Regeling vervallen per 03-02-2022

Besluit van het college van de gemeente Lelystad houdende regels omtrent de toepassing van de Wet Bibob (Beleidslijn toepassing Wet Bibob Gemeente Lelystad 2017)

Geldend van 14-09-2017 t/m 02-02-2022

Intitulé

Besluit van het college van de gemeente Lelystad houdende regels omtrent de toepassing van de Wet Bibob (Beleidslijn toepassing Wet Bibob Gemeente Lelystad 2017)

Inleiding

De Wet Bevordering Integriteitsbeoordelingen door het Openbaar Bestuur (hierna ‘Wet Bibob’) is op 1 juni 2003 in werking getreden. Deze wet stelt bestuursorganen in staat om zich te beschermen tegen het risico dat criminele activiteiten bestuurlijk worden gefaciliteerd. Per 1 juli 2013 is de Wet Bibob gewijzigd. De wijziging ziet toe op de verruiming van het toepassingsbereik van de Wet Bibob en daarnaast zijn enkele verbeteringen aangebracht.

Dit is de aanleiding geweest om de op 21 februari 2006 inwerking getreden Bibob beleidslijn van de gemeente Lelystad te actualiseren in de hieronder aangegeven ‘Beleidslijn toepassing Wet Bibob gemeente Lelystad 2017’. In de achterliggende toelichting van deze beleidslijn worden de doelstelling en de uitgangspunten van de Wet Bibob beschreven. Vervolgens wordt ingegaan op de algemene Lelystadse uitgangspunten en de vertaling hiervan in deze beleidslijn.

Beleidslijn toepassing Wet Bibob gemeente Lelystad 2017

Het college van burgemeester en wethouders van Lelystad en de burgemeester van Lelystad ieder voor zover het hun bevoegdheid betreft,

Overwegende:

dat de Wet Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur hen beleidsruimte verschaft bij de besluitvorming omtrent het toepassen van hen uit deze wet voortvloeiende bevoegdheden;

Gelet op:

  • het bepaalde in de Wet bevordering integriteitsbepalingen door het openbaar bestuur (hierna: de wet);

  • artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;

  • de artikelen 3, 27, derde lid, 30a, vijfde lid, onder b, en 31 derde lid, onder a, van de Drank- en Horecawet;

  • artikel 2.1, eerste lid onder a en e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

  • Wet op de kansspelen;

  • de artikelen 2:25, 2:28, 2:39, 2:40b, 3:3, 5:18 en 5:23 van de Algemene plaatselijke verordening Lelystad 2015;

  • Aanbestedingswet 2012, het Inkoop- en aanbestedingsbeleid van gemeente Lelystad (hierna; Aanbestedingswet);

  • Algemene subsidieverordening gemeente Lelystad (ASVL);

  • Marktverordening Lelystad 2015

Besluit:

vast te stellen de navolgende ‘beleidslijn toepassing Wet Bibob gemeente Lelystad 2017’.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen

  • 1. De definities in artikel 1, eerste lid, van de wet zijn van overeenkomstige toepassing op deze beleidslijn, tenzij hiervan in het tweede lid van deze beleidslijn wordt afgeweken;

  • 2. In deze beleidslijn wordt verstaan onder:

    • a.

      APV: Algemene plaatselijke verordening Lelystad 2015 of een daarop volgende APV;

    • b.

      Amvb: Algemene maatregel van bestuur;

    • c.

      bestuursorgaan: de burgemeester onderscheidenlijk het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad alsmede degenen aan wie zij een mandaat hebben verleend tot besluitvorming bij beschikkingen;

    • d.

      Bibob toets: het (eigen) onderzoek en de beoordeling door het bestuursorgaan of de rechtspersoon met een overheidstaak en/of het Bureau of, en zo ja in hoeverre sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 3, artikel 5, artikel 5a, artikel 9, tweede en/of derde lid, van de wet;

    • e.

      eigen onderzoek: het onderzoek door het bestuursorgaan of de rechtspersoon met een overheidstaak of, en zo ja, in hoeverre sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 3, artikel 5 en artikel 5a van de wet, het onderzoek en de beoordeling door de rechtspersoon met een overheidstaak bij vastgoedtransacties of er sprake is van een integriteitsrisico en de beoordeling of in de resultaten van dit onderzoek grond is gelegen voor het bestuursorgaan of de rechtspersoon met een overheidstaak een negatieve beslissing te nemen dan wel een advies bij het Bureau aan te vragen;

    • f.

      indicatorenlijst: Naar onderwerp/inrichting/branche gespecificeerde lijst met afzonderlijke indicatoren als hulpmiddel om de integriteit van een betrokkene te beoordelen.

    • g.

      integriteitsrisico: feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat door het sluiten van een vastgoedtransactie er een gevaar bestaat dat de reputatie van de gemeente kan worden aangetast;

    • h.

      rechtspersoon met een overheidstaak: de gemeente Lelystad;

    • i.

      RIEC: Regionaal Informatie en Expertise Centrum;

    • j.

      Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht:

    • k.

      OM: Openbaar Ministerie

Artikel 1.2 Toepassing beleidslijn

Deze beleidslijn is uitsluitend van toepassing op de uitvoering van de wet door de rechtspersoon met een overheidstaak en het bestuursorgaan. De beleidslijn laat onverlet dat binnen de grenzen van de wet op andere wijze een integriteitstoets wordt uitgevoerd en dat de uitkomsten daarvan bij verdere besluitvorming worden betrokken.

Artikel 1.3 Uitvoering Bibob toets in afwijking van beleidslijn

Deze beleidslijn laat onverlet dat al dan niet in afwijking van de hierna volgende bepalingen tot uitvoering van een Bibob toets kan worden besloten indien de omstandigheden van het geval daartoe aanleiding geven.

Artikel 1.4 Evenementen, risicocategorieën en –gebieden

Het bestuursorgaan kan evenementen, risicogebieden en/of –branches in de gemeente aanwijzen waarbinnen de wet integraal, op alle wettelijke toegestane sectoren, onverkort wordt toegepast. Het gaat hierbij om evenementen, gebieden of branches die extra aandacht behoeven voor wat betreft het belang van de openbare orde, leefbaarheid en veiligheid. Daarnaast gaat het zowel om aanvragers van nieuwe beschikkingen als houders van bestaande beschikkingen en nieuwe te gunnen of gegunde overheidsopdrachten en af te sluiten of gesloten vastgoedtransacties.

