BUIG) opgenomen in de IOAW en IOAZ3 . Terugvordering is in dat kader een aan het dagelijks bestuur toekomende bevoegdheid en het dagelijks bestuur kan deze bevoegdheid nader inkaderen door middel van uitvoeringsregels.

Artikel 18a van de Participatiewet bevat bepalingen over de bestuurlijke boete, evenals artikel 20a van de IOAW en de IOAZ. In deze uitvoeringsregels wordt nader ingegaan op de uitwerking van de overweging en oplegging van de boete, en op uitzonderingsmogelijkheden.

Artikelen 61 tot 62i van de Participatiewet geven de bevoegdheden van het dagelijks bestuur weer om de kosten van bijstand te verhalen op een derde. In deze uitvoeringsregels wordt ook deze bevoegdheid uitgewerkt.

Artikel 2.4.1 van de Wmo biedt de bevoegdheid om een voorziening terug te vorderen, in artikel 9 van de Verordening(en) maatschappelijke ondersteuning en hoofdstuk 14 van de uitvoeringsregels is deze bevoegdheid verwerkt.

In deze uitvoeringsregels wordt nader ingegaan op de uitwerking van de bevoegdheid, wanneer er wordt teruggevorderd, wanneer niet, en hoe wordt vormgegeven aan de terugvordering.

Uitgangspunten terugvorderings- en invorderingsbeleid

Bij het formuleren van de uitvoeringsregels hebben we de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  • Hoofdregel is dat teveel/ten onrechte verstrekte bijstand volledig wordt teruggevorderd en ingevorderd. De schuld moet dus in principe volledig worden terugbetaald. Eigen verantwoordelijkheid van de burger staat voorop.

  • Er wordt integraal gekeken naar een casus, dat wil zeggen dat in de aspecten terugvordering, terugbetaling, uitstel van betaling, etc. rekening wordt gehouden met alle leefgebieden. Bijvoorbeeld, een terugvordering moet niet een schuldregeling doorkruisen.

  • Er wordt wel in zekere mate rekening gehouden met efficiency en effectiviteit (kosten-baten-afweging). Zo is het bij ‘kruimelbedragen’ onder voorwaarden mogelijk om af te zien van terug- en invorderen van niet-fraudevorderingen.

  • ‘Zacht waar het kan, hard waar het moet’ waar mogelijk binnen de huidige wetgeving. Fraude wordt streng aangepakt, en niet-verwijtbare vorderingen minder streng; bijvoorbeeld door het hanteren van hogere of lagere aflossingsnormen.

  • Bij invordering wordt rekening gehouden met het belang van activering naar werk (werken lonend maken). Een debiteur moet een prikkel houden om uit te stromen uit de bijstand, uitzicht hebben op een inkomensverbetering. Een vordering moet uitstroom niet belemmeren.

    Van een inkomensverbetering zal feitelijk geen sprake zijn, als de volledige beslagvrije ruimte (ook na uitstroom uit bijstand naar werk) wordt gebruikt om een vordering af te lossen

    Om te voorkomen dat een vordering een belemmering vormt om uit te stromen uit de bijstand naar werk, hoeft daarom na uitstroom uit de uitkering naar werk in beginsel niet de volledige beslagvrije ruimte benut te worden voor aflossing van de vordering.

  • Ook bij invordering moet maatwerk voorop staan. De ISD zal een goede balans moeten vinden tussen de belangen van de ISD als schuldeiser, de belangen van de burger als schuldenaar en het maatschappelijk belang.

    De te maken afweging van deze belangen zal altijd individueel maatwerk zijn. Soms kunnen burgers financieel in de knel komen. Vanuit het maatschappelijk belang is niet alleen strenge handhaving belangrijk, maar zal ook oog moeten blijven bestaan voor de persoonlijke situatie van de debiteur (integraal werken; rekening houden met bijv. uitstroom / armoedebeleid / schuldhulpverlening).

    En in bijzondere gevallen is afwijking van de uitvoeringsregels mogelijk op basis van de individuele omstandigheden van een debiteur en de aard van (het ontstaan van de) vordering, mits dit goed gemotiveerd is.

  • Voor terug- en invordering geldt dat een duidelijke communicatie met de debiteur noodzakelijk is. Dit kan bijdragen aan de bereidheid van een debiteur om een vordering te betalen. Zo wordt er alvorens een besluit tot terugvordering wordt genomen, contact opgenomen met de klant.

    Verder worden brieven en beschikkingen terugvordering en invordering in eenvoudige, heldere bewoordingen opgesteld.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1. Begrippen (Pw, IOAW, IOAZ, Wmo, Wgs)
  • 1. In deze uitvoeringsregels wordt verstaan onder:

    • 1.

      Awb: de Algemene wet bestuursrecht;

    • 2.

      Bbz: het Besluit bijstandverlening 2004 (een algemene maatregel van bestuur)

    • 3.

      Bedrijfskapitaal: bijstand in de vorm van een rentedragende geldlening of direct “om niet” verstrekt op grond van de artikel 22 en 26 Bbz 2004.

    • 4.

      Bruteren: het verhogen van de vordering met de loonbelasting en premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de uitkering verstrekt krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtig is, voor zover deze belasting en premies niet verrekend kunnen worden met de door het dagelijks bestuur af te dragen loonbelasting en premies volksverzekeringen;

    • 5.

      BW: Burgerlijk Wetboek

    • 6.

      Dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek

    • 7.

      De wetten: de in dit artikel genoemde wetten en regelingen

    • 8.

      Fraudevordering: vordering in verband met ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende uitkering door het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht;

    • 9.

      Inlichtingenplicht PW/IOAW/IOAZ: verplichting genoemd in artikel 17, eerste lid van de PW, artikel 13, eerste lid van de IOAW, artikel 13, eerste lid van de IOAZ en artikel 30c, tweede en derde lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

    • 10.

      Inlichtingenplicht Wmo: verplichting genoemd in artikel 2.3.8 van de Wmo

    • 11.

      Inlichtingenplicht Wgs: verplichting genoemd in artikel 6 van de Wgs

    • 12.

      Inlichtingenplicht Bbz: de verplichting genoemd in artikel 17, eerste lid, van de PW, en artikel 38 Bbz 2004.

    • 13.

      IOAW: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

    • 14.

      IOAZ: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

    • 15.

      Maatwerkvoorziening: een op de persoonlijke situatie afgestemd geheel van zorg en diensten

    • 16.

      Pgb: Persoonsgebonden budget; een budget waarmee mensen zelf de zorg inkopen die zij nodig heben

    • 17.

      Pw: de Participatiewet

    • 18.

      Schuldregeling: bij een schuldregeling bemiddelt de schuldregelende instelling tussen de schuldenaar en zijn schuldeisers om een minnelijke regeling van de totale schuldenlast te bewerkstelligen;

    • 19.

      Uitkering: de door het dagelijks bestuur verleende bijstand in het kader van de PW, Bbz, IOAW en IOAZ;

    • 20.

      Wgs: de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening

    • 21.

      Wmo: de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015

    • 22.

      Zorgaanbieders: instellingen en beroepskrachten die zorg en/of hulpverlening leveren

  • 2. Alle begrippen die in deze uitvoeringsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de wetten en de daarop berustende regelingen, alsmede in de Algemene wet bestuursrecht en het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 2. Voor wie zijn deze regels? (Pw, IOAW, IOAZ, Wmo, Wgs)

Deze uitvoeringsregels gelden voor herzieningen, intrekkingen, beëindigingen en terugvorderingen als gevolg van de wetten en op vorderingen door onverschuldigde betaling (als in artikel 6:203 e.v. BW), als er in de wetten en regelingen niet dwingend anders is bepaald.

Artikel 3. Uitgangspunten van het debiteurenbeleid (Pw, IOAW, IOAZ, Wmo, Wgs)
  • 1. Het dagelijks bestuur neemt een besluit tot terugvordering, intrekking of beëindiging van een uitkering of voorziening volgens de regels van de wet, de Handhavingsverordening 2019 en het Handhavingsbeleidsplan 2020-2023

  • 2. Het dagelijks bestuur maakt gebruik van de bevoegdheid om bijstand te verhalen op derden.

  • 3. Het dagelijks bestuur houdt bij de terug- en invordering rekening met de hoogte van het inkomen, bestaande verplichtingen en individuele omstandigheden.

  • 4. Het dagelijks bestuur maakt gebruik van de bevoegdheid om af te zien van (verdere) terugvordering en verhaal.

  • 5. Het dagelijks bestuur maakt een inzichtelijk en niet te bewerkelijk verhaals-, terug- en invorderingsbeleid.

  • 6. Voor de debiteur moet het aantrekkelijk zijn een minnelijke regeling aan te gaan zodat de ISD Bollenstreek niet tot dwanginvordering over hoeft te gaan.

  • 7. Fraude mag niet lonen.

  • 8. Het dagelijks bestuur streeft ernaar schulden zoveel mogelijk binnen een redelijke termijn te laten terugbetalen.

Artikel 4. Hoorrecht (Awb, Pw, IOAW, IOAZ, Wmo, Wgs)

Voordat een besluit tot terugvordering of beëindiging wordt genomen, wordt de belanghebbende gevraagd om zijn zienswijze te geven.

Artikel 5. Bevoegdheid (Pw, IOAW, IOAZ, Wmo, Wgs)

Het dagelijks bestuur kan en mag als dat nodig is (en voor zover de wet dit niet verplicht):

  • a.

    een toekenningsbesluit beëindigen, weigeren, herzien of intrekken;

  • b.

    onterecht verleende uitkeringen, voorzieningen en gelden zoals vermeld in de wetten terug-, invorderen en indien mogelijk verrekenen, tenzij in deze uitvoeringsregels anders is bepaald;

  • c.

    een recht van hypotheek- of pandovereenkomst vestigen als zekerheid voor terugbetaling van de verstrekte uitkering ingevolge de Pw, IOAW of IOAZ.

Artikelsgewijze toelichting Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Toelichting op artikel 1

Om te voorkomen dat de betekenis van de begrippen van de PW, IOAW, IOAZ, Wmo en Wgs en de uitvoeringsregels uiteen lopen is in het eerste lid een algemene verwijzing naar de begrippen opgenomen. Waar genoemde wetten geen begripsomschrijving geven, geven de uitvoeringsregels deze.

In het tweede lid wordt aangegeven dat aangesloten wordt bij de begrippen in de wetten, voor zover deze niet in de uitvoeringsregels staan.

Toelichting op artikel 2

In artikel 2 wordt benoemd wanneer deze regels van toepassing zijn. De regels gelden voor het herzien of intrekken van een besluit, een terugvordering of beëindiging en de invordering van de vordering, allen besluiten die op grond van de wetten en deze regels zijn genomen.

De wetgever zegt in artikel 4:84 Awb, dat besluiten volgens uitvoeringsregels worden genomen, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Er moet dus altijd wel een afweging worden gemaakt, waaraan verder uitwerking wordt gegeven in de volgende hoofdstukken.

Een vordering kan ook ontstaan wegens onverschuldigde betaling, zoals bedoeld in artikel 6:203 BW.

Toelichting op artikel 3

Als het gaat om debiteuren en terugvorderingen zijn de uitgangspunten voor iedere wet hetzelfde. De uitgangspunten sluiten aan bij de gestelde kaders in de Handhavingsverordening en het Handhavingsbeleidsplan en behoeven hier geen nadere toelichting.

Lid 4: Er kan worden kwijtgescholden, tenzij in de wet anders is bepaald. De bevoegdheid tot zogenaamde kwijtschelding, (het gedeeltelijk of geheel afzien van verdere invordering of het afzien van terugvordering) is, naast de artikelen in de Participatiewet, neergelegd in artikel 4:94a Awb.

Hier kan gebruik van worden gemaakt als terugvordering nadelige gevolgen heeft, die niet evenredig in verhouding staan tot het te dienen doel van de terugvordering.

De afweging hiervan is maatwerk, en moet op individuele omstandigheden afgestemd worden. De bevoegdheid geldt alleen voor zover niet anders is bepaald in de wet (bijvoorbeeld de Pw). Dit betekent dat de nieuwe kwijtscheldingsbevoegdheid bij vorderingen in verband met schending van de inlichtingenplicht, niet kan worden toegepast.

Toelichting op artikel 4

Voordat een besluit tot terugvordering wordt genomen, wordt aan belanghebbende de mogelijkheid geboden om zijn zienswijze kenbaar te maken. Het vooraf informeren van belanghebbende kan er voor zorgen dat er draagvlak ontstaat voor het besluit tot terugvordering, waardoor het indienen van een bezwaarschrift voorkomen kan worden.

Daarnaast kan er op basis van de informatie van de belanghebbende een juiste belangenafweging gemaakt worden.

Er kan een tijdsbesparing worden gerealiseerd door direct een betalingsregeling overeen te komen, die in de beschikking kan worden opgenomen.

Daarbij wordt ook nog opgemerkt dat het vragen naar de zienswijze van de belanghebbende, en de vermelding van deze zienswijze in het besluit, een formele verplichting is op grond van de Algemene wet bestuursrecht (artikel 4:8 Awb). Deze lijn wordt reeds gehanteerd door de ISD Bollenstreek in het kader van beschikkingen tot afwijzing van een aanvraag (artikel 4:7 Awb).

Als de belanghebbende niet op de kennisgeving reageert (of indien het telefonisch contact niet tot stand komt) wordt het besluit tot terugvordering genomen zonder de zienswijze van de belanghebbende te melden. Dit laat onverlet dat er een belangenafweging moet worden gemaakt. Deze vindt dan plaats op basis van alle bij de ISD Bollenstreek bekende informatie (zoals de informatie uit het klantdossier.

De afweging blijft maatwerk. Als het gaat om een klein bedrag bij een beëindiging, die bijvoorbeeld met het nog uit te betalen vakantiegeld kan worden verrekend, is het voorstelbaar dat zo’n verrekening zonder hoor plaatsvindt.

Toelichting op artikel 5

Hoofdregel

Dit artikel bevat de hoofdregel, oftewel de wijze waarop in beginsel gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid tot beëindiging, weigering, herziening en intrekking.

Verder wordt ook gebruik gemaakt van de bevoegdheid tot terugvordering en invordering van voorzieningen of uitkeringen die onterecht zijn betaald. Dit geldt voor alle genoemde wetten en is een algemeen uitgangspunt.

Daarnaast wordt (uiteraard) uitvoering gegeven aan de wettelijke verplichting tot terugvordering van de zogenaamde fraudevorderingen in de Pw, IOAW en IOAZ.

Ook wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een zekerheid te stellen bij een terugvordering op grond van deze 3 wetten. Dit geldt niet voor de Wmo of Wgs, maar omdat het een algemene bepaling betreft is deze wel opgenomen in dit artikel.

Hoofdstuk 2 Debiteuren Participatiewet, IOAW, IOAZ

§ 2.1

Terugvorderen algemeen

Artikel 6. Wanneer wordt teruggevorderd als er geen sprake is van fraude?

De ISD Bollenstreek vordert de kosten van bijstand verstrekt ingevolge de Pw, IOAW of IOAZ terug als:

  • 1.

    de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend om een andere reden dan het schenden van de inlichtingenplicht;

  • 2.

    de bijstand in de vorm van een geldlening is verleend en de uit deze lening voortkomende verplichtingen niet of niet behoorlijk worden nagekomen;

  • 3.

    de bijstand op grond van artikel 52 Pw als voorschot is verleend en daarna is vastgesteld dat geen recht op bijstand bestaat;

  • 4.

    de bijstand onverschuldigd is betaald en belanghebbende:

    • -

      dit had kunnen begrijpen

    • -

      naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend, over in aanmerking te nemen middelen (als bedoeld in paragraaf 3.4 Pw) beschikt of kan beschikken

    • -

      bijstand heeft gekregen voor een bepaalde bestemming en naderhand door de belanghebbende tegemoetkomingen of vergoedingen worden ontvangen voor dezelfde bestemming

Artikel 7. Uitzonderingen op basis van gerechtelijke uitspraken
  • 1. De ISD Bollenstreek vordert een uitkering alleen terug, binnen 6 maanden nadat er een signaal is binnengekomen waaruit blijkt dat er geen of minder recht is op een uitkering (zesmaanden jurisprudentie). Dit geldt niet als belanghebbende de inlichtingenplicht niet is nagekomen.

    Onder een signaal wordt verstaan relevante informatie waaruit kan worden afgeleid dat sprake is van een dusdanige fout, dat de ISD Bollenstreek op grond daarvan actie zou moeten ondernemen.

  • 2. De ISD Bollenstreek matigt de terugvordering als deze het gevolg is van een te hoog vermogen, en belanghebbende dit niet heeft gemeld. De terugvordering is in dit geval het bedrag dat niet zou zijn verstrekt als belanghebbende het vermogen wel zou hebben gemeld.

Artikel 8. Terugvordering van fraudevorderingen

De ISD Bollenstreek vordert de vorderingen volledig terug die als gevolg van het niet nakomen van een verplichting zijn ontstaan, zoals vermeld in de Pw, IOAW en IOAZ.

Artikel 9. Brutering
  • 1. Bij niet tijdige betaling van de terugvordering verhoogt de ISD Bollenstreek de vordering met de kosten voor loonbelasting en de premies volksverzekeringen.

  • 2. De ISD Bollenstreek ziet af van brutering als

    • a.

      de vordering niet door de belanghebbende is ontstaan, en

    • b.

      hem niet kan worden verweten dat de betaling van de vordering niet binnen het kalenderjaar waarop de vordering betrekking heeft is voldaan4 .

Artikel 10. Wat staat er in het terugvorderingsbesluit?

In het besluit tot terugvordering staat in ieder geval:

  • a.

    de reden waarom wordt teruggevorderd;

  • b.

    de wettelijke basis van de terugvordering;

  • c.

    het bedrag dat wordt teruggevorderd en (indien van toepassing) de periode waarover de bijstand wordt teruggevorderd;

  • d.

    of er netto of bruto wordt teruggevorderd en of de (restant)vordering in het volgende kalenderjaar wordt gebruteerd;

  • e.

    de termijn waarbinnen het teruggevorderde bedrag betaald moet zijn of de betalingsafspraken.

§ 2.2

Geheel of gedeeltelijk afzien van (verdere) terugvordering in de Pw, IOAW en IOAZ

Artikel 11. Wanneer kan worden besloten niet terug te vorderen?
  • 1. Als er zeer dringende redenen aanwezig zijn, kan de ISD Bollenstreek besluiten helemaal of gedeeltelijk niet (verder) terug te vorderen5 .

  • 2. De ISD Bollenstreek kan besluiten niet terug te vorderen als het bedrag van de terugvordering niet boven de € 125,00 netto per jaar ligt en:

    • -

      de terugvordering niet is ontstaan door een schending van de inlichtingenplicht en

    • -

      verrekening met een lopende uitkering niet mogelijk is

§ 2.3

Afzien van terugvordering na een bepaalde periode of na het voldoen aan de betalingsverplichting

Artikel 12. Wanneer kan worden besloten om niet (verder) terug te vorderen bij niet fraudevorderingen?

De ISD Bollenstreek kan besluiten om niet terug te vorderen of niet verder terug te vorderen als de belanghebbende:

  • a.

    voor een periode van vijf jaar de betalingsafspraken is nagekomen en tenminste 75% van de vordering is betaald; of

  • b.

    voor een periode van vijf jaar niet de betalingsverplichting is nagekomen, maar het achterstallige bedrag en de bijkomende kosten van invordering alsnog heeft betaald en ten minste 75% van de vordering is betaald; of

  • c.

    voor een periode van tien jaar niets heeft betaald en de verwachting is dat de betalingsafspraken in de toekomst ook niet zullen worden nagekomen.

Artikel 13. Schriftelijk of ambtshalve

In principe wordt een besluit zoals omschreven in artikel 12 onder a of b alleen genomen als de belanghebbende daar schriftelijk om heeft gevraagd.

Een besluit in artikel 12 onder c en genoemd in de aanhef kan alleen ambtshalve worden genomen.

Artikel 14. Wanneer kan er niet worden afgezien van terugvordering?

Er kan niet afgezien worden van terugvordering als vorderingen:

  • a.

    het gevolg zijn van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid;

  • b.

    gedekt zijn door een pand- of hypotheekrecht op een goed of goederen, tenzij ze niet op de goederen verhaald kunnen worden;

  • c.

    een gevolg zijn van een verstrekte geldlening en de aflosverplichtingen van die lening niet volgens afspraak worden nagekomen6 ;

  • d.

    ontstaan zijn door een onverschuldigde betaling van kosten van bijstand7 .

Artikel 15. Intrekken besluit tot afzien van terugvordering

Als de belanghebbende verkeerde of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zouden hebben geleid, wordt het besluit tot afzien van (verdere) terugvordering (artikel 11 en 12) ingetrokken.

Artikel 16. Wanneer wordt er niet teruggevorderd bij fraude-vorderingen?

Voor fraudevorderingen geldt dat artikel 11 en 12 niet van toepassing zijn.

Bij fraudevorderingen kan er alleen worden afgezien van (verdere) terugvordering als er 10 jaar geen betalingen zijn ontvangen en niet de verwachting is dat er nog betalingen zullen worden gedaan8 .

Artikel 17. Hoofdelijke aansprakelijkheid

Voor de besluiten genoemd in deze paragraaf, geldt dat alleen de persoon waar het besluit aan is gericht, een vordering niet hoeft terug te betalen.

Andere personen die aansprakelijk zijn voor dezelfde vordering, blijven verplicht om deze te betalen (tenzij ook aan hen een besluit tot afzien van terugvordering is gericht), zoals genoemd in artikel 59 Pw en artikel 26 IOAW en IOAZ.

§ 2.4

Schuldregeling

Artikel 18. Geheel of gedeeltelijk afzien van terugvordering bij schulden
  • 1. De ISD Bollenstreek werkt ten aanzien van een vordering in het kader van de Pw, IOAW of IOAZ mee aan een schuldregeling als:

    • a.

      de verwachting is dat de belanghebbende zijn schulden niet meer zal kunnen aflossen;

    • b.

      te verwachten is dat een schuldregeling met alle andere schuldeisers zonder medewerking van de ISD Bollenstreek niet opgezet kan worden; en

    • c.

      aan de vordering van de ISD Bollenstreek ten minste net zoveel zal worden terugbetaald als aan de andere schuldeisers van dezelfde rang.

  • 2. Lid 1 is niet van toepassing als:

    • a.

      er een vordering is ontstaan door het zich opzettelijk of door grove schuld niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht en hiervoor een bestuurlijke boete is opgelegd of aangifte is gedaan op grond van het Wetboek van Strafrecht9 ;

    • b.

      de terugvordering het gevolg is van verwijtbaar gedrag door de belanghebbende, of de vordering gaat om bijstand die is verstrekt als lening (artikel 48 lid 2 aanhef en onder b Pw);

    • c.

      de vordering gedekt wordt door een pand- of hypotheekrecht op een goed of goederen, behalve als de vordering niet op die goederen verhaald kan worden.

  • 3. De beslissing om mee te werken aan een schuldregeling wordt ingetrokken als:

    • a.

      de schuldregeling volgens de eisen van lid 1 niet tot stand is gekomen binnen zes maanden nadat de beslissing tot medewerking is genomen; of

    • b.

      verkeerde of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid.

§ 2.5

De invordering in de Pw, IOAW en IOAZ

§ 2.5.1

De betalingsverplichting

Artikel 19. De invordering

De ISD Bollenstreek zorgt ervoor dat de invordering tegelijk met de afgifte van het terugvorderingsbesluit start. Daarbij wordt de wettelijke betalingstermijn van zes weken gehanteerd (artikel 4:87 Awb).

Artikel 20. Wat staat er in het invorderingsbesluit?

Het invorderingsbesluit wordt tegelijk met het terugvorderingsbesluit afgegeven. Hierin staat in ieder geval:

  • a.

    de hoogte van (het saldo van) de vordering;

  • b.

    de betalingsverplichting om de hele vordering te betalen;

  • c.

    de betalingstermijn en de datum waarop de betalingsafspraak of –verplichting ingaat;

  • d.

    als de belanghebbende een uitkering van de ISD Bollenstreek ontvangt: dat er tot verrekening wordt overgegaan, en de hoogte van de verrekening wat tot uiting komt in een percentage van de bijstandsnorm;

  • e.

    dat de kosten van invordering aan belanghebbende worden doorberekend als moet worden overgegaan tot beslaglegging.

Artikel 21. Verrekening van een vordering of boete met een uitkering
  • 1. De ISD Bollenstreek start, als het kan, meteen na afgifte van het besluit tot terugvordering met verrekening van de vordering met een uitkering Pw, IOAW of IOAZ die door de ISD Bollenstreek wordt verstrekt 10 .

  • 2. Als de belanghebbende een uitkering van de ISD Bollenstreek ontvangt en:

    • -

      een bestuurlijke boete moet betalen aan de ISD Bollenstreek en

    • -

      een vordering (fraude of niet-fraude) moet betalen aan de ISD Bollenstreek verrekent de ISD Bollenstreek in principe eerst de bestuurlijke boete met de uitkering van belanghebbende 11

  • 3. Uitzondering op lid 2 is als de terugvordering gebruteerd zou worden als de vordering niet voor 31 december van dat jaar is terugbetaald.

§ 2.5.2

Vaststelling van de hoogte van het maandelijkse verrekeningsbedrag van belanghebbenden mèt een uitkering PW, IOAW of IOAZ

Artikel 22. De hoogte van het maandelijkse verrekeningsbedrag van belanghebbenden met een uitkering Pw, IOAW of IOAZ
  • 1. Als belanghebbende een uitkering ontvangt op grond van de Pw, IOAW of IOAZ, is de hoogte van het te verrekenen bedrag uit artikel 20 in principe 95% van de geldende bijstandsnorm, zoals genoemd in artikel 475 da van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

    Artikelen 475db tot en met 475e WvBR zijn ook van toepassing.

  • 2. Als de belanghebbende een uitkering op grond van de Pw, IOAW, of IOAZ ontvangt van een andere gemeente, of een uitkering voor levensonderhoud ontvangt van de SVB of het UWV, kan de ISD Bollenstreek aan die andere gemeenten, het UWV of het SVB verzoeken om de aflossing van de vordering uit de uitkering van belanghebbende aan de ISD Bollenstreek te betalen (pseudo verrekening zoals in artikel 60a Pw). De aflosverplichting wordt volgens lid 1 vastgesteld.

§ 2.5.3

Vaststelling van de duur en de hoogte van de maandelijkse afloscapaciteit van belanghebbenden die géén recht (meer) hebben op een uitkering PW, IOAW of IOAZ

Artikel 23. De hoogte van het maandelijkse aflossingsbedrag van belanghebbenden zonder een uitkering Pw, IOAW of IOAZ
  • 1. Nadat een uitkering is beëindigd of ingetrokken vanwege uitstroom naar arbeid wordt de hoogte van de maandelijkse afloscapaciteit zo snel mogelijk vastgesteld. De aflosverplichting is in principe:

    • a.

      voor fraudevorderingen 12

      50% van de ruimte boven de beslagvrije voet volgens de berekening in artikel 475d tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

    • b.

      voor niet-fraudevorderingen (overige vordering) 13

      45% van de ruimte boven de beslagvrije voet volgens de berekening in artikel 475d tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

  • 2. Als de belanghebbende, nadat hierom gevraagd is, niet de informatie heeft gegeven die nodig is voor de genoemde berekening, geldt geen beslagvrije voet totdat de informatie alsnog gegeven is 14 .

  • 3. Nadat een uitkering is beëindigd of ingetrokken vanwege een andere reden (niet arbeid) wordt de hoogte van de maandelijkse afloscapaciteit zo snel mogelijk vastgesteld. De aflosverplichting is in principe het bedrag waar ruimte voor is volgens de berekening in artikel 475d tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

  • 4. Als de belanghebbende, nadat hierom gevraagd is, niet de informatie heeft gegeven die nodig is voor de genoemde berekening, geldt geen beslagvrije voet totdat de informatie alsnog gegeven is 15 .

  • 5. Als er een andere partij dan de ISD Bollenstreek beslag heeft gelegd, kan de aflosverplichting voor alle vorderingen worden bepaald op de gehele beslagruimte volgens de regels van artikel 475da van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

  • 6. Voor debiteuren zonder uitkering van de ISD, is de periode van overgang naar de nieuwe berekening van de beslagvrije voet uiterlijk tot en met 31 december 2021.

Artikel 24. Vermogen
  • 1. De ISD Bollenstreek kan de aflosverplichting die is vastgesteld volgens artikelen 21 en 22 verhogen met het vermogen van belanghebbende, als dit vermogen hoger is dan 1,5 maal de voor de belanghebbende geldende bijstandsnorm 16 .

  • 2. Bij de vaststelling van het vermogen van belanghebbende:

    • -

      geldt artikel 34 lid 1 Pw, maar worden de vorderingen van de ISD Bollenstreek niet meegerekend in de vermogensvaststelling

    • -

      geldt artikel 34 lid 2 onder a en d van de Pw.

§ 2.5.4

Wijziging van de betalings- of aflosverplichting

Artikel 25. Uitstel van betaling (art. 4:94 Awb)
  • 1. Als belanghebbende een gemotiveerd verzoek doet tot uitstel van betaling dan kan deze zonder onderzoek door het dagelijks bestuur toegekend worden als:

    • a.

      aan belanghebbende in de periode van 24 maanden voor het verzoek niet eerder een uitstel van betaling is toegekend en;

    • b.

      duidelijk is gemaakt dat belanghebbende tijdelijk in omstandigheden verkeert waardoor de aflossing (tijdelijk) niet kan worden nagekomen;

    • c.

      het uitstel van betaling niet langer duurt dan drie maanden.

  • 2. In alle overige gevallen vindt onderzoek plaats.

  • 3. Verder kan uitstel van betaling worden verleend als er sprake is van zeer dringende redenen die het uitstel noodzakelijk maken.

  • 4. Gedurende het uitstel zal er niet worden aangemaand of ingevorderd.

  • 5. De bevoegdheid tot verrekening (art.4:93 Awb en art 60 Pw) blijft wel bestaan.

  • 6. De termijn waarvoor het uitstel geldt wordt vastgelegd in een beschikking tot uitstel van betaling. Aan deze beschikking kunnen voorwaarden worden verbonden, zoals een betalingsregeling of een verplichting tot het stellen van zekerheid (art. 4:94 Awb).

  • 7. De maximale termijn voor het verlenen van uitstel bedraagt 12 maanden.

  • 8. Als er sprake is van vermogen boven de vermogensgrenzen uit artikel 34 Pw, wordt als voorwaarde aan het uitstel verbonden dat dit vermogen boven de vermogensgrens eerst moet worden aangewend voor aflossing van de vordering.

  • 9. Uitstel van betaling wordt niet verleend als belanghebbende een uitkering van de ISD Bollenstreek ontvangt en de vordering is ontstaan als gevolg van het schenden van de inlichtingenplicht (fraudevordering).

  • 10. Uitstel van betaling wordt in principe niet verleend als belanghebbende een uitkering ontvangt en er ruimte is voor verrekening.

Artikel 26. Weigeren herziening of uitstel van betaling
  • 1. Een verzoek tot uitstel van betaling kan in ieder geval worden afgewezen als:

    • a.

      medewerking van de belanghebbende naar het oordeel van het dagelijks bestuur onvoldoende is;

    • b.

      onjuiste gegevens worden verstrekt;

    • c.

      de gevraagde gegevens niet (volledig) binnen de daartoe gestelde termijn zijn verstrekt;

    • d.

      de gevraagde zekerheid niet wordt gesteld;

    • e.

      de waarde van vermogensobjecten in redelijkheid te gelde kunnen worden gemaakt teneinde daarmee de verschuldigde vordering te betalen;

    • f.

      de berekende aflossingscapaciteit zodanig is dat de schuld direct voldaan kan worden;

    • g.

      de betalingsregeling zich over een onaanvaardbare termijn uitstrekt;

    • h.

      de betalingsproblemen structureel zijn en een betalingsregeling geen uitkomst zal bieden;

    • i.

      belanghebbende reeds eerder een regeling heeft genoten, maar deze niet is nagekomen;

Artikel 27. Beschikking tot uitstel intrekken of wijzigen (art.4:96 Awb)

De beschikking tot uitstel van betaling kan worden ingetrokken of gewijzigd:

  • a.

    indien de voorschriften niet worden nageleefd;

  • b.

    indien onjuiste of onvolledige inlichtingen zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zouden hebben geleid;

  • c.

    voor zover veranderde omstandigheden zich verzetten tegen voortduring van het uitstel.

Artikel 28. Tussentijdse wijziging en onderzoek van een aflosverplichting
  • 1. De ISD Bollenstreek kan een draagkrachtonderzoek doen, als vermoed wordt dat er iets is veranderd in de afloscapaciteit van belanghebbende.

  • 2. Als er geen gegrond vermoeden is zoals in lid 1, doet de ISD Bollenstreek een onderzoek als een IB of BRP signaal hiertoe aanleiding geeft.

  • 3. De beslagvrije voet wordt telkens voor 12 maanden vastgesteld, na deze periode wordt de beslagvrije voet opnieuw vastgesteld.

