Verordening nazorgheffing gesloten stortplaatsen Zuid-Holland 2022

Geldend van 01-01-2022 t/m heden

Intitulé

Verordening nazorgheffing gesloten stortplaatsen Zuid-Holland 2022

Provinciale staten van Zuid-Holland;

Gelezen het voorstel van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 2 november 2021, PZH-2021-788486751;

Gelet op artikel 15.44 van de Wet milieubeheer;

Overwegende dat het wenselijk is de Verordening nazorgheffing gesloten stortplaatsen provincie Zuid-Holland 2014 te actualiseren;

Overwegende dat het wenselijk is, gezien de omvangrijke wijziging als gevolg van genoemde actualisatie, de voornoemde verordening in te trekken en te vervangen door een nieuwe verordening;

Besluiten vast te stellen het volgende besluit:

Verordening nazorgheffing gesloten stortplaatsen Zuid-Holland 2022

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • -

    ALM: asset-liability management

  • -

    doelvermogen: het voor de eeuwigdurende nazorg benodigde vermogen, dat op het moment van aanvang van de nazorg in het fonds aanwezig dient te zijn;

  • -

    fonds: provinciaal fonds nazorg gesloten stortplaatsen Zuid-Holland;

  • -

    gecalculeerd doelvermogen: het contant gemaakte doelvermogen, op basis van de geldende rekenrente naar een bepaald moment;

  • -

    gedeputeerden: gedeputeerde belast met de provinciale financiën en de gedeputeerde belast met de nazorg, dan wel, in het geval deze portefeuilles bij één persoon berusten, een door gedeputeerde staten aan te wijzen tweede gedeputeerde;

  • -

    gesloten stortplaats: hetgeen hier op grond van artikel 8.47 van de wet onder wordt verstaan;

  • -

    nazorg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 8.49, lid 1, van de wet;

  • -

    nazorgheffing: directe provinciale belasting waarbij een heffing wordt geheven ter bestrijding van de kosten gemoeid met (a) de in artikel 8.49, eerste lid, van de wet bedoelde zorg voor de in de provincie Zuid- Holland gelegen stortplaatsen of (b) de dekking van de aansprakelijkheid, bedoeld in artikel 6:176, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek;

  • -

    rekenrente: door het bestuur van het provinciaal fonds nazorg gesloten stortplaatsen Zuid-Holland vastgestelde rekenrente waarbij de besluitvorming over de rekenrente door het bestuur wordt ondersteund door de resultaten van een ALM-studie;

  • -

    sluitingsverklaring: verklaring als bedoeld in artikel 8.47, derde lid, van de wet;

  • -

    stortplaats: hetgeen hier op grond van artikel 8.47 van de wet onder wordt verstaan;

  • -

    storten van afvalstoffen: op of in de bodem brengen van afvalstoffen, al dan niet in verpakking, om deze stoffen daar te laten;

  • -

    tarieventabel: in de bijlage behorende bij deze verordening opgenomen tarieventabel;

  • -

    uitvoeringsorganisatie: de rechtspersoon of instantie waaraan op grond van artikel 8.50, lid 2, van de wet door gedeputeerde staten van de provincie de zorg voor de uitvoering van de nazorgwerkzaamheden, zoals aangegeven in lid 1 van dat artikel, is opgedragen;

  • -

    werkelijk opgebouwd doelvermogen: het doelvermogen dat op een bepaalde datum werkelijk in het fonds is opgebouwd, berekend met de opgelegde heffingen, de beleggingsresultaten en de daaraan gerelateerde (uitvoerings)kosten;

  • -

    wet: Wet milieubeheer.

Artikel 2 Belastingplicht

De nazorgheffing wordt geheven van de exploitant die een stortplaats drijft en wordt geheven per stortplaats.

Artikel 3 Vrijstellingen

De nazorgheffing wordt niet geheven op baggerspeciestortplaatsen, die worden gedreven of mede worden gedreven door de minister van Infrastructuur en Waterstaat.