Hoofdstuk 2 Publiekrechtelijke beschikkingen

Artikel 2.1 Vergunningen horecabedrijf, coffeeshop, speelautomaten en seksbedrijf

  • 1. Het bestuursorgaan past de wet altijd toe ingeval van een aanvraag voor een beschikking als bedoeld in:

    • artikel 3 van de Drank- en Horecawet;

    • artikel 2:28 van de APV (exploitatievergunning openbare inrichting);

    • artikel 2:40b van de APV (vergunning speelautomatenhal);

    • artikel 3:3 van de APV (vergunning seksbedrijf of escortbedrijf) indien:

      • sprake is van een nieuwe vestiging van een inrichting of bedrijf;

      • sprake is van een overname van een bestaand bedrijf, de overname van (de meerderheid van) aandelen van een bestaand bedrijf of wijziging van de rechtsvorm van een horecabedrijf, coffeeshop, seks-/escortbedrijf en speelautomatenhal.

  • 2. Het bestuursorgaan kan de wet toepassen ingeval van een aanvraag voor een beschikking als bedoeld in:

    • artikel 30a Drank- en Horecawet (melding wijziging leidinggevende);

    • de aanvraag als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet, in het geval het een horecabedrijf betreft van paracommerciële rechtspersonen, als bedoeld in artikel 1, juncto artikel 4 van de Drank- en Horecawet;

    • de aanvraag als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet, in het geval het een slijtersbedrijf is, als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet.

  • 3. Het bestuursorgaan kan de wet, zoals bedoeld in het tweede lid, toepassen indien op grond van:

    • eigen (ambtelijke) informatie, en/of

    • informatie verkregen van het bureau, en/of

    • informatie afkomstig van een van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC, en/of

    • vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de wet (OM-tip)

  • vragen ontstaan of bestaan over omstandigheden in de persoon van de aanvrager en/of met hem in verband te brengen personen zoals onder meer de personen die direct of indirect leiding geven en/of direct of indirect zeggenschap uitoefenen en/of direct of indirect vermogen verschaffen aan de betreffende activiteiten en/of onderneming of dat in het verleden hebben gedaan en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering. Het bestuursorgaan kan in dit verband in ieder geval actief navraag doen binnen haar organisatie of bij de hierboven vermelde partners.

Artikel 2.2 Vergunning evenement

  • 1. Het bestuursorgaan kan de wet toepassen bij een aanvraag als bedoeld in artikel 2:25 van de APV (evenementenvergunning), indien op grond van:

    • eigen ambtelijke informatie, en/of

    • informatie verkregen van het Bureau, en/of

    • informatie afkomstig van een van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC, en/of

    • vanuit het OM verkregen informatie als bedoel in artikel 26 van de wet (OM-tip)

  • vragen ontstaan of bestaan over omstandigheden in de persoon van de aanvrager en/of met hem in verband te brengen personen zoals onder meer de personen die direct of indirect leiding geven en/of direct of indirect zeggenschap uitoefenen en/of direct of indirect vermogen verschaffen aan de betreffende activiteiten en/of onderneming of dat in het verleden hebben gedaan en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering. Het bestuursorgaan kan in dit verband in ieder geval actief navraag doen binnen haar organisatie of bij de hierboven vermelde partners.

  • 2. In afwijking van het bepaalde in het vorige lid, past het bestuursorgaan de wet altijd toe ingeval van een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 2:25 van de APV, indien de aanvraag betrekking heeft op een vechtsportgala/activiteit, tenzij deze evenementen onder auspiciën van het NOC/NSF worden georganiseerd.

Artikel 2.3 Overige vergunningen

  • a. Het bestuursorgaan kan de wet toepassen bij een aanvraag als bedoeld in:

  • b. artikel 2:39 van de APV (speelgelegenheid);

  • c. artikel 5:18 van de APV (standplaats);

  • d. artikel 5:23 van de APV (snuffelmarkt);

  • e. artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (activiteit bouwen, waaronder ook de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor woningsplitsing);

  • f. artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (activiteit milieu);

    • artikel 4 van de Marktverordening Lelystad 2015, indien op grond van:

    • eigen ambtelijke informatie, en/of

    • informatie verkregen van het Bureau, en/of

    • informatie afkomstig van een van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC, en/of

    • vanuit het OM verkregen informatie als bedoel in artikel 26 van de wet (OM-tip)

  • vragen ontstaan of bestaan over omstandigheden in de persoon van de aanvrager en/of met hem in verband te brengen personen zoals onder meer de personen die direct of indirect leiding geven en/of direct of indirect zeggenschap uitoefenen en/of direct of indirect vermogen verschaffen aan de betreffende activiteiten en/of onderneming of dat in het verleden hebben gedaan en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering. Het bestuursorgaan kan in dit verband in ieder geval actief navraag doen binnen haar organisatie of bij de hierboven vermelde partners.

Artikel 2.4 Reeds verleende beschikkingen

Het bestuursorgaan kan de wet toepassen met betrekking tot reeds verleende beschikkingen zoals genoemd in de artikelen 2.1, 2.2 en 2.3, indien op grond van:

  • eigen ambtelijke informatie, en/of

  • informatie verkregen van het Bureau, en/of

  • informatie afkomstig van een van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC, en/of

  • vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de wet (OM-tip)

vragen ontstaan of bestaan over omstandigheden in de persoon van de aanvrager en/of met hem in verband te brengen personen zoals onder meer de personen die direct of indirect leiding geven en/of direct of indirect zeggenschap uitoefenen en/of direct of indirect vermogen verschaffen aan de betreffende activiteiten en/of onderneming of dat in het verleden hebben gedaan en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering. Het bestuursorgaan kan in dit verband in ieder geval actief navraag doen binnen haar organisatie of bij hierboven vermelde partners.

Artikel 2.5 Subsidies

Het bestuursorgaan kan de wet toepassen in geval van een aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 6 van de wet, indien op grond van:

  • eigen ambtelijke informatie, en/of

  • informatie verkregen van het Bureau, en/of

  • informatie afkomstig van een van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC, en/of

  • Vanuit het OM verkregen informatie als bedoel in artikel 26 van de wet (OM-tip)

vragen ontstaan of bestaan over omstandigheden in de persoon van de aanvrager en/of met hem in verband te brengen personen zoals onder meer de personen die direct of indirect leiding geven en/of direct of indirect zeggenschap uitoefenen en/of direct of indirect vermogen verschaffen aan de betreffende activiteiten en/of onderneming of dast het in het verleden hebben gedaan en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering. Het bestuursorgaan kan in dit verband in ieder geval actief navraag doen binnen haar organisatie of bij de hierboven vermelde partners.