  • 4. Als de ISD Bollenstreek na het draagkrachtonderzoek besluit tot wijziging van de aflosverplichting, krijgt belanghebbende hiervan een beschikking.

  • 5. Als de aflosverplichting verandert, wordt het nieuwe bedrag opgelegd met ingang van de eerste maand nadat de beschikking is verstuurd.

Artikel 29. Minimaal aflosbedrag

Een aflosbedrag moet in principe minimaal € 10,00 per maand zijn.

Artikel 30. Verzoek tot wijziging van een betalings- of aflosverplichting door belanghebbende zonder uitkering
  • 1. Belanghebbende kan schriftelijk en onderbouwd verzoeken om de aflos-- of betalingsverplichting te wijzigen. Bij dit verzoek moeten de financiële en andere relevante gegevens met bewijsstukken meegestuurd worden.

  • 2. Binnen acht weken na ontvangst van het verzoek (lid 1) neemt de ISD Bollenstreek een besluit op het verzoek en stuurt dit naar belanghebbende.

  • 3. Het verzoek tot wijziging van de betalings- of aflosverplichting betekent niet dat de betaling of aflossing niet gedaan hoeft te worden, tenzij er sprake is van dringende redenen.

  • 4. De ISD Bollenstreek zal na het verzoek (lid 1) een draagkrachtonderzoek instellen en de aflos- of betalingsverplichting volgens deze uitvoeringsregels opnieuw vaststellen.

§ 2.5.5

Gevolgen bij het niet of niet meer voldoen aan de betalings- of aflosverplichting

Artikel 31. Niet of niet meer voldoen aan de betalings- of aflosverplichting
  • 1. Als belanghebbende:

    • -

      de aflos- of betalingsverplichting niet of niet op tijd nakomt; of

    • -

      niet wil meewerken aan het afspreken van een betalingsregeling; of

    • -

      een afgesproken betalingsregeling niet op niet op tijd nakomt

  • wordt overgegaan tot invordering door:

    • a.

      een executoriaal beslag zoals in artikelen 479b t/m 479g, behalve artikel 479e lid 2, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering; of

    • b.

      beslag zoals omschreven in het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, op basis van de executoriale titel die is verbonden aan een dwangbevel (artikel 4:114 Awb), nadat de aanmaningsprocedure is doorlopen als bedoeld in afdeling 4.4.4 van de Awb.

  • 2. Voordat er een aanmaning wordt verstuurd, wordt er contact opgenomen met belanghebbende en hem verzocht om alsnog de betalingsverplichting na te komen.

Artikel 32. Rente en kosten

Als de vordering is overgedragen aan een gerechtsdeurwaarder, wordt de vordering verhoogd met de wettelijke rente en de kosten die horen bij de invordering.

Artikelsgewijze toelichting op Hoofdstuk 2 PW, IOAW, IOAZ

Toelichting op artikel 6

In dit artikel wordt in het kader van de bevoegdheid tot terugvordering de algemene gronden genoemd op basis waarvan een uitkering Pw, IOAW of IOAZ wordt teruggevorderd.

Bij schending van de inlichtingenplicht wordt altijd teruggevorderd, dit is geen bevoegdheid.

Lid 1 vermeldt het uitgangspunt is dat onterecht of teveel verstrekte uitkering ook wordt teruggevorderd, als de bijstand onterecht verstrekt is door redenen die niet altijd aan de belanghebbende te wijten zijn. Er kan bijvoorbeeld ook sprake zijn van een administratieve fout.

Lid 2 benoemt de situatie dat bijstand is verleend als lening, bijvoorbeeld bij bepaalde vormen van bijzondere bijstand. Aan de lening worden voorwaarden gesteld, dit wordt afgesproken met belanghebbende. Als de betalings- of andere afspraken niet worden nagekomen, wordt de verleende bijstand teruggevorderd.

In lid 3 gaat het om de situatie dat een belanghebbende bijstand heeft aangevraagd, en vooruitlopend daarop een voorschot heeft ontvangen. Dit voorschot is verleend in de vorm van een renteloze geldlening, in afwachting van een toekenning van bijstand waarna het wordt verrekend met de uitkering.

In het geval dat er geen recht op bijstand blijkt te bestaan na verlening van een voorschot, wordt het voorschot teruggevorderd. Er is immers geen recht op bijstand, dus ook geen recht op een voorschot.

Het vierde lid gaat in op onverschuldigde betaling. Dit kan op verschillende manieren tot stand komen, echter als de belanghebbende had kunnen begrijpen dat er onverschuldigd is betaald, bijvoorbeeld als er een onevenredig hoog bedrag aan bijstand is ontvangen of een uitbetaling terwijl duidelijk was dat er geen recht op bijstand bestond. In deze gevallen moet uitgegaan worden van het redelijkerwijs kunnen begrijpen dat er onverschuldigd is bepaald, en zullen de individuele omstandigheden worden meegenomen.

De tweede situatie beschrijft de situatie waarin iemand vanaf een bepaalde datum of periode recht had op middelen, maar dit pas op een later tijdstip ontvangen heeft. Dit is het geval bij bijvoorbeeld een erfenis of een schadevergoeding. Dit soort uitkeringen of vergoedingen vindt pas op een later moment plaats, maar wordt vastgesteld over een periode waarover een belanghebbende hier recht op had. Bij een erfenis wordt de overlijdensdatum van de erflater als uitgangspunt genomen, waardoor een terugvordering kan ontstaan omdat over dezelfde periode reeds bijstand is verleend. Ook bij een schadevergoeding is de datum waarop het recht is ontstaan anders dan de datum van uitbetaling en ontstaat dezelfde situatie, afhankelijk van of de som geld als inkomen of vermogen wordt aangemerkt. Hiervoor wordt aangesloten bij artikel 31 Pw.

Bijstand kan ook worden verleend met een bepaald doel, bijvoorbeeld voor bijzondere kosten zoals kinderopvang. Als blijkt dat belanghebbende reeds uit een andere bron voor ditzelfde doel een vergoeding of tegemoetkoming heeft gekregen, bijvoorbeeld kinderopvangtoeslag, wordt de teveel verstrekte bijstand teruggevorderd.

Toelichting op artikel 7

Uitzonderingen, zesmaanden jurisprudentie

In dit artikel staan volledigheidshalve de algemene – binnen de jurisprudentie geformuleerde – uitzonderingen beschreven. Het gaat om uitzonderingen op de bevoegdheid tot terugvordering (dus niet om uitzonderingen op de wettelijk verplichte terugvordering van fraudevorderingen).

Het betreft situaties waarvan binnen de jurisprudentie is komen vast te staan dat de ISD Bollenstreek, ongeacht een gehoudenheid tot terugvordering of brutering, moet afzien van haar vaste gedragslijn. De ISD Bollenstreek heeft niet de vrijheid om van deze in de jurisprudentie benoemde uitzonderingen af te wijken.

De onder lid 3 sub a weergegeven zesmaanden jurisprudentie komt er op neer dat de gemeente binnen zes maanden nadat zij een signaal heeft ontvangen, over moet gaan tot aanpassing van het recht op uitkering.

Een signaal kan daarbij worden gedefinieerd als relevante informatie over de uitkeringsgerechtigde waaruit kan worden afgeleid dat sprake is van een dusdanige omstandigheid, dat het dagelijks bestuur op grond daarvan actie zou moeten ondernemen. Vindt geen aanpassing van het recht op uitkering plaats binnen de genoemde zes maanden, dan moet het dagelijks bestuur van terugvordering afzien voor het deel dat na deze zes maanden nog te veel aan uitkering is verstrekt.

De zesmaanden jurisprudentie speelt niet indien sprake is van schending van de inlichtingenplicht 17 .

Wanneer belanghebbende bijvoorbeeld een uitkering ontvangt en hij heeft niet opgegeven dat hij een heffingskorting ontvangt van de Belastingdienst (welke heffingskorting moet worden gekort op de uitkering), dan is sprake van een schending van de inlichtingenplicht door belanghebbende. In dat geval geldt de zesmaanden jurisprudentie niet.

Heeft de belanghebbende wel opgegeven dat hij heffingskorting ontvangt van de Belastingdienst of is van de Belastingdienst bericht ontvangen dat belanghebbende deze heffingskorting ontvangt, dan geldt de zesmaanden jurisprudentie. Het dagelijks bestuur moet in dit geval dus binnen uiterlijk zes maanden het recht op uitkering aanpassen.

Lid 2 betreft de situatie dat sprake is van een beperkte overschrijding van de vermogensgrens gedurende langere tijd. De situatie kan bestaan dat de uitkeringsgerechtigde niet heeft gemeld dat hij over een vermogen beschikt dat in beperkte mate de vermogensgrens overstijgt. Komt het dagelijks bestuur hierachter dan is hij in wezen gerechtigd om de bijstand over de gehele periode van de overschrijding in te trekken. Vaste jurisprudentie is echter dat in deze situatie de terugvordering moet worden beperkt tot het bedrag dat niet zou zijn verstrekt indien de uitkeringsgerechtigde de beperkte overschrijding van de vermogensgrens wel tijdig zou hebben gemeld.

Toelichting op artikel 8

Hoewel de terugvordering van fraudevorderingen verplicht is, is dit artikel volledigheidshalve en voor de duidelijkheid wel opgenomen in het debiteurenbeleid.

Toelichting op artikel 9

Het bruteren van een niet-fraudevordering is een bevoegdheid. In lid 1 is de hoofdregel benoemd dat het dagelijks bestuur in principe gebruik maakt van deze bevoegdheid. Naar vaste rechtspraak moet worden afgezien van brutering (lid 2) indien sprake is van een vordering die is ontstaan buiten toedoen van een belanghebbende en hem niet kan worden verweten dat de betaling van de schuld niet reeds is voldaan in het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft 18 .

Toelichting op artikel 10

In de algemene wet bestuursrecht zijn hoofdregels opgenomen wat er in ieder geval in het terugvorderingsbesluit moet staan. Verder is het uitgangspunt dat het besluit en de daarop volgende gebeurtenissen en/of verplichtingen voldoende duidelijk moeten zijn voor de belanghebbende.

Toelichting op artikel 11

Volledigheidshalve is het bepaalde in artikel 58, achtste lid van de Pw (en artikel 4:94a Awb) ook in deze regels opgenomen. Op grond van dat artikel kan het dagelijks bestuur afzien van (verdere) terugvordering als er sprake is van dringende redenen.

Van dringende redenen is sprake als de terugvordering of invordering leidt tot onaanvaardbare gevolgen voor de belanghebbende op het moment van terugvordering/invordering (toetsing ex nunc). Dus als de terugvordering of invordering gevolgen heeft die door bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

Daarvan zal overigens niet snel sprake zijn. Er moet iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand zijn in een individueel geval waardoor terugvordering/invordering voor de belanghebbende (en met name voor diens minderjarige gezinsleden) tot onaanvaardbare consequenties zou leiden. Vast moet staan dat sprake is van een incidenteel geval en dat de behoeftige omstandigheden waarin de (mede) belanghebbende minderjarige gezinsleden verkeren op geen enkele wijze zijn te verhelpen, zodat afzien van terugvordering/invordering in deze vorm volstrekt onvermijdelijk is. Het ontbreken van voldoende middelen om in het bestaan te voorzien, is op zich geen voldoende voorwaarde om te kunnen spreken van dringende redenen (citaten uit: Memorie van Toelichting en de Nota n.a.v. het Verslag bij Wetsvoorstel Wet aanscherping, nr. 33 207).

Het moet gaan om onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen van terugvordering voor een betrokkene. Het moet gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging plaatsvindt van alle relevante omstandigheden 19 .

In beleid kan het dagelijks bestuur voor niet-fraudevorderingen de hoogte bepalen van zgn. kruimel-bedragen waarbij kan worden afgezien van terugvordering of van (nadere) invordering nadat al een terugvorderingsbesluit is genomen. (Vorderingen als bedoeld in artikel 58, eerste lid alsmede artikel 25, eerste lid van de IOAZ en IOAZ vallen dus niet onder het tweede lid).

In het tweede lid is het kruimelbedrag bepaald op € 125 netto per kalenderjaar en in dat geval wordt er alleen afgezien van (verdere) terugvordering of invordering wanneer:

  • -

    De vordering niet door een schending van de inlichtingenplicht is ontstaan en

  • -

    Verrekening met een lopende uitkering niet mogelijk is

Voorheen was ook een voorwaarde dat iemand geen vaste woon- of verblijfplaats had. In de actualisatie van deze uitvoeringsregels is vanuit de praktijk een afweging gemaakt tussen kosten en baten van het terug- en invorderen van kleine bedragen. Het uitgangspunt is dat in beginsel gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid tot terugvorderen, en onterecht verstrekte bijstand wordt teruggevorderd (zoals ook is neergelegd in het Handhavingsbeleidsplan 2020-2023).

Voor fraudevorderingen geldt dat deze altijd worden teruggevorderd. Ook indien vorderingen te verrekenen zijn met de uitkering, vindt deze verrekening plaats.

Echter, voor vorderingen op niet-uitkeringsgerechtigden die liggen onder het kruimelbedrag is de administratieve belasting vele malen hoger dan het genoemde kruimelbedrag. Daarom is de bepaling opgenomen dat voor bedragen onder het kruimelbedrag kan worden afgezien van terugvordering.

Toelichting op artikel 12

Er zijn situaties waarbij incasso vrijwel onmogelijk is of waarbij het, door omstandigheden, verstandig is om in te stemmen met kwijtschelding. Uitgangspunt is een strakke incasso en het zo mogelijk volledig invorderen van gelden. Maar onder omstandigheden kan het dagelijks bestuur besluiten om geheel of gedeeltelijk af te zien van verdere terugvordering.

Deze mogelijkheid kan de belanghebbende debiteur stimuleren tot betaling. Het biedt immers zicht op een (eerdere) beëindiging van de aflossingsverplichting.

Anderzijds maakt deze mogelijkheid het debiteurenbeleid efficiënter en uitvoerbaarder. Het maakt het immers mogelijk om het debiteurenbestand op te schonen van vorderingen die niet of nauwelijks zijn in te vorderen, of waarvan de kosten van inning niet in verhouding staan tot het bedrag van de (ontvangen aflossing op de) vordering.

Voor niet-fraudevorderingen is de mogelijkheid om af te zien van (verdere) terugvordering omschreven. Daar is vermeld gedurende welke termijn moet zijn afgelost (in beginsel 5 jaar) respectievelijk welk bedrag van de hoofdsom moet zijn voldaan (75%). Zijn gedurende 10 jaar na het ontstaan van de vordering en de aflossingsverplichting geen betalingen gedaan en is het niet aannemelijk dat er nog betalingen zullen worden gedaan door belanghebbende, dan kan eveneens worden afgezien van verdere terugvordering.

Toelichting op artikel 13

Hier is aangegeven dat een besluit tot het afzien van (verdere) terugvordering in beginsel alleen op schriftelijk verzoek van de belanghebbende (debiteur) wordt genomen. In de praktijk kan dit ook ambtshalve worden besloten, indien voldaan is aan de voorwaarden van terugbetaling gedurende vijf jaar en tot 75% van de openstaande som.

Indien in 10 jaar tijd geen betalingen zijn ontvangen en deze ook niet meer worden verwacht, kan het dagelijks bestuur ambtshalve besluiten om af te zien van (verdere) terugvordering.

Toelichting op artikel 14

In artikel 14 zijn enkele uitzonderingen geformuleerd, dus in welke situaties er niet kan worden afgezien van (verdere) terugvordering. Het dagelijks bestuur beperkt daarmee de reikwijdte van de mogelijkheid om af te zien van (verdere) terugvordering voor bepaalde type schulden.

Toelichting op artikel 15

Daarnaast is in artikel 15 benoemd wanneer een eerder op basis van artikel 11 of 12 genomen besluit om af te zien van (verdere) terugvordering wordt ingetrokken.

De mogelijkheid tot het afzien van (verdere) terugvordering van een fraudevordering is geregeld in artikel 58, zevende lid van de PW en artikel 25, zesde lid van de IOAW en IOAZ.

Toelichting op artikel 16

Volledigheidshalve is hier opgenomen dat artikel 11 en 12 niet zien op fraudevorderingen. Met de bevoegdheid om af te zien van (verdere) terugvordering van een fraudevordering wordt zeer terughoudend omgegaan. Alleen wanneer een vordering oninbaar blijkt, zal worden afgezien van (verdere) terugvordering van de fraudevordering. Concreet zal hiertoe worden besloten als er 10 jaar geen betalingen zijn ontvangen en niet aannemelijk is dat deze nog zullen worden ontvangen (artikel 58, zevende lid aanhef en sub c van de PW, dan wel artikel 25, zesde lid aanhef en sub c van de IOAW en IOAZ).

Toelichting op artikel 17

Tot slot is volledigheidshalve nog opgenomen dat een besluit om af te zien van (verdere) terugvordering alleen betrekking heeft op de geadresseerde belanghebbende bij dat besluit.

Soms zijn er meer personen aansprakelijk voor dezelfde vordering. Dit is bijvoorbeeld het geval bij bijstandsverlening aan een gezin of bij terugvordering van bijstand wegens een verzwegen partner. Op grond van art. 6:9, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek moet degene die (mede) hoofdelijk aansprakelijk is, de (restant)vordering nog wel voldoen. Ook als voor de andere hoofdelijk aansprakelijke is besloten af te zien van (verdere) terugvordering (tenzij ook bij deze andere hoofdelijk aansprakelijke is besloten om af te zien van terugvordering).

Toelichting op artikel 18

Wanneer een belanghebbende schulden heeft en niet voldoende inkomen om alle betalingsverplich-tingen (inclusief schulden) na te komen, is er sprake van een ‘problematische schuldenlast’. Een zogenaamde minnelijke schuldregeling kan soms een oplossing vormen.

Bij een minnelijke schuldregeling wordt zonder tussenkomst van de rechter een schuldregeling getroffen. In dat kader wordt (volgens vaste richtlijnen) berekend hoeveel procent van de schulden de belanghebbende in 36 maanden zou kunnen aflossen. En vervolgens wordt aan alle schuldeisers gevraagd om daarmee in te stemmen. Wanneer alle schuldeisers hiermee akkoord gaan, wordt na 36 maanden betaling van de vastgestelde aflossingen, het eventuele restant van de vorderingen buiten invordering gesteld (finale kwijting). Belanghebbende hoeft dit restant dan niet meer te betalen.

Dit artikel benoemt onder welke voorwaarden de ISD Bollenstreek – in zijn rol als schuldeiser (dus niet in de rol als schulddienstverlener)– medewerking verleent aan een eventuele schuldregeling. Het eerste lid vermeldt onder welke voorwaarden de ISD Bollenstreek mee kan werken aan een schuldregeling.

In het tweede lid zijn enkele beperkingen gesteld aan de mogelijkheid om mee te werken aan een schuldregeling. De medewerking aan een schuldregeling geldt niet in de volgende gevallen:

  • -

    wettelijk is bepaald dat geen medewerking aan de totstandkoming van een schuldregeling kan worden verleend indien het een na 1 januari 2013 ontstane vordering betreft die is ontstaan door het opzettelijk of door grove schuld schenden van de inlichtingenplicht en waarvoor een bestuurlijke boete is opgelegd of aangifte is gedaan (artikel 60c van de PW en artikel 29a van de IOAW en IOAZ). Dit artikel ziet daarom niet op deze vorderingen. Volledigheidshalve is dit ook in deze uitvoeringsregels opgenomen.

  • -

    als de terugvordering van uitkering het gevolg is van verwijtbaar gedrag van de belanghebbende.

  • -

    als de vordering ziet op bijstand die is verstrekt in de vorm van een geldlening op grond van het bepaalde in artikel 48, tweede lid, aanhef en onder b, van de PW (wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan); of

  • -

    als de vordering wordt gedekt door pand of hypotheek op een goed of goederen (tenzij de vordering niet op die goederen verhaald kan worden).

Tenslotte zijn in het derde lid gronden benoemd op basis waarvan de ISD Bollenstreek hem medewerking aan een schuldregeling intrekt. In dat kader is de periode benoemd waarbinnen een schuldregeling definitief tot stand moet zijn gekomen, namelijk 6 maanden. De periode van 6 maanden start op het moment dat de ISD Bollenstreek aan belanghebbende (of diens bemiddelaar) meldt dat wordt meegewerkt aan de schuldregeling.

De beslissing om mee te werken aan de schuldregeling wordt eveneens ingetrokken als wordt vastgesteld dat de schuldregeling tot stand is gekomen op basis van onjuiste of onvolledige gegevens door toedoen van de schuldenaar.

Toelichting op artikel 19

In dit artikel staat en dat invordering gelijktijdig met de bekendmaking van dit terugvorderingsbesluit start. Omdat dit een bestuursrechtelijke geldschuld is, geldt Titel 4.4 van de Awb. Volgens art. 4:87 Awb geldt een betalingstermijn van tenminste 6 weken. In dit artikel is de betalingstermijn bepaald op deze minimum termijn.

Toelichting op artikel 20

In de beschikking moet in ieder geval worden vermeld wanneer de betalingsverplichting ingaat, en wat het saldo van de vordering is.

Wanneer belanghebbende een uitkering ontvangt van het dagelijks bestuur wordt eveneens vermeld dat tot verrekening wordt overgegaan (conform artikel 21) en de hoogte van het bedrag van de verrekening (art. 4:93, tweede lid, van de Awb).

Uiteraard kan er daarnaast – afhankelijk van de situatie – altijd ook nog aanvullende informatie in het terugvorderings- en/of invorderingsbesluit worden vermeld. Bijvoorbeeld:

a. de mogelijkheid voor belanghebbende om binnen 6 weken na verzenddatum van de beschikking als bedoeld in artikel 4.87 van de Awb een betalingsregeling te treffen (dit zal aan de orde kunnen zijn indien belanghebbende géén uitkering van het dagelijks bestuur ontvangt. Ontvangt belanghebbende wel een uitkering, dan zal het dagelijks bestuur de vordering verrekenen met de uitkering).

b. wat de (rechts)gevolgen bij niet (tijdige) nakoming van de betalingsverplichting zijn. Bijvoorbeeld de mogelijkheid van invordering bij dwangbevel na aanmaning en dat invorderingskosten voor rekening van de belanghebbende kunnen worden gebracht.

Deze rechtsgevolgen zijn onder meer beschreven in afdeling 4.4.2 Awb over verzuim en wettelijke rente en afdeling 4.4.4 over aanmaning en invordering bij dwangbevel (ook het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bieden incassomaatregelen);

c. ook zou vermeld kunnen worden dat het aangaan van nieuwe schuldverplichtingen niet leidt tot een nieuwe vaststelling van een opgelegde betalingsverplichtingen (tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden).

Toelichting op artikel 21

Voor zover de belanghebbende na afgifte van het terugvorderingsbesluit een (algemene bijstands-) uitkering ontvangt in het kader van de PW, IOAW of IOAZ geldt voor fraudevorderingen ontstaan na 1 januari 2013 een wettelijke verrekeningsplicht. Dit staat in art. 60, vierde lid van de PW en art. 28, tweede lid van de IOAW en IOAZ.

Voor alle andere vorderingen geldt dat het dagelijks bestuur bevoegd is om direct tot verrekening van de vordering over te gaan (artikel 60a, vierde lid, en art. 28, derde lid van de IOAW en IOAZ).

In deze uitvoeringsregels is ervoor gekozen om gebruik te maken van deze bevoegdheid. Ontvangt de belanghebbende dus een uitkering, dan gaat het dagelijks bestuur in principe altijd over tot verrekening van de vordering met de uitkering (ongeacht de aard van de terugvordering). Een in de terugvorderingsbeschikking genoemde betalingstermijn verhindert niet dat wordt overgegaan tot verrekening. Ook een (eventueel) geboden uitstel van betaling doet niets af aan de verplichting tot verrekening (dit staat in artikel 4:93, vijfde lid van de Awb).

Bij de verrekening moet de beslagvrije voet in acht worden genomen. Het meerdere wordt verrekend met de vordering. Het te verrekenen bedrag is bepaald in artikel 22.

Het tweede lid regelt de situatie dat er sprake is van zowel een terugvordering als een boete. Met welke schuld worden de ingehouden betalingen op de uitkering in dat geval verrekend?

Volgens dit artikel wordt de betaling in principe eerst op de bestuurlijke boete afgelost. De bestuurlijke boete op grond van de PW/IOAW/IOAZ is namelijk een concurrente vordering c.q. een niet-preferente vordering. Terwijl terugvorderingen PW/IOAW/IOAZ preferent zijn (art. 60 lid 7 PW en art. 30 lid 1 IOAW/IOAZ). Wordt de uitkering beëindigd en zal de terugvordering en boete anderszins moeten worden geïncasseerd, dan heeft de terugvordering (als preferente vordering) voorrang (de invordering van de boete zal in dat geval kunnen worden ‘weggedrukt’ door de preferente schulden).

Ontvangt belanghebbende geen uitkering (meer) van het dagelijks bestuur (en is verrekening dus niet mogelijk) en staat er zowel een boete als een terugvordering open op belanghebbende dan wordt in principe eerst de terugvordering geïncasseerd omdat dit een preferente vordering is die voorgaat op eventuele concurrente vorderingen van andere beslagleggers. Na betaling van de terugvordering wordt de boete geïncasseerd (de concurrente vordering).

Door de woorden ‘in principe’ is er echter ruimte gelaten of af te kunnen wijken van de regel dat eerst de bestuurlijke boete moet worden verrekend. Zo kan er bijvoorbeeld voor worden gekozen om in een kalenderjaar toch eerst te verrekenen met de (netto) terugvordering en nog niet met de boete, om zo brutering van die vordering per 1 januari van het volgende kalenderjaar te voorkomen..

Toelichting op artikel 22

In lid 1 van dit artikel is het met de uitkering te verrekenen verrekeningsbedrag (aflosbedrag) vastgesteld. Er wordt aansluiting gezocht bij de beslagvrije voet.

De beslagvrije voet is het deel van het inkomen waarop in beginsel géén beslag mag worden gelegd (dus het inkomen waarover de belanghebbende de beschikking moet blijven houden).

Voorheen werd onderscheid gemaakt tussen fraudevorderingen (hogere verrekeningsbedragen) en niet-fraudevorderingen.

Met de invoering van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet en de aanpassing van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is daar geen onderscheid meer in nodig. De beslagvrije voet voor inkomens op bijstandsniveau is verhoogd. Voor deze inkomens is 95% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm de hoogte van de beslagvrije voet. Dit is gedaan enerzijds om de inkomensruimte te vergroten, en anderzijds zodat er altijd een kleine ruimte is voor een aflossing20 .

Verder ligt de grondslag van fraudevorderingen in een schending van de inlichtingenplicht, en staat er op de schending van deze inlichtingenplicht een bestuurlijke boete. Hierdoor kan de vordering als gevolg van fraude op een belanghebbende dus al hoger worden, mits er niet wordt volstaan met een waarschuwing.

De belanghebbende moet de beschikking blijven houden over de toepasselijke beslagvrije voet (art. 475 da Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Artikelen 475 db en dc Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering blijven van toepassing.

Voor iemand zonder vaste woon- of verblijfplaats (artikel 475 da lid 4 en artikel 475 e Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) geldt een andere beslagvrije voet, 47,5% van de bijstandsnorm. Voor iemand die is opgenomen in een inrichting wordt de beslagvrije voet bepaald op de kosten voor verzorging of verpleging, verhoogd met de helft van de bijstandsnorm voor iemand in een inrichting, en de verhoging zorgkosten (artikel 475 e lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering)

Dit zijn nieuwe artikelen in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, die valt onder de Brede Schuldenaanpak van het ministerie SZW.

De wet Vereenvoudiging beslagvrije voet trad op 1 januari 2021 in werking, waaronder ook de aanpassingen aan het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering vallen.

Voor inkomens boven de bijstandsnorm is er een nieuwe berekening van de beslagvrije voet, waarvoor een rekentool beschikbaar is.

In geval van een terugvordering wordt eerst contact opgenomen met de belanghebbende. In de praktijk wordt dan ook geprobeerd een betalingsregeling te treffen, danwel de belanghebbende te informeren dat er een bedrag wordt verrekend met de uitkering.

Als belanghebbende wegens omstandigheden niet kan voldoen aan de ruimte boven de beslagvrije voet, kan er een betalingsregeling worden afgesproken van minimaal € 10,00 per maand voor een tijdelijke periode van maximaal 6 maanden, daarna wordt de ruimte opnieuw onderzocht.

De beslagvrije voet geldt niet als belanghebbende desgevraagd geen inlichtingen verstrekt aan het dagelijks bestuur die voor de tenuitvoerlegging van de terugvordering of bestuurlijke boete van belang zijn. Dit staat in artikel 18a, achtste lid PW en artikel 60, eerste en zesde lid van de PW / artikel 20a, achtste lid van de IOAW/IOAZ en artikel 27 en 28, zesde lid van de IOAW/IOAZ. En dit geldt voor fraude-vorderingen en niet-fraudevorderingen. (Ook als een bestuurlijke boete is opgelegd bij recidive hoeft overigens volgens de PW/IOAW/IOAZ gedurende maximaal 3 maanden niet de beslagvrije voet te worden gehanteerd 21 ).

Lid 2. Belanghebbende ontvangt uitkering levensonderhoud van een andere gemeente, van het UWV of van de SVB. Het betreft de uitkeringen als omschreven in artikel 60a, eerste t/m derde lid van de PW. In dat geval kan het dagelijks bestuur op grond van art. 60a PW en art. 28 lid 4 IOAW/IOAZ aan die andere gemeente, het UWV of de SVB verzoeken om de vordering uit die uitkering te betalen. De betreffende gemeente, UWV of SVB moet in beginsel gehoor geven aan zo’n verzoek. Een machtiging van belanghebbende is daarvoor niet nodig. Dit wordt ‘pseudo-verrekening’ genoemd.

Anders dan bij ‘echte’ verrekening gaat ‘pseudo-verrekening’ niet voor beslag. Het beslag door een beslaglegger schuift dus deze pseudoverrekening opzij. Wanneer redelijkerwijs valt te verwachten dat er ook beslag zal worden gelegd op de uitkering, kan het raadzaam zijn om de ‘reguliere’ incasso te volgen, die ook wordt gevolgd als belanghebbende niet bovenbedoelde uitkering ontvangt van een gemeente, UWV of SVB. Deze beleidsregel geeft de mogelijkheid om dit te doen.

Toelichting op artikel 23

In dit artikel is de situatie geregeld dat belanghebbende debiteur niet (meer) algemene bijstand PW of uitkering IOAW of IOAZ ontvangt.

  • 1.

    Belanghebbende stroomt uit de uitkering in verband met werkaanvaarding (inkomsten uit arbeid).

    Deze situatie is beschreven in het eerste lid. In dit geval wordt een betalingsregeling afgesproken met belanghebbende. En wordt daarbij onderscheid gemaakt tussen fraudevorderingen (waarvoor hogere aflossingsbedragen gelden) en niet-fraudevorderingen.

    Voor fraudevorderingen geldt dat het te betalen aflossingsbedrag in principe wordt bepaald op 50% van de beslagvrije ruimte.

    Alhoewel het uitgangspunt bij handhaving is dat fraude in principe nooit mag lonen, is er hier toch bewust gekozen om in beginsel niet de volledige beslagvrije ruimte in aanmerking te nemen als aflossing. Volgens ons participatiebeleid zal werken namelijk moeten lonen. Door niet de volledige beslagvrije ruimte te gebruiken voor aflossing, gaat belanghebbende er op vooruit. Dit kan voor de belanghebbende debiteur een extra stimulans zijn om uit te stromen naar werk.

    Voor niet-fraudevorderingen is het te betalen aflossingsbedrag bepaald op 45% van de beslagvrije ruimte. Op niet-fraudevorderingen mag dus iets minder worden afgelost dan op fraudevorderingen.

  • 3.

    Belanghebbende stroomt uit de uitkering wegens andere redenen dan arbeid

    Dit is beschreven in het derde lid. Als iemand uitstroomt wegens bijvoorbeeld verhuizing of omdat recht bestaat op een andere uitkering (die geldt als voorliggende voorziening) wordt de aflosverplichting conform de regels van de beslagvrije voet vastgesteld.

    In de het hoofdstuk Boete is onder meer dit artikel van overeenkomstige toepassing verklaard op de bestuurlijke boete.

Toelichting op artikel 24

Doorgaans hebben debiteuren geen vermogen om de aflossing te voldoen c.q. hebben ze een negatief vermogen (schulden). In de regel zal dit betekenen dat het dagelijks bestuur de afloscapaciteit bepaalt aan de hand van uitsluitend het inkomen.

Er zal echter wel steeds worden onderzocht of sprake is van vermogen waaruit belanghebbende de vordering (mede) kan voldoen. En beschikt belanghebbende over vermogen, dan kan op basis van dit artikel ook dat vermogen worden meegenomen bij de berekening van de afloscapaciteit.

In het beleid bijzondere bijstand wordt 1,5x de bijstandsnorm als vermogen in aanmerking genomen als draagkracht. Hierbij wordt aangesloten voor wat betreft de uitvoering van dit artikel en dus verhoging van de afloscapaciteit.

