Uitvoeringsregels maatschappelijke ondersteuning ISD Bollenstreek 2022

Geldend van 30-12-2021 t/m heden

Intitulé

Uitvoeringsregels maatschappelijke ondersteuning ISD Bollenstreek 2022

INLEIDING

De ondersteuning vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: Wmo 2015) is erop gericht dat mensen met een beperking en personen met psychische of psychosociale problemen zo lang mogelijk zelfstandig kunnen blijven wonen in de eigen leefomgeving en deel kunnen nemen aan het maatschappelijk verkeer.

Aanvragers krijgen meer dan voorheen de regie over hun eigen leven en dragen ook bij aan het leven van anderen omdat de gemeente ervan overtuigd is dat de samenleving daar sterker van wordt. De aanvrager vormt samen met zijn omgeving het uitgangspunt bij het zoeken naar een oplossing van een ondersteuningsvraag. De eigen kracht en mogelijkheden om zelf oplossingen te vinden voor problemen vormt het uitgangspunt en wordt door de gemeente gefaciliteerd en gestimuleerd.

De gemeente onderzoekt wat redelijkerwijs verwacht mag worden van de aanvrager en zijn sociaal netwerk. Indien dit ontoereikend blijkt en het gebruik van algemene voorziening onvoldoende oplossing biedt, zal waar nodig de gemeente in aanvulling hierop de aanvrager in staat stellen gebruik te maken van een maatwerkvoorziening. Een maatwerkvoorziening kan bestaan uit diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die kunnen bijdragen aan het verbeteren of het in stand houden van zelfredzaamheid, participatie of het bieden van beschermd wonen of opvang aan de aanvrager. Ook datgene dat nodig is om de mantelzorger van de aanvrager te ondersteunen bij het verlenen van mantelzorg of om deze (tijdelijk) te ontlasten in een situatie van (dreigende) overbelasting, kan onderdeel uitmaken van een maatwerkvoorziening. De nadruk op te bereiken resultaten in plaats van voorzieningen.

De Verordening maatschappelijke ondersteuning Wmo is een uitwerking van de Wmo 2015 en wordt vastgesteld door de gemeenteraad. Het Dagelijks Bestuur stelt het Uitvoeringsbesluit en de Uitvoeringsregels vast. Deze Uitvoeringsregels vormen een toetsingskader om in de uitvoering van de verordening en het uitvoeringsbesluit een stuk uniformiteit aan te brengen hoe het proces om tot een oplossing te komen zo zorgvuldig mogelijk wordt doorlopen. Deze uitvoeringsregels zijn daarom een verlengstuk van de Verordening en het Uitvoeringsbesluit. De Uitvoeringsregels passen zowel inhoudelijk als financieel binnen de kaders van de Verordening.

foto

HOOFDSTUK 1 KERNBEGRIPPEN MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING

In dit hoofdstuk worden de begrippen die een rol spelen bij de maatschappelijke ondersteuning verder uitgewerkt.

Zelfredzaamheid

De omschrijving van zelfredzaamheid bevat twee elementen:

  • 1.

    het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen,

  • 2.

    het voeren van een gestructureerd huishouden.

Reikwijdte algemene dagelijkse levensverrichtingen

Algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) zijn de handelingen die personen dagelijks in het gewone leven verrichten, met inbegrip van persoonlijke verzorging (deze verzorging wordt als het ware gegeven in het verlengde van overige benodigde begeleiding, zoals een aansporing om onder de douche te gaan of zich aan te kleden). De ondersteuning is gericht op het behoud of verbeteren van zelfredzaamheid voor aanvragers die, al naar gelang de zwaarte van hun beperking, hulp nodig hebben bij diverse activiteiten in hun dagelijkse leven. Het gaat meestal om de ondersteuning en begeleiding bij het laten uitvoeren van deze ‘algemene dagelijkse levensverrichting’ door de aanvrager zelf.

Reikwijdte gestructureerd huishouden

Ondersteuning met het oog op het voeren van een gestructureerd huishouden omvat bijvoorbeeld hulp bij contacten met officiële instanties, hulp bij het aanbrengen van structuur in het huishouden, hulp bij het leren om zelfstandig te wonen, hulp bij het omgaan met onverwachte gebeurtenissen die de dagelijkse structuur doorbreken

Zelfredzaamheid wil niet persé zeggen dat de aanvrager zélf overal toe in staat is. De zelfredzaamheid van een aanvrager kan ook versterkt worden door de inzet van huisgenoten, het sociaal netwerk en gebruikelijke voorzieningen bijdragen aan de zelfredzaamheid.

Participatie

Bij participatie gaat het om het deelnemen aan het maatschappelijke verkeer, dit wil zeggen dat de aanvrager, ondanks zijn lichamelijke of geestelijke beperkingen, op gelijke voet met anderen in redelijke mate mensen kan ontmoeten, contacten kan onderhouden, boodschappen kan doen en aan maatschappelijke activiteiten kan deelnemen. Daarvoor is het ook een vereiste dat hij zich kan verplaatsen.

Aanvaardbaar niveau

Vanuit de Wmo is het streven om de aanvrager op het niveau van participatie en zelfredzaamheid te brengen dat bij zijn situatie past. Hierbij zal er rekening worden gehouden met de situatie van de aanvrager voordat hij geconfronteerd werd met zijn beperkingen, alsmede de situatie van personen in vergelijkbare omstandigheden en leeftijdscategorie zonder beperkingen. De te bieden ondersteuning beperkt zich tot wat noodzakelijk is in het licht van de versterking of het behoud van zelfredzaamheid en participatie. De ondersteuning gaat niet zover dat er rekening wordt gehouden met alle wensen en persoonlijke voorkeuren. Aanvaardbaar wil van de andere kant zeggen dat de aanvrager zich er soms bij neer moet leggen dat er belemmeringen blijven.

Algemeen gebruikelijk

Het begrip ’algemeen gebruikelijk’ ziet enerzijds op de voorziening en anderzijds op de kosten. Een algemeen gebruikelijke voorziening is een voorziening die:

  • a.

    niet speciaal bedoeld is voor mensen met een beperking. Met andere woorden: een voorziening die ook mensen zonder beperkingen worden gekocht;

  • b.

    in de reguliere handel verkrijgbaar is;

  • c.

    niet duurder is dan soortgelijke producten met eenzelfde doel voor iemand in een vergelijkbare situatie.

Algemeen gebruikelijk zijn goederen en producten die een persoon in vergelijkbare sociale en financiële omstandigheden tot zijn uitgavenpatroon kan rekenen.

Of een voorziening algemeen gebruikelijk is, hangt af van de specifieke situatie van de aanvrager, en van de tijdgeest en jurisprudentie. Dit wordt per situatie afgewogen. De individuele afweging kan leiden tot een uitzondering op het principe dat een voorziening voor de aanvrager als aanvrager algemeen gebruikelijk is. Bij deze afweging kan leeftijd, inkomenspositie en persoonskenmerken een rol spelen.

In bijlage 8 is een lijst opgenomen van voorzieningen die in principe als algemeen gebruikelijk worden beschouwd.

Algemene voorziening

Algemene voorzieningen omvat het aanbod van diensten of activiteiten welke, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de deelnemers, toegankelijk is voor alle aanvragers of bepaalde doelgroepen, en gericht is op maatschappelijke ondersteuning. Algemene voorzieningen zijn voorliggend aan de maatwerkvoorziening. Dit betekent dat er eerst beoordeeld wordt of de ervaren beperkingen dan wel hulpvraag opgelost kan worden door middel van een algemene voorziening.

Bemoeizorg

Bemoeizorg is een vorm van ondersteuning in de vorm van een algemene voorziening of

Maatwerkvoorziening. Bemoeizorg is bedoeld voor aanvragers die op grond van hun beperking ofaandoening, al dan niet in combinatie met verslavings- en/of sociale problemen niet zelf om hulp vragen of overlast geven aan hun omgeving. Het kan zijn dat zij in de war zijn, geïsoleerd zijn geraakt, zich vereenzamen of verwaarlozen. In veel gevallen zijn zij niet in staat gebruik te maken van de reguliere hulpverlening en zijn er te weinig mensen op wie zij kunnen terugvallen voor ondersteuning. De bemoeizorg heeft tot doel aanvragers toe te leiden naar reguliere ondersteuning. Om dit bereiken, kan er voor deze groep ambtshalve worden besloten tot indicatiestelling voor een maatwerkvoorziening.

Eigen kracht

Primair stimuleert de gemeente aanvragers zelf de regie te voeren en eigen mogelijkheden te benutten. De eigen kracht heeft betrekking op de mogelijkheden van aanvrager om zelf bij te dragen aan zijn zelfredzaamheid en participatie of opvang. De eigen kracht komt niet alleen tot uitdrukking op het moment dat er al belemmeringen zijn maar ook daarvoor, door bijvoorbeeld te anticiperen op een levensfase waarin de belemmeringen niet ongebruikelijk meer zijn. Een jong stel bereidt zich voor op een levensfase waarin het kinderen krijgt en hiervoor kosten moeten maken in verband met de aanschaf van de benodigde babyartikelen of een verhuizing naar een grotere woning. Op diezelfde wijze zal een ieder zich ook moeten voorbereiden op wat veelal hoort bij het ouder worden: de behoefte aan een kleinere woning in verband met het vertrek van kinderen, de nabijheid van winkels en gemaksdiensten, een gelijkvloerse woning in verband met verminderde mobiliteit. Het gebruik maken van de eigen kracht betekent ook dat de aanvrager zelf voorziet in de kosten/voorzieningen die algemeen gebruikelijk zijn. Een aanvrager wordt geacht hiervoor op eigen kracht zorg te dragen. Gebruik maken van de eigen kracht veronderstelt daarnaast dat de aanvrager zich voldoende verzekert, bijvoorbeeld door een passende aanvullende ziektekostenverzekering af te sluiten die aansluit bij zijn situatie.

Eigen bijdrage

In de Wmo 2015 zijn gemeenten verantwoordelijk voor de vormgeving van de gemeentelijke eigen bijdrageregeling. Gemeenten kunnen binnen de door het Rijk gestelde kaders een eigen bijdrage heffen. De kaders zijn vastgelegd in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.

Gebruikelijke hulp (zie bijlage 1)

Gebruikelijke hulp wordt in de wet als volgt gedefinieerd:

“Hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten”.

Voor zover het gebruikelijk is dat partners, ouders, inwonende kinderen en/of andere huisgenoten elkaar bepaalde ondersteuning bieden, is een aanvrager niet aangewezen op ondersteuning in de vorm van dienstverlening vanuit de gemeente. Voor gebruikelijke hulp is dus geen indicatie mogelijk. De ondersteuning die deze gebruikelijke hulp in omvang en intensiteit overstijgt, wordt als mantelzorg gezien en deze hulp is in principe wel indiceerbaar. Wat onder gebruikelijke hulp valt, wordt bepaald door wat naar algemene aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht.

Goedkoopst adequaat

Met het begrip goedkoopst adequaat wordt bedoeld ‘wat volgens objectieve maatstaven verantwoord en toereikend is’. Hiervan is sprake als een oplossing, mogelijk bestaand uit een combinatie van voorzieningen, de beperkingen van aanvrager wegneemt dan wel vermindert. Hierbij hoeft een oplossing niet aan alle wensen van de aanvrager tegemoet te komen. In het geval dat meerdere voorzieningen als adequaat kunnen worden aangemerkt, wordt gekozen voor de goedkoopste voorziening.

Ingezetene

  • Een ingezetene van Nederland kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening (artikel 1.2.1 Wmo 2015) en de gemeente beslist op een aanvraag van een ingezetene van de gemeente om een maatwerkvoorziening (artikel 2.3.5).

  • De aanvraag voor opvang / beschermd wonen, kan door iedere ingezetene van Nederland worden gedaan.

Het begrip "ingezetene" is echter niet gedefinieerd in artikel 1.1.1 Wmo 2015.

Uit de Memorie van Toelichting volgt dat een ingezetene zich, voor een maatwerkvoorziening, moet wenden tot de gemeente waar hij woont. De term 'wonen' wordt echter niet verder uitgelegd. De VNG geeft aan dat een ingezetene iemand is die in de Basisregistratie personen (BRP) is ingeschreven. Als er twijfel bestaat over de vraag of een persoon het hele jaar op een bepaald adres, dan kan het feitelijk woonadres elders zijn, in een andere gemeente. Als iemand dan een beroep doet op de gemeente waar hij is ingeschreven, kan die gemeente stellen dat het hoofdverblijf elders is en dat de aanvrager zich dan daar zou moeten inschrijven. Een persoon kan maar op één adres ingeschreven staan (artikel 2.66, tweede lid, Wet BRP).

Indien een aanvrager gaat verhuizen en een Wmo maatwerkvoorziening nodig heeft, kan de aanvrager zich melden bij de gemeente waar hij gaat wonen.

Maatwerkvoorziening

Een maatwerkvoorziening wordt in de Wmo 2015 als volgt gedefinieerd:

“Op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen:

  • ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen;

  • ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen;

  • ten behoeve van beschermd wonen en opvang”.

Een maatwerkvoorziening is gericht op de persoon met beperkingen. Hiermee wordt het volgende bedoeld:

  • »

    Er is altijd één individuele aanvrager die de maatwerkvoorziening aanvraagt, c.q. voor wie de maatwerkvoorziening aangevraagd wordt. De maatwerkvoorziening moet voor deze aanvrager noodzakelijk zijn in het kader van de Wmo; de maatwerkvoorziening moet op die aanvrager gericht zijn.

  • »

    De maatwerkvoorziening wordt alleen verstrekt ten behoeve van de aanvrager met beperkingen zelf. Medegebruik van maatwerkvoorzieningen is mogelijk. Voorbeelden daarvan zijn:

    • o

      aangepaste auto waarin anderen mee kunnen rijden;

    • o

      automatische deuropener aan de gemeenschappelijke toegangsdeur van een flat waar ook andere bewoners dan de persoon met beperkingen gebruik van maken.

Bij co-ouderschap waarbij het kind verdeeld over de tijd bij beide ouders verblijft, wordt in beginsel slechts één voorziening verstrekt. Van ouders wordt verwacht dat zij over roerende voorzieningen onderling afspraken maken.

Mantelzorg (zie bijlage 5)

Mantelzorg wordt in de Wmo 2015 gedefinieerd als:

“Hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie beschermd wonen of opvang, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie en niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep”.

Mantelzorg is langdurige zorg die niet in het kader van hulpverlening wordt aangeboden aan een hulpbehoevende, door personen uit diens omgeving waarbij de zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg overstijgt. In de Wmo 2015 is mantelzorg in principe vrijwillig. Wel wordt nagegaan of het probleem van de aanvrager met inzet van eigen netwerk kan worden opgelost. Dat zou kunnen inhouden dat met de mantelzorger wordt afgesproken dat deze boven-gebruikelijke zorg levert. Bij de beoordeling van bovengebruikelijke zorg wordt gebruik gemaakt van de richtlijn die opgenomen is in bijlage Gebruikelijke zorg. Bij deze afweging worden de belangen en de draagkracht van de mantelzorger meegewogen.

Mantelzorg is, in tegenstelling tot gebruikelijke zorg, in principe wel indiceerbaar. Dit impliceert dat die zorg alsnog wordt verstrekt als de mantelzorg zou wegvallen. De mate waarin mantelzorgers bereid en in staat zijn een deel van de benodigde ondersteuning te bieden, is bepalend voor de inzet van professionele ondersteuning vanuit de Wmo. Hierbij speelt de draagkracht van mantelzorgers een rol. Deze is niet voor iedereen gelijk. De individuele verschillen worden in belangrijke mate bepaald door de persoonlijke omstandigheden van de mantelzorger (leeftijd, gezinssituatie, eigen gezondheid et cetera). Mantelzorg kan niet worden gezien als vorm van voorliggende voorziening.

Een mantelzorger heeft onder de Wmo 2015 geen eigenstandig recht op een maatwerkvoorziening. De maatwerkvoorziening wordt altijd toegekend aan de aanvrager met de beperking. In het onderzoek zal wel worden nagegaan of er behoefte bestaat aan ondersteuning.

Noodzakelijk

Noodzakelijk wil zeggen dat de aanvrager met beperkingen uitsluitend met behulp van de voorziening in staat blijft zelfredzaam te zijn en participeren. De voorziening moet om die reden nodig zijn; niet gewenst of gemakkelijk. Deze voorwaarde geldt voor alle maatwerkvoorzieningen. De noodzakelijkheid kan zowel leiden tot een kortdurende als een langdurige verstrekking.

Voor woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen is langdurig noodzakelijk een voorwaarde. Langdurig noodzakelijk wil zeggen dat de aanvrager met beperkingen niet alleen aangewezen moet zijn op een Wmo voorziening maar dat dit tevens voor langere tijd geldt. De grens wordt bepaald door de vraag: gaat de beperking over of is het blijvend. Als de aanvrager een probleem heeft dat acht of tien maanden zal duren maar daarna over zal zijn, mag er van worden uitgegaan dat geen sprake is van langdurige noodzaak. Dat geldt overigens niet bij een aanvrager die terminaal ziek is. Er wordt dan uitgegaan van langdurige noodzaak.

Persoonskenmerken, behoeften van de aanvrager en de financiële mogelijkheden

Bij het vaststellen van de noodzaak van een maatwerkvoorziening wordt gekeken naar de persoonskenmerken, de behoeften en de financiële mogelijkheden van de aanvrager.

Relevante persoonskenmerken kunnen, afhankelijk van de belemmeringen die de aanvrager ervaart, , bijvoorbeeld zijn:

  • de leeftijd;

  • de gezondheidssituatie;

  • de zelfstandigheid van de aanvrager;

  • de mate waarin de aanvrager in staat is om zelf - eventueel met hulp van zijn huisgenoten en sociale netwerk - zaken te organiseren.

Behoeften van de aanvrager

De behoeften van de aanvrager spelen op twee manieren een rol. Allereerst wordt bekeken op welke terreinen hij belemmeringen ondervindt in zijn zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Onderzocht wordt wat de aanvrager wil met betrekking tot zijn zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie en op welke manier hij daarin belemmerd wordt. Vervolgens wordt beoordeeld in hoeverre deze wensen redelijk zijn en gecompenseerd moeten en kunnen worden. Voor het compenseren van de belemmeringen wordt gekeken welke oplossingen mogelijk zijn. Hierbij speelt opnieuw de behoefte van de aanvrager een rol en ook de achtergrond van de behoefte. Met deze behoeften wordt rekening gehouden, voor zover dat mogelijk is. Uiteindelijk wordt voor de goedkoopst adequate oplossing gekozen.

Financiële mogelijkheden

In de Wet maatschappelijke ondersteuning 2007 is bepaald dat gemeenten rekening houden met de mogelijkheden die aanvrager heeft om zelf in financiële zin kosten van een voorziening geheel of gedeeltelijk voor eigen rekening te nemen. De discussie loopt of gemeenten ook rekening mogen houden met het vermogen. Dus niet alleen met het inkomen uit vermogen.

Uit de Wmo 2015 en uit de jurisprudentie kan nog geen heldere lijn worden gehaald. Aan de ene kant heeft de Centrale Raad van Beroep in meerdere uitspraken duidelijk gemaakt dat gemeenten geen absolute inkomensgrenzen mogen hanteren om aanvragers buiten de Wmo te sluiten. Aan de andere kant is er jurisprudentie waarbij de Raad wel rekening hield met het financiële vermogen van aanvragers om zelf in een oplossing te voorzien.

In de Wmo 2015 wordt gesteld dat gemeenten burgers niet vanwege hun inkomen en vermogen mogen uitsluiten van de Wmo. Bij het gesprek zal de gemeente nagaan of de aanvrager zelf in een

oplossing kan voorzien. Het kan niet anders of de financiële zelfredzaamheid zal daarbij aan de orde komen. Er ligt nu eenmaal een verband tussen de zelfredzaamheid van een persoon en diens financiële omstandigheden. Zoals het er nu uitziet, kan de gemeente daar alleen op vrijwillige basis een beroep op doen. De verwachting is dat ook met de Wmo 2015 de juridische discussie over financiële zelfredzaamheid door zal gaan.

Sociaal-recreatief vervoer

Het gaat bij sociaal-recreatief vervoer om vervoer dat bestemd is ten behoeve van de participatie en zelfredzaamheid van een aanvrager. Het gaat om vervoer naar bijvoorbeeld een buurtactiviteit, vrienden en familie, een theater, winkels of gewoon een ritje in de buitenlucht met de scootmobiel. Een voorziening voor sociaal-recreatief vervoer stelt de aanvrager in staat zijn zelfredzaamheid te verbeteren of te handhaven, danwel te participeren in de samenleving.

Sociaal-recreatief vervoer onderscheid zich van:

  • vervoer van en naar de dagbesteding: dit vervoer maakt onderdeel uit van het arrangement dagbesteding;

  • vervoer naar werk of in het kader van een traject naar werk of activering op grond van bijvoorbeeld de Werkloosheidswet of Participatiewet.

  • Ziekenvervoer welke vergoed wordt uit het basispakket van de zorgverzekering. Het moet gaan om medisch noodzakelijk vervoer.

Uitrustingsniveau sociale woningbouw

Bij de verstrekking van voorzieningen is het uitgangspunt het niveau van de sociale woningbouw. Het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw is vastgesteld in het bouwbesluit 2012. Woonvoorzieningen die op dat uitrustingsniveau worden verstrekt, zijn in beginsel van voldoende kwaliteit; duurdere of andere voorzieningen hoeven niet te worden verstrekt. Garages bijvoorbeeld vallen daarom niet onder dit niveau.

Vertegenwoordiger

Een vertegenwoordiger is op grond van de definitie in de Wmo 2015 de persoon of rechtspersoon die een aanvrager vertegenwoordigt die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake. Op grond van de wet kunnen als vertegenwoordiger optreden de curator, mentor of gevolmachtigde van de aanvrager. De bewindvoerder staat hier niet bij. De bewindvoerder kan alleen als vertegenwoordiger optreden als deze is gevolmachtigd door de aanvrager. Curatele, bewind en mentorschap zijn verschillende maatregelen om mensen te beschermen die zelf geen goede beslissingen kunnen nemen. Bijvoorbeeld door een verstandelijke beperking, verslaving of dementie. Bewind is bedoeld voor wie zijn financiële zaken niet zelf kan regelen. Mentorschap gaat over het nemen van beslissingen over de verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding van de betrokkene. Curatele is bedoeld voor mensen die hun financiële en persoonlijke zaken niet zelf kunnen regelen. Die mensen zijn handelingsonbekwaam. Curatele, bewind en mentorschap kunnen worden aangevraagd bij de kantonrechter. Als een curator, mentor of gevolmachtigde ontbreekt, kunnen ook als vertegenwoordiger optreden:

  • echtgenoot, geregistreerd partner of andere levensgezel van de aanvrager; dan wel (als deze ontbreekt);

  • diens ouder, kind, broer of zus.

Deze personen kunnen echter niet als vertegenwoordiger optreden als de aanvrager dat niet wenst.

Om die reden zal geprobeerd moeten worden om zoveel mogelijk een schriftelijke machtiging te vragen van de aanvrager. Een buurvrouw, vriend of kennis, kan alleen als vertegenwoordiger optreden als deze expliciet door de aanvrager is gevolmachtigd.

Voorzienbaarheid

De Wmo 2015 biedt, evenals de oude Wmo deed, ruimte om van burgers te eisen dat zij bij het doen van een aanschaf of bij een verhuizing rekening houden met de al aanwezige beperkingen en de redelijkerwijs te verwachten ontwikkeling hiervan. Hierbij kan gedacht worden aan het tijdig zoeken van andere woonruimte of het sparen voor de nodige aanpassingen, maar ook aan het tijdig regelen van tijdelijke hulp na een operatie.

De voorzienbaarheid van een voorziening kan daarom meespelen bij het toekennen of afwijzen van een aanvraag voor de maatwerkvoorziening. De Wmo 2015 laat echter geen ruimte voor generieke uitsluiting van groepen voor een maatwerkvoorziening. Ook mag niet van de aanvrager vereist worden dat hij preventief maatregelen treft en investeringen doet om te voorkomen dat toekomstige onzekere gebeurtenissen in zijn gezondheidstoestand als gevolg van het ouder worden leiden tot een beroep op maatschappelijke ondersteuning.4

Voorliggende voorziening (ledenbrief vng art 2.3.2 lid 4 wmo)

Een voorliggende voorzieningen is een voorziening waar de aanvrager wettelijk aanspraak op kan maken voor zijn belemmering. Een beroep op ondersteuning op grond van de Wmo 2015 is hiervoor dan niet mogelijk.

In de Wmo 2015 komt de term voorliggende voorziening niet meer voor maar is dit vervat in artikel 2.3.2 lid 4. Een voorbeeld is dat voor zover iemand een indicatie heeft voor ondersteuning met verblijf op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz), er geen recht bestaat op ondersteuning via de Wmo 2015, tenzij het gaat om een voorziening voor sociaal recreatief vervoer of een algemene voorziening.

HOOFDSTUK 2 MELDING EN ONDERZOEK (Toegang)

Burgers zijn zelf primair verantwoordelijk voor hun zelfredzaamheid en participatie. De eigen verantwoordelijkheid van de burger is een belangrijke pijler van de Wmo 2015. Tot die eigen verantwoordelijkheid van de burger behoort ook dat hij een beroep doet op familie en vrienden – zijn eigen sociale netwerk – alvorens hij bij de gemeente aanklopt voor hulp. De overheid is van mening dat het immers heel normaal is dat mensen iets doen voor hun partner, familielid of goede vriend als die niet geheel op eigen kracht kan deelnemen aan de samenleving. De regering wil het automatisme doorbreken dat burgers zich bij elke hulpvraag tot de overheid wenden. In de omslag die met de Wmo 2015 in gang is gezet, is het niet meer vanzelfsprekend dat de overheid bij iedere hulpvraag bijspringt. Uitgangspunt is dat iedere burger eerst kijkt wat hij zelf kan doen, wat zijn sociale omgeving voor hem kan doen of wat hij zelf voor een ander kan doen. Hiermee wordt niet uit het oog verloren dat iedereen een beroep mag doen op de gemeente. Geen enkele aanvrager wordt op voorhand, bijvoorbeeld op grond van inkomen, uitgezonderd van de toegang tot ondersteuning door de gemeente. Eenieder kan zich melden bij de gemeente met een hulpvraag. In het onderzoek dat de gemeente na de melding uitvoert, zullen eigen kracht, eigen verantwoordelijkheid en de mogelijkheden van de sociale omgeving worden betrokken en meegewogen om uiteindelijk tot een besluit te komen over het al dan niet bieden van ondersteuning vanuit de gemeente. De Wmo 2015 beoogt immers niet dat burgers aan hun lot worden overgelaten. Integendeel, er zullen burgers zijn, die ondanks al hun inspanningen of die van hun netwerk, al dan niet tijdelijk, niet buiten hulp van de gemeente kunnen. Het Dagelijks Bestuur beoordeelt in dit soort gevallen welke maatschappelijke ondersteuning een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin een aanvrager in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. Daar waar mogelijk, zal de maatschappelijke ondersteuning «ontwikkelingsgericht» worden ingezet; mensen met beperkingen kunnen zich met een daartoe afgestemde ondersteuning positief ontwikkelen in hun mate van zelfredzaamheid in de samenleving.

In de Wmo 2015 is een uitvoerige beschrijving van een zorgvuldige toegangsprocedure opgenomen. Het recht op compensatie van de domeinen is in zekere zin vervangen door het recht op een zorgvuldige toegangsprocedure. Burgers moeten zich eerst ‘melden’ bij de gemeente met de hulpvraag. Een formele schriftelijke aanvraag mag niet direct worden ingediend. Dan gaat de gemeente onderzoek doen naar wat de aanvrager precies vraagt en nodig heeft. De vorm waarin dit geregeld wordt, is vrij. Dit onderzoek moet echter uiterst zorgvuldig gebeuren. Het komt er op neer dat het verzoek van de aanvrager al behandeld wordt zonder dat er een formele aanvraag aan ten grondslag ligt. In de praktijk gebeurde dit onder de oude Wmo ook. Dit is een uitvloeisel van het ‘keukentafelgesprek’ en de ‘Kantelingsgedachte’. Nu wordt deze werkwijze in de nieuwe wet expliciet benoemd.

De bevoegdheid tot de inrichting van het proces “toegang” is niet overgedragen aan het Dagelijks Bestuur. De colleges zullen afzonderlijk nadere regels stellen omtrent de (rand)voorwaarden die van toepassing zijn op het toegangsproces.

HOOFDSTUK 3 AANVRAAG

Aanvraag schriftelijk

De aanvraag voor een maatwerkvoorziening moet schriftelijk worden ingediend. Hiervoor wordt een passage gereserveerd in het gespreksverslag. Als de aanvrager een aanvraag voor een maatwerkvoorziening indient, is hij verplicht ook het gespreksverslag voor gezien of akkoord te ondertekenen.

Een aanvraag kan pas worden ingediend als het onderzoek is afgerond. Is het onderzoek niet binnen zes weken afgerond, dan mag de aanvrager wel een aanvraag indienen. Aangezien erop dat moment nog geen gespreksverslag is, kan hij de aanvraag indienen met een daarvoor vastgesteld formulier.

Zie 3.5 voor de situatie dat de aanvrager een aanvraag indient zonder dat er een melding heeft plaatsgevonden.

Ingezetene

Een persoon heeft slechts recht op een maatwerkvoorziening voor zover hij ingezetene is van de ISD Bollenstreekgemeenten. Dat wil zeggen dat hij zijn woonplaats moet hebben in de ISD Bollenstreekgemeenten.

Artikel 1:10 BW bepaalt dat de woonplaats van iemand zich bevindt te zijner woonstede, en bij gebrek van woonstede ter plaatse van zijn werkelijk verblijf.

Het gaat om waar iemand werkelijk woont, de plaats waar iemand niet vandaan gaat dan met een bepaald doel en tevens met het plan om, als dat doel is bereikt, terug te keren.

Artikel 1:11 BW bepaalt dat een natuurlijk persoon zijn woonstede verliest door daden waaruit zijn wil blijkt om haar prijs te geven. Iemand wordt vermoed zijn woonstede te hebben verplaatst, wanneer hij daarvan op de wettelijk voorgeschreven wijze kennis heeft gegeven aan de gemeentebesturen.

Normaal gesproken komen woonplaats, inschrijving in het BPR en feitelijke verblijfplaats overeen. Als een persoon twee adressen heeft, bijvoorbeeld een woning en een vakantieadres, of een woning en een revalidatiecentrum, is van belang waar de persoon staat ingeschreven en of hij de intentie heeft terug te keren naar zijn woning. Door een tijdelijk verblijf in een instelling of een tijdelijk verblijf op een vakantieadres verliest de persoon derhalve niet zijn woonplaats/ingezetenschap. Als bij de persoon iemand staat ingeschreven die daar feitelijk niet woont, komt dat voor rekening en risico van de aanvrager: Als er in het BPR medebewoners staan ingeschreven die als huisgenoot kunnen worden aangemerkt, wordt hiermee rekening gehouden in het onderzoek. Het is aan de persoon om er zorg voor te dragen dat personen die feitelijk niet bij hem wonen, worden uitgeschreven. Als uit onderzoek blijkt dat er bij een persoon iemand inwoont die kan worden aangemerkt als huisgenoot, wordt hiermee bij de vaststelling van het recht op huishoudelijke verzorging en begeleiding rekening gehouden, ook al staat de medebewoner in het BPR niet ingeschreven op het betreffende adres.

Voor ondersteuning in de vorm van een maatwerkvoorziening voor beschermd wonen en opvang geldt niet dat de aanvrager ingezetene moet zijn van de Bollenstreek gemeenten. De gemeente is gehouden deze ondersteuning te leveren aan iedere burger die zich tot de gemeente wendt en die daarvoor in aanmerking komt.

Aanvraag persoonsgebonden budget

Als een aanvrager de ondersteuning door middel van een persoonsgebonden budget zelf wenst in te kopen, moet hij bij zijn aanvraag een ondersteuningsplan overleggen. Daarnaast overlegt hij de conceptovereenkomst die hij met de aanbieder(s) wil afsluiten (bij dienstverlening). Hiervoor stelt de Sociale Verzekeringsbank modellen ter beschikking. Voor andere vormen van ondersteuning, bijvoorbeeld voor een woningaanpassing of een hulpmiddel, wordt geen plan gevraagd, maar gelden afwijkende voorwaarden (programma van eisen).

Afhandelingstermijn aanvraag

De afhandelingstermijn voor de aanvraag bedraagt 2 weken. Als de aanvrager voor de afhandeling van zijn aanvraag nog gegevens moet overleggen, dan wordt hem dat schriftelijk gevraagd, met vermelding van de termijn waarbinnen hij die gegevens moet overleggen. De afhandelingstermijn wordt opgeschort zolang de aanvrager de gevraagde gegevens niet heeft overgelegd. Als de gegevens niet binnen de termijn zijn verstrekt, kan de aanvraag buiten behandeling worden gesteld als deze gegevens wezenlijk zijn voor de afhandeling van de aanvraag.

Als meer tijd nodig is om tot een besluit te komen, dan kan de afhandelingstermijn met een redelijke termijn worden verlengd. Wat een redelijke termijn is, is afhankelijk van de reden waarom meer tijd nodig is, maximaal 8 weken wordt in de jurisprudentie als redelijk geacht. De aanvrager wordt op de hoogte gesteld dat zijn aanvraag niet binnen 2 weken zal worden afgehandeld. In de brief wordt tevens vermeld wanneer hij het besluit wel kan verwachten.

Aanvraag zonder meldingsprocedure

Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan door een aanvrager alleen worden gedaan als het volledige onderzoek is afgerond, tenzij:

  • het onderzoek niet is uitgevoerd binnen 6 weken;

  • er naar het oordeel van de consulent sprake is van een spoedeisende situatie.

In de Wmo 2015 staat geen termijn genoemd waarbinnen een aanvraag moet zijn gedaan na

afronding van het onderzoek. Als er naar de inschatting van de consulent een dusdanig lange termijn zit tussen afronding onderzoek en indiening aanvraag, dat er twijfels zijn of het onderzoeksverslag nog actueel genoeg is, zal dit met de aanvrager worden besproken. Daarbij wordt ook de reden gevraagd waarom de aanvrager zo lang heeft gewacht met het indienen van zijn aanvraag en hoe hij de situatie in de tussentijd heeft opgelost.

De consulent kan er, afhankelijk van zijn bevindingen, voor kiezen het onderzoek volledig opnieuw te doen, dan wel het verslag met de aanvrager door te lopen om te bezien in hoeverre er nog wijzigingen zijn. Dit (aanvullende) verslag wordt aan de aanvrager verstrekt. Als een aanvrager een aanvraag indient terwijl er geen sprake is geweest van een melding én er ook geen sprake is van een spoedeisende situatie, dan wordt de aanvraag niet in behandeling genomen, maar wordt eerst een onderzoek ingesteld. De aanvraag kan worden aangemerkt als een melding. De aanvrager wordt ervan op de hoogte gesteld dat de aanvraag te vroeg is ingediend en (voorlopig) niet in behandeling wordt genomen totdat het onderzoek is afgerond en de aanvrager de aanvraag wil handhaven.

Spoedprocedures

Het kan soms gebeuren dat een aanvrager spoedzorg nodig heeft. Bijvoorbeeld:

  • De aanvrager kan alleen uit het ziekenhuis worden ontslagen als er thuis hulp bij het huishouden, begeleiding of een voorziening is geregeld.

  • Een voorziening is noodzakelijk omdat de aanvrager zeer ernstig ziek is en een korte levensverwachting heeft

Als een dergelijke situatie van toepassing is, dan moet de aanvrager binnen 24 uur zorg (HbH, begeleiding) en/of binnen 24 uur een passing voor een voorziening krijgen zonder dat er een indicatie is vastgesteld. Binnen 14 dagen stelt de ISD Bollenstreek de indicatie dan alsnog vast.

HOOFDSTUK 4 BEOORDELING VAN DE AANSPRAAK

In artikel 1.2.1 van de wet is in algemene zin verankerd dat burgers, afhankelijk van de aard van hun problematiek, in aanmerking komen voor maatschappelijke ondersteuning in de vorm van een maatwerkvoorziening. Het recht op een maatwerkvoorziening bestaat slechts, voor zover het gemeentelijke beleidsplan en verordening voorziet in het bieden van die maatwerkvoorziening en het Dagelijks Bestuur op basis van artikel 2.3.2 en 2.3.5 heeft vastgesteld dat betrokkene op die voorziening is aangewezen.

Het verschil tussen maatwerkvoorzieningen en individuele voorzieningen wordt als volgt uitgelegd in

de Wmo 2015:

“het begrip ‘maatwerkvoorziening’ duidt beter dan het voorheen gebruikelijke begrip ‘individuele voorziening’ aan dat het niet gaat om één of meer concrete en herhaalbaar in te zetten aanbod van activiteiten en voorzieningen, maar op een op maat van de persoon gesneden afgestemd geheel van maatregelen”.

Een maatwerkvoorziening is dus een op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen ten behoeve van:

  • A.

    zelfredzaamheid en participatie

  • B.

    beschermd wonen en opvang.

A. Zelfredzaamheid en participatie

De gemeente beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de aanvrager ondervindt, voor zover de aanvrager deze beperkingen niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met behulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De aanvrager kan ook geen aanspraak maken op grond van andere wetgeving.

Te bereiken resultaat

De maatwerkvoorziening levert een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de aanvrager in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie om zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving te kunnen blijven.

B. Opvang en beschermd wonen

De gemeente beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de aanvrager met psychische of psychosociale problemen en de aanvrager die de thuissituatie heeft verlaten (al dan niet in verband met risico’s voor veiligheid) voor zover de aanvrager deze problemen niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met behulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen.

Te bereiken resultaat

De maatwerkvoorziening levert een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de aanvrager aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de aanvrager in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

Afwegingskader voor alle maatwerkvoorzieningen:

Eerst wordt derhalve gekeken naar de eigen kracht en andere mogelijkheden om de aanvrager te helpen met zijn problemen met betrekking tot zijn zelfredzaamheid, participatie of zelfstandig functioneren. Dat kan bijvoorbeeld simpelweg een verwijzing zijn naar een voorliggende voorziening, het helpen bij het inzetten van zijn eigen netwerk, gebruikelijke hulp, mantelzorg, met hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk of een verwijzing naar een algemene voorziening.

De maatwerkvoorziening vormt het (aanvullende) sluitstuk, als dit soort opties niet voldoende zijn.

Als het Dagelijks Bestuur vaststelt dat een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, zal het Dagelijks Bestuur kiezen voor de goedkoopst doelmatige voorziening. Voorop staat dat de voorziening adequaat (doelmatig) is om bij te dragen aan de ondersteuningsbehoefte. Als er echter meerdere varianten mogelijk zijn, kiest het Dagelijks Bestuur voor de goedkoopste variant. Maatwerkvoorzieningen kunnen in bruikleen of in eigendom worden verstrekt.

Wijze van verstrekking van voorzieningen

Bij een maatwerkvoorziening kan het gaan om ondersteuning in natura, om ondersteuning in de vorm van een persoonsgebonden budget (hierna Pgb) of om een financiële tegemoetkoming in de meerkosten.

Bij de verstrekking van een voorziening in natura aan de aanvrager kan de voorziening in twee vormen geleverd worden, namelijk:

  • 1.

    de voorziening in natura wordt in eigendom aan de aanvrager verstrekt, of;

  • 2.

    de voorziening wordt in bruikleen aan de aanvrager verstrekt.