Hoofdstuk 3 Privaatrechtelijke transacties

Artikel 3.1 Aanbestedingen

  • 1. De rechtspersoon met een overheidstaak kan de wet toepassen met betrekking tot alle overheidsopdrachten in de zin van de Europese aanbestedingsrichtlijn of de Aanbestedingswet voor zover deze vallen binnen een krachtens artikel 5 van de wet aangewezen sector, indien op grond van:

    • eigen ambtelijke informatie, en/of

    • informatie verkregen van het Bureau, en/of

    • informatie afkomstig van een van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC, en/of vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de wet (OM-tip)

  • vragen ontstaan of bestaan over omstandigheden in de persoon van de gegadigde en/of met hem in verband te brengen personen zoals onder meer de personen die direct of indirect leiding geven en/of direct of indirect zeggenschap uitoefenen en/of direct of indirect vermogen verschaffen aan de betreffende activiteiten en/of onderneming of dat in het verleden hebben gedaan en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering. De rechtspersoon met een overheidstaak kan in dit verband in ieder geval actief navraag doen binnen haar organisatie of bij de hierboven vermelde partners.

  • 2. De rechtspersoon met een overheidstaak kan in iedere fase van een aanbesteding ter zake een overheidsopdracht als in het eerste lid van dit artikel bedoeld, de wet toepassen. Derhalve kunnen aan een Bibob toets worden onderworpen zowel degenen die de rechtspersoon met een overheidstaak voornemens is te selecteren tot een volgende fase van de aanbesteding, dan wel degene(n) aan wie de rechtspersoon met een overheidstaak voornemens is de betreffende overheidsopdracht te gunnen.

  • 3. De rechtspersoon met een overheidstaak kan ook na gunning van een overheidsopdracht als bedoeld in lid 1 van dit artikel besluiten de wet toe te passen. Daartoe zal in de betreffende aanbestede (concept)overeenkomst(en) een nadere bepaling kunnen worden opgenomen. Die bepaling heeft als strekking dat de overeenkomst kan worden ontbonden door de rechtspersoon met een overheidstaak indien (alsnog) feiten of omstandigheden in relatie tot het bedrijf of de persoon van de opdrachtgever bekend zijn geworden die, ware deze bekend geweest vóór het tot stand komen van de overeenkomst, aanleiding zouden zijn geweest om de opdrachtnemer uit te sluiten van verdere deelname aan de aanbesteding. De rechtspersoon met een overheidstaak kan in het hiervoor bedoelde geval besluiten niet tot ontbinding over te gaan indien zij van oordeel is dat uit de Bibob toets gebleken mate van gevaar in voldoende mate valt te reduceren door het stellen van (nadere) uitvoeringsvoorwaarden.

Artikel 3.2 Vastgoedtransacties

  • 1. Bij de start van elke onderhandeling over het aangaan van een vastgoedtransactie, zal de rechtspersoon met een overheidstaak de wederpartij ervan in kennis stellen dat een Bibob toets deel kan uitmaken van de procedure.

  • 2. De rechtspersoon met een overheidstaak kan de wet toepassen alvorens een beslissing wordt genomen over het aangaan van een vastgoedtransactie, indien voorafgaand of tijdens de onderhandelingen met een wederpartij op grond van:

    • eigen ambtelijke informatie, en/of

    • informatie verkregen van het Bureau, en/of

    • informatie afkomstig van een van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC, en/of

    • vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de wet (OM-tip)

  • vragen ontstaan of bestaan over omstandigheden in de persoon van de wederpartij en/of met hem in verband te brengen personen zoals onder meer de personen die direct of indirect leiding geven en/of direct of indirect zeggenschap uitoefenen en/of direct of indirect vermogen verschaffen aan de betreffende activiteiten en/of onderneming of dat in het verleden hebben gedaan en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering. Het bestuursorgaan kan in dit verband in ieder geval actief navraag doen binnen haar organisatie of bij de partners uit het samenwerkingsverband RIEC.

  • 3. De Bibob toets wordt in beginsel toegepast op de gevallen, die een of meerdere van onderstaande kenmerken hebben:

    • hoge mate van financiële complexiteit;

    • behorend tot een als zodanig door het bestuursorgaan aangewezen (risico) branche als bedoeld in artikel 1.4 van deze beleidslijn;

    • behorend tot een als zodanig door het bestuursorgaan aangewezen (risico) gebied als bedoeld in artikel 1.4 van deze beleidslijn;

    • hoge mate van complexiteit met betrekking tot de bedrijfsstructuur;

    • exceptioneel financieel risico voor de gemeente.

  • 4. Indien is besloten tot het toepassen van de wet neemt de rechtspersoon met een overheidstaak geen definitief besluit tot het aangaan van een vastgoedtransactie totdat de Bibob toets volledig is afgerond.

  • 5. De omstandigheid die kan maken dat de rechtspersoon met een overheidstaak afziet van het toepassen van de wet is in ieder geval de omstandigheid dat de vastgoedtransactie wordt aangegaan met overheidsinstanties, semi-overheidsinstanties, schoolbesturen, een op grond van artikel 70 Woningwet toegelaten woning(bouw)corporatie en/of door het bevoegde bestuursorgaan bij (specifiek) besluit aangewezen betrokkenen.

Hoofdstuk 4: Uitvoering

Artikel 4.1 Onderzoek

  • 1. Indien op grond van deze beleidslijn een Bibob toets wordt uitgevoerd, zal betrokkene de Bibob vragenformulieren moeten invullen en inleveren bij het bestuursorgaan of de rechtspersoon met een overheidstaak. Deze formulieren zijn op grond van artikel 30, lid 5, van de wet bij ministeriële regeling vastgesteld. Daarbij moeten ook de documenten worden gevoegd, die in de vragenformulieren zijn vermeld en/of bij de uitreiking van de formulieren door of namens het bestuursorgaan of de rechtspersoon met een overheidstaak zijn genoemd.

  • 2. Het onderzoek naar het zich voordoen van de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 3, van de wet bestaat uit:

    • a.

      het beoordelen van de aanvraag tot het verlenen van een beschikking, het aangaan van een opdracht of overeenkomst en in dat kader overgelegde gegevens, mede aan de hand van bij het bestuursorgaan of de rechtspersoon met een overheidstaak bekende feiten en omstandigheden.

    • b.

      het verzamelen, bewerken en analyseren van informatie die al dan niet aan de hand van de, op grond van het vorige artikel, ontvangen aanvraag, overeenkomst en vragenformulieren en de daarbij te voegen bijlagen en de gegevens die zijn verkregen uit informatiebronnen die het bestuursorgaan of de rechtspersoon met een overheidstaak volgens de wet kan raadplegen.

  • 3. Het bestuursorgaan of de rechtspersoon met een overheidstaak kan zich bij het onderzoek laten ondersteunen door het RIEC.

  • 4. Indien het onder lid 2 bedoelde onderzoek onvoldoende uitsluitsel geeft over de mate van gevaar dat de in artikel 3 van de wet bedoelde feiten zich zullen voordoen wordt een advies als bedoeld in artikel 9 van de wet ingewonnen bij het Bureau.