In lid 2 is weergegeven wat onder vermogen wordt verstaan. Dat zijn in principe alle bezitting minus de schulden aan derden. Algemeen gebruikelijke of noodzakelijke bezittingen in natura blijven buiten beschouwing en ook het vermogen gebonden in de eigen woning/erf wordt tot het in de PW genoemde bedrag (€ 53.100,00 per 1-1-2021) buiten beschouwing gelaten. Voor het overige wordt alles als vermogen aangemerkt.

Is dat overige vermogen hoger dan 1,5x de bijstandsnorm die zou gelden wanneer belanghebbende een bijstandsuitkering zou ontvangen, dan kan dit dus als afloscapaciteit worden aangemerkt.

Met bijstandsnorm wordt bedoeld de bijstandsnorm in artikel 5 aanhef en sub c van de PW: dus de op norm die op belanghebbende van toepassing zou zijn wanneer hij een PW-uitkering zou ontvangen eventueel verminderd met een verlaging.

Er zal altijd een afweging plaatsvinden of het vermogen ook feitelijk als afloscapaciteit moet worden ingezet door belanghebbende. Zo kunnen individuele omstandigheden van belanghebbende meewegen bij beantwoording van de vraag of het vermogen al dan niet moet worden ingezet voor aflossing van de vordering. Maar bij die afweging wordt in ieder geval betrokken of kosten van (eventuele dwang-)invordering van het vermogen wel opwegen tegen de hoogte van de vordering (kosten-baten afweging).

Dwanginvordering van vermogen is doorgaans bewerkelijker dan dwanginvordering van inkomen. Dwanginvordering van periodiek inkomen/uitkeringen is relatief eenvoudig via vereenvoudigd derdenbeslag; inschakeling van een deurwaarder is niet nodig.

Maar dwanginvordering van vermogen (bijvoorbeeld een auto of bankrekening) kan betekenen dat snel conservatoir beslag moet worden gelegd (via een gerechtelijke procedure). Zo kan worden voorkomen dat belanghebbende zijn vermogen snel wegsluist.

Nadat uitspraak is gedaan, kan dan executoriaal beslag worden gelegd door middel van inschakeling van een deurwaarder. De griffiekosten en procureurskosten van het conservatoir beslag komen in eerste instantie ten laste van de ISD Bollenstreek, maar deze kunnen wel via de gerechtelijke procedure (in het kader van het conservatoir beslag) worden teruggevorderd van de belanghebbende. De kosten van het executoriale beslag moeten (in beginsel) door de belanghebbende worden betaald.

Wanneer wordt besloten tot dwanginvordering van het vermogen, dan zal de invordering via de afdeling terugvordering en verhaal plaatsvinden.

In het hoofdstuk Boete is onder meer dit artikel van overeenkomstige toepassing verklaard op de bestuurlijke boete.

Toelichting op artikel 25

In dit artikel is de mogelijkheid om uitstel van betaling te verlenen op grond van artikel 4:94 Awb uitgewerkt.

Voor het maatwerk dat de ISD Bollenstreek toepast is het wenselijk om in individuele situaties uitstel te kunnen verlenen.

Als belanghebbende gemotiveerd vraagt om uitstel van betaling en de voorgestelde duur van uitstel is niet langer dan drie maanden wordt dit maximaal éénmaal per twee jaar toegekend. Dit uitstel wordt zonder verder onderzoek naar de hoogte van het inkomen of de persoonlijke situatie van de belanghebbende verleend. Indien de belanghebbende vaker om uitstel van betaling verzoekt of het verzoek om uitstel betreft een periode van meer dan 3 maanden, dan vindt ten alle tijde een onderzoek naar de persoonlijke en financiële situatie van de belanghebbende plaats alvorens er een beslissing wordt afgegeven.

Lid 3 geeft de mogelijkheid om bij dringende redenen uitstel te verlenen. Dringende redenen moeten worden onderbouwd met bewijsstukken aangetoond worden door belanghebbende.

Lid 4 spreekt voor zich.

Lid 5 gaat in op verrekening. Voor fraudevorderingen is de verrekening verplicht, en zal deze doorgang hebben. Voor niet-fraudevorderingen geldt een bevoegdheid. Als er mogelijkheid is om de verrekening te laten plaatsvinden en dit niet tot onevenredig zware gevolgen voor belanghebbende leidt, zal de verrekening in beginsel doorgang hebben, aansluitend bij de regels omtrent de beslagvrije voet. Nadrukkelijk geldt dus dat steeds van geval tot geval aan de hand van de omstandigheden de situatie van de belanghebbende moet worden beoordeeld.

Lid 6 spreekt voor zich.

Lid 7 sluit aan bij de frequentie van bepaling van de beslagvrije voet. Als voor een langere termijn om uitstel verzocht wordt, is er wellicht geen sprake meer van een tijdelijke situatie maar is er sprake van een probleem in de structurele afloscapaciteit. In dat geval moet de afloscapaciteit onderzocht worden als die veranderd is.

Lid 8 spreekt voor zich en sluit aan bij artikel 31 en 34 Pw.

Lid 9 gaat in op de situatie dat er een fraudevordering is, verrekening is in dat geval verplicht.

Lid 10 spreekt voor zich.

Toelichting op artikel 26

Het verzoek om uitstel van betaling zal in het algemeen worden afgewezen indien de belanghebbende niet voldoet aan één van de onder a tot en met i opgesomde bepalingen. De afwijzing dient bij beschikking bekend te worden gemaakt (en dus voor bezwaar en beroep vatbaar).

Toelichting op artikel 27

Het verleende uitstel van betaling kan tussentijds beëindigd worden. Gronden daarvoor zijn dat de belanghebbende zich niet aan de aan het uitstel verbonden voorschriften houdt, er onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt die hebben geleid tot een andere beschikking of een wijziging van de omstandigheden die voortduring van het uitstel onaanvaardbaar maken. Beëindiging van het uitstel doet de betalingsverplichting onverkort herleven en vergt dan dus een nieuwe beschikking. Pas na bekendmaking van die beschikking kan de invorderingsprocedure worden gestart of worden hervat. Wordt een voorschrift voor een deel niet nagekomen, bijvoorbeeld door het niet tijdig voldoen van één betalingstermijn, dan kan ervoor worden gekozen om dit gedeelte na aanmaning in te vorderen. Immers, de schuldenaar is voor dat gedeelte van de vordering in verzuim. De uitstelbeschikking hoeft daarvoor niet te worden ingetrokken.

Toelichting op artikel 28

In dit artikel is bepaald dat bij een gegrond vermoeden (als er aanwijzingen zijn) dat de afloscapaciteit van belanghebbende is veranderd, of een signaal daartoe aanleiding geeft, er een draagkrachtonderzoek plaatsvindt. In principe is dit aan de orde wanneer wordt vermoed dat belanghebbende op zijn minst € 10 per maand meer of minder kan betalen.

Voor vaststelling van de beslagvrije voet vindt in ieder geval jaarlijks een draagkrachtonderzoek plaats. Tijdens het draagkrachtonderzoek wordt de aflossing opnieuw (op basis van de huidige situatie en aan de hand van de toepasselijke artikelen) beoordeeld en vastgesteld.

Wanneer geen betalingen worden ontvangen en niet bekend is waar belanghebbende verblijft of als belanghebbende in het buitenland verblijft, wordt jaarlijks een onderzoek ingesteld. Dit onderzoek houdt in dat in ieder geval de gemeentelijke basisregistratie personen (BRP) en Suwinet worden geraadpleegd.

Wijziging van de aflos-/betalingsverplichting gebeurt via een beschikking, waarbij de aflossing wordt gewijzigd per de eerste dag van de maand, volgend op de beschikking.

Wordt de eerder opgelegde aflossing gewoon gehandhaafd, dan wordt dat bij kennisgeving medegedeeld aan belanghebbende. In dat geval dus geen beschikking met bezwaarmogelijkheid omdat dit een feitelijke mededeling is (betreffende voortzetting van een bestaande situatie). Vindt belanghebbende dat zijn aflosbedrag moet worden gewijzigd, dan kan hij daartoe een verzoek (een aanvraag) indienen op grond van artikel 25 of 30 van deze uitvoeringsregels. In dat geval zal de ISD Bollenstreek op basis van dat verzoek (die aanvraag) een besluit nemen (waartegen bezwaar/beroep openstaat).

In het hoofdstuk Boete is onder meer dit artikel van overeenkomstige toepassing verklaard op de bestuurlijke boete.

Toelichting op artikel 29

In beginsel moet belanghebbende minimaal € 10 per maand aflossen op de vordering.

In het hoofdstuk Boete is onder meer dit artikel van overeenkomstige toepassing verklaard op de bestuurlijke boete.

Toelichting op artikel 30

De belanghebbende debiteur kan een verzoek indienen bij de ISD Bollenstreek om de aflosverplichting te wijzigen. In dit artikel zijn de procedurele eisen vastgelegd die voor zo’n verzoek gelden. In beginsel zal de ISD Bollenstreek vervolgens een draagkrachtonderzoek instellen en aan de hand van de toepasselijke artikelen in paragraaf 3.1 de afloscapaciteit (opnieuw) bepalen. Belanghebbende ontvangt vervolgens een beschikking.

Is sprake van een belanghebbende die een uitkering PW, IOAW of IOAZ ontvangt van het dagelijks bestuur dan is dit artikel in beginsel niet van toepassing. In dat geval zal het dagelijks bestuur immers (een deel van) de beslagvrije ruimte overeenkomstig de toepasselijke artikelen in paragraaf 3.1 (moeten) verrekenen met de uitkering.

In het hoofdstuk Boete is onder meer dit artikel en het volgende artikel van overeenkomstige toepassing verklaard op de bestuurlijke boete.

Toelichting op artikel 31

De Awb beschrijft de invorderingsprocedure. Volledigheidshalve is deze hier op hoofdlijnen herhaald.

Opgemerkt wordt dat een vordering bij voorkeur niet uit handen wordt gegeven aan een deurwaarder. Adresonderzoek en beslag op het inkomen zijn eenvoudig zelf uit te voeren. Bovendien is dit voor zowel de belanghebbende als voor de ISD goedkoper. Een deurwaarder brengt immers kosten in rekening voor de door hem verleende diensten. In eerste instantie brengt een deurwaarder dit in rekening bij belanghebbende, maar wanneer deze niet kan worden getraceerd of wanneer er niets kan worden verhaald op de belanghebbende, zullen de kosten ten laste worden gebracht van de ISD. Dit kan betekenen dat er geen geld wordt geïncasseerd, maar de vordering feitelijk juist extra kost.

Het toch inschakelen van een deurwaarder zal daarom altijd goed moeten worden gemotiveerd. En dit zal alleen plaatsvinden wanneer aannemelijk is dat de baten daarvan hoger zijn dan de kosten.

In het tweede lid is aangegeven dat de belanghebbende voorafgaand aan de schriftelijke aanmaning mondeling (telefonisch of in persoon) wordt gevraagd om alsnog – binnen een te stellen termijn van in beginsel 1 week – te voldoen aan zijn betalingsverplichting. Feitelijk betreft dit dus een mondelinge aanmaning voorafgaande aan de schriftelijke aanmaning. Een mondelinge benadering kan meer effect hebben dan uitsluitend schriftelijke communicatie over terugbetaling van een vordering. Voldoet belanghebbende vervolgens nog niet aan de betalingsverplichting, dan volgt de schriftelijke aanmaning bedoeld in artikel 4:112 Awb e.v. en eventuele vervolgacties van het eerste lid.

Toelichting op artikel 32

De ISD Bollenstreek brengt geen wettelijke rente in rekening. Ook aanmaningskosten worden niet in rekening gebracht aan belanghebbende zolang de incasso van de vordering nog in handen is van de ISD Bollenstreek. Zodra de invordering echter uit handen wordt gegeven aan een (gerechts) deur-waarder, mag deze de incassokosten (bijv. kosten van dwangbevel als bedoeld in art. 4:119 Awb) verhalen op de belanghebbende en wettelijke rente in rekening brengen bij belanghebbende.

In het hoofdstuk Boete is ook dit artikel van overeenkomstige toepassing verklaard op de bestuurlijke boete.

Hoofdstuk 3 Verhaal (Pw)

Inleiding

Verhaal van bijstand is geregeld in paragraaf 6.5 van de Pw (de artikelen 61 t/m 62i van de Pw).

Verhaal in de zin van genoemde artikelen betekent overigens iets anders dan terugvordering in de zin

van de Pw. Terugvordering vindt plaats van de belanghebbende (de [ex-] uitkeringsgerechtigde). Bij

verhaal is sprake van het ‘vorderen’ van een derde. In de praktijk gaat het gaat meestal om verhaal op

de ex-partner en/of ouder van een kind waarvoor kosten van bijstand worden gemaakt, in het kader van de onderhoudsplicht uit het Burgerlijk Wetboek.

Bij het formuleren van uitvoeringsregels verhaal hebben we de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  • Hoofdregel is dat aan de Pw-uitkering van de bijstandsgerechtigde de verplichting wordt verbonden dat die alimentatie vordert van de wettelijk onderhoudsplichtige (de ex-partner of ouder van zijn/haar kinderen), wanneer er nog geen alimentatie-uitspraak is.

  • Aanvullend daarop wordt uitvoering gegeven aan de wettelijke bevoegdheid tot verhaal van kosten van bijstand. Bij personen waar (nog) geen alimentatie is vastgesteld, zal worden onderzocht of ze een verhaalsbijdrage kunnen betalen. En er zal ook periodiek worden onderzocht of de onderhoudsplichtige die alimentatie betaalt (welke in beginsel wordt gekort op de Pw-uitkering) inderdaad (nog) naar draagkracht bijdraagt in de kosten van diens ex-partner en/of kinderen of dat een verhaalsbijdrage moet worden vastgesteld.

  • De ingangsdatum van een verhaalsbijdrage kan nooit voor de ingangsdatum van de Pw-uitkering liggen. Uitgangspunt is dat de datum van eerste aanschrijving van de onderhoudsplichtige als ingangsdatum van de verhaalsbijdrage geldt. Zo wordt de periode waarover verhaald wordt (en dus uitvoering wordt gegeven aan de wettelijke onderhoudsplicht van het Burgerlijk Wetboek) en de te ontvangen verhaalsbijdrage (besparing op het BUIG budget) gemaximeerd.

  • Vaststelling van de verhaalsbijdrage die de onderhoudsplichtige moet betalen, gebeurt op basis van de ‘Trema-normen’. Dit zijn normen die de rechter ook gebruikt bij de vaststelling van alimentatie.

  • Tenslotte wordt uitvoering gegeven aan de wettelijke bevoegdheid tot verhaal bij schenking (op de persoon die de schenking heeft ontvangen) en verhaal bij nalatenschap (op de erfgenamen).

§ 3.1

Algemeen

Artikel 33 Begripsbepalingen
  • 1. Alle begrippen die in deze uitvoeringsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet (Pw), het Burgerlijk Wetboek (BW) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

  • 2. In deze uitvoeringsregels wordt verstaan onder:

    • a.

      alimentatie: de door de onderhoudsplichtige aan zijn (gewezen) echtgenoot en/of kind(eren) te betalen bijdrage in het levensonderhoud die tussen genoemde partijen is vastgesteld door de rechter.

    • b.

      Awb: de Algemene wet bestuursrecht;

    • c.

      bijstandsgerechtigde: de persoon die een door het dagelijks bestuur verstrekte algemene

    • d.

      bijstandsuitkering ontvangt voor de kosten van levensonderhoud van zichzelf en/of zijn kind(eren).

    • e.

      BW: het Burgerlijk Wetboek

    • f.

      dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek;

    • g.

      fraudevordering: vordering in verband met ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende uitkering als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht;

    • h.

      inlichtingenplicht: verplichting genoemd in artikel 17, eerste lid van de Pw, artikel 13, eerste lid van de IOAW, artikel 13, eerste lid van de IOAZ en artikel 30c, tweede en derde lid van de Wet structuuruitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

    • i.

      kosten van bijstand: de netto verstrekte bijstand als bedoeld in de PW verhoogd met loonbelasting en premies volksverzekeringen waarvoor het dagelijks bestuur krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtig is;

    • j.

      LBIO: Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen;

    • k.

      onderhoudsplichtige: de gehuwde of geregistreerde partner of ex-echtgenoot/ex-partner, dan wel de ouder(s) van een kind dat jonger is dan 21 jaar die op grond van het Burgerlijk Wetboek wettelijk onderhoudsplichtig is en van wie daarom een bijdrage in het levensonderhoud ten behoeve van de (ex-) partner en/of kind kan worden gevraagd.

    • l.

      verhaalsbijdrage: de door de onderhoudsplichtige aan het dagelijks bestuur te betalen bijdrage in de kosten van bijstand van de (gewezen) echtgenoot en/of de kinderen van onderhoudsplichtige.

    • m.

      PW: de Participatiewet.

Artikel 34 Bevoegdheid tot verhaal

Het dagelijks bestuur maakt gebruik van de bevoegdheid tot verhaal van de kosten van bijstand zoals bedoeld in paragraaf 6.5 van de Pw.

Artikel 35 Verplichting van de bijstandsgerechtigde

Het dagelijks bestuur kan ingevolge artikel 55 van de Pw de verplichting aan de bijstandsgerechtigde opleggen dat deze alles in het werk stelt om een bij rechterlijke uitspraak vastgestelde alimentatie van de onderhoudsplichtige te vorderen en/of te gaan incasseren, zo nodig door inschakeling van derden zoals het LBIO of een deurwaarder.

Artikel 36 Nihilbeding

Het dagelijks bestuur is niet gebonden door een overeenkomst tussen (ex-)echtgenoten, waarin is bepaald dat de één tegenover de ander in het geheel geen of slechts tot een bepaald bedrag alimentatie verschuldigd is na echtscheiding, scheiding van tafel en bed of ontbinding van het huwelijk. Een dergelijke overeenkomst staat niet aan verhaal in de weg22 .

§ 3.2

Procedure

Artikel 37 Het verhaalsonderzoek
  • 1. Zodra bij de toekenning van de bijstand duidelijk is dat de kosten van bijstand kunnen worden verhaald, wordt onderzocht tot welk bedrag er verhaal kan worden gezocht.

  • 2. Er is slechts sprake van een verhaalsbevoegdheid jegens de ex-partner van een bijstandsgerechtigde indien er sprake is van causaal verband tussen de echtscheiding en de bijstandsbehoefte.

  • 3. Bij de draagkrachtberekening zal worden uitgegaan van de zgn Trema normen23 .

  • 4. Indien de onderhoudsplichtige op wie verhaald wordt geen of onvoldoende informatie verstrekt, en uit het onderzoek geen gegevens kunnen worden achterhaald, wordt er ambtshalve naar de volgende maatstaven een verhaalsbijdrage opgelegd:

    • a.

      Indien de onderhoudsplicht (mede) de ex-partner betreft, wordt een verhaalsbijdrage opgelegd ter hoogte van de verstrekte en nog te verstrekken bijstand;

    • b.

      Indien de onderhoudsplicht alleen betrekking heeft op minderjarige kinderen, wordt op basis van de NIBUD/CBS tabel24 eigen aandeel kosten van kinderen een bijdrage opgelegd. Hierbij wordt aangenomen dat de onderhoudsplichtige op wie verhaald wordt over het maximale netto besteedbaar maandinkomen beschikt.

  • 5. Bij samenloop van terugvordering van bijstand (van bijstandsgerechtigde) en de mogelijkheid van verhaal op derden, heeft terugvordering voorrang.

  • 6. Als tot terugvordering wordt besloten moeten de betaalde verhaalsbijdragen met betrekking tot de periode waarin de verstrekte bijstand volledig wordt teruggevorderd, terugbetaald worden aan degene op wie verhaald is. Geen terugbetaling vindt plaats als verrekening mogelijk is met de nog resterende verhaalsvordering of toekomstige verhaalstermijnen.

Artikel 38 Afzien van verhaal

Het dagelijks bestuur ziet in beginsel af van het al dan niet tijdelijk (verder) opleggen van een verhaalsbijdrage indien:

  • a.

    de onderhoudsplichtige is toegelaten tot de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP) of in staat van faillissement is gesteld;

  • b.

    er sprake is van een bij rechterlijke uitspraak vastgestelde alimentatie (waarbij de draagkracht berekend is op basis van de Trema-normen) en deze rechterlijke uitspraak ten tijde van het verhaalsonderzoek niet ouder is dan 12 maanden; of

  • c.

    er, gelet op de omstandigheden van degene op wie verhaal wordt gezocht of degene die de bijstand ontvangt of heeft ontvangen, sprake is van dringende redenen.

Artikel 39 Ingangsdatum verhaalsbijdrage
  • 1. De ingangsdatum van de verhaalsbijdrage die is vastgesteld met toepassing van artikel 62g van de Pw (niet gebaseerd op de rechterlijke alimentatie uitspraak) wordt bepaald op de eerste dag volgend op de eerste aanschrijving van de onderhoudsplichtige, tenzij individuele omstandigheden tot een andere redelijke ingangsdatum noodzaken.

  • 2. De ingangsdatum van de verhaalsbijdrage die is vastgesteld overeenkomstig artikel 62b van de PW (overeenkomstig de rechterlijke alimentatie uitspraak) is gelijk aan de ingangsdatum van het recht op bijstand, dan wel de datum waarop de bijstandsgerechtigde recht heeft op de alimentatie conform de rechterlijke alimentatie uitspraak.

Artikel 40 Verhaal in rechte
  • 1. Als een onderhoudsplichtige de opgelegde verhaalsbijdrage niet of niet behoorlijk voldoet, besluit het dagelijks bestuur tot verhaal in rechte binnen zes maanden na constatering.

  • 2. Voordat overgegaan wordt tot het indienen van een verzoekschrift, moet eerst een herinnering en een aanmaning zijn verzonden.

Artikel 41 Alimentatiebeschikking wordt niet nagekomen

Als een alimentatieplichtige structureel niet aan zijn door de Rechtbank opgelegde alimentatieverplichting voldoet, kan met toepassing van artikel 62b PW verhaal worden gezocht op de alimentatieplichtige.

Artikel 42 Termijn heronderzoeken
  • 1. Als er een verhaalsbijdrage is opgelegd, doet het dagelijks bestuur eens in de 2 jaar onderzoek naar wijzigingen in de financiële- of sociale omstandigheden van de onderhoudsplichtige.

  • 2. Als er geen verhaalsbijdrage is opgelegd (deze is op nihil gesteld) en de onderhoudsplichtige betaalt geen alimentatie, stelt het dagelijks bestuur éénmaal per jaar een nieuw onderzoek in naar wijzigingen in de financiële- of sociale omstandigheden van de onderhoudsplichtige.

Artikel 43 Mogelijkheden van kwijtschelding
  • 1. Kwijtschelding van een achterstand in de betaling van alimentatie is niet mogelijk. Uit het oogpunt van efficiënt debiteurenbeheer, kan in individuele gevallen hiervan worden afgeweken.

  • 2. Medewerking aan een schuldregeling of kwijtschelding van een opgelegde verhaalsbijdrage is mogelijk. Hierbij is het bepaalde onder hoofdstuk 2 van deze uitvoeringsregels van overeenkomstige toepassing.

Artikel 44 Indexering verhaalsbijdragen en alimentatie

Het dagelijks bestuur verhoogt de door de Rechtbank vastgestelde alimentatie en verhaalsbijdrage jaarlijks met het wettelijk vastgestelde indexeringspercentage. Indien een verhaalsbijdrage (nog) niet door de Rechtbank is vastgesteld, wordt deze verhoging niet toegepast.

Artikel 45 Verhaal bij schenking en nalatenschap
  • 1. Het dagelijks bestuur verhaalt kosten van bijstand op degene die van de (voormalig) bijstandsgerechtigde een schenking heeft ontvangen, voor zover bij het besluit op de bijstandsaanvraag met de geschonken middelen rekening zou zijn gehouden indien de schenking niet had plaatsgevonden. Wanneer gelet op alle omstandigheden aannemelijk is dat schenker ten tijde van de schenking redelijkerwijs niet heeft kunnen voorzien dat bijstandsverlening noodzakelijk zou worden, worden de kosten van bijstand niet verhaald.

  • 2. Het dagelijks bestuur verhaalt kosten van bijstand op de nalatenschap van de belanghebbende:

  • a. aan die (voormalig) bijstandsgerechtigde ten onrechte bijstand is verleend en voor zover voor het overlijden nog geen terugvordering heeft plaatsgevonden;

  • b. bijstand is verleend in de vorm van geldlening of als gevolg van borgtocht.

Artikelsgewijze toelichting hoofdstuk 3

Toelichting op artikel 33

Om te voorkomen dat de betekenis van de begrippen van de Pw en de uitvoeringsregels uiteen lopen is in het eerste lid een algemene verwijzing naar de begrippen in de Pw en de Awb opgenomen.

Waar genoemde wetten geen begripsomschrijving geven of waar begripsomschrijvingen binnen deze uitvoeringsregels verduidelijking behoeven, geven de uitvoeringsregels deze.

Zo is in het tweede lid ondermeer weergegeven wat alimentatie respectievelijk een verhaalsbijdrage inhoudt en wie onderhoudsplichtig is.

Alimentatie is een bijdrage in de kosten van levensonderhoud. Alimentatie moet worden betaald als er een (wettelijke) onderhoudsplicht bestaat van een persoon (de onderhoudsplichtige) jegens één of meer andere personen en die andere perso(o)nen heeft/hebben niet genoeg geld om van te leven.

Doorgaans wordt alimentatie tijdens of na een echtscheidingsprocedure (of na beëindiging van een geregistreerd partnerschap) vastgesteld. Komen partijen er niet samen uit, dan kan de rechter de alimentatie vaststellen.

Alimentatie staat los van het recht op een Pw-uitkering. Als de Pw-uitkering van de alimentatiegerechtigde persoon (de bijstandsgerechtigde) eindigt, moet de onderhoudsplichtige de alimentatie in beginsel gewoon blijven betalen aan zijn ex-partner en/of kinderen.

Onderhoudsplichtige: op grond van het Burgerlijk Wetboek moeten mensen die gehuwd zijn of een geregistreerd partnerschap hebben elkaar onderhouden. Maar ook als mensen uit elkaar gaan (na echtscheiding of na beëindiging geregistreerd partnerschap), houdt de onderhoudsplicht niet op en moet (als het kan) alimentatie worden betaald aan de ex-partner wanneer die niet genoeg geld heeft om van te leven (partneralimentatie)25 . Voorwaarde is wel dat er sprake is van een causaal verband tussen de scheiding en de bijstandsbehoefte. De uitkeringsbehoefte moet rechtstreeks voortvloeien uit het verbroken gezinsverband (en bijvoorbeeld niet het gevolg zijn van het verlies van een eigen baan).

Naast de onderhoudsplicht van (ex-)partners tegenover elkaar bestaat er een onderhoudsplicht van de ouder(s) jegens zijn/hun kinderen tot 21 jaar. Wanneer ouders uit elkaar gaan, betaalt meestal de ouder die de kinderen niet verzorgt een onderhoudsbijdrage (kinderalimentatie) aan de verzorgende ouder.

De onderhoudsplichtige is de persoon van wie de onderhoudsbijdrage wordt gevraagd.

De onderhoudsgerechtigde is de persoon die niet genoeg geld heeft om van te leven en die op grond van de wettelijke onderhoudsplicht een bijdrage in zijn levensonderhoud kan vragen aan zijn (ex-)partner ten behoeve van zichzelf en/of zijn kind.

Een verhaalsbijdrage is de door de onderhoudsplichtige ten behoeve van zijn Pw-gerechtigde ex-partner en/of kind(eren) verschuldigde onderhoudsbijdrage die door het dagelijks bestuur is vastgesteld. Betaalt de onderhoudsplichtige al naar vermogen (naar draagkracht) alimentatie aan zijn ex-partner, dan betekent dit dat minder bijstand hoeft te worden betaald door het dagelijks bestuur. En in dat geval zal er ook geen (aanvullende) verhaalsbijdrage meer kunnen worden vastgesteld.

Betaalt de onderhoudsplichtige (nog) geen alimentatie of minder alimentatie dan mogelijk is (gezien zijn draagkracht), dan betekent dit dat het dagelijks bestuur meer bijstand moet betalen. De gemaakte kosten van bijstand kan het dagelijks bestuur dan (naar draagkracht) verhalen op de onderhoudsplichtige.

Het dagelijks bestuur zal in dat geval een verhaalsbijdrage vaststellen.

Weigert de onderhoudsplichtige om deze bijdrage te betalen aan het dagelijks bestuur, dan kan het dagelijks bestuur aan de rechter vragen om de verhaalsbijdrage vast te stellen.

De onderhoudsplichtige betaalt de verhaalsbijdrage rechtstreeks aan het dagelijks bestuur. Eindigt de Pw-uitkering van (ex-)echtgenoot en/of kind(eren), dan eindigt ook de verhaalsbijdrage die onderhoudsplichtige moest betalen. De verhaalsbijdrage is nooit hoger dan de gemaakte kosten van bijstand.

Toelichting op artikel 34

De bevoegdheid (dus geen verplichting) om tot verhaal van kosten van bijstand over te gaan, is opgenomen onder de artikelen 61 t/m 62i Pw. De beleidsregel in dit artikel geeft aan dat toepassing wordt gegeven aan die wettelijke bevoegdheid. Net als bij vaststelling van alimentatie door de rechter worden de Trema-normen gebruikt bij bepaling van de verhaalsbijdrage. Deze Trema-normen zijn een hulpmiddel waarmee een onderhoudsbijdrage kan worden berekend.

Er is sprake van een bevoegdheid tot verhaal (in geval van ex-partners) voor zover er een causaal verband is tussen een ontbinding van huwelijk/geregistreerd partnerschap, of het niet nakomen van de onderhoudsplicht, en bijstandsbehoefte. Bij samenwonenden is verhaal niet mogelijk.

Belangrijk is daarbij dus de datum van ontbinding of niet nakomen van de onderhoudsplicht.

Voor wat betreft de onderhoudsplicht voor kinderen, gelden de bepalingen uit Boek 1 , Titel 17 van het Burgerlijk Wetboek.

De duur van de onderhoudsplicht is met ingang van 1 januari 2020 gewijzigd voor ex-partners, naar de helft van de duur van het huwelijk, met maxima van 5 danwel 12 jaren. Dit is vermeld in titel 17 van het Burgerlijk Wetboek, alwaar naar wordt verwezen in artikel 62 van de Participatiewet.

Toelichting op artikel 35

Dit artikel biedt het dagelijks bestuur de mogelijkheid om de bijstandsgerechtigde te verplichten zijn of haar medewerking te verlenen om de alimentatie (de onderhoudsbijdrage) van de onderhoudsplichtige af te dwingen. Deze alimentatie wordt door het dagelijks bestuur beschouwd als een voorliggende voorziening conform artikel 5 sub e van de Pw (een voorziening buiten de Pw waarop de belanghebbende of het gezin aanspraak kan maken, dan wel een beroep kan doen). In de praktijk wordt aan de bijstand de verplichting verbonden dat de bijstandsgerechtigde alimentatie vordert van de onderhoudsplichtige.

Toelichting op artikel 36

Soms is tussen (ex-) echtgenoten / (ex-) partners de afspraak gemaakt dat de één tegenover de ander geen alimentatie verschuldigd is (nihilbeding). Of dat minder alimentatie moet worden betaald dan mogelijk is (gelet op de draagkracht van de onderhoudsplichtige en de behoefte van de onderhoudsgerechtigde/ bijstandsgerechtigde).

Het dagelijks bestuur hoeft geen rekening te houden met zo’n afspraak. Dit staat in artikel 1:159a van het Burgerlijk Wetboek.

Dus al ligt er een alimentatieafspraak (van partijen zelf of door de rechter vastgesteld), er kan toch een onderzoek worden gestart naar de mogelijkheden om de kosten van bijstand te verhalen op de onderhoudsplichtige.

De onderhoudsplicht op grond van het Burgerlijk Wetboek blijft namelijk onverkort van kracht en het dagelijks bestuur heeft een eigen bevoegdheid om te onderzoeken of naar draagkracht wordt voldaan aan de onderhoudsplicht.

Toelichting op artikel 37

Een verhaalsonderzoek wordt onmiddellijk opgestart naar aanleiding van de toekenning van een uitkering of een inkomensvoorziening. Bij toekenning van een uitkering wordt door de medewerker beoordeeld of de uitkering kan worden verhaald (of er sprake is van een onderhoudsplichtige, dus als sprake is van een [ex-]partner en/of kinderen). Is dat het geval dan wordt direct een verhaalsonderzoek opgestart.

De onderhoudsplichtige wordt in dat geval direct geïnformeerd over zijn wettelijke onderhoudsplicht voor zijn ex-partner en kinderen. Door een vroegtijdige signalering van de verhaalsmogelijkheden, kan bezuinigd worden op de bijstandslasten. Niet alleen zal het versneld starten van de verhaalsprocedure meer opleveren vanwege het “langer” kunnen verhalen, maar ook is het niet ondenkbaar dat er een hoger bedrag kan worden verhaald. De onderhoudsplichtige zal doorgaans kort na de relatiebreuk nog niet allerlei nieuwe betalingsverplichtingen zijn aangegaan, waardoor hij meer overhoudt voor het onderhoud van zijn ex-partner en/of zijn kind(eren). Het kan ook tot gevolg hebben dat via verhaal fraude (eerder) worden gesignaleerd, doordat de ex-partner melding maakt van samenwoning of inkomsten van de onderhoudsgerechtigde die bijstand ontvangt.