Artikel 4 Maatstaf van de heffing

De nazorgheffing is gebaseerd op het doelvermogen waarbij de bepaling van het doelvermogen plaatsvindt op het door gedeputeerde staten van Zuid-Holland vastgestelde beleid.

Artikel 5 Tarieven

  • 1. De nazorgheffing wordt zodanig vastgesteld dat uit de opbrengst van de heffing en de daarover verkregen rentebaten en beleggingsresultaten de kosten kunnen worden bestreden, die naar verwachting gemoeid zullen zijn met de uitvoering van het in artikel 8.49, derde en vierde lid van de wet bedoelde nazorgplan en de daarop afgegeven beschikking waarmee gedeputeerde staten hebben ingestemd, of indien geen nazorgplan geldt, de in artikel 8.49 eerste en tweede lid van de wet bedoelde zorg voor die stortplaats.

  • 2. De nazorgheffing wordt geheven naar de tarieven opgenomen in de tarieventabel.

  • 3. In het jaar dat de sluitingsverklaring wordt afgegeven is het tarief van de heffing gelijk aan het verschil tussen (i) het doelvermogen zoals dat op het moment van afgifte van de sluitingsverklaring kan worden bepaald en (ii) het werkelijk opgebouwd vermogen ten behoeve van de nazorg van de stortplaats zoals die blijkt uit de jaarrekening van dat fonds welke is vastgesteld voorafgaand aan het jaar van afgifte van de sluitingsverklaring. In het jaar van de sluiting is artikel 5 lid 4 en 5 van deze verordening niet van toepassing.

  • 4. Als het werkelijk opgebouwd doelvermogen in enig kalenderjaar minder bedraagt dan 95% van het gecalculeerd doelvermogen in dat kalenderjaar, wordt de nazorgheffing in dat kalenderjaar zodanig vastgesteld dat het werkelijk opgebouwd doelvermogen in dat kalenderjaar 100% bedraagt van het gecalculeerd doelvermogen in dat kalenderjaar.

  • 5. Als het werkelijk opgebouwd doelvermogen in enig kalenderjaar meer bedraagt dan 105% van het gecalculeerd doelvermogen in dat kalenderjaar, wordt de nazorgheffing in dat kalenderjaar zodanig vastgesteld dat het werkelijk opgebouwd doelvermogen in dat kalenderjaar 100% bedraagt van het gecalculeerd doelvermogen in dat kalenderjaar.

  • 6. Over het werkelijk opgebouwd doelvermogen in enig kalenderjaar tussen de 95% en 105% wordt niet geheven, tenzij er sprake is van de definitieve aanslag van het definitieve doelvermogen op het moment van sluiting van een stortplaats.

Artikel 6 Belastingtijdvak

Het belastingtijdvak is een kalenderjaar.

Artikel 7 Wijze van heffing

De nazorgheffing wordt geheven bij wege van aanslag.

Artikel 8 Tijdstip van betaling

  • 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de nazorgheffingen worden betaald op het moment van uitreiken van de kennisgeving, dan wel in geval van toezending daarvan, binnen 30 dagen na de dagtekening van de aanslag.

  • 2. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijn.

  • 3. Op verzoek van een exploitant kan uitstel van betaling worden aangevraagd.

Artikel 9 Kwijtschelding

Bij de invordering van de nazorgheffing wordt geen kwijtschelding verleend.

Artikel 10 Voorlopige aanslag

  • 1. Na aanvang van het belastingtijdvak kan de in artikel 227a, tweede lid, lid b van de Provinciewet bedoelde provincieambtenaar aan de belastingplichtige een voorlopige aanslag opleggen tot ten hoogste het bedrag, waarop de aanslag over dat jaar vermoedelijk zal worden vastgesteld.

  • 2. Een voorlopige aanslag kan met inachtneming van het vorige lid, door één of meer voorlopige aanslagen worden aangevuld.