  • 5. Indien de officier van justitie ingevolge artikel 26 van de wet wijst op de wenselijkheid om advies in te winnen bij het Bureau, wordt een advies als bedoeld in artikel 9 van de wet ingewonnen bij het Bureau.

  • 6. Het bestuursorgaan of de rechtspersoon met een overheidstaak neemt de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit in acht bij het eigen onderzoek en het vragen van advies bij het Bureau.

  • 7. Indien op grond van deze beleidslijn de wet wordt toegepast, kan bij de beoordeling van betrokkene gebruik gemaakt worden van indicatorenlijsten.

Artikel 4.2 Niet (volledig) invullen Bibob vragenformulieren

  • 1. Ingevolge artikel 4:5, van de Algemene wet bestuursrecht kan een bestuursorgaan ingeval van het niet dan wel niet volledig invullen van het Bibob vragenformulier, na mogelijkheid van herstel, een aanvraag buiten behandeling stellen.

  • 2. Het niet dan wel niet volledig invullen van het Bibob vragenformulier, dan wel het niet of niet volledig verschaffen van aanvullende gegevens, kan met toepassing van artikel 4, van de wet worden aangemerkt als een ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, van de wet. Een beschikking, aanbesteding of vastgoedtransactie kan dan niet worden verleend, gegund of gesloten en beschikkingen kunnen worden ingetrokken of overeenkomsten kunnen worden beëindigd.

Artikel 4.3 Informatieplicht

  • 1. Het bestuursorgaan of de rechtspersoon met een overheidstaak informeert betrokkene schriftelijk over een adviesaanvraag aan het Bureau. Betrokkene wordt daarbij gewezen op de opschorting van de beslistermijn als bedoeld in artikel 31, van de wet. Een afschrift van deze brief wordt gevoegd bij het adviesverzoek aan het Bureau.

  • 2. In geval een van het Bureau ontvangen advies leidt tot het voornemen om de overeenkomst te ontbinden of geen vastgoedtransactie aan te gaan dan wel de onderhandeling te beëindigen, wordt aan betrokkene een kopie van het adviesrapport verstrekt. Betrokkene wordt daarbij door het bestuursorgaan of de rechtspersoon met een overheidstaak gewezen op zijn geheimhoudingsplicht als bedoeld in artikel 28, van de wet.

Artikel 4.4 Adviestermijn bij een beschikking

  • 1. Indien het bestuursorgaan of de rechtspersoon met een overheidstaak een advies aanvraagt bij het Bureau, wordt op grond van artikel 31 van de wet, de wettelijke termijn waarbinnen de beschikking moet worden gegeven, opgeschort voor de duur van de periode die begint met de dag waarop het advies door het Bureau in behandeling wordt genomen en eindigt met de dag waarop het advies is ontvangen, met dien verstande dat deze opschorting niet langer duurt dan de termijn, zoals genoemd in artikel 15, eerste lid, van de wet.

  • 2. Indien het Bureau het advies niet binnen de in eerste lid gestelde termijn kan geven, heeft het de mogelijkheid om op grond van artikel 15, derde lid, van de wet, de termijn te verlengen. Deze verlenging bedraagt niet meer dan de termijn, genoemd in artikel 15, derde lid, van de wet.

  • 3. Het bestuursorgaan of de rechtspersoon met een overheidstaak informeert betrokkene onverwijld over de verlenging als bedoeld in het vorige lid.

  • 4. De verlenging van de adviestermijn van het Bureau, alsmede eventuele tijdelijke opschorting van de adviestermijn van het Bureau in gevallen als bedoeld in artikel 15, tweede lid, van de wet kan leiden tot een verdere opschorting van de wettelijke beslistermijn op de beschikking.

Artikel 4.5 Gevolgen van een Bibob toets

  • 1. Het bestuursorgaan of de rechtspersoon met een overheidstaak kan overgaan tot een negatief besluit op de aanvraag of intrekking van een beschikking, dan wel het niet gunnen van een overheidsopdracht of het niet sluiten van een vastgoedtransactie of het beëindigen van een overeenkomst, indien uit het eigen onderzoek en/of een eventueel daarop afgegeven advies van het Bureau blijkt, dat er sprake is van een ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, van de wet. Daarbij kan in geval van een inschrijving op een overheidsopdracht, het geconstateerde ernstig gevaar dienen als versterking van één of meerdere uitsluitingsgronden als genoemd in de Aanbestedingswet.

  • 2. Als het bestuursorgaan op basis van het eigen onderzoek in het kader van de wet genoeg aanwijzingen heeft om in redelijkheid te kunnen aantonen dat er sprake is van een “ernstig gevaar” als bedoeld in de wet, kan het de beschikking weigeren of intrekken.

  • 3. De rechtspersoon met een overheidstaak kan onderhandelingen van een vastgoedtransactie of overheidsopdracht afbreken als uit eigen onderzoek voldoende feiten en omstandigheden blijken die duiden op een integriteitsrisico.

  • 4. Voordat een negatief besluit wordt genomen zoals bedoeld in het eerste lid, moet het bestuursorgaan of de rechtspersoon met een overheidstaak zich, op grond van artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht, ervan vergewissen dat het onderzoek van het Bureau op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Daarbij mag in beginsel van het advies worden uitgegaan, maar moet het bestuursorgaan of de rechtspersoon met een overheidstaak wel onderzoeken of de feiten de conclusie kunnen dragen.

  • 5. Voordat een bestuursorgaan of een rechtspersoon met een overheidstaak een voor betrokkene negatieve beslissing neemt, wordt betrokkene in de gelegenheid gesteld daartegen zienswijze in te brengen. Dit gebeurt conform artikel 33 van de wet.

  • 6. Het bestuursorgaan kan bij een mindere mate van gevaar aan een beschikking voorschriften verbinden. Deze voorschriften zijn gericht op het wegnemen of beperken van dergelijk gevaar.

  • 7. Het bestuursorgaan of de rechtspersoon met een overheidstaak, die een advies van het Bureau ontvangt, kan dit advies conform artikel 29 van de wet gedurende twee jaren gebruiken in verband met een andere beslissing.

Hoofdstuk 5 Slotbepalingen

Artikel 5.1 Geheimhouding en de Wet openbaarheid van bestuur (Wob)

Op grond van artikel 28 van de wet is een ieder die krachtens de wet informatie krijgt met betrekking tot een derde verplicht tot geheimhouding van deze informatie. Hoewel het Bibob advies als document in beginsel onder het verstrekkingsregime van de Wob valt, zal in de praktijk het openbaar maken van het advies op grond van artikel 10 van de Wob achterwege blijven. De inhoud van het advies zal namelijk veelal gegevens bevatten die de persoonlijke levenssfeer raken of gegevens die als bedrijfsgegevens zijn te beschouwen. Ook zal niet zelden een beroep gedaan kunnen worden op in de Wob genoemde grond voor het voorkomen van onevenredige benadeling van bij die aangelegenheid betrokken (rechts)personen dan wel derden.

