Besluit van het college en burgemeester van de gemeente Lelystad ieder voorzover het hun bevoegheid betreft houdende regels met betrekking tot het toepassen van de wet Bibob (Beleidsregel toepassing Wet Bibob gemeente Lelystad 2022)

Geldend van 03-02-2022 t/m heden

Intitulé

Besluit van het college en burgemeester van de gemeente Lelystad ieder voorzover het hun bevoegheid betreft houdende regels met betrekking tot het toepassen van de wet Bibob (Beleidsregel toepassing Wet Bibob gemeente Lelystad 2022)

Het college van burgemeester en wethouders van Lelystad en de burgemeester van Lelystad, ieder voor zover het hun bevoegdheden betreft,

  • »

    Overwegende, dat de Wet bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) hen beleidsruimte verschaft bij de besluitvorming omtrent het toepassen van hun uit deze wet voortvloeiende bevoegdheden;

Gelet op:

  • -

    het bepaalde in de Wet Bibob en artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;

  • -

    de artikelen 3, 27, 30a en 31 van de Alcoholwet;

  • -

    artikel 30b van de Wet op de kansspelen;

  • -

    de artikelen 2.1, 2.17, 2.19, 2.20 en 5.19 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

  • -

    de artikelen 2:25, 2:28, 2:28B, 2:39, 2:40B, 2:40K, 2:40O, lid 3, 3:3, 5:23 van de Algemene plaatselijke verordening Lelystad 2021;

  • -

    artikel 12.1 van de Verordening fysieke leefomgeving Lelystad 2021;

  • -

    artikel 8 van de Algemene Subsidieverordening Lelystad;

besluiten vast te stellen:

de Beleidsregel toepassing Wet Bibob gemeente Lelystad 2022

Hoofdstuk 1 Algemeen

Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen

  • 1. De definities in artikel 1, eerste lid, van de Wet Bibob zijn van overeenkomstige toepassing op deze beleidsregel.

  • 2. In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

    • a.

      rechtspersoon met een overheidstaak: de Staat, een provincie, een gemeente, een waterschap, een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen, de politie, een openbaar lichaam voor beroep en bedrijf dan wel een ander openbaar lichaam als bedoeld in artikel 134 van de Grondwet of een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen rechtspersoon met een overheidstaak.

    • b.

      bestuursorgaan: de burgemeester onderscheidenlijk het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad alsmede degenen aan wie zij een mandaat hebben verleend tot besluitvorming bij beschikkingen.

    • c.

      beschikking: een beschikking ter zake van een subsidie, alsmede een beschikking ter zake van een vergunning, toekenning, goedkeuring, erkenning, registratie, aanwijzing of ontheffing.

    • d.

      betrokkene: de aanvrager van een beschikking, de subsidie-ontvanger, de vergunninghouder, de gegadigde, de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie een overheidsopdracht is of zal worden gegund, de onderaannemer, de natuurlijke persoon of rechtspersoon met wie een vastgoedtransactie is of zal worden aangegaan of met wie wordt onderhandeld over een dergelijke transactie en de beoogd verkrijger van de erfpacht waarvoor toestemming is gevraagd als bedoeld in de begripsbepaling “vastgoedtransactie”.

    • e.

      Bibob-onderzoek: een onderzoek uitgevoerd krachtens de Wet Bibob.

    • f.

    • g.

      eigen Bibob-onderzoek: de wijze van behandelen van een aanvraag om een beschikking, een (voorgenomen) vastgoedtransactie of een overheidsopdracht, waarbij met toepassing van de wet door het bestuursorgaan wordt beoordeeld of er redenen aanwezig zijn om de beschikking te weigeren, respectievelijk de beschikking in te trekken of te beëindigen, daaraan voorschriften te verbinden dan wel een advies bij het Bureau aan te vragen.

    • h.

      Bibob-vragenformulier: het formulier dat is vastgesteld krachtens artikel 7a, vijfde lid, van de Wet Bibob.

    • i.

      overheidsopdracht: overheidsopdracht als bedoeld in artikel 1.1 van de Aanbestedingswet 2012.

    • j.

      vastgoedtransactie: een overeenkomst of een andere rechtshandeling met betrekking tot een onroerende zaak met als doel:

      • 1.

        het verwerven of vervreemden van een recht op eigendom of het vestigen, vervreemden of wijzigen van een zakelijk recht;

      • 2.

        huur of verhuur;

      • 3.

        het verlenen van een gebruikrecht;

      • 4.

        de deelname, met inbegrip van de vergroting, vermindering of beëindiging daarvan, aan een rechtspersoon, een commanditaire vennootschap of een vennootschap onder firma die het recht op eigendom of een zakelijk recht met betrekking tot die onroerende zaak heeft of zal hebben of die onroerende zaak huurt, zal huren, verhuurt, of zal verhuren; of

      • 5.

        toestemming voor vervreemding van erfpacht als bedoeld in artikel 91, eerste lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek.

  • j. Landelijk Bureau Bibob. Er is een Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen openbaar bestuur (artikel 8 Wet Bibob), hierna: het Bureau. Het Bureau heeft tot taak aan bestuursorganen op verzoek advies uit te brengen over de mate van gevaar. Het Bureau verricht hiertoe zelfstandig onderzoek (artikelen 8 en 9 van de Wet Bibob).