In leden 2 en 3 wordt ingegaan op de reikwijdte van dit verhaal. Bij vaststelling van de verhaalsbijdrage wordt uitgegaan van de Trema normen, die worden aanbevolen door de Expertgroep Alimentatienormen (een groep van familierechters gespecialiseerd in alimentatiezaken) waar ook rechters gebruik van maken.

Alimentatie en ook een verhaalsbijdrage worden berekend op basis van de draagkracht (inkomsten en uitgaven) van de onderhoudsplichtige (en op basis van de behoefte van de onderhoudsgerechtigden).

De draagkracht is dan het bedrag dat de onderhoudsplichtige die alimentatie/verhaalsbijdrage moet betalen, kan missen. De rechters die alimentatie en verhaalsbijdrage in juridische procedures vaststellen, hebben hierover richtlijnen (normen) afgesproken. Dit zijn de eerder genoemde ‘alimentatienormen’ of ‘Tremanormen’.

Ook het dagelijks bestuur gebruikt deze Tremanormen voor het vaststellen van een verhaalsbijdrage.

In beginsel moet een onderhoudsplichtige voor één kind tenminste € 25 per maand betalen. Is sprake van twee of meer kinderen, dan moet de onderhoudsplichtige in principe tenminste € 50 per maand betalen voor zijn kinderen.

Voor berekening van de eigen bijdrage voor een kind, naar gelang het inkomen wordt verwezen naar de Behoeftetabel die op basis van het NIBUD en CBS is vastgesteld.

Als de onderhoudsplichtige niet reageert, en zijn inkomen is niet af te leiden uit het onderzoek (bijvoorbeeld SUWInet) wordt uitgegaan van het maximale inkomen volgens de behoeftetabel, en deze als verhaalsbijdrage vastgesteld. Dit wordt vermeld in de aanschrijving, wat als een stimulans geldt om de gevraagde gegevens wel te overleggen.

Leden 5 en 6 beschrijven de situatie waarin bijstand wordt teruggevorderd van een cliënt. Als over die periode ook een onderhoudsbijdrage is ontvangen, dan moet deze onderhoudsbijdrage terugbetaald worden aan de onderhoudsplichtige (de inning blijkt achteraf immers niet terecht). Als er nog een openstaand saldo is kan deze terugbetaling worden verrekend met dit openstaande saldo.

Als er nog termijnen zijn die voldaan moeten worden in de toekomst, kan er ook voor gekozen worden om de terugbetaling te verrekenen met de openstaande termijnen. Denkbaar is om dit af te stemmen met de onderhoudsplichtige.

Toelichting op artikel 38

Wanneer de onderhoudsplichtige is toegelaten tot de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP) of in staat van faillissement is gesteld, wordt er (nog) geen verhaalsbijdrage vastgesteld. De onderhoudsplichtige wordt geacht gedurende de duur van de WSNP of het faillissement geen draagkracht te hebben voor de nakoming van de onderhoudsverplichting.

Verder kan het zo zijn dat een rechter recent de alimentatie heeft vastgesteld. Wanneer de alimentatie door de rechter op basis van draagkracht (conform Trema-normen) is vastgesteld (dus als géén sprake is van een nihilbeding als bedoeld in artikel 4), dan kan bij deze uitspraak worden aangesloten.

In dit geval zou het niet efficiënt zijn om zelf nogmaals een draagkrachtonderzoek in te stellen. Dit is anders wanneer er sprake is van gewijzigde omstandigheden. Wanneer bijvoorbeeld de onderhoudsplichtige na een periode van werkloosheid een baan heeft gevonden, met een salaris dat aanzienlijk hoger is dan zijn WW-uitkering was. In dat geval hoeft niet te worden afgezien van verhaal, maar kan toch een verhaalsbijdrage worden opgelegd.

Er kunnen ook dringende redenen zijn om tijdelijk of blijvend van het opleggen van een verhaalsbijdrage af te zien, waardoor niet kan worden verhaald. Een besluit tot (geheel of gedeeltelijk) afzien van verhaal vindt plaats op grond van een individuele beoordeling. De dringende redenen kunnen alleen betrekking hebben op de gevolgen van het opleggen van een verhaalsbijdrage voor de onderhoudsplichtige en/of de onderhoudsgerechtigde en/of hun kinderen. Het gaat hier om zeer bijzondere omstandigheden, waarbij het opleggen van een verhaalsbijdrage leidt tot onaanvaardbare financiële of sociale consequenties van de onderhoudsplichtige en/of de onderhoudsgerechtigde.

Toelichting op artikel 39

In dit artikel wordt geregeld vanaf welke datum een verhaalsbijdrage wordt opgelegd.

Is er géén sprake van verhaal overeenkomstig een rechterlijke alimentatie uitspraak, dan wordt in beginsel de verhaalsbijdrage opgelegd vanaf het moment van de eerste aanschrijving van de onderhoudsplichtige. Dit is ook vermeld in die eerste aanschrijving. De ingangsdatum van de verhaalsbijdrage kan uiteraard niet liggen vóór de ingangsdatum van de bijstandsverlening aan de bijstandsgerechtigde. En de opgelegde verhaalsbijdrage kan nooit meer bedragen dan de bruto kosten van bijstand.

Is er wel sprake van een rechterlijke alimentatie uitspraak die overeenkomstig artikel 62b van de Pw wordt verhaald, dan kan niet eerder worden verhaald dan vanaf de ingangsdatum van de bijstand. Als de in de alimentatie uitspraak bepaalde ingangsdatum van alimentatie is gesteld op een latere datum, dan geldt uiteraard die latere datum.

Toelichting op artikel 40

Als een opgelegde verhaalsbijdrage niet (volledig) wordt voldaan, besluit het dagelijks bestuur overeenkomstig artikel 62g, tweede lid, van de Pw tot verhaal in rechte. In dat geval wordt vervolgens een verzoekschrift tot vaststelling van de verhaalsbijdrage ingediend bij de Rechtbank.

In de Participatiewet zijn geen specifieke verjaringstermijnen voor verhaal van kosten van bijstand opgenomen. De termijnen van het Burgerlijk Wetboek zijn van overeenkomstige toepassing. Op grond van de algemene rechtsbeginselen kunnen omstandigheden als langdurig stilzitten en overschrijding van een redelijke termijn van besluitvorming echter worden meegewogen in een rechterlijke uitspraak. Een verzoekschrift tot verhaal in rechte jegens degene die een hem bij verhaalsbesluit opgelegde onderhoudsbijdrage niet nakomt moet in verband met voortvarend bestuurshandelen binnen zes maanden worden ingediend.

Alvorens het verzoekschrift in te dienen, moet in het kader van zorgvuldig handelen, wel eerst een herinnering en een aanmaning aan de onderhoudsplichtige zijn verstuurd.

De termijn van zes maanden bij bijstandsverhaal komt uit de rechtspraak.

De rechter heeft de vrijheid om de ingangsdatum van verhaal te bepalen op een eerdere datum dan waarop het verzoekschrift is ingediend. Dat volgt uit artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek en is door de Hoge Raad bevestigd.

In diverse uitspraken heeft de rechter geoordeeld dat gemeenten wel voortvarend moeten handelen met het instellen van verhaal in rechte als blijkt dat de onderhoudsplichtige niet bereid is om overeenkomstig het verhaalsbesluit tot betaling over te gaan.

Dat houdt verband met het rechtszekerheidsbeginsel. De onderhoudsplichtige moet binnen redelijke termijn weten waar hij aan toe is. Daarvoor is hij afhankelijk van gemeentelijk initiatief. Immers, als de onderhoudsplichtige het niet eens is met het verhaalsbesluit van de gemeente, kan hij die kwestie niet zelf aan de familierechter voorleggen. Het is de gemeente die in dat geval moet beslissen al dan niet verhaal in rechte te zoeken door een verzoekschriftprocedure te starten.

Doet de gemeente dat niet tijdig, dan houdt de vastgestelde ingangsdatum van verhaal mogelijk geen stand.

Als maximaal redelijke termijn wordt zes maanden aangehouden. Daarmee wordt bedoeld dat bijstandsverhaal mogelijk is per een datum die niet verder in het verleden ligt dan zes maanden voorafgaand aan de maand waarin het verzoekschrift bij de rechtbank is ingediend. Zie bijvoorbeeld rechtsoverweging 3.5 in uitspraak ECLI:NL:RBUTR:2004:AQ2363 van de rechtbank Utrecht, waarin de rechter vaststelt dat de gemeente (zonder gegronde reden) te laat was met het indienen van een verzoekschrift, waardoor de ingangsdatum verhaal vastgesteld werd op 6 maanden voor het indienen van het verzoekschrift.

Afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het geval en gelet op het hiervoor genoemde wetsartikel kan de rechter daar van afwijken, bijvoorbeeld als de procedure door de onderhoudsplichtige wordt getraineerd of de gemeente zich aantoonbaar heeft ingespannen om bijstandsverhaal op minnelijke wijze tot stand te brengen.

Toelichting op artikel 41

Als een onderhoudsplichtige niet voldoet aan een rechterlijke alimentatie-uitspraak, kan op twee manieren worden gehandeld:

  • 1.

    Op grond van artikel 62b Pw de verschuldigde alimentatie verhalen, of

  • 2.

    aan de bijstandsverlening de voorwaarde verbinden dat de bijstandsgerechtigde de invordering overdraagt aan het LBIO (zie art. 55 Pw)

Vanaf augustus 2009 is het LBIO bevoegd om zowel de partner- als de kinderalimentatie in te vorderen. De ervaring leert echter dat de invordering door het LBIO veel tijd in beslag neemt. Het duurt vaak lang voordat een uitkeringsgerechtigde geld ontvangt van het LBIO.

Zolang een uitkeringsgerechtigde geen geld van het LBIO ontvangt, ontvangt deze een volledige bijstandsuitkering of inkomensvoorziening. Als de belanghebbende dan op enig moment wel geld van het LBIO ontvangt, moet dit worden teruggevorderd of verrekend worden met de uitkering.

Het kan eenvoudiger zijn om de alimentatie met toepassing van artikel 62b Pw te verhalen op de alimentatieplichtige. Aan de alimentatieplichtige wordt dan verzocht om de verschuldigde achterstallige alimentatie binnen zes weken aan de ISD te voldoen en voortaan elke maand het maandelijks verschuldigde alimentatiebedrag te voldoen. Dit heeft wel tot gevolg dat de bijstandsgerechtigde vanaf dat moment geen recht meer heeft op de alimentatie (het dagelijks bestuur incasseert gedurende de bijstandsverlening de verhaalde alimentatie), maar ook dat de alimentatiekorting op haar uitkering ongedaan wordt gemaakt. Na het verstrijken van de betalingstermijn, kan vervolgens een dwangbevel worden afgegeven om de alimentatie te incasseren.

Toelichting op artikel 42

Een nieuw onderzoek naar wijzigingen in de draagkracht van een onderhoudsplichtige wordt eenmaal in de 2 jaar uitgevoerd.

Als er aan een onderhoudsplichtige geen verhaalsbijdrage (nihil) is opgelegd en deze betaalt ook geen alimentatie, wordt eenmaal per jaar een nieuw onderzoek naar wijzigingen in de draagkracht van de onderhoudsplichtige uitgevoerd.

Tijdens het onderzoek wordt eerst via Suwinet en BRP gecontroleerd of het inkomen of de gezinssituatie van de onderhoudsplichtige feitelijk is gewijzigd. Als er geen wijziging in inkomen of de gezinssituatie geconstateerd wordt, kan in de regel worden afgezien van het aanschrijven van de onderhoudsplichtige voor het onderzoek naar wijzigingen in de draagkracht.

Worden er wel wijzigingen in het inkomen of de gezinssituatie geconstateerd, zal de onderhoudsplichtige worden aangeschreven met het verzoek mee te werken aan een nieuw onderzoek naar zijn draagkracht.

Toelichting op artikel 43

Verhaalsbijdragen :

Indien een schuldenregeling van toepassing is, kan een verschuldigde verhaalsbijdrage in de schuldenregeling worden meegenomen.

Ook als een onderhoudsplichtige bijvoorbeeld gedurende 10 jaar niet aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan en het niet aannemelijk is dat er nog betalingen worden ontvangen (ook niet via dwanginvordering), dan kan het uitstaande saldo buiten invordering worden gesteld. De medewerking aan een schuldregeling of buiten invordering stelling is gebaseerd op dit artikel en op het bepaalde aangaande invordering van hoofdstuk 2 van deze uitvoeringsregels.

Alimentatie:

Kwijtschelding of een schuldenregeling is in principe niet mogelijk indien er sprake is van een achterstand in de alimentatie. Alimentatie is immers een voorliggende voorziening van de onderhoudsgerechtigde en het recht hierop kan niet verworpen worden zonder gevolgen voor de uitkering of de inkomensvoorziening van de onderhoudsgerechtigde.

Als de alimentatieplichtige de verschuldigde alimentatie niet meer kan voldoen, moet hij de Rechtbank vragen om de alimentatie (al dan niet tijdelijk) op een lager bedrag of op nihil vast te stellen. Slechts in dringende en zwaarwegende omstandigheden kan van verdere invordering worden afgezien.

Toelichting op artikel 44

Dit is geregeld in artikel 62d PW en artikel 402a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

Toelichting op artikel 45

In artikel 62f Pw is verhaal bij schenking en nalatenschap omschreven als een bevoegdheid van het dagelijks bestuur. Er is voor gekozen om gebruik te maken van deze bevoegdheid. Is dus sprake van een schenking of nalatenschap (als bedoeld in artikel 62f Pw), dan zal het dagelijks bestuur de gegeven bevoegdheid tot verhaal uitoefenen.

In het eerste lid is verhaal bij schenking omschreven. Kosten van bijstand worden verhaald op de persoon die een schenking heeft ontvangen van de (voormalig) bijstandsgerechtigde als ten tijde van die schenking redelijkerwijs was te voorzien dat bijstandsverlening noodzakelijk zou worden.

Elementen die bij verhaal bij schenking een rol spelen zijn de volgende:

  • 1.

    Er moet sprake zijn van bevoordeling uit vrijgevigheid

    Schenking is iedere bevoordeling uit vrijgevigheid, waardoor het eigen vermogen van de schenker vermindert (en het vermogen van de ontvanger toeneemt). De betaling van een schuld is dus geen schenking.

  • 2.

    Voorzienbaarheid van bijstandsverlening

    De kosten van bijstand worden verhaald op de ontvanger van de schenking als de schenker (de bijstandsgerechtigde) ten tijde van de schenking redelijkerwijs kon voorzien dat hij aanspraak zou moeten maken op bijstandsverlening aan hem. Het gaat er dus om of de schenker (gezien zijn individuele omstandigheden) op het moment van schenking kon voorzien dat hij bijstandsbehoevend zou worden. Kon hij dat voorzien, dan getuigt de schenking van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. En de schenking wordt dan verhaald op de ontvanger van de schenking.

  • 3.

    Middelen in de zin van de Pw

    Ten aanzien van verhaal bij schenking geldt dat het bedrag dat wordt verhaald bestaat uit het verschil tussen de verstrekte bijstand en de bijstand die zou zijn verstrekt indien de bijstandsgerechtigde de schenking niet had gedaan (dus wanneer hij zelf nog over die middelen had beschikt).

    Dat betekent bijvoorbeeld dat rekening wordt gehouden met niet tot het vermogen te rekenen middelen en het vrij te laten vermogen (artikel 34 Pw); alleen het vermogen boven de vermogensgrens kan worden verhaald.

    Verder moet de eventueel door de ontvanger van de schenking betaalde belasting (schenkingsrecht), worden afgetrokken van de schenking die wordt verhaald op de ontvanger.

    In het tweede lid is verhaal op de nalatenschap van de overleden bijstandsgerechtigde omschreven.

    Kosten van bijstand worden verhaald op de erven van de overleden bijstandsgerechtigde wanneer er ten onrechte bijstand is verleend en deze bijstand niet voor het overlijden is teruggevorderd. Ook bijstand die is verleend in de vorm van een geldlening of als gevolg van borgtocht, wordt verhaald op de nalatenschap.

    Bij het verhaal op de nalatenschap wordt de bijstand verhaald op de erven die – wanneer de overleden bijstandsgerechtigde nog wel had geleefd – van hem zou zijn teruggevorderd. Dat betekent ondermeer dat – net als bij verhaal bij schenking (eerste lid) – ook rekening wordt gehouden met niet tot het vermogen te rekenen middelen en met het vrij te laten vermogen (artikel 34 Pw); alleen het vermogen boven de vermogensgrens kan worden verhaald.

Hoofdstuk 4 Boete (Pw, IOAW, IOAZ)

Inleiding

Voldoet een belanghebbende niet of niet behoorlijk aan zijn inlichtingenverplichting, dan moet het dagelijks bestuur een straf opleggen in de vorm van een bestuurlijke boete (of aangifte doen; strafrechtelijke afdoening).

De verplichting om een bestuurlijke boete op te leggen, is opgenomen in artikel 18a PW en artikel 20a van de IOAW en de IOAZ. Dit hoofdstuk geeft richting aan de bevoegdheden betreffende het opleggen van een bestuurlijke boete door het dagelijks bestuur.

§ 4.1

Algemeen

Artikel 46 Begripsbepalingen
  • 1.

    In deze uitvoeringsregels wordt verstaan onder:

    • 1.

      dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek;

    • 2.

      Awb: de Algemene wet bestuursrecht;

    • 3.

      PW: de Participatiewet;

    • 4.

      IOAW: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werkloze

    • 5.

      werknemers; IOAZ: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

    • 6.

      inlichtingenplicht: verplichting genoemd in artikel 17, eerste lid van de PW, artikel 13, eerste lid van de IOAW, artikel 13, eerste lid van de IOAZ en artikel 30c, tweede en derde lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

    • 7.

      bestuurlijke boete: de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 18a van de PW en artikel 20a van de IOAW en de IOAZ;

    • 8.

      waarschuwing: de waarschuwing genoemd in artikel 18a lid 4 PW, in artikel 20a lid 4 van de IOAW en artikel 20a lid 4 van de IOAZ;

    • 9.

      uitkering: de door het dagelijks bestuur verleende bijstand in het kader van de PW en de uitkering in het kader van de IOAW en IOAZ;

    • 10.

      benadelingsbedrag: het bedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht als bedoeld in sub f, ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen;

    • 11.

      fraudevordering: vordering in verband met ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende uitkering als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht;

    • 12.

      recidive: de bestuurlijke boete bij recidive binnen vijf jaar zoals bedoeld in artikel 18a, lid 5 en 6 van de PW, artikel 20a lid 5 en 6 van de IOAW en artikel 20a lid 5 en 6 van de IOAZ;

    • 13.

      beslagvrije voet: beslagvrije voet zoals bedoeld in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;

    • 14.

      fictieve draagkracht: een fictief voor beslag vatbare ruimte van 5% van de toepasselijke bijstandsnorm.

  • 2.

    Alle begrippen die in deze uitvoeringsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet (PW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

§ 4.2

Opleggen bestuurlijke boete

Artikel 47 Onverwijld verstrekken inlichtingen
  • 1. Het niet, niet behoorlijk of niet tijdig voldoen aan de inlichtingenplicht is een overtreding die wordt gesanctioneerd met een boete of een waarschuwing.

  • 2. Er wordt tijdig voldaan aan de inlichtingenplicht als de vereiste inlichtingen verstrekt worden binnen een termijn van 5 werkdagen nadat de inlichtingen voor belanghebbende redelijkerwijs beschikbaar of bekend hadden moeten zijn.

Artikel 48 De boete
  • 1. Het dagelijks bestuur stemt de hoogte van de boete af op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden waaronder de gedraging is gepleegd (art. 5:46 Awb).

  • 2. De ernst van de overtreding houdt in dat het dagelijks bestuur de ernst van de gedraging (overtreding) in beginsel meet aan de hoogte van het benadelingsbedrag.

  • 3. De hoogte van de boete is ook afhankelijk van de mate van verwijtbaarheid en wordt als volgt vastgesteld. Er wordt een boete van:

    • a.

      100% van het benadelingsbedrag opgelegd indien sprake is van opzet;

    • b.

      75 % van het benadelingsbedrag opgelegd indien sprake is van grove schuld;

    • c.

      50 % van het benadelingsbedrag opgelegd bij normale verwijtbaarheid;

    • d.

      25 % van het benadelingsbedrag opgelegd bij verminderde verwijtbaarheid.

Artikel 49 Recidive
  • 1. Indien belanghebbende herhaald de inlichtingenplicht niet of niet behoorlijk nakomt is er sprake van recidive. De boete wordt dan vastgesteld door het van toepassing zijnde percentage genoemd in artikel 3 lid 1 sub a t/m d, te berekenen over 150% van het benadelingsbedrag.

  • 2. Recidivetermijn 5 en 10 jaar

    • a.

      Er is sprake van recidive indien binnen een tijdvak van 5 jaar voorafgaand aan de dag van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht een eerdere bestuurlijke boete of strafrechtelijke sanctie is opgelegd wegens een eerdere overtreding, bestaande uit eenzelfde gedraging, die onherroepelijk is.

    • b.

      In afwijking van het tweede lid sub a bedraagt het daar genoemde tijdvak 10 jaar indien de belanghebbende wegens de eerdere overtreding, is gestraft met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Artikel 50 Maximale boete
  • 1. Indien er sprake is van opzet is de boete niet hoger dan het bedrag van de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

  • 2. Indien de overtreding van de inlichtingenverplichting niet opzettelijk is, is de boete niet hoger dan het bedrag van de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

  • 3. Indien het benadelingsbedrag hoger is dan 100/75 vermenigvuldigd met het bedrag van de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, dan wordt de boete:

    • a.

      indien geen sprake is van opzet of grove schuld, vastgesteld op 50/75 vermenigvuldigd met het bedrag van de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

    • b.

      indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid, vastgesteld op 25/75 vermenigvuldigd met het bedrag van de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht;

  • 4. De maximale boete genoemd in de leden 1, 2 en 3 geldt ook indien er sprake is van recidive.

Artikel 51 Waarschuwing en bestuurlijke boete bij nulfraude
  • 1. In afwijking van het bepaalde in artikel 3 lid 1 ziet het dagelijks bestuur af van het opleggen van een bestuurlijke boete en volstaat met het geven van een schriftelijke waarschuwing indien:

    • a.

      het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag;

    • b.

      het benadelingsbedrag niet hoger is dan € 150,00 én de overtreding van de inlichtingenplicht niet voort komt uit opzet of grove schuld;

    • c.

      belanghebbende onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft verstrekt, maar binnen 60 dagen uit eigen beweging alsnog de juiste inlichtingen verstrekt voordat het dagelijks bestuur de overtreding heeft geconstateerd.

  • 2. Indien het niet of het niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht plaatsvindt binnen een periode van 2 jaar waarop eerder aan belanghebbende een waarschuwing is gegeven, dan moet een boete worden beoordeeld.

  • 3. Indien er geen sprake is van een benadelingsbedrag en de boetewaardige gedraging zich binnen 2 jaar na de eerdere waarschuwing of boete voordoet, wordt een boete opgelegd van € 25,00, tenzij een afwijkend bedrag noodzakelijk is voor de vaststelling van een evenredige boete.

  • 4. Er wordt afgezien van het geven van een waarschuwing indien:

    • a.

      belanghebbende langer dan 1 jaar geen uitkering meer ontvangt op grond van de Participatiewet, IOAW of IOAZ; en

    • b.

      het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag; en

    • c.

      de overtreding van de inlichtingenplicht niet voort komt uit opzet of grove schuld; en

    • d.

      de boetewaardige gedraging zich niet binnen 2 jaar na de eerdere waarschuwing of boete voordoet.

Artikel 52 Afstemming van de boete
  • 1. Het dagelijks bestuur stemt de bestuurlijke boete af op de draagkracht van belanghebbende door de fictieve draagkracht te vermenigvuldigen met:

    • a.

      24 maanden in geval van opzet;

    • b.

      18 maanden in geval van grove schuld;

    • c.

      12 maanden in geval van normale verwijtbaarheid;

    • d.

      6 maanden in geval van verminderde verwijtbaarheid.

  • 2. Financiële draagkracht

    • a.

      Het dagelijks bestuur houdt in beginsel rekening met de financiële draagkracht van belanghebbende op het moment van het boetebesluit (ex nunc). Het ligt daarbij in de eerste plaats op de weg van belanghebbende om (desgevraagd) inzicht te geven in zijn financiële draagkracht.

    • b.

      Onder financiële draagkracht wordt hier verstaan: het inkomen van belanghebbende ten tijde van het opleggen van de boete. Het dagelijks bestuur bepaalt de draagkracht uit inkomen overeenkomstig artikel 475d Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (de voor beslag vatbare ruimte berekend op basis van de beslagvrije voet als bedoeld in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering)

  • 3. Het vermogen wordt betrokken bij de vaststelling van de draagkracht als één of meer van de volgende situaties van toepassing is:

    • a.

      er is sprake van opzet of grove schuld;

    • b.

      de schending van de inlichtingenplicht bestaat uit het verzwijgen van vermogen.

  • 4. Indien belanghebbende geen inkomen heeft of het inkomen bedraagt minder dan de van toepassing zijnde beslagvrije voet, dan wordt uitgegaan van de fictieve draagkracht x het toepasselijk aantal maanden.

Artikel 53 Dringende redenen

Het dagelijks bestuur kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

Artikel 54 Strafrechtelijke afdoening; aangifte bij Openbaar Ministerie

Het dagelijks bestuur doet overeenkomstig de ‘Aanwijzing sociale zekerheidsfraude’ aangifte bij het Openbaar Ministerie.

§ 4.3

De procedure

Artikel 55 Rapport boeteoplegging en zienswijze belanghebbende
  • 1. Indien voor het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht een boete kan worden opgelegd die hoger is dan € 340:

    • a.

      wordt hierover een rapport of proces-verbaal opgemaakt; en

    • b.

      wordt belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen;

  • 2. Indien voor het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht een boete kan worden opgelegd van € 340 of lager:

    • a.

      wordt hierover geen rapport of proces-verbaal opgemaakt; en

    • b.

      wordt belanghebbende niet in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.

  • 3. Van het bepaalde in het tweede lid kan worden afgeweken indien het dagelijks bestuur het in een bepaalde situatie wenselijk acht dat:

    • a.

      toch een rapport of proces-verbaal wordt opgemaakt;

    • b.

      belanghebbende toch in de gelegenheid wordt gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.

§ 4.4

Boetebesluit en invordering boete

Artikel 56 Beslistermijn
  • 1. Het besluit tot het opleggen van de boete wordt genomen binnen een termijn van 13 weken na de verzenddatum van het boetevoornemen.

  • 2. Indien het besluit tot het opleggen van een boete wordt genomen op een moment gelegen tussen:

    • a.

      13 weken en 26 weken na de verzenddatum van het boetevoornemen, wordt het boetepercentage dat wordt opgelegd, verlaagd met 5%.

    • b.

      26 weken en 52 weken na de verzenddatum van het boetevoornemen, wordt het boetepercentage dat wordt opgelegd, verlaagd met 10%.

  • 3. Bij verlaging van het boetepercentage op grond van het tweede of derde lid is het bedrag waarmee de boete verlaagd wordt nooit hoger dan € 1000,-.

  • 4. Indien er later dan 52 weken na verzenddatum van het boetevoornemen nog geen besluit tot het opleggen van de boete is genomen, wordt er enkel een rapport opgemaakt van de feiten en omstandigheden. Er wordt dan geen boete meer opgelegd.

Artikel 57 Inhoud boetebesluit en invordering boete
  • 1. Het boetebesluit vermeldt in ieder geval:

    • a.

      de boetewaardige gedraging (overtreding) en het overtreden voorschrift;

    • b.

      zo nodig de aanduiding van de plaats waar en het tijdstip waarop de boetewaardige gedraging is geconstateerd;

    • c.

      de naam van de belanghebbende die de boetewaardige gedraging heeft verricht;

    • d.

      het bedrag van de bestuurlijke boete die moet worden betaald;

    • e.

      de termijn waarbinnen de betaling moet plaatsvinden.

  • 2. Het dagelijks bestuur start de invordering gelijktijdig met de afgifte van het boetebesluit en hanteert daarbij de in artikel 4:87 van de Awb genoemde betalingstermijn van zes weken.

  • 3. Het gelijktijdig met het boetebesluit afgegeven invorderingsbesluit omvat in ieder geval de volgende punten:

    • a.

      de hoogte van (het saldo van) de boetevordering;

    • b.

      de betalingsverplichting om de bestuurlijke boete in zijn geheel te voldoen;

    • c.

      de betalingstermijn en de datum waarop de betalingsverplichting in gaat;

    • d.

      en – indien de belanghebbende een uitkering ontvangt van het dagelijks bestuur – de vermelding

    • e.

      dat tot verrekening als bedoeld in artikel 21, hoofdstuk 2 van deze uitvoeringsregels wordt overgegaan, alsmede de hoogte van het bedrag van verrekening;

    • f.

      dat de kosten als bedoeld in artikel 20, hoofdstuk 2 van deze uitvoeringsregels aan belanghebbende worden doorberekend indien moet worden overgegaan tot beslaglegging als bedoeld in artikel 31, hoofdstuk 2 van deze uitvoeringsregels

Artikel 58 Verrekening bij belanghebbende met uitkering van de ISD Bollenstreek
  • 1. Het dagelijks bestuur gaat indien mogelijk meteen na afgifte van het boetebesluit over tot verrekening van de bestuurlijke boete met een door het dagelijks bestuur verstrekte algemene bijstandsuitkering PW of een uitkering in het kader van de IOAW of IOAZ.

  • 2. Indien de belanghebbende een uitkering van het dagelijks bestuur ontvangt en zowel een bestuurlijke boete als een of meer fraude- of niet-fraudevorderingen26 is verschuldigd aan het dagelijks bestuur, verrekent het dagelijks bestuur de bestuurlijke boete in beginsel bij voorrang met de in het eerste lid bedoelde uitkering van belanghebbende.

Artikel 59 Kwijtschelding bestuurlijke boete bij medewerking schuldregeling
  • 1. Het dagelijks bestuur scheldt de boete geheel of gedeeltelijk kwijt bij medewerking aan een schuldregeling indien:

  • a. belanghebbende hierom verzoekt; en

  • b. ten aanzien van de overtreding waarvoor de boete is opgelegd, geen sprake is geweest van opzet

  • 2. of grove schuld; en

  • c. is gebleken dat belanghebbende binnen 1 jaar nadat de boete is opgelegd, niet nogmaals een overtreding wegens eenzelfde gedraging heeft begaan.

  • 3. Het dagelijks bestuur trekt het in het eerste lid bedoelde besluit tot kwijtschelding in of wijzigt dit besluit ten nadele van belanghebbende aan wie de bestuurlijke boete is opgelegd, indien belanghebbende binnen 5 jaar na het besluit tot kwijtschelding opnieuw een overtreding wegens eenzelfde gedraging begaat.

Artikel 60 Schakelbepaling

De artikelen 22 tot en met 31 van hoofdstuk 2 uit deze uitvoeringsregels zijn van overeenkomstige toepassing op de bestuurlijke boete. In de gevallen dat daar een onderscheid wordt gemaakt tussen fraudevorderingen en niet-fraudevorderingen, geldt voor de bestuurlijke boete hetgeen is bepaald voor fraudevorderingen.

Artikelsgewijze toelichting

Toelichting op artikel 46

In het tweede lid zijn de begrippen die niet zijn omschreven in de PW, IOAW, IOAZ of Awb, of die verduidelijkt moeten worden, omschreven:

  • j.

    B enadelingsbedrag

    Dit is het bedrag dat de belanghebbende als gevolg van de schending van de inlichtingenplicht ten onrechte of tot een te hoog bedrag heeft ontvangen. Een terugvordering en een verrekening kan behoren tot het bedrag dat ten onrechte is ontvangen door de klant. Verrekening vindt immers alleen plaats, als de klant ten onrechte bijstand heeft ontvangen.

    • -

      Bij de PW gaat het om een nettobedrag, waarbij ook onterecht verleende bijzondere bijstand (waaronder de individuele inkomenstoeslag) meetelt (art. 18a lid 2 PW).

    • -

      Bij de IOAW en de IOAZ gaat het om het brutobedrag (het betreft bruto-uitkeringen), zonder de door het dagelijks bestuur verschuldigde sociale premies (art. 20a lid 2 IOAW/IOAZ).

  • i.

    fictieve draagkracht

    Voor de bepaling van de fictieve draagkracht bij personen met een inkomen op bijstandsniveau, hoeft niet inhoudelijk gekeken te worden naar de berekening van de beslagvrije voet conform art. 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Uit een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat rekening dient te worden gehouden met een beslagvrije voet van 95% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm (ECLI:NL:CRVB:2020:1525). Uit vaste rechtspraak volgt dat onder de toepasselijke bijstandsnorm voor de berekening van de fictieve draagkracht ook de kostendelersnorm wordt begrepen (ECLI:NL:CRVB:2019:866).