Bij een bruikleenverstrekking wordt de aanvrager geen eigenaar van de verleende voorziening, maar blijft de voorziening in eigendom van de ISD Bollenstreek of de leverancier.

Afhankelijk van de eigenaar van de betreffende in bruikleen verstrekte naturavoorziening kan er sprake zijn van een tweetal soorten bruikleenovereenkomsten:

  • een bruikleenovereenkomst tussen de aanvrager en de leverancier, indien de leverancier de eigenaar van de voorziening blijft, of;

  • een bruikleenovereenkomst tussen de aanvrager en de ISD Bollenstreek, indien de ISD Bollenstreek de eigenaar van de voorziening is.

Om aanvragers de mogelijkheid te bieden om zelf regie te voeren en ondersteuning in te kopen die in inhoud en/of vorm (nog) niet door de gemeente is ingekocht, wordt een Pgb geboden als alternatief. Een Pgb is mogelijk als de aanvrager kan motiveren waarom dit gewenst is en duidelijk kan aangeven hoe het Pgb bijdraagt aan het oplossen van de ondersteuningsvraag (zie ook Hoofdstuk 5).

De Wmo geeft gemeenten tevens de bevoegdheid om burgers financieel tegemoet te komen als zij als gevolg van een chronische ziekte of een beperking aannemelijke meerkosten moeten maken. Het gaat onder andere om: een financiële tegemoetkoming voor gebruik van een taxi of een rolstoeltaxi, verhuis- en inrichtingskosten, bezoekbaar- en logeerbaar maken van een woning, tijdelijke huisvesting.

Medische Advisering

De indicatiestelling van een maatwerkvoorziening wordt gedaan door de ISD Bollenstreek. Uitgangspunt bij het onderzoek moet zijn, dat alleen die informatie wordt gevraagd en die onderzoeken worden gedaan, die voor de in behandeling zijnde aanvraag relevant zijn.

Een extern medisch advies (bijv GGD) moet worden gevraagd in die gevallen waarbij:

  • Het medisch beeld en de prognose van de aandoening en stoornis voor de consulent onvoldoende duidelijk zijn;

  • Er mogelijk een afwijzing op medische grond moet plaatsvinden;

  • De beperkingen wel duidelijk zijn, maar de consulent zich onvoldoende deskundig acht om tot een goede selectie te komen;

  • In alle gevallen waarbij het verhaal van de aanvrager en de eigen waarneming van de Wmo-consulent niet met elkaar in overeenstemming is

Van de deskundig medisch adviseur wordt daarbij verwacht dat hij/zij in staat is de stoornis te vertalen in beperkingen en belemmeringen. Op deze wijze is er geen inzicht nodig in de medische dossiers van aanvragers. Het medisch dossier van de aanvrager wordt niet overgedragen aan de ISD Bollenstreek noch wordt inzage gegeven in het medische dossier.

HOOFDSTUK 5 MAATWERKVOORZIENING GERICHT OP VOEREN VAN EEN HUISHOUDEN VOEREN VAN NOODZAKELIJKE ALGEMENE DAGELIJKSE LEVENSVERRICHTINGEN

Het kunnen voeren van een huishouden maakt langer zelfstandig wonen in de eigen leefomgeving mogelijk. Wat dit betekent is een subjectief begrip waarop een ieder eigen normen en waarden hanteert. Daarom wordt gebruik gemaakt van een objectief normenkader om te bepalen welke hulp nodig is, waarbij (tot op zekere hoogte) rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van de klant. Het gaat hierbij om zaken als het schoonhouden van het huis en – waar voorliggende oplossingsmogelijkheden niet afdoende zijn - het doen van de was- of strijk, de zorg voor kinderen, het doen van boodschappen en/of het bereiden van een maaltijd.

De klant en zijn omgeving (leefeenheid) zijn zelf verantwoordelijk voor het eigen huishouden. Voor die taken die de klant en zijn huisgenoten niet kunnen doen en ook niet op andere wijze (familie, vrijwilligers, particuliere hulp) kunnen oplossen kan er hulp bij het huishouden geboden worden. Motto is ‘zorgen dat’ in plaats van ‘zorgen voor’: eigen regie en verantwoordelijkheid van de klant staan centraal.

5.1 Modules

Algemeen

Voor de onderbouwing van de maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp, wordt gebruik gemaakt van het Normenkader HHM. Dit normenkader bestaat uit 6 modules:

  • 1.

    Schoon en leefbaar huis

  • 2.

    Wasverzorging

  • 3.

    Boodschappen

  • 4.

    Maaltijden

  • 5.

    Regie/organisatie, AIV

  • 6.

    Kindzorg

Wanneer klanten als gevolg van hun (medische) beperkingen onvoldoende ondersteund worden door de module schoon en leefbaar huis (module 1), kunnen aanvullende modules (2 tot en met 6) ingezet worden. In principe wordt altijd de module schoon en leefbaar huis geïndiceerd, aangevuld met de andere modules wanneer noodzakelijk. In uitzonderinggevallen kan ook een losstaande module zonder de module ‘schoon en leefbaar huis’ geïndiceerd worden.

Module 1 Een schoon en leefbaar huis

Een huis is schoon en leefbaar indien het normaal bewoond en gebruikt kan worden en voldoet aan basale hygiëne-eisen.

  • Schoon staat voor: een basishygiëne borgen, waarbij vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s van bewoners worden voorkomen.

  • Leefbaar staat voor: opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen.

  • Niet alle vertrekken dienen wekelijks schoongemaakt te worden en niet alle taken dienen wekelijks uitgevoerd te worden.

De inwoner moet gebruik kunnen maken van een schone woonkamer, slaapvertrek(ken), de keuken, sanitaire ruimte(s) en gang/trap. Het schoonmaken van de buitenruimte bij het huis (ramen, tuin, balkon, etc.) maken geen onderdeel uit van deze module, evenals het schoonmaken van de schuur (buitenruimte) en zolder.

De klant zorgt ervoor dat het huis functioneel leefbaar is ingericht om het risico op bijvoorbeeld vallen te verkleinen maar ook om ervoor te zorgen dat de hulp efficiënt te werk kan gaan.

Module 2 Wasverzorging1

Resultaat is het beschikken over schone en draagbare kleding voor alledag en linnengoed. We spreken hier uitsluitend over normale kleding voor alledag. Bij het wassen en drogen van kleding is het normaal gebruik te maken van de beschikbare - algemeen gebruikelijke - moderne hulpmiddelen, zoals een wasmachine en een droger.

Wat betreft het strijken van kleding worden er geen lakens, theedoeken, zakdoeken en ondergoed etc. gestreken. Wat betreft de kleding wordt uitgegaan van een eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van de keuze van kleding, die in principe niet hoeft te worden gestreken2. Strijken is daarmee eerder een uitzondering en/of tijdelijke situatie dan een reguliere activiteit.

Module 3 Boodschappen

Resultaat is het kunnen beschikken over boodschappen voor de dagelijkse activiteiten. In elk huishouden zijn boodschappen voor de dagelijkse activiteiten nodig. De dagelijkse benodigdheden kunnen op vele manieren in huis komen. Compensatie houdt niet perse in dat de burger altijd zelf de boodschappen moet kunnen doen. In redelijkheid moet worden gezocht naar een oplossing waarmee het resultaat wordt bereikt. Indien mogelijk wordt daarbij gebruik gemaakt van boodschappendiensten, zoals geboden door supermarkten, online bezorgdiensten, een door de gemeente opgezette boodschappendienst of de inzet door vrijwilligers. Hierbij moet wel worden opgelet dat de betreffende dienst qua artikelen en prijsbeleid bij de betreffende burger past.

Module 4 Maaltijden

Resultaat is het kunnen beschikken over de broodmaaltijd en/of de warme maaltijd. Doelgroep zijn klanten die niet zelf in hun brood en/of warme maaltijd kunnen voorzien en waar andere voorzieningen zoals het zelf opwarmen van kant en klare/magnetronmaaltijden en maaltijddiensten en hulp van naasten of vrijwilligers niet volledig tot een oplossing leiden. Ook andere domeinen zijn niet van toepassing. Vanuit de wijkverpleging is het bijvoorbeeld mogelijk om hulp te ontvangen bij het bereiden en eten van de maaltijd wanneer de klant ‘behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop’ heeft, bijvoorbeeld wanneer hulp nodig is om het eten in de mond te brengen of wanneer er een grote kans is dat de klant zich verslikt.

Module 5 Regie/organisatie/AIV

Resultaat is het ondersteunen van de klant bij de organisatie van de huishoudelijke activiteiten (eventueel in ontregelde huishoudens) en/of het aanleren van vaardigheden met betrekking tot deze huishoudelijke activiteiten.

Module 6 Kindzorg

Resultaat is de opvang en/of verzorging van kinderen in gezinnen waar de ouder tijdelijk niet in staat is om de ouderrol op zich te nemen. Hierbij gelden de gebruikelijke protocollen voor gebruikelijke zorg. De zorg voor kinderen die tot het huishouden behoren is namelijk in eerste instantie een taak van de ouders. Zo moeten werkende ouders er zorg voor dragen dat er op tijden dat zij beide werken opvang voor de kinderen is. Dat kan op de manier waarop zij dat willen (oppas, naasten, kinderopvang), maar het is een eigen verantwoordelijkheid. Dat is niet anders in de situatie dat beide ouders mede door beperkingen niet in staat zijn hun kinderen op te vangen. In die situatie zal men een permanente oplossing moeten zoeken. Dit resultaat richt zich dus op ouders die mede door hun beperkingen niet in staat zijn hun kinderen op te vangen en dus niet op het kind met beperkingen.

De Wmo heeft vooral een taak om tijdelijk in te springen zodat de ruimte ontstaat om een al dan niet tijdelijke oplossing te zoeken. Dat wil zeggen: de acute problemen worden opgelost zodat er gezocht kan worden naar een permanente oplossing. Opvoedingsondersteuning valt onder een andere voorliggende voorziening.

5.2 Taken en activiteiten

De volgende taken en activiteiten vallen onder de voorziening:

Module

Taken en activiteiten

Afbakening

  • 1.

    Schoon en leefbaar huis

  • Afnemen nat en droog

  • Stofzuigen en dweilen

  • Ramen en gordijnen

  • Bed verschonen

  • Keuken schoonmaken

  • Sanitair schoonmaken

  • Opruimen

Het schoonmaken van de buitenruimte bij het huis (ramen buiten, tuin, balkon, schuur, stoep, etc.) maken geen onderdeel uit van de module. Ook de zolder valt niet onder deze module.

  • 2.

    Wasverzorging

  • Wasgoed sorteren

  • Behandelen van vlekken

  • Was in de wasmachine stoppen, aanzetten en leeghalen

  • Sorteren naar droger of waslijn

  • Was in de droger stoppen, aanzetten en leeghalen

  • Was ophangen, afhalen en opvouwen

  • Was opbergen

  • Was strijken (Bij uitzondering en bij voorkeur tijdelijk totdat strijkvrije kleding is aangeschaft)

  • Er worden geen lakens, theedoeken, zakdoeken en ondergoed etc. gestreken.

  • Er wordt uitgegaan van een eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van de keuze van kleding, die in principe niet hoeft te worden gestreken.

  • 3.

    Boodschappen

Opstellen van de boodschappenlijst, doen van boodschappen en opruimen van de boodschappen. Het betreft de levensmiddelen en schoonmaakmiddelen, die dagelijks/wekelijks gebruikt worden in elk huishouden.

Onder boodschappen vallen niet de grotere inkopen zoals kleding en duurzame goederen, zoals apparaten.

  • 4.

    Maaltijden

  • Broodmaaltijden: tafel dekken, eten en drinken klaarzetten (1 maaltijd op tafel, 1 in de koelkast), afruimen, afwassen off vaatwasser inruimen/uitruimen

  • Opwarmen maaltijd: maaltijd opwarmen, tafel dekken, eten en drinken klaarzetten, afruimen, afwassen of vaatwasser in/uitruimen

Er kan een combinatie van oplossingen gemaakt worden om tot maatwerk te komen. Ter illustratie: familie verzorgt 3 keer per week warme maaltijd. De overige 4 dagen worden geïndiceerd.

  • Er wordt in principe niet gekookt met losse ingrediënten, het gaat om het opwarmen van de maaltijd.

  • 5.

    Regie/organisatie, AIV

Regie/organisatie

  • Organisatie huishoudelijke activiteiten

  • Administratieve werkzaamheden, organiseren, plannen en beheren van middelen

  • Hulp bij ontregelde huishouding in verband met psychische stoornissen. Hieronder kan ook observeren vallen, evenals formuleren doelen met betrekking tot huishouding, helpen verkrijgen, handhaven structuur in het huishouden, helpen verkrijgen/handhaven zelfredzaamheid t.a.v. budget.

AIV:

  • Aanleren van activiteiten en samen uitvoeren van de activiteiten gericht op een schoon en leefbaar huis en de wasverzorging

  • Aanleren van activiteiten en samen uitvoeren van activiteiten gericht op boodschappen en maaltijden

Budgetbeheer, schuldhulpbeheer en permanent beheer van financiële middelen vallen niet onder de module.

  • 6.

    Kindzorg

  • Was verzorgen

  • Kamers opruimen

  • Eten maken

  • Tasjes school

  • Aankleden

  • Wassen

  • Eten geven

  • Structuur bieden

  • Meer tijd huishoudelijke taken

  • Brengen naar school/crèche

  • Naar bed brengen

  • Afstemming met andere hulp/informele zorg

  • Afstemming/sociaal contact (aankomst, vertrek, administratie, contact met cliënt)

 
5.3 Categorieën en wijze van indicatiestelling

Per gemeente gelden de volgende categorieën:

Categorie

Gemeenten

Basismodule

Aanvullende modules

Indicatiestelling

ZIN/PGB

HbH1

Hillegom

1

Indien nodig module 2

Minuten

ZIN EN PGB

HBH 1

Lisse,

Noordwijk en

Teylingen

1

Indien nodig module 2

Minuten

PGB

Schoon en leefbaar huis

Lisse,

Noordwijk en

Teylingen

1

Indien nodig module 2

Taken en frequenties

ZIN

HbH2

Hillegom,

Lisse,

Noordwijk en

Teylingen

1

Indien nodig module 2

Minuten

ZIN EN PGB

HbH3

Hillegom,

Lisse,

Noordwijk en

Teylingen

1

Indien nodig module 2 + minimaal 1 van de volgende modules: 3 tot en met 6.

Minuten

ZIN EN PGB

Categorie HbH2 is bedoeld voor klanten met een psychiatrische en/of psychogeriatrische aandoening die vanwege deze aandoening een hulp met kennis van deze aandoeningen nodig heeft, bijvoorbeeld ook ter preventie van verslechtering van de situatie van de klant. Het uitsluitend hebben van bijvoorbeeld een diagnose Alzheimer of een psychische stoornis is niet voldoende voor een indicatie HbH2. Er wordt onderzocht of op dat moment in de specifieke situatie van de klant sprake is van bovenstaande kenmerken waardoor een indicatie gespecialiseerde begeleiding gerechtvaardigd is. Wijzigt de situatie van de klant gedurende de indicatieperiode? Dan kan een herindicatie aangevraagd worden.

Categorie HbH3 is bedoeld voor klanten die minimaal 1 van de volgende aanvullende modules nodig heeft: 3 tot en met 6.

5.4 Beoordeling

Bij de beoordeling van de noodzaak, de modules en het aantal uren hulp bij het huishouden wordt uitgegaan van de specifieke persoonskenmerken van de klant, zijn situatie met huisgenoten en sociale omgeving. Er wordt gekeken naar (o.a.) het:

  • Beschikbaar zijn van eigen kracht (wat kan de klant zelf en wat kan de klant samen met de hulp?)

  • Beschikbaar zijn van gebruikelijke hulp

  • Beschikbaar zijn van ondersteuning vanuit het sociale netwerk

  • Beschikbaar zijn van voorliggende voorzieningen

  • Reeds aanwezig zijn van betaalde hulp

Deze onderdelen worden opgenomen in het verslag en teruggekoppeld aan de aanbieder.

Het enkele feit dat er zich beperkingen voordoen is geen reden om een beroep te doen op gemeentelijke ondersteuning als men reeds een betaalde hulp inhuurde om de benodigde taken uit te voeren. Wel moet worden meegewogen of door het ontstaan van beperkingen financiële mogelijkheden3 wegvallen of de ondersteuning door de ‘gebruikelijk aanwezige’ schoonmaak (lees: reeds betaalde hulp) niet meer toereikend is.

5.5 Indicatiestelling

In deze paragraaf worden de uitgangspunten van de basisnormen en de inzet van meer of minder hulp besproken. In de bijlage van dit addendum wordt de norm per basismodule toegelicht en worden de invloedsfactoren per norm besproken.

a.Basisnorm

Elke module kent een basisnorm: een norm in minuten gebaseerd op de gemiddelde klantsituatie zoals berekend door Bureau HHM op basis van de honderden casussen die zij onderzocht hebben. Deze gemiddelde klantsituatie waarop de basisnorm per module is gebaseerd is als volgt:

  • 1 of 2 volwassen zonder thuiswonende kinderen

  • Zelfstandige huisvestingssituatie, gelijkvloers of met een trap

  • Geen huisdieren die extra inzet van ondersteuning vragen

  • De klant kan de woning dagelijks op orde houden (bijvoorbeeld zelf aanrecht afnemen, opruimen) zodat deze gereed is voor schoonmaak

  • De klant heeft geen mogelijkheden om zelf bij te dragen aan de activiteiten die moeten worden uitgevoerd

  • Er is geen ondersteuning vanuit mantelzorgers, netwerk en vrijwilligers bij activiteiten die moeten worden uitgevoerd

  • Er zijn geen beperkingen of belemmeringen aan de orde die bij de klant maken dat de woning extra vervuilt of dat de woning extra schoon moet zijn.

  • De woning heeft geen uitzonderlijke inrichting en is niet extra bewerkelijk of extra omvangrijk

Een groot deel van de klanten zal tot deze gemiddelde klantsituatie behoren. Per module zijn er factoren voor meer of minder inzet van hulp geformuleerd.

b.Meer of minder inzet van hulp

Of een klant in aanmerking komt voor meer of minder inzet van hulp per module hangt af van de invloedsfactoren die van toepassing zijn op deze klantsituatie. De aanwezigheid van een of meerdere van deze invloedsfactoren leidt niet automatisch tot meer of minder inzet. Het is steeds de vraag of er kenmerken zijn die leiden tot extra vervuiling of vragen om een extra niveau van schoon, waardoor meer inzet nodig is. Als dit zo is kan er aanvullende minuten geïndiceerd worden. Bij een aantal modules zijn er ook invloedsfactoren die juist zorgen voor aftrek van minuten van de basisnorm, omdat de klant juist zelf of met naasten e.e.a. kan oplossen. De invloedsfactoren staan in bijlage 2 genoemd.

c.Totale indicatie

Per module wordt het totaal aantal minuten berekend. De optelsom van de verschillende modules bepaalt de hoogte van de indicatie.

De professionele hulp verdeelt zelf de uit te voeren werkzaamheden en de beschikbaar gestelde uren in de tijd, in overleg met de klant. Zo worden alle activiteiten uitgevoerd, ook de activiteiten die niet elke week gedaan hoeven worden. In het normenkader is naast directe tijd ook indirecte tijd opgenomen. Dit is tijd die nodig is voor binnenkomen, afspraken maken, interactie met de klant en bijvoorbeeld het pakken/opruimen van schoonmaakspullen.

5.6 Aanvullende afwegingen indiceren maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden

De volgende elementen worden meegenomen in de afweging voor het al dan niet indiceren van een maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden. De algemene omschrijving van deze afweging staat in hoofdstuk 1, in deze paragraaf wordt een algemene toelichting gegeven specifiek voor de maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden.

Voorliggende voorzieningen

In geval van vragen op het gebied van het voeren van een huishouden kan worden gedacht aan wat algemene technische hulpmiddelen zijn: afwasmachine, aangepast bestek, wasmachine, wasdroger, verhoging voor wasmachine of wasdroger en stofzuiger. Voorbeelden van voorliggende algemene voorzieningen zijn: boodschappenbezorgdienst, vriesversmaaltijden, alarmering, glazenwasser, hondenuitlaatservice, klussendienst, kinderopvang. Er wordt hierbij rekening gehouden met individuele omstandigheden van klant zoals: beschikbare ruimte in geval van technische hulpmiddelen in de woning en financiële mogelijkheden bij zowel aanschaf van technische hulpmiddelen als bij gebruik van voorliggende voorzieningen.

Gebruikelijke zorg

Gebruikelijke zorg wil zeggen dat als de hulpvrager huisgenoten heeft die het huishoudelijk werk over kunnen nemen, zij verondersteld worden dit door een herverdeling van taken te doen, zodat er geen ruimte meer bestaat hulp bij het huishouden te indiceren. Dit principe is gebaseerd op de achterliggende gedachte dat een leefeenheid in gezamenlijkheid verantwoordelijk is voor het huishoudelijke werk.

Bij gebruikelijke zorg wordt rekening gehouden met de leeftijd van de huisgenoot. Bij gebruikelijke zorg wordt uitgegaan van de mogelijkheid om naast een volledige baan een huishouden te kunnen runnen. Alleen bij daadwerkelijke afwezigheid van de huisgenoot gedurende een aantal dagen en nachten zullen de niet-uitstelbare taken overgenomen kunnen worden.

In situaties korter dan 3 maanden moet alle zorg door de gebruikelijke zorger worden geboden. Hierbij kan maatwerk geleverd worden.

Overbelasting

Wanneer een huisgenoot overbelast blijkt te zijn door de zorg voor klant, kan tijdelijk hulp bij het huishouden worden ingezet. De overbelasting moet worden vastgesteld door de medisch adviseur. Van klant en huisgenoot wordt dan verwacht dat zij (eventueel met ondersteuning van de mantelzorgconsulent of andere klantondersteuner ) onderzoeken wat de mogelijkheden zijn om de overbelasting te verminderen, zodat op den duur de huishoudelijke taken weer door de huisgenoot kunnen worden overgenomen. Alleen wanneer blijkt dat -na een tijdelijke indicatie- ondanks pogingen van betrokkenen om tot oplossingen te komen het echt niet mogelijk is om de overbelasting te reduceren, kan langdurig hulp bij het huishouden worden ingezet.

Voorzetten hulp na overlijden huisgenoot

Wanneer klant overlijdt en een huisgenoot die beperkingen heeft achterblijft zal de hulp bij het huishouden gedurende 4 weken worden voortgezet. Zo heeft de achterblijvende huisgenoot 4 weken de tijd om de hulp op een andere manier te organiseren of de (veranderende) indicatie op zijn/haar naam te kunnen laten zetten.

Voorzieningenniveau

Een ieder moet kunnen wonen in een huis dat volgens de algemeen gebruikelijke normen schoon is. Voor het aantal ruimten in huis / vierkante meters van het huis geldt als norm dat iedereen gebruik moet kunnen maken van een schone huiskamer, slaapvertrek, keuken en douche/toilet. Een voor de bewoner geschikt huis dient zodanig functioneel te zijn ingericht dat de bewoner normaal gebruik kan maken van de genoemde ruimten.

Een algemene uitsluiting van hulp bij het huishouden voor het gedeelte van de woning dat een bepaalde omvang overstijgt (zoals ‘een hoger niveau dan het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw’) is strijdig met de Wmo. Uitrustingsniveau heeft als het uitgangspunt omvang van een (nieuwe) woning binnen de sociale woningbouw dit is iets anders dan een uitsluiting.

Ook bij hulp bij het huishouden speelt de bepaling “uitrustingsniveau sociale woningbouw” een rol en wordt een duidelijke grens aangegeven. Er kan geen extra hulp bij het huishouden worden toegekend, vanwege het feit dat men in een veel grotere of meer luxe woning woont of voor bijvoorbeeld het schoonhouden van een inpandig zwembad.

Incidentele overname door professionals bij plotselinge uitval mantelzorger.

Bij plotsklaps uitval van de mantelzorger kan direct, zonder indicatie 120 minuten, hulp bij het huishouden worden ingezet gedurende 4-6 weken. Indien blijkt dat de mantelzorger langer tijd is uitgeschakeld kan er in die periode een indicatie worden gesteld.

Afwegingskader voor maatwerkvoorzieningen gericht op zelfredzaamheid

  • Allereerst beoordeelt het Dagelijks Bestuur aan de hand van het verslag van het onderzoek of alle voorliggende en algemeen gebruikelijke voorzieningen meegenomen zijn. Vervolgens beoordeelt het Dagelijks Bestuur of er andere eigen mogelijkheden zijn bijvoorbeeld sociaal netwerk.

  • Daarna beoordeelt het Dagelijks Bestuur of er sprake is van gebruikelijke zorg.

  • Als al het voorafgaande niet geleid heeft tot een oplossing van het probleem, zal het Dagelijks bestuur compenseren met een maatwerkvoorziening Hulp bij het Huishouden.

  • De hulp bij het huishouden is onderverdeeld in categorieën met bijbehorende modules. De klant ontvangt voor uitsluitend de modules waar geen andere oplossing mogelijk is om de taken uit te voeren een indicatie.

  • Er wordt een indicatie in minuten afgegeven.

  • Bij dit compenseren wordt als norm aangehouden de systematiek zoals die onder de Wmo 2007 werd gehanteerd, tenzij de feitelijke situatie tot een andere norm leidt . Deze systematiek bestaat uit normen uitgedrukt in uren en is indertijd tot stand gekomen in overleg met de toenmalige koepel van zorgaanbieders en is door de Centrale Raad van Beroep als niet-onredelijk aangemerkt.

  • De voorziening kan door het Dagelijks Bestuur worden toegekend in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget.

  • Het Dagelijks Bestuur houdt rekening met de belangen van mantelzorgers. Dit is een afgeleid recht van de verzorgde, zodat geen zelfstandig recht ontstaat. Zo kan in geval van dreigende overbelasting een individuele voorziening aan de verzorgde worden toegekend. Deze voorziening kan dan niet – als het een pgb betreft – door de mantelzorger worden ingevuld: het gaat immers om diens (dreigende) overbelasting. Ook hier gaat het om een afgeleid recht. Het Dagelijks Bestuur kan ook op voorhand rekening houden met periodes van afwezigheid van de mantelzorger voor vakantie of anderszins.

  • Wordt ter ondersteuning tijdelijk hulp geboden om thuis te kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren dan gaat het om die tijden dat de partner vanwege werkzaamheden niet thuis is. Bij de toekenning stelt het Dagelijks Bestuur bij beschikking vast om welke tijdelijke periode het gaat en op welke wijze gezocht dient te worden naar een definitieve oplossing

 

HOOFDSTUK 6 MAATWERKVOORZIENING BEGELEIDING

Soms hebben mensen met beperkingen, chronische psychische of psychosociale problemen moeite met het houden van de regie over hun leven. Ze hebben geen inzicht of overzicht. Het is moeilijk voor hen om een planning te maken en zich daaraan te houden. Ook kan er een probleem zijn met het vinden van een zinvolle daginvulling. Ondersteuning vanuit de Wmo 2015 kan dan noodzakelijk zijn. Bijvoorbeeld in de vorm van begeleiding. Onder begeleiding wordt verstaan: activiteiten gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie van de aanvrager opdat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven (artikel 1.1.1 Wmo 2015).

Begeleiding is gericht op:

  • Het begeleiden van de aanvrager bij zijn verslechterende zelfredzaamheid en/of participatie

  • Het stabiliseren van de zelfredzaamheid en/of participatie van de aanvrager of

  • Het verbeteren van de zelfredzaamheid en/of participatie van de aanvrager

Bij zelfredzaamheid in relatie tot de maatwerkvoorziening Begeleiding gaat het om de lichamelijke, cognitieve en psychische mogelijkheden die de aanvrager in staat stellen om binnen de persoonlijke levenssfeer te functioneren.

6.1 Categorie-indeling

De AWBZ kende onder de voorziening Begeleiding een trits aan categorieën. Omwille van de administratieve lastenverlichting en vereenvoudiging zijn deze samengevoegd en zijn nieuwe categorieën gemaakt. Begeleiding bestaat uit de volgende categorieën (uitleg zie bijlage 6) met een daarbij behorend vast tarief en eventueel vervoer:

  • Individuele begeleiding: regulier en gespecialiseerd

  • Dagbesteding: regulier en gespecialiseerd + vervoer

  • Kortdurend verblijf

  • Tijdelijk kortdurend verblijf LVB 18+

  • Begeleiding specialistische zorg

6.2 Indicatiestelling

Tijdens het onderzoek wordt geïnventariseerd welke dagelijkse activiteiten een probleem opleveren voor de aanvrager. De beperkingen en mogelijkheden van de aanvrager staan centraal bij het onderzoek: wat ervaart hij voor problemen bij zijn zelfredzaamheid? Welke problemen komt hij tegen in het dagelijks leven? En wat kan de aanvrager zelf? Onderzocht wordt of de aanvrager in staat is om op eigen kracht zijn probleem geheel of gedeeltelijk op te lossen en ook of hij kan leren het zelf te doen. En of er andere mogelijkheden zijn om het probleem op te lossen, bijvoorbeeld middels gebruikelijke hulp, mantelzorg, voorliggende voorzieningen en voorzieningen uit voorliggende wetten.

Begeleiding maakt vaak deel uit van een heel pakket van zorg van Behandeling en Persoonlijke verzorging. De omvang van de hulp wordt hierdoor sterk bepaald. De indicaties voor Behandeling en Persoonlijke verzorging worden meegewogen bij de indicatiestelling voor Begeleiding en de hulp zal indien nodig met behandelaars en thuiszorg (persoonlijke verzorging) worden afgestemd. In de Wmo zal tevens worden gezocht naar mogelijke combinaties van maatwerkvoorziening Begeleiding en voorliggende voorzieningen op het gebied van Welzijnswerk.

In bijlage 6 wordt het handvatten voor de indicatiestelling begeleiding en dagbesteding gegeven. Hierin worden ook de verschillende aandachtsgebieden weergegeven.

Omvang Begeleiding

De omvang van de Begeleiding wordt vastgesteld in klassen, met daarin een bandbreedte in uren (begeleiding individueel en Tijdelijk beschermd wonen LVB18+) of een exact aantal dagdelen of etmalen (dagbesteding en kortdurend verblijf). De omvang van de indicatie is de optelsom van de duur van de verschillende activiteiten. In bijlage 6 is een normtijdenoverzicht opgenomen.

De klassen zijn als volgt:

Begeleiding individueel en Tijdelijk beschermd wonen LVB 18+ (regulier en gespecialiseerd)

Klasse

Bandbreedte

Waakvlam

Maximaal 90 minuten per 4 weken

1

0 – 1,9 uur per week

2

2 – 3,9 uur per week

3

4 – 6,9 uur per week

4

7 – 9,9 uur per week

5

10 – 12,9 uur per week

6

13 – 15,9 uur per week

7

16 – 19,9 uur per week

8

20 – 24,9 uur per week

Dagbesteding (regulier en gespecialiseerd)

Klasse

Dagdelen

1

1

2

2

3

3

4

4

5

5

6

6

7

7

8

8

9

9

Kortdurend verblijf

Klasse

Etmalen

1

1

2

2

3

3

Aandachtsgebieden

De volgende aandachtsgebieden kunnen geïndiceerd worden:

Overzicht aandachtsgebieden

Resultaten van het aandachtsgebied (niet limitatief)

1. Ondersteunen bij en opbouwen van Sociaal netwerk Inwoner

  • Inwoner heeft gezond Sociaal netwerk en vervult daar- binnen een passende sociale rol

  • Inwoner is in staat een beroep te doen op personen in zijn/haar Sociaal netwerk

  • Inwoner kan eigen problematiek in relatie tot Sociale netwerk hanteren

  • Bij bemoeizorg: Inwoner staat open voor opbouw sociaal netwerk

2. Ondersteunen van de thuisadministratie

  • Overzicht van de administratie/administratie op orde

  • Tijdige betaling van rekeningen

  • Inkomsten en uitgaven in balans

  • Indien aanwezig beheersbaar maken van de schuldenproblematiek (en indien mogelijk in relatie tot de inkomsten: vermindering van de schuldenlast)

3. Ondersteuning bij arbeidsparticipatie/dagbesteding

(zie 4.2.2b)

  • Inwoner heeft een zinvolle dagbesteding

  • Inwoner heeft onbetaald werk met ondersteuning

  • Inwoner heeft onbetaald werk zonder ondersteuning

  • Inwoner heeft betaald werk met ondersteuning

  • Inwoner heeft betaald werk zonder ondersteuning

  • Mantelzorg is niet overbelast

4. Ondersteuning bij zelfzorg

  • Inwoner is in staat zichzelf te verzorgen

  • Inwoner draagt schone kleding

  • Inwoner ziet er verzorgd uit

  • Inwoner komt afspraken met zorgprofessionals (zoals huisarts, tandarts, medisch specialist) na

5. Persoonlijk functioneren, gezondheid en welzijn

  • Inwoner brengt structuur aan en voert regie over de dagelijkse bezigheden, regelt zelf en neemt besluiten, plant en voert taken uit,

  • Inwoner kan met zijn beperkingen omgaan

  • Inwoner maakt gebruik van het eigen probleemoplossend vermogen

  • Inwoner is trouw aan behandeling.

6. Mantelzorg-ondersteuning

N.B. Mantelzorgondersteuning is een gemeentelijke taak en valt onder de algemene voorziening. In het kader van de maatwerkvoorziening wordt alleen mantelzorgondersteuning geboden in relatie tot de aanvrager. 

  • Mantelzorger is niet overbelast.

  • Mantelzorger kan omgaan met de gevolgen van aandoening, stoornis of beperking van Inwoner.

  • Mantelzorger kent eigen competenties en mogelijkheden en de grenzen daaraan.

7. Tijdelijk beschermd wonen LVB18+

  • Inwoner woont in een beschermende veilige woonomgeving

  • Inwoner ontvangt geplande en ongeplande zorg, zowel gevraagd als ongevraagd.

  • Inwoner ontvangt 24 uur per dag toezicht en begeleiding. Het betreft een vorm van beschikbaarheid van zorg die hoofdzakelijk bestaat uit passief toezicht. Er is geen noodzaak tot permanente actieve observatie.

8 Waakvlam

  • De begeleider kan tijdig signaleren of sprake is van terugval en een grotere hulpbehoefte bij de inwoners;

  • De inwoner kan bij korte vragen of kortdurende terugval een beroep doen op ondersteuning of maatregelingen zonder dat er een nieuw hulpverleningstraject opgestart hoeft te worden;

  • De inwoner wordt voorbereid op overdracht aan een voorliggende voorziening/partij.

Keuzevrijheid aanbieders

De aanvrager bepaalt van welke aanbieder hij de maatwerkvoorziening begeleiding wil ontvangen, mits deze aanbieder voor de betreffende categorie gecontracteerd is. De ISD Bollenstreek kan de aanvrager hierbij ondersteunen als de aanvrager dat wenst. Ondersteuning bij het bepalen van het aanbod kan ook geboden worden door een cliëntondersteuner. Er kan gekozen worden om eerst een kennismakings- of afstemmingsgesprek te houden tussen de aanvrager, aanbieder, en ISD Bollenstreek voordat de aanbieder de opdracht krijgt de maatwerkvoorziening Begeleiding te bieden. De aanvrager en aanbieder kunnen na het gesprek besluiten of wel of niet moet worden overgegaan tot het leveren van de maatwerkvoorziening Begeleiding door de aanbieder. Als de aanvrager besluit dat de maatwerkvoorziening Begeleiding niet door de aanbieder geleverd moet worden dan coördineert de ISD Bollenstreek de keuze voor een andere aanbieder. Als de aanbieder besluit dat hij de maatwerkvoorziening Begeleiding niet kan of moet bieden dan moet de aanbieder dit gemotiveerd melden bij de ISD Bollenstreek. De ISD Bollenstreek besluit of de aanbieder op basis van deze motivatie kan afzien van het leveren van de maatwerkvoorziening Begeleiding. Wordt door de ISD Bollenstreek besloten dat dit zo is, dan, afhankelijk van de motivatie van de aanbieder, coördineert de ISD Bollenstreek de keuze van de aanvrager voor een andere aanbieder of wordt een aangepast besluit op basis van een aangepast Arrangement genomen.

6.3 Aanvullende afwegingen bij indicatiestelling

De volgende elementen worden meegenomen in de afweging voor het al dan niet indiceren van een maatwerkvoorziening begeleiding. De algemene omschrijving van deze afwegingen staan in hoofdstuk 1, in deze paragraaf wordt een algemene toelichting gegeven specifiek voor de maatwerkvoorziening begeleiding.

Algemeen gebruikelijke voorzieningen

Er zijn veel algemeen beschikbare en redelijke oplossingen voorhanden die mensen met een beperking kunnen ondersteunen bij de dagelijks noodzakelijke activiteiten. Deze voorzieningen moeten mensen zonder beperking ook zelf regelen of betalen. Voorbeelden zijn:

  • Activiteiten zoals computercursus of taalles

  • Persoonsalarmering

  • Pictogrammenbord of domotica in huis

  • Gezelschap of ondersteuning door vrijwilliger

  • Computer of mobiele telefoon/smartphone

  • Kinderopvang

  • (In principe) Coaching

Voorliggende voorzieningen

Niet wettelijk voorliggende voorzieningen kunnen zijn:

  • Budgetbeheer

  • Budgetbegeleiding

  • Vrijwillige schuldhulp en/of vrijwillige schuldhulpverlening

  • Zogenaamde formulierenbrigades, hulp via vakverenigingen en ouderenorganisaties.

Gebruikelijke hulp

Onder gebruikelijke begeleiding valt o.a.:

  • Het geven van begeleiding op het terrein van de maatschappelijke participatie.

  • Het geven van begeleiding binnen de persoonlijke levenssfeer, zoals familiebezoek, huisarts et cetera;

  • Het bieden van hulp bij/overnemen van taken die bij een gezamenlijk huishouden horen, zoals het doen van de administratie.

  • Het leren omgaan van derden (familie/vrienden) met de aanvrager.

  • Het bieden van een beschermende woonomgeving van ouders aan kinderen is tenminste tot en met een leeftijd van 17 jaar zowel in kortdurende als langdurige situaties gebruikelijk.

Voor de beoordeling van gebruikelijke begeleiding wordt o.a. aangesloten het reeds onder de Awbz bestaande protocol gebruikelijke begeleiding ( indicatiewijzer CIZ)

Behandeling

Voordat begeleiding geïndiceerd wordt, wordt indien nodig onderzocht wat de mogelijkheden van behandeling zijn. Behandeling is gericht op: het verbeteren van de aandoening/ stoornis/beperking, het aanleren van nieuwe vaardigheden of gedrag of nadere functionele diagnostiek. Behandeling kan worden geboden door bijvoorbeeld: ergotherapeut, psycholoog, specialist ouderen geneeskunde of in een revalidatiecentrum of een centrum gespecialiseerd in bepaalde problematiek (zoals een reuma-centrum).