  • k. RIEC: Regionaal Informatie en Expertise Centrum.

  • l. Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Artikel 1.2 Toepassing beleidsregel

Deze beleidsregel heeft uitsluitend betrekking op de toepassing van de Wet Bibob door de rechtspersoon zijnde de gemeente Lelystad en diens bestuursorganen. De beleidsregel laat dus onverlet dat binnen de grenzen van de wet op andere wijze een integriteitstoets wordt uitgevoerd en dat de uitkomsten daarvan bij verdere besluitvorming wordt betrokken.

Artikel 1.3 Uitvoering Bibob-onderzoek in afwijking van beleidsregel

Deze beleidsregel laat onverlet dat in afwijking van de hierna volgende bepalingen tot uitvoering van een onderzoek in het kader van de Wet Bibob kan worden besloten, indien de omstandigheden van het geval daartoe aanleiding geven.

Hoofdstuk 2 Beschikkingen

Artikel 2.1 Vergunningen horeca, speelautomatenhal, seksinrichting, openbare inrichting
  • 1. Het bestuursorgaan start altijd een Bibob-onderzoek bij elke aanvraag voor een vergunning als bedoeld in:

    • artikel 3 van de Alcoholwet (alcoholvergunning);

    • artikel 30b van de Wet op de kansspelen (aanwezigheidsvergunning speelautomaten);

    • artikel 2:28 van de Algemene plaatselijke verordening Lelystad 2021 (exploitatievergunning openbare inrichting);

    • artikel 2:39 van de Algemene plaatselijke verordening Lelystad 2021 (exploitatievergunning speelgelegenheid);

    • artikel 2:40B van de Algemene plaatselijke verordening Lelystad 2021 (exploitatievergunning speelautomatenhal);

    • artikel 2:40O, derde lid, van de Algemene plaatselijke verordening Lelystad 2021 (ondermijningsartikel);

    • artikel 3:3 van de Algemene plaatselijke verordening Lelystad 2021 (exploitatievergunning seksinrichting, escortbedrijf);

      • a.

        indien er sprake is van nieuwe vestiging van een inrichting of bedrijf, en/of

      • b.

        indien er sprake is van een overname of wijziging van een exploitant.

  • 2. In afwijking van het bepaalde in het vorige lid zal het bestuursorgaan ten aanzien van:

    • artikel 30a van de Alcoholwet (melding wijziging leidinggevende);

    • de aanvraag als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet, in het geval het een horecabedrijf betreft van een paracommerciële rechtspersoon, als bedoeld in artikel 1, juncto artikel 4 van de Alcoholwet;

    • de aanvraag als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet, in het geval het een slijtersbedrijf is, als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet;

    • artikel 2:28B van de Algemene plaatselijke verordening Lelystad 2021 (melding wijziging beheerder openbare inrichting);

    • artikel 2:40K van de Algemene plaatselijke verordening Lelystad 2021 (melding wijziging leidinggevende speelautomatenhal);

    • artikel 5:23 van de Algemene plaatselijke verordening Lelystad 2021 (vergunning snuffelmarkten);

  • in beginsel een Bibob-onderzoek starten, indien op grond van:

    • eigen ambtelijke informatie, en/of

    • informatie verkregen van het Bureau of wanneer het Bureau een tip heeft uitgebracht als bedoeld in artikel 11 van de Wet Bibob, en/of

    • situaties als bedoeld in artikel 11a van de Wet Bibob, en/of

    • informatie afkomstig van een van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC, en/of

    • vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de Wet Bibob (OM-tip), en/of

    • overige signalen,

  • vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene en/of zijn potentiële, huidige of voormalige Bibob relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid van de Wet Bibob en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering.

Artikel 2.2 Evenementen
  • 1. In geval van een aanvraag als bedoeld in de artikel 2:25 van de Algemene plaatselijke verordening Lelystad 2021 (evenementenvergunning), zal het bestuursorgaan in beginsel een Bibob-onderzoek starten, indien op grond van:

    • eigen ambtelijke informatie, en/of

    • informatie verkregen van het Bureau of wanneer het Bureau een tip heeft uitgebracht als bedoeld in artikel 11 van de Wet Bibob, en/of

    • situaties als bedoeld in artikel 11a van de Wet Bibob, en/of

    • informatie afkomstig van een van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC, en/of

    • vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de Wet Bibob (OM-tip), en/of

    • overige signalen,

  • vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene en/of zijn potentiële, huidige of voormalige Bibob relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid van de Wet Bibob en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering.

  • 2. In afwijking van het bepaalde in het vorige lid, past het bestuursorgaan de wet altijd toe ingeval van een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 2:25 van de Algemene plaatselijke verordening Lelystad 2021, indien de aanvraag betrekking heeft op een vechtsportwedstrijd of -gala, zoals bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, onder e, van de Algemene plaatselijke verordening Lelystad 2021 tenzij deze evenementen onder auspiciën van de landelijke vechtsportbond worden georganiseerd

Artikel 2.3 Omgevingsvergunning bouw

In geval van een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo of in geval van een reeds verleende vergunning als bedoeld in artikel 5.19, vierde lid, onder b, van de Wabo verricht, zal het bestuursorgaan in beginsel een Bibob-onderzoek starten, indien op grond van:

  • eigen ambtelijke informatie, en/of

  • informatie verkregen van het Bureau of wanneer het Bureau een tip heeft uitgebracht als bedoeld in artikel 11 van de Wet Bibob, en/of

  • situaties als bedoeld in artikel 11a van de Wet Bibob, en/of

  • informatie afkomstig van een van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC, en/of

  • vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de Wet Bibob (OM-tip), en/of

  • overige signalen

vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene (dan wel degene die op grond van artikel 2.20 van de Wabo met hem gelijkgesteld kan worden) en/of zijn potentiële, huidige of voormalige Bibobrelaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de Wet Bibob en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering.