  • 3. De voorlopige aanslagen worden met de definitieve aanslag verrekend.

Artikel 11 Intrekking

De Verordening nazorgheffing gesloten stortplaatsen provincie Zuid-Holland 2014 wordt ingetrokken.

Artikel 12 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2022.

Artikel 13 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening nazorgheffing gesloten stortplaatsen provincie Zuid-Holland 2022.

Ondertekening

Den Haag, 15 december 2021

Provinciale staten van Zuid-Holland

B.S.M. Sepers, griffier

drs. J. Smit, voorzitter

Bijlage Tarieventabel behorende bij artikel 5 van de Verordening nazorgheffing gesloten stortplaatsen provincie Zuid-Holland 2022

Locatie

Aanvang nazorg

Storten beëindigd?

(J/N)

Te bereiken doelvermogen

(in € 1.000)

Heffing 2022

(in €)

1. Crayestein-West

2045

J

8.448

-/- 94.266

2. Mineralz Maasvlakte

2052

N

19.358

-/- 357.668

3. Derde Merwedehaven

2023

J

14.762

0

Artikelsgewijze toelichting

Toelichting artikel 1

Om duidelijkheid te scheppen over de inhoud van een aantal in deze verordening voorkomende begrippen is daarvan in dit artikel een omschrijving opgenomen.

Het doelvermogen wordt berekend door alle toekomstige nazorgkosten te kapitaliseren naar een reëel moment waarop de nazorg aanvangt. De toekomstige nazorgkosten worden berekend aan de hand van nazorgplannen die door de exploitanten dienen te worden opgesteld en die door Gedeputeerde Staten (GS) worden goedgekeurd middels een beschikking. In de beschikking kunnen elementen genoemd worden uit het nazorgplan waarmee GS niet heeft ingestemd. Uit de beleggingsopbrengsten van het aldus bepaalde doelvermogen wordt de financiering van de eeuwigdurende nazorg veiliggesteld.

Toelichting artikel 2

Uit dit artikel kunnen het karakter en het doel van de heffing worden afgeleid. De nazorgheffing is een directe provinciale belasting met een retributief karakter. De heffing is bedoeld om daarmee de kosten van nader aangeduide werkzaamheden te kunnen voldoen. De redactie is ontleend aan artikel 15.44 van de Wet milieubeheer. In onderdeel a wordt verwezen naar artikel 8.49 van deze wet. Het tweede lid van dit artikel bepaalt, dat onder de zorgplicht onder meer de volgende maatregelen vallen:

  • a.

    maatregelen strekkende tot het in stand houden en onderhouden, alsmede het herstellen, verbeteren of vervangen van voorzieningen ter bescherming van de bodem;

  • b.

    het regelmatig inspecteren van voorzieningen ter bescherming van de bodem;

  • c.

    het regelmatig onderzoeken van de bodem onder en naast de stortplaats.

In de toelichting op de wet wordt aangegeven dat dit geen limitatieve opsomming is en dat hieronder ook andere maatregelen te rekenen zijn die getroffen moeten worden wanneer schade ontstaat dan wel dreigt te ontstaan als gevolg van de stortplaats. Als mogelijke oorzaken worden genoemd het tekortschieten van voorzieningen, maar ook gebeurtenissen van buiten de stortplaats. Ook saneringsmaatregelen dienen hiertoe gerekend te worden, alsmede de mogelijke claims op grond van art. 6.176, lid 4 Burgerlijk Wetboek (BW), dat een risicoaansprakelijkheid legt bij de stortplaatsexploitant voor eventuele schade als gevolg van het verspreiden van verontreinigingen naar buiten de stortplaats. Op grond van art. 15.49 Wet milieubeheer dient na de sluiting van de stortplaats een eventuele succesvolle claim van een derde betaald te worden uit het fonds.

Toelichting artikel 3

In deze bepaling wordt geregeld in welke gevallen een aanslag, ondanks het feit dat men belastingplichtig is, achterwege blijft. De vrijstelling is overgenomen van artikel 15.43 van de Wet milieubeheer.