De stelregel is dat als verbetering van functioneren of handelen (vaardigheden) nog mogelijk is, eerst behandeling wordt ingezet. Om dit te bepalen kan een medisch adviseur (onafhankelijk arts) ingeschakeld worden. Is de aanvrager reeds onder behandeling? Dan kan het inzetten van begeleiding contra-productief zijn, wat reden kan zijn om geen begeleiding te indiceren. Begeleiding kan wel worden ingezet om de tijdens behandeling geleerde vaardigheden te oefenen of in te slijten. Soms kan begeleiding en behandeling ook tegelijkertijd worden ingezet; dan neemt de begeleiding de taak tijdelijk over, totdat deze tijdens behandeling is aangeleerd. Uiteraard dient er hierover een goede afstemming tussen behandelaar en begeleider plaats te vinden.

Hulp bij het Huishouden

Bij Hulp bij het Huishouden gaat het om het overnemen van huishoudelijke taken al dan niet in combinatie met het overnemen van de organisatie van deze taken. Wanneer de aanvrager deze huishoudelijke taken wel zelf kan uitvoeren maar iemand anders moet toezien/stimuleren en de hulpverlener moet tijdens het uitvoeren van deze huishoudelijke taken aanwezig zijn, dan behoort deze ondersteuning tot de maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden. Dit ook wanneer de aanvrager deze huishoudelijke taken soms wel of soms niet zelf kan uitvoeren. Als de hulp bij de regie/structuur van het huishouden zich richt op het plannen, stimuleren en voorbespreken van deze huishoudelijke taken, waarna de aanvrager die taken zelf uitvoert, dan kan deze hulp een aanspraak zijn op Begeleiding.

(Wettelijk) voorliggende voorzieningen: Zorgverzekeringswet

Het grootste raakvlak tussen Zorgverzekeringswet en Wmo maatwerkvoorziening binnen de begeleiding ligt op het gebied van de persoonlijke verzorging. De Wmo 2015 kent geen onderscheid in begeleiding of persoonlijke verzorging. Alles wat mensen gebruikelijk aan zelfzorg uitvoeren is persoonlijke verzorging. Verzorging is bijvoorbeeld: hulp bij het opstaan, aankleden, douchen, naar het toilet gaan, wondverzorging of helpen met injecties

Hulp bij de persoonlijke verzorging vanwege een niet-medische oorzaak onder begeleiding in het kader van de Wmo 2015. Het gaat hierbij om het ondersteunen of overnemen van zelfzorg bij mensen met een aandoening of beperking. Het gaat om persoonlijke verzorging die in het verlengde ligt van begeleiding. Dus waar het gaat om aansturing en het niet gaat om persoonlijke verzorging die is ingegeven door een lichamelijke beperking. De persoonlijke verzorging die thuishoort bij de Wmo 2015 is dus feitelijk ondersteuning bij de zelfredzaamheid.

Verzorging die wordt geleverd aan aanvragers met lichamelijke aandoeningen bij wie in de regel sprake is van medische problematiek valt onder de wijkverpleging (Zvw). Dit geldt ook voor de verzorging voor mensen met dementie. Hulp bij het eten en drinken (inclusief het klaarmaken van het eten) kan worden vergoed vanuit de zorgverzekering als de aanvrager ‘behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop’ heeft. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om aanvragers die zich kunnen verslikken tijdens het eten of door dementie het klaargemaakte eten “ vergeten” op te eten. Is er geen behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop? Dan kan de maaltijdverzorging vanuit de Wmo geboden worden. Dit wordt gedaan vanuit de Hulp bij het Huishouden. Eventueel toezicht kan vanuit de begeleiding geboden worden, al is de inschatting dat bij aanvragers waar toezicht nodig is er reeds sprake is van Wlz gerechtigdheid.

(Wettelijk) voorliggende voorzieningen: Wet langdurige zorg

Begeleiding individueel, dagbesteding en kortdurend verblijf kunnen uit zowel de Wmo als de Wlz geboden worden. Afweging is of de aanvrager in aanmerking komt voor de Wlz. Het gaat om aanvragers die naar verwachting een blijvend intensieve zorgbehoefte hebben. En 24 uur per dag zorg in de nabijheid of permanent toezicht nodig hebben. In de Wmo 2015 is in artikel 2.3.5 punt 6 de volgende bepaling opgenomen:

“Het college kan een maatwerkvoorziening weigeren indien de cliënt aanspraak heeft op verblijf en daarmee samenhangende zorg in een instelling op grond van de Wet langdurige zorg, dan wel er redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt daarop aanspraak kan doen gelden en weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit dienaangaande”.

De ISD Bollenstreek geeft uitvoering aan de wet en verwijst daarom aanvragers die in aanmerking lijken te komen voor de Wlz door naar het CIZ voor indicatiestelling. Als de aanvrager na aanvraag bij het CIZ niet in aanmerking komt voor de Wlz kan de aanvrager alsnog geïndiceerd worden voor de Wmo. Er wordt in principe geen aanvulling gegeven vanuit de Wmo op de Wlz voor die taken die vallen onder de Wlz. Tot slot geldt dat wanneer de aanvrager naar verwachting aan de indicatiecriteria voor de Wlz voldoet maar geen aanvraag wil doen, hij de gevolgen daarvan niet op de gemeente kan afwentelen. De gemeente kan daarmee in principe een indicatie weigeren, waardoor de aanvrager geen hulp (meer) krijgt vanuit de Wmo.

(Wettelijk) voorliggende voorzieningen: Participatiewet

Gemeenten zijn op 1 januari 2015 met het in werking treden van de Participatiewet en het uitbreiden van de Wmo verantwoordelijk geworden voor een brede groep aanvragers, die problematiek kunnen ervaren op verschillende leefgebieden, waaronder arbeid. Iedereen die kan werken maar het op de arbeidsmarkt zonder ondersteuning niet redt, valt onder de Participatiewet. De wet moet ervoor zorgen dat meer mensen werk vinden, ook mensen met een arbeidsbeperking. De Wmo 2015 biedt geen ondersteuning gericht op het vinden/behouden van werk of opleiding of het volgen van een loopbaantraject. Beide wetten kunnen echter wel aanvullend op elkaar zijn: als iemand in een reïntegratietraject gericht op arbeid ook problemen op persoonlijk vlak ervaart kan een indicatie begeleiding individueel voor deze problematiek een goede aanvulling op het reïntegratietraject zijn. Wanneer er sprake is van arbeidsvermogen bij aanvragers onder de pensioengerechtigde leeftijd is in principe een indicatie Wmo dagbesteding niet mogelijk. Deze voorziening is immers gericht op personen die vanwege hun beperkingen geen arbeidsvermogen hebben en daardoor aangewezen zijn op dagbesteding.

(Wettelijk) voorliggende voorzieningen: Jeugdwet

Ouders en jeugdigen met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen kunnen op grond van de Jeugdwet diverse voorzieningen ontvangen. Voor ouders gaat het dan veelal om ondersteuning of begeleiding bij de opvoeding van hun kind. Voor jeugdigen kan het een scala aan hulp betreffen; van laagdrempelige begeleiding tot intensieve behandeling of verblijf in een instelling. Jeugdhulp op grond van de Jeugdwet stopt meestal bij het bereiken van de leeftijd van 18 jaar. De meeste vormen van jeugdhulp vallen na het 18e levensjaar namelijk onder een andere wet. Zoals bijvoorbeeld de Zorgverzekeringswet voor geestelijke gezondheidszorg of de Wmo voor begeleiding. In uitzonderingsgevallen is het mogelijk dat jeugdhulp ook na het 18e jaar blijft doorlopen op grond van de Jeugdwet. Dit wordt verlengde jeugdzorg genoemd. Er zijn 2 situaties mogelijk:

  • 1.

    Het gaat dan om jeugdhulp die niet wordt geboden door een ander wettelijk systeem (zoals de Wmo, Zvw of Wlz) én er is sprake van één van onderstaande situaties:

    • a.

      De jeugdige ontving al jeugdhulp voor zijn 18e jaar en voortzetting van deze hulp is Noodzakelijk

    • b.

      voordat de jeugdige 18 jaar werd, is bepaald dat jeugdhulp noodzakelijk is

    • c.

      na beëindiging van jeugdhulp die was aangevangen vóór het bereiken van de 18-jarige leeftijd, wordt binnen een termijn van een half jaar vastgesteld dat hervatting van de jeugd¬hulp nodig is.

  • 2.

    Jeugdhulp in het kader van het jeugdstrafrecht.

Als de aanvrager 18 wordt en er is geen sprake van verlengde jeugdhulp kan hulp geboden worden vanuit de Wmo 2015. Het gaat dan om alle hulp of ondersteuning die de betreffende jongere in staat stelt tot zelfred¬zaamheid of participatie. De Wmo 2015 kent een ander afwegingskader dan de Jeugdwet. Het kan dus voorkomen dat de indicatie Wmo 2015 anders is dan die van de Jeugdwet.

(Wettelijk) voorliggende voorzieningen: Onderwijs

Binnen de Wmo 2007 is door middel van diverse jurisprudentie vastgesteld dat het volgen van onderwijs en de begeleiding daarbij niet valt onder de taakvelden van de Wmo 2007. Het ging daarbij om taken als huiswerkplanning, structureren van het huiswerk, het bijhouden van een agenda, het aanbieden van leertechnieken, betrokkene geconcentreerd en gericht bezig te laten zijn met zijn huiswerk en het onderhouden van contact met de school. In de Wmo 2015 is niet specifiek geregeld dat de Wmo 2015 niet over onderwijs gaat. Maar juist omdat dit niet specifiek geregeld is en gezien de eerdere jurisprudentie, is duidelijk dat begeleiding bij onderwijs niet valt onder de Wmo 2015. Immers, als de wetgever bedoeld had dat onderwijs nu wel tot het terrein van de Wmo 2015 zou gaan behoren, zou dat wel duidelijk zijn vermeld. Alle (extra) activiteiten gericht op het met succes volgen van de lessen en het voltooien van een schoolcarrière vallen daardoor automatisch onder de taken van het onderwijs. Voor huiswerkbegeleiding betekent dit dat per definitie naar het passend onderwijs moet worden gekeken. De wetgever heeft in de Memorie van Toelichting op de Wmo 2015 wel nadrukkelijk benoemd dat het college moet zorgen voor cliëntondersteuning cliënten die maatschappelijke ondersteuning nodig hebben of problemen hebben op andere terreinen binnen het sociale domein, bijvoorbeeld op het gebied van wonen, onderwijs of schuldenproblematiek. Bovendien is het college in het kader van de maatschappelijke ondersteuning verplicht de problematiek van betrokkene in het sociale domein (zorg, wonen, welzijn, jeugdzorg, onderwijs, schulden etc.) in onderlinge samenhang in kaart te brengen en te bevorderen dat de dienstverlening in dat sociale domein zo goed mogelijk op elkaar wordt afgestemd.

6.4 Individuele begeleiding

Een maatwerkvoorziening Wmo individuele begeleiding kan bestaan uit bijvoorbeeld:

  • het ondersteunen bij of het overnemen van de dagelijks noodzakelijke activiteiten

  • het oefenen met of het aanbrengen van structuur in de dagelijkse activiteiten

  • het ondersteunen van het voeren van regie rond de dagelijkse activiteiten waaronder het beheren van geld en het voeren van de administratie die daar bij hoort

  • het ondersteunen bij beperkingen op het vlak van zelfregie over het dagelijks leven, waaronder begeleiding bij tekortschietende vaardigheden in zelfregelend vermogen

Uitgangspunt is: alle dagelijkse zaken die nodig zijn om zelfstandig in een zelfstandige woonsituatie te kunnen functioneren, kunnen er onder vallen, mits zij niet onder een andere wettelijke regeling vallen. Het kan hierbij dus gaan om het compenseren en actief herstellen van het beperkte of afwezige regelvermogen van de aanvrager maar ook om het bieden van praktische hulp en ondersteuning bij het uitvoeren of het eventueel ondersteunen bij het oefenen van handelingen/vaardigheden die zelfredzaamheid tot doel hebben. De dagelijkse activiteiten vinden over het algemeen in de woning van betrokkene plaats. Het gaat daarbij om gangbare activiteiten. Als het gaat om specifieke dagelijkse activiteiten die niet gangbaar zijn en alleen voor deze persoon gelden, dan zal beoordeeld moeten worden of desondanks ondersteuning vanuit de Wmo 2015 nodig is.

De activiteiten bestaan uit:

  • 1.

    Het ondersteunen bij of het oefenen met vaardigheden of handelingen.

  • 2.

    Het ondersteunen bij of het oefenen met het aanbrengen van (dag)structuur of het voeren van regie.

  • 3.

    Het overnemen van toezicht.

  • 4.

    Aansturen van gedrag.

Regulier of gespecialiseerd

In principe wordt een indicatie begeleiding regulier afgegeven, tenzij de aanvrager voldoet aan alle onderstaande kenmerken:

  • a.

    De aanvrager heeft een chronische vorm van niet-aangeboren hersenletsel die gepaard gaat met matig of zwaar regieverlies of met een matige of zware, invaliderende aandoening of beperking (fysieke, cognitieve, sociaal-emotionele beperkingen). En/Of

  • b.

    De aanvrager heeft een langdurige psychische stoornis en daarmee samenhangende beperkingen in “sociale redzaamheid” (beide vastgesteld op grond van psychiatrische diagnostiek) gepaard gaand met matig of zwaar regieverlies of met een matige of zware, invaliderende aandoening of beperking.

  • c.

    EN: Er is regelmatig sprake van een terugval. Een keer per jaar is ook regelmatig.

  • d.

    EN: Het gedrag is onvoorspelbaar. Het gedrag is grillig.

Uitsluitend de aanwezigheid van een chronische vorm van NAH of een langdurige psychische stoornis is niet voldoende om te kwalificeren voor gespecialiseerde begeleiding. Ter illustratie: een diagnose Alzheimer alleen is geen reden om gespecialiseerde begeleiding te indiceren, ook al gaat deze ziekte vaak gepaard met regieverlies en kan het gedrag naar mate de ziekte vordert grillig worden. Er wordt onderzocht of op dat moment in de specifieke situatie van de aanvrager sprake is van bovenstaande kenmerken waardoor een indicatie gespecialiseerde begeleiding gerechtvaardigd is. Wijzigt de situatie van de aanvrager gedurende de indicatieperiode? Dan kan een herindicatie aangevraagd worden.

Verschil in de uitvoering van de begeleiding tussen reguliere en gespecialiseerde begeleiding is dat verwacht wordt dat de professional die de aanvrager ondersteunt een hoger kennisniveau heeft om met de specifieke aandoening om met de aanvrager om te kunnen gaan. Te denken valt aan HBO geschoolde professionals of professionals met bijscholing op specifieke thema’s. Inhoudelijk ligt bij gespecialiseerde begeleiding ook meer nadruk, naast de algemene doelen rondom begeleiding, op het begeleiden in verband met ernstig tekortschietende vaardigheden in het zelfregelend vermogen, het begeleiden bij sociaal-emotionele problematiek die samenhangt met de stoornis en het begeleiden bij mogelijke integratie in de samenleving, met extra aandacht voor ontwikkeltrajecten op het vlak van wonen, werken, sociaal netwerk.

6.5 Categorie waakvlam

Waakvlam begeleiding is een laagfrequente en niet-intensieve vorm van professionele ondersteuning, die kan worden ingezet bij wijze van preventieve nazorg en gericht is op het voorkomen van terugval en het uiteindelijk overdragen van de aanvrager aan een voorliggende voorziening zoals de huisarts. De nazorg kan bijvoorbeeld bestaan uit het op gezette tijden actief contact zoeken met de aanvrager, het voeren van korte gesprekken, observeren van gedrag of het op orde zijn van huishouden en administratie. Ondersteuning is dus gericht op ‘de vinger aan de pols’ houden om zelfredzaamheid te verbeteren, te stabiliseren dan wel terugval in de zelfredzaamheid te voorkomen. Zodat voor de aanvrager en het sociaal netwerk duidelijk is waar men terecht kan bij risico op terugval.

De aanvrager heeft een traject van ondersteuning uit het maatwerkvoorziening Wmo afgerond omdat de aanvrager weer voldoende zelfredzaam is. Wel is er behoefte aan preventieve nazorg. Het is op dat moment nog niet mogelijk of gewenst dat de aanvrager volledig wordt losgelaten of overgedragen aan een andere partij, zoals de huisarts of POH’er GGZ. Er is sprake van een ‘nee, tenzij…’ principe: er wordt in principe geen indicatie waakvlam afgegeven, tenzij betrokkenen (aanvrager, begeleider, consulent en eventueel voorliggende partij) het erover eens zijn dat volledige overdracht richting de voorliggende partij nog niet mogelijk is. De klasse waakvlam kan ook via een PGB geboden worden, het gaat dan uitsluitend om zorg zoals geleverd door een zorginstelling of ZZP’er. Het informele netwerk is uitgesloten van deze klasse omdat het juist gaat om een ‘vinger aan de pols’ door een professional.

De waakvlamindicatie wordt afgegeven voor een periode van 6 tot 9 maanden met een éénmalige verlenging van maximaal 3 maanden (van 6 naar 9 en 9 naar 12 maanden).

Afwegingskader Begeleiding (individueel)

  • Allereerst beoordeelt het Dagelijks Bestuur of de noodzakelijke compensatie op het terrein van de Wmo 2015 ligt. Daarbij wordt nagegaan of er andere voorliggende wetgeving is of dat er overlap is met andere wetgeving

  • Daarna beoordeelt het Dagelijks Bestuur of de beperking van de aanvrager gecompenseerd kan worden door gebruik te maken van wettelijke voorliggende voorzieningen zoals regulier en speciaal onderwijs, opleiding, reguliere betaalde arbeid of arbeid op grond van de participatiewet.

  • Het Dagelijks Bestuur beoordeelt tevens de eigen kracht, of er sprake is van gebruikelijke zorg, de inzet van het sociaal netwerk en de mogelijkheid van een algemene voorziening.

  • Het Dagelijks Bestuur houdt rekening met de draagkracht van mantelzorgers. Zo kan in geval van dreigende overbelasting van de mantelzorger een maatwerkvoorziening aan de verzorgde aanvrager worden toegekend.

  • Als al het voorafgaande niet geleid heeft tot het bereiken van het resultaat zal het Dagelijks Bestuur een maatwerkvoorziening toekennen.

  • Vervolgens bepaalt het Dagelijks Bestuur wat noodzakelijk is om:

  • te voorkomen dat de zelfredzaamheid / participatie van de aanvrager verslechterd en/of

  • de zelfredzaamheid / participatie van de aanvrager te stabiliseren en/of te verbeteren

  • Hierbij bepaalt het Dagelijks Bestuur tevens de omvang van de noodzakelijke maatwerkvoorziening. Bij het bepalen van de omvang neemt het Dagelijks Bestuur de normtijden in uren en minuten zoals vastgelegd in bijlage 6 als uitgangpunt. Per activiteit bepaalt het Dagelijks Bestuur het aantal minuten. Het totaal aantal noodzakelijke uren ondersteuning wordt bepaald door de normtijden van de verschillende activiteiten bij elkaar op te tellen. De omvang van de Begeleiding wordt vastgesteld in klassen, met daarin een bandbreedte in uren.

  • Tot slot bepaalt het Dagelijks Bestuur of de aanvrager in aanmerking komt voor reguliere of gespecialiseerde begeleiding.

  • Voor het vaststellen van de normtijden sluiten we aan bij de CIZ indicatiewijzer. Op basis van individueel maatwerk kan het Dagelijks Bestuur afwijken van deze normtijden.

6.6 Dagbesteding

Naast individuele begeleiding is ook begeleiding in groepsverband mogelijk, ook wel dagbesteding genoemd. Er wordt dan een dagprogramma geboden met als doel zinvolle dagbesteding, participatie en het behoud van (sociale) vaardigheden. De aanvrager wordt daarmee begeleid bij het stabiliseren en/of verbeteren van zijn zelfredzaamheid en/of participatie door het bieden van:

  • Structuur in de dag en week

  • Sociale contacten

  • Zingeving

  • Ondersteuning bij het reguleren of handhaven van zelfredzaamheid, cognitieve vaardigheden en gedragsproblematiek

  • Een situatie die vergelijkbaar is met de werkomgeving van niet-beperkte mensen voor mensen onder de pensioengerechtigde leeftijd

Daarnaast wordt ook de mantelzorger ontlast bij de intensieve zorgvraag thuis.

Onder dagbesteding wordt niet verstaan een reguliere dagstructurering zoals die in de woon-/verblijfsituatie wordt geboden. Het is ook nadrukkelijk anders dan welzijnsactiviteiten, ook al bevatten welzijnsactiviteiten wel elementen die in Dagbesteding voorkomen. Voor veel aanvragers zal deelname aan activiteiten in bijvoorbeeld een inloophuis, buurthuis voldoende zijn om structuur te bieden aan de dag en medemensen te ontmoeten. Alleen voor aanvragers die door hun beperkingen (cognitieve, ernstig fysieke of gedragsproblematiek) een dergelijke dagstructurering, gericht op het verbeteren of behouden van capaciteiten en/of het reguleren van gedragsproblemen nodig hebben is Dagbesteding nodig. Bij dagbesteding is er daarnaast een op de aanvrager gericht begeleidingsplan waarin duidelijk wordt hoe de activiteiten bij zullen dragen aan het te bereiken doel en zijn de welzijnsactiviteiten die onderdeel uitmaken van de dagbesteding geen doel op zich maar een middel om het doel te bereiken

Is de ondersteuningsbehoefte gelegen in het bijvoorbeeld een of meerdere keren per week bieden van hulp bij het doornemen van de dag- of weekstructuur en de zorgbehoefte is niet gelegen in het daadwerkelijk bieden van dagstructuur, dan is Begeleiding individueel de aangewezen vorm. Begeleiding groep wordt in een groep aangeboden en vindt dan in principe ook niet thuis op individuele basis plaats.

Inhoud dagprogramma

De dagbesteding:

  • Is programmatisch: met een vast dag en/of weekprogramma en met een welomschreven doel.

  • Is methodisch: volgens een voor de doelgroep ontwikkelde methode. Het kan gaan om een methode die door de aanbieder zelf is ontwikkeld en omschreven of een methode die door meerdere aanbieders wordt gebruikt. De methode is gebaseerd op de best beschikbare informatie over doelmatigheid en doeltreffendheid (evidence based) of zelfs bewezen effectief (proven practice).

  • Vraagt actieve betrokkenheid van de aanvrager: de aanvrager wordt betrokken bij het invullen van en/of het uitvoeren van het programma.

  • Is gericht op het structureren van de dag en het oefenen met vaardigheden die de zelfredzaamheid bevorderen.

  • Biedt indien nodig lichte assistentie bij persoonlijke zorg

Movisie noemt4” 3 types dagbesteding:

Type

Omschrijving

Recreatieve, belevingsgerichte dagbesteding

Belevingsgerichte activiteiten op een eenvoudig niveau met extra aandacht voor sfeer, geborgenheid, veiligheid, ritme en regelmaat

+

activiteiten gericht op zinvol besteden van de dag, aangepast aan mogelijkheden en interesse van de aanvrager, waar onder handvaardigheid, expressie, beweging, belevingsactiviteiten

Ontwikkelingsgerichte dagbesteding, gericht op leren

Activiteiten gericht op het vergroten van de zelfstandigheid, versterking van het sociaal-emotioneel functioneren en op behoud en uitbreiding van verworven vaardigheden

Arbeidsmatige dagbesteding

Activiteiten met een zelfstandig karakter waarbij het vaak zal gaan om het tot stand brengen van een product of dienst, afgestemd op de mogelijkheden en interesse van de aanvrager

In de praktijk bieden aanbieders vaak een combinatie van deze types aan en wordt in samenspraak met de aanvrager bepaald waar de focus van de dagbesteding op zal liggen.

Een dagdeel duurt in principe 4 uur, exclusief vervoer van de aanvrager en voorbereidingen van de aanbieder. Bij doelgroepen waar een dagdeel van 4 uur te intensief is kan ervoor gekozen worden om de tijd enigszins te verkorten.

Regulier of gespecialiseerd

In principe wordt een indicatie begeleiding groep regulier afgegeven, tenzij de aanvrager behoort tot een van de onderstaande doelgroepen:

  • 1.

    Oudere aanvragers met uitgebreide beperkingen bij het dagelijks functioneren (persoonlijke zorg, mobiliteit, zelfredzaamheid), veelal samenhangend met chronische aandoeningen. Een multidisciplinaire benadering is noodzakelijk.

  • 2.

    Zelfstandig wonende oudere cliënten met een intensieve begeleidings- en verzorgingsbehoefte (waar onder een sterk verminderde zelfregie door dementie, verstandelijke handicap of een stabiele psychische stoornis.

Zoals ook onder begeleiding individueel is omschreven is uitsluitend het hebben van bijvoorbeeld een diagnose Alzheimer, een verstandelijke beperking of een psychische stoornis niet voldoende voor een indicatie gespecialiseerde begeleiding groep. Het gaat om een combinatie van een beperking met daarmee samenhangend een intensieve begeleidings- en verzorgingsbehoefte of uitgebreide beperkingen bij het dagelijks functioneren. Er wordt onderzocht of op dat moment in de specifieke situatie van de aanvrager sprake is van bovenstaande kenmerken waardoor een indicatie gespecialiseerde begeleiding gerechtvaardigd is. Wijzigt de situatie van de aanvrager gedurende de indicatieperiode? Dan kan een herindicatie aangevraagd worden.

Verschil in de uitvoering van de begeleiding tussen reguliere en gespecialiseerde begeleiding groep is dat verwacht wordt dat de professional die de aanvrager ondersteunt een hoger kennisniveau heeft om met de specifieke aandoening om met de aanvrager om te kunnen gaan. Te denken valt aan HBO geschoolde professionals of professionals met bijscholing op specifieke thema’s. Daarnaast zal de groepsgrootte per professional kleiner zijn.

Afwegingskader Dagbesteding

  • De inhoud van reguliere of gespecialiseerde dagbesteding (aandachtsgebied Ondersteuning bij arbeidsparticipatie/dagbesteding) bestaat uit het bieden van activiteiten die in de plaats komen van (betaald) werk en ter ondersteuning van de mantelzorger (zie ook mantelzorger ontlast)

  • Het Dagelijks Bestuur bepaalt allereerst of de beperking van de aanvrager gecompenseerd kan worden door gebruik te maken van wettelijk voorliggende voorzieningen, zoals regulier en speciaal onderwijs, opleiding, reguliere betaalde arbeid, of arbeid op grond van de Participatiewet.

  • Het Dagelijks bestuur beoordeelt vervolgens in hoeverre de mantelzorger, het steunsysteem van de aanvrager of algemene voorzieningen zoals bijvoorbeeld sociaal cultureel werk of vrijwilligerswerk een oplossing kunnen bieden;

  • Is dat niet of onvoldoende het geval dan beoordeelt het Dagelijks Bestuur of er compensatie plaats moet vinden in de vorm van een individuele voorziening. Deze kan in een collectieve vorm worden geboden of in een individuele vorm, waarbij collectief indien passend en beschikbaar, de voorrang heeft boven de individuele vorm.

  • Het Dagelijks Bestuur houdt bij de beoordeling collectief of individueel rekening met in de persoon van de aanvrager gelegen factoren zoals diens (medische) situatie en zijn belastbaarheid.

  • Als er medische contra-indicaties zijn voor collectief, kunnen de activiteiten in de vorm van de aanspraak Begeleiding worden geindiceerd. Waarbij opgemerkt wordt dat een dagdeel in collectief verband in die situatie niet gelijk is aan vier uur Begeleiding individueel, maar is afhankelijk van het resultaat. Het gaat dan om personen waarvoor op medische gronden een contra-indicatie geldt voor deelname aan een groep geboden door een instelling, zoals infectiegevaar of ernstige energetische beperkingen.

  • Het Dagelijks Bestuur houdt rekening met de draagkracht van mantelzorgers. Zo kan in geval van dreigende overbelasting van de mantelzorger een individuele voorziening aan de verzorgde aanvrager worden toegekend.

  • Vervolgens bepaalt het Dagelijks Bestuur de omvang van de compensatie waarbij een maximum van 9 dagdelen collectieve dagbesteding het uitgangspunt is . De omvang wordt mede afgestemd op de behoefte van aanvrager en zijn mantelzorger(s).

  • Vervolgens bepaalt het Dagelijks Bestuur of de aanvrager in aanmerking komt voor reguliere of gespecialiseerde begeleiding.

  • Tenslotte beoordeelt het Dagelijks Bestuur of de aanvrager in aanmerking komt voor een individuele voorziening voor vervoer van en naar de activiteiten ten behoeve van de dagbesteding. Indien de aanvrager om medische redenen niet in staat is zelf te locatie van de activiteiten te bereiken, wordt eerst gekeken of de mantelzorger, het steunsysteem of een vrijwillig vervoersinitiatief een oplossing kan bieden. Is dit niet het geval dan kan het Dagelijks Bestuur een individuele voorziening voor vervoer naar de locatie van de activiteiten verstrekken.

  • Uitgangspunt, indien vervoer nodig is, is dat de locatie die zich het dichtst bij het adres van de aanvrager bevindt en die adequate compensatie biedt voor de beperking van de aanvrager, voorliggend is aan locaties die verder weg liggen. Indien de aanvrager toch de activiteiten af wil nemen bij een verder weg gelegen locatie is de aanvrager zelf verantwoordelijk voor het vervoer.

  • Bij de keuze voor een vervoerder betrekt het Dagelijks Bestuur de mogelijkheden die het collectief vervoer en ander aanwezig doelgroepenvervoer biedt 

  • Er wordt geen toezicht tijdens het vervoer naar de dagbesteding geïndiceerd. Er mag namelijk worden aangenomen dat het niveau van het vervoer (inclusief het toezicht) naar deze zorg is aangepast aan de aanvrager die worden vervoerd.

6.7 Kortdurend verblijf

Soms doen zich situaties voor waarin de huisgenoot, partner of ouder de mantelzorg voor de aanvrager op zich wil en in zekere zin ook moet nemen maar daartoe niet, of maar beperkt, of niet meer toe in staat is wegens (dreigende) overbelasting en waarvoor ook het eigen steunsysteem geen oplossing kan bieden. Er kan dan een indicatie kortdurend verblijf worden gegeven, waarbij iemand maximaal 3 etmalen dus 72 uur per week in een instelling logeert. Bijvoorbeeld in een gehandicapteninstelling, verpleeghuis of verzorgingshuis. Hierdoor wordt de mantelzorger ontlast, zodat deze de zorg langer kan volhouden. In de instelling waar de aanvrager kortdurend verblijft ontvangt wordt de dagelijkse zorg overgenomen. Wanneer verpleging nodig is moet hiervoor apart een indicatie op grond van de Zvw worden geïndiceerd. Behandeling behoort nadrukkelijk niet bij kortdurend verblijf. De aanvrager is zelf verantwoordelijk voor vervoer van en naar de instelling voor kortdurend verblijf.

Om in aanmerking te komen voor Kortdurend Verblijf moet worden voldaan aan alle hieronder genoemde voorwaarden:

  • 1.

    dat de aanvrager beperkingen, chronische psychische of psychosociale problemen heeft;

  • 2.

    dat ontlasting van de persoon die gebruikelijke zorg of mantelzorg aan de aanvrager levert, noodzakelijk is

  • 3.

    dat andere voorzieningen niet voldoende passend zijn om de mantelzorger te ontlasten. Te denken valt aan: vervangende mantelzorg via de ziektekostenverzekeraar5, hulp door andere naasten, een vrijwilliger, dagbesteding etc.

Een aanvrager die is aangewezen op zorg met permanent toezicht en/of 24 uur per dag zorg in de nabijheid komt in aanmerking voor een indicatie voor de Wlz. Deze aanvragers komen niet in aanmerking voor kortdurend verblijf vanuit de maatwerkvoorziening Wmo. Immers: het kortdurend verblijf kan afgenomen worden vanuit de Wlz.

Afwegingskader Kortdurend verblijf

  • De inhoud van dit resultaat bestaat uit het tijdelijk overnemen van de dagelijkse zorg voor de aanvrager bij overbelasting van de mantelzorger. Dit kan in de vorm van een groepsvoorziening (dagbesteding of logeervoorziening of andere vormen van respijtzorg) of in de vorm van een individuele voorziening.

  • Het Dagelijks Bestuur stelt vast dat aanvrager een zodanige beperking heeft dat hij een mantelzorger nodig heeft om de handelingen en activiteiten die hij zelf niet (meer) kan doen, voor hem te verrichten, dan wel om toezicht te houden in verband met gedrags- en of gezondheidsproblematiek.

  • Als het Dagelijks Bestuur heeft vastgesteld dat de ouder(s) en/of andere huisgenoten in de thuissituatie overbelast is/zijn, of dit door het bieden van mantelzorg dreigt/dreigen te raken en daardoor niet meer in staat is/zijn de mantelzorg (volledig) te leveren, beoordeelt het Dagelijks Bestuur eerst of binnen het eigen steunsysteem van de mantelzorger een oplossing voor de overbelasting kan worden gevonden. Te denken valt aan een familielid die een middag of weekend de zorg overneemt. Is dat niet of niet voldoende het geval dan beoordeelt het Dagelijks Bestuur of voorliggende voorzieningen een oplossing kunnen bieden. Hierbij kan gedacht worden aan een steunpunt mantelzorg dat informatie kan verstrekken over voorzieningen, of een vrijwilligerssteunpunt dat kan bemiddelen voor een vrijwilliger.

  • De belastbaarheid met het oog op de gezondheid van de ouder, partner of huisgenoot moet worden beoordeeld door of onder verantwoordelijkheid van een arts. Bij het zoeken naar eigen mogelijkheden en/of voorliggende voorzieningen kan gedacht worden aan het verminderen van het aantal (vrijwilligers)activiteiten van de mantelzorger in de vrije tijd (zodat in elk geval de gebruikelijke zorg geleverd kan worden), het stellen van prioriteiten en het gebruik maken van voorliggende voorzieningen die in de naaste omgeving beschikbaar zijn.

  • Als het Dagelijks Bestuur heeft vastgesteld dat inzet van het eigen steunsysteem en de voorliggende voorzieningen het probleem van de (dreigende) overbelasting niet in voldoende mate vermindert, kan het Dagelijks Bestuur een individuele of groepsvoorziening (logeervoorziening(kortdurend verblijf), dagopvang, dagbesteding) treffen die de noodzakelijke zorgtaken periodiek of tijdelijk overneemt.

  • Het Dagelijks Bestuur gaat ook na of aanvrager een indicatie voor Zvw-persoonlijke verzorging en verpleging heeft. Wanneer deze zorg door de partner, ouder, volwassen kind en/of andere huisgenoot zelf wordt geleverd via een PGB, kan dit een reden zijn voor (dreigende) overbelasting. De overbelasting kan in dit geval worden verminderd wanneer de mantelzorger in plaats van zelf de persoonlijke verzorging te leveren, deze inkoopt in de vorm van zorg in natura door een thuiszorgaanbieder. Deze oplossing is voorliggend aan een maatwerkvoorziening.

  • Het Dagelijks Bestuur houdt ook de afbakening met de Zvw en Wlz goed in de gaten.

 

6.8 Begeleiding specialistische zorg

Gemeenten zijn vanaf 1 januari 2015 ook verantwoordelijk voor de ondersteuning van mensen met een zintuiglijke beperking (visueel, auditief). Van de totale groep mensen met een zintuiglijke beperking heeft een gering aantal aanvragers behoefte aan specialistische begeleiding. Deze behoefte is er omdat deze mensen vaak, naast de zintuiglijke beperking, te maken hebben andere (vaak verstandelijke en/of psychiatrische) beperkingen. Reguliere begeleiding is voor deze mensen niet voldoende, waardoor het vaak nodig is om specialistische begeleiding in te zetten.

Het gaat hier om mensen die vroegdoof zijn (laat- en plotsdoven vallen onder de Zorgverzekeringswet; hun begeleiding valt onder behandeling), visueel beperkt zijn of doofblind zijn.

Gering aantal aanbieders die specialistische ondersteuning kunnen bieden

De specialistische begeleiding moet worden ingezet door zorgaanbieders die gespecialiseerd zijn in het werken voor en met mensen met een zintuiglijke beperking. Er is in Nederland slechts een gering aantal zorgaanbieders, dat deze specialistische begeleiding kan bieden. Voor onze regio zijn dit de volgende landelijk opererende aanbieders:

Specialistische ondersteuning

Aanbieders

Ondersteuning vroegdoven

Kentalis, GGMD, Noorderbrug en Gelderhorst alleen dagactiviteiten)

Ondersteuning visueel

Bartimeus, Robbert Coppes Stichting, Visio

Ondersteuning doofblinden

Kalorama, Kentalis, GGMD

Landelijke afspraken voor continuïteit specialistische ondersteuning

Om de continuïteit van ondersteuning te kunnen borgen hebben het Ministerie van VWS en de VNG besloten om landelijke inkoopafspraken voor de specialistische begeleiding van deze doelgroep.VNG heeft raamovereenkomsten met landelijk opererende aanbieders van specialistische begeleiding afgesloten. In deze raamovereenkomsten, die een looptijd van in principe drie jaar hebben, zijn landelijke afspraken met deze aanbieders gemaakt.

Gemeenten kunnen gebruik maken van deze landelijke afspraken door inwoners naar één van de landelijk gecontracteerde aanbieders toe te leiden. Als de gemeente hierbij verwijst (schriftelijk of digitaal) naar de landelijke inkoopafspraken is daarmee de raamovereenkomst tussen gemeente en aanbieder “ingeroepen”. Dit geldt dan automatisch ook voor de navolgende aanvragers. Elke volgende aanvrager kan naar de aanbieder worden toegeleid zonder vermelding van de landelijke afspraken.

Proces

  • 1.

    Nieuwe aanvragers melden zich bij het lokaal loket of bij de aanbieder. Melding houdt in dat ze ondersteuning nodig hebben.

  • 2.

    Bij melding lokaal loket (gemeente): de ISD Bollenstreek leidt de aanvrager toe naar aanbieder (bij eerste keer met vermelding van beroep op landelijke afspraken) en aanbieder bepaalt de benodigde zorgomvang

  • 3.

    Bij melding aanbieder: Aanbieder meldt bij de ISD Bollenstreek dat aanvrager zich gemeld heeft en bepaalt de benodigde zorgomvang

  • 4.

    De aanbieder stelt een ondersteuningsplan op en biedt de ISD Bollenstreek inzicht in: de Prestatie die in rekening wordt gebracht; verwachte duur van ondersteuning; het tarief, behorend bij de Prestatie, wat in rekening wordt gebracht.

Besluit

  • 1.

    De ISD Bollenstreek moet het besluit nemen over de in te zetten ondersteuning. Dit besluit gaat in de vorm van een beschikking naar de aanvrager en als opdracht naar de aanbieder. Dit moet binnen vijf werkdagen na ontvangst van de informatie vanuit de aanbieder plaatsvinden. De opdracht van de ISD Bollenstreek aan de aanbieder bevat ten minste: de NAW-gegevens van de aanvrager; de aard van de ondersteuningsvraag en indien aanwezig de indicatierapportage;

  • 2.

    het beoogde resultaat /doel; de beoogde duur van ondersteuning en de evaluatiemomenten.

6.9 Tijdelijk beschermd wonen LVB 18+

De maatwerkvoorziening Tijdelijk Beschermd Wonen LVB 18+ bestaat uit intensieve, ontwikkelingsgerichte individuele (en groeps-) begeleiding voor de doelgroep LVB 18+. Doel van het geboden traject is het ontwikkelingsgericht begeleiden van de aanvrager naar een zo zelfstandig mogelijk bestaan, passend bij het ontwikkelperspectief van de aanvrager en de doelstellingen die bij indicatiestellingzijn onderzocht en vastgelegd. Afhankelijk van het IQ en de sociaal emotionele ontwikkeling varieert de begeleiding van meer ondersteunend en op afstand tot meer sturend overnemend.