Artikel 2.4 Omgevingsvergunning milieu

In geval van een aanvraag voor een vergunning of bij een reeds verleende vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e. van de Wabo, voor zover dat onderdeel betrekking heeft op een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van die wet, en artikel 2.1, eerste lid onder i. van de Wabo, voor zover dat onderdeel betrekking heeft op een activiteit waarvoor bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 2.17 van die wet is bepaald dat de beschikking in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3, kan worden geweigerd, zal het bestuursorgaan in beginsel een Bibob-onderzoek starten, indien op grond van:

  • eigen ambtelijke informatie, en/of

  • informatie verkregen van het Bureau of wanneer het Bureau een tip heeft uitgebracht als bedoeld in artikel 11 van de Wet Bibob, en/of

  • situaties als bedoeld in artikel 11a van de Wet Bibob, en/of

  • informatie afkomstig van een van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC, en/of

  • vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de Wet Bibob (OM-tip), en/of

  • overige signalen

vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene (dan wel degene die op grond van artikel 2.20 van de Wabo met hem gelijkgesteld kan worden) en/of zijn potentiële, huidige of voormalige Bibobrelaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid van de Wet Bibob en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering.

Artikel 2.5 (Overige) vergunningen als bedoeld in artikel 7 van de Wet Bibob

In geval van een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 7 van de Wet Bibob (een gemeentelijke vergunning die op grond van een verordening verplicht is gesteld voor inrichting, bedrijf) anders dan de situaties bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, van deze beleidsregel en in geval van een aanvraag voor een vergunning zal het bestuursorgaan in beginsel een Bibob-onderzoek starten indien op grond van:

  • eigen ambtelijke informatie, en/of

  • informatie verkregen van het Bureau of wanneer het Bureau een tip heeft uitgebracht als bedoeld in artikel 11 van de Wet Bibob, en/of

  • situaties als bedoeld in artikel 11a van de Wet Bibob, en/of

  • informatie afkomstig van een van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC, en/of

  • vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de Wet Bibob (OM-tip), en/of

  • overige signalen

vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene en/of zijn potentiële, huidige of voormalige Bibob relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de Wet Bibob en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering.

Artikel 2.6 Subsidies

In geval van een aanvraag voor (het vaststellen van) een subsidie of bij een reeds verleende (of vastgestelde) subsidie zal het bestuursorgaan in beginsel een Bibob-onderzoek starten, indien op grond van:

  • eigen ambtelijke informatie, en/of

  • informatie verkregen van het Bureau of wanneer het Bureau een tip heeft uitgebracht als bedoeld in artikel 11 van de Wet Bibob, en/of

  • situatie als bedoeld in artikel 11a van de Wet Bibob, en/of

  • informatie afkomstig van een van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC, en/of

  • vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de Wet Bibob (OM-tip) en/of

  • overige signalen

vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene en/of zijn potentiële, huidige of voormalige Bibob relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de Wet Bibob en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering.

Artikel 2.7 Verleende beschikking

In geval van een reeds verleende beschikking zal het bestuursorgaan in beginsel een Bibob-onderzoek starten indien op grond van:

  • eigen ambtelijke informatie, en/of

  • informatie verkregen van het Bureau of wanneer het Bureau een tip heeft uitgebracht als bedoeld in artikel 11 van de Wet Bibob, en/of

  • situaties als bedoeld in artikel 11a van de Wet bibob, en/of

  • informatie afkomstig van een van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC, en/of

  • vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de Wet Bibob (OM-tip) en/of

  • overige signalen

vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene en/of zijn potentiële, huidige of voormalige Bibob relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de Wet Bibob en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering.

Hoofdstuk 3 privaatrechtelijke transacties

Artikel 3.1 Vastgoedtransacties screening vooraf
  • 1. De gemeente zal een eigen Bibob-onderzoek starten alvorens een beslissing wordt genomen over het aangaan van een vastgoedtransactie indien op grond van:

    • eigen ambtelijke informatie, en/of

    • informatie verkregen van het Bureau of wanneer het Bureau een tip heeft uitgebracht als bedoeld in artikel 11 van de Wet Bibob, en/of

    • situaties als bedoeld in artikel 11a van de Wet Bibob, en/of

    • informatie afkomstig van een van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC, en/of

    • vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de Wet Bibob (OM-tip) en/of

    • overige signalen

  • vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene en/of zijn potentiële, huidige of voormalige Bibob relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de Wet Bibob en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering.