Toelichting op artikel 47

  • 1.

    Voldoet een belanghebbende niet (behoorlijk) aan zijn inlichtingenverplichting, dan moet het dagelijks bestuur een straf opleggen in de vorm van een bestuurlijke boete (of aangifte doen; strafrechtelijke afdoening). Deze verplichting om een bestuurlijke boete op te leggen, is opgenomen in artikel 18a PW en artikel 20a van de IOAW en de IOAZ. Het boeteregime van artikel 18a PW is ook van toepassing op aanvragen/verstrekkingen op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Het Bbz 2004 is namelijk gebaseerd op art. 78f PW. Vanaf 1 januari 2021 is art. 18a PW ook van toepassing op aanvragen Studietoeslag zoals opgenomen in art. 36b PW.

  • 2.

    De inlichtingenplicht wordt behoorlijk nagekomen als belanghebbende:

    • -

      op verzoek; of

    • -

      onverwijld uit eigen beweging;

mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

In artikel 17 lid 1 Pw (inlichtingenplicht) wordt genoemd dat een belanghebbende ‘op verzoek of onverwijld’ mededeling doet van de relevante feiten en omstandigheden, etc. Belangrijk hierbij is het begrip onverwijld. Dit begrip is niet nader aangeduid in de wet of jurisprudentie, meestal volgt dit uit de werkwijze van een gemeente zelf. Binnen de ISD Bollenstreek wordt in de praktijk veelal gekeken naar het moment waarop de informatie voor belanghebbende redelijkerwijs beschikbaar (of bekend) had kunnen zijn.

Daaruit volgt dat de beoordeling of iets onverwijld is doorgegeven, maatwerk is. Gedacht kan worden aan een termijn van maximaal 5 werkdagen na het moment waarop belanghebbende had kunnen beschikken over de informatie, om de inlichtingen door te geven.

Toelichting op artikel 48

  • 1.

    De CRvB heeft in zijn uitspraak van 24 november 2014 beslist dat een bestuursorgaan bij het opleggen en toetsen van de boete in het individuele geval vol moet toetsen aan de evenredigheid (art. 5:46, tweede lid, van de Awb). Het gaat dan om: de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van het geval. Deze worden in de volgende artikelen nader uitgewerkt.

  • 2.

    In de Nota van toelichting bij het Boetebesluit is opgenomen dat de ernst van de overtreding in beginsel wordt afgemeten aan de hoogte van het benadelingsbedrag. Het benadelingsbedrag is daarmee een belangrijke basis voor het bepalen van de hoogte van de boete.

  • 3.

    De hoogte van de boete is afhankelijk van de verwijtbaarheid. Dit staat in artikel 2 Boetebesluit socialezekerheidswetten.

    • -

      sub a: Opzet is het willens en wetens handelen of nalaten in strijd met de inlichtingenplicht. Hierbij wordt willens en wetens de kans aanvaard dat het handelen of nalaten tot gevolg heeft dat de beboetbare gedraging wordt begaan.

    • -

      sub b: Grove schuld is een laakbaarheid, aan opzet grenzende mate van verwijtbaarheid en omvat mede grove onachtzaamheid.

    • -

      sub c: Bij het ontbreken van opzet of grove schuld wordt normale verwijtbaarheid aangenomen.

    • -

      sub d: In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid als sprake is van omstandigheden van sociale, psychische of medische aard waardoor de overtreding niet volledig was aan te rekenen aan belanghebbende. Dan wel bij onvoorziene en ongewenste omstandigheden, waardoor betrokkene feitelijk niet in staat was zijn verplichtingen na te (doen) komen. In artikel 2a lid 2 van het Boetebesluit sociale zekerheidswetten staan een aantal situaties waarin in ieder geval voldaan wordt aan de criteria van verminderde verwijtbaarheid:

Art. 2a lid 2 Boetebesluit sociale zekerheidswetten

  • a.

    de betrokkene verkeerde in onvoorziene en ongewenste omstandigheden, die niet tot het normale levenspatroon behoren en die hem weliswaar niet in de feitelijke onmogelijkheid brachten om aan de inlichtingenverplichting te voldoen, maar die emotioneel zo ontwrichtend waren dat hem niet volledig valt toe te rekenen dat de inlichtingen niet tijdig of volledig zijn verstrekt;

  • b.

    de betrokkene verkeerde in een zodanige geestelijke toestand dat hem de overtreding niet volledig valt aan te rekenen;

  • c.

    de betrokkene heeft wel inlichtingen verstrekt, die echter onjuist of onvolledig waren, of heeft anderszins een wijziging van omstandigheden niet onverwijld gemeld, maar uit eigen beweging alsnog de juiste inlichtingen verstrekt voordat de overtreding is geconstateerd, tenzij de betrokkene deze inlichtingen heeft verstrekt in het kader van toezicht op de naleving van een inlichtingenverplichting;

  • d.

    de overtreding van de inlichtingenverplichting of de hoogte van het benadelingsbedrag is mede te wijten aan het bestuursorgaan dat bevoegd is de bestuurlijke boete op te leggen, of

  • e.

    er is sprake van een samenloop van omstandigheden die elk op zich niet, maar in hun onderlinge samenhang beschouwd wel leiden tot verminderde verwijtbaarheid.

Genoemd artikel is niet limitatief. Het is dus mogelijk dat er op grond van individuele omstandigheden die niet zijn genoemd in artikel 2a van het Boetebesluit sociale zekerheidswetten, toch verminderde verwijtbaarheid kan worden aangenomen. Dit zal per geval moeten worden beoordeeld (maatwerk). Om die reden is ervoor gekozen om (vooralsnog) – naast de in genoemd Boetebesluit vermelde criteria – geen aanvullende uitvoeringsregels vast te stellen over verminderde verwijtbaarheid.

Toelichting op artikel 49

Als sprake is van recidive bedraagt de bestuurlijke boete maximaal 150% van het benadelingsbedrag. Dit staat in artikel 18a, vijfde lid PW, artikel 20a, eerste lid IOAW / IOAZ.

Het dagelijks bestuur kan dus geen hogere, maar desgewenst wel een lagere boete opleggen. In deze uitvoeringsregels is ervoor gekozen om de boete te berekenen over 150% van het benadelingsbedrag en hierbij rekening te houden met de mate van verwijtbaarheid conform artikel 3 lid 3 sub a tot en met d.

Voorbeeld: benadelingsbedrag is € 200,00. Er is sprake van recidive en normale verwijtbaarheid. De berekening is als volgt: € 200,00 x 150% = € 300,00. Omdat sprake is van normale verwijtbaarheid (art. 3 lid 1 sub c) wordt rekening gehouden met 50%: € 300,00 x 50% = € 150,00.

Maar ook bij recidive geldt dat de feitelijke boete lager kan uitvallen door de afstemming op de omstandigheden van persoon en gezin. En ook in dit geval kunnen dringende redenen betekenen dat wordt afgezien van het opleggen van een boete.

Wat is recidive?

Van recidive is sprake als binnen een bepaald tijdvak na de schending van de inlichtingenplicht – waarvoor een onherroepelijke sanctie / boete is opgelegd – een tweede of volgende schending van de inlichtingenplicht plaatsvindt binnen de PW, het Bijstandsbesluit zelfstandigen 2004 of IOAW / IOAZ.

Voornoemd tijdvak bedraagt in principe 5 jaar. Is dus een boete opgelegd en wordt vervolgens binnen 5 jaar na de datum van boeteoplegging opnieuw de inlichtingenplicht niet nagekomen (boetewaardige gedraging), dan is sprake van recidive. Is echter de eerdere schending van de inlichtingenplicht bestraft met (ondermeer) een onvoorwaardelijke gevangenisstraf (en die straf is onherroepelijk geworden), dan bedraagt het voornoemde tijdvak 10 jaar.

Zolang de eerdere boete/straf niet onherroepelijk is geworden (dus zolang er rechtsmogelijkheden openstaan tegen de boete/straf), kan niet worden gesproken over recidive bij een volgende schending van de inlichtingenplicht. Ook zogenaamde nulfraude wordt niet beschouwd als recidive. Wil sprake zijn van recidive dan moet bij beide schendingen van de inlichtingenplicht (de eerdere en de latere) sprake zijn van een benadelingsbedrag.

Toelichting op artikel 50

De CRvB heeft bepaald dat de boete niet hoger mag zijn dan de boete die de Strafrechter kan opleggen bij strafrechtelijke vervolging. Is sprake van opzet, dan is deze maximale boete veel hoger dan in andere gevallen27 . Dit is vanaf 1 januari 2017 ook opgenomen in artikel 18a, eerste lid, van de Participatiewet (en in artikel 20a, eerste lid, van de IOAW/IOAZ). Volledigheidshalve is dit hier herhaald.

De maximale hoogte van de boete wordt aangepast als het benadelingsbedrag hoger is dan 100/75 x

€ 8.700. Dat wil zeggen hoger dan € 11.600. Hoe hoog het maximale boetebedrag is hangt af van de mate van verwijtbaarheid. De berekening is opgenomen in de laatste kolom. Grondslag is artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 2 lid 7 van het Boetebesluit socialezekerheidswetten.

Is het benadelingsbedrag hoger dan € 11.600,- ? [100/75 x € 8.700,-]

 

Ja

Nee

Categorie verwijtbaarheid

Uitgangspunt max. boetehoogte

Uitgangspunt max. boetehoogte

Opzet

100% van benadelingsbedrag met max. van € 87.000,-

100% van het benadelingsbedrag

Grove schuld

€ 8.700,-

75% van het benadelingsbedrag

Normale verwijtbaarheid

€ 5.800,- [50/75 x € 8.700,-]

50% van het benadelingsbedrag

Verminderde verwijtbaarheid

€ 2.900,- [25/75 x € 8.700,-]

25% van het benadelingsbedrag

Voor de berekening in bovenstaande tabel is gerekend met bedragen op grond van artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze in 2020 gelden. De bedragen worden tweejaarlijks aangepast.

Toelichting op artikel 51

Artikel 18a, vierde lid van de PW en artikel 20a, vierde lid van de IOAW/IOAZ geeft de bevoegdheid aan het dagelijks bestuur om af te zien van een boete en een waarschuwing te geven bij nulfraude of bij een gering benadelingsbedrag (maximaal € 150,00). Van deze bevoegdheid wordt ten volle gebruik gemaakt. Ook kan een waarschuwing worden gegeven als een belanghebbende binnen 60 dagen zelf inlichtingen verstrekt, voordat het dagelijks bestuur de overtreding heeft geconstateerd. De waarschuwing is echter alleen mogelijk als belanghebbende in de afgelopen twee jaar niet eerder een waarschuwing heeft gehad. Dit is conform art. 2aa Boetebesluit socialezekerheidswetten.

Het boeteregime van artikel 18a PW is ook van toepassing op aanvragen/verstrekkingen op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Het Bbz 2004 is namelijk gebaseerd op art. 78f PW. Dat betekent ook dat – indien belanghebbende niet voldoet aan de verplichting om binnen 6 maanden administratie te overleggen (artikel 38, tweede lid, Bbz) – de boetebepalingen gelden. Onder bijstand wordt namelijk algemene bijstand, bijzondere bijstand en ook bedrijfskapitaal Bbz 2004 verstaan. Levert belanghebbende de administratie niet tijdig in, dan is sprake van een schending van de inlichtingenplicht.

Bij als leenbijstand verstrekte bijstand en de terugvordering daarvan indien de zelfstandige de jaarcijfers niet inlevert, zal dan ook de boete moeten worden beoordeeld. Het benadelingsbedrag is nihil omdat het leenbijstand betreft. De terugbetalingsverplichting bestond dan immers al, alleen de terugbetalingsgrondslag wijzigt van leenbijstand in een terugvordering. Het bedrag zelf wijzigt niet. Er is dus sprake van nulfraude.

Wanneer de inlichtingenplicht wordt geschonden tijdens de aanvraag van bijstand en de aanvraag wordt afgewezen of buiten behandeling gesteld, dan is ook sprake van een boetewaardige gedraging.

De verplichting om op verzoek of uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden te melden die van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering geldt direct vanaf de aanvraag. Dat betekent dat ook het niet verstrekken van voldoende of juiste gegevens bij de aanvraag een schending van de inlichtingenplicht tot gevolg heeft. Aangezien er niet teveel uitkering is uitbetaald, kan worden volstaan met een waarschuwing zolang de afgelopen twee jaar de inlichtingenplicht niet eerder is geschonden.

In lid 4 staat dat wordt afgezien van een waarschuwing indien belanghebbende langer dan 1 jaar geen uitkering meer ontvangt, er geen sprake is van een benadelingsbedrag, de overtreding van de inlichtingenplicht niet voort komt uit opzet of grove schuld en de boetewaardige gedraging zich niet binnen 2 jaar na de eerdere waarschuwing of boete voordoet.

Toelichting op artikel 52

  • 1. In januari 2016 is gesteld dat de boete zodanig afgestemd moet worden op de draagkracht dat deze binnen een redelijke termijn afgelost moet kunnen worden (ECLI:NL:CRVB:2016:9).De duur van de redelijke termijn is afhankelijk van de mate van verwijtbaarheid. Per 1 januari 2017 is deze indeling in de mate van verwijtbaarheid opgenomen in artikel 2 van het Boetebesluit.

    De CRvB heeft uitgesproken28 dat de boete moet worden gematigd tot een bedrag dat binnen een redelijke termijn kan worden afgelost. De duur van deze redelijke termijn is afhankelijk van de mate van verwijtbaarheid. In het derde lid is aangegeven wat de redelijke termijn is bij de verschillende mates van verwijtbaarheid (opzet, grove schuld, ‘normale’ verwijtbaarheid en verminderde verwijtbaarheid).

  • 2. Uit uitspraken van de CRvB en uit het Boetebesluit blijkt dat van de in artikel 3 en 4 genoemde uitgangspunten kan worden afgeweken, indien de omstandigheden van het geval dat nodig maken.

    • a.

      Als belanghebbende in het kader van de boeteprocedure een beroep doet op zijn financiële omstandigheden en inzicht geeft in die omstandigheden of wanneer belanghebbende nog steeds een uitkering (PW/IOAW/IOAZ) ontvangt, dan zal het dagelijks bestuur zich ervan moeten vergewissen dat de boete, gelet op de draagkracht van belanghebbende, geen onevenredige gevolgen heeft voor belanghebbende. Dit volgt uit de Nota van toelichting van het Boetebesluit (blz. 8). Daarbij moet volgens de Hoge Raad en de CRvB29 rekening worden gehouden met de draagkracht ten tijde van het besluit tot het opleggen van de boete.

    • b.

      Onder financiële draagkracht wordt daarbij niet alleen het inkomen verstaan, maar ook het vermogen, met inbegrip van het vermogen onder de vermogensgrens (van artikel 34 lid 3 PW)30 . In de praktijk zullen personen met een uitkering PW/IOAW/IOAZ alleen inzicht hoeven te geven in hun actuele vermogen (hun bijstandsinkomen is immers al bekend). Personen die geen uitkering PW/IOAW/IOAZ meer ontvangen, zullen zowel hun actuele inkomen als vermogen inzichtelijk moeten maken.

  • 4. Wat betreft het inkomen, wordt bij het bepalen van de hoogte van de boete – conform de uitspraak van de CRvB – rekening gehouden met de ‘fictieve draagkracht’: dat is de voor beslag vatbare ruimte, berekend op basis van de beslagvrije voet als bedoeld in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (artikel 475d Rv). Er wordt dus uitgegaan van de beslagvrije voet verhoogd met de (individuele) correcties/ verhogingen bedoeld in artikel 475d Rv. De CRvB heeft bepaald dat - anders dan kan worden afgeleid uit eerdere rechtspraak - voor de bepaling van de fictieve draagkracht bij personen met een inkomen op bijstandsniveau in beginsel steeds 5% van de bijstandsnorm moet worden aangehouden (CRvB ECLI:NL:CRVB:2020:1878). Er hoeft dus niet inhoudelijk te worden gekeken naar de berekening van de beslagvrije voet op grond van de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (art. 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

    De CRvB heeft geen uitspraak gedaan over draagkracht in relatie tot de boete bij recidive. In deze uitvoeringsregels is het uitgangspunt dat de recidiveboete wat betreft draagkracht op dezelfde manier wordt bepaald als de boete bij een eerste overtreding. Er gelden op dit punt dus geen aanvullende/afwijkende regels bij recidive.

Toelichting op artikel 53

Als sprake is van dringende redenen, dan kan het dagelijks bestuur afzien van het opleggen van een boete. Deze bevoegdheid staat in artikel 18a, zevende lid onder b van de PW en artikel 20a, zevende lid onder b van de IOAW/IOAZ.

Van dringende redenen is sprake als de oplegging van de boete leidt tot onaanvaardbare gevolgen voor de belanghebbende op het moment van het opleggen van de boete (toetsing ex nunc).

Van dringende redenen zal overigens niet snel sprake zijn. Er moet iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand zijn in een individueel geval waardoor boeteoplegging voor de belanghebbende (en met name voor diens minderjarige gezinsleden) tot onaanvaardbare consequenties zouden leiden. Vast dient te staan dat sprake is van een incidenteel geval en dat de behoeftige omstandigheden waarin de (mede) belanghebbende minderjarige gezinsleden verkeren op geen enkele wijze zijn te verhelpen, zodat afzien van boeteoplegging in deze vorm volstrekt onvermijdelijk is. Het ontbreken van voldoende middelen om in het bestaan te voorzien, is op zich geen voldoende voorwaarde om te kunnen spreken van dringende redenen. (Citaten uit: Memorie van Toelichting en de Nota n.a.v. het verslag bij Wetsvoorstel Wet aanscherping, nr. 33 207).

Alhoewel deze bepaling al in de formele wet staat, is deze uit het oogpunt van overzichtelijkheid en duidelijkheid ook opgenomen in deze uitvoeringsregels.

Toelichting op artikel 54

De schending van de inlichtingenplicht in de PW/IOAW/IOAZ kan zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk worden gesanctioneerd. Gelet op het una via-beginsel moet in elke zaak een keus gemaakt worden tussen één van beide stelsels. Om richting te geven aan die keus heeft het Openbaar Ministerie de ‘Aanwijzing sociale zekerheidsfraude’ bekendgemaakt. Formeel heeft deze Aanwijzing alleen werking richting het Openbaar Ministerie. Via dit artikel wordt aangesloten bij de richtlijnen die worden genoemd in de Aanwijzing.

Hoofdregel van de Aanwijzing31 is:

  • -

    dat bij een benadelingsbedrag van € 50.000 of hoger in beginsel de strafrechtelijke weg bewandeld.

  • -

    Bij een lager benadelingsbedrag dan € 50.000 wordt in beginsel de bestuursrechtelijke weg (boete) gevolgd. In de Aanwijzing staan echter een aantal uitzonderingen opgesomd, waarbij toch de strafrechtelijke weg wordt gevolgd. Een belangrijke uitzondering is dat bij recidive (wanneer binnen een periode van vijf jaar nadat een onherroepelijke boete is opgelegd opnieuw de inlichtingenplicht is geschonden) de strafrechtelijke weg wordt bewandeld wanneer de benadelingsbedragen van de eerdere gedraging en de recidivegedraging bij elkaar opgeteld € 20.000 of meer bedragen.

Wordt de strafrechtelijke weg bewandeld, dan moet aangifte worden gedaan. In dat geval wordt geen boete opgelegd. Zou het Openbaar Ministerie de zaak seponeren en gaat het Openbaar Ministerie niet over tot strafvervolging, dan kan daarna in beginsel alsnog een boete worden opgelegd. Dat kan niet als de rechter uitspraak heeft gedaan (ook niet als er volgens die uitspraak geen straf wordt opgelegd).

Toelichting op artikel 55

In artikel 5:53 Awb is geregeld dat het dagelijks bestuur een rapport (onder de aangiftegrens van

€ 50.000) of proces-verbaal (boven de aangiftegrens) moet maken van de overtreding (van de schending van de inlichtingenplicht) als daarvoor een boete van meer dan € 340 kan worden opgelegd. Eveneens is hier geregeld dat in dat geval de belanghebbende overtreder in de gelegenheid moet worden gesteld om zijn zienswijze naar voren te brengen. Dit is de zogenaamde ‘zware procedure’.

Bedraagt de boete € 340 of minder dan is deze ‘zware procedure’ geen verplichting, maar een bevoegdheid (artikel 5:48 Awb juncto artikel 5:53 Awb). Een rapport / proces-verbaal is dan niet verplicht en ook de zienswijze is niet verplicht. Dit is de zogenaamde ‘lichte procedure’.

Uit het oogpunt van uitvoeringslasten/efficiëncy is ervoor gekozen om als regel te kiezen voor de ‘lichte procedure’ als de boete € 340 of minder bedraagt. Indien het om bepaalde redenen echter toch noodzakelijk wordt geacht om wel een rapport/proces-verbaal te maken en gelegenheid tot het geven van de zienswijze te bieden, dan is dat op grond van het derde lid mogelijk.

Vervaltermijn

Overigens vervalt de bevoegdheid om een boete op te leggen indien de maximale boete voor de desbetreffende overtreding € 340 of minder bedraagt twee jaar nadat de overtreding heeft plaatsgevonden. In alle andere gevallen (hogere boete) is de vervaltermijn vijf jaar (artikel 5:45 Awb).

(Let op! Deze termijnen gaan over het opleggen van de boete, niet over het invorderen van de boete. De verjaringstermijn bij invordering is geregeld in artikel 4:104 Awb ).

Toelichting op artikel 56

De in lid 1 genoemde 13 weken is een termijn van orde. In deze uitvoeringsregels worden nadere regels opgesteld om een boete te matigen als de termijn wordt overschreden. Dit is conform jurisprudentie: (ECLI:NL:CRVB:2017:2368), (ECLI:NL:CRVB:2018:920).

Toelichting op artikel 57

In dit artikel staat wat in ieder geval in het boete- en invorderings-besluit moet worden vermeld en dat invordering gelijktijdig met de bekendmaking van het boetebesluit start. Dit artikel herhaalt de wettelijke eisen die worden gesteld aan het boetebeschikking (art. 5:9 Awb en art. 5:52 Awb.

Omdat de boete een bestuursrechtelijke geldschuld creëert, gelden ook de eisen van artikel 4:86 Awb e.v. (Titel 4.4 van de Awb). Volgens art. 4:87 Awb geldt een betalingstermijn van tenminste 6 weken. In het tweede lid van dit artikel is de betalingstermijn bepaald op deze minimum termijn. In de beschikking moet worden vermeld wanneer de betalingsverplichting ingaat. En uiteraard wat het saldo van de vordering is. Wanneer belanghebbende een uitkering ontvangt van het dagelijks bestuur wordt eveneens vermeld dat tot verrekening wordt overgegaan (conform artikel 11) en de hoogte van het bedrag van de verrekening (art. 4:93, tweede lid van de Awb).

In het derde lid is vermeld welke informatie in ieder geval in de invorderingsbeschikking staat.

Eventueel kan er daarnaast – afhankelijk van de situatie – uiteraard altijd ook nog aanvullende informatie in het boete- en/of invorderingsbesluit worden vermeld. Bijvoorbeeld:

  • a.

    de mogelijkheid voor belanghebbende om binnen 6 weken na verzenddatum van de beschikking als bedoeld in artikel 4.87 van de Awb een betalingsregeling te treffen (dit zal aan de orde kunnen zijn indien belanghebbende géén uitkering van het dagelijks bestuur ontvangt). Ontvangt belanghebbende wel een uitkering, dan zal het dagelijks bestuur de vordering verrekenen met de uitkering);

  • b.

    wat de (rechts)gevolgen zijn bij niet (tijdige) nakoming van de betalingsverplichting. Bijvoorbeeld de mogelijkheid van invordering bij dwangbevel na aanmaning en dat invorderingskosten voor rekening van de belanghebbende kunnen worden gebracht. Deze rechtsgevolgen zijn ondermeer beschreven in afdeling 4.4.2 Awb over verzuim en wettelijke rente en afdeling 4.4.4 over aanmaning en invordering bij dwangbevel (ook het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bieden incassomaatregelen);

  • c.

    ook zou vermeld kunnen worden dat het aangaan van nieuwe schuldverplichtingen (uiteraard) niet leidt tot een nieuwe vaststelling van een opgelegde betalingsverplichting (tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden).

Toelichting op artikel 58

  • 1.

    Voor zover de belanghebbende na afgifte van het boetebesluit een algemene bijstandsuitkering PW of een uitkering IOAW of IOAZ ontvangt, geldt voor boetebesluiten (en fraudevorderingen) die zijn ontstaan na 1 januari 2013 een wettelijke verrekeningsplicht.

    Ontvangt de belanghebbende dus een uitkering voor levensonderhoud van de ISD Bollenstreek, dan is het dagelijks bestuur verplicht om de boete te verrekenen met deze uitkering (PW, IOAW/IOAZ, Bbz 2004). Dit staat in artikel 60, vierde lid van de PW en artikel 28, tweede lid IOAW/IOAZ. De in de boetebeschikking genoemde betalingstermijn verhindert dit niet. Ook een (eventueel) geboden uitstel van betaling doet niets af aan de verplichting tot verrekening (dat staat in artikel 4:93, vijfde lid van de Awb).

    Bij de verrekening moet de beslagvrije voet in acht worden genomen. Het inkomen boven de beslagvrije voet wordt verrekend met de boete.

  • 2.

    Het tweede lid regelt de situatie dat er sprake is van zowel een terugvordering als een boete. Met welke geldschuld worden de ingehouden betalingen in dat geval verrekend?

    Er is voor gekozen om de verrekening in beginsel eerst op de boete af te lossen. De boete is namelijk een concurrente vordering c.q. een niet-preferente vordering. Wordt de uitkering beëindigd en moet de boete anderszins worden geïncasseerd, dan zal invordering van de boete kunnen worden ‘weggedrukt’ door de preferente schulden. Bijv. belastingschulden. Ook terugvorderingen PW/IOAZ/IOAZ zijn preferent (art. 60 lid 7 PW en art. 30 lid 1 IOAW/IOAZ).

    Door de woorden ‘in beginsel’ is er echter ruimte gelaten of af te kunnen wijken van de regel dat eerst de boete moet worden verrekend. Zo kan er bijvoorbeeld voor worden gekozen om in een kalenderjaar toch eerst te verrekenen met de (netto) terugvordering en nog niet met de boete, om zo brutering van die vordering per 1 januari van het volgende kalenderjaar te voorkomen/te beperken.

Toelichting op artikel 59

Anders dan bij terugvordering van fraudevorderingen (in art. 58 lid 7 PW en art. 25 lid 6 IOAW/IOAZ) was het dagelijks bestuur niet bevoegd om af te zien van (verdere) invordering van de boete. Kwijtschelding van (een deel van) de boete was dus niet mogelijk.

Vanaf 1 januari 2017 geldt dat kwijtschelding van de boete bij medewerking aan een schuldregeling – onder bepaalde voorwaarden – wel mogelijk is als belanghebbende hierom verzoekt.

Dit is geregeld in artikel 18a, dertiende lid, van de PW en artikel 20a, twaalfde lid, van de IOAW/IOAZ.

Er moet geen sprake zijn geweest van opzet of grove schuld bij de overtreding die heeft geleid tot de boete. Daarnaast geldt dat moet zijn gebleken dat belanghebbende niet nogmaals een overtreding van de inlichtingenplicht heeft begaan binnen een jaar nadat de boete is opgelegd. Daarbij gaat het niet altijd alleen om de inlichtingenverplichting op grond van dezelfde wet, maar het kan ook gaan om overtreding van de inlichtingenverplichting op grond van een andere uitkeringswet.

Het mogelijk maken van kwijtschelding, betekent dat een belanghebbende uitzicht heeft op een schone lei na het goed doorlopen van een schuldregeling. Dit kan belanghebbende extra motiveren om de schuldregeling conform de afspraken te (blijven) volgen.

Toelichting op artikel 60

Wat betreft invordering zijn de artikelen 22 tot en met 32 van hoofdstuk 2 van deze uitvoeringsregels van overeenkomstige toepassing op de bestuurlijke boete.

In die artikelen is ondermeer de vaststelling van de hoogte van het te verrekenen bedrag geregeld. Verder is in die artikelen de bevoegdheid tot het treffen of wijzigen van een minnelijke betalings-regeling (aflossingsregeling) met de belanghebbende aan de orde. Ook de periodieke beoordeling van de betalingsverplichting en de gevolgen wanneer belanghebbende niet (meer) voldoet aan de betalingsverplichting zijn in genoemde artikelen geregeld. En er is vastgesteld dat de vordering wordt verhoogd met wettelijke rente en invorderingskosten indien de invordering is overgedragen aan een gerechtsdeurwaarder.

In enkele van de genoemde artikelen van de Uitvoeringsregels terug- en invordering PW, IOAW en IOAZ wordt overigens een onderscheid gemaakt tussen fraudevorderingen en niet-fraudevorderingen (overige vorderingen). In die gevallen geldt voor de bestuurlijke boete hetgeen is bepaald voor de fraudevorderingen (c.q. in die gevallen wordt de bestuurlijke boete als ‘fraudevordering’ aangemerkt).

Hoofdstuk 5 Uitvoerende uitvoeringsregels debiteuren Bbz

Inleiding

Het voorheen verplichte karakter van terugvordering in het Bbz 2004 is met ingang van 1 januari 2020 vervallen. Op grond van artikel 58 Participatiewet hebben gemeenten nu de bevoegdheid om de kosten van bijstand terug te vorderen, daarom is beleid op dit gebied noodzakelijk.

De lijn van de Participatiewet houden wij aan, naar vaste jurisprudentie; teveel verstrekte bijstand wordt teruggevorderd.

Dat is aan de orde als de verleende bijstand voor levensonderhoud, vermeerderd met het in het boekjaar behaalde netto inkomen, meer is dan de jaarnorm. Het verschil tussen het inkomen en de jaarnorm wordt dan teruggevorderd.

Als bijstand ter voorziening in bedrijfskapitaal is verstrekt, geldt dat de terugbetalingsafspraken al zijn vastgelegd in de beschikking aan de belanghebbende. Als de afspraken niet worden nagekomen, en na twee aanmaningen nog steeds niet, wordt de bijstand wel teruggevorderd.

Uit uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat een bestuursorgaan bij de uitoefening van die bevoegdheid wel rekening moet houden met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder met het beginsel van een redelijke belangenafweging (artikel 3:4 van de Awb) en met het rechtzekerheidsbeginsel.

Nadrukkelijk worden de volgende uitgangspunten in ogenschouw genomen:

Hoofdregel is dat een schuld (een lening) volledig moet worden terugbetaald. Eigen verantwoordelijkheid van de belanghebbende staat voorop.

Echter: altijd rigide vasthouden aan deze hoofdregel kan betekenen dat klanten (financieel) in de knel komen. Met name via de bepalingen over verlening van uitstel van betaling (art.15), kwijtschelding (art.18) en onderzoek naar de afloscapaciteit (art. 9 lid 7) is dan ook geprobeerd een goede balans te vinden tussen de belangen van de ISD als schuldeiser enerzijds en de belangen van de klant als schuldenaar anderzijds.

De ISD dient immers een maatschappelijk (economisch) belang indien zij de belangen van de burger als debiteur nadrukkelijk in haar besluitvorming betrekt. Met name ook bezien vanuit die invalshoek is het zaak om oog te hebben voor de persoonlijke situatie van de debiteur.

Ook vanuit het oogpunt van efficiency en effectiviteit zijn beleidsmatig keuzes gemaakt. In de bepalingen betreffende het zogenaamde kruimelbedrag (art.8 lid 2 ) en het buiten invordering stellen van de vordering (art.12.) laat zich dat bijvoorbeeld heel expliciet voelen. Bij de opmaak van de uitvoeringsregels is in die zin ook telkens een kosten-baten-analyse gemaakt: welke inspanning en activiteiten zijn reëel en gewenst om te komen tot de invordering van schulden?

De uitvoerende uitvoeringsregels Bbz zijn in oktober 2020 reeds vastgesteld in het Dagelijks Bestuur. Deze uitvoeringsregels zijn opgenomen in de integrale uitvoeringsregels debiteuren, met enkele kleine wijzigingen. Dit hoofdstuk is aangepast op (het anticiperen op) de Wet Vereenvoudiging Beslagvrije Voet, en de mogelijkheid tot afzien van terugvordering bij kruimelbedrag is in lijn gebracht met de bepalingen in het hoofdstuk Pw.

§ 5.1

Algemeen

Artikel 61 Algemene verwijzing

Alle begrippen die in dit hoofdstuk worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, het Bijstandsbesluit zelfstandigen 2004 en de Algemene wet bestuursrecht.

§ 5.2

Terugvordering bijstand ingevolge het Bbz 2004

Artikel 62 Algemeen

Het dagelijks bestuur maakt gebruik van de bevoegdheid tot:

  • 1.

    Het herzien of intrekken van het toekenningsbesluit ingevolge artikel 54 van de wet.