De maatwerkvoorziening Tijdelijk Beschermd Wonen LVB 18+ wordt in een veilige woonomgeving geboden waarin de situatie van de aanvrager wordt gestabiliseerd en vervolgens wordt gewerkt aan het beheersbaar houden van en leren omgaan met gedragsproblematiek door de aanvrager. Er is 24 uur per dag of in de nabijheid toezicht en begeleiding aanwezig zodat zowel geplande als ongeplande begeleiding geboden kan worden, ook op initiatief van de zorgverlener wanneer de aanvrager zelf niet of niet tijdig om hulp vraagt. Het betreft een vorm van beschikbaarheid van zorg die hoofdzakelijk bestaat uit passief toezicht.

Met een veilige woonomgeving wordt een omgeving bedoeld zoals geboden door een zorgaanbieder. De doelgroep voor Tijdelijk Beschermd Wonen LVB 18+ heeft de volgende kenmerken:

  • Meerderjarig (18+), eventueel met minderjarige kinderen.

  • Een (vermoeden van) licht verstandelijke beperking: IQ tussen 50 en 85 met een beperkt

  • sociaal aanpassingsvermogen en bijbehorende problematiek.

  • Behoefte aan een beschermende woonomgeving om verslechtering van de situatie te

  • voorkomen en/of verbetering te bereiken. Ambulante begeleiding en/of dagbesteding zijn

  • onvoldoende.

  • Zorg in de nabijheid is noodzakelijk: iemand kan zelf niet voldoende risico’s inschatten en

  • adequaat en op tijd om hulp vragen met als gevolg risico op (zelf)verwaarlozing of

  • overlast.

  • Heeft de wens/behoefte om te verblijven en is gemotiveerd om deel te nemen aan het

  • traject.

  • De beschermende woonomgeving is tijdelijk nodig of er kan op dat moment niet worden

  • vastgesteld dat de behoefte aan toezicht blijvend is.

  • De aanvrager komt niet in aanmerking voor verblijf vanuit de Zorgverzekeringswet, (verlengde) Jeugdzorg, Wet Langdurige Zorg of het beschermd wonen vanuit de Wmo.

De maatwerkvoorziening Tijdelijk beschermd wonen LVB 18+ wordt volgens het principe van scheiden van wonen en zorg aangeboden. De inwoner is zelf verantwoordelijk voor het betalen van de woonruimte en alle overige kosten voor levensonderhoud, de inrichting van de kamer, verzekeringen etc. Slechts in bijzondere situaties kan er een intramurale indicatie afgegeven worden voor maximaal 6 maanden. Te denken valt aan situaties waarbij verblijf direct noodzakelijk is maar de aanvrager ondanks zijn inspanningen niet op korte termijn over inkomsten kan beschikken om de kosten te kunnen voldoen6.

De duur van de Maatwerkvoorziening Tijdelijk Beschermd Wonen LVB 18+ is in principe 1.5 jaar. De duur hangt af van onder andere de leerbaarheid en het ontwikkelingsperspectief van Inwoner en het sociaal netwerk. Indien noodzakelijk kan de Maatwerkvoorziening Tijdelijk Beschermd Wonen LVB 18+ met een half jaar (dus naar 2 jaar) worden verlengd. De indicatie kan verzilverd worden vanaf het moment dat de aanvrager gaat verblijven in de beschermende woonomgeving. Tot die tijd kan zorg geboden worden vanuit de overige categorieën begeleiding. De aanvrager staat dan op de wachtlijst.

Dagbesteding maakt geen onderdeel uit van het Tijdelijk beschermd wonen LVB 18+ en kan apart geïndiceerd worden.

Afwegingskader Tijdelijk beschermd wonen LVB 18+

  • Allereerst beoordeelt het Dagelijks Bestuur of de noodzakelijke compensatie op het terrein van de Wmo 2015 ligt. Daarbij wordt nagegaan of er andere voorliggende wetgeving is of dat er overlap is met andere wetgeving

  • Daarna beoordeelt het Dagelijks Bestuur of de beperking van de aanvrager gecompenseerd kan worden door gebruik te maken van wettelijke voorliggende voorzieningen zoals regulier en speciaal onderwijs, opleiding, reguliere betaalde arbeid of arbeid op grond van de participatiewet.

  • Daarna beoordeelt het Dagelijks Bestuur, de eigen kracht, of er sprake is van gebruikelijke zorg, de inzet van het sociaal netwerk en de mogelijkheid van een algemene voorziening.

  • Het Dagelijks Bestuur houdt rekening met de draagkracht van mantelzorgers. Zo kan in geval van dreigende overbelasting van de mantelzorger een maatwerkvoorziening aan de verzorgde aanvrager worden toegekend.

  • Als al het voorafgaande niet geleid heeft tot het bereiken van het resultaat zal het Dagelijks Bestuur een maatwerkvoorziening toekennen.

  • Vervolgens bepaalt het Dagelijks Bestuur wat noodzakelijk is om:

    • -

      te voorkomen dat de zelfredzaamheid / participatie van de aanvrager verslechterd en/of

    • -

      de zelfredzaamheid / participatie van de aanvrager te stabiliseren en/of te verbeteren

  • Hierbij bepaalt het Dagelijks Bestuur tevens de omvang van de noodzakelijke maatwerkvoorziening.

  • Bij het bepalen van de omvang neemt het Dagelijks Bestuur de normtijden in uren en minuten zoals vastgelegd in bijlage 4 als uitgangpunt. Per activiteit bepaalt het Dagelijks Bestuur het aantal minuten.

  • Het totaal aantal noodzakelijke uren ondersteuning wordt bepaald door de normtijden van de verschillende activiteiten bij elkaar op te tellen. De omvang van de Begeleiding wordt vastgesteld in klassen, met daarin een bandbreedte in uren.

  • Voor het vaststellen van de normtijden sluiten we aan bij de CIZ indicatiewijzer. Op basis van individueel maatwerk kan het Dagelijks Bestuur afwijken van deze normtijden.

  • Voor Tijdelijk beschermd wonen LVB18+ geldt in het bijzonder dat er sprake moet zijn van een noodzaak tot een beschermende, veilige woonomgeving waar 24 uur per dag toezicht en begeleiding aanwezig is of in de nabijheid aanwezig is zodat zowel geplande als ongeplande begeleiding geboden kan worden, ook op initiatief van de zorgverlener wanneer de aanvrager zelf niet of niet tijdig om hulp vraagt. Het betreft een vorm van beschikbaarheid van zorg die hoofdzakelijk bestaat uit passief toezicht. Er is geen noodzaak tot permanente actieve observatie.

  • Wanneer een aanvrager reeds intramuraal verblijft op basis van een indicatie uit de Jeugdwet, ZVw of WMO wordt eerst onderzocht of de aanvrager in aanmerking komt voor een verlenging van deze indicatie.

  • Als dit niet het geval is en de aanvrager voldoet aan de voorwaarden voor Tijdelijk beschermd wonen LVB18+ kan een indicatie Tijdelijk beschermd wonen LVB18+ afgegeven worden. De duur van de indicatie wordt overlegd met de aanvrager en aanbieder: de aanvrager verblijft al en de duur van de indicatie Tijdelijk beschermd wonen LVB18+ kan dan mogelijk korter

 

6.10 Pilot Beschermd Wonen (BW) light

BW light is een combinatie van wonen en begeleiding voor jongeren met GGZ problematiek van 18 tot 27 jaar, voor maximaal 2 jaar.

De jongere woont met een aantal andere jongeren in een eengezinswoning. Iedere jongere heeft een eigen kamer en deelt de voorzieningen zoals de badkamer en keuken. In de woning woont een beheerder. Hij of zij is het eerste aanspreekpunt voor de jongeren en voor de buurt. De beheerder is geen zorgverlener. Een zorgpartij huurt of is eigenaar van de woning en verhuurd de kamer onder aan de jongeren. Het doel is om op termijn te gaan werken op basis van scheiden van wonen en zorg. De jongere huurt de kamer direct van de huiseigenaar.

De jongere ontvangt begeleiding en kan 24/7 beroep doen op begeleiding als dat nodig is. Buiten kantoortijden is de zorgorganisatie telefonisch bereikbaar en zo nodig inzetbaar. In de basis wonen er jongeren die hun zorgvraag kunnen uitstellen. De begeleiding is gericht op het leren van woonvaardigheden en ontwikkeling naar zelfstandigheid. Vanaf de start van de begeleiding is het uitstroomperspectief van de jongere een punt van aandacht. Inschrijven bij Huren in Holland Rijnland is verplicht. Er wordt ook gekeken of de jongere in aanmerking komt voor een contingent woning.

Een zorgpartij wordt aangesteld als hoofdverantwoordelijke. Wat inhoudt dat deze partij het aanspraakpunt is voor externe relaties en de beheerder van de woning. Deze zorgpartij huurt of is eigenaar van de woning. Om zo goed mogelijk in te spelen op de verschillende achtergronden en zorgvragen van de jongeren kunnen er jongeren in hetzelfde huis wonen vanuit verschillende zorgpartijen. Wat wil zeggen dat een jongere in zorg van zorgaanbieder A, begeleiding ontvangt van zorgaanbieder A. In hetzelfde huis kan er een ook een jongeren wonen in zorg van zorgaanbieder B die begeleiding ontvangt van zorgaanbieder B. Waar nodig wordt er samengewerkt tussen de zorgaanbieders.

Jongeren die in aanmerking komen voor BW Light hebben GGZ-problematiek en een indicatie voor Beschermd Wonen. BW Light is een relatief licht vorm van Beschermd Wonen (ZZP 2) en is voor maximaal 2 jaar. Vooraf vindt er een matchingproces plaats. Hierbij zijn de consulenten BW bij de gemeenten Leiden, aandachtsfunctionaris BW van de ISD of gemeente Katwijk en de zorgaanbieders betrokken.

De doelgroep voor BW light heeft de volgende kenmerken:

  • Jongeren van 18 tot 27 jaar.

  • Behoefte aan een beschermende woonomgeving om te werken naar zelfstandigheid en verbetering te bereiken. Ambulante begeleiding en/of dagbesteding zijn onvoldoende. Verslechtering van de situatie te voorkomen en/of verbetering te bereiken.

  • Zorg op gezette tijden en op afroep in de nabijheid is noodzakelijk: iemand kan zelf niet voldoende risico’s inschatten en adequaat en op tijd om hulp vragen met als gevolg risico op (zelf)verwaarlozing of overlast.

  • Heeft de wens/behoefte om te verblijven en is gemotiveerd om deel te nemen aan het

  • traject.

  • De beschermende woonomgeving is tijdelijk nodig of er kan op dat moment niet worden

  • vastgesteld dat de behoefte aan toezicht blijvend is.

  • De aanvrager komt niet in aanmerking voor verblijf vanuit de Zorgverzekeringswet, (verlengde) Jeugdzorg, Wet Langdurige Zorg of het beschermd wonen vanaf ZZP 3 vanuit de Wmo.

Op termijn is het de bedoeling dat de maatwerkvoorziening BW light volgens het principe van scheiden van wonen en zorg wordt aangeboden. De inwoner is zelf verantwoordelijk voor het betalen van de woonruimte en alle overige kosten voor levensonderhoud, de inrichting van de kamer, verzekeringen etc.

Indicatiestelling

Indicatie wordt gesteld door de consulenten Beschermd Wonen van de gemeente Leiden in samenspraak met de aandachtfunctionaris van de ISD Bollenstreek of gemeente Katwijk.

6.11 Pilot Gewoon Thuis

De pilot Gewoon Thuis heeft als doel om klanten zelfstandig in hun eigen huis te kunnen laten wonen met een passende vorm van begeleiding op maat. Dit gebeurt door het bieden van intensieve begeleiding en oproepbare ondersteuning aan inwoners in de thuissituatie. Zelfredzaamheid en participatie worden vergroot doordat er een passende hulp beschikbaar is in de wijk voor mensen in een kwetsbare situatie. Ze zijn in hun eigen bekende leefomgeving en ze hebben toegang tot participatie, zoals (vrijwilligers)werk. Drie aanbieders bieden 24/7 oproepbare ondersteuning en begeleiding aan inwoners in de thuissituatie. De Pilot biedt naast begeleiding geen huisvesting.

Doelgroep

Inwoners (klanten) uit de Duin- en Bollenstreek die op dit moment op de wachtlijst staan voor beschermd wonen of uitstromen uit beschermd wonen (of maatschappelijke opvang) komen in aanmerking voor de pilot.

De hieronder genoemde voorwaarden zijn richtinggevend. Het is niet de bedoeling dat inwoners bij voorbaat al afvallen om aan de pilot mee te doen. De pilot is ook bedoeld om na te gaan welke inwoners met welke hulpvraag met deze nieuwe vorm van ondersteuning geholpen zijn. De inwoners voldoen tenminste aan onderstaande punten om in aanmerking te komen voor Beschermd thuis Duin- en Bollenstreek:

  • -

    18 jaar of ouder;

  • -

    psychiatrische kwetsbaarheid en/of psychosociale problematiek;

  • -

    Zelfstandig wonend of zelfstandig gaan wonen, omdat ze bij bijvoorbeeld het ouderlijk huis gaan verlaten, uitstromen uit de maatschappelijke opvang of uit een andere intramurale woonvorm;

  • -

    Inzicht in eigen psychiatrische en lichamelijke problemen;

  • -

    De zorgvraag is niet 100% te plannen:

    • o

      Er is behoefte aan 24/7 oproepbare begeleiding;

    • o

      Het is niet nodig dat begeleiding 24/7 aanwezig of in de nabijheid is;

    • o

      De zorgvraag kan over het algemeen uitgesteld worden tot maximaal een dagdeel;

    • o

      Er is motivatie voor begeleiding;

Indicatiestelling

De indicatie wordt gesteld door de aandachtfunctionaris van de ISD Bollenstreek en gemeente Katwijk in samenspraak met de Toegang Beschermd Wonen van gemeente Leiden. De beschikking wordt opgesteld door de ISD Bollenstreek en gemeente Katwijk.

HOOFDSTUK 7 MAATWERKVOORZIENING BESCHERMD WONEN & BEGELEIDING MAATSCHAPPELIJKE OPVANG

Aanvragers die door hun beperkingen behoefte hebben aan een beschermd woonklimaat die gericht is op het bieden van structuur en ondersteuning van alle dagelijks activiteiten wonen vaak in een zogenaamde woonvorm voor beschermd wonen. Bij beschermd wonen gaat het om het bieden van onderdak en begeleiding aan personen met een psychische beperking. De op participatie gerichte ondersteuning vanuit een beschermende woonomgeving staat bij deze personen centraal. Personen die vanwege psychische problematiek er niet in slagen zelfstandig te wonen zonder de directe nabijheid van 24 uur per dag toezicht en ondersteuning komen in aanmerking voor beschermd wonen. De meeste beschermd wonen-plekken zijn te vinden in de Regionale Instellingen voor beschermd wonen (Ribw’s). In de Wmo 2015 is beschermd wonen altijd een maatwerkvoorziening. Aanvragers krijgen begeleiding bij het structureren van hun dagelijks leven, ondersteuning bij regelzaken en geldbeheer en bij het vinden van een passende daginvulling. Voor een deel van de aanvragers is beschermd wonen een opstapje naar zelfstandig wonen.

Beschermd wonen is wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij behorende toezicht en begeleiding, gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de aanvrager of anderen.

Beschermd wonen is bestemd voor personen met psychische of psychosociale problemen, die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

Er moet sprake zijn van een diagnose en/of een advies van een specialist op gebied van GGZ of Maatschappelijke opvang. Als diagnose niet mogelijk is moet aantoonbaar onvermogen zijn om zichzelf staande te houden in een zelfstandige woning.

Er zijn verschillende soorten beschermd wonen:

  • Beschermd wonen met begeleiding

  • Gestructureerd beschermd wonen met uitgebreide begeleiding

  • Beschermd wonen met intensieve begeleiding

  • Gestructureerd beschermd wonen met intensieve begeleiding en verzorging

  • Beschermd wonen met intensieve begeleiding en gedragsregulering

  • Beschermd wonen met intensieve begeleiding en intensieve verpleging en verzorging

Beschermd wonen is landelijk toegankelijk. Dat betekent dat burgers zich in principe tot iedere gemeente kunnen wenden voor opvang en beschermd wonen.

Aanmelding voor beschermd wonen loopt via een verwijzer bij een centraal punt bij de centrumgemeente, Leiden. Deze toetst op basis van de toegangscriteria, bestaande diagnose, voorgeschiedenis van behandeling e.d. of beschermd wonen noodzakelijk is.

Beschermd wonen is belegd bij de centrumgemeente, die de plekken voor beschermd wonen financiert voor de regio Holland Rijnland. De centrumgemeente betrekt de regiogemeenten bij de ontwikkelingen rond Beschermd wonen. De toekenning van een plek kan niet via een ander sociaal wijkteam/gebiedsteam/gemeenteloket. Wel worden plekken in de hele regio gefinancierd. Afstemming met de lokale partners voor instroom/doorstroom is belangrijk

De toegang, afgeven van beschikking en bezwaar en beroep is belegd bij de centrumgemeenten.

Er is een centraal telefoonnummer en mailadres waar iedereen met vragen naar toe kan worden verwezen

Crisisopvang is een algemene voorziening die via de subsidie aan De Binnenvest is geregeld.

Begeleiding Maatschappelijke Opvang

Het rijk heeft voor aanvragers in de maatschappelijke opvang het budget van zowel algemene voorzieningen als maatwerkvoorzieningen begeleiding naar de centrumgemeente overgeheveld

Wat is MO begeleiding?

De MO begeleiding is bedoeld voor aanvragers, die gebruik maken van Maatschappelijke opvangvoorzieningen (nachtopvang, ambulante crisisopvang en dergelijke) en is gericht op uitstroom en op herstel. Doel is het bereiken van een stabiele leefsituatie in de vorm van onderdak, inkomen en een vorm van dagbesteding/werk.

Een deel van de aanvragers heeft daarbij zoveel ondersteuning nodig, dat met een indicatie AWBZ financiering op basis van een indicatie kon worden aangevraagd. De Binnenvest heeft dit in de afgelopen jaren gedaan. Er zitten grote verschillen in de mate waarin aanvragers in en na de opvang begeleiding nodig hebben. Daarom biedt De Binnenvest begeleiding vanuit de subsidie en vanuit de AWBZ. Meestal hebben aanvragers, naarmate ze verder komen in het hersteltraject, minder ondersteuning en begeleiding nodig.

Het is erg belangrijk dat er continuïteit van begeleiding is als mensen toe zijn aan zelfstandige huisvesting. Als aanvragers eenmaal zelfstandig wonen, wordt de begeleiding zolang en zo zwaar als nodig is voortgezet, totdat de cliënt zich eventueel met een lichtere vorm van begeleiding of geheel zelfstandig kan redden.

De algemene voorzieningen of een maatwerkvoorziening Begeleiding valt onder verantwoordelijkheid van elke gemeente afzonderlijk en is gericht op inwoners van de gemeente, die zelfstandig wonen.

Een deel van de cliënten, die uit de MO zijn doorgestroomd naar een zelfstandige woning en waarvan de MO begeleiding is afgesloten, zal nog begeleiding in zijn woonplaats nodig hebben.

Welke ondersteuning na de MO wordt vanuit de regiogemeente gefinancierd?

  • 1.

    Begeleiding na uitstroom uit de opvang

  • 2.

    Begeleiding op afstand tot maximaal 2 jaar bij huisvesting in een contingentwoning

Ad1 Als aanvragers vanuit de MO-voorzieningen van de Binnenvest zelfstandig in Leiden of elders gaan wonen kunnen zij wanneer nodig begeleiding ontvangen vanuit de regiogemeente. Vaak gaat het om een periode van enkele maanden om voor de aanvrager, in de nieuwe situatie van zelfstandig wonen, stabiliteit te realiseren. De begeleiding valt volledig onder de regiogemeente.

Ad. 2 Jaarlijks zijn er aanvragers, die via De Binnenvest uitstromen naar een contingentwoning van de corporaties. Er bestaat een afspraak met de corporaties van de VWHR, dat aanvragers op basis van een drie-partijen overeenkomst maximaal 2 jaar begeleid dienen te worden. Deze partijen zijn in dit geval de woningcorporatie, de zorgaanbieder die deelneemt aan de regeling en de aanvrager zelf. De periode van 2 jaar hoeft geen wet van Meden en Persen te zijn. De periode is afhankelijk van het overleg tussen de drie partijen over de overeenkomst. De twee jaar blijft wel afdwingbaar, gezien de afspraken met de corporaties.

Voorwaarden scheppen voor goede overdracht van MO begeleiding naar Wmo

Als de periode MO begeleiding afgerond is en aanvullende begeleiding nodig blijkt, is de aanvrager aangewezen op ondersteuning, die in de betreffende gemeente beschikbaar is. Op initiatief van de Binnenvest wordt de aanvrager bij het plaatselijk wijkteam of een andere lokale toegang tot zorg en welzijn tijdig aangemeld. Afhankelijk van de noodzaak en behoefte van de aanvrager wordt lokaal een passend aanbod gedaan voor de vorm, intensiteit en duur van begeleiding, als ook de aanbieder die de begeleiding gaat leveren. Dit kan de Binnenvest zijn maar ook een andere zorgaanbieder.

HOOFDSTUK 8 MAATWERKVOORZIENING VERPLAATSEN IN EN OM DE WONING

Het zelfstandig kunnen verplaatsen is essentieel bij zelfredzaamheid. Met zich verplaatsen in huis wordt bedoeld dat de aanvrager in staat wordt gesteld tenminste de huiskamer, het slaapvertrek, keuken en douche/toilet te bereiken en zich daar zodanig te kunnen redden dat normaal functioneren mogelijk is. Om dit te realiseren, wordt ondersteuning geboden in de vorm van rolstoelvoorzieningen. In sommige situaties zijn rolstoelvoorzieningen en/of aanpassingen nodig die door de mantelzorger of de professionele hulp gebruikt moet worden. In deze situaties wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de eisen die gesteld worden aan de verzorging.

8.1 Omschrijving rolstoelvoorziening

Een rolstoel bedoeld is voor verplaatsingen in en om de woning. De aanvrager kan in aanmerking komen voor een rolstoel als hij in belangrijke mate aangewezen is op zittend verplaatsen en andere hulpmiddelen, zoals een rollator of een wandelstok, onvoldoende uitkomst bieden. Bij de vaststelling van de functionele specificaties van een rolstoel wordt rekening gehouden met de beperkingen en behoefte, en eventueel de behoeften van betrokkene mantelzorgers en professionele hulp.

8.2 Rolstoelvoorziening in Wlz-instelling

Mobiliteitshulpmiddelen, waaronder (elektrische) rolstoelen, voor bewoners van Wlz-instellingen die niet zelf woonlasten betalen, worden niet vergoed vanuit de Wmo maar vanuit de Wlz. De Wlz-instelling zorgt voor de aanvraag voor de benodigde (elektrische) rolstoel bij het Zorgkantoor.

Voor bewoners van een Wlz-instelling die voor 1 januari 2020 een (elektrische) rolstoel op grond van de Wmo hebben gekregen, geldt dat zij het hulpmiddel houden totdat deze vervangen moet worden. De gemeente blijft tot die tijd verantwoordelijk voor onderhoud en reparatie van het hulpmiddel.

Voor aanvragers met een Wlz-indicatie die thuis wonen, geldt dat de rolstoelvoorziening vanuit de Wmo verstrekt kan worden.

8.3 Selectie rolstoel

Het selecteren van een rolstoel is maatwerk; de rolstoel moet passen bij de beperkingen en behoefte van de aanvrager. Tevens moet de aanvrager er goed mee overweg kunnen en de rolstoel moet bruikbaar zijn voor in de eigen leefomgeving en voor de activiteiten die de aanvrager moet verrichten.

Hoewel de selectie van een rolstoel individueel bepaald is, kan een aantal factoren een rol spelen:

  • o

    het gebruik (frequentie, duur en doel);

  • o

    het gebruiksgebied (binnen, buiten of binnen en buiten);

  • o

    de aandrijving (d.m.v. eigen lichaam, met elektrische ondersteuning of duwend door derden);

  • o

    de zithouding (actief/passief);

  • o

    de meeneembaarheid (inklappen, opvouwen, demonteren);

  • o

    antropometrische gegevens (aanmeten);

  • o

    de voorkeur van de aanvrager.

Aan de hand van de selectiecriteria wordt een programma van eisen opgesteld waaraan de

rolstoel moet voldoen om een passende en adequate voorziening te zijn voor de aanvrager. Hierbij geldt dat alle noodzakelijke aanpassingen volledig worden vergoed. Eventuele kosten voor het opladen van een elektrische rolstoel worden niet vergoed gezien de geringe kosten en de moeilijkheid deze kosten aan te tonen.

8.4 Levensduur

Het uitgangspunt is dat de gemiddelde (economische) levensduur van een rolstoel zeven jaar is. Dit kan echter per rolstoel verschillen. Met name de duurdere elektrische rolstoelen hebben een langere economische levensduur.

8.5 Wijze van verstrekking

In natura

Bij verstrekking in natura wordt er een rolstoel geselecteerd en geleverd door een gecontracteerde leverancier. De rolstoel wordt in bruikleen verstrekt en blijft eigendom van de leverancier. De leveranciers is naast de levering ook verantwoordelijk voor onderhoud en reparatie van de rolstoel. Daarnaast is de leverancier verplicht de rolstoel WA te verzekeren. Als de rolstoel gerepareerd moet worden omdat de schade door verwijtbaar gedrag of door derden is ontstaan, kan de ISD Bollenstreek kosten in rekening brengen bij de aanvrager.

Bij levering van de rolstoel ondertekent de aanvrager een bruikleenovereenkomst met de leverancier. In uitzonderingsgevallen kan ook de ISD Bollenstreek eigenaar van de rolstoel worden. In dat geval wordt een bruikleenovereenkomst tussen de aanvrager en de ISD Bollenstreek aangegaan.

In persoonsgebonden budget (pgb)

Bij verstrekking in de vorm van persoonsgebonden budget krijgt de aanvrager een bedrag toegekend waarmee hij een rolstoel kan aanschaffen. Aan de hand van de selectieprocedure wordt een programma van eisen opgesteld, waaraan de rolstoel in ieder geval moet voldoen.

Bij de vaststelling van de hoogte van het persoonsgebonden budget worden de kosten van

onderhoud, reparatie en verzekering meegenomen. De aanvrager moet met de leverancier naar keuze afspraken maken over het onderhoud en reparatie van de rolstoel. De aanvrager dient tevens ervoor te zorgen dat de rolstoel WA-verzekerd en, indien noodzakelijk, anderszins voldoende verzekerd is. Voor enig geleden schade omdat de voorziening niet of onvoldoende is verzekerd, kan geen aanspraak gedaan worden op de ISD Bollenstreek.

8.6 Rolstoeltraining

Voor een adequaat en zorgvuldig gebruik van de rolstoel is het van belang dat de aanvrager goed met de rolstoel overweg kan. Het goed overweg kunnen met de rolstoel vergroot de zelfstandigheid en zelfredzaamheid, alsook de levensduur van de rolstoel en voorkomt extra onderhoud en schade. Gelet hierop vergoedt de ISD Bollenstreek de kosten die verbonden zijn aan de noodzakelijke (en door de Wmo-consulent geïndiceerde) rijlessen/training met een maximum van drie rijlessen.

Afwegingskader rolstoelvoorziening:

  • Een rolstoelvoorziening is bedoeld voor het verplaatsen in en om de woning. De aanvrager kan in aanmerking komen voor een rolstoel als hij in belangrijke mate aangewezen is op zittend verplaatsen, en andere hulpmiddelen, zoals een rollator of een wandelstok rollators, onvoldoende uitkomst bieden.

  • Als er noodzaak bestaat voor een rolstoel voor het dagelijks zittend gebruik wordt vastgesteld aan welke eisen de rolstoel moet voldoen.

  • Een rolstoel kan door het Dagelijks Bestuur verstrekt worden in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget.

  • Bij verstrekking in natura vallen alle kosten van onderhoud, reparatie en verzekering onder de verstrekking.

  • Bij een verstrekking als persoonsgebonden budget wordt de rolstoel die de aanvrager zou hebben gekregen als voorziening in natura als uitgangspunt genomen.

  • Ten aanzien van mantelzorgers zal door het Dagelijks Bestuur rekening worden gehouden met hun belangen. Dat kan bijvoorbeeld betekenen dat als de mantelzorger niet in staat is de rolstoel in alle omstandigheden te duwen, er een ondersteunende motorvoorziening verschaft kan worden.

HOOFDSTUK 9 MAATWERKVOORZIENING GERICHT OP HET BLIJVEN WONEN IN DE EIGEN LEEFOMGEVING

Om langer zelfstandig te kunnen blijven wonen in de eigen leefomgeving (dat kan de eigen woning zijn of een geschiktere woning in dezelfde omgeving) zijn er tegenwoordig veel voorzieningen die dit mogelijk maken. In deze paragraaf wordt toelichting gegeven op verschillende soorten woonvoorzieningen en een aantal begrippen die bij de beoordeling van de noodzaak en in de jurisprudentie over dit onderwerp een rol spelen.

Het verwerven van een op zich geschikte woning, koop of huur, behoort tot de eigen verantwoordelijkheid. Van aanvrager wordt verwacht dat hij een verantwoorde keuze voor een woning maakt en passende maatregelen neemt behorend bij de levensfase en te verwachten beperkingen. Een oplossing voor het woonprobleem in het kader van de Wmo wordt in beginsel alleen geboden indien het ontstaan van beperkingen, verminderde zelfredzaamheid en participatieproblemen het gevolg zijn van onvoorziene en onverwachte omstandigheden, gelegen buiten eigen toedoen.

9.1 Omschrijving woonvoorziening

De Wmo bevat geen definitie van het begrip woonvoorziening. Onder woonvoorziening wordt verstaan:

“Elke voorziening die verband houdt met een maatregel die gericht is op het opheffen of verminderen van de beperkingen die de persoon met beperkingen in staat stellen tot een normaal gebruik van de woning, althans tenminste van de huiskamer, het slaapvertrek, keuken en douche/toilet. Dit betreft zowel de functionaliteit van de ruimten als de bereikbaarheid ervan.”

Onder het normale gebruik van de woning verstaan wijde mogelijkheid om normale elementaire woonfuncties te kunnen verrichten, zoals slapen, eten, lichaamsreiniging, het doen van essentiële huishoudelijke werkzaamheden, koken en keukengebruik, horizontale en verticale verplaatsingen binnen de woning en toegang tot de woning. Voor kinderen komt daar bij het veilig kunnen spelen in de woonruimte. Tot het normale gebruik van de woning behoort eveneens het traplopen, meestal omessentiële gebruiksruimten te bereiken.

9.2 Primaat van verhuizing

Het uitganspunt is voordat er wordt overgegaan tot woonvoorzieningen eerst de mogelijkheid van verhuizen naar een geschikte woning of een gemakkelijker geschikt te maken woning beoordeeld moet worden. Daarbij moet de verhuizing wel leiden tot het te bereiken resultaat.

Hierbij zullen de volgende aspecten worden meegewogen: intern of extern (medisch) advies, aanwezigheid van aangepaste of eenvoudig aan te passen woonruimten, toestemming huiseigenaar, vergelijking aanpassingskosten, volkshuisvestelijke afwegingen, noodzakelijkheid tot snelle keuzevorming, sociale omstandigheden, aanwezigheid van mantelzorg, ligging woning, integrale afweging Wmo-voorzieningen, werksituatie, huurlastenconsequenties, eigen huisbezit en de persoonlijke wens ten aanzien van verhuizen. Een zeer zorgvuldige afweging van alle argumenten zal aan het besluit ten grondslag worden gelegd.

Als er sprake is van mantelzorg vanuit de buurt, die onder druk komt als de aanvrager naar een andere gemeente verhuist, kan niet gesteld worden dat verhuizen een adequate oplossing is. Wanneer de aanvrager zou verhuizen zal de mantelzorg immers weg kunnen vallen. Als sprake is van het wegvallen van mantelzorg door een verhuizing kan het aanpassen van de woning de voorkeur krijgen. Dit moet per individuele situatie worden bekeken. Als verhuisd kan worden binnen de gemeente geldt het besluit tot verhuizen boven het aanpassen van de woning, omdat de mantelzorg dan niet in gevaar komt.

Onder een losse woonunit wordt verstaan een verplaatsbare unit die tijdelijk kan worden ingezet. De losse woonunit kan een alternatief vormen voor de duurdere woningaanpassing, veelal de

gelijkvloerse uitbouw van een woning. Indien blijkt dat het plaatsen van een losse woonunit een goedkopere adequatere oplossing is dan het aanpassen van de woning en in de concrete situatie mogelijk is, wordt aan gebruik van een dergelijke unit voorrang gegeven.

Bij de afweging voor een losse woonunit kunnen wij de volgende aspecten in overweging nemen: de huur- of koopprijs; vergunningskosten; transportkosten; fundatiekosten; nutsvoorzieningen; plaatsingskosten; de bouwkundige kosten voor de sluis of aansluiting; toekomstige verwijderingskosten; kosten voor het terugbrengen van de woning in de oude staat. Naast het directe kostenplaatje zijn relevant: voldoende ruimte; vergunningsplicht; de te verwachten gebruiksduur van de woonunit in verband met het vooropgezette tijdelijke karakter van een dergelijke voorziening én met de tijdelijkheid van de vergunningen; de instemming van de verhuurder van de woning.

9.3 Indicatiestelling

Bij het bepalen van de aard en omvang van de te verstrekken woningaanpassing hanteren wij de volgende uitgangspunten:

  • Het niveau sociale woningbouw geldt als bovengrens van de geboden oplossing. Dit betekent dat wordt gekozen voor een sobere doch doelmatige oplossing;

  • Het op de woning van toepassing zijnde bouwbesluit wordt als uitgangspunt genomen voor wat betreft het uitrustingsniveau dat verwacht mag worden. Alleen zaken die dat uitrustingsniveau te boven gaan, kunnen als maatwerkvoorziening worden aangeboden;

  • Aanpassingen aan de eisen van de tijd komen voor eigen rekening van de aanvrager dan wel de eigenaar van de woning;

  • Afschrijving van bestaande woonelementen kan worden meegewogen bij het bepalen van de (financiële)omvang van de maatwerkvoorziening;

  • Bij toekenning van de woningaanpassing kunnen afspraken worden gemaakt over (gedeeltelijke)terugbetaling van de woningaanpassing bij verhuizing. Deze afspraken worden vastgelegd in de beschikking.

  • Verhuizing op advies van de gemeente

  • De mogelijkheid van verhuizen naar een geschikte woning wordt bij de beoordeling van de goedkoopst adequate oplossing meegewogen. Indien verhuizen de goedkoopst adequate oplossing is, kan dit worden verlangd zolang dit werkelijk kan plaatsvinden binnen een medisch verantwoorde termijn.

  • Van een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten kan alleen sprake zijn bij een door de gemeente, in het kader van de Wmo, opgelegde verplichting om te verhuizen naar een passende woning.

  • De hoogte van de tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten is vastgelegd in de Nadereregels Wmo, onderdeel financieel besluit.

9.4 Bouwkundige of woontechnische ingreep

Bij ingrepen van bouwkundige of woontechnische aard wordt een voorziening als woonvoorziening aangemerkt als de voorziening gericht is op het opheffen of verminderen van ergonomische beperkingen of als het een uitraasruimte betreft. Uit uitspraken van de CRvB kan een invulling van het begrip ergonomische beperkingen worden afgeleid. Er is sprake van dergelijke belemmeringen als er zich een, hetzij uit een lichamelijke, hetzij uit een geestelijke stoornis voortvloeiende, belemmering voordoet ten aanzien van (één van) de elementaire woonfuncties, die direct in verband staat met een lichamelijke functionele beperking.

Als het gaat om aanbouw of uitbreiding van ruimten gaan wij uit van het Handboek Toegankelijkheid7, tenzij op basis van medische noodzaak een ander maximum vergt. De medische noodzaak zullen wij middels een extern en objectief advies vaststellen.

9.5 Niet bouwkundige (roerende) woonvoorzieningen

Een niet-bouwkundige woonvoorziening is een voorziening waarvoor geen bouwkundige of woontechnische ingreep noodzakelijk is maar die als losse voorziening kan worden verstrekt, ook wel een roerende woonvoorziening genoemd.

Een roerende woonvoorziening kan in voorkomende gevallen op adequate wijze voorzien in een oplossing voor een elementaire woonfunctie. Of de aanvrager in aanmerking komt voor een roerende of een bouwkundige woonvoorziening, hangt ondermeer af van de bouwkundige situatie van de woning en van de ondervonden beperkingen en belemmeringen. Dit zal per individueel geval beoordeeld moeten worden.

9.6 Aanpassingen gemeenschappelijke ruimten

Voor gemeenschappelijke ruimten geldt dat alleen woonvoorzieningen worden verstrekt die betrekking hebben op het verbreden van toegangsdeuren, het aanbrengen van elektrische deuropeners, de aanleg van een hellingbaan van de openbare weg naar de toegang tot de woning, drempelhulpen en vlonders, een opstelplaats voor een rolstoel of een vervoersvoorziening in de gemeenschappelijke ruimte van het woongebouw.

Vaak doet de vraag zich voor wie er moet zorgen voor bepaalde basisvoorzieningen in (senioren)woningen. Vaak gaat het daarbij om toegankelijkheid van de woningen.

Het uitgangspunt, volgens rechtelijke uitspraken, is als volgt. Het gaat om de vraag of bepaalde voorzieningen in gebouwen met een bepaalde functie algemeen gebruikelijk zijn. Of de voorziening in een bepaald geval als algemeen gebruikelijk kan worden aangemerkt hangt af van de vraag of op grond van objectieve gegevens kan worden vastgesteld, dat:

  • a.

    een sociale huurwoning

  • b.

    bestemd is voor een specifieke groep bewoners (zoals ouderen)

  • c.

    aangaande de voorziening overduidelijk niet voldoet aan de voor een dergelijke woning

    • -

      op grond van wettelijke voorschriften;

    • -

      algemeen aanvaarde regels;

    • -

      of contractuele bepalingen geldende vereisten.

Ook moet volgens rechtelijke uitspraken worden aangetoond dat de aangevraagde voorziening bij het wel voldoen aan die vereisten niet nodig zou zijn.

Objectief moet dus worden vastgesteld dat een sociale huurwoning specifiek is bedoeld voor ouderen of mensen met beperkingen (doelgroepwoning).

9.10 Woonvoorziening in Wlz-instelling

Bij verblijf is de instelling verantwoordelijk voor het treffen van woonvoorzieningen die voor de zorgverlening of die voor de bewoner noodzakelijk zijn voor normaal gebruik van zijn woonruimte. Roerende woonvoorzieningen zijn voorzieningen die door meerdere verzekerden zijn te gebruiken of zijn te hergebruiken, bijvoorbeeld een hoog-/laagbed, een tillift, een postoel en dergelijke. Deze voorzieningen worden gefinancierd vanuit de Wlz. Bewoners van een instelling kunnen dan ook geen aanspraak doen op een woonvoorziening via de Wmo. Aanvragers die een Wlz-indicatie hebben en thuis wonen, kunnen echter wel in aanmerking komen voor woonvoorzieningen op grond van de Wmo. De verstrekking van woonvoorzieningen is vooralsnog niet overgeheveld naar de Wlz.