  • 2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, start de gemeente een Bibob-onderzoek alvorens een beslissing wordt genomen over het aangaan van een vastgoedtransactie, indien de onroerende zaak waarop de vastgoedtransactie betrekking heeft, zal worden gebruikt in één van de volgende sectoren:

    • horecabedrijven;

    • seks- en escortbedrijven;

    • inrichtingen waarin middelen als bedoeld in lijst II van de Opiumwet te koop worden aangeboden (coffeeshops);

    • openbare inrichtingen ingevolge artikel 2:27 van de Algemene plaatselijke verordening Lelystad 2021;

    • speelautomatenhallen;

    • fitnesscentra;

    • wellnessbranche (massage- en beautysalons, nagel- en zonnebankstudio’s);

    • autobranche (autohandel, garages, lease- en verhuurbedrijven en autodemontage);

    • belwinkels;

    • woonruimte voor arbeidsmigranten;

    • woonwagenterreinen;

    • religieuze instellingen;

    • afvalverwerkingsbedrijven.

  • 3. De gemeente kan een Bibob-onderzoek starten alvorens een beslissing wordt genomen over het aangaan van een vastgoedtransactie, indien:

    • de transactie betrekking heeft op een beeldbepalende onroerende zaak of op een onroerende zaak die naar het oordeel van de gemeente symbolische waarde heeft.

    • er sprake is van exceptioneel (financieel) risico voor de gemeente.

    • de onroerende zaak waarop de vastgoedtransactie betrekking heeft, gelegen is in een door de burgemeester op grond van artikel 2:40O van de Algemene plaatselijke verordening Lelystad 2021 aangewezen gebied.

Artikel 3.2 Vastgoedtransacties screening achteraf
  • 1. De gemeente zal, nadat de vastgoedtransactie tot stand is gekomen, in beginsel een eigen Bibob-onderzoek starten, indien in de overeenkomst een Bibob-beëindigingclausule als bedoeld in artikel 5a, sub b, van de Wet Bibob is opgenomen én indien op grond van:

    • eigen ambtelijke informatie, en/of

    • informatie verkregen van het Bureau of wanneer het Bureau een tip heeft uitgebracht als bedoeld in artikel 11 van de Wet Bibob, en/of

    • situaties als bedoeld in artikel 11a van de Wet Bibob, en/of

    • informatie afkomstig van een van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC, en/of

    • vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de Wet Bibob (OM-tip), en/of

    • overige signalen

  • vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene en/of zijn potentiële, huidige of voormalige Bibob relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de Wet Bibob en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering.

  • 2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid kan de gemeente, nadat de vastgoedtransactie tot stand is gekomen, periodiek een Bibob-onderzoek uitvoeren op momenten zoals in de overeenkomst bepaald.

Artikel 3.3 Overheidsopdrachten

In geval van een overheidsopdracht die onder het bereik van de Wet Bibob valt, zal de gemeente in beginsel een Bibob-onderzoek starten, indien op grond van:

  • eigen ambtelijke informatie, en/of

  • informatie verkregen van het Bureau of wanneer het Bureau een tip heeft uitgebracht als bedoeld in artikel 11 van de Wet Bibob, en/of

  • situaties als bedoeld in artikel 11a van de Wet Bibob, en/of

  • informatie afkomstig van een van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC, en/of

  • vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de Wet Bibob (OM-tip), en/of

  • overige signalen

vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene en/of zijn potentiële, huidige of voormalige Bibob relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de Wet Bibob en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering.

Hoofdstuk 4 Gevolgen van de Bibob-procedure bij beschikkingen

Artikel 4.1 Gevolgen van gebrekkige informatievoorziening door betrokkene
  • 1. Het bestuursorgaan laat een aanvraag voor een beschikking in beginsel buiten behandeling, in geval van het niet of niet volledig invullen van het Bibob-vragenformulier, dan wel het niet of niet volledig verstrekken van de op basis van het Bibob-vragenformulier verzochte gegevens en bescheiden, mits de betrokkene de gelegenheid heeft gehad tot herstel van dit gebrek.

  • 2. Het bestuursorgaan trekt een verleende beschikking in beginsel in op basis van artikel 4, eerste lid, van de Wet Bibob, in geval van het niet of niet volledig invullen van het Bibob-vragenformulier, dan wel het niet of niet volledig verstrekken van de op basis van het Bibob-vragenformulier verzochte gegevens en bescheiden, mits de betrokkene de gelegenheid heeft gehad tot herstel van dit gebrek.

  • 3. Het bestuursorgaan kan de weigering van de betrokkene om een formulier als bedoeld in artikel 7a, vijfde lid, Wet Bibob, volledig in te vullen, in beginsel aanmerken als een ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, Wet Bibob (volgt uit artikel 4, eerste lid, Wet Bibob). Het bestuursorgaan kan de weigering van de betrokkene om aanvullende gegevens te verschaffen aan het Bureau, in beginsel aanmerken als een ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, Wet Bibob (volgt uit artikel 4, tweede lid, Wet Bibob).

Artikel 4.2 Gevolgen van een Bibob-onderzoek bij aanvragen (tot wijziging) van een vergunning
  • 1. Het bestuursorgaan zal in beginsel overgaan tot weigering van een aanvraag om (wijziging van) een vergunning of tot intrekking van een reeds verleende vergunning, indien uit het eigen onderzoek of uit advies van het Bureau blijkt dat er sprake is van een ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet Bibob, dan wel een situatie zich voordoet als bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Wet Bibob.