Toelichting artikel 4

De maatstaf van heffing vormt de basis voor de berekening van de aanslagen. Hierin kunnen, in samenhang met het tarief, diverse beginselen tot uitdrukking worden gebracht, zoals bijvoorbeeld het beginsel 'de vervuiler betaalt', 'het draagkrachtbeginsel' en 'het profijtbeginsel'. Voor de onderhavige heffing wordt het principe van 'de vervuiler betaalt’ gehanteerd. Degene die de stortplaats drijft moet de heffing betalen en kan de opgelegde heffing doorberekenen in de storttarieven. Dit betekent dat uiteindelijk de aanbieder van afval betaalt. In deze verordening wordt voor een objectgebonden heffing gekozen. Een objectgebonden heffing houdt in, dat de heffing gelijk is aan het berekende doelvermogen dat aanwezig moet zijn bij aanvang van de nazorg. De bepaling van het doelvermogen vindt plaats op het door Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland vastgestelde beleid.

Toelichting artikel 5

Toelichting artikel 5 lid 1

Voor wat betreft de te hanteren tarieven is ervoor gekozen om te werken met een separaat door Provinciale Staten vast te stellen tarieventabel. Provinciale Staten kunnen bepalen in welke gedeelten de heffing tijdens de exploitatieperiode, de periode dat er afvalstoffen op de stortplaats worden gestort, moet worden betaald.

Het doelvermogen wordt gedurende de periode tot aanvang van de nazorg opgebouwd, door oprenting via de verwachte rente- en beleggingsresultaten -, gecorrigeerd voor inflatie. Jaarlijks zal bij de voorbereiding van de tarieventabel op basis van de meest recent vastgestelde jaarrekening en de meerjarenramingen worden beoordeeld of de nazorgheffing aanpassing behoeft. Het bedrag van de jaarlijkse aanslag wordt in principe zodanig vastgesteld dat uit de opbrengst van de jaarlijkse aanslagen en de daarover verkregen rentebaten en beleggingsresultaten over de periode tot aan overdracht de "basis voor het doelvermogen" wordt gegenereerd.

Zodra een up-to-date nazorgplan door de exploitant is ingediend (op termijn en in ieder geval voor sluiting) en goedgekeurd, zal het doelvermogen op basis van de beschikking volgens de laatst beschikbare rekenmethodes worden (her)berekend. Indien een wijziging van de rekenrente optreedt leidt dit eveneens tot een (her)berekening van het doelvermogen.

Bij de berekening van het doelvermogen per stortplaats worden de volgende stappen onderscheiden:

  • -

    vaststellen van de uit te voeren werkzaamheden en te treffen maatregelen (inclusief risico's), de periodiciteit waarin deze werkzaamheden/maatregelen moeten worden uitgevoerd alsmede de daaraan verbonden kosten;

  • -

    de geprognosticeerde uitgave voor werkzaamheid/maatregel in een bepaald jaar in de nazorgfase kapitaliseren naar het jaar van aanvang van de nazorg rekening houdend met een inflatiecorrectie en een correctie voor verwacht rendement;

  • -

    het berekenen van een risicotoeslag;

  • -

    tot slot wordt het totaal doelvermogen bij aanvang nazorg berekend door de som van alle benodigde reserveringen op te tellen.

De hoogte van het doelvermogen bij aanvang van de nazorg wordt dus bepaald door alle kosten in verband met de uitvoering van de nazorg - inclusief risico's - om te rekenen naar het jaar van aanvang nazorg. Bij die omrekening wordt rekening gehouden met zowel inflatie als de vastgestelde rekenrente. De uit te voeren werkzaamheden/te treffen maatregelen worden ontleend aan de door de exploitanten op te stellen nazorgplannen en door GS genomen beschikkingen naar aanleiding van die nazorgplannen. De beschikking kan inhoudelijk afwijken van het nazorgplan. Gewijzigde inzichten voor wat betreft de nazorgtechniek zal tot uitdrukking moeten komen in een aanpassing van het nazorgplan. De wenselijkheid van aanpassing van het nazorgplan zal periodiek bezien worden in onderling overleg. Zowel de exploitant als het bevoegd gezag kunnen daar aanleiding toe zien. Jaarlijks zal bezien worden of ontwikkelingen in de financiële parameters mede aanleiding geven tot bijstelling van het doelvermogen.