Artikel 5.2 Inwerkingtreding

Deze beleidslijn treedt, onder gelijktijdige intrekking van de Bibob beleidslijn vergunningen Lelystad 2006, van d.d. 21 februari 2006, in werking op de dag na bekendmaking.

Artikel 5.3 Citeertitel

Deze beleidslijn wordt aangehaald als: ‘Beleidslijn Bibob Lelystad 2017’.

Ondertekening

Lelystad, 5 september 2017

Burgemeester en wethouders van Lelystad,

de secretaris, de burgemeester,

N. Versteeg Mr. I.R. Adema

Bijlage 2

Artikelgewijze toelichting Beleidslijn toepassing Wet Bibob gemeente Lelystad 2017

Artikel 2.1 Vergunningen horecabedrijf, coffeeshop, speelautomaten en seksbedrijf

Horecabedrijf

Het Bibob instrumentarium is in de afgelopen jaren het meest ingezet in relatie tot de horecasector. Dit heeft ertoe geleid dat er veel expertise is opgebouwd ten aanzien van deze sector. Op basis van die expertise is het mogelijk om de Wet Bibob gericht in te zetten. Het college acht het niet proportioneel om aanvragen van een paracommerciële instellingen en slijterijen in beginsel te toetsen aan de Wet Bibob. Dit past eveneens in de lijn dat inzet van de Wet Bibob in balans dient te zijn met overheidsbelangen als de vermindering van regeldruk en administratieve lasten.

Speelautomatenhallen

In de APV is vastgelegd dat er een maximum is verbonden aan het aantal speelautomatenhallen. Speelautomatenhallen kunnen als potentieel criminogeen worden aangemerkt aangezien er veel cash geld omgaat in deze branche. Bij een nieuwe vestiging of bij een overname of wijziging van de rechtsvorm wordt de betreffende aanvraag derhalve standaard getoetst aan de Wet Bibob.

Coffeeshops

Coffeeshops worden gezien als een potentieel criminogene branche. Coffeeshops worden standaard aan Bibob getoetst. Conform de landelijke richtlijn van het Ministerie van Veiligheid & Justitie worden alle beschikkingen voor coffeeshops in de komende vijf jaar (start 2014) getoetst aan de Wet Bibob. Omdat er niet altijd sprake is van een wijziging van een exploitatievergunning kan de toets ook gedurende een lopende beschikking plaatsvinden. De prioritering van de toetsing is onder andere afhankelijk van de geschiedenis van de inrichting en de locatie van de coffeeshop.

Prostitutiebedrijven

Prostitutiebedrijven zijn een kwetsbare branche gezien de relatie met uitbuiting en mensenhandel. Bij een nieuwe vestiging of bij een overname of wijziging van de rechtsvorm wordt de betreffende aanvraag derhalve standaard getoetst aan de Wet Bibob.

Artikel 2.2 Vergunning evenement

Evenementen

In het proces van de verlening van een evenementenvergunning zijn verschillende checks ingebouwd om te voorkomen dat de gemeente ongewild criminele activiteiten faciliteert. Zo adviseert de politie op iedere aanvraag van een evenementenvergunning en moeten organisatoren die financiële ondersteuning krijgen inzage geven in hun financiering. Bovendien geven de ervaringen tot nu toe geen aanleiding om iedere aanvraag voor een evenementenvergunning te toetsen op grond van de Wet Bibob.

Vechtsportgala’s/activiteiten

Er zijn sterke aanwijzingen dat de georganiseerde criminaliteit invloed heeft op de organisatie van dit type evenementen. Aanvragen voor vechtsportgala’s worden, ongeacht de omvang, om die reden standaard aan Bibob getoetst. Een uitzondering daarop vormen aanvragen voor vechtsportevenementen die onder auspiciën van het NOC*NSF worden georganiseerd.

Artikel 2.3 Overige vergunningen

Met betrekking tot de aanvragen die op grond van de wettelijke bepalingen worden ingediend zoals genoemd in artikel 2.3, bestaat er op dit moment geen noodzaak om deze aanvragen standaard te toetsen aan de wet. Wel moet een waterbedeffect (verplaatsingseffect) worden voorkomen. Daarom is de mogelijkheid opgenomen om de wet toe te passen als dit nodig is.

Artikel 3.2 Vastgoedtransacties

Het toepassen van de Wet Bibob op vastgoedtransacties, waarbij de overheid partij is, betreft een uitbreiding zoals vermeld in de gewijzigde Wet Bibob. De vastgoedsector is in zijn algemeenheid krachtig en betrouwbaar maar op onderdelen ernstig kwetsbaar voor criminele invloeden.

Contractsvrijheid

Bij vastgoedtransacties staat het uitgangspunt van de contractsvrijheid voorop. Dat betekent dat het de partijen in beginsel vrij staat om een overeenkomst aan te gaan met wie zij willen, op welk moment zij dat doen en om te bepalen wat de inhoud van de overeenkomst is.

De contractsvrijheid is echter niet absoluut. Voor de overheid wordt deze beperkt door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Artikel 3:14 BW bepaalt dat een bevoegdheid die iemand krachtens het burgerlijk recht toekomt, niet mag worden uitgeoefend in strijd met de geschreven of ongeschreven regels van het publiekrecht. Overige relevante beginselen zijn onder meer het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel.

In verband met de onderhandelingen die voorafgaand aan het sluiten van een vastgoedtransactie, is het van belang dat aan het begin al kenbaar wordt gemaakt aan de wederpartij dat een Bibob toets onderdeel kan uitmaken van de procedure. Indien dit kenbaar is gemaakt kan de rechtspersoon met een overheidstaak de onderhandeli9ngen afbreken of besluiten de vastgoedtransactie niet te sluiten.

De gemeente is als privaatrechtelijke partij betrokken bij vastgoedtransacties van onroerende goederen en gronden met andere partijen zoals bouw en vastgoedbedrijven, vastgoedontwikkelaars, woningcorporaties, bedrijven en ook particulieren. Het college acht het niet noodzakelijk om alle vastgoedtransacties, waarbij de gemeente partij is, te toetsen op grond van de Wet Bibob. Dit is in lijn met het uitgangspunt dat er een balans dient te zijn tussen de inzet van het Bibob instrumentarium en het mogelijk maken van investeringen en het verminderen van regeldruk.