  • 2. Het bestuursorgaan kan de weigering van de vergunninghouder om een formulier als bedoeld in artikel 7a, vijfde lid, Wet Bibob, volledig in te vullen, in beginsel aanmerken als een ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid Wet Bibob (volgt uit artikel 4, eerste lid, Wet Bibob). Het bestuursorgaan kan de weigering van de aanvrager van een vergunning of de vergunninghouder om aanvullende gegevens te verschaffen, aanmerken als een ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid Wet Bibob (volgt uit artikel 4, tweede lid, Wet Bibob).

  • 3. Het bestuursorgaan kan bij een mindere mate van gevaar of bij een ernstige mate van gevaar als bedoeld in artikel 3, zevende lid, van de Wet Bibob in beginsel voorschriften aan een beschikking verbinden. Deze voorschriften zijn gericht op het wegnemen of beperken van dergelijk gevaar.

Artikel 4.3 Gevolgen van een beëindigde relatie tussen de betrokkene en een derde
  • 1. Indien de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die, al dan niet vermoedelijk, gepleegd zijn door een derde als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de Wet Bibob, dan kan het bestuursorgaan de feiten van die derde na het verbreken van de relatie tussen de betrokkene en de derde, gedurende vijf jaren volledig betrekken bij de beoordeling van het gevaar.

  • 2. Voor het bepalen van het moment waarop de relatie tussen de betrokkene en de derde formeel en feitelijk is beëindigd, wordt bij de toepassing van het eerste lid uitgegaan van gegevens uit het handelsregister, en/of andere documentatie die naar het oordeel van het bestuursorgaan voldoende uitsluitsel geeft over de beëindiging van de relatie.

Hoofdstuk 5 Gevolgen van de Bibob-procedure bij privaatrechtelijke transacties

Artikel 5.1 Gevolgen van een Bibob-onderzoek bij vastgoedtransacties
  • 1. De gemeente kan overgaan tot het afbreken van de onderhandelingen, indien uit het eigen onderzoek en/of een eventueel daarop afgegeven advies van het Bureau blijkt dat één van de onderstaande situaties zich voordoet:

    • a.

      er is sprake van tenminste een mindere mate van gevaar dat de vastgoedtransactie mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten;

    • b.

      er is sprake van tenminste een mindere mate van gevaar dat in of met de onroerende zaak waar de vastgoedtransactie betrekking op heeft, mede strafbare feiten zullen worden gepleegd;

    • c.

      er is sprake van feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die naar het oordeel van de gemeente een integriteitsrisico vormen (ongeacht de mate van gevaar);

    • d.

      er is sprake van feiten en omstandigheden die er op wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging van de vastgoedtransactie een strafbaar feit is gepleegd;

    • e.

      betrokkene heeft nagelaten de op grond van artikel 7a, tweede lid, en artikel 7a, derde lid, Wet Bibob gevraagde gegevens en bescheiden te verschaffen en/of heeft nagelaten de vragen die hem door de gemeente zijn gesteld op basis van dat artikel binnen de door de gemeente gestelde termijn volledig en naar waarheid te beantwoorden;

    • f.

      betrokkene heeft nagelaten de op grond van artikel 4 Wet Bibob gevraagde gegevens en bescheiden te verschaffen en/of heeft nagelaten de vragen die hem door het Bureau zijn gesteld op basis van dat artikel binnen de door het Bureau gestelde termijn volledig en naar waarheid te beantwoorden.

    • g.

      indien er sprake is van het niet verschaffen van de gevraagde gegevens en bescheiden, dan wel het nalaten van de gestelde vragen te beantwoorden zoals onder e. en f. is gesteld, kan dit een ernstig gevaar opleveren zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, Wet Bibob.

  • 2. In de gevolgen van een Bibob-onderzoek dat is gestart nadat de vastgoedtransactie is aangegaan, wordt bij overeenkomst voorzien.

Artikel 5.2 Gevolgen van een beëindigde relatie tussen de betrokkene en een derde
  • 1. Indien de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die, al dan niet vermoedelijk, gepleegd zijn door een derde als bedoeld in artikel 3, vierde lid van de Wet Bibob, dan kan de gemeente de feiten van die derde na het verbreken van de relatie tussen de betrokkene en de derde, gedurende vijf jaren volledig betrekken bij de beoordeling van het gevaar met betrekking tot de vastgoedtransactie.

  • 2. Voor het bepalen van het moment waarop de relatie tussen de betrokkene en de derde formeel en feitelijk is beëindigd, wordt bij de toepassing van het eerste lid uitgegaan van gegevens uit het handelsregister, en/of andere documentatie die naar het oordeel van de gemeente voldoende uitsluitsel geeft over de beëindiging van de relatie.

Artikel 5.3 Gevolgen van een Bibob-onderzoek bij aanbestedingen
  • 1. In geval van een inschrijving op een overheidsopdracht kan de informatie uit het Bibob-onderzoek dienen als onderbouwing van een of meerdere uitsluitingsgronden als genoemd in de Aanbestedingswet 2012.

  • 2. De gemeente kan besluiten een overheidsopdracht niet te gunnen, in geval van het niet of niet volledig invullen van het Bibob-vragenformulier, dan wel het niet of niet volledig verstrekken van de op basis van het Bibob-vragenformulier verzochte gegevens en bescheiden, mits de betrokkene de gelegenheid heeft gehad tot herstel van dit gebrek.