Toelichting artikel 5 lid 2

In de tarieventabel worden zowel de totale belastingplicht als de jaarlijkse aanslagen vastgelegd. De in de toekomst door het fonds te betalen BTW over de door de uitvoeringsorganisatie uit te voeren nazorgactiviteiten zullen worden gedeclareerd bij het BTW-compensatiefonds, dat per 1 januari 2003 in werking is getreden. Dit betekent dat in het kader van de tarieventabel 2003 en latere jaren de nazorgheffing exclusief BTW wordt opgelegd.

Toelichting artikel 5 lid 3

Ten aanzien van het datum van sluiting gaat het om het datum waarop de sluiting in werking treedt. In de sluitingsverklaring kan geregeld zijn dat de inwerkingtreding van de sluiting een ander moment is dan dat datum waarop de sluitingsverklaring wordt afgegeven. De datum van aanvang van nazorg wordt gebruikt als datum waarop wordt bezien of er voldoende rendement is gerealiseerd op de geïnde nazorgheffing zodanig dat het vereiste niveau van het definitieve doelvermogen is gerealiseerd. Mede op basis van deze realisatie wordt de definitieve heffing bepaald. Bij de afgifte van de sluitingsverklaring wordt op basis van de gegevens van de door Provinciale Staten vastgestelde jaarrekening van het fonds de voorlopige eindstand van het werkelijk opgebouwd doelvermogen van de betreffende stortplaats bepaald. Hieruit volgt een indicatie van de definitieve heffing. De definitieve heffing wordt gebaseerd op het verschil tussen het definitieve doelvermogen en het werkelijk opgebouwd doelvermogen per sluitingsdatum. Het werkelijk opgebouwd doelvermogen wordt gebaseerd op de laatst vastgestelde jaarrekening. Het definitief doelvermogen wordt bepaald aan de hand van de beschikking van GS ten aanzien van het definitief nazorgplan. Deze zal vaak pas in het jaar van afgifte van de sluitingsverklaring worden opgesteld. Over de stand van de voorziening per 1 januari van het jaar waarin de stortplaats wordt gesloten, vindt een rentevergoeding plaats over de periode van 1 januari tot de sluitingsdatum. Deze rentevergoeding wordt berekend op basis van het gemiddelde van het driemaands Euribor tarief voor de bedoelde periode. Over een eventueel te restitueren bedrag wordt een rentevergoeding berekend over de periode vanaf zes weken na sluitingsdatum op basis van het gemiddelde van het driemaands Euribor tarief voor de bedoelde periode.

Toelichting artikel 5 lid 4 en 5

In de jaarrekening is de hoogte van de voorziening open stortplaatsen gelijk aan het gecalculeerde doelvermogen van de betreffende stortplaats. Dit kan afwijken van het werkelijk opgebouwd doelvermogen. Indien het werkelijk opgebouwd doelvermogen hoger is dan het gecalculeerd doelvermogen, behoeft aan de betrokken exploitant geen nazorgheffing (meer) opgelegd te worden. Restitutie kan plaatsvinden door middel van het opleggen van een negatieve aanslag. Feitelijke teruggave van het overschot vindt plaats onder de voorwaarden dat het nazorgplan door Gedeputeerde Staten is goedgekeurd, het gecalculeerd doelvermogen is bereikt en de opgelegde aanslagen nazorgheffing zijn voldaan.