  • 2.

    Het terugvorderen van ten onrechte verleende bijstand of uitkering zoals neergelegd in de artikelen 58 tot en met 60 van de wet.

  • 3.

    Het terugvorderen van bijstand of bedrijfskapitaal zoals neergelegd in de artikelen 58 tot en met 60 van de wet.

Artikel 63 Terugvordering

Bijstand of bedrijfskapitaal wordt teruggevorderd in de gevallen zoals vermeld in deze uitvoeringsregels. Terugvordering van bijstand en bedrijfskapitaal verstrekt op grond van het Bbz 2004 vindt plaats op grond van artikel 58 PW en artikel 12 lid 2 sub c, artikel 39 en de artikelen 41 tot en met 43 Bbz 2004.

Artikel 64 Ten onrechte verleende bijstand
  • 1. Het dagelijks bestuur vordert de kosten van bijstand en/of bedrijfskapitaal terug van de belanghebbende voor zover deze bijstand:

    • a.

      Ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend als gevolg van:

    • b.

      Het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichtingen, bedoeld in artikel 17 van de wet;

    • c.

      Het niet nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 38, eerste en tweede lid; of

    • d.

      Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, in het geval het bijstand in de met de voorbereiding samenhangende kosten betreft.

    • e.

      In de vorm van een geldlening is verleend en de uit de geldlening voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk worden nagekomen.

    • f.

      Ingevolge artikel 52 van de wet bij wijze van voorschot is verleend en nadien is vastgesteld dat geen recht op bijstand bestaat.

    • g.

      Anderszins onverschuldigd is betaald en voor zover de belanghebbende dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen, of

    • h.

      Anderszins onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat:

  • 1. De belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend, over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 van de wet beschikt of kan beschikken.

  • 2. Bijstand is verleend met een bepaalde bestemming en naderhand door de belanghebbende vergoedingen of tegemoetkomingen worden ontvangen met het oog op die bestemming.

  • 2. De door de gemeente gedane afdracht van loonheffing bij de toepassing van artikel 12 lid 2 Bbz 2004 wordt teruggevorderd.

  • 3. Terugvordering als bedoeld onder het eerste lid onder e van dit artikel, vindt niet plaats, als de betreffende kosten zijn gemaakt meer dan twee jaar voor de datum van verzending van het besluit tot terugvordering, mits de belastingaanslag over die periode al afgegeven en ingeleverd is.

Artikel 65 Terugvordering van verstrekt bedrijfskapitaal

Het dagelijks bestuur stelt het bedrijfskapitaal, dat is toegekend op grond van artikel 20, 22, 24 en 26 Bbz 2004 opeisbaar en kan dit terugvorderen indien:

  • 1.

    Bedrijfskapitaal niet overeenkomstig de bestemming is besteed (art. 39 lid 2 sub a Bbz 2004).

  • 2.

    Er sprake is van bedrijfsbeëindiging of overdracht van het bedrijf (art. 39 lid 2 sub b Bbz 2004).

  • 3.

    Er sprake is van faillissement of surseance (art. 39 lid 2 sub c Bbz 2004).

Het dagelijks bestuur kan het bedrijfskapitaal dat is toegekend op grond van artikel 20, 22, 24 en 26 Bbz 2004 of de achterstanden in betaling aflossing en rente terugvorderen indien:

  • 1.

    De termijn van uitstel van aflossing en betaling van rente zoals genoemd in artikel 41 lid 2 is verlopen, zoals bepaald in artikel 41 lid 4.

  • 2.

    De financiële omstandigheden van de belanghebbende zodanig blijken te zijn dat deze geacht kan worden aan de verplichtingen te kunnen voldoen, dan kunnen de vanaf de vervaldatum achterstallige rente- en aflossingsbedragen terstond worden teruggevorderd. Indien hierbij sprake is van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming, is over de achterstallige rente- en aflossingsbedragen de wettelijke rente verschuldigd.

  • 3.

    Betrokkene ook na een tweede aanmaning niet aan zijn betalingsverplichting voldoet.

    Dit geldt ook voor bedrijfskapitaal verstrekt op grond van de artikelen 22 en 26 Bbz 2004 indien het vermogen meer bedraagt dan gesteld in artikel 3 Bbz 2004 en er geen bijstand “om niet” mogelijk is.

    De wettelijke rente is van toepassing over de teruggevorderde hoofdsom en renteachterstand (Awb art. 4:98 lid 1).

  • 4.

    Terugvordering vindt plaats bij alle partijen aan wie het bedrijfskapitaal is verstrekt en/of zich hoofdelijk aansprakelijk gesteld hebben voor de terugbetaling hoofdsom en de rente.

Artikel 66 Terugvordering van gezinsleden
  • 1. In beginsel wordt gebruik gemaakt van de bevoegdheid om de kosten van bijstand en bedrijfskapitaal terug te vorderen van meerderjarige gezinsleden (niet zijnde meerderjarige kinderen). Dit gebeurt in de situatie dat de bijstand aan een gezin is, of aan een gezin had moeten worden, verleend.

  • 2. Het bepaalde in artikel 6 van deze uitvoeringsregels blijft ook van toepassing.

    • -

      Van terugvordering van het meerderjarig gezinslid kan worden afgeweken als:

    • -

      er geen sprake is van schending van de inlichtingenplicht

    • -

      de terugvordering redelijkerwijs niet aan het meerderjarig gezinslid te wijten is

    • -

      er sprake is van dringende redenen

Artikel 67 Afzien van terugvordering

Het dagelijks bestuur kan gedeeltelijk of volledig van terugvordering afzien indien:

  • 1.

    het een terug te vorderen bedrag betreft dat 6 maanden na de ontvangst van een signaal dat verkregen is van belanghebbende nog is uitbetaald (de zogenaamde 6 maanden jurisprudentie)

  • 2.

    het bedrag van de terugvordering niet boven de € 125,00 netto per jaar ligt en:

    • -

      de terugvordering niet is ontstaan door een schending van de inlichtingenplicht en

    • -

      verrekening met een lopende uitkering niet mogelijk is

  • 3.

    door belanghebbende aannemelijk kan worden gemaakt dat- bij overschrijding van de vermogensgrens- over een gedeelte van de periode van de terugvordering wel uitkering levensonderhoud zou zijn verleend wanneer de door hem voor het verlenen of voorzetten van de uitkering van belang zijnde inlichtingen juist en volledig waren geweest.

  • 4.

    er sprake is van dringende redenen.

§ 5.3

Invordering van teruggevorderde bijstand ingevolge het Bbz 2004

Artikel 68 Verplichtingen met betrekking tot de invordering

Uitgangspunt is dat de belanghebbende de vordering ineens binnen de gestelde termijn van 6 weken moet voldoen (artikel 4:87 Awb).

  • 1.

    Op schriftelijk verzoek van belanghebbende kan de vordering in termijnen worden voldaan.

  • 2.

    De ISD Bollenstreek verricht onderzoek naar de hoogte van het inkomen en stelt naar aanleiding van de uitkomst de betalingsverplichting vast in een invorderingsbesluit.

  • 3.

    Indien de belanghebbende geen of onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek, dan is de vordering dan wel het restant van de vordering direct ineens opeisbaar.

  • 4.

    Het aflossingsbedrag, zoals medegedeeld in het invorderingsbesluit, geldt als een opgelegde betalingsverplichting.

  • 5.

    In het invorderingsbesluit staan de gevolgen van niet tijdige betaling vermeld.

  • 6.

    Invordering geschiedt bij alle partijen aan wie de bijstand (het bedrijfskapitaal) is verstrekt en/of zich hoofdelijk aansprakelijk gesteld hebben voor de terugbetaling hoofdsom en rente.

  • 7.

    Een onderzoek naar mogelijk gewijzigde financiële omstandigheden kan periodiek en signaal gestuurd worden uitgevoerd. Indien er sprake is van een bestaand bedrijf/zelfstandig beroep bij de belanghebbende is deze periode een periode van 12 maanden.

  • 8.

    De kosten van bijstand worden ingevorderd bij dwangbevel als niet aan de vastgestelde betalingsverplichting wordt voldaan. De invordering wordt dan overgedragen aan de deurwaarder.

  • 9.

    In geval van beslaglegging en/of het inschakelen van een deurwaarder zoals vermeld in dit artikel, wordt de vordering verhoogd met de invorderingskosten en met de wettelijke rente. De invorderingskosten worden vastgesteld op maximaal 15% van de openstaande vordering.

Artikel 69 Aflossingscapaciteit debiteuren met een bijstandsuitkering
  • 1. Als de debiteur een inkomen heeft op bijstandsniveau, bedraagt de aflossingscapaciteit, met inachtneming van de beslagvrije voet, maximaal 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm per maand, inclusief de vakantietoeslag32 . Verrekening met de uitkering vindt plaats op grond van artikel 60 PW.

  • 2. In geval van beslaglegging door een derde, kan de aflossingscapaciteit ingevolge de voorgaande leden voor alle vorderingen worden bepaald op de volledige beslagruimte, zoals aangegeven in artikel 475da e.v. van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Artikel 70 Beslaglegging
  • 1. Als de uitkering van de belanghebbende bij de ISD Bollenstreek is beëindigd en hij niet bereid is tot het treffen van een minnelijke betalingsregeling, of een eerder opgelegde betalingsverplichting niet of niet meer nakomt, dan wordt het terugvorderingsbesluit ten uitvoer gelegd door middel van een executoriaal beslag overeenkomstig de artikelen 479b tot en met 479g (behoudens artikel 479e lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) .

  • 2. Voor vorderingen kenbaar gemaakt vóór 1 juli 2009 wordt de in het eerste lid genoemde vorm van invordering direct in handen gegeven van de gerechtsdeurwaarder.

  • 3. Voor vorderingen kenbaar gemaakt op of na 1 juli 2009 wordt na betekening van het dwangbevel door de gerechtsdeurwaarder de vordering direct ter verdere incasso overgedragen aan diezelfde gerechtsdeurwaarder conform het gestelde in het eerste lid.

Artikel 71 Buiten invordering stellen van de vordering
  • 1. Het dagelijks bestuur kan besluiten de vordering, met inbegrip van de eventueel al in rekening gebrachte wettelijke rente en de invorderingskosten, buiten invordering te stellen indien:

    • a.

      de belanghebbende gedurende 10 jaar geen betalingen heeft verricht, waarvan belanghebbende de laatste 5 jaren is ´gevolgd´ door de incasserende instantie en het niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; b. er sprake is van dringende redenen.

Artikel 72 Afboeking van de vordering met inbegrip van de eventuele verhoging met de wettelijke rente en de invorderingskosten
  • 1. Van invordering of van verdere invordering kan worden afgezien indien:

    • a.

      de vordering is ontstaan als gevolg van een administratieve fout en belanghebbende redelijkerwijs niet had hoeven begrijpen dat er sprake was van een verkeerde berekening c.q. betaling;

    • b.

      de vordering niet langer afdwingbaar is;

    • c.

      de vordering als gevolg van verjaring of verval juridisch oninbaar blijkt.

Artikel 73 Inwerkingtreding van het besluit tot afzien van invordering wegens schuldenproblematiek

Naast hetgeen is bepaald in artikel 42 van het Bbz 2004 treedt het besluit tot het geheel of gedeeltelijk afzien van verdere invordering eerst in werking indien de schuldregeling daadwerkelijk tot stand komt.

§ 5.4

Uitstel van betaling

Artikel 74 Uitstel van betaling (art. 4:94 Awb, art 41 Bbz 2004)
  • 1. In het geval de belanghebbende om uitstel van betaling verzoekt dan kan deze zonder onderzoek door het dagelijks bestuur toegekend worden indien:

    • a.

      aan de belanghebbende in de periode van 24 maanden voor het verzoek niet eerder een uitstel van betaling is toegekend en;

    • b.

      het uitstel van betaling niet langer duurt dan drie maanden.

  • 2. In alle overige gevallen vindt onderzoek plaats.

  • 3. Voorts kan uitstel van betaling worden verleend indien er sprake is van zeer dringende redenen die het uitstel noodzakelijk maken.

  • 4. Gedurende het uitstel zal er niet worden aangemaand of ingevorderd.

  • 5. De bevoegdheid tot verrekening (art.4:93 Awb en art 60 Pw) blijft wel bestaan.

  • 6. De termijn waarvoor het uitstel geldt wordt vastgelegd in een beschikking tot uitstel van betaling. Aan deze beschikking kunnen voorwaarden worden verbonden, zoals een betalingsregeling of een verplichting tot het stellen van zekerheid (art. 4:94 Awb).

Artikel 75 Weigeren herziening of uitstel van betaling

1. Een verzoek tot uitstel van betaling kan in ieder geval worden afgewezen als:

  • a.

    medewerking van de belanghebbende naar het oordeel van het dagelijks bestuur onvoldoende is;

  • b.

    onjuiste gegevens worden verstrekt;

  • c.

    de gevraagde gegevens niet (volledig) binnen de daartoe gestelde termijn zijn verstrekt;

  • d.

    de gevraagde zekerheid niet wordt gesteld;

  • e.

    de waarde van vermogensobjecten in redelijkheid te gelde kunnen worden gemaakt teneinde daarmee de verschuldigde vordering te betalen;

  • f.

    de berekende aflossingscapaciteit zodanig is dat de schuld direct voldaan kan worden;

  • g.

    de betalingsregeling zich over een onaanvaardbare termijn uitstrekt;

  • h.

    de betalingsproblemen structureel zijn en een betalingsregeling geen uitkomst zal bieden;

  • i.

    belanghebbende reeds eerder een regeling heeft genoten, maar deze niet is nagekomen;

Artikel 76 Beschikking intrekken of wijzigen (art.4:96 Awb)

De beschikking tot uitstel van betaling kan worden ingetrokken of gewijzigd:

  • a.

    indien de voorschriften niet worden nageleefd;

  • b.

    indien onjuiste of onvolledige inlichtingen zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zouden hebben geleid;

  • c.

    voor zover veranderde omstandigheden zich verzetten tegen voortduring van het uitstel.

§ 5.5

Kwijtschelding

Artikel 77 Kwijtschelding na het voldoen aan betalingsverplichting
  • i. 1.Indien belanghebbende zijn bedrijf heeft beëindigd en zich gedurende vijf jaren heeft gehouden aan de aflossingsregeling als bedoeld in artikel 43 lid 2 Bbz 2004 kan het dagelijks bestuur op verzoek van belanghebbende besluiten tot kwijtschelding van de resterende schuld.

§ 5.6

Overige bepalingen

Artikel 78 Schorsende werking
  • 1. Het dagelijks bestuur kan de invordering opschorten in het geval van een bezwaar- of beroepschrift. Als de onmiddellijke invordering onevenredig belastend is voor de belanghebbende.

Artikel 79 Verzuim en aanmaning
  • 1. Indien belanghebbende in verzuim is, zoals bedoeld in artikel 4:97 van de Awb, wordt zo spoedig mogelijk na constatering van het verzuim een schriftelijke aanmaning verzonden waarin belanghebbende wordt gemaand om binnen twee weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de aanmaning is verzonden, tot betaling over te gaan (artikel 4:112 van de Awb).

  • 2. Indien belanghebbende niet reageert, wordt er een tweede en laatste aanmaning verzonden.

  • 3. De aanmaning vermeldt dat bij niet tijdige betaling deze zal worden afgedwongen door op kosten van de belanghebbende uit te voeren invorderingsmaatregelen (artikel 58, vierde lid van de Participatiewet, artikel 4:112, derde lid van de Awb).

Artikel 80 Rente en kosten
  • 1. Indien moet worden overgegaan tot indiening van de vordering bij de gerechtsdeurwaarder (vordering kenbaar gemaakt voor 1 juli 2009) dan wel tot betekening van het dwangbevel (vordering kenbaar gemaakt op of na 1 juli 2009) dan wordt de vordering vanaf het moment van indiening bij de gerechtsdeurwaarder respectievelijk vanaf het moment van betekening van het dwangbevel verhoogd met de wettelijke rente en de op de invordering toeziende kosten als bedoeld in het Besluit ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders (Btag) en het Besluit buitengerechtelijke kosten.

Artikelsgewijze toelichting op Hoofdstuk 5 Bbz

Toelichting op artikel 61

In artikel 1 wordt bij het beschrijven van de begrippen die in de verordening voorkomen zoveel als mogelijk aangesloten bij de begripsbepalingen uit de Participatiewet, het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 en de Algemene wet bestuursrecht.

Toelichting op artikel 62

Deze bepaling maakt duidelijk hoe de beleidsruimte aangaande terugvordering wordt ingevuld. Voor invulling wordt gebruik gemaakt van de bevoegdheid tot terugvorderen, als daar reden voor is.

Toelichting op artikel 63

In artikel 58 PW, artikel 12 lid 2 sub c, artikel 39 en de artikelen 41 tot en met 43 Bbz worden de gronden voor terugvordering van bijstand benoemd.

Artikel 58 PW spreekt met name over ten onrechte verleende bijstand, hier wordt verder op in gegaan in artikel 5 van deze uitvoerende uitvoeringsregels.

Artikel 12 Bbz stelt vast hoe het recht op bijstand voor levensonderhoud achteraf wordt vastgesteld. Na afloop van een boekjaar wordt het inkomen uit bedrijf vermeerderd met de ontvangen bijstand en overige inkomsten. Als dit boven de bijstandsnorm ligt, wordt het verschil tussen bijstandsnorm en hoogte van het inkomen teruggevorderd volgens de rekenregels van het Bbz 2004. De vordering wordt niet gebruteerd, omdat bij berekening van de definitieve bijstand een eindheffing over dit bedrag wordt afgedragen aan de Belastingdienst.

Terugvordering gebeurt ineens, uitgangspunt is dat de vordering binnen 6 weken wordt terugbetaald. Als dit niet mogelijk is, wordt een betalingsregeling afgesproken.

Een betalingsregeling met een lopende Bbz uitkering is niet mogelijk, omdat de terugbetaling dan geschiedt middels de verstrekte uitkering (lening).

In artikel 39 Bbz wordt een opsomming gegeven van verplichtingen verbonden aan de geldlening. Deze verplichtingen worden in de toekenningbeschikking aan belanghebbende medegedeeld. Ook aanvullende verplichtingen vallen hieronder, dit kan per belanghebbende verschillen. Als een belanghebbende zich hier niet aan houdt, wordt de lening teruggevorderd.

Artikel 41 gaat over uitstel van betaling, verderop in deze uitvoerende uitvoeringsregels benoemd. Tot uitstel van betaling kan worden besloten gedurende de looptijd van de Bbz lening. Tot terugvordering wordt pas overgegaan als blijkt dat belanghebbende duurzaam niet aan de verplichtingen kan voldoen.

Artikel 42 bepaalt dat het dagelijks bestuur meewerkt met een schuldregeling voor zover dit noodzakelijk is voor de voortzetting van het bedrijf, mits gestelde zekerheden buiten het akkoord blijven en alle concurrente schuldeisers evenredige medewerking verlenen.

Artikel 43 Bbz gaat over de beëindiging van een zelfstandig beroep of bedrijf. Als hier sprake van is, kan een eventueel gevestigd hypotheekrecht op de woning gehandhaafd blijven als lening, of wordt deze tot onbelaste waarde van de woning gevestigd.

Als er geen hypotheek is gevestigd, en de beëindiging niet verwijtbaar is, wordt het resterende deel van de lening opgeëist en geldt er gedurende 5 jaar een aflosverplichting van 50% van het inkomen boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm.

Tot slot wordt bepaald dat de lening die als hypotheekrecht gehandhaafd wordt, een lening is als bedoeld in artikel 58 sub b PW.

Toelichting op artikel 64

De in artikel 3 lid 1 omschreven gevallen waarin bijstand wordt teruggevorderd komen overeen met de gevallen die worden beschreven in artikel 58 lid 2 van de wet.

Na afloop van een boekjaar wordt het inkomen uit bedrijf vermeerderd met de ontvangen bijstand en overige inkomsten. Als dit boven de bijstandsnorm ligt, wordt het verschil tussen bijstandsnorm en hoogte van het inkomen teruggevorderd volgens de rekenregels van het Bbz 2004.

De vordering wordt niet gebruteerd, omdat bij berekening van de definitieve bijstand een eindheffing over dit bedrag wordt afgedragen aan de Belastingdienst.

Terugvordering gebeurt ineens, uitgangspunt is dat de vordering binnen 6 weken wordt terugbetaald. Als dit vanwege de financiële situatie op dat moment niet mogelijk is, kan belanghebbende een betalingsregeling afspreken.

Een betalingsregeling met een lopende Bbz uitkering is niet mogelijk, omdat de terugbetaling dan geschiedt middels de verstrekte uitkering (lening). In het geval van een lopende Bbz uitkering wordt bekeken of na afloop van de (Bbz) uitkering er ruimte is om af te lossen.

Hoewel terugvordering in de Participatiewet een bevoegdheid is en geen plicht, moet bij de uitoefening van deze bevoegdheid rekening moet worden gehouden met algemene rechtsbeginselen. In dat kader heeft de Centrale Raad van Beroep de zogenaamde ‘zesmaanden-jurisprudentie’ geformuleerd, hetgeen al van toepassing is op de WWB/Participatiewet (zie uitspraak CRvB 05/2497 NABW, 05/2498 NABW en 05/6970 alsmede de uitspraak van 24-07-2007, 06/3899 WWB). Aangenomen kan worden dat de zesmaanden-jurisprudentie ook geldt voor terugvorderingen krachtens het Bbz 2004. Deze jurisprudentie houdt in dat een bestuursorgaan een bevoegdheid tot terugvordering niet kan uitoefenen voor zover het betalingen betreft die meer dan 6 maanden zijn betaald na de ontvangst van een signaal waaruit het bestuursorgaan had moeten afleiden, dat ten onrechte of te veel wordt betaald. Een signaal is relevante informatie afkomstig van belanghebbende waaruit kan worden afgeleid dat op grond daarvan terstond actie moet worden ondernomen om de hoogte van de uitkering aan te passen

De zesmaanden- jurisprudentie is dus alleen van toepassing wanneer er geen sprake is van het schenden van de informatieplicht door belanghebbende! Het signaal moet ook van de belanghebbende zelf afkomstig zijn.

De bijstand die ná die zes maanden nog is uitbetaald, kan niet worden teruggevorderd en er moet dus deels van terugvordering worden afgezien.

Tot slot is onder sub b opgenomen dat (deels) van terugvordering wordt afgezien wanneer uit onderzoek is gebleken dat een belanghebbende als gevolg van het schenden van de

inlichtingenverplichting de geldende vermogensgrens heeft overschreden en ten onrechte tot een te hoog bedrag uitkering is verstrekt. Indien de belanghebbende genoegzaam aannemelijk kan maken dat hij/zij wel recht op bijstand zou hebben gehad wanneer de van belang zijn de inlichtingen juist en volledig waren geweest, wordt over die perioden/maanden waarin de vermogensgrens niet is overschreden afgezien van terugvordering. Dit naar aanleiding van de uitspraak van de CRvB van 2104-2009, LJN BH9423.

Lid 2 bepaalt dat de kosten van bijstand vermeerderd met de afgedragen belastingen kunnen worden teruggevorderd. Hiermee wordt de eindheffing bedoeld, de som van heffingen die de gemeente na vaststelling van de uitkering afdraagt aan de belastingdienst. Door de eindheffing wordt de uitkering niet tot het verzamelinkomen van de belanghebbende gerekend, waardoor geen recht bestaat op bijvoorbeeld hypotheekrenteaftrek.

De grondslag voor de bevoegdheid van deze brutering ligt in artikel lid 2 PW.

Artikel 58 lid 2 PW gaat over de kosten van bijstand; die worden teruggevorderd. De kosten die de gemeente heeft gemaakt, in geval van achteraf kunnen beschikken over middelen, worden teruggevorderd van de cliënt. Het is daarbij niet van belang dat cliënt geen beschikking heeft gehad over de afgedragen loonheffing (in het verzamelinkomen).

Het is een kan-bepaling, ons debiteurenbeleidsplan zegt hierover het volgende :

Het DB maakt gebruik van de bevoegdheid om te bruteren. Naar vaste rechtspraak moet worden afgezien van brutering indien sprake is van een vordering die is ontstaan buiten toedoen van een belanghebbende en hem niet kan worden verweten dat de betaling van de schuld niet reeds is voldaan in het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft.

Toelichting op artikel 65

De meeste gronden tot terugvordering bedrijfskapitaal zijn geregeld in artikel 39 en de artikelen 41 tot en met 43 Bbz 2004. Indien de belanghebbende ook na een tweede aanmaning niet aan zijn rente- en aflossingsverplichtingen voldoet, kan het geleende bedrag worden teruggevorderd.

Als er sprake is van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming, is over de achterstallige rente- en aflossingsbedragen de wettelijke rente verschuldigd. Het betreft hier de wettelijke rente voor consumententransacties. Op de volgende site staat een overzicht van de wettelijke rente: http://www.wettelijkerente.net/.

In de praktijk maken wij weinig of geen gebruik van deze mogelijkheid omdat in die situatie meestal de gehele lening wordt teruggevorderd wegens wanbetaling.

Opeisbaar stellen indien de bijstand niet overeenkomstig bestemming is besteed, bij faillissement en bij bedrijfsbeëindiging is geregeld in artikel 39 Bbz 2004.

Indien bijstand “om niet” niet mogelijk is vanwege het vermogen moet direct na beëindiging van de periodieke bijstandsverlening een betalingsregeling getroffen worden voor terugbetaling bedrijfskapitaal. Wordt niet aan deze betalingsregeling voldaan kan worden overgegaan tot terugvordering.

Toelichting op artikel 66

Indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar dit achterwege is gebleven omdat belanghebbende de verplichtingen bedoeld in artikel 17 van de wet, of artikel 30c, tweede of derde lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (de inlichtingenplicht), niet of niet behoorlijk is nagekomen, kunnen de kosten van bijstand mede worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 van de wet bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden. In deze situatie is er dus teveel bijstand ontvangen.

Indien de bijstand terecht als gezinsbijstand aan gehuwden is verleend, maar de

belanghebbende toch de verplichtingen, bedoeld in artikel 17, of artikel 30c, tweede of derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, niet of niet behoorlijk is nagekomen, kunnen de kosten van de bijstand mede worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen als bedoeld in paragraaf 3.4, bij de verlening van de bijstand rekening had moeten worden gehouden.

De in dit artikel genoemde personen zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van de kosten van bijstand die worden teruggevorderd.

Dit kan bijvoorbeeld voorkomen als er sprake is van een verzwegen gezamenlijke huishouding, waarbij de partner of daarmee gelijkgestelde ook een inkomen of vermogen had, waarmee rekening gehouden had moeten worden. Een ander voorbeeld is dat er bijstand naar de norm voor gehuwden is verleend, maar door een schending van de inlichtingenplicht geen rekening is gehouden met de middelen van de partner of daarmee gelijkgestelde. In deze gevallen is er teveel of ten onrechte bijstand verstrekt aan beide meerderjarige personen.

Als meerderjarig gezinslid wordt in de praktijk de partner of daarmee gelijkgestelde bedoeld, omdat van meerderjarige kinderen niet kan worden teruggevorderd, ook wordt met hun middelen geen rekening gehouden bij gezinsbijstand (norm voor gehuwden). Meerderjarige kinderen kunnen vanaf 18 jaar zelf bijstand aanvragen en zijn niet begrepen in de gezinsbijstand, dus kan ook niet van hen worden teruggevorderd.

In beginsel wordt van deze bevoegdheid gebruik gemaakt als het in de praktijk gaat om teveel of ten onrechte ontvangen bijstand. Bij fraude is deze terugvordering verplicht.

Afzien van terugvordering is mogelijk als er geen sprake is van schending van de inlichtingenplicht, of als de vordering niet aan het meerderjarig gezinslid te wijten valt.

Verder kan worden afgezien van terugvordering van een meerderjarig gezinslid als er sprake is van dringende redenen.

Bij dringende redenen is niet uitsluitend gedacht aan financiële redenen.

Uit vaste rechtspraak van de CRvB volgt dat het moet gaan om iets bijzonders of uitzonderlijks en wel zodanig dat terugvordering voor de betrokkenen tot onaanvaardbare financiële of sociale consequenties leidt. Zie hiervoor ook de uitleg bij artikel 8.

Toelichting op artikel 67

In het terugvorderingsproces kan op twee momenten worden afgezien van terugvordering. Ten eerste kan worden besloten om geen terugvorderingsbesluit te nemen. De vordering komt in dat geval niet tot stand.

Ten tweede kan worden afgezien van verdere terugvordering in een later stadium. In het laatste geval is sprake van kwijtschelding. Deze bepaling ziet op de eerstgenoemde mogelijkheid: afzien van het nemen van een terugvorderingsbesluit.

In voorkomende gevallen kunnen er redenen zijn om in het geheel geen terugvorderingsbesluit te nemen. Dit kan enerzijds worden ingegeven door doelmatigheidsoverwegingen, in gevallen waarin de ten onrechte verleende bijstand dermate laag is dat de kosten die de terugvordering met zich meebrengen hoger zijn dan de vordering (zgn. kruimelbedragen). Hiervoor is, zoals vermeld, aangesloten bij hetgeen ter zake bepaald is in het debiteurenbeleidsplan 2015.

Verder kunnen er in de individuele situatie dringende redenen zijn op grond waarvan van een terugvorderingsbesluit kan worden afgezien. Hiervan kan sprake zijn wanneer de vordering is ontstaan buiten toedoen van de belanghebbende en hem hiervan geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Tevens zal in dat geval aannemelijk moeten zijn dat de belanghebbende niet kon weten dat hij ten onrechte bijstand, inkomensvoorziening of uitkering ontving. Verder kunnen sociale en financiële omstandigheden aanleiding vormen voor het onderkennen van dringende redenen.

In gevallen waarin eerst een herzienings- of intrekkingsbesluit aan de orde is, en dus ook een vordering bestaat, kan ook van een dergelijk besluit worden afgezien wegens een dringende reden. In dat geval is er ook geen grond tot het nemen van een terugvorderingsbesluit. De vraag wat onder dringende redenen wordt verstaan, kan moeilijk in zijn algemeenheid worden beantwoord. Bij dringende redenen is niet uitsluitend gedacht aan financiële redenen.

Uit vaste rechtspraak van de CRvB volgt dat het moet gaan om iets bijzonders of uitzonderlijks en wel zodanig dat terugvordering voor de betrokkenen tot onaanvaardbare financiële of sociale consequenties leidt.

Bij de uitspraak van 26-02-2008 (06/6854 WWB) heeft de CRvB geoordeeld dat de gestelde verslechtering van de financiële situatie niet als een dringende reden kan worden aangemerkt. De Raad wees er daarbij op dat bij terugvordering de aflossingsbedragen zo worden vastgesteld dat de betrokkenen te allen tijde blijven beschikken over de beslagvrije voet als bedoeld in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Evenmin achtte de CRvB in de medische situatie van betrokkenen een dringende reden gelegen om van terugvordering af te zien. De terugvordering op zich leidde voor betrokkenen niet tot onaanvaardbare consequenties.

Nadrukkelijk geldt dus dat steeds van geval tot geval aan de hand van de omstandigheden de situatie van de belanghebbende moet worden beoordeeld. Deze bepaling kan dus slechts in zeer uitzonderlijke situaties worden toegepast.

Toelichting op artikel 68

Bbz-vorderingen hebben een duidelijk ander karakter omdat de bijstand is verstrekt in de vorm van een (renteloze) geldlening ten behoeve van inkomstenverwerving in het eigen bedrijf en bedrijfskapitaal ten behoeve van de onderneming. Ook zijn er andere vermogensvrijstellingen welke bij het hebben van middelen ter inlossing van de schuld een rol kunnen spelen. Bij bedrijfskapitaal kunnen er bijvoorbeeld materiele activa zijn aangekocht.

Daarom is het uitgangspunt dat de vordering binnen de termijn van 6 weken moet worden voldaan. Als omstandigheden van belanghebbende hier aanleiding toe geven kan hij verzoeken om een betalingsregeling. Na onderzoek naar de hoogte van het inkomen en andere financiële omstandigheden wordt hier een besluit over genomen.

In sommige gevallen omvat het terugvorderingsbesluit ook het invorderingsbesluit, omdat hier de hoogte van de vordering en de betalingstermijn al genoemd wordt.

Een eenmaal door het dagelijks bestuur vastgestelde aflossingsverplichting kan door het dagelijks bestuur in de toekomst worden gewijzigd op basis van een heronderzoek draagkracht.

Periodiek (of op verzoek) kan het dagelijks bestuur onderzoek doen naar de debiteur. Dit onderzoek kan erin resulteren dat het aflossingsbedrag aangepast wordt. Een verhoging van het aflossingsbedrag kan voor de belanghebbende flink ingrijpen. De verhoging vindt niet in één keer plaats maar stapsgewijs in vier halfjaarlijkse perioden. Dus een verhoging van het aflossingsbedrag van tenminste € 200,00 per maand resulteert in een aanpassing van het aflossingsbedrag met tenminste € 50,00 per halfjaarlijkse periode. Op deze wijze wordt de belanghebbende in staat gesteld zijn uitgavenpatroon aan te passen aan diens ‘nieuwe’ financiële verplichtingen. Ook kan een heronderzoek een onderzoek naar adresgegevens of de stand van zaken in een faillissement behelzen.