De Bibob toets kan plaatsvinden indien sprake is van een overeenkomst of een andere rechtshandeling met betrekking tot een onroerende zaak met als doel:

  • 1.

    het verwerven of vervreemden van een recht op eigendom of het vestigen, vervreemden of wijzigen van een zakelijk recht;

  • 2.

    huur of verhuur;

  • 3.

    het verlenen van een gebruikrecht; of

  • 4.

    de deelname aan een rechtspersoon, een commanditaire vennootschap of een vennootschap onder firma die het recht op eigendom of een zakelijk recht met betrekking tot die onroerende zaak heeft of die onroerende zaak huurt of verhuurt.

Artikel 4.5 Gevolgen van een Bibob toets

Met het oog op het beginsel van de contractsvrijheid heeft de wetgever opengelaten welk gevolg er aan een Bibob advies moet worden verbonden. Voor het antwoord op die vraag is de rechtspersoon met overheidstaak aangewezen op de regels van het verbintenissenrecht, inclusief de relevante jurisprudentie.

In hoeverre onderhandelingen als gevolg van een Bibob procedure kunnen worden afgebroken, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer van belang is of de wederpartij tijdig op de hoogte is gesteld dat Wet Bibob zou worden toegepast en wist onder welke omstandigheden en bij welke uitkomsten van het Bibob onderzoek de onderhandelingen konden worden afgebroken.

Tegen deze achtergrond is het niet ondenkbaar dat een Bibob advies met een ernstig gevaar conclusie onder bepaalde omstandigheden onvoldoende grondslag biedt om de onderhandelingen af te breken, bijvoorbeeld indien de rechtspersoon met overheidstaak steeds de indruk heeft gewekt dat de overeenkomst hoe dan ook tot stand zou komen.

Anderzijds is het verdedigbaar dat onder bepaalde omstandigheden de onderhandelingen wel rechtmatig worden afgebroken na een Bibob advies met een mindere mate van gevaar conclusie. Omdat een dergelijk rechtsgevolg niet vanzelfsprekend is, rust er een zware motiveringsplicht op de rechtspersoon met overheidstaak; er zal aannemelijk moeten worden gemaakt dat er zwaarwegende redenen zijn om de vastgoedtransactie niet aan te gaan.

Eenzelfde afweging geldt voor de situatie dat het advies strekt tot geen gevaar, terwijl uit dat advies feiten blijken die vanwege het strikte kader van artikel 3 Wet Bibob niet bijdragen aan de mate van gevaar, maar naar het oordeel van de rechtspersoon met overheidstaak wel een integriteitsrisico vormen. Er zal dan overtuigend gemotiveerd moeten worden dat en waarom het redelijk is om de transactie niet aan te gaan. Bovendien dient deze mogelijkheid in een vroeg stadium van de onderhandelingen gecommuniceerd te worden.

Bijlage 1

  • 1.

    Algemene toelichting beleidslijn toepassing Wet Bibob gemeente Lelystad 2017

  • 1.1.

    Doelstelling van de Wet Bibob

Het doel van de Wet Bibob is het beschermen van de integriteit van de overheid. De Wet Bibob heeft een preventief karakter en is bedoeld om te voorkomen dat de overheid ongewild criminele activiteiten faciliteert door bijvoorbeeld vergunningen of subsidies te verstrekken of vastgoedtransacties aan te gaan. De Wet Bibob beschermt tevens de concurrentiepositie van bonafide ondernemers.

  • 1.2.

    Toepassing van de Wet Bibob

Op grond van de Wet Bibob is het mogelijk diepgaand onderzoek te doen naar de achtergrond van een persoon of onderneming middels eigen onderzoek en het vragen van een advies aan het Landelijk Bureau Bibob. Het Bibob instrument is van toepassing op in de Wet Bibob aangewezen vergunningen, alle subsidies, bepaalde categorieën overheidsopdrachten en vastgoedtransacties.

Tot op heden is de Wet Bibob vooral toegepast op vergunningaanvragen voor horecabedrijven, coffeeshops, prostitutie-inrichtingen en speelautomatenhallen. Een vergunning kan worden geweigerd of ingetrokken indien er een ernstig gevaar bestaat dat deze wordt gebruikt om uit strafbare feiten verkregen vermogen te benutten (de zogenaamde a-grond) of om strafbare feiten te plegen (de zogenaamde b-grond). Dit is geregeld in artikel 3 van de Wet Bibob.

Artikel 3, eerste lid, Wet Bibob

  • 1.

    Voor zover bestuursorganen bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, kunnen zij weigeren een aangevraagde beschikking te geven, dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:

    • a.

      uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waarneembare voordelen te benutten, of

    • b.

      strafbare feiten te plegen

Bij beoordeling van de a-grond worden strafbare feiten betrokken waarmee geld kan worden verdiend zoals witwassen, drugshandel en (belasting)fraude. Er hoeft niet te worden aangetoond dat dit vermogen daadwerkelijk in de onderneming wordt geïnvesteerd. Voor het aannemen van een ernstig gevaar is het voldoende dat het aannemelijk is dat de feiten zijn gepleegd, het voordeel groot is en dat het voordeel niet is ontnomen.

Ten aanzien van de b-grond gaat de wet ervan uit dat als iemand in het (recente) verleden vaak genoeg strafbare feiten heeft gepleegd, hij dit in de toekomst opnieuw kan doen. Die strafbare feiten moeten wel zijn gepleegd bij activiteiten die samenhangen of overeenkomen met activiteiten van de vergunning.

  • 1.3.

    Het Bibob onderzoek

Indien wordt overgegaan tot een toetsing op basis van de Wet Bibob kunnen twee fasen worden onderscheiden. De eerste fase van toetsing bestaat uit een onderzoek dat door de gemeente zelf wordt uitgevoerd. Dit gebeurt aan de hand van openbare bronnen en informatie die wordt verkregen uit het (landelijk vastgestelde) Bibob vragenformulier. Dit formulier moet worden ingevuld door de partij die wordt getoetst. Daarnaast is met de uitbreiding van de Wet Bibob de informatiepositie van bestuursorganen verbeterd en kan de gemeente zelf gegevens opvragen bij politie, OM, RIEC en de Belastingdienst.

Regionale Informatie en Expertise Centra (RIEC)

Criminelen handelen vaak vanuit een organisatie. Zij werken samen, hebben taken verdeeld en maken gebruik van allerlei diensten en producten die hun activiteiten ondersteunen. Criminelen zijn doorgaans in een groot gebied actief. Elke gemeente afzonderlijk overziet slechts een deel. Het kan gebeuren dat de overheid bij gebrek aan informatie illegale praktijken faciliteert. Bijvoorbeeld door een vergunning te verlenen aan een bedrijf dat als dekmantel dient om crimineel geld wit te wassen. Samenwerking tussen overheidsorganisaties door informatie te delen zorgt voor een completer beeld van de omvang, werkwijze en ‘leden’ van criminele organisaties en leidt daarmee tot een betere aanpak. Het RIEC ondersteunt het openbaar bestuur in Nederland daarbij.