9.11 Bezoekbaar / logeerbaar maken van een woning

Ten behoeve van bewoners van instellingen (in het kader van de Wlz) kan in beginsel slechts één woonruimte binnen de ISD Bollenstreek gemeenten “bezoekbaar” worden gemaakt.

Bezoekbaar maken houdt in dat de aanvrager de woonruimte (woning), de woonkamer en een toilet kan bereiken en gebruiken. Hierbij gaat het uitsluitend om het bezoekbaar maken van een woning en niet het geschikt maken van de woning voor bijvoorbeeld overnachtingen of langer verblijf. Hoewel het “bezoekbaar” maken van een woning middels de inzet van individuele woonvoorzieningen geschiedt, betreft het een compensatie van beperkingen waardoor de aanvrager in staat wordt gesteld medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan.

Aan de kosten van het bezoekbaar maken is een maximumbedrag verbonden. Dit bedrag is vastgelegd in de Verordening maatschappelijke ondersteuning.

Onder logeerbaar maken verstaan wij het middels een woonvoorziening bewerkstelligen dat de minderjarige een slaapkamer en de badkamer kan bereiken en gebruiken. De gemeente is in beginsel niet verantwoordelijk voor het “logeerbaar” maken van een woning. In beginsel want minderjarigen die in een instelling (in het kader van de Wlz) verblijven, kunnen in aanmerking komen voor een woonvoorziening voor het logeerbaar maken van een (andere) woonruimte binnen de ISD Bollenstreek gemeenten. Het betreft bovenwettelijk beleid omdat het wenselijk is dat minderjaren die in een Wlz-instelling verblijven net als andere minderjarige kinderen deel uit kunnen blijven maken van het gezin.

De voorwaarde die gesteld wordt aan het “logeerbaar” maken van een woning is dat er in een andere gemeente geen woning voor de minderjarige klant logeerbaar is gemaakt. Aan de kosten van het logeerbaar maken is een maximumbedrag verbonden. Dit bedrag is vastgelegd in de Verordening maatschappelijke ondersteuning.

9.12 Mantelzorgwoning

De aanvrager is zelf verantwoordelijk voor een mantelzorgwoning. De aanvrager kan bijvoorbeeld zelf een mantelzorgwoning bouwen of huren op het terrein nabij de woning van zijn mantelzorger(s). De gemeente en/of de ISD Bollenstreek kan de aanvrager adviseren en ondersteunen als het gaat om de nodige vergunningen op het gebied van de ruimtelijke ordening.

9.13 Verhuizing

Een verhuizing die samen hangt met een levensfase (bijvoorbeeld het ouder worden en het kleiner en gelijkvloers willen gaan wonen) is voorzienbaar. Deze verhuizingen worden als algemeen gebruikelijk beschouwd. Hiervoor heeft men geld kunnen reserveren waardoor er geen verhuiskostenvergoeding wordt verstrekt. Als de aanvrager ten gevolge van plotseling opgetreden beperkingen onvoorzien met een verhuizing wordt geconfronteerd dan kan mogelijk wel een verhuiskostenvergoeding worden verstrekt. De hoogte van de verhuiskostenvergoeding is een forfaitair bedrag. Het betreft een tegemoetkoming in de kosten van verhuizing en herinrichting; de vergoeding zal niet volledig kostendekkend zijn.

Tevens kan een verhuiskostenvergoeding worden toegekend wanneer de aanvrager een aangepaste woning op verzoek van de gemeente verlaat. Het betreft situaties waarbij de persoon voor wie de woning was aangepast is verhuisd naar een Wlz-instelling of wanneer een partner is overleden waarvoor de aangepaste woning noodzakelijk was.

In uitzonderlijke situaties kan een vergoeding worden geboden voor tijdelijke dubbele woonlasten (maximaal 3 maanden) bijvoorbeeld wanneer de aanvrager gedurende de uitvoering van de woningaanpassing niet in de eigen woning kan wonen.

De vergoedingen voor het verhuizen naar een geschikte woning, het verlaten van een geschikte woning alsmede de vergoeding voor de tijdelijke dubbele woonlasten zijn vastgelegd in de Verordening maatschappelijke ondersteuning.

Afwegingskader Woonvoorziening:

  • Het uitgangspunt is dat iedereen eerst zelf zorg dient te dragen voor een geschikte woning. Daarbij ervan uit dat men in de woningkeuze rekening houdt met bekende beperkingen, ook wat betreft de toekomst. Een eigen woning kan zowel een gekochte woning zijn als een huurwoning. Ook bij afwijkende situaties, zoals een (woon)boot of een woonwagen met vaste standplaats in principe gesproken van woning.

  • Met een voor de bewoner geschikte woning wordt bedoeld dat de woning zodanig functioneel is ingericht dat de bewoner normaal gebruik kan maken van tenminste de huiskamer, slaapvertrek, keuken en douche/toilet. Het gaat om woningen op het niveau sociale woningbouw. Er kan altijd afgeweken worden naar boven of beneden, maar omvangrijke woningen en zeer grote ruimten zullen niet als uitgangspunt voor compensatie gelden.

  • Allereerst wordt beoordeeld of het resultaat ook bereikt kan worden door verhuizing dan wel bereikt kan worden door het plaatsen van een losse woonunit (primaatstelling)

  • Als sprake is van een aanvraag van een mantelzorgwoning gaat het Dagelijks Bestuur ook daarbij uit van de eigen verantwoordelijkheid voor het hebben van een woning.

  • Als voor het bereiken van het resultaat noodzakelijk is dat er een aanbouw geplaatst wordt besluit het Dagelijks Bestuur vanwege financieel-economische argumenten alleen tot een aanbouw als tevoren vast staat dat de aanbouw hergebruikt kan worden, zoals bij huurwoningen van woningcorporaties. Bij eigen woningen zal de kans op hergebruik miniem zijn. Daarom kiest het Dagelijks Bestuur bij eigen woningen als het maar enigszins kan voor het plaatsen van een herbruikbare losse woonunit en heeft aandacht voor de vergunning op het terrein van de Ruimtelijke ordening.

  • Als het gaat om een aanbouw bij een eigen woning zal het Dagelijks Bestuur allereerst beoordelen wat iemands mogelijkheden zijn om uit een oogpunt van kosten zelf in de compenserende voorziening te voorzien. Als het mogelijk is deze aanbouw zelf te financieren, bijvoorbeeld door een hypotheek op de woning te vestigen waarvan niet wordt afgelost, zodat de kosten beperkt blijven tot de rentekosten, waarop bij belastingaangifte renteaftrek mogelijk is, zal eerst naar deze mogelijkheid gekeken worden.

  • Als een inpandige aanpassing mogelijk is zal het Dagelijks Bestuur allereerst die situatie beoordelen, voordat uitbreiding van de woning aan de orde komt.

  • Bij aanpassingen aan gemeenschappelijke ruimten zal het Dagelijks Bestuur ook beoordelen of het verantwoord is voorzieningen als trapliften op een voor eenieder bereikbare plaats te zetten.

  • Bij grotere bouwkundige aanpassingen aan de woning werkt het Dagelijks Bestuur altijd eerst met een programma van eisen, waarmee zo nodig meerdere offertes opgevraagd kunnen worden.

  • Het aanpassen van doelgroepengebouwen zal gebeuren conform de afspraken zoals die door het college gemaakt zijn of worden met de (toekomstige) eigenaar van deze woningen.

  • Een niet-bouwkundige aanpassing aan de woning kan door het Dagelijks Bestuur in natura en als persoonsgebonden budget worden verstrekt.

  • Bij het bepalen van al dan niet bouwkundige woonvoorzieningen houdt het Dagelijks Bestuur rekening met de belangen van mantelzorgers, zoals bij tilliften en andere hulpmiddelen die door mantelzorgers bediend moeten worden.

HOOFDSTUK 10 MAATWERKVOORZIENING GERICHT OP HET LOKAAL VERPLAATSEN

De Wmo heeft tot doel om aanvragers te laten participeren in de samenleving. Vervoer speelt hierbij een belangrijke rol; Het gaat hierbij ook om participatie op het sociale vlak. Iedereen moet de kans

krijgen aan activiteiten van zijn eigen keuze deel te nemen (dat wil zeggen deel te kunnen nemen aan het leven van alledag. Wanneer u problemen ervaart op het gebied van vervoer zullen wij onderzoek doen naar uw beperkingen en uw vervoersbehoefte. Wij bekijken in hoeverre u zelf in uw vervoersbehoefte kunt voorzien (eigen kracht), hulp kunt inschakelen van uw eigen netwerk en/of u gebruik kunt maken van een algemene voorziening of dat een individuele voorziening noodzakelijk is.

De Wmo gaat uit van maatwerk. Om die reden zullen wij individueel in kaart brengen op welke gebieden u problemen ervaart in het vervullen van uw vervoersbehoefte. Vervoersproblemen met enkel een sociale of financiële achtergrond én het ontbreken van het openbaar vervoer, vallen niet onder de Wmo.

Om tot een juiste probleemstelling te komen en te beoordelen welke ondersteuning er geboden moet worden en wat de goedkoopst adequate oplossing is, verzamelen wij informatie over het verplaatsingsgedrag.

Het verplaatsingsgedrag kan worden beschreven aan de hand van:

  • Het verplaatsingsmotief (waarom);

  • De verplaatsingsbestemming (waarheen);

  • De frequentie van het verplaatsen (hoe vaak);

  • De wijze van verplaatsen (hoe en waarmee).

10.1 Omvang in gebied en kilometers

Uit rechtelijke uitspraken blijkt dat om te kunnen participeren men de mogelijkheid moet hebben om jaarlijks lokaal en regionaal (tot zo’n 15 tot 20 km afstand vanaf de woning) 1500 tot 2000 km moet kunnen reizen. Alle buitenregionale vervoersdoelen vallen buiten de reikwijdte van de Wmo. Voor het bovenregionaal vervoer bestaat Valys. Om in aanmerking te komen voor Valys hebt u één van de volgende documenten nodig:

  • een bewijs dat u recht heeft op Wmo-vervoer (zoals bijvoorbeeld een Regiotaxipas);

  • een bewijs dat u recht heeft op een Wmo rolstoel of -scootmobiel;

  • een gehandicaptenparkeerkaart;

  • een OV-Begeleiderskaart;

  • een verklaring dat, ondanks dat u niet beschikt over bovenstaande documenten, er wel een noodzaak voor bovenregionaal vervoer bestaat8.

Ons uitgangspunt bij de verstrekking van vervoersvoorzieningen een vervoersomvang van 1750 kilometer per jaar. Bij dit aantal kilometers kunnen wij rekening houden met het gebruik van een andere vervoersvoorziening, zoals een scootmobiel, hetgeen invloed kan hebben op het aantal kilometers.

Voorzieningen die worden aangevraagd om zich buiten de eigen leefomgeving te kunnen verplaatsen door voorzieningen mee te nemen, zoals aanhangers en oprijplaten voor het meenemen van scootmobielen of een meeneembare scootmobiel, vallen daardoor niet onder de compensatieplicht.

10.2 Primaat van het collectief vervoer

Als het openbaar vervoer vanwege uw beperkingen geen adequate optie is, kunt u ten eerste in aanmerking komen voor deelname aan het collectief vervoer. Het primaat ligt bij het collectief vervoersysteem indien deze voorziening adequate oplossing biedt voor het lokaal verplaatsen en passend is bij uw persoonskenmerken en behoeften. Met een indicatie voor het collectief vervoer kunt u tegen een gereduceerd tarief binnen de vastgestelde regio reizen. Indien u vanwege fysieke en/of psychische stoornis niet in staat bent om zelfstandig te reizen en er een noodzaak bestaat voor begeleiding bij het reizen, kunt u uw begeleider kosteloos meenemen. De nadruk ligt op het niet zelfstandig kunnen reizen; indien u “slechts” hulp nodig hebt bij het in- en uitstappen, kunt u niet in aanmerking voor een zogenaamde “begeleiderpas”. In deze situaties kunt u geholpen worden door de chauffeur van de taxi. Om in aanmerking te kunnen komen voor de begeleiderpas moet u tijdens de gehele rit op medische gronden noodzakelijkerwijs begeleid worden. Wanneer u een begeleiderspas hebt gekregen, kunt u niet meer alleen reizen met het collectief vervoer.

Een collectief vervoersysteem biedt meestal geen oplossing voor mensen met ernstige gedragsproblemen, ernstige spasmen, ernstige incontinentie, met hulpmiddelen bij ademhalingsproblemen en mensen die liggend vervoerd moeten worden. In deze situaties zullen wij beoordelen welke vorm van vervoer het goedkoopst adequaat is.

De gemeente draagt een groot deel van de kosten van het collectief vervoer. Voor de deelname aan het collectief vervoer moet u een bijdrage per zone betalen die vergelijkbaar is met het tarief van het openbaar vervoer. De hoogte van de bijdrage is vastgelegd in het Uitvoeringsbesluit maatschappelijke ondersteuning.

Op grond van jurisprudentie van de CRvB is besloten de afstand die aanvragers met het collectief vervoer kunnen afleggen vast te stellen op 1750 kilometer, 450 zones. Hiermee is de afstand die een aanvrager kan bereizen met het collectief vervoer gelijk aan de afstand die een aanvrager met een financiële tegemoetkoming kan bereizen. Indien een aanvrager ook de beschikking heeft over een andere vervoersvoorziening zoals bijvoorbeeld een scootmobiel dan wordt het aantal zones vastgesteld op 225.

10.3 Individuele vervoersvoorzieningen

Indien u beperkingen ervaart in uw zelfredzaamheid en participatie kunnen wij een individuele vervoersvoorziening aan u verstrekken die u in staat stelt zich lokaal te verplaatsen. Hierbij kunt u denken aan: een open elektrische buitenwagen (scootmobiel), een aangepaste fietsvoorziening of een tegemoetkoming in de kosten van aanpassing van de eigen auto.

De verstrekking kan ook bestaan uit: een tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van een taxi of een rolstoeltaxi, of een tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van een eigen auto. Indien u en uw echtgenoot, echtgenote of partner beiden beperkingen ondervinden en uw vervoersbehoeften vallen samen, dan verstrekken wij slechts een enkele tegemoetkoming. Dit doen wij om te voorkomen dat u vergoedingen ontvangt die niet in relatie staat tot uw gezamenlijke vervoersbehoefte. Indien er sprake is van een gezamenlijke vervoersbehoefte kunnen wij een tegemoetkoming verstrekken tot maximaal 1,5 keer het normbedrag. De bedragen staan vastgelegd in de Verordening Artikel 13, a t/m c.

10.4 Vervoersvoorziening in Wlz-instelling

Mobiliteitshulpmiddelen, waaronder aangepaste fietsen, scootmobielen, aangepaste wandelwagens/ buggy’s en aangepaste autostoeltjes voor kinderen, voor bewoners van Wlz-instellingen die niet zelf woonlasten betalen, worden niet vergoed vanuit de Wmo maar vanuit de Wlz. De Wlz-instelling zorgt voor de aanvraag van het hulpmiddel bij het Zorgkantoor.

Voor bewoners van een Wlz-instelling die voor 1 januari 2020 een vervoersvoorziening op grond van de Wmo hebben gekregen, geldt dat zij het hulpmiddel houden totdat deze vervangen moet worden. De gemeente blijft tot die tijd verantwoordelijk voor onderhoud en reparatie van het hulpmiddel.

Voor aanvragers met een Wlz-indicatie die thuis wonen, geldt dat de vervoersvoorziening vanuit de Wmo verstrekt kan worden.

10.5 Meerkosten aangepaste auto

Indien u in verband met uw beperkingen een duurdere auto nodig heeft om de noodzakelijke aanpassingen te kunnen realiseren, dan kunt u in aanmerking komen voor de eventuele meerkosten van de aan te schaffen auto (nieuw of gebruikt).

Om te beoordelen of u in aanmerking komt voor een vergoeding in de meerkosten hanteren wij de volgende indicaties:

Alleenstaande/echtpaar zonder kinderen € 8.500,-

Gezinnen met minder dan 3 kinderen € 12.870,-

Gezinnen met meer dan 3 kinderen € 17.000,-

10.6 Stalling

Een voorwaarde die wij stellen bij de verstrekking van een vervoersvoorziening is dat er voor u een bereikbare, toegankelijke en bruikbare stallingmogelijkheid is. Alle voorzieningen die wij verstrekken, moeten tegen weersinvloeden worden beschermd en gestald achter een af te sluiten toegang. Indien u geen adequate stallingmogelijkheid heeft, kunnen wij de kosten voor het realiseren hiervan vergoeden.

Extra aanpassingen welke noodzakelijk zijn als gevolg van de indeling van tuin/terras, afmetingen van door aanvrager aangebrachte toegangspaden, beplanting in de tuin, erfafscheidingen en dergelijke, verzakking van straatwerk komen niet voor vergoeding in aanmerking.

10.7 Rijvaardigheid en gewenningslessen

Voordat een vervoersvoorziening wordt verstrekt, wordt onderzocht of de aanvrager hiervan veilig gebruik kan maken. Indien de aanvrager training nodig heeft dan zijn er twee mogelijkheden:

  • training om te beoordelen of de aanvrager op basis van zijn mogelijkheden en beperkingen in staat is met de vervoersvoorziening om te gaan;

  • training om de aanvrager vertrouwd en gewend te laten raken met de vervoersvoorziening.

(Medische) rijgeschiktheid is de mate waarin de aanvrager voldoet aan geestelijke en lichamelijke eisen om met een (al dan niet aan de beperkingen aangepast) vervoersvoorziening veilig aan het verkeer kunnen deelnemen. Dit is een medische beoordeling. Rijvaardigheid is de mate waarin de aanvraag in staat bent om zelfstandig aan het verkeer deel te nemen.

10.8 Sportrolstoel / sportvoorziening

De Wmo is gericht op participatie van personen. Een deelname aan sportieve activiteiten neemt in het maatschappelijk leven een belangrijke plaats in en moet gezien worden als een manier om te participeren. Hoewel actief bezig zijn met sportbeoefening voor, met name jeugdige, personen met

beperkingen uitermate belangrijk kan zijn, zal het Dagelijks Bestuur bij een verzoek om een sportrolstoel c.q. sportvoorziening beoordelen of deze in het concrete geval daadwerkelijk een bijdrage levert aan de participatie van de aanvrager. Het uitgangspunt is dat het moet gaan om een actieve sportbeoefening. Voor topsport heeft het Dagelijks Bestuur geen ondersteuningsplicht. Indien de aanvrager een speciale sportrolstoel c.q. sportvoorziening nodig hebt om op topsportniveau te kunnen bedrijven, moet hij daartoe uit eigen middelen, fondswerving of door middel van sponsoring de benodigde financiën bijeen te brengen. Dit laat onverlet dat een ‘topsporter’ eventueel wel in aanmerking kan komen voor bijvoorbeeld een "normale" sportrolstoel, die voldoende geschikt is om sport te kunnen beoefenen op een lager niveau.

De sportrolstoel c.q. sportvoorziening wordt verstrekt in de vorm van een pgb. Het maximumbedrag van het te verstrekken pgb is vastgelegd in het Uitvoeringsbesluit maatschappelijke ondersteuning. Het pgb wordt voor de duur van 3 jaar verstrekt.

Afwegingskader Vervoersvoorziening:

  • Om voor een maatwerkvoorziening vervoer in aanmerking te komen zal het Dagelijks Bestuur aan de hand van het verslag van het onderzoek eerst nagaan of in het onderzoek alle mogelijke alternatieven al zijn beoordeeld. Dat kunnen ook fietsen in bijzondere uitvoering zijn, zoals fietsen met trapondersteuning en dergelijke.

  • Het Dagelijks Bestuur beoordeelt aan de hand van het verslag van het onderzoek altijd eerst of eigen kracht, sociaal netwerk of andere algemeen gebruikelijke, voorliggende en andere gemakkelijk zelf te realiseren voorzieningen mogelijk zijn.

  • Als blijkt dat algemeen gebruikelijke voorzieningen, eigen kracht, sociaal netwerk de beperkingen van de aanvrager niet of niet voldoende kunnen compenseren onderzoek het Dagelijks Bestuur de vervoersbehoefte die de aanvrager heeft.

  • Aan de hand van deze vervoersbehoefte zal het Dagelijks bestuur beoordelen of deze behoefte bij een persoon met een maximale loopafstand van 800 meter ingevuld kan worden met een systeem van collectief vraagafhankelijk vervoer. Hierbij houdt het Dagelijks bestuur rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager.

  • Met een systeem voor collectief vervoer of met een andere maatwerkvoorziening dient een afstand van 1500 - 2000 km per jaar te kunnen worden afgelegd. Indien daar aanleiding voor is kan het Dagelijks Bestuur dit aantal ophogen.

  • Bij personen met een loopafstand van minder dan 100 meter zal het Dagelijks Bestuur beoordelen of naast een voorziening als collectief vervoer ook nog een voorziening verstrekt moet worden voor de zeer korte afstand.

  • Ook bij personen met een loopafstand van meer dan 100 meter, maar minder dan 800 meter, zal het Dagelijks Bestuur beoordelen of een voorziening voor de zeer korte afstand noodzakelijk is.

  • Indien collectief vervoer niet mogelijk of niet beschikbaar is, kan het Dagelijks Bestuur een maatwerkvoorziening verstrekken.

  • Bij het verstrekken van maatwerkvoorzieningen die af te leiden zijn van de auto, beoordeelt het Dagelijks bestuur of er sprake is van meerkosten ten opzichte van de periode voordat de beperkingen ontstonden. Alleen dan komt men in aanmerking voor een maatwerkvoorziening.

  • Maatwerkvoorzieningen kunnen door het Dagelijks bestuur verstrekt worden in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget. Een vervoersvoorziening in natura zal door de ISD Bollenstreek of in bruikleen of in eigendom worden verstrekt. Indien de maatwerkvoorziening in bruikleen wordt verstrekt dan blijft de leverancier in principe eigenaar van de voorziening. Bij levering van de maatwerkvoorziening ondertekent de gebruiker een bruikleenovereenkomst met de leverancier.

  • Bij een persoonsgebonden budget is de voorziening die de aanvrager als voorziening in natura zou ontvangen voor het Dagelijks Bestuur uitgangspunt voor de hoogte van het bedrag.

  • Met de positie van mantelzorgers kan rekening worden gehouden bij het bepalen van de vervoersvoorziening.

HOOFDSTUK 11 PERSOONSGEBONDEN BUGET

Indien de aanvrager in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening heeft hij in principe de keuze voor een voorziening in natura of een pgb. Ondersteuning in de vorm van een pgb is niet mogelijk voor algemene- en/of voorliggende voorzieningen. Het persoonsgebonden budget (hierna pgb) is een goed instrument om tot individueel maatwerk te komen en de aanvrager zeggenschap te geven over de ondersteuning die hij ontvangt. Bij een pgb horen ook voorwaarden en verplichtingen.

In de Wmo 2015 worden drie voorwaarden beschreven waaraan de aanvrager moet voldoen om in aanmerking te kunnen komen voor een pgb, te weten:

  • 1.

    Bekwaamheid (vermogen een pgb uit te voeren): Het Dagelijks Bestuur moet de aanvrager in staat achten de aan het pgb verbonden taken op een verantwoorde wijze uit te voeren. De aanvrager mag daarbij ondersteund worden door mensen uit zijn sociale netwerk dan wel door een curator, bewindvoerder, mentor of gemachtigde.

  • 2.

    Motivatie: de aanvrager moet motiveren dat het gecontracteerde aanbod van maatwerk- of individuele voorzieningen niet passend is in zijn specifieke situatie.

  • 3.

    Kwaliteit: Naar het oordeel van het Dagelijks Bestuur moet gewaarborgd zijn dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die de aanvrager met het pgb wil inkopen van goede kwaliteit zijn.

Hieronder worden toetsingscriteria nader toegelicht. Indien de aanvrager niet aan deze voorwaarden voldoet, kan hij niet in aanmerking komen voor een pgb.

11.1 Voorwaarde: Bekwaamheid

Artikel 2.3.6 lid 2a Wmo stelt vast dat:

“Een persoonsgebonden budget wordt verstrekt indien de aanvrager naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat is te achten tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, in staat is te achten de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren”

Om de bekwaamheid van de aanvrager te beoordelen wordt er rekening gehouden met de volgende punten:

  • 1.

    De aanvrager overziet zijn situatie en ondersteuningsvraag: kunnen aangeven welke problemen worden ondervonden, hoe deze zijn ontstaan en welke ondersteuning nodig is;

  • 2.

    De aanvrager is op de hoogte van de regels en verplichtingen die horen bij een pgb;

  • 3.

    De aanvrager is in staat een pgb-administratie bij te houden: onder andere inzicht hebben in de gefactureerde of gedeclareerde bedragen en hierover verantwoording moeten kunnen afleggen;

  • 4.

    De aanvrager is in staat te communiceren met andere partijen;

  • 5.

    De aanvraag is in staat zelfstandig te handelen en voor een zorgverlener te kiezen;

  • 6.

    De aanvrager is in staat afspraken in een ondersteuningsplan en/of zorgovereenkomst te maken en vast te leggen en te wijzigen indien nodig;

  • 7.

    De aanvrager kan beoordelen of de geleverde zorg kwalitatief goed is: de doelstelling in het ondersteuningsplan kunnen bewaken;

  • 8.

    De aanvrager kan de inzet van zorgverleners coördineren: weten hoe te handelen bij verlof en ziekte van de hulpverlener;

  • 9.

    De aanvrager is in staat om als werk- of opdrachtgever de zorgverlener(s) aan te sturen;

  • 10.

    De aanvrager heeft voldoende juridische kennis over het werk- of opdrachtgeverschap of weet deze kennis te vinden. Een pgb-houder die voor 4 dagen of meer per week ondersteuning inkoopt, een werkgever is, met de werkgeversplichten die daarbij horen. Denk hierbij onder meer aan het overeenkomen van een redelijk uurloon, het doorbetalen van loon bij ziekte en het hanteren van een redelijk opzegtermijn

De bekwaamheid wordt in samenspraak met de aanvrager getoetst maar het oordeel van het Dagelijks Bestuur is hierin leidend. Mocht het Dagelijks Bestuur van oordeel zijn dat de aanvrager dan wel met hulp van zijn (wettelijk) vertegenwoordiger niet bekwaam is voor het houden van een pgb, dan kan het Dagelijks Bestuur het pgb weigeren. Dit is een beslissing waartegen bezwaar kan worden gemaakt.

Overwegende bezwaren:

Overwegende bezwaren zijn er als er een ernstig vermoeden is dat de aanvrager problemen zal hebben met het omgaan met een pgb. De situaties waarbij het risico groot is dat het pgb niet besteed wordt aan het daarvoor bestemde doel zijn:

  • de aanvrager is handelingsonbekwaam;

  • de aanvrager heeft als gevolg van dementie, een verstandelijke handicap of ernstige psychische problemen onvoldoende inzicht in de eigen situatie én heeft geen netwerk (of mentor, curator, bewindvoerder of gemachtigde) die deze taken kan overnemen.

  • er is sprake van verslavingsproblematiek;

  • er is sprake van schuldenproblematiek;

  • er is eerder misbruik gemaakt van het pgb;

  • er is eerder sprake geweest van fraude.

Bovenstaande opsomming is niet limitatief. Om een pgb af te wijzen op overwegende bezwaren moet er enige feitelijke onderbouwing zijn op grond waarvan afgewezen kan worden. Dit kan een medische onderbouwing zijn maar ook het aantonen van schulden of eerder misbruik. De onderbouwing wordt in de beschikking vermeld.

Vertegenwoordiging

Budgethouders die niet op eigen kracht de aan het pgb verbonden verplichting kunnen nakomen (pgb vaardigheid) kunnen dit gemis compenseren door de hulp in te schakelen van een vertegenwoordiger. Een vertegenwoordiger is een wettelijk vertegenwoordiger (curator, bewindvoerder, mentor, ouder of voogd) of een persoonlijk vertegenwoordiger (een persoon ((partner, sociaal netwerk etc.)) met volmacht van de budgethouder).

Het Dagelijks Bestuur is verantwoordelijk voor de beoordeling hiervan als voorwaarde voor het kunnen verstrekken van een pgb. Dat wil dus zeggen dat een door de budgethouder aangewezen vertegenwoordiger ook pgb-vaardig moet zijn en wordt aan de genoemde punten getoetst. Er wordt een oordeel gevormd over de vraag of de vertegenwoordiger kan instaan voor de nakoming van de aan het pgb verbonden verplichtingen. Als een budgethouder meerdere vertegenwoordigers heeft, moet een van hen voor nakoming van alle aan het pgb verbonden verplichtingen kunnen instaan. Kan of wil een vertegenwoordiger niet de aan het pgb verbonden verplichtingen nakomen dan blijft deze persoon weliswaar een vertegenwoordiger maar kan er geen pgb verstrekt worden aan de aanvrager die voor het kunnen nakomen van de aan het pgb verbonden verplichten op diens hulp berust.

Onverlet het vorenstaande wordt een vertegenwoordiger alleen geacht de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze te kunnen uitvoeren als:

  • hij niet tevens uitvoerder is van de ondersteuning die met het pgb wordt ingekocht of geen financiële relatie heeft met de uitvoerder van de ondersteuning, tenzij dit gezien de situatie van de aanvrager, de aard van de ingekochte ondersteuning en de waarborgen waarmee een verantwoorde besteding en verantwoording van het pgb is omgeven, naar het oordeel van het Dagelijks Bestuur passend wordt bevonden;

  • er sprake is van voldoende nabijheid in de vorm van fysieke aanwezigheid en tijd.

De lijst van verschillende vormen van vertegenwoordiging is terug te vinden in de bijlage.

Handelingsbekwaam

Handelingsbekwaamheid kan worden omschreven als de mogelijkheid zelfstandig rechtshandelingen te verrichten waaraan men zelf onaantastbaar wordt gebonden. Iedereen van 18 jaar is volgens de wet meerderjarig en handelingsbekwaam. In geval van ondercuratelestelling wordt de meerderjarige handelingsonbekwaam. Handelingsonbekwaam impliceert niet dat de meerderjarige ook wilsonbekwaam is.

Handelingsbevoegd

Handelingsbevoegdheid kan worden omschreven als de mogelijkheid om zonder medewerking van een ander bepaalde rechtshandelingen te kunnen verrichten. In geval van bewind en/of mentorschap blijft rechthebbende handelingsbekwaam, maar wordt wel handelingsonbevoegd. In een aantal gevallen met name bij wilsbekwaamheid kan de rechthebbende zelfstandig handelen zonder medewerking van een ander.

Wilsonbekwaam

Een persoon is wilsonbekwaam als hij (in één of meer situaties) niet in staat is zelfstandig verantwoorde beslissingen te nemen omdat hij informatie niet kan begrijpen en afwegen; niet begrijpt wat de gevolgen van zijn besluit zijn en/of geen besluit kan nemen. Wilsonbekwaamheid kan kort duren of voor altijd zijn. Iemand kan bijvoorbeeld geen beslissingen nemen omdat hij tijdelijk buiten bewustzijn is, Maar iemand kan ook voor de rest van zijn leven wilsonbekwaam zijn, bijvoorbeeld bij ernstige dementie.

11.2 Voorwaarde: Motivering

Artikel 2.3.6 lid 2b Wmo stelt vast dat:

“Een persoonsgebonden budget wordt verstrekt indien de aanvrager zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de maatwerk-voorziening als persoonsgebonden budget wenst geleverd te krijgen”

De aanvrager moet motiveren dat het bestaande aanbod van zorg in natura niet passend is. Het kan hierbij gaan om de aard van de hulpvraag (de benodigde ondersteuning is bijvoorbeeld vooraf niet goed in te plannen), of om levensbeschouwelijke, culturele of godsdienstige overwegingen. Het is van belang dat de aanvrager kan aantonen dat de verstrekking van een pgb aantoonbaar leidt tot betere en effectievere ondersteuning. Ook moet de aanvrager beargumenteren dat de ondersteuning aantoonbaar doelmatiger is. Het opstellen van een persoonlijk plan zorgt ervoor dat de aanvrager nadenkt over zijn zorgvraag, deze uitwerkt en concretiseert, en tevens het doelbereik en daarmee de kwaliteit van de zorg te evalueren. Anders dan bij de eerste en derde voorwaarde is bij de motivering het oordeel van de aanvrager leidend, ook wanneer een kwalitatief en kwantitatief toereikend aanbod in natura aan de aanvrager is gedaan.

11.3 Voorwaarde: Kwaliteit

Artikel 2.3.6 lid 2c stelt dat:

“Een persoonsgebonden budget wordt verstrekt indien de aanvrager naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt”

Bij het beoordelen van de kwaliteit wordt in overweging genomen of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt. De kwaliteitseisen die gelden voor voorzieningen in natura gelden niet één op één op het pgb. De aanvrager als budgethouder zelf de regie over de ondersteuning die hij met het pgb inkoopt. Daarmee is de aanvrager ook verantwoordelijk voor de kwaliteit. Belangrijk is dat de geleverde ondersteuning veilig, doeltreffend en in het belang is van de aanvrager.

Er wordt in ieder geval de volgende kwaliteitseisen aan de formele hulp (te weten: professionals):

  • is veilig, doeltreffend, doelmatig en klantgericht,

  • voldoet aan de noodzakelijke/ gebruikelijke professionele standaard,

  • is afgestemd op uw behoefte en op andere ontvangen zorg,

  • is verstrekt in overeenstemming met de op de aanbieder rustende verantwoordelijkheid

  • voortvloeiende uit de professionele standaard,

  • is verstrekt met respect voor uw rechten.

  • is proportioneel zodat onder- en overgebruik van de maatwerkvoorziening wordt vermeden.

In de beschikking wordt, ten behoeve van de kwaliteit, in elk geval vastgelegd:

  • a.

    voor welk resultaat het pgb kan worden aangewend;

  • b.

    welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;

Kwaliteitscriteria professionals persoonsgebonden budget Wmo

Voor aanbieders die werken volgens vastgestelde kwaliteitsstandaarden (professionele organisaties), gelden dezelfde kwaliteitscriteria als voor zorg in natura (ZIN).

Aanbieders die niet werken volgens vastgestelde kwaliteitsstandaarden (bijv. ZZP-ers) worden voor inkoop met een pgb Wmo als zorgverlener/professional beschouwd, als aan een aantal kwaliteitscriteria wordt voldaan.

De zorgverlener/professional:

  • neemt bij het verlenen van zorg de eisen in acht die volgens de algemeen aanvaarde professionele standaard redelijkerwijs aan de zorgverlener mogen worden gesteld9;

  • is voldoende gekwalificeerd, passend bij de aard van de zorg; (te denken valt aan een opleiding in de zorg en/of welzijnsrichting, relevante werkervaring, certificaten bijscholing, niet limitatief)

  • levert passende zorg waarbij de aanvrager centraal staat;

  • maakt zoveel mogelijk gebruik van de eigen kracht van de aanvrager en zijn omgeving bij het bieden van zorg. De zorg is gericht op blijvende participatie en stimulering van de eigen redzaamheid, passend bij de ontwikkelfase van de aanvrager

  • let op het stimuleren van inzet van mantelzorg en vrijwilligers uit de omgeving van de aanvrager;

  • zorgt dat de ondersteuning gebeurt op basis van een met de aanvrager overeengekomen ondersteuningsplan;

  • garandeert dat hij/zij voldoet aan alle (kwaliteits)eisen die voor zijn/haar zorgfunctie voortvloeien uit onder meer de volgende wetten:

    • Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) (voor zover dit voor de aard van de dienstverlening vereist is daadwerkelijke BIG registratie; indien niet noodzakelijk dan wenselijk)

    • de Wmo 2015;

  • organiseert de zorg laagdrempelig op de plaats en het tijdstip dat, binnen redelijke grenzen, de aanvrager wenst. In ieder geval dichtbij de woonomgeving van de aanvrager (bijv dagbesteding);

  • draagt zorg voor een goede samenwerking met de professionals in het sociaal team/loket, het regionaal expert team en andere actoren als daar aanleiding voor is.

  • beschikt over een aansprakelijkheidsverzekering.

    • »

      de aanbieder is:

    • »

      ingeschreven bij de Kamer van Koophandel;

    • »

      moet kunnen beschikken over een actuele Verklaring Omtrent Gedrag (VOG); De aanvrager zal geadviseerd worden dit bij de aanvrager op te vragen. In het kader van toezichthouderschap kunnen steekproefsgewijs VOG’s worden opgevraagd.

    • »

      moet meewerken aan een aanvrager-ervaringsonderzoek en/of daarvoor de benodigde informatie te verstrekken.

    • »

      is geen familie

Om de kwaliteit te waarborgen kunnen wij periodiek in overleg treden met u als budgethouder over de behaalde resultaten met het pgb en/of (steekproefsgewijs) toezicht houden op de daaraan verbonden voorwaarden, waaronder de vraag of de ingekochte ondersteuning aan de kwaliteitseisen voldoet.

11.4 Ondersteuningsplan

Als aanvrager ondersteuning wilt ontvangen in de vorm van een pgb dan vormt het ondersteuningsplan onderdeel van de aanvraag. Indien de Wmo-ondersteuning in de vorm van een pgb wordt aangevraagd ontvangt u een format Pgb-ondersteuningsplan. De maximale termijn voor het indienen van het ondersteuningsplan is 10 werkdagen.

In het ondersteuningsplan moet in ieder geval staan:

  • de motivatie: waarom wil aanvrager een pgb en geen zorg in natura?

  • welke ondersteuning met het pgb wordt ingekocht

  • hoe de ondersteuning wordt ingericht

  • de eisen die aanvraag aan de ondersteuning stelt

  • welke doelen/resultaten met de ondersteuning wordt er bereikt

  • hoe het budget precies wordt besteed.

In het ondersteuningsplan wordt afgesproken op welke termijn de behaalde doelen/resultaten met het pgb en de daaraan verbonden voorwaarden worden geëvalueerd, waaronder de vraag of de ingekochte ondersteuning aan de kwaliteitseisen voldoet. Deze evaluatietermijn kan gelijk lopen met de indicatietermijn.

11.5 Inzet “niet-professionals” (sociaal netwerk)

De hulp van een familielid of iemand uit het sociaal netwerk valt in principe onder de eigen kracht. Artikel 2.3.6 derde lid Wmo 2015 maakt het mogelijk dat het pgb wordt ingezet om niet-professionele zorgverleners mee te betalen. Dit kan bijvoorbeeld iemand zijn uit het sociale netwerk van de aanvrager.

Mantelzorgers zijn onmisbaar en leveren vaak meer ondersteuning dan een organisatie kan bieden; een inwonende mantelzorger is er namelijk altijd en levert zijn hulp uit directe betrokkenheid voor de aanvrager. Mantelzorg is waardevol maar kent ook een keerzijde. De afgelopen jaren is het pgb gebruik fors toegenomen. Hierdoor is steeds meer hulp die eerst om niet werd geboden omgezet naar betaalde mantelzorg.