Indien er sprake is van samenwerkingsverbanden (VOF, BV etc.), waarbij de medevennoot zich aansprakelijk gesteld heeft voor het verstrekte bedrijfskapitaal, zal bij het niet nakomen van de verplichtingen ook de medevennoot aansprakelijk gesteld moeten worden voor de terugbetaling. Er moet dan een privaatrechtelijke procedure worden opgestart bij de belanghebbenden die niet tot de doelgroep van het Bbz 2004 behoorden.

Toelichting op artikel 69

Bij het vaststellen van de betalingsverplichting wordt rekening gehouden met de beslagvrije voet. Het inkomen boven de beslagvrije voet kan worden verrekend met de openstaande vordering (artikel 60 lid 4 PW).

Toelichting op artikel 70

Terugvorderingsbesluiten kenbaar gemaakt voor 1 juli 2009 vormen direct een executoriale titel.

De terugvorderingsbesluiten kenbaar gemaakt vanaf 1 juli 2009 dienen conform de Algemene Wet Bestuursrecht eerst per dwangbevel betekend te worden. Hierin zijn twee opties:

  • 1.

    Belanghebbende voert een bedrijf; in dit geval wordt het dwangbevel door de deurwaarder betekend en wordt de vordering uit handen gegeven.

  • 2.

    Belanghebbende heeft inkomen uit arbeid danwel uitkering; de ISD zal het dwangbevel uitbrengen en zelf overgaan tot het leggen van vereenvoudigd derdenbeslag.

Pas na betekening van het dwangbevel is sprake van een executoriale titel.

Met deze executoriale titel kan de gerechtsdeurwaarder executoriaal beslag leggen. Tenuitvoerlegging door middel van beslag geschiedt conform de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Toelichting op artikel 71

Wanneer het dagelijks bestuur 10 jaar lang inspanningen heeft verricht om tot invordering te komen en de belanghebbende heeft geen enkele aflossing (meer) op de schuld verricht en het valt ook in de (verre) toekomst niet te verwachten dat aflossing alsnog gaat plaatsvinden, dan kan van (verdere) invordering worden afgezien. Hierbij moet bijvoorbeeld worden gedacht aan de persoon van wie de verblijfplaats onbekend is of aan de persoon die zich definitief heeft gevestigd in een ander land waarmee Nederland geen executieverdrag heeft of waar inning onevenredig hoge kosten met zich mee zal brengen.

Om de terugvordering buiten invordering te stellen moet de afweging worden gemaakt of de belanghebbende zijn schuld op enig moment zal kunnen afbetalen. Hiervan kan sprake zijn als op andere schulden wordt afgelost en er zicht bestaat dat aan de betalingsverplichting zal worden voldaan dan wel dat er in de toekomst aanspraken kunnen zijn op inkomen of uitkering.

Toelichting op artikel 72

In een aantal situaties wordt de vordering afgeboekt. Als is vastgesteld dat de vordering het gevolg is van een systeemfout, administratieve fout of menselijke fout dan wordt de geboekte vordering afgeboekt.

Verval en verjaring van een vordering leidt ertoe dat een vordering niet meer in rechte kan worden afgedwongen wanneer de termijn is verstreken. De mogelijkheid van terugvordering vervalt als de wettelijk vastgestelde vervaltermijn is verstreken. De verjaringstermijn van reeds kenbaar gemaakte vorderingen is vastgelegd in het Burgerlijk Wetboek (art. 3:307) voor de vorderingen kenbaar gemaakt voor 1 juli 2009 en in de Algemene Wet Bestuursrecht (art. 4:104) voor vorderingen kenbaar gemaakt na 1 juli 2009.

Toelichting op artikel 73

Artikel 42 van de Bbz 2004 verplicht het dagelijks bestuur onder bepaalde omstandigheden mee te werken aan een schuldregeling. Het besluit tot

het geheel of gedeeltelijk afzien van verdere invordering treedt eerst in werking indien de schuldregeling ook daadwerkelijk tot stand komt.

Toelichting op artikel 74

Als belanghebbende gedurende de looptijd van de lening (dus voor terugvordering) vraagt om uitstel van betaling en de voorgestelde duur van uitstel is niet langer dan drie maanden wordt dit maximaal éénmaal per twee jaar toegekend. Dit uitstel wordt zonder verder onderzoek naar de hoogte van het inkomen of de persoonlijke situatie van de belanghebbende verleend. Indien de belanghebbende vaker om uitstel van betaling verzoekt of het verzoek om uitstel betreft een periode van meer dan 3 maanden, dan vindt ten alle tijde een onderzoek naar de persoonlijke en financiële situatie van de belanghebbende plaats alvorens er een beslissing wordt afgegeven.

Toelichting op artikel 75

Het verzoek om uitstel van betaling zal in het algemeen worden afgewezen indien de belanghebbende niet voldoet aan één van de onder a tot en met i opgesomde bepalingen. De afwijzing dient bij beschikking bekend te worden gemaakt (en dus voor bezwaar en beroep vatbaar).

Toelichting op artikel 76

Het verleende uitstel van betaling kan tussentijds beëindigd worden. Gronden daarvoor zijn dat de belanghebbende zich niet aan de aan het uitstel verbonden voorschriften houdt, er onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt die hebben geleid tot een andere beschikking of een wijziging van de omstandigheden die voortduring van het uitstel onaanvaardbaar maken. Beëindiging van het uitstel doet de betalingsverplichting onverkort herleven en vergt dan dus een nieuwe beschikking. Pas na bekendmaking van die beschikking kan de invorderingsprocedure worden gestart of worden hervat. Wordt een voorschrift voor een deel niet nagekomen, bijvoorbeeld door het niet tijdig voldoen van één betalingstermijn, dan kan ervoor worden gekozen om dit gedeelte na aanmaning in te vorderen. Immers, de schuldenaar is voor dat gedeelte van de vordering in verzuim. De uitstelbeschikking hoeft daarvoor niet te worden ingetrokken.

Toelichting op artikel 77

Deze bepaling sluit aan bij de bepaling van art 43 lid 2 het Bbz dat voorschrijft dat gedurende 5 jaar na de bedrijfsbeëindiging moet worden afgelost. Het betreft hier een kan bepaling.

In tegenstelling tot het buiten invorderingstellen van een vordering gaat het bij kwijtschelden om een tweezijdige handeling. Kwijtschelding vindt alleen plaats op verzoek van belanghebbende.

Toelichting op artikel 78

Een eventueel bezwaar- of beroepschrift van de belanghebbende tegen het terugvorderingsbesluit heeft geen schorsende werking (artikel 6:16 van de Algemene wet bestuursrecht). Wel kan de belanghebbende de voorzieningenrechter van de rechtbank (of van de CRvB) hangende een bezwaar- of beroepsprocedure verzoeken om een voorlopige voorziening te treffen, waaronder begrepen een schorsing.

Indien de medewerker die belast is met de behandeling van bezwaar- en beroepschriften (de jurist), na ontvangst van een bezwaarschrift, constateert dat het besluit onevenredig belastend is voor de belanghebbende en in bezwaar mogelijk niet in stand kan blijven, kan dit aanleiding zijn om de invordering (tijdelijk) op te schorten.

Toelichting op artikel 79

Volgens het bepaalde in artikel 4:97 van de Awb is de schuldenaar in verzuim indien hij niet binnen de voorgeschreven termijn (zes weken) heeft betaald. Alvorens over te gaan tot het uitvaardigen van een dwangbevel wordt door het dagelijks bestuur een aanmaning verzonden waarbij de belanghebbende wordt gemaand om binnen twee weken alsnog tot betaling over te gaan. Belanghebbende wordt tevens gewaarschuwd voor mogelijke invorderingsmaatregelen. De aanmaning vermeldt dat bij niet tijdige betaling dit zal worden afgedwongen door op kosten van de schuldenaar uit te voeren invorderingsmaatregelen.

Na het verstrijken van de aanmaningstermijn bestaat de bevoegdheid om tot dwanginvordering over te gaan. Het zal van de omstandigheden afhangen of terstond tot invordering zal worden overgegaan. Alhoewel artikel 4:112 van de Awb dwingend van karakter is, kunnen er redenen zijn waarom de schuldenaar niet binnen de gestelde termijn heeft betaald. Wanneer een tweede aanmaning wordt verzonden wordt de schuldenaar er nogmaals op geattendeerd dat hij tot betaling moet overgaan.

Het dagelijks bestuur brengt geen wettelijke rente in rekening. Ook aanmaningskosten worden niet in rekening gebracht aan belanghebbende zolang de incasso van de vordering nog in handen is van de ISD Bollenstreek.

Zodra de invordering echter uit handen wordt gegeven aan een (gerechts) deurwaarder, mag deze de incassokosten (bijv. kosten van dwangbevel als bedoeld in art. 4:119 Awb) verhalen op de belanghebbende en wettelijke rente in rekening brengen bij belanghebbende.

Toelichting op artikel 80

Indien belanghebbende, ook na te zijn aangemaand, niet tot betaling overgaat, wordt een dwangbevel uitgevaardigd. De kosten van het dwangbevel, en overige incassokosten worden ingevorderd.

Hoofdstuk 6 WMO

Inleiding

De Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) bevat de grondslag voor heronderzoek, de grondslagen voor herzien en intrekken, en de grondslag voor terugvordering.

In de Wmo is bestuursrechtelijke terugvordering van een belanghebbende alleen mogelijk als er sprake is van het opzettelijk niet meewerken aan de inlichtingenplicht en het toekenningsbesluit is ingetrokken.

Als het besluit tot toekenning is ingetrokken vanwege een opzettelijk nalaten van het verstrekken van de juiste of volledige gegevens, kan de voorziening, het PGB of de geldswaarde van de voorziening worden teruggevorderd van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk heeft meegewerkt.

Voor overige gevallen zal een civielrechtelijke procedure gestart moeten worden.

In de verordeningen maatschappelijke ondersteuning van de Bollenstreek gemeenten is hier nadere invulling aan gegeven (artikel 2 van deze uitvoeringsregels komt overeen met artikel 9 verordening maatschappelijke ondersteuning) en hoofdstuk 14 uitvoeringsregels maatschappelijke ondersteuning 2020).

Onderstaande regels sluiten hierop aan en worden verderop nader toegelicht voor praktijksituaties.

§ 6.1

Heronderzoek en herbeoordeling

Artikel 81 Heronderzoek van besluiten
  • 1. De ISD Bollenstreek onderzoekt periodiek of het besluit tot toekenning zoals in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de Wmo nog juist is.

  • 2. Artikel 2.3.2 en artikel 2.3.5 lid 6 van de Wmo zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 82 Wanneer kan er worden herzien of ingetrokken?

In artikel 2.3.10 Wmo staan de gevallen waarin in een besluit tot toekenning van een PGB of maatwerkvoorziening kan worden herzien of ingetrokken.

  • 1.

    De ISD Bollenstreek maakt, rekening houdend met de omstandigheden van de cliënt, volledig gebruik van de bevoegdheid om een besluit tot toekenning van een PGB of maatwerkvoorziening te herzien of in te trekken zoals in artikel 2.3.10 van de Wmo beschreven is.

  • 2.

    De ISD Bollenstreek kan een besluit tot toekenning van een PGB of maatwerkvoorziening herzien of intrekken als de ISD Bollenstreek:

    • a.

      vaststelt dat de cliënt verkeerde of onvolledige gegevens heeft verstrekt en op basis van de juiste of volledige gegevens een ander besluit zou zijn genomen;

    • b.

      vaststelt dat de cliënt de maatwerkvoorziening of het PGB niet langer nodig heeft;

    • c.

      vaststelt dat de maatwerkvoorziening of het PGB niet meer toereikend of passend is;

    • d.

      de cliënt langer dan 8 weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet;

    • e.

      de cliënt niet voldoet aan de voorwaarden die zijn afgesproken bij toekenning van de maatwerkvoorziening of het PGB;

    • f.

      de cliënt de maatwerkvoorziening of het PGB niet gebruikt, voor een ander doel dan afgesproken heeft gebruikt of het gebruikte PGB niet kan verantwoorden.

  • 3.

    Een besluit tot toekenning van een PGB kan worden ingetrokken als blijkt dat het PGB binnen 6 maanden na uitbetaling niet is gebruikt voor de voorziening waarvoor het PGB bedoeld was, en daarvoor geen dringende redenen zijn.

  • 4.

    Een besluit tot intrekking of herziening wordt goed onderbouwd omdat dit een belastend besluit is33 .

  • 5.

    In het besluit wordt de inwerkingtreding daarvan genoemd.

Artikel 83 Wanneer kan er worden teruggevorderd?
  • 1. De ISD Bollenstreek maakt, rekening houdend met de omstandigheden van de cliënt, volledig gebruik van de bevoegdheid om de geldswaarde van een maatwerkvoorziening of een PGB terug te vorderen, zoals deze in artikel 2.4.1 Wmo beschreven is.

  • 2. In uitzondering op lid 1: voor een PGB of een voorziening ZIN geldt dat de (geldswaarde van de) voorziening kan worden teruggevraagd tot maximaal de levensduur van de voorziening.

  • 3. Voordat gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid uit lid 1, vindt een belangenafweging plaats tussen het belang van de cliënt en het belang van de terugvordering.

  • 4. Bestuursrechtelijke terugvordering:

    De ISD Bollenstreek kan geheel of gedeeltelijk de waarde in geld van de gebruikte maatwerkvoorziening of het uitbetaalde PGB van de cliënt terugvorderen als:

    • -

      het besluit tot toekenning is ingetrokken zoals genoemd in artikel lid 1 sub a van deze uitvoeringsregels (artikel 2.3.10 lid 1 sub a Wmo) en

    • -

      de cliënt opzettelijk verkeerde of onvolledige informatie heeft geleverd.

  • 5. Bestuursrechtelijke terugvordering:

    De ISD Bollenstreek kan geheel of gedeeltelijk de waarde in geld van de gebruikte maatwerkvoorziening of het uitbetaalde PGB van een derde (zorgaanbieder) terugvorderen als:

    • -

      het besluit tot toekenning is ingetrokken zoals genoemd in artikel lid 1 sub a van deze uitvoeringsregels (artikel 2.3.10 lid 1 sub a Wmo) en

    • -

      de cliënt opzettelijk verkeerde of onvolledige informatie heeft geleverd, en

    • -

      degene van wie wordt teruggevorderd opzettelijk heeft meegewerkt aan het leveren van verkeerde of onvolledige informatie.

  • 6. De ISD Bollenstreek kan de waarde in geld van een ten onrechte genoten maatwerkvoorziening in natura terugvorderen.

  • 7. Voor de vaststelling van de waarde in geld van een maatwerkvoorziening wordt uitgegaan van de dagwaarde.

  • 8. Civielrechtelijke terugvordering:

    Als het recht op een voorziening waarvan de cliënt eigenaar is geworden, is ingetrokken, kan (de geldswaarde van) deze voorziening worden teruggevorderd.

  • 9. Civielrechtelijke terugvordering:

    Als het recht op een voorziening in bruikleen is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.

  • 10. Civielrechtelijke terugvordering:Als een PGB door een fout ten onrechte of tot een te hoog bedrag is uitbetaald, kan dit worden teruggevorderd.

  • 11. Als er op een andere grond dan in lid 3 of 4 wordt teruggevorderd, of de vereiste opzet niet kan worden aangetoond, is er geen bestuursrechtelijke grondslag voor terugvordering. In dit geval wordt geprobeerd het bedrag in der minne terug te krijgen. Ook kan een betalingsregeling worden afgesproken.

Artikel 84 Wanneer kan er worden afgezien van terugvordering?
  • 1. De ISD Bollenstreek ziet af van terugvordering van een (Wmo) voorziening als het terug te vorderen bedrag niet meer is dan € 100,00, tenzij de vordering een gevolg is van een schending van de inlichtingenplicht.

  • 2. De ISD Bollenstreek kan afzien van een Wmo terugvordering als de vordering niet verwijtbaar is ontstaan.

  • 3. De ISD Bollenstreek kan afzien van een Wmo terugvordering als de aanvrager niet had kunnen weten dat er een situatie is ontstaan die niet aan de regels voldoet.

  • 4. De ISD Bollenstreek kan afzien van een Wmo terugvordering als er na een verhuizing een regeling kan worden getroffen met de nieuwe gemeente waarin de aanvrager woont.

§ 6.2

Invordering en betalingsverplichting van (bestuursrechtelijke) vordering

Artikel 85 Invordering
  • 1. De ISD Bollenstreek kan een PGB of de geldswaarde van een maatwerkvoorziening bij dwangbevel invorderen als de terugvordering plaatsvindt op grond van artikel 3 lid 3 of 4 van deze uitvoeringsregels, dus als er opzet in het spel is.

  • 2. De ISD Bollenstreek zorgt ervoor dat de invordering tegelijk met de afgifte van het terugvorderingsbesluit start. Daarbij wordt de wettelijke betalingstermijn van zes weken gehanteerd (artikel 4:87 Awb).

  • 3. Voor andere terugvorderingen kan de invordering alleen na een civielrechtelijke procedure plaatsvinden.

Artikel 86 Wat staat er in het invorderingsbesluit?

Het invorderingsbesluit wordt tegelijk met het terugvorderingsbesluit afgegeven. Hierin staat in ieder geval:

  • a.

    de hoogte van (het saldo van) de vordering;

  • b.

    de betalingsverplichting om de hele vordering te betalen;

  • c.

    de betalingstermijn en de datum waarop de betalingsafspraak of –verplichting ingaat;

  • d.

    dat de kosten van invordering aan belanghebbende kunnen worden doorberekend als moet worden overgegaan tot beslaglegging;

en eventueel:

  • e.

    de mogelijkheid voor belanghebbende om binnen zes weken na verzenddatum van de beschikking, als bedoeld in artikel 4:87 Awb, een betalingsregeling te treffen;

  • f.

    de rechtsgevolgen bij niet nakoming van de betalingsverplichting, zoals beschreven in afdeling 4.4.2 Awb over verzuim en afdeling 4.4.4 over aanmaning en invordering bij dwangbevel.

Artikel 87 De aflosverplichting
  • 1. Voor het vaststellen van de aflosverplichting wordt uitgegaan van de ruimte boven de beslagvrije voet, zoals in artikel 475d tot en met 475 e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Artikel 88 Uitstel van betaling (art. 4:94 Awb)
  • 1. Als de cliënt om uitstel van betaling verzoekt dan kan deze zonder onderzoek door het dagelijks bestuur toegekend worden als:

    • a.

      aan de cliënt in de periode van 24 maanden voor het verzoek niet eerder een uitstel van betaling is toegekend en;

    • b.

      het uitstel van betaling niet langer duurt dan drie maanden.

  • 2. In alle overige gevallen vindt onderzoek plaats.

  • 3. Verder kan uitstel van betaling worden verleend als er sprake is van zeer dringende redenen die het uitstel noodzakelijk maken.

  • 4. Gedurende het uitstel zal er niet worden aangemaand of ingevorderd.

  • 5. De termijn waarvoor het uitstel geldt wordt vastgelegd in een beschikking tot uitstel van betaling. Aan deze beschikking kunnen voorwaarden worden verbonden, zoals een betalingsregeling of een verplichting tot het stellen van zekerheid (art. 4:94 Awb).

Artikel 89 Geen uitstel van betaling
  • 1. Een verzoek tot uitstel van betaling kan in ieder geval worden afgewezen als:

    • a.

      medewerking van de belanghebbende naar het oordeel van het dagelijks bestuur onvoldoende is;

    • b.

      onjuiste gegevens worden verstrekt;

    • c.

      de gevraagde gegevens niet (volledig) binnen de daartoe gestelde termijn zijn verstrekt;

    • d.

      de gevraagde zekerheid niet wordt gesteld;

    • e.

      de waarde van vermogensobjecten in redelijkheid te gelde kunnen worden gemaakt om daarmee de verschuldigde vordering te betalen;

    • f.

      de berekende aflossingscapaciteit zodanig is dat de schuld direct voldaan kan worden;

    • g.

      de betalingsregeling zich over een onaanvaardbare termijn uitstrekt;

    • h.

      de betalingsproblemen structureel zijn en een betalingsregeling geen uitkomst zal bieden;

    • i.

      belanghebbende reeds eerder een regeling heeft genoten, maar deze niet is nagekomen;

Artikel 90 Tussentijdse wijziging en onderzoek van een aflosverplichting
  • 1. De ISD Bollenstreek kan een draagkrachtonderzoek doen, als vermoed wordt dat er iets is veranderd in de afloscapaciteit van belanghebbende.

  • 2. Als er geen gegrond vermoeden is zoals in lid 1, doet de ISD Bollenstreek een onderzoek als een IB of BRP signaal hiertoe aanleiding geeft.

  • 3. De beslagvrije voet wordt telkens voor 12 maanden vastgesteld, na deze periode wordt de beslagvrije voet opnieuw vastgesteld.

  • 4. Als de ISD Bollenstreek na het draagkrachtonderzoek besluit tot wijziging van de aflosverplichting, krijgt belanghebbende hiervan een beschikking.

  • 5. Als de aflosverplichting verandert, wordt het nieuwe bedrag opgelegd met ingang van de eerste maand nadat de beschikking is verstuurd.

Artikel 91 Minimaal aflosbedrag

Een aflosbedrag moet in principe minimaal € 10,00 per maand zijn.

Artikel 92 Verzoek tot wijziging van een betalings- of aflosverplichting door belanghebbende
  • 1. Belanghebbende kan schriftelijk en onderbouwd verzoeken om de aflos-- of betalingsverplichting te wijzigen. Bij dit verzoek moeten de financiële en andere relevante gegevens met bewijsstukken meegestuurd worden.

  • 2. Binnen acht weken na ontvangst van het verzoek (lid 1) neemt de ISD Bollenstreek een besluit op het verzoek en stuurt dit naar belanghebbende.

  • 3. Het verzoek tot wijziging van de betalings- of aflosverplichting betekent niet dat de betaling of aflossing niet gedaan hoeft te worden, tenzij er sprake is van dringende redenen.

  • 4. De ISD Bollenstreek zal na het verzoek (lid 1) een draagkrachtonderzoek instellen en de aflos- of betalingsverplichting volgens deze uitvoeringsregels opnieuw vaststellen.

Artikel 93 Niet of niet meer voldoen aan de betalings- of aflosverplichting
  • 1. Als belanghebbende:

    • -

      de aflos- of betalingsverplichting niet of niet op tijd nakomt; of

    • -

      niet wil meewerken aan het afspreken van een betalingsregeling; of

    • -

      een afgesproken betalingsregeling niet op niet op tijd nakomt wordt overgegaan tot invordering door:

      • a.

        een executoriaal beslag zoals in artikelen 479b t/m 479g, behalve artikel 479e lid 2, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering; of

      • b.

        beslag zoals omschreven in het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, op basis van de executoriale titel die is verbonden aan een dwangbevel (artikel 4:114 Awb), nadat de aanmaningsprocedure is doorlopen als bedoeld in afdeling 4.4.4 van de Awb.

  • 2. Voordat er een aanmaning wordt verstuurd, wordt er contact opgenomen met belanghebbende en hem verzocht om alsnog de betalingsverplichting na te komen.

Artikel 94 Rente en kosten

Als de vordering is overgedragen aan een gerechtsdeurwaarder, wordt de vordering verhoogd met de wettelijke rente en de kosten die horen bij de invordering.

Artikelsgewijze toelichting op Hoofdstuk 6 Wmo

Toelichting op artikel 81

Handhaving en naleving in de Wmo 2015 en de Jeugdwet begint met goede informatieverstrekking aan de cliënt, goed onderzoek bij meldingen en aanvragen voor ondersteuning en duidelijke rapporta¬ges en beschikkingen. Hiervan gaat een preventieve werking uit, dit is onderdeel van het concept ‘Hoogwaardig handhaven’ zoals beschreven in het handhavingsbeleidsplan 2020.

Aan de poort is het belangrijk om risico’s in te schatten. Hierbij kan gebruik gemaakt worden van de risicokaarten van de VNG (zie kwaliteit/intranet), aan de hand hiervan kan een heronderzoeksfrequentie worden vastgesteld. Uitgangspunt is daarbij dat een vroegtijdige signalering problemen kan beperken (ook bij aanbieders).

We maken gebruik van controle op maat; hoe hoger het risico, hoe intensiever de controle.

Na verstrekking van een voorziening of pgb is het belangrijk dat er een heronderzoek volgt naar de ‘lopende’ ver¬strekkingen. Dit is een verplichting in de Wmo (artikel 2.3.9 Wmo). Het gaat daarbij om periodiek heronderzoek naar zowel verstrekte maatwerkvoorzie¬ningen in natura als naar verstrekte pgb’s.

Hoe vaak dat noodzakelijk zal zijn, zal mede afhangen van de ondersteuningsbehoefte van de inwoner en hetgeen bij het eerste onderzoek wordt vastgesteld. We bepalen (op basis van de individuele omstandigheden) of we een indicatie voor kortere of langere duur afgeven, waarna een herbeoordeling plaatsvindt. Er vindt geen herbeoordeling plaats als er een nieuwe aanvraag wordt ingediend.

Verder ontvangen we van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) jaarlijks uitnuttingslijsten over het voorgaande jaar. Als er sprake is van een afwijking van 10% of meer in het gebruik, voeren we een heronderzoek uit omdat het noodzakelijk kan zijn dat we de indicatie aanpassen.

Ook moet bij een heronderzoek worden getoetst of een verstrekt PGB op de juiste wijze wordt besteed.

In de praktijk betalen we een PGB uit nadat de rekening van de voorziening is ingeleverd, of het wordt uitbetaald aan de leverancier. In die gevallen hoeft een juiste besteding niet te worden getoetst.

Daarnaast kan de ISD signalen ontvangen dat er iets aan de hand is rond een eerder verstrekte voorzie-ning of pgb, bijvoorbeeld via de toezichthouder of de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Ook naar aanleiding daarvan kan een heronderzoek gestart worden.

Ook voor de Wmo geldt dat we bij de poort alert moeten zijn. Bij de fase van de melding of aanvraag van maatschappelijke ondersteuning kunnen er verschillende signalen zijn die maken dat een nader onderzoek gewenst is. Het gaat om signalen die twijfels doen rijzen over de rechtmatigheid en/of wijzen op verdachte omstandigheden. Voorbeelden zijn:

  • -

    klant geeft geen toestemming (aan de medisch deskundige) om medische gegevens op te vragen;

  • -

    klant geeft geen woonadres voor een huisbezoek;

  • -

    klant geeft geen eenduidige antwoorden op vragen;

  • -

    onvolledig ingevuld formulier of ingevulde gegevens kloppen niet (met bijv. BRP);

  • -

    de zorgverlener/bemiddelaar/vertegenwoordiger bemoeit zich nadrukkelijk met de inhoud van de

aanvraag en schermt de klant af.

Pgb-risicoscan (pilot)

De pgb-risicoscan is een instrument in ontwikkeling waarmee gemeenten via data van de SVB inzicht kunnen krijgen in risicovolle situaties die aanleiding kunnen zijn voor nader onderzoek. Daarbij wordt bijvoorbeeld gekeken naar zorgverleners die een bijzonder hoog aantal uren werken, bijzonder veel inkomsten uit pgb ontvangen of ook vertegenwoordiger zijn voor budgethouders.

Wij kunnen de risicoscan op moment van schrijven nog niet gebruiken, maar zijn voornemens dit wel te doen zodra dit kan en een waardevolle aanvulling blijkt te zijn op onze werkwijze.

Lid 2 geeft aan dat wat er in artikel 2.3.2 Wmo staat over de inhoud van het onderzoek, van toepassing blijft. In dit artikel staat een aantal omstandigheden en situaties genoemd die onderzocht moeten worden (na melding Wmo), en is daarmee een handvat voor een heronderzoek.

Ook kan worden bezien of de cliënt in aanmerking komt of kan komen voor voorzieningen vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz), die voorliggend zijn op de Wmo 2015 (zie artikel 2.3.5 lid 6 Wmo 2015).

Toelichting op artikel 82

Als blijkt dat er sprake is van onrechtmatigheden, dan kunnen we het besluit tot toekenning van de Wmo-voorziening herzien of intrekken en de geldswaarde van de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget (pgb) terugvorderen. De ISD maakt van deze bevoegdheid gebruik.

De gronden waarop dit mogelijk is zijn in de wet en in de uitvoeringsregels al benoemd, en worden hier volledigheidshalve herhaald.

De Wmo maakt geen duidelijk onderscheid tussen enerzijds beëindiging en anderzijds intrekking en herziening. Van beëindiging is sprake als de aanspraak op een maatwerkvoorziening wordt aangetast (beëindigd) met ingang van het heden of naar de toekomst toe.

Het ongedaan maken van de aanspraak op een maatwerkvoorziening over een periode in het verleden, wordt intrekken genoemd.

Herzien is het over een periode in het verleden afwijkend vaststellen van de aanspraak op een maatwerkvoorziening.

Beëindiging heeft dus, in tegenstelling tot intrekking en herziening, geen terugwerkende kracht.

Dit kan gaan om situaties waarin de cliënt niet meer aan de voorwaarden voldoet zoals genoemd in artikel. Ook kan het gaan om het niet meer verantwoord/veilig gebruik kunnen maken van een voorziening, bijvoorbeeld het rijgedrag met een scootmobiel of wanneer sprake is van cognitieve achteruitgang of gebruik van medicatie waarbij rijveiligheid niet meer veilig is.

Als terugvorderen juridisch lastig is (bijv. wegens aantonen opzet), dan is beëindiging, intrekking of herziening van de (toekennings)beschikking een goede optie om mogelijke schade te beperken. Dit kan ook ingezet worden als een klant niet meer veilig/verantwoord met een voorziening om kan gaan, of als er na een bepaalde periode blijkt dat de voorziening niet meer nodig is.

Herziening of intrekking is mogelijk als de klant onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft verstrekt.

Ook als de klant niet voldoet aan de voorwaarden die zijn verbonden aan de maatwerk-voorziening of het pgb of deze voor een ander doel gebruikt, kan een toekenningsbesluit worden herzien of ingetrokken (artikel 2.3.10 Wmo).

Een voorbeeld van een beëindiging is het stopzetten van de verstrekking of de verdere weigering van keuzevrijheid voor een pgb (in dat geval heeft de klant mogelijk nog wel recht op een voorziening in natura).

Toelichting op artikel 83

Als we een besluit tot toekenning van de Wmo-maatwerkvoorziening of pgb met terugwerkende kracht hebben ingetrokken omdat de klant onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt, kunnen we de ten onrechte ontvangen PGB of geldswaarde van de maatwerkvoorziening terugvorderen van de klant34

Wat betreft terugvordering zijn de wettelijke mogelijkheden beperkt. Bestuursrechtelijke terugvordering is uitsluitend mogelijk als sprake is geweest van het opzettelijk verstrekken van onjuiste gegevens. We kunnen in dat geval terugvorderen van de klant en van degene die opzettelijk zijn medewerking heeft verleend aan de onjuiste en onvolledige gegevensverstrekking.

Ook van deze (wettelijk beperkte) bevoegdheid maken we in beginsel gebruik. Dat betekent dat we terugvorderen als we kunnen aantonen dat de klant (en eventueel een persoon die daaraan medewerking heeft verleend) opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt (artikel 2.3.10 lid 1 onder a Wmo en artikel 2.4.1 lid 1 Wmo).

Het opzetvereiste is in jurisprudentie als volgt geformuleerd:

Opzet is de meest volledige wilsvorming die achter de gedraging zit. “De cliënt verstrekt willens en wetens onjuiste of onvolledige gegevens. Iemand verleent medewerking aan het opzettelijk verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens als diegene de cliënt daarbij hulp of assistentie verleent, waardoor mede door zijn toe¬doen sprake is van het willens en wetens verstrekken van die gegevens.” 35

We maken daarbij de afweging tussen het belang van de klant en het belang van terugvordering. De gevolgen voor de klant mogen niet onevenredig zijn in relatie tot de terugvordering.

Om in dit geval succesvol te kunnen terugvorderen is het erg belangrijk dat de oorspronkelijke toekenningsbeschikking Wmo duidelijk is, met een goede omschrijving van de verstrekking, de voorwaarden, de rechten en plichten. Zonder een goede beschikking is terugvorderen bijna onmogelijk. Ook in een eventuele civielrechtelijke of strafrechtelijke procedure is een goede beschikking erg belangrijk.

Mogelijkheden terugvordering in geval van:

1. Opzet cliënt (PGB en ZIN): Intrekking -> terugvordering

Als belanghebbende opzettelijk verkeerde gegevens heeft geleverd wordt eerst het recht ingetrokken met ingang van de datum waarop geen recht meer bestaat.

Daarna kan bestuursrechtelijk worden teruggevorderd met een terugvorderings- en invorderingsbeschikking. Eventueel kan een dwangbevel worden afgegeven omdat de executoriale titel aanwezig is.