Landelijk Bureau Bibob (het Bureau)

Daarnaast kan de gemeente advies vragen aan het Landelijk Bureau Bibob (het Bureau) dat onderdeel uitmaakt van het ministerie van Veiligheid en Justitie. Dit gebeurt als er na het eigen onderzoek nog vragen zijn, bijvoorbeeld over de financiering. Indien de gemeente een advies aanvraagt bij het Bureau, wordt de betrokkene hierover schriftelijk geïnformeerd. Het Bureau heeft toegang tot gesloten bronnen zoals politiegegevens, strafregisters en gegevens van het UWV en de Arbeidsinspectie, waardoor een bredere screening en diepgaander onderzoek mogelijk is. Het advies van het Bureau kan drie conclusies hebben: er is een ernstig gevaar, een mindere mate van gevaar of er is geen (gebleken) gevaar.

De mate van gevaar wordt vastgesteld op basis van antecedenten van de betrokkene en van bepaalde in de Wet Bibob aangewezen derden (bijvoorbeeld financiers en bestuurders). Als er een relatie wordt vastgesteld tussen de betrokkene en de derde worden de antecedenten van die derde meegewogen bij het bepalen van het gevaar. Het doel hiervan is om stroman-constructies te voorkomen.

Een advies van het Bureau is niet bindend. Het bestuursorgaan dient zich op grond van artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht ervan te vergewissen dat het onderzoek van het Bureau op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Het is dus aan de gemeente om de afweging te maken of een door het Bureau vastgesteld gevaar zo zwaarwegend is dat bijvoorbeeld een verleende vergunning moet worden ingetrokken of een vastgoedtransactie niet moet worden gesloten. Het is ook mogelijk om voorschriften te verbinden aan een beschikking of om extra verplichtingen op te nemen in een overeenkomst.

De gemeente kan ook op basis van eigen onderzoek en zonder een advies van het Bureau besluiten over te gaan tot weigering of intrekking van een beschikking op grond van de Wet Bibob of het niet aangaan of ontbinding van een overeenkomst.

  • 1.4.

    Wijziging van de Wet Bibob

De verruiming van de Wet Bibob in 2013 heeft betrekking op de volgende sectoren:

  • Vastgoed- en grondtransacties waarbij de overheid is betrokken als civiele partij; dit is de belangrijkste uitbreiding in de nieuwe Wet Bibob. Het gaat om diverse transacties zoals koop/verkoop, huur/verhuur, gronduitgifte, erfpacht etc.

  • Bepaalde vergunningen op grond van de Huisvestingswet, onder andere voor splitsing of woningonttrekking, in het kader van de aanpak van huisjesmelkers.

  • Een gemeentelijke vergunning die op grond van een verordening verplicht is gesteld voor een inrichting of bedrijf, kan door het college van burgemeester en wethouders respectievelijk de burgemeester worden geweigerd dan wel ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob. Voor de wijziging van de Wet Bibob werden in het Besluit Bibob al specifiek activiteiten benoemd waarop de Wet Bibob van toepassing was. Dit is in de huidige Wet Bibob losgelaten.

  • Alle subsidies aan een rechtspersoon of een natuurlijk persoon. In de gewijzigde Wet Bibob is de verplichting losgelaten dat het toepassen van de Wet Bibob in de specifieke subsidieregeling/verordening vastgelegd moet worden.

  • 1.5.

    Uitgangspunten Wet Bibob

  • 1.

    Volgens de Memorie van Toelichting van de Wet Bibob zijn de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit belangrijke uitgangspunten van de Wet Bibob.

    De toepassing van de Wet Bibob is een aanvullend middel op bestaande mogelijkheden om bijvoorbeeld een vergunning te weigeren, een subsidie in te trekken of een vastgoedtansactie te ontbinden. De gemeente dient nadrukkelijk eerst de mogelijkheden te benutten die de reguliere wetgeving biedt. Het Bibob instrumentarium moet worden gezien als een ultimum remedium.

  • 2.

    De reikwijdte van de Wet Bibob strekt zich uit tot de sectoren waarvan de dreiging van criminele activiteiten het grootst is. Meer specifiek worden deze genoemd in de Wet Bibob zelf en de sectoren die bij Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) zijn aangewezen.

  • 2.

    Toepassing Wet Bibob gemeente Lelystad

  • 2.1.

    Uitgangspunten toepassing Wet Bibob gemeente Lelystad

Voortbordurend op bovenstaande, gelden voor de gemeente Lelystad de volgende uitgangspunten voor de beleidslijn:

  • 1.

    Er dient een balans te zijn tussen de inzet van het Bibob-instrumentarium en overige belangen die de gemeente dient te behartigen zoals het mogelijk maken van investeringen in de stad, het faciliteren van ondernemers en andere partners en het verminderen van regeldruk.

  • 2.

    Het instrument wordt vooral ingezet waar de kans dat zich criminele activiteiten voordoen het grootst is. Door het Bibob instrumentarium risicogericht in te zetten worden de administratieve lasten voor ondernemers zoveel mogelijk beperkt. Ondernemers en markpartijen die te maken kunnen krijgen met een Bibob onderzoek worden hier in een zo vroeg mogelijk stadium over geïnformeerd.

  • 3.

    De toepassing van de Wet Bibob is één van de middelen in de bestuurlijke aanpak van de georganiseerde criminaliteit en vormt samen met de strafrechtelijke en fiscale benadering een integraal geheel.

  • 2.2.

    Beleidslijn Bibob Lelystad 2017

In de beleidslijn wordt een onderscheid gemaakt tussen beschikkingen (bv. vergunningen) en privaatrechtelijke transacties (b.v. aanbestedingen en vastgoedtransacties). Per type beschikking en privaatrechtelijke transactie wordt aangegeven hoe het Bibob instrumentarium wordt toegepast. De wet wordt bij sommige vergunningaanvragen altijd toegepast en in andere gevallen kan de wet worden toegepast als sprake is van signalen van bijvoorbeeld OM, politie, belastingdienst of naar aanleiding van ambtelijke informatie een Bibob toets wordt uitgevoerd. Hieronder volgt een nadere toelichting per toepassingsgebied.

Vergunningen

  • Vergunningen voor openbare inrichtingen.

  • Ten aanzien van de toepassing van de Wet Bibob op openbare inrichtingen (horecabedrijf, prostitutiebedrijf, speelautomatenhal en coffeeshop) wordt het beleid van de afgelopen jaren voortgezet.