Het is belangrijk om te voorkomen dat een pgb niet de binnen het maatschappelijk verkeer als normaal beschouwde (mantel-)zorg verdringt. Bij deze vormen van pgb gaat het om uitzonderingen waarbij de aanvrager moet aantonen dat er geen acceptabele alternatieven zijn. Het is echter wel wenselijk om de mogelijkheid te openen dat iemand uit het sociaal netwerk de zorg in het kader van het pgb uitvoert, wanneer andere gevallen van zorg in natura of pgb niet goed aansluiten bij de hulpvraag. Het algemene uitgangspunt is dat met een pgb geen mensen uit het sociaal netwerk worden gefinancierd, tenzij alle andere vormen van zorg in natura of pgb onvoldoende aansluiten bij de ondersteuningsvraag. Een pgb is alleen mogelijk als de geboden ondersteuning buiten datgene valt wat redelijkerwijs van het sociaal netwerk verwacht mag worden.

Om het pgb ook voor de toekomst solide in te richten is het noodzakelijk om normen te stellen aan het uitbetalen van hulpen uit het sociaal netwerk. Dit betekent enerzijds meer inzetten op het probleemoplossend vermogen van aanvragers zelf maar ook de mogelijkheid van het uitbetalen van structureel zwaarbelaste mantelzorgers te behouden. Speciale aandacht vragen mantelzorgers die structureel zwaar belast zijn met zorgtaken, het voeren van een huishouden en opvoedtaken (=gebruikelijke zorg). Situaties waarin het voor de mantelzorger lastig is om werk en zorgtaken te combineren zal samen met de aanvrager en de mantelzorger worden gezocht naar een oplossing. Het is belangrijk dat zowel de aanvrager als de mantelzorger een ‘eigen leven’ heeft en zo mogelijk in een eigen inkomen voorziet. In de praktijk kan dit lastig zijn. Als de mantelzorger structureel een aanzienlijk aantal uren ondersteuning levert, kan de aanvrager ervoor kiezen om de mantelzorger hiervoor uit te betalen. Wanneer de mantelzorger een uitkering heeft, behoort (tijdelijke) ontheffing van de sollicitatieplicht tot de mogelijkheden (artikel 9 lid 2 PW).

De wens om vrienden, kennissen, collega’s en buren (hulp uit het sociaal netwerk) uit te willen betalen is afhankelijk van een aantal factoren: a) de relatie met de mantelzorger, b) de omvang van de betaalde en onbetaalde mantelzorg de totale belasting van de mantelzorger, c) de gebruikelijke hulp/werk, d) het type hulp, e) de frequentie van de geboden hulp, f) de duur van de hulp (tijdelijk of langere periode) en g) de mate van de verplichting. Van inwonende eerste- en tweedegraads familieleden kan meer mantelzorg worden verwacht dan van uitwonende familieleden.

De aanvrager moet aangeven welke ondersteuning er wordt geleverd en welk deel van deze ondersteuning uitbetaald moet worden en waarom (motiveringsplicht). De hulp uit het sociaal netwerk mag daarbij op geen enkele wijze druk op aanvrager als budgethouder uitoefenen bij zijn besluitvorming om over te gaan tot de keuze voor een pgb. Verder worden de volgende uitgangspunten gehanteerd als het gaat om de inzet van een hulp uit het sociaal netwerk:

  • »

    Als een hulp uit het netwerk de ondersteuning gaat bieden, moet dat gepaard gaan met een wijziging in de bestaande situatie omdat uit het gesprek blijkt dat vanuit de bestaande situatie de inzet van het sociale netwerk ontoereikend is. Er is dus extra inzet nodig.

  • »

    De inzet van het sociaal netwerk is aantoonbaar beter, het belang van de aanvrager staat centraal. Het gaat om argumenten zoals:

    • -

      zorgcontinuïteit: partner of ouder kan zorgen voor permanent toezicht;

    • -

      emotionele binding: partner, ouder of andere familie/kennis heeft een emotionele band, die bijdraagt aan de effectiviteit van de ondersteuning/hulp;

    • -

      veiligheid: hulp of zorg in de eigen leefomgeving door ouder, partner of andere familie/kennis is vertrouwd en veilig en draagt daarmee bij aan de doelen/resultaten van de ondersteuning;

    • -

      praktische reden: partner of ouder kan taken flexibel combineren die anders door meerdere professionals op verschillende tijdstippen/locaties worden uitgevoerd.

  • »

    Hiertegenover staat dat een hulp buiten het sociaal netwerk in sommige gevallen beter het gestelde doel (patronen doorbreken bijv. voorkomen symbiotische verhouding) kan bereiken dan een vertrouwde persoon uit het sociaal netwerk. Van belang is om te beoordelen of professionele distantie/reflectie gewenst is met het oog op het bereiken van doelen (een goede moeder is niet altijd de beste zorgverlener voor een kind, ongeacht de leeftijd).

  • »

    De hulp uit het sociaal netwerk moet zich bewust zijn van de consequenties en de verantwoordelijkheden die hij op zich neemt. Vragen die daarbij gesteld moeten worden is, kan de degene die de hulp levert een keer overslaan als hij ziek is of op vakantie gaat? En hoe wordt de hulp dan geleverd?

  • »

    Het netwerk wordt niet ingezet in situaties waarin sprake is van (dreigende) overbelasting. In deze situaties kan een pgb worden geweigerd. Het is aan het Dagelijks Bestuur om dit te beoordelen.

Voor informele hulp c.q. hulp uit het sociaal netwerk geldt een ander - lager - tarief dan voor professionele hulp. Het sociaal netwerk krijgt in beginsel geen professioneel tarief. In hoge uitzonderingsgevallen kan een hulp uit het sociaal netwerk het professionele tarief ontvangen. Voorafgaande aan de aanvraag zullen wij beoordelen welk tarief van toepassing is. Wanneer er sprake is van het professionele tarief moet de hulp uit het sociaal netwerk voldoen aan de kwaliteitseisen die aan een professional worden gesteld (zie 11.3).

11.6 Trekkingsrecht

In de Wmo 2015 is de verplichting opgenomen dat gemeenten pgb’s uitbetalen in de vorm van trekkingsrecht10 . Dit recht houdt in dat de gemeente het pgb niet op de bankrekening van de budgethouder stort maar op de rekening van het servicecentrum PGB van de Sociale Verzekeringsbank (SVB). De budgethouder laat via declaraties of facturen aan de SVB weten hoeveel uren hulp zijn geleverd en de SVB zorgt vervolgens voor de uitbetaling van de zorgverlener. Het niet bestede pgb wordt door de SVB na afloop van de verantwoordingsperiode teruggegeven aan de gemeenten.

Eventuele ondersteuning bij de uitvoering van het pgb wordt door het PGB Servicecentrum van het SVB voor aanvrager gratis geboden; dus hier zijn geen kosten voor opgenomen in het pgb.

11.7 Mandaat Eenmalige pgb verstrekkingen

Het Rijk heeft besloten dat gemeenten eenmalige pgb’s (voor bijvoorbeeld een woningaanpassing of vervoermiddel) in 2015 zelf betalen.

Tussen de SVB en de ISD Bollenstreek is een mandaatovereenkomst gesloten om de taak voor de eenmalige pgb’s aan de ISD Bollenstreek over te dragen (en daarmee uit te zonderen van het trekkingsrecht). Het Dagelijks Bestuur betaalt de eenmalige pgb’s uit op de manier van het trekkingsrecht, niet aan de aanvrager maar aan de leverancier.

11.8 Hoogte Persoonsgebonden budget

Het pgb moet toereikend en vergelijkbaar met de voorziening in natura zijn. Dit houdt in dat het pgb de aanvrager in staat moet stellen hulp/voorziening in te kopen die vergelijkbaar is met de hulp/voorziening in natura.

In de beschikking wordt een bedrag opgenomen voor verzekering en onderhoud en reparaties. Deze kosten worden vergoed op declaratiebasis tot een -in de beschikking vastgesteld- maximum bedrag per jaar. De hoogte van het pgb en de voorwaarden voor de verantwoording zijn opgenomen in de beschikking. Situaties waarin het door de aanvrager beoogde aanbod duurder is dan het aanbod van het Dagelijks Bestuur komen de meerkosten voor eigen rekening van de aanvrager.

Met betrekking tot de hoogte van de persoonsgebonden budgetten wordt onderscheid gemaakt tussen diensten, rolstoel- en vervoersvoorzieningen, en woonvoorzieningen.

11.9 Pgb voor diensten

Het Dagelijks Bestuur maakt onderscheid tussen ondersteuning die wordt geleverd door de hulp uit het sociaal netwerk, zelfstandige hulpverleners die werken volgens de kwaliteitsstandaarden (ZZP-ers) en hulpverleners werkzaam voor een instelling. Tussenpersonen of belangbehartigers mogen niet uit het pgb worden betaald.

Het pgb wordt gebaseerd op basis van werkelijk noodzakelijke uren. Voor de hoogte van het pgb wordt in het kader van de Wmo aansluiting gezocht bij de voor de branche geldende CAO. De omvang van het pgb is, naast het aantal uren, mede afhankelijk van het tarief van de categorie/soort hulp die geïndiceerd is. De gehanteerde tarieven dienen voldoende duidelijk te maken of hiervoor zorg kan worden ingekocht van vergelijkbare kwaliteit – in termen van kwaliteitswaarborgen, arbeidsvoorwaarden, scholingsfaciliteiten, continuïteit en uren waarop de gecontracteerde zorg al dan niet moet worden geleverd – als de door het Dagelijks Bestuur gecontracteerde zorg. Het is niet mogelijk om vaste overeengekomen maandbedragen af te spreken.

In het Uitvoeringsbesluit maatschappelijke ondersteuning ISD Bollenstreek zijn de tarieven voor pgb’s per uur en/of categorie/soort hulp vastgelegd.

Bestedingsvoorwaarden

Het pgb mag wel voor de volgende kosten worden gebruikt:

  • Alle bijkomende kosten voor de zorgverleners zoals de werkgeverslasten voor zorgverleners met een arbeidsovereenkomst en wettelijk toegestane vergoedingen, onder andere reiskostenvergoedingen voor woon-werkverkeer, verlofregelingen en pensioenvoorziening.

  • Vervoerskosten van en naar de plek waar begeleiding wordt geboden indien er een beschikking is afgegeven voor begeleiding in dagdelen (dagopvang) samen met een indicatie voor dit specifieke vervoer.

Het pgb mag niet voor de volgende kosten worden gebruikt:

  • kosten voor bemiddeling;

  • kosten voor het voeren van een pgb-administratie;

  • kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van het pgb;

  • contributie voor het lidmaatschap van Per Saldo (er zijn ziektekostenverzekeringen die een bijdrage vergoeden);

  • kosten voor het volgen van cursussen over het pgb;

  • kosten voor het bestellen van informatiemateriaal;

  • kosten voor eigen bijdragen (bijvoorbeeld CAK);

  • kosten voor feestdagenuitkering / cadeau zorgverlener;

  • alle zorg en ondersteuning die onder een andere wet dan de Wmo vallen;

  • alle zorg en ondersteuning die vallen onder een algemene voorziening en/of algemeen gebruikelijke voorzieningen;

  • verantwoordvrij bedrag

  • uitruil tussen voorzieningen is niet mogelijk.

  • coördinatie (regie voeren): een pgb-houder kan niet met het pgb de coördinatietaak inkopen, deze rol vervult de pgb-houder immers zelf of is belegd bij een vertegenwoordiger.

11.10 Pgb voor rolstoel- en vervoersvoorzieningen

De maximale hoogte van een pgb is begrensd tot de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate maatwerkvoorziening in natura. De prijs waarvoor de leverancier waarmee het Dagelijks Bestuur een contract heeft de voorziening in natura kan leveren is maatgevend voor de hoogte van het pgb. Bij de verstrekking van voorzieningen in het kader van de Wmo dient immers te worden uitgegaan van de meest goedkoop adequate voorziening. Er zal per toekenning een berekening worden gemaakt van de omvang van het te verstrekken pgb. De kosten van reparatie en onderhoud zijn onderdeel van het pgb.

In de beschikking wordt een zo nauwkeurig mogelijk omschreven programma van eisen opgenomen waaraan de aan te schaffen voorziening moet voldoen. Hierdoor kan worden voorkomen dat door onduidelijkheid omtrent de eisen die aan de voorziening gesteld moeten worden een verkeerde voorziening wordt aangeschaft. Indien de aanvrager een voorziening aanschaft die naar het oordeel van het Dagelijks Bestuur niet aan het programma van eisen voldoet, kan er niet worden overgegaan tot uitbetaling van het pgb of het Dagelijks Bestuur kan besluiten geen vervangende voorziening te verstrekken indien de aangeschafte voorziening niet meer geschikt blijkt te zijn.

11.11 Pgb voor woonvoorzieningen

De meeste woonvoorzieningen kunnen zowel in natura als in pgb worden verstrekt. De prijs waarvoor de leverancier waarmee het Dagelijks Bestuur een contract heeft de voorziening in natura kan leveren is maatgevend voor de hoogte van het pgb.

Met name (complexe) bouwkundige woonvoorzieningen kunnen niet in natura worden verstrekt. De omvang van het pgb voor een bouwkundige woonvoorziening zal daarom op een andere wijze moeten worden vastgesteld. Bij de vaststelling van de hoogte van het pgb wordt uitgegaan van de door de gecontracteerde leverancier geoffreerde kosten. Bij bepaalde woonvoorzieningen, zoals een badkameraanpassing of keukenaanpassing, kan bij het bepalen van de (hoogte van het) pgb kan tevens rekening worden gehouden met de reeds verlopen afschrijvingstermijn. In de jurisprudentie is bepaald dat het vervangen van zaken past in het normale bestedingspatroon en daarom algemeen gebruikelijk zijn. Pas indien sprake is van een acute situatie waardoor zaken veel eerder dan normaal vervangen moeten worden, is deze vervanging niet algemeen gebruikelijk. De uitgangspunten die gehanteerd worden bij badkamer- en keukenaanpassingen zijn opgenomen in de bijlage.

11.2 Beschikking

Als de aanvrager kiest voor een pgb wordt in de toekenningbeschikking opgenomen:

  • het budget waarmee de voorziening of hulp kan worden ingekocht. De bedragen zijn opgenomen in het Uitvoeringsbesluit en worden jaarlijks geactualiseerd;

  • het feit dat er een eigen bijdrage moet worden betaald;

  • de periode waarvoor deze toekenning geldt of de termijn waarbinnen de voorziening aangeschaft dient te zijn.

De toekenning eindigt wanneer:

  • de budgethouder verhuist naar een andere gemeente;

  • de budgethouder overlijdt;

  • als de indicatieperiode of geldigheidsduur is verstreken;

  • als de budgethouder aangeeft dat zijn situatie is veranderd en (de gemeente) vaststelt dat de voorziening niet meer voldoet;

  • de budgethouder geen verantwoording aflegt;

  • de budgethouder zijn pgb laat omzetten in ZIN.

11.13 Looptijd van het persoonsgebonden budget

Iedere voorziening kent een zogenaamde gebruiksduur. Dit is de gemiddelde duur waarin adequaat gebruik moet kunnen worden gemaakt van die voorziening. De aanvrager wordt geacht met gebruikmaking van het pgb minimaal gedurende deze periode in de aanschaf van een voorziening te kunnen voorzien. De looptijd van het pgb wordt in de beschikking aangegeven.

In principe wordt er pas een nieuw pgb of een voorziening in natura verstrekt als de technische levensduur van de voorziening verstreken is. Dit wordt door middel van een technisch rapport vastgesteld. Het kan voorkomen dat de minimale gebruiksduur is verstreken maar de voorziening nog technisch in orde is. Een nieuwe voorziening wordt op dat moment nog niet verstrekt. De gebruiksduur van de voorzieningen wordt vastgesteld aan de hand van de informatie van de gecontracteerde leveranciers.

Indien de aanvrager binnen de vastgestelde gebruiksduur opnieuw een aanvraag indient voor een (soortgelijke) voorziening, zal deze aanvraag worden afgewezen tenzij:

  • het hulpmiddel adequaat is maar dermate intensief gebruikt dat de gebruiksduur in een specifiek geval

  • korter is dan de gemiddelde gebruiksduur;

  • de aanvrager kan aantonen dat er sprake is van overmacht en dat het niet meer adequaat zijn van de voorziening niet te wijten is aan opzet of nalatigheid van de aanvrager;

  • er sprake is van gewijzigde (medische) omstandigheden, waardoor de voorziening die met het persoonsgebonden budget is aangeschaft geen adequate voorziening meer is en dit niet te voorzien was ten tijde van de indicatiestelling/verstrekking van het persoonsgebonden budget.

De looptijd van het persoonsgebonden budget voor de overige maatwerkvoorzieningen is 7 jaar en woningaanpassingen 10 jaar.

Afwegingskader Persoonsgebonden budget

  • Een pgb is een bedrag waaruit namens het Dagelijks bestuur betalingen worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren, en die een aanvrager van derden heeft betrokken (artikel 1.1.1 Wmo).

  • In dit hoofdstuk zijn de voorwaarden en weigeringsgronden voor een pgb opgenomen die gelden op grond van de wet (artikel 2.3.6 lid 2 en 5 Wmo).

  • Het Dagelijks Bestuur bepaalt de omvang van het pgb. Hierbij dienen drie mogelijkheden te worden onderscheiden:

    • het persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden en begeleiding,

    • het persoonsgebonden budget voor voorzieningen, zoals hulpmiddelen, woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen.

    • het persoonsgebonden budget voor zorg/ondersteuning uitgevoerd door niet-professionals (bijv netwerk van de aanvrager)

  • Het maximale tarief wordt door het Dagelijks Bestuur vastgesteld en kan elk jaar aangepast worden aan de economische ontwikkelingen. Bedragen worden vastgelegd in het Uitvoeringsbesluit.

  • Het pgb moet toereikend zijn om de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren van derden te betrekken.

  • Het Dagelijks Bestuur verstrekt een pgb ter waarde van de goedkoopst adequate voorziening. De kosten van de goedkoopst adequate voorziening kunnen worden afgeleid van bijvoorbeeld het kernassortiment hulpmiddelen van door de ISD Bollenstreek (namens gemeente) gecontracteerde partijen of een tweetal offertes. Daarbij kunnen bedragen geteld worden voor het onderhoud, verzekering en de reparaties van de voorziening, voor zover daar sprake van kan zijn. Deze bedragen zijn ofwel bij verstrekking in eigen beheer bekend vanuit het verleden, ofwel kunnen bij verstrekking via een leverancier bij de leverancier worden opgevraagd. Voor complexe woningaanpassingen vraagt het Dagelijks Bestuur offerte(s) op bij daartoe gecontracteerde partijen.

  • Het Dagelijks Bestuur maakt per toekenning een berekening van het pgb.

  • Uitbetaling pgb. Er wordt geen bedrag aan de aanvrager uitgekeerd waaruit hij zelf betalingen kan doen; er wordt hem een bedrag ter besteding beschikbaar gesteld. Namens het Dagelijks Bestuur worden door de SVB betalingen verricht.

  • Het Dagelijks Bestuur verstrekt een persoonsgebonden budget alleen ten aanzien van individuele voorzieningen. Dat betekent dat bij algemene voorzieningen dan wel collectieve voorzieningen geen persoonsgebonden budget verstrekt wordt

  • Verantwoording: budgethouders moeten ten alle tijden gevraagd en ongevraagd hun pgb besteding kunnen verantwoorden.

HOOFDSTUK 12 VERANTWOORDING EN CONTROLE PERSOONSGEBONDEN BUGET

Nadat de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb is toegekend, controleert het Dagelijks Bestuur het gebruik van het pgb met het oog op kwaliteit, rechtmatigheid en doelmatigheid daarvan (Verordening maatschappelijke ondersteuning, art.9a en 9b).

12.1 Controle pgb

“Het Dagelijks Bestuur onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen en pgb’s met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan”

Het pgb moet besteed worden aan het doel waarvoor het is verstrekt. Het uitgangspunt is dat een pgb voor een voorziening die bijvoorbeeld is verstrekt voor het compenseren van de beperkingen op het gebied van het voeren van het huishouden ook aan dat doel besteed moet worden.

Het Dagelijks Bestuur kan aan de hand van een aselecte steekproef de besteding van het budget controleren. Dit kan door bijvoorbeeld een huisbezoek en/of een administratieve controle uit te voeren (rechtmatigheid) en een inhoudelijke controle op zorgverlening en ondersteuningsvraag bij de budgethouder en/of zijn vertegenwoordiger (doelmatigheid). De geselecteerde budgethouders zullen hiertoe schriftelijk worden benaderd door het Dagelijks Bestuur.

De budgethouder of diens vertegenwoordiger wordt in verband met een eventuele control vanuit het Dagelijks geacht de volgende stukken te bewaren:

  • de nota/factuur van de aangeschafte voorziening, inclusief facturen van eventuele reparaties en onderhoud;

  • een betalingsbewijs van aanschaf van de voorziening;

  • een dienstverleningsovereenkomst of arbeidsovereenkomst;

De verantwoording van het pgb voor maatwerkvoorzieningen hulp bij het huishouden en begeleiding moet plaats vinden over zowel het verstrekte bedrag als over de uren. De pgb-bedragen zijn bedragen inclusief kosten, zoals reiskosten. De budgethouder mag met het budget schuiven tussen de budgetperioden. Indien bij de verantwoording blijkt dat het verschil tussen het totaal aantal ingezette uren en het totaal aantal toegekende uren meer dan 10% bedraagt, kan dit aanleiding zijn om over te gaan tot een herindicatie. Ook het teveel betaalde pgb kan worden teruggevorderd.

Als onrechtmatigheden of ondoelmatig gebruik van het pgb wordt geconstateerd kan het Dagelijks Bestuur besluiten om voorwaarden te stellen aan voortzetting van het pgb of het verstrekken van het pgb te heroverwegen en eventueel in te trekken. Bij het beoordelen van de kwaliteit weegt het college mee of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt.

12.2 Verzilvering van het pgb

Na ontvangst van de beschikking heeft de aanvrager drie maanden de tijd om het pgb te besteden waarvoor het is bedoeld. Indien het pgb niet binnen drie maanden verzilverd wordt, dan wordt de toekenning ingetrokken mits de aanvrager hier een geldige reden voor heeft. Mocht het nodig zijn, dan krijgt de aanvrager alsnog de mogelijkheid om naar een voorziening in natura over te stappen.

12.3 Maatregelen ter bestrijding van onrechtmatig en oneigenlijk gebruik

Het pgb kent voorbeelden van oneigenlijk gebruik en fraude in het verleden. Om dat te beperken is onder meer het Trekkingsrecht ingevoerd. Gemeenten moeten daarnaast zelf aanvullende regels stellen voor het tegengaan van oneigenlijk gebruik en fraude. De aanvullende regels zijn als volgt:

1. Privacy

In de eerste plaats is het van groot belang dat de privacy van de aanvrager is gewaarborgd. De borging hiervan is bij de pgb-doelgroep extra belangrijk omdat dit een kwetsbare doelgroep is. De uitwerking van de richtlijnen rondom de privacy van burgers met een pgb sluit aan bij de wettelijke kaders in de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). In de praktijk betekent dit dat op basis van bestaande protocollen de privacy wordt bewaakt.

2. Periodiek onderzoek

Uit het thematisch onderzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) bleek dat door de lange looptijd van AWBZ-indicaties, deze niet altijd aansloten bij de actuele zorgbehoefte van de pgb-houder. Om dit te voorkomen is het soms wenselijk dat de looptijd van indicaties wordt verkort. Aan de andere kant blijkt dat te vaak heroverwegen tot veel onzekerheid leidt. De noodzaak hiertoe verschilt bovendien sterk per persoon. De duur van de pgb-beschikking is daarom afhankelijk van de situatie (maatwerk). Hierbij kunnen de intensiteit van de zorg maar ook bijvoorbeeld de leeftijd en de omstandigheden van de aanvrager een rol spelen. Omdat de zorgvraag na verloop van tijd kan veranderen, is het wenselijk om frequenter te evalueren of het pgb nog passend is en om (tenzij sprake is van een stabiele en langdurige zorgvraag) de doorlooptijd van indicaties te verkorten. Deze (tussentijdse) evaluatiemomenten maken onderdeel uit van het ondersteuningsplan. In de praktijk zal alert gereageerd moeten worden op signalen (bijvoorbeeld declaratiegedrag van de aanvrager) die eventueel aanleiding kunnen zijn voor een gesprek. Bijvoorbeeld wanneer de budgethouder een tijd lang niet heeft gedeclareerd of wanneer de budgethouder ineens een paar periodes in één keer declareert.

3. Toetsing

Het pgb wordt toegewezen op basis van intensief persoonlijk klantcontact. Er is gerichte toetsing vooraf, onder andere op het ondersteuningsplan. Vooraf toetst het Dagelijks bestuur de gemaakte afspraken aan het ondersteuningsplan. Het Dagelijks bestuur toetst ook de zorgovereenkomsten (tussen pgb-houder en zorgverlener) zorginhoudelijk. De SVB toetst alle (arbeids)overeenkomsten die pgb-houders sluiten arbeidsrechtelijk voordat betaling aan deze hulpverlener plaatsvinden. Aanvullend daarop is een meer of minder gerichte controle achteraf mogelijk. Uitgangspunt is dat de aanvrager correct omgaat met zijn pgb maar dat alertheid geboden blijft. De verwachting is dat een sterke voorkant in combinatie met het (verplichte) trekkingsrecht via de SVB een doelmatige zorginkoop realiseert en veel oneigenlijk gebruik of misbruik voorkomt.

4. Communicatie

  • Individuele afspraken vastleggen over of, en in welke mate het pgb anders mag worden ingezet dan afgesproken in het plan;

  • Helder communiceren over welke kosten wel en niet voor pgb-vergoeding in aanmerking komen (vergoedingenlijst);

  • Nieuwe aanvragers (of vertegenwoordigers) kiezen bewust voor een pgb, kennen hun verantwoordelijkheden en kunnen hiermee omgaan.

12.4 Mogelijkheid uitsluiting pgb

Het Dagelijks bestuur kan een pgb weigeren als er tijdens het onderzoek naar aanleiding van de aanvraag een ernstig vermoeden is dat de aanvrager problemen zal (gaan) krijgen met het beheren van een pgb. Te denken valt hierbij aan de volgende situaties:

  • eerdere fraudering;

  • gok-, drugs- of alcoholverslaving.

Bovendien mag het Dagelijks bestuur een pgb intrekken of herzien inde volgende onderstaande gevallen als:

  • blijkt dat de aanvrager onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

  • de aanvrager niet voldoet aan de aan het toekennen van een pgb verbonden voorwaarden;

  • de aanvrager het pgb niet gebruikt of voor een ander doel gebruikt;

Indien de aanvrager een voorstel doet dat zou leiden tot een hoger pgb dan het vergelijkbare zorg in natura aanbod, wordt de aanvrager de mogelijkheid geboden het verschil in budget zelf te financieren. Daarmee wordt een pgb alleen geweigerd voor dat deel dat het budget hoger is dan zorg in natura voor een vergelijkbare hulpvraag. Het hele pgb wordt geweigerd als de pgb-houder niet bereid is het verschil in budget zelf te financieren.

Hoofdstuk 13 BIJDRAGE IN DE KOSTEN

Voor het gebruik van algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen kan een (eigen) bijdrage gelden. In de Verordening maatschappelijke ondersteuning staat vastgelegd voor welke voorziening een eigen bijdrage geldt en de hoogte van de eigen bijdrage. De grondslag voor het opleggen van een eigen bijdrage is te vinden in artikelen 2.1.4 en 2.1.4a van de Wmo. De wet maakt een onderscheid tussen de bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen.

13.1 Eigen bijdrage maatwerkvoorziening

Voor de maatwerkvoorzieningen welke in natura of in de vorm van een pgb worden verstrekt geldt een eigen bijdrage. Hierop gelden een aantal uitzonderingen:

  • a.

    De eigen bijdrage geldt niet voor personen onder 18 jaar. Dit betekent dat bij voorzieningen die verstrekt worden aan kinderen (personen jonger dan 18 jaar) geen rekening wordt gehouden met het inkomen van de ouders en dus geen eigen bijdrage wordt gevraagd.

Hierop geldt één uitzondering:

voor woningaanpassingen voor kinderen onder de 18 jaar wordt aan de onderhoudsplichtige ouders of degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag over de minderjarige uitoefent een eigen bijdrage gevraagd. Deze uitzondering geldt alleen voor de gemeenten Teylingen en Noordwijk.

  • b.

    De eigen bijdrage geldt niet voor rolstoelvoorzieningen inclusief accessoires die onlosmakelijk met de rolstoel verbonden zijn en accessoires niet ten behoeve van het zelfstandig verplaatsen.

  • c.

    De eigen bijdrage geldt niet voor de inrichtingskosten of voor het vrijmaken van een aangepaste woning; het bezoekbaar / logeerbaar maken van de woning; het gebruik van een (eigen) auto, gebruik taxi, gebruik van rolstoeltaxi en het gebruik van een bruikleenauto.

  • d.

    Sportvoorziening.

  • e.

    De kosten voor verzekering, onderhoud, keuring en reparaties van voorzieningen (na verstrekking).

  • f.

    Voorzieningen geplaatst in algemene ruimten en door anderen gebruikt kunnen worden.

13.2 Hoogte eigen bijdrage

De bijdragen per algemene voorziening staan vastgelegd in de Verordening maatschappelijke ondersteuning.

Voor maatwerkvoorzieningen, met uitzondering van de genoemde voorzieningen onder punt 13.1, geldt een maximale eigen bijdrage van € 19,00 per maand. De maximale eigen bijdrage van € 19,00 per maand, het zogeheten ‘Abonnementstarief’, wordt met ingang van 1 januari 2020 ingevoerd en vormt één van de maatregelen van de regering om de stapeling in de (langdurige) zorg en ondersteuning te verminderen. Het Rijk is verantwoordelijk voor de vaststelling van de hoogte van de maximale eigen bijdrage.

Het collectief vervoer wordt uitgezonderd van de maximale eigen bijdrage van € 19,00 per maand. Voor het collectief vervoer geldt een bijdrage per rit.

Tevens valt het Beschermd wonen met een wooncomponent niet onder het abonnementstarief. De bijdrage is hoger en inkomensafhankelijk omdat mensen geen woonlasten hebben.

Het Dagelijks Bestuur conformeert zich aan de maximale bedragen van in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.

13.3 Anticumulatie

Anticumulatie betekent hier dat er één maximum bedrag verschuldigd is voor zowel de eigen bijdrage op grond van de Wmo (waaronder opvang, beschermd wonen), als de eigen bijdrage op grond van de Wlz en Jeugdwet.

13.4 Termijn eigen bijdrage

De aanvrager is een eigen bijdrage van € 19,00 per maand verschuldigd zolang hij gebruik maakt van de voorziening, de duur van het persoonsgebonden budget of totdat de kostprijs van de voorziening is bereikt.

13.5 Inning en vaststelling

Op grond van artikel 2.1.4 lid 6 Wmo 2015 heeft de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) het Centraal Administratie Kantoor (CAK) te Den Haag aangewezen als rechtspersoon die de eigen bijdrage Wmo vaststelt en int. Het CAK heeft als taak eigen bijdragen vast te stellen en te innen voor maatwerkvoorzieningen die in natura worden toegekend en voor voorzieningen waarvoor een persoonsgebonden budget wordt verstrekt. Het CAK geeft toepassing aan het anti-cumulatie beginsel.

Hoofdstuk 14 HERZIENING, INTREKKING en TERUGVORDERING

Het Dagelijks bestuur kan het besluit op grond waarvan het pgb of maatwerkvoorziening is verstrekt, intrekken in de onder artikel 2.3.10, eerste lid, onder a tot en met e, van de Wmo 2015 genoemde gevallen. Door de intrekking van het besluit komt de rechtsgrond van de verstrekking te vervallen. Dit kan - indien van toepassing – met terugwerkende kracht.

In artikel 2.4.1 tot en met 2.4.4 van de Wmo 2015 zijn regels voor het verhaal van kosten opgenomen en is de bevoegdheid aan het Dagelijks bestuur gegeven tot het (in geldswaarde) terugvorderen van een ten onrechte verstrekte maatwerkvoorziening of pgb.

Terugvordering en verhaal is in principe alleen mogelijk wanneer de aanvrager opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt. Of van degene die opzettelijk medewerking heeft verleend aan de verstrekking van deze onjuiste of onvolledige gegevens (art 2.4.1 lid 1 Wmo). Het Dagelijks Bestuur kan in die gevallen het terug te betalen bedrag bij dwangbevel invorderen. Hierbij is tevens bepaald dat het terugvorderingsbesluit een executoriale titel oplevert in de zin van het Tweede Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Door de formulering van artikel 2.4.1 Wmo 2015 is terugvordering alleen mogelijk in het geval een besluit is ingetrokken. Indien een besluit wordt herzien, bestaat er dus geen mogelijkheid om het eventueel teveel verstrekte terug te vorderen. De gemeente zal dan terug moeten vallen op de bepalingen van het burgerlijk recht.

In artikel 2.3.10 lid 1 Wmo 2015 worden een aantal gronden voor intrekking of herziening genoemd, maar dus slechts op één grond kan teruggevorderd worden. Uit de artikelsgewijze toelichting op artikel 2.4.1 blijkt echter dat daarnaast de mogelijkheid blijft bestaan om maatwerkvoorzieningen terug te vorderen. In die overige gevallen is titel 4.4 (Bestuursrechtelijke geldschulden) uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. Art. 4:85, eerste lid, onder b, Awb bepaalt dat titel 4.4 van toepassing is op geldschulden die voortvloeien uit een besluit dat vatbaar is voor bezwaar of beroep.

14.1 Terugvorderingsgronden

Het Dagelijks bestuur kan de op grond van de verordening overgaan tot terugvordering in de situaties zoals genoemd in artikel 9 van de verordening;

  • Onterecht verstrekt: het pgb is geheel of gedeeltelijk onterecht verstrekt omdat de aanvrager (bij nader inzien) niet aan de voorwaarden voldoet om voor de maatwerkvoorziening en/of het pgb in aanmerking te komen;

  • Wijziging omstandigheden: er zijn veranderingen in de leefsituatie (bijvoorbeeld verhuizing) of de ondervonden beperkingen (bijvoorbeeld door wijziging gezondheidssituatie) van de aanvrager waardoor deze niet langer in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening of die leiden tot een lager pgb;

  • Anders besteed: er is budget besteed maar de gerealiseerde ondersteuning is anders dan in de toekenning staat omschreven. Bijvoorbeeld het aantal gerealiseerde uren hulp bij het huishouden is verschillend of de specificaties van het aangeschafte hulpmiddel zijn anders. Of er zijn kosten waarvan het de vraag is of die wel/niet uit het budget betaald kunnen worden. Het pgb gaat er van uit dat de budgethouder binnen kaders tot een eigen invulling kan komen om de ondervonden beperkingen te compenseren. De bestedingsmogelijkheden zijn afhankelijk van hoe strikt de besteding bij de toekenning is omschreven.

Overwegingen afzien van terugvordering

Of bij een mogelijke grondslag voor terugvordering daadwerkelijk daartoe wordt overgegaan, is mede afhankelijk van de beoordeling van de specifieke situatie. Daarbij spelen ook overwegingen van redelijkheid en billijkheid een rol. Redelijkheid en billijkheid behelzen de sociaal aanvaardbare normen zoals ze door het gewoonterecht, ongeschreven recht of algemene rechtsbeginselen zijn geformuleerd.

Er kunnen omstandigheden zijn waardoor het Dagelijks Bestuur afziet van een terugvordering. Afwegingspunten hierbij zijn:

  • Terugvorderingsbedrag tot € 100,-

    Op grond van kosten-baten kan worden afgezien van terugvordering indien het terug te vorderen bedrag niet meer bedraagt dan € 100,-

  • Verwijtbaarheid

    Heeft de aanvrager schuld aan de situatie waarin mogelijk terugvordering aan de orde is? Is zelfs sprake van opzet en mogelijk fraude of juist van overmacht: zijn er omstandigheden die niet te voorkomen waren of die door anderen dan de aanvrager zijn ontstaan?

  • Kunnen weten

    Had de aanvrager ‘redelijkerwijs’ kunnen weten dat een situatie ontstond die niet aan de (pgb-) voorwaarden voldoet? Of kon hij dat niet weten omdat hij daarover niet vooraf geïnformeerd was?

  • Dringende redenen

    Van dringende reden kan sprake zijn indien de consequenties van een terugvordering voor degene van wie teruggevorderd wordt, financieel, sociaal of psychisch onaanvaardbaar zijn.

  • Verhuizing

    De aanvrager heeft met een pgb een rolstoel gekocht en verhuist naar een andere gemeente. Mogelijk kan met de nieuwe woongemeente een regeling worden getroffen over de resterende toekenningsperiode.

14.2 Terugvordering van pgb’s

Deze terugvorderingsregels gaan alleen over de terugvorderingen die rondom de toekenning en besteding van het pgb kunnen ontstaan. Geldstromen tussen de SVB en het Dagelijks Bestuur onderling vallen hier buiten.

  • De pgb houder heeft een eigen verantwoordelijkheid voor de rechtmatige inkoop van zorg en betalingen ten laste van het toegekende budget. Als er wordt over gegaan tot herziening/intrekking en/of terugvordering is van groot belang of de pgb-houder in staat is gesteld deze verantwoordelijkheid te nemen, bijvoorbeeld middels goede informatievoorziening en budget(uitputtings)overzichten;

  • Het Dagelijkst bestuur is verantwoordelijk voor de zorginhoudelijke toetsing van overeenkomsten en de toekenning van pgb’s. Zij zijn verantwoordelijk voor terugvordering als betalingen niet aan de getoetste inhoud voldoen.

  • De zorgverlener is verantwoordelijk voor het leveren van de contractueel overeengekomen zorg aan de pgb-houder. Zolang de zorgverlener de contractueel overeengekomen zorg heeft geleverd en daarvoor is betaald, kan die niet aangesproken worden op het leveren van onrechtmatige zorg, tenzij de zorgverlener aantoonbaar had kunnen weten dat de geleverde zorg niet voldoet aan de eisen in de Wmo.

  • Zolang de zorginhoudelijke toetsing van een zorgovereenkomst door het Dagelijks Bestuur niet heeft plaatsgevonden kan een pgb-houder niet aangesproken worden op het inkopen van zorg die inhoudelijk buiten de pgb regels valt, mits de pgb-houder aantoonbaar hiervan op de hoogte had kunnen zijn. M.a.w. de zorgovereenkomsten moeten na ontvangst snel beoordeeld worden.

Terugvorderen is een juridische procedure om situaties waarbij onrechtmatige gelden zijn uitbetaald of onrechtmatig voordeel is verkregen (in de vorm van diensten of goederen) te herstellen en daar waar mogelijk weer terug te brengen naar de rechtmatige staat. In de praktijk kan er op verschillende manieren invulling gegeven worden aan terugvorderen:

  • het treffen van een betalingsregeling (bijvoorbeeld stortingen door de pgb-houder in zijn budget bij de SVB);

  • verrekenen van vorderingen. In het stelsel van trekkingsrechten is dit juridisch gesproken complex vanwege de driehoeksrelatie pgb-houder-betaler-zorgverlener. Voor verrekenen zijn vorderingen nodig die tegen elkaar weggestreept moeten kunnen worden, maar de pgb-houder is niet degene die eerder de betaling op basis van een vordering (declaratie) ontvangen heeft. In de praktijk kan verrekenen alleen toegepast worden door de SVB, in situaties waarin door een kennelijke administratieve fout teveel is betaald aan de zorgverlener (bijvoorbeeld een factuur die dubbel betaald is, of een noodbetaling die een reguliere betaling heeft gekruist);

  • vorderen van betalingen. De pgb-houder wordt te kennen gegeven dat de verstrekker aanspraak maakt op een bedrag, de pgb-houder heeft een schuld.