  • 3. De gemeente kan besluiten een overheidsopdracht niet te gunnen, in geval van het niet of niet volledig beantwoorden van de door het Bureau gestelde vragen, dan wel niet of niet volledig verstrekken van door de het Bureau verzochte gegevens.

Hoofdstuk 6 Slotbepalingen

Artikel 6.1 Intrekking

De Beleidslijn toepassing Wet Bibob gemeente Lelystad 2017 wordt ingetrokken met ingang van het moment waarop deze beleidsregel in werking treedt.

Artikel 6.2 Inwerkingtreding

Deze beleidsregel treedt in werking op de dag nadat zij bekend is gemaakt.

Artikel 6.3 Citeertitel

Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel toepassing Wet Bibob gemeente Lelystad 2022

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de vergadering van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad gehouden op 18 januari 2022

De secretaris, De burgemeester,

De burgemeester van Lelystad,

Toelichting Beleidsregel toepassing Wet Bibob 2022 gemeente Lelystad

1. Inleiding.

Een van de conclusies die de Parlementaire Enquête Commissie Van Traa in 1996 trok, was dat de ernst van georganiseerde criminaliteit vooral was gelegen in het grote financiële gewin en de economische macht die daaruit voortvloeit. Die economische macht beperkt zich niet tot de onderwereld, maar dringt in allerlei gedaanten in de bovenwereld door, aldus de commissie.

Criminele personen kunnen met al dat geld infiltreren in het economische leven door bijvoorbeeld gebruik te maken van bestuurlijke faciliteiten, zoals vergunningen, subsidies en vastgoedtransacties. Dit heeft een aantasting van de integriteit van de overheid tot gevolg.

2. De Wet Bibob algemeen.

De integriteit van bestuursorganen (bijvoorbeeld een gemeente of een provincie) wordt aangetast als er bij een (verleende) vergunning of bij of een vastgoedtransactie, gebruik wordt gemaakt van ‘crimineel’ geld of wanneer de kans groot is dat vergunning wordt gebruikt om strafbare feiten te plegen.

Ter bescherming van hun eigen integriteit, kunnen gemeenten of provincies sinds 1 juni 2003 de Wet Bevordering Integriteitbeoordelingen door het Openbaar Bestuur, kortweg de Wet Bibob toepassen. Deze wet dient primair ter inschatting van het integriteitsrisico van overheidsorganen. De Wet Bibob is dus geen instrument om vermoedelijke criminele gedragingen van personen/organisaties te bestrijden.

Voor de toepassing van de Wet Bibob in het algemeen geldt dat het slechts als ultimum remedium,als ‘laatste redmiddel’ dient te worden ingezet. De gemeente is hierdoor verplicht eerst de mogelijkheden na te gaan die de reguliere wetgeving biedt.

3. Waarom een beleidslijn.

Gemeenten zijn zelf verantwoordelijk voor het uitvoeren van de Wet Bibob. De Wet Bibob is een facultatieve wet. Dat betekent dat een gemeente zelf mag bepalen wanneer dit instrument wel of niet toepast.

Het invoeren en toepassen van een beleidslijn biedt de gemeente meer structuur en zekerheid in haar werkwijze aan zowel de ambtenaren als aan burgers en ondernemingen. Tevens voorkom je als gemeente willekeur in de toepassing van de Wet Bibob voor de burger en een onderneming. In de beleidslijn staat namelijk precies aangegeven op welke vergunningen, vastgoedtransacties, subsidies en overheidsopdrachten de Wet Bibob wordt toegepast en in welke situaties de Wet Bibob kan worden toegepast. Tevens geef je als gemeente een nadrukkelijk signaal af voor de bescherming van de eigen integriteit. Dit kan een preventieve werking tot gevolg hebben.

In de gevallen, waarin toepassing van het Bibob-instrument beperkt zal worden tot aangewezen branches/gebieden en daarop toegeschreven risico-indicatoren is het noodzakelijk, dat hierin een zorgvuldige afweging wordt gemaakt.

Gelet hierop gelden voor de gemeente Lelystad de volgende uitgangspunten voor de beleidslijn:

Uitgangspunten Bibob beleid

  • 1.

    Er dient een balans te zijn tussen de inzet van het Bibob-instrumentarium en overige belangen die de gemeente dient te behartigen zoals het mogelijk maken van investeringen in de stad, het faciliteren van ondernemers en andere partners en het verminderen van regeldruk.

  • 2.

    Het instrument wordt vooral ingezet waar de kans dat zich criminele activiteiten voordoen het grootst is. Door het Bibob instrumentarium risicogericht in te zetten worden de administratieve lasten voor ondernemers zoveel mogelijk beperkt. Ondernemers en markpartijen die te maken kunnen krijgen met een Bibob onderzoek worden hier in een zo vroeg mogelijk stadium over geïnformeerd.

  • 3.

    De toepassing van de Wet Bibob is één van de middelen in de bestuurlijke aanpak van de georganiseerde criminaliteit en de aanpak van ondermijning in zijn geheel en vormt samen met de strafrechtelijke en fiscale benadering een integraal geheel.