Voor het berekenen van de heffing (ofwel restitutie) is rekening gehouden met een bandbreedte van 95% - 105% van het gecalculeerd doelvermogen. Er wordt een aanslag opgelegd wanneer het werkelijk doelvermogen lager is dan 95% van het gecalculeerd doelvermogen. Een negatieve aanslag (ofwel restitutie) wordt opgelegd wanneer het werkelijk opgebouwd doelvermogen hoger is dan 105% van het gecalculeerd doelvermogen. Er wordt geheven tot 100% van het gecalculeerd doelvermogen.

Gedurende de twee laatste jaar voor sluiting van de stortplaats vindt geen heffing plaats.

Toelichting artikel 7

In deze verordening is gekozen voor heffing bij wege van belastingaanslag. Het initiatief tot het vaststellen van de belastingschuld ligt bij de provincie. Het vaststellen van de belastingschuld kan plaatsvinden door middel van het opleggen van een voorlopige aanslag en/of een definitieve aanslag. Indien enig (nieuw) feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, kan de te weinig geheven belasting worden nagevorderd. Onder een nieuw feit wordt verstaan een feit dat de belastingheffer op het tijdstip van vaststelling van de aanslag niet bekend was of redelijkerwijs niet bekend had kunnen zijn. Navordering is ook mogelijk indien de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. De bevoegdheid tot het vaststellen van een navorderingsaanslag vervalt door verloop van vijf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan.

Toelichting artikel 8

Ten aanzien van de betalingstermijnen van de bij wege van aanslag geheven belastingen heeft de provincie een ruime bevoegdheid. Met het oog op de groep van belastingplichtigen is in deze verordening gekozen voor betaling in één termijn, te betalen binnen 30 dagen na dagtekening van het aanslagbiljet. Er kan uitstel van betaling worden verzocht.

Toelichting artikel 9

Op grond van artikel 232e Provinciewet volgen provincies het kwijtscheldingsbeleid van de Rijksoverheid. Dit is vastgelegd in de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990. Artikel 232e Provinciewet biedt echter de mogelijkheid om van de ministeriële regeling af te wijken. Provinciale Staten van Zuid-Holland hebben besloten dat bij de invordering van de heffing geen kwijtschelding wordt verleend.

Toelichting artikel 10

Op grond van artikel 15.44, derde lid, Wet milieubeheer jo. artikel 227a Provinciewet jo. artikel 228 Provinciewet is een groot aantal bepalingen van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) van toepassing op de nazorgheffing, waaronder de bepalingen met betrekking tot voorlopige aanslagen. In artikel 13 en 14 van de Awr is geregeld dat in bepaalde gevallen voorlopige aanslagen kunnen worden opgelegd. Die bepalingen komen er voor de nazorg op neer dat degene die de aanslag oplegt, óók voorlopige aanslagen kan opleggen. Bij oplegging van een aanslag moet op het aanslagbiljet worden aangegeven of het gaat om een voorlopige of definitieve aanslag. Indien uit het aanslagbiljet niet blijkt dat het gaat om een voorlopige aanslag, moet het ervoor worden gehouden dat bedoeld is een gewone (definitieve) aanslag op te leggen.

Voorlopige aanslagen kunnen worden opgelegd na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan, in casu aan het begin van het belastingtijdvak.

Toelichting artikel 12

Ingevolge het bepaalde in artikel 136 van de Provinciewet moeten de besluiten tot het invoeren, wijzigen of afschaffen van belastingverordeningen bekend worden gemaakt. Het niet voldoen aan deze bekendmakingplicht leidt tot niet verbindendheid van de verordening. Bekendmaking geschiedt door plaatsing van de integrale tekst van het besluit in het provincieblad, of in een andere door de provincie algemeen verkrijgbaar gestelde uitgave. Op grond van artikel 139 van de Provinciewet treedt het bekendgemaakte besluit in werking met ingang van de achtste dag na de dag van de bekendmaking, tenzij in de verordening een ander tijdstip is aangegeven.