    Bij de vergunningaanvragen van openbare inrichtingen wordt de Wet Bibob altijd ingezet. Het Bibob instrumentarium is in de afgelopen jaren in Lelystad, en ook landelijk, met name ingezet op deze branches.

  • Overige vergunningen.

  • Onder ‘overige vergunningen’ worden in deze beleidslijn de vergunningen verstaan die niet onder de hiervoor genoemde categorie vermeld staan, maar die wel onder de toepassingsmogelijkheden vallen van de gemeentelijke overheid. Denk hierbij aan vergunningen op grond van de Huisvestingswet, de omgevingsvergunning voor bouw- en milieuactiviteiten en vergunningen die voorkomen uit lokale verordeningen, zoals evenementenvergunningen. Ten aanzien van de ‘overige vergunningen’ kunnen risicobranches en gebieden aangewezen worden waarbij de Wet Bibob altijd wordt toegepast. De Wet Bibob wordt bij een evenementenvergunning in beginsel altijd toegepast op aanvragen die betrekking hebben op een vechtsportgala/activiteit, tenzij deze georganiseerd worden door onder auspiciën van het NOC/NSF. Voor het overige worden ’overige vergunning’ aan de wet getoetst indien daartoe aanleiding is

Subsidies

Met de wijziging van de Wet Bibob kunnen alle subsidies worden getoetst. Voorheen moesten subsidies worden aangewezen. Subsidie aanvragen kunnen aan Bibob worden getoetst indien daartoe aanleiding is. Daarnaast bestaat er een mogelijkheid om bepaalde type subsidies aan te wijzen waarop de Wet Bibob altijd wordt toegepast. Dit geldt zowel voor aanvragen als voor reeds verleende subsidies. Op grond van artikel 6 van de Wet Bibob kan een subsidie aan een rechtspersoon of aan een natuurlijke persoon worden geweigerd dan wel worden ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de wet

Aanbestedingen

De toepasbaarheid van het Bibob instrumentarium is door de wetgever bij aanbestedingen beperkt tot de sectoren milieu, ICT en bouw.

De Wet Bibob verstrekt geen extra weigeringsgronden bij aanbestedingen. De reden hiervoor is dat het binnen deze sector in beginsel gaat om een gesloten stelsel van selectie- en gunningscriteria. De uitkomst van een Bibob toets kan dan ook slechts gelden als versterking van één van deze criteria.

Gemeente Lelystad heeft een inkoop- en aanbestedingsbeleid waarin is opgenomen dat een Bibob onderzoek onderdeel kan uitmaken van de procedure. Aanbestedingen kunnen worden getoetst aan de wet als hiertoe aanleiding is. Ook is het mogelijk om na gunning van een overheidsopdracht een Bibob toets uit te voeren als hieromtrent in de betreffende aanbestede (concept)overeenkomst(en) een nadere bepaling is opgenomen.

Vastgoedtransacties

Waar bij vergunningen geldt dat deze in beginsel verleend moeten worden, tenzij er sprake is van een weigeringsgrond in een wettelijke regeling, staat bij vastgoedtransacties het uitgangspunt van contractsvrijheid voorop. Dat brengt met zich mee dat partijen vrij zijn om met elkaar in onderhandeling te treden en ook om die onderhandelingen weer af te breken. Die vrijheid is echter niet onbeperkt. Het afbreken van onderhandelingen kan bijvoorbeeld als onaanvaardbaar worden beschouwd indien de wederpartij het gerechtigde vertrouwen mocht hebben dat de overeenkomst tot stand zou komen.

Bovendien moet een gemeente bij onderhandelingen over een overeenkomst de algemene beginselen van behoorlijk bestuur1 in acht te nemen. In hoeverre onderhandelingen als gevolg van een Bibob procedure kunnen worden afgebroken, hangt af van de concrete omstandigheden waarbij onder meer van belang is of de wederpartij ervan op de hoogte is gesteld dat de Wet Bibob zou worden toegepast. Gelet hierop dient uitdrukkelijk een voorbehoud gemaakt te worden door de gemeente indien er een intentie is om voorafgaand aan het sluiten van een overeenkomst een Bibob toets uit te voeren.

De contractsvrijheid brengt anderzijds met zich mee dat onderhandelingen ook kunnen worden afgebroken indien geen sprake is van een ernstig gevaar maar er naar het oordeel van de gemeente wel sprake is van een integriteitsrisico.

Het is mogelijk om, nadat een vastgoedtransactie is aangegaan een advies aan te vragen bij het Bureau indien in de overeenkomst is bepaald in welke gevallen deze kan worden ontbonden.

Anders dan het weigeren of intrekken van een subsidie of vergunning, is het verlengen van de procedure, het niet sluiten of beëindigen van een vastgoedtransactie geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. De betrokkene kan daardoor geen bezwaar of beroep instellen maar zal zich tot de civiele rechter moeten wenden.

Er zijn verschillende soorten vastgoedtransacties.

  • 1.

    Verhuur van onroerend goed en het verlenen van een gebruiksrecht.

  • Bij dit type vastgoedtransacties kan worden overgegaan tot een Bibob toets indien sprake is van verhuur met betrekking tot aangewezen risicobranches en -gebieden. Daarnaast kan in huur- en verhuurcontracten een beëindigingsclausule worden opgenomen waardoor tijdens een lopend contract ook de mogelijkheid bestaat om een Bibob toets uit te voeren indien daar aanleiding toe is.

  • 2.

    Verkoop van onroerend goed.

  • Indien sprake is van verkoop van onroerend goed is een aantal indicatoren aangegeven waarbij kan worden overgegaan tot een Bibob toets. Een voorbeeld hiervan is dat de hoogte van de aankoopsom of bieding ongebruikelijk is vergeleken met de waardering van het vastgoedobject. Verder wordt de Wet Bibob signaal gestuurd toegepast.

  • 3.

    Gronduitgifte.

  • Bij gronduitgifte is eveneens een aantal indicatoren opgenomen waarbij kan worden overgegaan tot een Bibob toets. Daarnaast is een aantal omstandigheden aangegeven waarbij doorgaans niet wordt overgegaan tot een Bibob toets. Dit betreft onder andere de uitgifte van grond aan particulieren ten behoeve van tuinuitbreidingen. Bovendien is een koppeling gemaakt met de bepaling over omgevingsvergunning bouw aangezien de uitgifte van grond veelal wordt gevolgd door een omgevingsvergunning bouw.


Noot
1

De algemene beginselen van behoorlijk bestuur (abbb's) behelzen in Nederland een aantal beginselen die ontstaan zijn uit jurisprudentie om de gedragsregels van de overheid ten opzichte van de burger te regelen.