4. Wetswijzing Wet Bibob d.d. 1 augustus 2020.

Op 1 augustus 2020 is de gewijzigde Wet Bibob (eerste tranche) in werking getreden. Onderdeel van de wetswijziging is onder andere een verruiming van de mogelijkheden van overheden om eigen onderzoek (zie ook verder) te doen. Voortaan kan bijvoorbeeld ook justitiële informatie over bepaalde zakelijke relaties van de betrokkene zoals vermogensverschaffers, worden opgevraagd.

Ook is het toepassingsbereik van de Wet Bibob uitgebreid. Zo vallen vanaf 1 augustus 2020

ALLE overheidsopdrachten onder de Wet Bibob. Voorts zijn de mogelijkheden rondom vastgoedtransacties gewijzigd. Sinds 2013 valt de deelname van een rechtspersoon met een overheidstaak aan een rechtspersoon die een onroerende zaak in eigendom heeft of die (ver)huurt, onder het bereik van de Wet Bibob. Met voornoemde wetswijziging valt ook de vergroting, vermindering of beëindiging van een dergelijke deelname onder de Wet Bibob.

Tevens is de Wet Bibob nu ook van toepassing als de rechtspersoon de onroerende zaak pas ná de (vergroting, vermindering of beëindiging van de) deelname verwerft of gaat huren (artikel 1, eerste lid, begripsbepaling ‘vastgoedtransactie’, sub 4, Wet Bibob). Het verlenen van toestemming door de eigenaar voor het vervreemden van erfpacht, wordt nu ook als een vastgoedtransactie gekwalificeerd. Een gemeente kan in dergelijke zaken daardoor de Wet Bibob toepassen alvorens over het verlenen van toestemming te beslissen (artikel 1 eerste lid, begripsbepaling ‘vastgoedtransactie’, sub 5, Wet Bibob).

Nieuw is ook dat het Bureau een adviesaanvraag buiten behandeling kan laten als:

  • het bestuursorgaan de resultaten van het eigen onderzoek niet met het Bureau heeft gedeeld, of

  • het bestuursorgaan onvoldoende eigen onderzoek heeft verricht (artikel 9, vijfde lid, Wet Bibob).

  • Hieruit blijkt onder meer dat het eigen onderzoek door bestuursorganen erg belangrijk is.

5. Toepassingsbereik Wet Bibob.

Gemeenten (als publiekrechtelijk orgaan) kunnen de Wet Bibob toepassen op:

  • De beschikking ingevolge de artikel 3 en 30a van de Alcoholwet:

    • de Alcoholvergunning;

    • bijlage bij de Alcoholvergunning

  • Vergunning t.b.v. seksinrichtingen

  • Vergunning voor aanwezig hebben van kansspelautomaten

  • Vergunningen vanuit de Huisvestingswet (voorwaarde is een daartoe geldende Huisvestingsverordening);

    • Huisvestingsvergunning

    • vergunning tot onttrekken, samenvoegen of splitsen van een woonruimte

    • vergunning voor splitsen van recht op gebouw in appartementsrechten

  • Vergunningen/ontheffingen, voortkomende uit Gemeentelijke Verordeningen

  • Omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten en milieuactiviteiten

  • Subsidies.

Voor gemeenten als privaatrechtelijke partner geldt sinds 1 augustus 2020 dat:

  • ALLE overheidsopdrachten kunnen worden getoetst aan de Wet Bibob

  • Onder vastgoedtransactie wordt verstaan:

  • een overeenkomst of een andere rechtshandeling met betrekking tot een onroerende zaak met als doel:

    • 1.

      het verwerven of vervreemden van een recht op eigendom of het vestigen, vervreemden of wijzigen van een zakelijk recht;

    • 2.

      huur of verhuur;

    • 3.

      het verlenen van een gebruikrecht;

    • 4.

      de deelname, met inbegrip van de vergroting, vermindering of beëindiging daarvan, aan een rechtspersoon, een commanditaire vennootschap of een vennootschap onder firma die het recht op eigendom of een zakelijk recht met betrekking tot die onroerende zaak heeft of zal hebben of die onroerende zaak huurt, zal huren, verhuurt, of zal verhuren; of

    • 5.

      toestemming voor vervreemding van erfpacht als bedoeld in artikel 91, eerste lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek.

5.1 Publiekrechtelijke beschikkingen.

In artikel 2.1, eerste lid, van de beleidsregel zijn de beschikkingen opgenomen, waarbij elke aanvraag om (een wijzing van) een vergunning aan de Wet Bibob wordt getoetst . De keuze hiertoe is ingegeven door ervaringen in de achterliggende jaren, waarbij gebleken is, dat de onderhavige bedrijfsmatige activiteiten middels deze beschikkingen gekenmerkt worden door:

  • zeer laagdrempelig door de geringe functie-eisen voor de onderhavige ondernemingen;

  • grootschalig gebruik van cash-geld, waardoor zij extra bevattelijk zijn voor invloeden vanuit criminele organisaties voor "witwaspraktijken";

  • bedrijfsmatige activiteiten die minder locatie/plaatsgebonden zijn, waardoor het waterbedeffect zich hier nadrukkelijk kan voordoen.