2. Opzet cliënt en derde (zorgaanbieder) (PGB en zorg in natura (ZIN)): Intrekking – terugvordering cliënt, terugvordering derde. Alleen als de opzet is aangetoond kan de ISD van cliënt en de derde terugvorderen.

3. Geen opzet cliënt, fraude of fout derde: Geen terugvordering van cliënt mogelijk.

Terugvordering van zorgaanbieder moet via civielrechtelijke weg. Hieraan ligt uiteraard een grondig onderzoek ten grondslag. De grondslagen zijn verschillend voor PGB en ZIN, zoals hieronder aangegeven:

3.1 Wijze PGB:

a. Grondslag kiezen voor procedure (rechtsgrond):

aa) Onrechtmatige daad

Fraude (of een andere vorm van misbruik van pgb-gelden) door de zorg¬aanbieder levert een onrechtmatige daad jegens de gemeente op36 .

ab) Derdenbeding

Als het pgb naar aanleiding van toerekenbaar handelen van de zorgaanbieder is ingetrokken of herzien, kan de gemeente het onterecht verstrekte bedrag terugvorderen van de zorgaanbieder. Voorwaarde om van deze grondslag gebruik te maken is dat het derdenbeding is opgenomen in de overeenkomst tussen cliënt en zorgaanbieder. Bij overeenkomsten die zijn gesloten na 1 april 2017 is dit verplicht ( art. 2a lid 2 sub c Uitvoeringsregeling Wmo 2015 ). Om van het derdenbeding gebruik te kunnen maken moet de gemeente wel eerst de beschikking van de cliënt herzien of intrekken. Bij een derdenbeding kan de gemeente de aanbie-der naast de cliënt aanspreken (en niet in plaats van de cliënt zoals bij cessie, zie hieronder). De zorgaanbieder zal bij het intrekkings- of herzieningsbesluit mogelijk zijn belang bij het pgb willen waarborgen. Een complexe situatie kan ontstaan, zeker als de zorgaanbieder (die in dergelijke gevallen waarschijnlijk belanghebbende is bij het intrekkings- of herzieningsbesluit) de beslis¬sing aanvecht.

ac) Cessie (overdracht van vordering)

Na akte van cessie:

1. Civiele vordering wegens toerekenbare tekortkoming; of

2. Civiele vordering wegens onverschuldigde betaling

Hierbij neemt de gemeente de rechten van de cliënt jegens de zorgaanbieder over ( art. 2a Uitvoeringsregeling Wmo 2015 en art. 3:94 BW ). De vordering wordt als het ware overgedragen van cliënt naar de gemeente, die vervolgens de vordering kan instellen en innen. De gemeente tekent met de cliënt een ces¬sieakte , waarvan zij de zorgaanbieder op de hoogte stelt. Na cessie wordt een vordering tegen de zorgaanbieder ingesteld op grond van een toerekenbare tekortkoming of onverschuldigde betaling (zie toelichting artikel 3.2 ). De gemeente is voor cessie afhankelijk van de medewerking van de cliënt, omdat de gemeente de aanbieder aanspreekt in plaats van de cliënt.

b. Bewijs schade en fraude opbouwen

c. Evt. bestuurder aansprakelijk stellen

3.2 Wijze ZIN:

De ISD Bollenstreek heeft een directe relatie met de zorgaanbieder door middel van een contract. In de overeenkomst zijn verplichtingen voor de zorgaanbieder opgenomen met betrekking tot bijvoorbeeld de kwaliteit van de te leveren zorg. Verder dient de overeenkomst een bevoegdheid voor de gemeente bevatten om betaalde declaraties terug te vorderen indien er sprake is van fraude. Op basis van de resultaten van een onderzoek kan de gemeente ook een civielrechtelijke procedure starten om het onterecht verstrekte bedrag terug te vorderen.

a. Grondslag kiezen voor procedure (rechtsgrond):

aa) Ontbinding van de overeenkomst (om relatie naar de toekomst toe te beëindigen); en

Vaak is in overeenkomsten de mogelijkheid tot ontbinding opgenomen indien er sprake is van fraude. Ook als dit niet specifiek is opgenomen kan de gemeente de overeenkomst in beginsel ontbinden als de aanbieder de contractuele verplichtingen niet is nagekomen (art. 6:265 BW), wat vaak het geval is bij fraude. Een ontbinding heeft in principe geen terugwerkende kracht, maar verplicht beide partijen wel om inmiddels verrichte prestaties ongedaan te maken, waaronder betalingen (art. 6:269 en 6:271 BW). Nadeel van een dergelijke vordering is dat de aanbieder meestal wel enige ondersteuning heeft geleverd, waardoor er discussies ontstaan over of en in hoeverre de gemeente daarvoor nog een vergoeding moet betalen (art. 6:272 BW). Overigens laat dat onverlet dat de gemeente er desondanks belang bij kan hebben om de over-eenkomst te ontbinden. Niet om tot terugvordering over te kunnen gaan, maar met als doel om de relatie tussen de zorgaanbieder en de gemeente naar de toekomst toe te beëindigen37

ab) Toerekenbare tekortkoming op grond waarvan schadevergoeding kan worden gevraagd.

Als een partij de verplichtingen uit de overeenkomst toerekenbaar niet nakomt is zij in principe verplicht de daardoor veroorzaakte schade te vergoeden. In geval van fraude kan uw gemeente voor een vordering op basis van toerekenbare tekortkoming kiezen. Dit vraagt echter meestal om een ‘dubbele vertaalslag’ en is daarom niet altijd aantrekkelijk. Fraude levert doorgaans op zichzelf geen tekortkoming op, tenzij dit uitdrukkelijk is bepaald in de overeenkomst. Uw gemeente moet de fraude daarom vertalen naar het tekortschieten door de zorgaanbieder in de nakoming van wel in de overeenkomst genoemde verplichtingen, zoals het niet leveren van geïndiceerde zorg. Dit is de eerste vertaalslag. In hoeverre dit mogelijk is hangt met name af van de inhoud van de overeenkomst. Vervolgens moet worden aangetoond dat de schade een gevolg is van de tekortkomingen. Dit is de tweede vertaalslag.

ac) Onverschuldigde betaling

Als de aanbieder ‘zonder rechtsgrondslag’ is betaald, kan de gemeente het bedrag als onverschuldigd betaald terugvorderen. Om hiervan gebruik te kunnen maken, moet in beginsel in de overeenkomst wel een bevoegdheid tot terugvordering bij fraude zijn opgenomen respectievelijk zijn bepaald dat geen aanspraak op betaling bestaat indien er sprake is van fraude. Daarbij kan de gemeente ook opnemen dat zij bevoegd is om (maximaal) alle betaalde declaraties terug te vorderen, ongeacht of er ondersteuning is geleverd. Daarmee staat u sterker in discussies over de omvang van de terugvordering. Omdat het om een bevoegdheid in plaats van een verplichting gaat, laat dat ruimte om een afweging te maken over het al dan niet geheel terugvorderen van het betaalde bedrag38 . In die afweging kunnen onder meer de aard en ernst van de fraude, de daardoor ver¬oorzaakte financiële schade, de verwijtbaarheid van de aanbieder en de gevolgen voor de cliën¬ten worden betrokken.

b. Bewijs schade en fraude opbouwen

c. Evt. bestuurder aansprakelijk stellen

Strafrechtelijk onderzoek

Strafrechtelijke aangifte tegen de klant (en eventueel tegen de pgb-aanbieder) is tenslotte ook een mogelijkheid, naast bovenstaande wegen. Het primaire doel van strafrechtelijk onderzoek door het Openbaar Ministerie is het straffen van de fraudeur.

Hierover beslist echter niet een gemeente (De ISD Bollenstreek) zelf, maar het OM. Fraude is geen strafrechtelijk begrip. Onder fraude verstaan we verschillende delicten, zoals:

  • valsheid in geschrift (artikel 225 Sr);

  • overheidsmiddelen onjuist aanwenden (artikel 323a Sr);

  • oplichting (artikel 326 Sr);

  • witwassen (artikel 420bis Sr);

  • mogelijk fiscale delicten.

Op basis van één van deze grondslagen kan een strafrechtelijke procedure gestart worden.

Het OM zet het strafrecht niet in om de onterecht verstrekte gelden terug te vorderen, maar om de

dader te straffen voor het plegen van strafbare feiten. De ISD Bollenstreek kan aangifte doen bij de politie of een onderzoek naar zorgfraude overdragen aan het OM, met het verzoek een strafrechtelijk

onderzoek te starten. Maar het OM kan ook zonder medeweten van de ISD Bollenstreek beslissen om een onderzoek in te stellen.

In veel gevallen zijn de verwachtingen van de inzet van het strafrecht (te) hoog.

Daarom moet rekening gehouden worden met onderstaande overwegingen:

  • de duur van een strafrechtelijk onderzoek is doorgaans lang; nog langer duurt het voordat een

  • definitieve veroordeling volgt. De totale tijd van start onderzoek tot definitieve veroordeling

  • bedraagt gewoonlijk enkele jaren;

  • de vereisten aan het bewijs zijn hoog;

  • de opsporingsdiensten kunnen maar een klein deel van de fraudezaken oppakken;

  • maatschappelijk zeer ongewenste situaties (excessieve winsten, kwalitatief slechte zorg) zijn niet

  • per se strafbaar;

  • de straffen kunnen als laag worden ervaren.

Onderstaande voordelen wegen ook mee in de overweging:

  • een strafzaak kan een agenderende functie hebben;

  • een (definitieve) strafrechtelijke veroordeling heeft een zeer negatieve connotatie voor veroordeelde; daarnaast heeft een veroordeling gevolgen voor het verkrijgen van een Verklaring Omtrent het Gedrag;

  • het OM laat zich in principe niet leiden door politieke wenselijkheden; politiek onwenselijke

  • boodschappen kunnen door een strafrechtelijk onderzoek toch in de openbaarheid worden gebracht.

Toelichting op artikel 84

Dit artikel beschrijft de mogelijkheden om af te zien van terugvordering, en welke de ISD toepast. Ook dit sluit aan bij de Verordeningen en uitvoeringsregels Wmo.

Of bij een mogelijke grondslag voor terugvordering daadwerkelijk daartoe wordt overgegaan, is mede afhankelijk van de beoordeling van de specifieke situatie. Daarbij spelen ook overwegingen van redelijkheid en billijkheid een rol. Redelijkheid en billijkheid behelzen de sociaal aanvaardbare normen zoals ze door het gewoonterecht, ongeschreven recht of algemene rechtsbeginselen zijn geformuleerd.

Het kruimelbedrag is ingesteld omdat in geval van een klein bedrag, de administratieve lasten niet opwegen tegen het terug- en invorderen van het bedrag. De uitzondering is een schending van de inlichtingenplicht, dit valt immers onder een fraudevordering. Eén van onze uitgangspunten is dat fraude niet mag lonen.

Lid 2 en lid 3 gaan over een niet verwijtbare vordering. Als het ontstaan van de vordering niet te wijten is aan cliënt, is het uitgangspunt dat er geen terugvordering plaatsvindt. Dit kan zijn omdat er een situatie van overmacht ontstond, of een situatie die door anderen dan de aanvrager is ontstaan. Overwogen moet worden of de cliënt redelijkerwijs kon weten dat een situatie ontstond waardoor hij niet (meer) aan de voorwaarden voldeed.

Tevens dient overwogen te worden of cliënt nog aan de voorwaarden voldoet, anders volstaat een intrekking of beëindiging.

Lid 4 geeft de mogelijkheid voor afzien van terugvordering in geval van een verhuizing en een regeling met de nieuwe woongemeente.

Toelichting op artikel 85

Voor de invorderingsregels is aangesloten bij de regels in de Wmo en de Algemene wet bestuursrecht.

Deze regels gelden alleen bij bestuursrechtelijke terugvorderingen.

Toelichting op artikel 86

In dit artikel staat en dat invordering gelijktijdig met de bekendmaking van dit terugvorderingsbesluit start. Omdat dit een bestuursrechtelijke geldschuld is, geldt Titel 4.4 van de Awb. Volgens art. 4:87 Awb geldt een betalingstermijn van tenminste 6 weken. In dit artikel is de betalingstermijn bepaald op deze minimum termijn.

Als de klant niet kan, maar wel wil betalen, kan er een betalingsregeling worden getroffen. Zoals onder hoofdstuk 1 genoemd, wordt in principe contact opgenomen met een klant alvorens een belastende beschikking te versturen. In de praktijk kan in dit gesprek al blijken of iemand in staat is om te betalen of niet.

In de beschikking moet worden vermeld wanneer de betalingsverplichting ingaat en wat het saldo van de vordering is.

Uiteraard kan er daarnaast – afhankelijk van de situatie –altijd ook nog aanvullende informatie in het terugvorderings- en/of invorderingsbesluit worden vermeld. Bijvoorbeeld:

  • a.

    de mogelijkheid voor belanghebbende om binnen 6 weken na verzenddatum van de beschikking als bedoeld in artikel 4.87 van de Awb een betalingsregeling te treffen.

  • b.

    wat de (rechts)gevolgen bij niet (tijdige) nakoming van de betalingsverplichting zijn. Bijvoorbeeld de mogelijkheid van invordering bij dwangbevel na aanmaning en dat invorderingskosten voor rekening van de belanghebbende kunnen worden gebracht.

Deze rechtsgevolgen zijn ondermeer beschreven in afdeling 4.4.2 Awb over verzuim en wettelijke rente en afdeling 4.4.4 over aanmaning en invordering bij dwangbevel (ook het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bieden incassomaatregelen);

Toelichting op artikel 87

In lid 1 van dit artikel is de hoogte van het aflosbedrag vastgesteld. Er wordt aansluiting gezocht bij de beslagvrije voet.

De beslagvrije voet is het deel van het inkomen waarop in beginsel géén beslag mag worden gelegd (dus het inkomen waarover de belanghebbende de beschikking moet blijven houden).

De belanghebbende moet de beschikking blijven houden over de toepasselijke beslagvrije voet (art. 475 da lid 4 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Artikelen 475 db en dc Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering blijven van toepassing.

Voor iemand zonder vaste woon- of verblijfplaats (artikel 475e Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) geldt een andere beslagvrije voet, 47,5% van de bijstandsnorm.

Dit zijn nieuwe artikelen in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, die valt onder de Brede Schuldenaanpak van het ministerie SZW.

De wet Vereenvoudiging beslagvrije voet trad op 1 januari 2021 in werking, waaronder ook de aanpassingen aan het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering vallen. Inkomens ter hoogte van de bijstandsnorm hebben een beslagvrije voet van 95% van de bijstandsnorm.

Voor inkomens boven de bijstandsnorm is er een nieuwe berekening van de beslagvrije voet, waarvoor een rekentool beschikbaar is.

Toelichting op artikel 88

In dit artikel is de mogelijkheid om uitstel van betaling te verlenen op grond van artikel 4:94 Awb uitgewerkt.

Voor het maatwerk dat de ISD Bollenstreek toepast is het wenselijk om in individuele situaties uitstel te kunnen verlenen.

Als belanghebbende gemotiveerd vraagt om uitstel van betaling en de voorgestelde duur van uitstel is niet langer dan drie maanden wordt dit maximaal éénmaal per twee jaar toegekend. Dit uitstel wordt zonder verder onderzoek naar de hoogte van het inkomen of de persoonlijke situatie van de belanghebbende verleend. Indien de belanghebbende vaker om uitstel van betaling verzoekt of het verzoek om uitstel betreft een periode van meer dan 3 maanden, dan vindt ten alle tijde een onderzoek naar de persoonlijke en financiële situatie van de belanghebbende plaats alvorens er een beslissing wordt afgegeven.

Lid 3 geeft de mogelijkheid om bij dringende redenen uitstel te verlenen. Dringende redenen moeten worden onderbouwd met bewijsstukken aangetoond worden door belanghebbende.

Lid 4 spreekt voor zich.

Lid 5 bepaalt dat er een beschikking voor het uitstel moet worden afgegeven, tegen welke bezwaar en beroep openstaat. Aan het verlenen van uitstel kunnen voorwaarden worden verbonden, dit zal afhankelijk van de situatie van de schuldenaar worden vastgesteld.

Toelichting op artikel 89

Het verzoek om uitstel van betaling zal in het algemeen worden afgewezen indien de belanghebbende niet voldoet aan één van de onder a tot en met i opgesomde bepalingen. De afwijzing dient bij beschikking bekend te worden gemaakt (en dus voor bezwaar en beroep vatbaar).

Toelichting op artikel Beschikking intrekken of wijzigen (art.4:96 Awb)

Het verleende uitstel van betaling kan tussentijds beëindigd worden. Gronden daarvoor zijn dat de belanghebbende zich niet aan de aan het uitstel verbonden voorschriften houdt, er onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt die hebben geleid tot een andere beschikking of een wijziging van de omstandigheden die voortduring van het uitstel onaanvaardbaar maken. Beëindiging van het uitstel doet de betalingsverplichting onverkort herleven en vergt dan dus een nieuwe beschikking. Pas na bekendmaking van die beschikking kan de invorderingsprocedure worden gestart of worden hervat. Wordt een voorschrift voor een deel niet nagekomen, bijvoorbeeld door het niet tijdig voldoen van één betalingstermijn, dan kan ervoor worden gekozen om dit gedeelte na aanmaning in te vorderen. Immers, de schuldenaar is voor dat gedeelte van de vordering in verzuim. De uitstelbeschikking hoeft daarvoor niet te worden ingetrokken.

Toelichting op artikel 90

In dit artikel is bepaald dat bij een gegrond vermoeden (als er aanwijzingen zijn) dat de afloscapaciteit van belanghebbende is veranderd, of een signaal daartoe aanleiding geeft, er een draagkrachtonderzoek plaatsvindt. In principe is dit aan de orde wanneer wordt vermoed dat belanghebbende op zijn minst € 10 per maand meer of minder kan betalen.

Voor vaststelling van de beslagvrije voet vindt in ieder geval jaarlijks een draagkrachtonderzoek plaats. Tijdens het draagkrachtonderzoek wordt de aflossing opnieuw (op basis van de huidige situatie en aan de hand van de toepasselijke artikelen) beoordeeld en vastgesteld.

Wanneer geen betalingen worden ontvangen en niet bekend is waar belanghebbende verblijft of als belanghebbende in het buitenland verblijft, wordt jaarlijks een onderzoek ingesteld. Dit onderzoek houdt in dat in ieder geval de gemeentelijke basisregistratie personen (BRP) en Suwinet worden geraadpleegd.

Wijziging van de aflos-/betalingsverplichting gebeurt via een beschikking, waarbij de aflossing wordt gewijzigd per de eerste dag van de maand, volgend op de beschikking.

Wordt de eerder opgelegde aflossing gewoon gehandhaafd, dan wordt dat bij kennisgeving medegedeeld aan belanghebbende. In dat geval dus geen beschikking met bezwaarmogelijkheid omdat dit een feitelijke mededeling is (betreffende voortzetting van een bestaande situatie). Vindt belanghebbende dat zijn aflosbedrag moet worden gewijzigd, dan kan hij daartoe een verzoek (een aanvraag) indienen op grond van artikel 25 of 30 van deze uitvoeringsregels. In dat geval zal de ISD Bollenstreek op basis van dat verzoek (die aanvraag) een besluit nemen (waartegen bezwaar/beroep openstaat).

Toelichting op artikel 91

In beginsel moet belanghebbende minimaal € 10 per maand aflossen op de vordering. Dit zal afhankelijk van de situatie van belanghebbende worden bepaald danwel afgesproken.

Toelichting op artikel 92

De belanghebbende debiteur kan een verzoek indienen bij de ISD Bollenstreek om de aflosverplichting te wijzigen. In dit artikel zijn de procedurele eisen vastgelegd die voor zo’n verzoek gelden. In beginsel zal de ISD Bollenstreek vervolgens een draagkrachtonderzoek instellen en aan de hand van de toepasselijke artikelen in paragraaf 3.1 de afloscapaciteit (opnieuw) bepalen. Belanghebbende ontvangt vervolgens een beschikking.

Toelichting op artikel 93

De Awb beschrijft de invorderingsprocedure. Volledigheidshalve is deze hier op hoofdlijnen herhaald.

Opgemerkt wordt dat een vordering bij voorkeur niet uit handen wordt gegeven aan een deurwaarder. Adresonderzoek en beslag op het inkomen zijn eenvoudig zelf uit te voeren. Bovendien is dit voor zowel de belanghebbende als voor de ISD goedkoper. Een deurwaarder brengt immers kosten in rekening voor de door hem verleende diensten. In eerste instantie brengt een deurwaarder dit in rekening bij belanghebbende, maar wanneer deze niet kan worden getraceerd of wanneer er niets kan worden verhaald op de belanghebbende, zullen de kosten ten laste worden gebracht van de ISD. Dit kan betekenen dat er geen geld wordt geïncasseerd, maar de vordering feitelijk juist extra kost.

Het toch inschakelen van een deurwaarder zal daarom altijd goed moeten worden gemotiveerd. En dit zal alleen plaatsvinden wanneer aannemelijk is dat de baten daarvan hoger zijn dan de kosten.

Toelichting op artikel 94

De ISD Bollenstreek brengt geen wettelijke rente in rekening. Ook aanmaningskosten worden niet in rekening gebracht aan belanghebbende zolang de incasso van de vordering nog in handen is van de ISD Bollenstreek. Zodra de invordering echter uit handen wordt gegeven aan een (gerechts) deurwaarder, mag deze de incassokosten (bijv. kosten van dwangbevel als bedoeld in art. 4:119 Awb) verhalen op de belanghebbende en wettelijke rente in rekening brengen bij belanghebbende.

Hoofdstuk 7 Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs)

Inleiding

In de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) ligt de nadruk meer op doelmatigheid; hoe kan de schuldenaar weer participeren in de maatschappij en een gezonde financiële situatie bereiken.

Terugvordering is in deze wet niet aan de orde. Wat wel een onderdeel is van de preventieve handhaving is het maken van duidelijke afspraken vooraf, zoals beschreven in het concept Hoogwaardig handhaven in het Handhavingsbeleidsplan.

De schuldenaar wordt op een volwassen manier benaderd, en heeft zich aan verplichtingen te houden. Aan het begin van het traject worden afspraken gemaakt en voorwaarden benoemd, wij hanteren hierbij de richtlijnen van branchevereniging NVVK. Er wordt vervolgens een plan van aanpak opgesteld.

Verder is de schuldenaar verplicht om aan ons op verzoek of uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan redelijkerwijs duidelijk is dat deze van invloed kunnen zijn op de schulddienstverlening (zowel bij de aanvraag als gedurende de looptijd van het schulddienstverleningstraject).

Wat er gebeurt als de verplichtingen niet worden nageleefd, de repressieve handhaving, wordt nader toegelicht in dit hoofdstuk.

In het Besluit uitvoeringsregels schulddienstverlening ISD Bollenstreek staan de uitvoeringsregels ten aanzien van de handhaving van de verplichtingen.

Artikel 4a van de Wgs39 vormt de basis hiervan, in dit artikel is opgenomen dat er besloten kan worden tot afwijzing of beëindiging van schulddienstverlening. De nadere voorwaarden zijn uitgewerkt in de ‘Uitvoeringsregels schulddienstverlening ISD Bollenstreek’, waarnaar hier wordt verwezen.

De artikelen uit de uitvoeringsregels worden hier dus niet herhaald, wel toegelicht.

Hoofdlijnen

In de schulddienstverlening is geen sprake van terugvordering. Wel kan de schulddienstverlening worden afgewezen of beëindigd. Ook kan op voorhand worden besloten dat er geen aanbod wordt gegeven tot schulddienstverlening. Deze drie elementen vormen de repressieve kant van schulddienstverlening, en dragen bij tot een dienstverlening op maat waar die het hardst nodig is.

  • 1.

    Geen aanbod

    Het product informatie en advies wordt altijd aangeboden. Echter als er geen noodzaak tot schulddienstverlening is, wordt er geen aanbod tot schulddienstverlening gedaan. Wanneer deze noodzaak wel en niet aanwezig wordt geacht, wordt toegelicht in artikel 4 van de Uitvoeringsregels. Uiteraard vindt deze afweging plaats op grond van maatwerk en binnen redelijke kaders. Gedacht kan worden aan situaties waarbij openstaande fraudeschulden bestaan, of iemand zelf in staat is om zijn schulden te regelen.

  • 2.

    Afwijzing schulddienstverlening

    Het product informatie en advies wordt altijd aangeboden. Schulddienstverlening kan wel worden afgewezen als er sprake is van een herhaald verzoek, bijvoorbeeld na (verwijtbare) beëindiging van een stabilisatietraject, of na het reeds doorlopen van een traject schuldhulpverlening.

  • 3.

    Beëindiging schulddienstverlening

    De schulddienstverlening kan in bepaalde gevallen ook worden beëindigd. Het zal dan gaan om verwijtbare gedragingen. Bijvoorbeeld als iemand zich niet houdt aan de verplichtingen, of zich niet wil houden aan de afspraken. Ook als iemand zich misdraagt jegens een medewerker kan worden besloten tot beëindiging. Verder kan het traject beëindigd worden als iemand weer zelfstandig een gezonde financiële situatie kan behalen of voortzetten.

Hoofdstuk 8 Slotbepalingen

Artikel 95 Citeertitel

Deze uitvoeringsregels kunnen worden aangehaald als “Integrale uitvoeringsregels debiteuren ISD Bollenstreek 2022”.

Artikel 96 Inwerkingtreding

1. Deze uitvoeringsregels treden in werking op 1 januari 2022.

2. De integrale uitvoeringsregels debiteuren ISD Bollenstreek 2021 worden per de in het eerste lid genoemde datum ingetrokken.

Artikel 97 Overgangsrecht

Het in artikel 16, tweede lid, ingetrokken Debiteurenbeleidsplan ISD Bollenstreek 2015 blijft van toepassing op de besluiten die zijn genomen voor de dag van inwerkingtreding van de uitvoeringsregels terug- en invordering ISD Bollenstreek 2021.

Artikel 98 Hardheidsclausule

Het dagelijks bestuur kan in bijzondere gevallen, in het voordeel van de belanghebbende, afwijken van deze uitvoeringsregels, als toepassing van deze regels tot onbillijkheden van overwegende aard leidt en wetten in formele zin daardoor niet worden doorkruist.

Artikel 99 Overige situaties

In gevallen waarin deze uitvoeringsregels niet voorzien, beslist het dagelijks bestuur.

Artikelsgewijze toelichting hoofdstuk 8

Artikel 95

Behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 96

Behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 97

Behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 98

Dit artikel voorziet in de mogelijkheid om ten gunste van de belanghebbende af te wijken van de uitvoeringsregels indien strikte toepassing van deze uitvoeringsregels leidt tot onbillijkheden van zwaarwegende aard en mits de afwijking van deze regels er niet toe leidt dat daardoor wetten worden geschonden.

Bij de toepassing van de hardheidsclausule dient steeds een afweging te worden gemaakt tussen het belang van de regelgeving en de gevolgen van het handhaven van die regelgeving voor een individueel geval.

Artikel 99

Behoeft geen nadere toelichting.

Ondertekening

Besluit

Het dagelijks bestuur van de ISD Bollenstreek heeft op 20 januari 2022 de Integrale uitvoeringsregels debiteuren ISD Bollenstreek 2022 vastgesteld.

D.T.C. Salman

voorzitter

mr. R.J. ‘t Jong

secretaris


Noot
1

Gemeentenieuws van SZW, 2019-4

Noot
2
Noot
3

Artikel 25, van de IOAW alsmede artikel 25 van de IOAZ. Artikel 25, van de IOAW alsmede artikel 25 van de IOAZ.

Noot
4

Zie ECLI:NL:CRVB:2007:BB0561

Noot
5

Zie artikel 58 lid 8 Pw en ECLI:NL:CRVB:2016:952 (invulling begrip dringende redenen)

Noot
6

Zie ook artikel 58 Pw aanhef en onder b.

Noot
7

Artikel 58 lid 2 aanhef en onder f Pw, en artikel 25 lid 3 van de IOAW en IOAZ

Noot
8

Artikel 58, zevende lid aanhef en onder c PW respectievelijk artikel 25, zesde lid aanhef en onder c van de IOAW en IOAZ.

Noot
9

Artikel 60c van de PW en artikel 29a van de IOAW en IOAZ

Noot
10

Artikel 60a lid 4 Pw

Noot
11

Artikel 18a lid 1 Pw, artikel 20a IOAW en IOAZ, artikel 58 lid 1 en 2 Pw, artikel 25 IOAW IOAZ,

Noot
12

Artikel 58, eerste lid van de PW en artikel 25, eerste lid van de IOAW en IOAZ

Noot
13

Artikel 58, tweede lid en artikel 59 van de PW, artikel 25, tweede lid en artikel 26 van de IOAW en IOAZ

Noot
14

Artikel 18a, achtste lid van de PW en artikel 60, eerste lid van de PW jo artikel 60, zesde lid van de PW en artikel 20a, achtste lid van de IOAW/IOAZ en artikel 27 en 28, zesde lid van de IOAW/IOAZ.

Noot
15

Artikel 18a, achtste lid van de PW en artikel 60, eerste lid van de PW jo artikel 60, zesde lid van de PW en artikel 20a, achtste lid van de IOAW/IOAZ en artikel 27 en 28, zesde lid van de IOAW/IOAZ.

Noot
16

Gelijk gesteld aan de vermogensgrens in het bijzondere bijstandsbeleid

Noot
17

Zie CRvB 12 juni 2006, LJN: BA7221 en CRvB 17 juli 2007, LJN: BB1640.

Noot
18

Zie CRvB 24 juli 2007, LJN: BB0561.

Noot
19

ECLI:NL:CRVB:2016:952

Noot
20

Gemeentenieuws SZW 2019-4

Noot
21

Artikel 18a, vijfde lid van de PW jo artikel 60b van de PW / artikel 29 jo artikel 20a, vijfde lid van de IOAW/IOAZ en de ‘Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive ISD Bollenstreek 2015’, alsmede de ‘Uitvoeringsregels boete PW, IOAW en IOAZ ISD Bollenstreek 2015’.

Noot
22

Zie artikel 1:159a BW

Noot
23

Zie artikel 62a Pw, normen zoals aanbevolen door familierechters in de Expertgroep Alimentatienormen

Noot
24

De zgn Behoeftetabel via www.rechtspraak.nl

Noot
25

Met ingang van 1-1-2020 is de onderhoudsplicht beperkt, en vastgesteld op de helft van de duur van het huwelijk met een maximum van 5 danwel 12 jaren.

Noot
26

Vorderingen als bedoeld in artikel 58, eerste en tweede lid, van de PW of artikel 25, eerste t/m derde lid van de IOAW en IOAZ.

Noot
27

Norm sinds 1-1-2020: boete bedraagt maximaal € 87.000 bij opzet en in andere gevallen maximaal € 8.700.

Noot
28

ECLI:NL:CRVB:2016:8-13

Noot
29

ECLI:NL:HR:2014:685 respectievelijk ECLI:NL:CRVB:2014:3754, 24 november 2014

Noot
30

ECLI:NL:CRVB:2016:12

Noot
31

Het betreft de Aanwijzing sociale zekerheidsfraude die op 14 maart 2016 is gepubliceerd in de Staatscourant (nr. 12609) en met als datum van inwerkingtreding: 1 april 2016.

Noot
32

Conform artikel 475 da Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

Noot
33

Zie artikel 3:46 Awb

Noot
34

Een termijn voor terugvorderen is niet gespecificeerd, in het kader van voortvarend handelen van bestuursorgaan en de zesmaanden jurisprudentie is een termijn van 6 maanden nadat er een signaal is dat er geen of minder recht bestaat, gangbaar.

Noot
35

Uitspraak ECLI:NL:RBOVE:2018:2310

Noot
36

Voorbeelden van uitspraken: rechtbank Gelderland 22 augustus 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:3628 en Gerechtshof Den Haag 16 oktober 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:2860. Een aantal van de uitspraken waarnaar wordt verwezen hebben betrekking op fraudezaken die speelden onder de Zorgverzekeringswet respectievelijk de AWBZ. Hoewel er uiteraard sprake is van verschillen menen we dat de aangehaalde zaken zich in belangrijke mate lenen voor analoge toepassing bij fraude in de Wmo 2015/Jeugdwet

Noot
37

Bij een eventuele ontbinding zal wel steeds moeten worden bezien in hoeverre de ontbinding ook tot gevolg heeft dat de gemeente geen beroep meer zou kunnen doen op eventueel in de overeenkomst opgenomen terugvorderings- en bewijsbepalingen. Om hierover geen twijfel te laten ontstaan is het aan te bevelen om in te sluiten overeenkomsten uitdrukkelijk te bepalen dat een eventuele ontbinding de bepalingen die betrekking hebben op terugvordering en de bewijsverdeling onverlet laten.

Noot
38

Overigens is dit niet hetzelfde als een verplichting om de belangen van de gemeente en de zorgaanbieder gelijkelijk tegen elkaar af te wegen. Indien er sprake is van een contractuele bevoegdheid dan mag de gemeente daar in beginsel gebruik van maken, tenzij dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn of misbruik van bevoegdheid zou opleveren.

Noot
39

Opgenomen in de Wgs zoals deze geldt vanaf januari 2021