  • invorderen van betalingen. Er wordt een incassoprocedure gestart om de aanspraak te effectueren.

Welke partij een geldsom bij een andere partij kan terugvorderen en de wijze waarop wordt onder andere bepaald door de onderlinge juridische relatie. Als er sprake is van een publiekrechtelijke relatie (overheidsonderdelen onderling of overheid versus burger) kan de geldsom d.m.v. een bestuursrechtelijk besluit worden teruggevorderd. Bij een privaatrechtelijke relatie (burgers onderling, waarbij de overheid niet op basis van een wettelijke regeling handelt) zal een civiele procedure gevolgd moeten worden.

HOOFDSTUK 15 Tegemoetkoming meerkosten

15.1 Tegemoetkoming meerkosten

De Wmo kende altijd een tegemoetkoming in de meerkosten. In de Wmo 2015 kan een maatwerkvoorziening niet meer in de vorm van een financiële tegemoetkoming worden verstrekt. Artikel 2.1.7 Wmo 2015 biedt echter wel de mogelijkheid dat het Dagelijks Bestuur bepaald dat aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming kan worden verstrekt ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie.

Een tegemoetkoming kan worden verstrekt voor verhuis- en inrichtingskosten, bezoekbaar en logeerbaar maken van de woning, bepaalde vervoerskosten, tijdelijke huisvesting, huurderving

De bedragen voor tegemoetkomingen voor verschillende soorten voorzieningen zijn opgenomen in de Verordening.

15.2 Heroverweging

Het Dagelijks Bestuur onderzoekt periodiek of er aanleiding is om de beslissing tot een maatwerkvoorziening te heroverwegen. Bij de heroverweging wordt een onderscheid gemaakt tussen twee aspecten: passendheid en handhaving.

Passendheid

De gemeente kan de beschikking inhoudelijk opnieuw bekijken om te bepalen of de gegeven ondersteuning (nog steeds) goed aansluit bij de behoefte van de cliënt, en of deze ondersteuning efficiënt is. De gemeente kan dit doen door geen langlopende indicaties af te geven. Hiermee wordt periodiek bezien of de indicatie die iemand heeft -en daarmee zijn pgb- nog past bij zijn individuele situatie;

Handhaving (persoonsgebonden budget)

In de Verordening maatschappelijke ondersteuning is bepaald dat het Dagelijks bestuur uit oogpunt van kwaliteit van geleverde zorg (al dan niet steekproefsgewijs) de bestedingen van pgb’s kan onderzoeken. Het periodiek heroverwegen van de beschikking is een middel om fraude en oneigenlijk gebruik tegen te gaan.

15.3 Regresrecht

Op 1 januari 2015 is het regresrecht in de Wmo ingevoerd. Dit recht geeft gemeenten de bevoegdheid om Wmo-kosten te verhalen die het gevolg zijn van een ongeval waarvoor iemand aansprakelijk is. In de periode 2015 – 2018 heeft de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) een overeenkomst met het Verbond van Verzekeraars afgesloten over een door verzekeraars te betalen afkoopsom voor de schade (afkoop regresrecht).

Het Verbond van Verzekeraars heeft besloten de overeenkomst afkoop regresrecht met de VNG na 2018 niet te verlengen, dit betekent dat de gemeenten na 1 januari 2019 zelf de kosten moeten verhalen op aansprakelijkheidsverzekeraars.

Ondertekening

Het dagelijks bestuur van de ISD Bollenstreek heeft op 16 december 2021 deze Uitvoeringsregels vastgesteld.

D.T.C. Salman

voorzitter

mr. R.J. ‘t Jong

secretaris

BIJLAGE 1 Gebruikelijke hulp

Algemeen

Vanuit de Wmo 2015 kan een maatwerkvoorziening worden toegekend aan mensen die ondersteuning nodig hebben bij hun zelfredzaamheid en/of participatie. Een maatwerkvoorziening wordt alleen toegekend als men niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorger of met hulp van andere personen uit het sociale netwerk voldoende zelfredzaam is of in staat is tot participatie. Tijdens het onderzoek wordt dus onderzocht of er gebruikelijke hulp beschikbaar is. Gebruikelijk hulp is in de Wmo 2015 gedefinieerd als “hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten”. Gebruikelijke hulp wordt verwacht van de personen met wie gezamenlijk een huishouden wordt gevoerd. Dat betekent dat van huisgenoten wordt verwacht dat, bij uitval van één van leden van die leefeenheid, gestreefd wordt naar een herverdeling van de huishoudelijke taken. De invulling van de gebruikelijke hulp mag de leefeenheid zelf bepalen. Zo kan er ook gekozen worden om zelf hulp in te huren in plaats van deze zelf te bieden.

Tijdens het onderzoek wordt niet alleen gekeken of er huisgenoten aanwezig zijn maar ook of na onderzoek is gebleken dat zij in staat zijn om te helpen en of er sprake is van (dreigende) overbelasting van deze huisgenoten. Er wordt geen rekening mee gehouden of iemand het een taak niet wil doen of al dan niet gewend is te doen. Bij huishoudelijke werkzaamheden kan er eventueel tijdelijk een indicatie afgegeven worden voor advies, instructie, voorlichting (AIV) gericht op het huishouden, waarbij de taken niet worden overgenomen maar via instructies gestuurd.

Wanneer de vaststelling van gebruikelijke zorg en daarmee het niet indiceren van een voorziening vanuit objectief en professioneel standpunt van de consulent leidt tot kennelijke onredelijkheid en\of onbillijkheid gezien de situatie van de zorgvrager, kan en moet de consulent, onder het weergeven van de motivatie hiertoe, afwijken van deze richtlijn. Of er sprake is van gebruikelijke zorg, en in hoeverre die kan en dient te worden ingezet, zal dus altijd in het individuele geval worden bezien en er zal altijd een individuele afweging plaats moeten vinden.

Gebruikelijke zorg ouders

Ouders hebben een zorgplicht voor hun kinderen. De ouders zorgen voor de opvoeding van hun kinderen. Dit houdt in: het zorgen voor hun geestelijk en lichamelijk welzijn en het bevorderen van de ontwikkeling van hun persoonlijkheid (en naar draagkracht voorzien in de kosten van dit alles). Deze zorgplicht strekt zich uit over opvang, verzorging, begeleiding en opvoeding die een ouder (of verzorger), onder meer afhankelijk van de leeftijd en verstandelijke ontwikkeling van het kind, normaal gesproken geeft aan een kind, inclusief de zorg bij kortdurende ziekte. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke zorg voor de kinderen over. Gebruikelijke zorg voor kinderen omvat in ieder geval de aanwezigheid van een verantwoordelijke ouder of derde persoon conform de leeftijd en ontwikkeling van het kind.

Van ouders wordt verwacht maximaal te zoeken naar eigen oplossingen. Dit geldt ook bij uitval van de ouder in een éénoudergezin- of als beide ouders beperkingen ondervinden in de opvang en verzorging van de kinderen. Indien nodig dient de ouder gebruik te maken van de relevante regeling voor zorgverlof. De indicatiesteller onderzoekt, in geval er mantelzorg aanwezig is, wat in redelijkheid met mantelzorg kan worden opgevangen. Is dit niet mogelijk, dan dient de ouder gebruik te maken van (een combinatie van) crèche, opvang op school, buitenschoolse opvang, gastouder en dergelijke (de zogenaamde algemeen gebruikelijke en/of voorliggende voorzieningen). Het verplichte gebruik van alternatieve opvangmogelijkheden voor kinderen is redelijk, onafhankelijk van de financiële omstandigheden. Voor verzorging van de kinderen kan er, zo nodig, wel een Wmo-recht op compensatie zijn (zie bijlage 1 en 2).

Gebruikelijke hulp inwonend kind

Bij gebruikelijke hulp van een inwonend kind moet rekening worden gehouden met de mogelijkheden van dat kind om bij te dragen. Hierbij wordt rekening gehouden met o.a. de leeftijd, ontwikkelingsfase en feitelijke mogelijkheden van het kind. De inzet mag niet ten koste gaan van het welbevinden en ontwikkeling (waaronder schoolprestaties) van het kind. Onder de 18 jaar wordt men verondersteld te helpen bij het huishouden. Dan gaat het om 'hand- en spandiensten', zoals het bijhouden van de eigen kamer, het helpen dekken van de tafel, het helpen bij de afwas enzovoorts.

Studie of werkzaamheden vormen in principe geen reden om van gebruikelijke hulp af te zien. Bij werkenden wordt in beginsel geen rekening gehouden met zeer drukke werkzaamheden en (zeer) lange werkweken. Immers, iedereen die werkt of studeert zal naast zijn werk en hobby's het huishouden moeten doen of hier eigen oplossingen voor moeten zoeken (zoals het inhuren van particuliere hulp).Vanaf 18 jaar wordt een kind verondersteld in verband met studie op kamers te kunnen wonen en een eenpersoonshuishouden te kunnen draaien. Vanaf 23 jaar wordt men verondersteld een volledig huishouden te kunnen draaien.

Uitzonderingen gebruikelijke hulp

Er zijn situaties denkbaar waar gebruikelijke hulp niet geleverd kan worden. Bijvoorbeeld wanneer iemand vanwege werk langdurig van huis is. Dan is men feitelijk niet in staat het huishoudelijk werk over te nemen en gebruikelijke hulp te bieden. Het gaat dan om afwezigheid met een verplichtend karakter. Te denken valt aan chauffeurs die op het buitenland rijden, medewerkers in de off-shore of marinemensen die maanden achtereen van huis zijn en die door weigering van hulp indirect gedwongen worden een andere functie te zoeken. Wel kan verwacht worden dat de huisgenoot met zijn werkgever bespreekt welke mogelijkheden er zijn om toch de gebruikelijke hulp te kunnen leveren. Te denken valt bijvoorbeeld aan het opnemen van zorgverlof. In alle situaties waarbij sprake is van een eigen keuze, zal met de afwezigheid geen rekening worden gehouden. Dat zal per situatie beoordeeld worden.

Niet-inwonende kinderen vallen niet onder de definitie van huisgenoot. Natuurlijk kunnen zij als mantelzorger ook een helpende hand bieden. Per casus moet onderzocht worden of deze mantelzorg voldoende is voor de aanvrager om voldoende zelfredzaam te zijn of in staat te zijn tot participatie.

Richtlijn bij (dreigende) overbelasting van partner, ouder, volwassen kind en/of andere huisgenoten

Soms is het bieden van hulp aan en zorgen voor een kind, partner of andere inwonende huisgenoot zo zwaar dat sprake is van overbelasting. Er is dan geen of beperkt evenwicht meer tussen draagkracht (=belastbaarheid) en draaglast (=belasting), vaak gekenmerkt door fysieke en/of psychische klachten van de huisgenoot. Vaak is het overnemen van de bovengebruikelijke zorg voldoende om dit evenwicht te herstellen, zodat deze gebruikelijke hulp geboden kan blijven worden. In de gevallen waar ook de gebruikelijke hulp door (dreigende) overbelasting niet of beperkt geboden kan worden kan deze gebruikelijk hulp volledig of deels geïndiceerd worden binnen de maatwerkvoorziening Wmo indien er geen andere oplossingen mogelijk zijn. Voor het bieden van een beschermende woonomgeving blijven ouders, ook bij overbelasting, zelf verantwoordelijk.

Beoordeling van overbelasting

De feitelijke situatie is het uitgangspunt bij het vaststellen of en in welke mate er gebruikelijke hulp geboden kan worden of dat er juist sprake is van (dreigende) overbelasting. De vraag is dus of in individuele situaties er sprake is van een uitzondering op grond waarvan toch gebruikelijke zorgtaken moeten worden overgenomen.

Factoren van belang voor het onderzoeken van de draagkracht zijn o.a.:

  • Persoonskenmerken van de huisgenoot

  • Lichamelijke en geestelijke conditie van de huisgenoot

  • Andere activiteiten van de huisgenoot

  • Wijze van omgaan met de problemen

  • Motivatie voor de hulptaak

  • Het sociaal netwerk

Factoren van belang voor het onderzoeken van de draaglast zijn o.a.:

  • Persoonskenmerken van de hulpvrager

  • Benodigde ondersteuningsintensiteit

  • Omvang en (on)planbaarheid van de taken

  • Ziektebeeld en prognose

  • Inzicht in het ziektebeeld van de hulpvrager

  • Woonsituatie

  • Bijkomende sociale, emotionele of relationele omstandigheden

Om deze factoren te kunnen onderzoeken moet vaak degene die de gebruikelijke hulp moet verlenen zelf ook gehoord worden. Indien nodig kan ook medisch advies worden opgevraagd of kan toestemming gevraagd worden om contact op te nemen met de huisarts. Steeds moet duidelijk zijn hoe de overbelasting zich uit en wat deze inhoudt. Er moet een verband zijn tussen de overbelasting en de hulp die iemand biedt. De met de overbelasting gepaard gaande klachten moeten duidelijk beschreven worden. Er zijn landelijk diverse vragenlijsten beschikbaar, zoals EDIZ, EDIZ-plus, CRA-D en CSI die indien gewenst gebruikt kunnen worden om het onderzoek naar de belastbaarheid van de huisgenoot verder te onderbouwen. Een eventuele vragenlijst maakt altijd onderdeel uit van het brede onderzoek naar factoren die van belang zijn voor het bepalen van de draagkracht/draaglast.

Bij (dreigende) overbelasting wordt daarnaast in het onderzoek ook gekeken naar andere oplossingen die kunnen bijdragen aan het verbeteren van het evenwicht van de draagkracht/draaglast. Te denken valt aan ondersteuning door een vrijwilliger en coaching door een mantelzorgcoach maar ook aan het herinrichten van het huiselijk leven en/of werk waardoor de belasting minder wordt. Er kan van de huisgenoot worden gevraagd aanpassingen te doen in dit huiselijk leven en/of werk wanneer dit huiselijk leven en/of werk bijdragen aan de overbelasting. Wanneer de geldigheidsduur van de indicatie verlopen is en een herindicatie wordt aangevraagd, zal worden gekeken of en welke inspanningen zijn gedaan om de overbelasting terug te dringen.

Een maatwerkvoorziening ter vervanging van de gebruikelijke hulp van de overbelaste huisgenoot kan niet worden ingevuld door middel van een PGB dat vervolgens uitgevoerd wordt door de overbelaste huisgenoot of mantelzorger. Doel van de indicatie is immers het ontlasten van de huisgenoot door het door anderen laten uitvoeren van de gebruikelijke hulp. Daarnaast wordt ook onderzocht of de aanvrager een indicatie voor Zvw-persoonlijke verzorging en verpleging heeft. Wanneer deze zorg door de partner, ouder, volwassen kind en/of andere huisgenoot zelf wordt geleverd via een PGB, kan dit een reden zijn voor (dreigende) overbelasting. De overbelasting kan in dit geval worden verminderd wanneer de mantelzorger in plaats van zelf de persoonlijke verzorging te leveren, deze inkoopt in de vorm van zorg in natura door een thuiszorgaanbieder. Deze oplossing is voorliggend aan een maatwerkvoorziening.

Mantelzorg

In de Wmo 2015 wordt mantelzorg omschreven als hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep. Deze definitie sluit aan bij de definitie van het SCP: “Mantelzorg is alle hulp aan een hulpbehoevende door iemand uit diens directe sociale omgeving. Ook minder intensieve hulp, de hulp aan huisgenoten en de hulp aan instellingsbewoners zijn meegenomen. Mantelzorg is hulp die verder gaat dan de zogenoemde ‘gebruikelijke hulp’”. Verschil met vrijwilligerszorg is dat vrijwilligers ervoor kiezen om te zorgen. Vaak is er (nog) geen emotionele band. Vrijwilligers verlenen hun zorg voor een beperkt aantal uren en kunnen hier op eigen initiatief mee stoppen.

Bij het onderzoek naar de maatwerkvoorziening worden ook de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn het sociale netwerk te komen tot verbetering van de zelfredzaamheid of participatie of te voorzien in de behoefte aan beschermd wonen of opvang. Als deze mogelijkheden er zijn kan dit leiden tot afwijzing of aanpassing van de gevraagde voorziening. Zoals onder A omschreven is maken uitwonende kinderen geen deel meer uit van het huishouden van de aanvrager en zijn daarom ook niet verplicht gebruikelijke hulp te bieden. Wel kan besproken worden of niet-inwonende kinderen (op vrijwillige basis) een helpende hand kunnen bieden. En daarmee een oplossing kunnen bieden voor de problematiek van de aanvrager. Mantelzorg is, anders dan gebruikelijke hulp, echter niet afdwingbaar.

Gebruikelijke zorg bij hulp bij het huishouden

Binnen een leefeenheid is het gebruikelijk dat men gezamenlijk verantwoordelijk is voor het huishoudelijk werk. Dat betekent dat indien degene die gewend is het huishoudelijk werk te doen hiertoe niet meer in staat is, andere leden van de leefeenheid verondersteld worden dit over te nemen. Omdat het bij Hulp bij het Huishouden en dan met name bij de lichte, zware en waswerkzaamheden veelal gaat om uitstelbare taken is dit in de meeste gevallen geen probleem. Alleen als schoonmaken niet kan blijven liggen (regelmatig geknoeide vloeistoffen en eten) zal dat direct moeten gebeuren. Hier zal dan ondanks de gedeeltelijk gebruikelijke zorg wel voor geïndiceerd worden. Dat kan dus gaan om maximaal 40 uur, bij een 40-urige werkweek, plus de noodzakelijke reistijden.

Indien het gaat om een hulpvraag waarvan door degene die de indicatie stelt objectief is vastgesteld dat die valt onder de eigen verantwoordelijkheid van het huishouden voor gebruikelijke zorg, is er in principe geen indicatie voor hulp bij het huishouden.

De overname van taken door andere leden van de leefeenheid heeft een verplichtend karakter en betreft in ieder geval alle huisgenoten ouder dan 18 jaar. De volgende leeftijdsdifferentiatie wordt aangehouden:

  • Vanaf 18 jaar wordt men verondersteld in verband met studie op kamers te kunnen wonen en een eenpersoonshuishouden te kunnen draaien.

  • Vanaf 23 jaar wordt men verondersteld een volledig huishouden te kunnen draaien.

  • Onder 18 jaar wordt men verondersteld te helpen bij het huishouden, zoals het bijhouden van de eigen kamer, het helpen dekken van de tafel, het helpen bij de afwas, stofzuigen, enz. Ook met deze activiteiten wordt rekening gehouden bij de indicatie.

  • Kinderen tot 5 jaar worden daarentegen geacht in het geheel geen bijdrage te kunnen leveren aan het huishouden.

Voor wat betreft kinderen onder de 18 jaar wordt er bij de indicatie, afhankelijk van hun leeftijd en psychosociaal functioneren, uitgegaan van de volgende bijdrage aan het huishouden:

  • Kinderen tussen 5-12 jaar worden naar hun eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden als opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, boodschap doen, kleding in de wasmand gooien.

  • Kinderen vanaf 13 jaar kunnen, naast bovengenoemde taken hun eigen kamer op orde houden, dat wil zeggen rommel opruimen, stofzuigen, bed verschonen.

Er wordt geen rekening mee gehouden of men het verrichten van huishoudelijke taken al dan niet wil of al dan niet gewend is te doen. In situaties dat personen uit de leefeenheid die nog nooit huishoudelijk werk hebben gedaan, dit niet kunnen, kan via een tijdelijke indicatie hulp geboden worden bij het aanleren hiervan. De taak wordt dan niet overgenomen maar via instructies gestuurd. Dit kan het geval zijn bij aanvragen in geval van acute situaties, waarbij gebruikelijke zorg wel aanwezig is, maar nog niet direct kan worden ingezet. Afhankelijk van de situatie kan gedurende maximaal 3 maanden hulp bij het huishouden worden toegekend. De duur van toekenning en de omvang van de hulp is afhankelijk van de individuele situatie, waaronder:

  • De omvang van de hulp die men ontving voor de herindicatie (redelijke afbouwregeling);

  • De te verwachten redelijke termijn waarbinnen de gebruikelijke zorg geëffectueerd kan worden.

Zoals eerder is omschreven vormen studie of werk in principe geen reden om van gebruikelijke hulp af te zien. Ook ouderen die in staat zijn tot het verrichten van huishoudelijk werk vallen onder de gebruikelijke zorg. Een (zeer) hoge leeftijd kan in omstandigheden aanleiding zijn niet te vragen het huishoudelijk werk aan te leren.

Personen die niet tot leefeenheid worden gerekend zijn:

  • personen die een (pension)kamer huren. Het moet dan gaan om personen die in generlei familiebetrekking staan tot elkaar en er moet daadwerkelijk een huurovereenkomst liggen. In die situaties worden overigens de werkzaamheden ten aanzien van de huurder door de verhuurder als zijnde beroepsmatig niet geïndiceerd.

  • Personen woonachtig in een kloostergemeenschap. Bij kloostergemeenschappen is wel sprake van een leefeenheid, maar is over het algemeen een taakverdeling, die zich niet leent voor overname. In die situatie kan wel geïndiceerd worden voor bijvoorbeeld het schoonmaken van de eigen kamer indien men dit niet zelf meer kan. Gemeenschappelijke ruimten die kenmerkend zijn voor kloosters kunnen niet worden geïndiceerd, omdat zij het niveau sociale woningbouw te boven gaan (bibliotheken, gebedsruimten, gemeenschapsruimten, refters) en behoren tot de eigen verantwoordelijkheid van de gemeenschap.

Is er geen sprake van gebruikelijke zorg, dan dient de omvang van de hulp bij het huishouden te worden vastgesteld. Hiervoor moet bepaald worden welke activiteiten de hulpvrager zelf niet kan uitvoeren en welke normtijden hiervoor gelden. Het in bijlage 3 aangegeven normenkader is geldend.

Structurele opvang van kinderen is geen Wmo-zorg. Niet-structurele opvang van kinderen kan alleen bij ontwrichting of calamiteiten tijdelijk tot een indicatie leiden. Zijn alle eigen mogelijkheden al maximaal gebruikt of juist afwezig, of is er slechts kortdurend overbrugging nodig in noodgevallen, dan kan Hulp bij het huishouden worden ingezet. Verzorging van kinderen kan conform de leeftijd geïndiceerd worden. Bij het vaststellen van de

indicatieduur wordt rekening gehouden met de leeftijdsfase van kinderen, zoals beschreven in de bijlage gebruikelijke zorg voor kinderen per levensfase. Bij echtscheiding vervalt het samenwonen en daarmee dus ook de gebruikelijke zorg voor het huishouden, maar niet de zorgplicht van ouders voor hun kinderen. Bij het onderzoek naar opvangmogelijkheden bij de niet thuiswonende ouder wordt rekening gehouden met eventueel voor de rechtbank vastgelegde afspraken hierover.

Tot slot geldt dat personen woonachtig in een (particuliere) instelling op basis van een indicatie anders dan de Wmo in principe geen indicatie vanuit de Wmo ontvangen voor hulp bij het huishouden. De hulp bij het huishouden maakt deel uit van de indicatie of de aanvrager wordt door de indicatiesteller in staat geacht de huishoudelijke taak zelf uit te voeren. Alleen als de hulp niet geïndiceerd/gefinancierd is of geïndiceerd/gefinancierd kan worden kan mogelijk een Wmo indicatie volgen. Het gaat hier uitsluitend om het eigen appartement/kamer. Dit geldt ook voor door de instelling verzorgde wasverzorging of maaltijdverzorging.

BIJLAGE 2 Protocol gebruikelijke zorg Hulp bij het huishouden

In bijlage 1 wordt een algemene omschrijving gegeven van de begrippen gebruikelijke zorg, overbelasting en mantelzorg. Deze bijlage gaat specifiek in op gebruikelijke hulp in het kader van de Hulp bij het Huishouden.

Binnen een leefeenheid is het gebruikelijk dat men gezamenlijk verantwoordelijk is voor het huishoudelijk werk. Dat betekent dat indien degene die gewend is het huishoudelijk werk te doen hiertoe niet meer in staat is, andere leden van de leefeenheid verondersteld worden dit over te nemen. Omdat het bij Hulp bij het Huishouden en dan met name bij de lichte, zware en waswerkzaamheden veelal gaat om uitstelbare taken is dit in de meeste gevallen geen probleem. Alleen als schoonmaken niet kan blijven liggen (regelmatig geknoeide vloeistoffen en eten) zal dat direct moeten gebeuren. Hier zal dan ondanks de gedeeltelijk gebruikelijke zorg wel voor geïndiceerd worden. Dat kan dus gaan om maximaal 40 uur, bij een 40-urige werkweek, plus de noodzakelijke reistijden.

Indien het gaat om een hulpvraag waarvan door degene die de indicatie stelt objectief is vastgesteld dat die valt onder de eigen verantwoordelijkheid van het huishouden voor gebruikelijke zorg, is er in principe geen indicatie voor hulp bij het huishouden.

De overname van taken door andere leden van de leefeenheid heeft een verplichtend karakter en betreft in ieder geval alle huisgenoten ouder dan 18 jaar. De volgende leeftijdsdifferentiatie wordt aangehouden:

  • Vanaf 18 jaar wordt men verondersteld in verband met studie op kamers te kunnen wonen en een eenpersoonshuishouden te kunnen draaien.

  • Vanaf 23 jaar wordt men verondersteld een volledig huishouden te kunnen draaien.

  • Onder 18 jaar wordt men verondersteld te helpen bij het huishouden, zoals het bijhouden van de eigen kamer, het helpen dekken van de tafel, het helpen bij de afwas, stofzuigen, enz. Ook met deze activiteiten wordt rekening gehouden bij de indicatie.

  • Kinderen tot 5 jaar worden daarentegen geacht in het geheel geen bijdrage te kunnen leveren aan het huishouden.

Voor wat betreft kinderen onder de 18 jaar wordt er bij de indicatie, afhankelijk van hun leeftijd en psychosociaal functioneren, uitgegaan van de volgende bijdrage aan het huishouden:

  • Kinderen tussen 5-12 jaar worden naar hun eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden als opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, boodschap doen, kleding in de wasmand gooien.

  • Kinderen vanaf 13 jaar kunnen, naast bovengenoemde taken hun eigen kamer op orde houden, dat wil zeggen rommel opruimen, stofzuigen, bed verschonen.

Er wordt geen rekening mee gehouden of men het verrichten van huishoudelijke taken al dan niet wil of al dan niet gewend is te doen. In situaties dat personen uit de leefeenheid die nog nooit huishoudelijk werk hebben gedaan, dit niet kunnen, kan via een tijdelijke indicatie hulp geboden worden bij het aanleren hiervan. De taak wordt dan niet overgenomen maar via instructies gestuurd. Dit kan het geval zijn bij aanvragen in geval van acute situaties, waarbij gebruikelijke zorg wel aanwezig is, maar nog niet direct kan worden ingezet. Afhankelijk van de situatie kan gedurende maximaal 3 maanden hulp bij het huishouden worden toegekend. De duur van toekenning en de omvang van de hulp is afhankelijk van de individuele situatie, waaronder:

  • De omvang van de hulp die men ontving voor de herindicatie (redelijke afbouwregeling);

  • De te verwachten redelijke termijn waarbinnen de gebruikelijke zorg geëffectueerd kan worden.

Zoals eerder is omschreven vormen studie of werk in principe geen reden om van gebruikelijke hulp af te zien. Ook ouderen die in staat zijn tot het verrichten van huishoudelijk werk vallen onder de gebruikelijke zorg. Een (zeer) hoge leeftijd kan in omstandigheden aanleiding zijn niet te vragen het huishoudelijk werk aan te leren.

Onder personen die lid zijn van de leefeenheid worden tevens niet verstaan:

  • personen die een (pension)kamer huren. Het moet dan gaan om personen die in generlei familiebetrekking staan tot elkaar en er moet daadwerkelijk een huurovereenkomst liggen. In die situaties worden overigens de werkzaamheden ten aanzien van de huurder door de verhuurder als zijnde beroepsmatig niet geïndiceerd.

  • Personen woonachtig in een kloostergemeenschap. Bij kloostergemeenschappen is wel sprake van een leefeenheid, maar is over het algemeen een taakverdeling, die zich niet leent voor overname. In die situatie kan wel geïndiceerd worden voor bijvoorbeeld het schoonmaken van de eigen kamer indien men dit niet zelf meer kan. Gemeenschappelijke ruimten die kenmerkend zijn voor kloosters kunnen niet worden geïndiceerd, omdat zij het niveau sociale woningbouw te boven gaan (bibliotheken, gebedsruimten, gemeenschapsruimten, refters) en behoren tot de eigen verantwoordelijkheid van de gemeenschap.

Is er geen sprake van gebruikelijke zorg, dan dient de omvang van de hulp bij het huishouden te worden vastgesteld. Hiervoor moet bepaald worden welke activiteiten de hulpvrager zelf niet kan uitvoeren en welke normtijden hiervoor gelden. Het in bijlage 3 aangegeven normenkader is geldend.

Structurele opvang van kinderen is geen Wmo-zorg. Niet-structurele opvang van kinderen kan alleen bij ontwrichting of calamiteiten tijdelijk tot een indicatie leiden. Zijn alle eigen mogelijkheden al maximaal gebruikt of juist afwezig, of is er slechts kortdurend overbrugging nodig in noodgevallen, dan kan Hulp bij het huishouden worden ingezet. Verzorging van kinderen kan conform de leeftijd geïndiceerd worden. Bij het vaststellen van de

indicatieduur wordt rekening gehouden met de leeftijdsfase van kinderen, zoals beschreven in de bijlage gebruikelijke zorg voor kinderen per levensfase. Bij echtscheiding vervalt het samenwonen en daarmee dus ook de gebruikelijke zorg voor het huishouden, maar niet de zorgplicht van ouders voor hun kinderen. Bij het onderzoek naar opvangmogelijkheden bij de niet thuiswonende ouder wordt rekening gehouden met eventueel voor de rechtbank vastgelegde afspraken hierover.

Tot slot geldt dat personen woonachtig in een (particuliere) instelling op basis van een indicatie anders dan de Wmo in principe geen indicatie vanuit de Wmo ontvangen voor hulp bij het huishouden. De hulp bij het huishouden maakt deel uit van de indicatie of de klant wordt door de indicatiesteller in staat geacht de huishoudelijke taak zelf uit te voeren. Alleen als de hulp niet geïndiceerd/gefinancierd is of geïndiceerd/gefinancierd kan worden kan mogelijk een Wmo indicatie volgen. Het gaat hier uitsluitend om het eigen appartement/kamer. Dit geldt ook voor door de instelling verzorgde wasverzorging of maaltijdverzorging.

BIJLAGE 3 Handreiking normering hulp bij het huishouden

Normenkader

Het vaststellen van de tijd/taken/frequenties van de taken binnen de Hulp bij het Huishouden vindt zijn basis in de normenkader Huishoudelijke Ondersteuning van Bureau HHM. Het volledige normenkader is te downloaden via https://www.hhm.nl/actueel/handreiking-normenkader-huishoudelijke-ondersteuning

Indicatieperiode

Afhankelijk van de individuele situatie van de klant kan de duur van de indicatieperiode variëren tot maximaal 5 jaar. Indien de klant na deze periode voortzetting wenst, dan dient hiertoe opnieuw een aanvraag te worden ingediend en dient herindicatie plaats te vinden.

Uitzondering: in die situaties waarin de beperkingen stabiel zijn dan wel mede gelet op de groep waartoe iemand behoord aannemelijk is dat de beperkingen toenemen kan een indicatie langer dan 5 jaar worden gesteld.

Keuzevrijheid

De klant heeft 100% keuzevrijheid uit de door de ISD Bollenstreek gecontracteerde aanbieders van hulp bij het huishouden.

Normtijden en inzet meer/minder hulp per module

Elke module kent een basisnorm. Deze basisnorm kan uitgebreid worden met meer of minder hulp, afhankelijk van de invloedsfactoren per klant.

foto

a.Basismodules

Per module is een basisnorm berekend:

Module

 

Omschrijving

Basisnorm per jaar (uren)

Basisnorm per week (minuten)

1

 

Schoon en leefbaar huis

108

125

2

A

Overname was 1 persoonshuishouden

30

35

2

B

Overname was 2 persoonshuishouden

37

43

2

C

Overname strijken (1 of 2 persoonshuishouden)

12

20

3

 

Overname boodschappen

44

51

4

A

2 broodmaaltijden per dag

Afhankelijk van aantal dagen

20 per dag x aantal benodigde dagen

4

B

1 warme maaltijd per dag

Afhankelijk van aantal dagen

20 per dag x aantal benodigde dagen

5

A

Regie/organisatie

44

51

5

B

AIV (max 6 weken)

9

90

6

 

Kindzorg

Maatwerk

Maatwerk

Sommige modules kunnen uit meerdere onderdelen bestaan, afhankelijk van de zorgvraag en klantsituatie. Ter illustratie:

  • Bij een 1 persoonshuishouden dat ondersteuning bij de was nodig heeft wordt module 2A geïndiceerd. Bij een 2 persoonshuishouden is dit module 2B.

  • Bij een huishouden dat ondersteuning nodig heeft bij zowel de warme als broodmaaltijd worden module 4A en 4B geïndiceerd.

b.Meer of minder inzet

Afhankelijk van de invloedsfactoren (zie hieronder) die van toepassing zijn op de klantsituatie kan de basisnorm verhoogd of verlaagd worden. De normtijden voor deze inzet zijn als volgt:

Module

Omschrijving

Inzet

Basisnorm per jaar (uren)

Basisnorm per week (minuten)

Differentiatie

1 Schoon en leefbaar

Zelf uitvoeren licht huishoudelijk werk

Minder

-13

-15

Per huishouden

Beperkingen en belemmeringen klant: enig extra inzet

Meer

26

30

Per huishouden

Beperkingen en belemmeringen klant: veel extra inzet

Meer

52

60

Per huishouden

Samenstelling huishouden

Meer

26

30

Per huishouden

Extra kamer ‘in gebruik’

Meer

16

18

Per kamer

Extra kamer ‘niet in gebruik’

Meer

4

5

Per kamer

Extra vervuiling huisdier

Meer

13

15

Per huishouden

Overige kenmerken

Meer

13

15

Per huishouden

2 Was

Eigen mogelijkheden klant en/of netwerk

Minder

-15

-17

Per huishouden

Extra wasmachine/per week t.g.v. belemmeringen klant

Meer

14

16

Per wasbeurt

3 Boodschappen

Eigen mogelijkheden klant en/of netwerk

Minder

-9

-10

Per huishouden

Ter illustratie:

  • De klant komt in aanmerking voor module 3: boodschappen. Een deel van de boodschappen wordt gedaan door familie. De te indiceren tijd is de basisnorm minus de eigen mogelijkheden: 51 minuten min 10 minuten = 41 minuten per week voor module 3.

  • De klant komt in aanmerking voor module 1: schoon en leefbaar huis. De klant kan zelf de lichte taken uitvoeren. Er is daarnaast sprake van een extra kamer die niet in gebruik is. De te indiceren tijd is de basisnorm minus de eigen mogelijkheden plus de extra kamer niet in gebruik: 125 minuten minus 15 minuten plus 5 = 115 minuten per week.

  • De klant komt in aanmerking voor module 1: schoon en leefbaar huis. De klant kan zelf de lichte taken uitvoeren. Er is daarnaast sprake van een extra kamer die niet in gebruik is en een extra kamer die wel in gebruik is. De klant en zijn partner slapen namelijk gescheiden waardoor beide slaapkamers in gebruik zijn. De te indiceren tijd is de basisnorm minus de eigen mogelijkheden plus de extra kamer niet in gebruik en de extra kamer in gebruik: 125 minuten minus 15 minuten plus 5 plus 18 = 133 minuten per week. Kan de partner de eigen slaapkamer schoonhouden? Dan hoeft de extra kamer in gebruik niet geïndiceerd te worden.

Invloedsfactoren

Onderstaande invloedsfactoren hebben invloed op de inzet van meer- of minder hulp. Per klantsituatie wordt een afweging gemaakt of de invloedsfactor van toepassing is. De aanwezigheid van een of meerdere van deze invloedsfactoren leidt niet automatisch tot meer of minder inzet. Het is steeds de vraag of er kenmerken zijn die leiden tot extra vervuiling of vragen om een extra niveau van schoon, waardoor meer inzet nodig is. Als dit zo is kan er aanvullende minuten geïndiceerd worden. Bij een aantal modules zijn er ook invloedsfactoren die juist zorgen voor aftrek van minuten van de basisnorm, omdat de klant juist zelf of met naasten e.e.a. kan oplossen.

Voorbeelden van situaties waar er sprake is van een invloedsfactor maar waar deze invloedsfactor niet tot meer hulp leidt zijn als volgt:

  • Er is in het huis een logeerkamer aanwezig die uitsluitend incidenteel in gebruik is. Dit is dus een ‘extra kamer niet in gebruik’. Toch hoeft er geen meer tijd te worden geïndiceerd: de gasten luchten zelf de logeerkamer waardoor extra tijd niet noodzakelijk is.

  • Er is sprake van een inwonend meerderjarig kind. Dit is dus een extra gezinslid. Toch hoeft er geen meer tijd te worden g

    eïndiceerd: het volwassen kind kan zelf zorgen voor het schoonmaken van zijn kamer, het doen van de was, etc.

A. Klantkenmerken

Factor

Omschrijving

Mogelijkheden klant

De fysieke mogelijkheden van de cliënt om bij te dragen aan de uit te voeren activiteiten. Dit hangt af van het kunnen bewegen, lopen, bukken en omhoog reiken, het vol kunnen houden van activiteiten, het kunnen overzien wat moet gebeuren en daadwerkelijk tot actie kunnen komen. Ook speelt hier de trainbaarheid en leerbaarheid van de klant mee.

Beperkingen en belemmeringen van de klant

Beperkingen en belemmeringen van de klant die gevolgen hebben voor de benodigde inzet. De hoeveelheid extra ondersteuning die nodig is, is leidend, niet de problematiek als zodanig.

Voorbeelden zijn Huntington, ALS, Parkinson,

dementie, visuele beperking, revalidatie, bedlegerig, psychische aandoeningen, verslaving/alcoholisme e.d.

Dit kan op twee manieren uitwerken:

  • Het kan nodig zijn extra vaak schoon te maken of te wassen, doordat meer vervuiling optreedt. Bijvoorbeeld als gevolg van rolstoelgebruik, ernstige incontinentie, overmatig zweten, (ernstige) tremoren, besmet wasgoed (bijvoorbeeld bij chemokuur of Norovirus).

  • Het kan nodig zijn de woning extra goed schoon te maken. Ter voorkoming van problemen bij de cliënt voortkomend uit bijvoorbeeld allergie, astma, longemfyseem, COPD.

Ondersteuning vanuit mantelzorgers, netwerk en vrijwilligers

De hoeveelheid ondersteuning die wordt geboden vanuit mantelzorgers, het netwerk van de cliënt en eventuele vrijwilligers, waardoor minder professionele inzet vanuit de gemeente noodzakelijk is omdat een deel activiteiten door niet-professionals wordt gedaan.

B. Kenmerken huishouden

Factor

Omschrijving

Samenstelling van het huishouden: het aantal personen en de leeftijd van leden in het huishouden.

Als sprake is van een huishouden van twee personen, is niet persé extra inzet nodig. Dit is bijvoorbeeld wel het geval als zij structureel gescheiden slapen, waardoor een extra slaapkamer in gebruik is. Het kan ook betekenen dat er minder ondersteuning nodig is, omdat de partner een deel van de activiteiten uitvoert (gebruikelijke zorg).