Daarnaast is een aantal ‘kan’-bepalingen opgenomen in de beleidsregel. Uitgangspunt daarbij is dat een Bibob-toets niet bij elke aanvraag plaats hoeft te vinden. De toepassing blijft in die zaken beperkt tot de gevallen waarin er sprake is van informatie of van bepaalde signalen waardoor er mogelijk een vergroot risico bestaat op criminele invloeden en dus een grote(re) kans op het schaden van de (eigen) integriteit. Aan de hand van het uitvoeren van een voortoets, waarbij openbare bronnen worden onderzocht en/of indicatorenlijsten wordt besloten om al dan geen bibob toe te passen.

5.2 Privaatrechtelijke transacties.

De uitbreiding van de Bibob-wetgeving op dit onderwerp beperkt zich tot de gevallen, waarin een bestuursorgaan middels een privaatrechtelijke transactie partij is. Daarbij is het niet gewenst om bij elke transactie tot inzet van dit instrument te besluiten. Ook bij privaatrechtelijke transacties wordt aan de hand van het uitvoeren van een voortoets, waarbij openbare bronnen worden onderzocht en/of indicatorenlijsten, besloten om al dan geen bibob toe te passen.

In artikel 3.1 van de beleidsregel wordt de toepasbaarheid bij vastgoedtransacties omschreven.

Dit betreft een uitbreiding van het Bibob-instrument in een sector, die in zijn algemeenheid als krachtig en betrouwbaar wordt beschouwd. Op onderdelen is echter gebleken dat deze sector erg kwetsbaar kan zijn. Ervaring leert dat de sector ‘vastgoed’ vatbaar is voor criminele inmenging dan wel dat er vaker sprake is van ondoorzichtige financieringsstructuren.

Dat is reden om bij de in art 3.1, tweede lid, genoemde categorieën, standaard een Bibobonderzoek te starten. Dit zijn ook veelal de categorieën die, als een beschikking moet worden aangevraagd, altijd aan bibob getoetst worden. Door de bibob toets al bij een vastgoedtransactie uit te voeren wordt daarmee meer aan de voorkant geacteerd.

In artikel 3.3 wordt de toepasbaarheid bij overheidsopdrachten omschreven.

Sinds de wetswijzing van 1 augustus 2020 kunnen alle overheidsopdrachten worden getoetst aan de Wet Bibob. Daarbij is het niet de bedoeling om bij elke overheidsopdracht over te gaan tot een Bibob-toets.de toepassing van de Wet Bibob wordt beperkt tot die gevallen, waarbij de toepassing gemotiveerd kan worden. Bijvoorbeeld doordat concrete informatie of een signaal daartoe aanleiding geeft.

6. Versterking eigen onderzoek

Bij de uitvoering van het eigen onderzoek, zal de gemeente in eerste aanleg gebruik maken van alle relevante gegevens uit haar eigen informatiehuishouding. Ook worden open bronnen geraadpleegd om te bezien of dat daar relevante informatie over deze zaak voorhanden is. De mogelijkheden tot het doen van eigen onderzoek door gemeenten zijn versterkt met ingang van de wetswijzing van 1 augustus 2020. Het bestuursorgaan krijgt toegang tot meer justitiële gegevens, niet meer enkel de gegevens van de betrokkene en (indirecte) bestuurders, maar ook van een aantal categorieën derden. Zie hiervoor artikel 15 eerste lid sub b juncto tweede lid van het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens.

Verder zijn de RIEC’s bevoegd om het volledige eigen onderzoeksdossier van de gemeente als ook het advies van het Bureau in te zien. Het RIEC kan de eigen onderzoeksfase van het bestuursorgaan versterken door het verstrekken van relevante informatie van bijvoorbeeld de Belastingdienst. Ook kan het RIEC het eigen onderzoek ondersteunen en in concrete gevallen adviseren om wel/niet over te gaan tot het indienen van een adviesaanvraag bij het Bureau.

Indien de gemeente een advies van het Bureau heeft ontvangen, rust daar voor deze gemeente een vergewisplicht op. Uit artikel 28, tweede lid, onder c, Wet Bibob volgt dat dit advies kan worden voorgelegd aan de leden van het lokale driehoeksoverleg. De beslissing aan het einde van een Bibob-toets blijft uiteindelijk een zelfstandige bevoegdheid voor de gemeente, waarbij zij, in geval van weigering dan wel intrekking, haar besluit afdoende dient te motiveren.

7. Model Bibob beleid.

De beleidsregel toepassing Wet Bibob 2022 gemeente Lelystad is gebaseerd op de model beleidslijn Bibob van RIEC Midden Nederland. Dit sluit ook aan bij de gedachte van de Flevolandse norm, waarbij de intentie is uitgesproken om onder andere beleid en regelgeving met elkaar af te stemmen om zodoende een gelijke aanpak te hanteren tegen ondermijning en om het waterbedeffect zoveel mogelijk te voorkomen.

De kracht van het Bibob-instrument neemt nadrukkelijk toe als de toepassing door zoveel mogelijk gemeenten gebeurt en de onderliggende toepassingscriteria binnen de gemeenten zo veel mogelijk eenduidig zijn.

Daarbij moet worden opgemerkt dat te allen tijde de ‘çouleure locale’ wordt betrokken en er wordt gekeken naar de lokale situatie, de risico’s en de haalbaarheid van de uitvoering van de beleidsregel.