De aanwezigheid van een kind of kinderen kan leiden tot extra noodzaak van inzet van ondersteuning. Dit is mede afhankelijk van de leeftijd en leefstijl van de betreffende kinderen en van de bijdrage die het kind levert in de huishouding.

Gebruikelijke zorg

Gebruikelijke zorg is de normale, dagelijkse zorg die partners, ouders, inwonende kinderen en/of andere huisgenoten elkaar geven.

Als er kinderen zijn, zijn er vaak ook meer ruimtes in gebruik. Een kind kan eventueel ook een bijdrage leveren in de vorm van mantelzorg en daarmee de benodigde extra inzet beperken of opheffen. Bij een kind kan ook sprake zijn van bijzonderheden (ziekte of beperking) die maken dat juist extra inzet van ondersteuning nodig is.

Aanwezigheid huisdieren

Het hebben van een huisdier (niet zijnde geleide dieren) is een individuele keuze van de klant en leidt ook niet altijd tot extra benodigde inzet. Indien toch sprake is van extra benodigde inzet wordt in eerste instantie met de klant besproken welke maatregelen de klant kan nemen om tot een oplossing te komen. Bij uitzondering (hardheidsclausule) kan besloten worden om toch aanvullende inzet te indiceren.

C. Kenmerken woning

Factor

Omschrijving

Inrichting van de woning

De inrichting van de woning (te denken valt aan extra veel beeldjes of fotolijstjes in de woonkamer of een groot aantal meubelstukken in de ruimte) is een individuele keuze van de klant en leidt in de meeste gevallen ook niet tot extra benodigde inzet.

In extreme situaties wordt in eerste instantie met de klant besproken welke maatregelen de klant kan nemen om tot een oplossing te komen. Bij uitzondering (hardheidsclausule) kan besloten worden om toch aanvullende inzet te indiceren.

Bewerkelijkheid van de woning

Extra inzet is nodig door bouwkundige en externe factoren, bijvoorbeeld de ouderdom van het huis, de staat van onderhoud, de aard van de wand-of vloerafwerking, de aard van de deuren, schuine wanden, hoogte van de plafonds, tocht en stof, eventuele gangetjes en hoekjes. Ook hier geldt in eerste instantie de eigen verantwoordelijkheid van de klant om deze belemmeringen op te lossen. Bij uitzondering (hardheidsclausule) kan besloten worden om toch aanvullende inzet te indiceren.

Omvang van de woning

Een grote woning kan, maar hoeft niet persé meer inzet te vragen. Een extra grote oppervlakte van de in gebruik zijnde ruimtes kan meer tijd vergen om bijvoorbeeld stof te zuigen, maar kan het stofzuigen ook makkelijker maken omdat je makkelijk overal omheen kunt werken.

Er wordt een onderscheid gemaakt tussen in gebruik zijnde ruimtes (woonkamer, slaapvertrek(ken), de keuken, sanitaire ruimtes en gang/trap) en overige ruimtes (ruimtes die niet permanent in gebruik zijn). Deze overige ruimtes (bijvoorbeeld een slaapkamer of logeerkamer die niet permanent gebruikt wordt of een hobbykamer of waskamer) dienen incidenteel gelucht of gestoft te worden. Zij vallen onder de categorie ‘extra kamer niet in gebruik’. Een extra kamer die wel permanent in gebruik is (bijvoorbeeld een tweede slaapkamer omdat partners gescheiden slapen) vallen onder de categorie ‘extra kamer in gebruik’.

Ook hier geldt dat met de klant besproken wordt welke andere oplossingen mogelijk zijn. Per extra kamer wordt indien nodig de normtijd toegepast.

N.B. Sommige hobbykamers zijn sneller vuil door de aard van de hobby (bijvoorbeeld: figuurzagen, verzameling, etc.). Hier is de norm ‘extra kamer niet in gebruik’ wellicht onvoldoende. Het hebben van een dergelijke hobby is een individuele keuze van de klant en leidt dan ook niet altijd tot classificering van deze kamer als zijnde ‘extra kamer in gebruik’. Indien toch sprake is van extra benodigde inzet wordt in eerste instantie met de klant besproken welke maatregelen de klant kan nemen om tot een oplossing te komen. Bij uitzondering (hardheidsclausule) kan besloten worden om toch aanvullende inzet te indiceren. Dit geldt ook voor het ontvangen van logees: de logee dient zelf te zorgen voor het netjes achterlaten van de kamer. Te denken valt aan de ouders van logerende kleinkinderen. Uitzondering kan gelden wanneer deze kleinkinderen logeren ter voorkoming van de inzet van (meer) jeugdhulp en de ouders niet in staat zijn bij te dragen aan het schoonhouden van de kamer.

N.B. Er zijn cliëntsituaties denkbaar die niet passen in het normenkader. Deze zijn zo uitzonderlijk dat hiervoor geen algemene normstelling mogelijk is. In de toegang wordt bepaald welke ondersteuningsbehoefte er in deze klantsituaties is.

BIJLAGE 4 Indicatiestelling begeleiding en dagbesteding

STAP 1 aandachtsgebied → resultaten → welke activiteiten zijn er nodig

STAP 2 waar zijn de activiteiten op gericht:

  • 1)

    Ondersteunen bij het aanbrengen van structuur c.q. het voeren van regie

    en/of

  • 2)

    Het ondersteunen bij praktische vaardigheden/handelingen ten behoeve van zelfredzaamheid

  • 3)

    Bieden van toezicht

  • 4)

    Oefenen met het aanbrengen van structuur c.q. het voeren van regie en/of het uitvoeren van handelingen die zelfredzaamheid tot doel hebben

  • 5)

    Combinatie van bovenstaande

STAP 3 onder welke vorm van begeleiding valt dit:

  • 1)

    Reguliere begeleiding

  • 2)

    Gespecialiseerde begeleiding

  • 3)

    Reguliere dagbesteding

  • 4)

    Gespecialiseerde dagbesteding

  • 5)

    Kort durende verblijf

  • 6)

    Tijdelijk beschermd wonen LVB 18+

STAP 4 is er ook vervoer nodig tbv dagbesteding

AD STAP 1 Aandachtsgebieden, resultaten en activiteiten die deel uit kunnen maken de Maatwerkvoorziening

1.1 De maatwerkvoorziening Begeleiding is gericht op:

  • het begeleiden van Inwoner bij zijn verslechterende zelfredzaamheid en/of participatie; of

  • het stabiliseren van de zelfredzaamheid en/of participatie van Inwoner; of

  • het verbeteren van de zelfredzaamheid en/of participatie van Inwoner.

1.2 Aandachtsgebieden

De door de aanbieder te verrichten activiteiten vallen binnen een aantal aandachtsgebieden zoals omschreven in hoofdstuk 6.

1.3 Activiteiten

De aanbieder kan een of meer van de volgende activiteiten uitvoeren binnen de hiervoor genoemde aandachtsgebieden:

  • 1)

    Het oefenen of ondersteunen bij het oefenen met vaardigheden of handelingen zoals gebruik geleidestok en gebruik hulpmiddelen voor communicatie, stimuleren van wenselijk gedrag, inslijpen van gedrag. Het kan hierbij gaan om:

    • a.

      Hulp bij uitvoeren of overnemen van eenvoudige of complexe taken/activiteiten, of bij oplossen van praktische problemen die buiten de dagelijkse routine vallen.

    • b.

      Hulp bij uitvoeren van vaardigheden die geleerd zijn tijdens AWBZ- of GGZ-behandeling.

    • c.

      Hulp bij het beheren van (huishoud)geld.

    • d.

      Hulp bij de administratie (alleen in de zin van oefenen).

    • e.

      Hulp bij openbaar vervoer gebruik (alleen in de zin van oefenen).

    • f.

      Hulp bij of overnemen van post openmaken, voorlezen en regelen afhandeling praktische zaken.

    • g.

      Hulp bij of overnemen van oppakken, aanreiken, verplaatsen van dagelijks noodzakelijke dingen zoals het oppakken van dingen die op de grond zijn gevallen als een leesbril, het aanreiken van dingen die buiten bereik zijn geraakt zoals een kussen, het verplaatsen van een boek, telefoon e.d.

    • h.

      Hulp bij plannen en stimuleren van contact in persoonsgebonden sociale omgeving.

    • i.

      Hulp bij communicatie in de persoonsgebonden omgeving bij bijvoorbeeld afasie.

  • 2)

    Oefenen van de mantelzorger/gebruikelijke zorger hoe om te gaan met de gevolgen van de aandoening, stoornis of beperking van de Inwoner.

  • 3)

    Het oefenen of ondersteunen bij het oefenen met het aanbrengen van (dag)structuur of het voeren van regie. Het kan hierbij gaan om:

    • a.

      Hulp bij initiëren of compenseren van eenvoudige of complexe taken, besluiten nemen en gevolgen daarvan wegen.

    • b.

      Hulp bij het regelen van randvoorwaarden op het gebied van wonen, onderwijs, werk, inkomen, iets kopen/betalen, het stimuleren tot en voorbereiden van een gesprek met dit type instanties (dit betreft niet het meegaan naar- aanwezig zijn bij het gesprek).

    • c.

      Hulp bij plannen, stimuleren en voorbespreken van activiteiten.

    • d.

      Hulp bij het initiëren of compenseren van op/bijstellen van dag/weekplanning, dagelijkse routine.

    • e.

      Inzicht geven in (mogelijke) gevolgen van besluiten.

    • f.

      Hulp bij zich aan regels, afspraken houden, corrigeren van besluiten of gedrag.

  • 4)

    Het overnemen van toezicht en het aansturen van gedrag ten gevolge van een stoornis, thuis of elders (bijvoorbeeld tijdens onderwijs).

  • 5)

    Het overnemen van toezicht gericht op het bieden van fysieke zorg, zodat tijdig in kan worden gegrepen bij bijvoorbeeld valgevaar, of complicaties bij een ziekte.

  • 6)

    Het aansturen van gedrag.

  • 7)

    Het begeleiden in verband met ernstig tekortschietende vaardigheden in het zelfregelend vermogen (dagelijkse bezigheden regelen, besluiten nemen, plannen en uitvoeren van taken, beheerszaken regelen, communicatie, sociale relaties, organisatie van de huishouding, persoonlijke zorg).

  • 8)

    Het begeleiden bij sociaal-emotionele problematiek die samenhangt met de stoornis.

  • 9)

    Het begeleiden bij de mogelijke integratie in de samenleving en de sociale participatie (bijvoorbeeld hulp bij de opbouw van een sociaal netwerk) met als doel zelfredzaamheid.

  • 10)

    Het begeleiden bij de mogelijke integratie in de samenleving, met extra aandacht voor ontwikkeltrajecten op het vlak van wonen, werken, sociaal netwerk (doelgericht toepassen van methoden van casemanagement).

  • 11)

    Het begeleiden van of consultatie aan een andere Aanbieder.

  • 12)

    Communicatietraining aan Inwoner en/of leden van het Sociaal netwerk.

  • 13)

    Het begeleiden bij arbeidsmatige dagbesteding (activiteiten met een zelfstandig karakter waarbij het vaak zal gaan om het tot stand brengen van een product of dienst, afgestemd op de mogelijkheden en interesse van de Inwoner).

  • 14)

    Het begeleiden bij “activering” (activiteiten gericht op zinvol besteden van de dag, aangepast aan mogelijkheden en interesse van de Inwoner, waaronder handvaardigheid, expressie, beweging, belevingsactiviteiten).

  • 15)

    Het begeleiden bij “activering, individueel belevingsgericht” (belevingsgerichte activiteiten op een eenvoudig niveau met extra aandacht voor sfeer, geborgenheid, veiligheid, ritme en regelmaat).

  • 16)

    Het in groepsverband begeleiden van een zelfgekozen bezigheid en activering. De begeleiding kan ook gericht zijn op arbeidsmatig werken. Het dagprogramma biedt ruimte voor vaardigheidstraining.

Oefenen

Oefenen is aan de orde in de zin van ‘inslijten’ van vaardigheden/handelingen en voor het aanbrengen van structuur of het voeren van regie. Deze vaardigheden zijn in een (para)medisch voortraject als onderdeel van behandeling in het kader van de Zvw of de AWBZ/Wlz al aangeleerd. In deze zin betreft het dus het leren toepassen van al aangeleerde vaardigheden of gedrag.

Oefenen in de zin van Begeleiding kan ook aan de orde zijn wanneer de beperkingen als een gegeven worden beschouwd en er op basis van deze beperkingen op zichzelf staande praktische vaardigheden en gedrag worden aangeleerd die de zelfredzaamheid ten doel hebben en er geen multidisciplinaire aanpak wordt vereist. Het gaat dan bijvoorbeeld om aanvragers die vertraagd leren, waarvoor om die reden zorg vanuit de eerste lijn geen oplossing biedt. Dit leren van praktische vaardigheden /activiteiten en gedrag kan zowel ten goede komen aan de verzekerde als aan zijn directe omgeving.

Er kan geen indicatie voor ‘oefenen’ worden gesteld wanneer het oefenen deel uitmaakt van een Zvw-traject en/of tot de gebruikelijke zorg behoort.

Het door oefenen recent aangeleerde vaardigheden inslijten of bestaande vaardigheden in een andere situatie kunnen gebruiken, wordt niet gerekend tot de Behandeling, maar tot de Begeleiding. In geval van Begeleiding heeft de behandelaar zich kunnen terugtrekken en kan de zorg na enige instructie worden overgenomen door een persoon, niet zijnde een behandelaar.

Oefenen in de zin van Begeleiding kan ook aan de orde zijn wanneer de beperkingen als een gegeven worden beschouwd en er op basis van deze beperkingen op zichzelf staande praktische vaardigheden en gedrag wordt aangeleerd die de zelfredzaamheid ten doel hebben. Het gaat dan bijvoorbeeld om aanvragers die handelingen niet kunnen generaliseren of om aanvragers met een vertraagde leerbaarheid, waarvoor de zorg vanuit de eerste lijn geen oplossing biedt. Dit leren van praktische vaardigheden/activiteiten en gedrag kan zowel ten goede komen aan de aanvrager als aan zijn directe omgeving. Denk hierbij aan het leren lopen met een taststok aan een visueel gehandicapte en/of het zich binnen en rondom de woning kunnen oriënteren. De directe omgeving krijgt adviezen over de inrichting van de woonomgeving en de achtergrond hiervan. Ook kan worden gedacht

aan het leren koken, wassen van kleding en dergelijke aan iemand met een verstandelijke beperking gehandicapte, bijvoorbeeld bij het zelfstandig gaan wonen. Een ander voorbeeld is een aanvrager met een psychiatrische aandoening die tijdens de behandeling geleerd heeft om stapsgewijs een maaltijd te bereiden, maar omdat producten in de winkel veranderd zijn, is er begeleiding nodig in de vorm van oefenen nodig om een andere bereidingswijze aan te leren en toe te passen.

Indicatiecriteria voor oefenen

In geval van het oefenen moet bovendien zijn vastgesteld:

  • dat de aanvrager gemotiveerd en leerbaar is om te oefenen en trainbaar is;

  • dat het oefenen programmatisch en doelmatig plaatsvindt;

  • en/of dat de mantelzorg in de directe omgeving en/of de gebruikelijke zorger van de aanvrager gemotiveerd en leerbaar is om te oefenen en trainbaar is.

Toezicht

Toezicht op de aanvrager kan worden overgenomen als deze gericht is op:

  • toezicht op- en het aansturen van gedrag ten gevolge van een stoornis; thuis of elders (bijvoorbeeld tijdens

  • onderwijs) en/of;

  • het bieden van fysieke zorg, zodat tijdig in kan worden gegrepen bij bijvoorbeeld valgevaar, of complicaties bij

  • een ziekte.

Zelfredzaamheid

Zelfredzaamheid (in relatie tot Begeleiding) betreft de lichamelijke, cognitieve en psychische mogelijkheden die de aanvrager in staat stellen om binnen de persoonlijke levenssfeer te functioneren.

De aanvrager:

  • heeft het vermogen om zelfzorghandelingen uit te voeren of de regie te voeren over de zelfzorghandelingen;

  • heeft het vermogen tot sociaal functioneren in de dagelijkse leefsituaties, zoals thuis en in relatie met

  • vrienden en familie;

  • heeft het vermogen om zelf in zijn dagstructurering te voorzien;

  • kan zelf besluiten nemen en regie voeren.

AD STAP 2 Waar zijn de activiteiten op gericht (Gemiddelde tijd en frequentie van de activiteiten)

Begeleiding en Tijdelijk beschermd wonen LVB18+:

Reguliere of Gespecialiseerde Begeleiding wordt vastgesteld in uren, minimaal 1 maximaal 25 uur per week. De omvang van de indicatie (het aantal uren begeleiding) is gebaseerd op de optelsom van de duur van de betreffende activiteiten: Dus welke activiteiten zijn nodig, hoeveel tijd kosten deze activiteiten, hoe vaak per week en zijn de activiteiten planbaar of niet planbaar of is er ook vaak toezicht nodig? Om te objectiveren hoeveel tijd er nodig is voor activiteiten en in welke frequentie zal gebruik worden gemaakt van een normtijden overzicht, dat is gebaseerd op de Indicatiewijzer van het CIZ en is aangepast aan de Wmo-werkwijze. De omvang kan per combinatie van activiteiten nooit meer bedragen dan de in de tabel genoemde maxima. Meer uren per week zijn, indien nodig en duidelijk gemotiveerd, mogelijk. Het gaat hier om de uitzonderingsgevallen waarbij additionele tijd kan worden geïndiceerd.

 

Zijn de activiteiten (Kolom C) gericht op

Frequentie

Gemiddelde duur per keer in minuten

(max.) omvang per week in uren

Valt binnen klasse

1

2

Het ondersteunen bij het

aanbrengen van structuur,

c.q. het voeren van regie.

En/of

Het ondersteunen bij praktische vaardig-heden/handelingen ten behoeve van zelfredzaamheid.

1x per wk

2x per wk

3x per wk

4x per wk

5x per wk

6x per wk

1x per dag

2x per dag

3x per dag

4x per dag

60-180

60-180

30-90

30-90

15-90

15-90

15-90

15-45

15-30

15-20

1-3

2-6

1,5-4,5

2-6

1,25-7,5

1,5-9

1,75-9,9

3,5-9,9

5,25-9,9

7-9,33

1-2

2-3

1-3

2-3

1-4

1-4

1-4

2-4

3-4

4 (= max)

3

Het bieden van toezicht.

Gaat om punt 4 en 5 van 1.3 Activiteiten

 
 

3,9 uur

2

4

Oefenen met het aanbrengen van structuur, c.q. het voeren van regie en/of het uitvoeren van handelingen die zelfredzaamheid tot doel hebben.

 
 

1-3 uur 11

2

 

1 en/of 2 + 3

 
 

12,9 uur12

Klasse 5

 

1 en/of 2 + 4

 
 

12,9 uur

Klasse 5

 

1 en/of 2 + 3 + 4

 
 

15,9 uur13

Klasse 6

 

Voor palliatief terminale zorg wordt de standaardnorm aangehouden.

 
 

56 uur

(7x8 uur)

Klasse 8 en mogelijk additionele uren

5

Waakvlam

 
 

90 minuten per 4 weken

Aparte klasse

Dagbesteding:

Het aantal dagdelen Dagbesteding dat wordt geïndiceerd is afhankelijk van:

  • de noodzaak (hoeveel structuur, activering, toezicht etc. is nodig? Wat biedt het eigen netwerk of de voorliggende voorzieningen, hoe belast is de mantelzorg etc.)

  • de mogelijkheden van de aanvrager (hoeveel kan de aanvrager fysiek en mentaal aan?)

  • het doel van de ondersteuning. Daarbij kan het gaan om

    • o

      het bieden van een dagprogramma met als doel al dan niet aangepaste vormen van arbeid(ook vrijwilligerswerk) te vervangen gedurende maximaal negen dagdelen per week;

    • o

      het bieden van activiteiten met als doel een andersoortige vorm van dagstructurering dan arbeid (denk aan pensioengerechtigde of mensen zonder arbeidsverleden) en tevens zelfredzaamheid en cognitieve capaciteiten en vaardigheden zoveel mogelijk te handhaven en/of gedragsproblematiek te reguleren gedurende maximaal negen dagdelen per week;

STAP 4 is er ook vervoer nodig tbv dagbesteding.

BIJLAGE 5 Profiel en indicatiestelling specialistische zorg

Profiel en indicatiestelling begeleiding vroegdoven

1. Karakteristieken van de cliënt

Vroegdove volwassenen zijn:

  • Doof: De volwassene heeft meer dan 80 decibel (dB) gehoorverlies aan beide oren heeft. Eventuele gehoorresten hebben geen betekenis voor communicatie. Indien een volwassene (iets) minder dan 80 dB gehoorverlies heeft en dat verlies selectief het frequentiebereik van de spraak bestrijkt is er ook sprake van complete functionele doofheid

  • Vroegdoof: Ook wel prelinguaal doof genoemd. De doofheid dateert van vóór het begin van de gesproken normale taalontwikkeling. De gesproken taalontwikkeling is niet op gang gekomen of te vroeg gestokt. Volwassen: Deze vroegdoven zijn ouder dan 18 jaar en moeten zich nu redden met grote achterstanden in taal, in algemene kennis, in emotionele ontwikkeling.

  • Eventuele bijkomende stoornissen en beperkingen zijn van algemene en specifieke, mentale of fysieke aard. Denk bijvoorbeeld aan evenwichtsstoornissen of motorische stoornissen, die van grote invloed kunnen zijn op de wijze waarop de hulpvraag beantwoord kan worden.

2. Aard van de participatieproblematiek:

De aard van de problematiek kenmerkt zich door het hebben van beperkingen in uitvoeren van activiteiten en/of problemen bij participatie. Het gaat specifiek om de volgende beperkingen:

  • Laaggeletterd en gebrekkig beheersing van de Nederlandse taal: Vroegdove volwassenen hebben tijdens hun hele taalgevoelige periode in een taalarme omgeving verkeerd, zeker als hen ook (les in) gebarentaal is onthouden. De groep, die dat niet heeft kunnen compenseren, is laaggeletterd. Deze groep beheerst de Nederlandse taal zeer gebrekkig en kan niet of nauwelijks lezen. Er zijn grote problemen met de nuances van de grammatica en met abstract woordgebruik. Formele taal in formulieren en op internet wordt vaak niet begrepen. Hetzelfde geldt voor de getolkte taal van formele gesprekspartners.

  • De vaardigheid om kennis over alle aspecten van leven en samenleving via terloopse auditieve informatie op te doen ontbreekt. Vanwege de laaggeletterdheid wordt/werd kennis slecht opgenomen uit schriftelijke tekst. De vroegdove volwassene heeft bijgevolg meer of minder grote lacunes in kennis van de wereld om zich heen. Bij het verder ouder worden wordt steeds nieuwe kennis relevant, die de cliënt niet vanzelf toekomt.

  • Achterstand in de sociaal emotionele ontwikkeling: de achterstand in taalontwikkeling heeft de sociaal-emotionele ontwikkeling van volwassen vroegdoven met een hulpvraag in negatieve zin beïnvloed. Dit is versterkt door het feit dat veel van hen be-schermd zijn opgevoed. Oudere vroegdoven die zijn opgegroeid in een doveninstituut, zijn afgeschermd geweest van de horende samenleving en het horende gezin van herkomst. De achterstand strekt zich voor deze cliënten daardoor ook uit tot de kennis van het sociale verkeer en intermenselijke relaties binnen en buiten gezins- en familieverband. Voor hen is veelal sprake van een minder ontwikkelde gevoeligheid voor sociale verhoudingen en minder kennis van ongeschreven regels in het intermenselijk verkeer met als gevolg structurele sociaal-emotionele problematiek. De zelfredzaamheid van deze cliënten ten aanzien van intermenselijke relaties is hierdoor beperkt. Dit leidt in veel gevallen tot een isolement en een zeer beperkt of geen sociaal netwerk.

Het geheel van achterstanden bij de volwassen vroegdoven met een hulpvraag heeft grote invloed op de ontwikkelmogelijkheden in de samenleving op het terrein van opleiding en arbeid en daarmee op de sociaaleconomische situatie van de cliënt. Dit heeft gevolgen voor hun zelfredzaamheid en participatie in de samenleving.

Persoonlijke en externe factoren

  • Persoonlijke factoren zijn van invloed op de mate waarin de vroegdove cliënt een taal- en ontwikkelingsachterstand blijft oplopen en de mate waarin dit de zelfredzaamheid negatief beïnvloedt. Hierbij spelen IQ, persoonlijkheidskenmerken, bijkomende stoornissen, copingstijlen en identiteitsontwikkeling als vroegdove een rol. Problemen als gevolg van het ouder worden kunnen de zelfredzaamheid van de cliënt verder verminderen.

  • Externe factoren zijn hierbij eveneens van invloed, zoals de aan- of afwezigheid van dove rolmodellen in de jeugd, sociaal-emotionele status van het gezin van herkomst, de aan- of afwezigheid van een sociaal netwerk in de volwassenheid, de mate waarin de cliënt zich beweegt in de dovengemeenschap, begrip en flexibiliteit van de horende omgeving, de bereidheid van docenten en werkgevers om aanpassingen te creëren en beschikbaarheid van effectieve hulpverlening.

Deze factoren spelen een grote rol bij de aanwezigheid en de ernst van beperkingen en participatieproblemen, die samenhangen met de functiestoornissen en dus ook bij de bepaling van de hulpvraag en bij de beantwoording daarvan.

Context:

  • De volwassen vroegdove met een hulpvraag is niet slechts doof. Hij/zij is in veel gevallen levenslang buitengesloten geweest van informatie via het gehoor. Vroegdove volwassenen hebben soms niet in de omstandigheden verkeerd om de gevolgen van die buitensluiting op weg naar hun volwassenheid te overwinnen. Het gevolg is een scala van beperkingen die worden ervaren in het uitvoeren van activiteiten en/of bij het participeren in de maatschappij op de domeinen die hierboven staan vermeld. De ernst van de beperkingen en de problemen kunnen verschillen.

  • e huidig volwassen vroegdoven met een hulpvraag ‘verstaan’ alleen gebarentaal en dit vaak beperkt, omdat ze van een generatie zijn die op de internaten geen gebarentaal mochten aanleren of gebruiken en ook thuis en op school kon men niet in gebaren communiceren. Onvolkomen stemgebruik, articulatie en spraakafzien versterken de afstand tot en met de horende. Niet herkende misverstanden en gewenst gedrag van de dove vermenigvuldigen zich tot grote problemen. Deze volwassen vroegdove loopt continu op zijn tenen in de horende wereld en trekt zich in privétijd terug in de dovenwereld of in zichzelf.

3. Doel van de begeleiding

Specialistische begeleiding kan worden ingezet om één of meerdere van de volgende doelen te bereiken:

  • Cliënt beschikt over zelfkennis en een reëel beeld van zijn (on)mogelijkheden

  • Cliënt heeft zijn zelfredzaamheid in zijn persoonlijke levenssfeer en in de samenleving vergroot

  • Cliënt is in staat zelfstandig te blijven functioneren c.q. wonen. Hij/zij ervaart een gevoel van veiligheid en geborgenheid in de eigen (woon)omgeving

  • Dreigende gedragsproblemen of ‘maatschappelijk ontsporen’ zijn voorkomen

  • Het informeel netwerk van de Cliënt is versterkt en geactiveerd.

  • De specialistische begeleiding wordt alleen ingezet waar nodig en waar mogelijk gecombineerd met niet specialistische begeleiding en/of informele ondersteuning.

Begeleiding draagt bij aan het invullen en beantwoorden van één of meerdere van de volgende ondersteuningsvragen:

  • Ondersteun mij in het beter leren omgaan de gevolgen van mijn doofheid in het dagelijks leven, zowel in mijn werk/opleiding als in mijn rol als partner en ouder waardoor mijn zelfredzaamheid wordt vergroot.

  • Ondersteun mij in mijn leerproces om mijn sociale vaardigheden te verbeteren waardoor ik in staat ben op een adequate manier te reageren op terugkerende frustraties en onbegrip in mijn omgeving.

  • Ondersteun mij in het beter leren begrijpen van de samenleving door mij informatie te geven over wet- en regelgeving, sociale omgangsvormen, rechten en plichten als burger en als werknemer.

  • Ondersteun mij in het beter leren begrijpen en inpassen van informatie over het functioneren van mijn eigen lichaam, over mijn ziektes, beperkingen en medicatie. rijpen in mijn dagelijks leven.

  • Ondersteun mij in het leren van handelingsalternatieven ter voorkoming van huiselijk geweld of kindermishandeling.

  • Ondersteun mij bij het voorkomen of verbeteren van gedragsproblemen of maatschappelijk ontsporen als gevolg van financiële problemen, middelengebruik, relatieproblemen, problemen op het werk.

  • Ondersteun mij bij het voeren van mijn huishouding, beheren van mijn budget, voeren van mijn financiële administratie, opvoeden van mijn kinderen.

  • Ondersteun mij bij het deelnemen aan de maatschappij en het opbouwen/onderhouden van een sociaal netwerk ter voorkoming van sociaal isolement.

  • Ondersteun mij in het verkrijgen van voorzieningen en hulpmiddelen.

Profiel en doelstelling begeleiding doofblinden

1. Karakteristieken van de cliënt

Er is sprake van doofblindheid, dit houdt in dat:

  • Er sprake is van een combinatie van verlies van de hoorfunctie (> 35 dB verlies aan het beste oor) en

  • Verlies van visuele functies (gezichtsscherpte < 0.3 en/of een gezichtsveldbeperking van < 30 graden aan het beste oog) met veelal een progressief karakter van beide of één van beide zintuigbeperkingen.

Deze combinatie van beperkingen betekent stevig verlies van algemene en specifieke mentale of fysieke functies, hetgeen ingrijpende, pervasieve (in diverse functionerings-gebieden doorlopende) beperkingen tot gevolg heeft op de gebieden van:

  • o

    Communicatie

  • o

    Informatieverwerving

  • o

    Oriëntatie

  • o

    Mobiliteit

  • o

    Zelfredzaamheid (adl, sociaal en maatschappelijk)

  • o

    Zelfmanagement en

  • o

    Persoonlijk functioneren.

De doofblindheid kan een onderdeel zijn van een syndroom. In dat geval is er vaak sprake van bijkomende stoornissen en beperkingen, zoals motorische beperkingen of ggz -problematiek. Ggz-problematiek kan ontstaan ten gevolge van de doofblindheid na het ervaren van verlies, psychotrauma, isolement, deprivatie en/of het ontbreken van toekomstperspectief. Een breed palet aan psychische stoornissen kan aan de orde zijn:

  • o

    dsm4 as 1 problematiek: bijvoorbeeld depressieve- of angststoornissen, in acute en recidiverende varianten

  • o

    dsm4 as 2 problematiek: (lichte) verstandelijke beperking, psychogeriatrische of gerontopsychiatrische beelden, pdd-nos, persoonlijkheidsproblematiek

  • o

    dsm4 as 3 problematiek: diverse neurologische syndromen, bijvoorbeeld syndroom van Wolfram of Recklinghausen

Naast auditief en visueel functieverlies kenmerken sommige syndromen zich door een meervoudige progressieve problematiek.

2. Aard van de participatieproblematiek

De problematiek uit zich in beperkingen en participatieproblemen die kunnen optreden in alle levensdomeinen. De ernst van de beperkingen en de problemen kunnen verschillen.

  • Bij een grote groep van de doofgeborenen is het taalniveau laag; zij missen een goed ontwikkelde moedertaal. Bij de meerderheid van de doofblinden is de gehoorbeperking (slechthorend of doof) overwegend congenitaal (aangeboren) en de visuele beperking postlinguaal (verworven na het verstrijken van de taalgevoelige periode). Deze cliënten beheersen in eerste instantie de Nederlandse taal, Nederlandse Gebarentaal (NGT) of Nederlands ondersteund met gebaren (NmG). . De visuele beperking is bijna altijd progressief, maar de snelheid waarmee het verlies van functies afneemt is verschillend per Cliënt. Bij een minderheid is de visuele beperking vanaf geboorte aanwezig en ontstaat de auditieve beperking op latere leeftijd. Deze groep onderscheidt zich van de eerste groep, door een moedertaal die zich goed heeft kunnen ontwikkelen.

  • Een doofblinde kan slechts met een beperkt aantal mensen in zijn omgeving, veelal binnen één-op-één situaties, communiceren. Naarmate de doofblindheid zich verder ontwikkelt moeten nieuwe zeer specifieke communicatiemethoden worden aangeleerd aan de Cliënt en zijn omgeving. Denk daarbij naast NGT en NmG bijvoorbeeld aan Vierhandengebaren, Vingerspelling, Lorm en Braille. Communicatiemethoden die maar een zeer beperkt aantal mensen in hun omgeving beheersen. Communicatie die noodzakelijk is om zich te kunnen handhaven in de leefomgeving en deze zoveel mogelijk te kunnen vergroten. Daarnaast zal een doofblinde zijn tastzin moeten (door)ontwikkelen.

  • De omgeving wordt door de Cliënt verbrokkeld waargenomen. Het is voor hen moeilijk overzicht en samenhang te ontdekken in de wereld om hen heen. Zij moeten bij alle handelingen die zij doen zich optimaal concentreren. Dit geeft een zwaardere belasting waardoor ze bewuster met de verdeling van hun energie moeten omgaan. Ze zullen sneller vermoeid zijn. Dit belemmert deze mensen in hun functioneren en betekent dat de omgeving aan hen aangepast moet worden om de energie zo goed mogelijk te gebruiken.

  • De volwassen doofblinde is (in toenemende mate) zeer beperkt in zijn/haar mogelijkheden om te communiceren met anderen. Het informatie verwerven en verwerken via gangbare kanalen is (vaak geleidelijk) steeds minder goed tot niet mogelijk.

  • Er is een (toenemende) beperking in de oriëntatie en mobiliteit, met name buitenshuis en daardoor met de zelfredzaamheid en zelfstandigheid.

  • Zonder aanpassingen is zelfstandig het huishouden doen niet mogelijk.

  • Het aangaan van interacties en het opbouwen van fundamentele relaties en contacten en vriendschappen verlopen moeizaam. De doofblindheid is beperkend en bepalend voor de kwaliteit van tussenmenselijke interacties en relaties en heeft een impact op alle belangrijke levensgebieden.

  • Volwassen doofblinden hebben problemen om aan het maatschappelijk verkeer deel te nemen (opleiding volgen, werken, zelfstandig wonen).

  • Het participeren op alle levensgebieden vraagt specifieke en intensieve ondersteuning. Doofblinden zijn/blijven voor de uitvoering van veel activiteiten en voor participatie in de maatschappij afhankelijk van de begeleiding van sensitieve en responsieve communicatiepartners.

Persoonlijke en externe factoren

  • De volwassen doofblinde, die doof is en op volwassen leeftijd een CI heeft laten plaatsen, ervaart een meerwaarde op het gebied van signaalhoren. Het verstaan van spraak kan zich niet meer ontwikkelen.

  • De volwassen doofblinde, die slechthorend is en op volwassen leeftijd een CI heeft laten plaatsen, ervaart een meerwaarde op het gebied van spraakverstaan onder optimale omgevingscondities en wanneer de CI gedragen wordt (NB: er zijn thans nog geen volwassen doofblinden die op zeer jonge leeftijd geïmplanteerd zijn).

  • Deze factoren spelen een grote rol bij de aanwezigheid en de ernst van beperkingen en participatieproblemen, die samenhangen met de functiestoornissen en dus ook bij de bepaling van de hulpvraag en bij de beantwoording daarvan.

3. Doel van de begeleiding

Specialistische begeleiding kan worden ingezet om één of meerdere van de volgende doelen te bereiken:

  • De cliënt en zijn/haar naasten ondersteunen in het leren omgaan met de gevolgen van de (progressieve) beperking (afname functies en verlies van zelfstandigheid en identiteit) en de impact die de toenemende beperkingen op het (gezins)leven hebben.

  • De cliënt helpen om zelfstandigheid te ontwikkelen en te behouden.

  • De cliënt begeleiden bij het zelfstandig wonen.

  • De cliënt begeleiden bij het deelnemen aan de maatschappij ter voorkoming van sociaal isolement.

Bijlage profiel en doelstelling begeleiding visueel beperkten

1. Karakteristieken van de cliënt

De mensen die in aanmerking komen voor specialistische begeleiding voldoen aan alle onderstaande criteria:

  • De cliënt is achttien jaar of ouder

  • De cliënt heeft een visuele beperking die voldoet aan de NOG-richtlijn14 ‘Visusstoornissen, Revalidatie en Verwijzing’. Volgens deze richtlijn is sprake van een visuele beperking als ernstige stoornissen in het gezichtsvermogen en/of de visuele perceptie zijn vastgesteld in combinatie met beperkingen in het dagelijks functioneren 15 .

  • Er is sprake van bijkomende problematiek cognitieve, psychosociale en/of psychiatrische problematiek.

  • Er is sprake van een combinatie van problematiek, zogeheten comorbiditeit. Dit leidt tot beperkte compensatiemogelijkheden en vervolgens tot een volstrekt ‘nieuwe’ en grotere beperking met nog minder mogelijkheden.

  • Uit aanvullend onderzoek, diagnostiek en/of dossieronderzoek (onder meer de PAI16 ) blijkt dat de cliënt in aanmerking komt voor Specialistische Begeleiding.

2. Aard van de participatieproblematiek

  • De problematiek beïnvloedt een groot aantal aspecten van het leven en heeft grote gevolgen voor het verwerven en verwerken van informatie, het kunnen communiceren met anderen, de zelfstandigheid en/of de mobiliteit.

  • De emotionele/psychosociale draagkracht van de cliënt fluctueert sterk en is doorgaans beperkt; participatie aan de samenleving kan voor deze groep worden vergeleken met topsport: het kost veel inspanning en energie. In combinatie met andere beperkingen is het kunnen hanteren van de energiebalans veelal de belangrijkste uitdaging voor de cliënt.

  • Persoonlijke factoren beperken de compensatiemogelijkheden. Het gaat hier om copingstijl, karaktereigenschappen, sociale achtergrond, beperkte leerbaarheid en herstellingsvermogen.

  • De cliënt beschikt over een beperkt sociaal netwerk.

  • Het onderhouden van contacten en het verwerken van informatie kost veel moeite, waardoor de kans op psychosociale problemen groot is.

3. Doel van de begeleiding

Specialistische begeleiding kan worden ingezet om één of meerdere van de volgende doelen te bereiken:

  • Om cliënten met een blijvende visuele beperking, die kampen met complexe bijkomende problematiek, op alle levensterreinen, te bevorderen en te ondersteunen en de zelfredzaamheid van deze cliënten te vergroten.

  • Om cliënten die in complexe probleemsituaties zijn geraakt (waardoor het (zelfstandig) wonen in het geding is of dreigt te raken) zelfstandig te laten blijven wonen in zijn/haar eigen woning, en de regie over zijn/haar eigen leven te laten behouden.

BIJLAGE 6 Vertegenwoordigers pgb

Contactpersonen

Contactpersonen zijn geen vertegenwoordigers. De verstrekking van pgb’s berust steeds op de eigen kracht van de budgethouder of op de hulp van een vertegenwoordigers. Een contactpersoon wordt dus niet erkend als vertegenwoordiger.

Wijzigen vertegenwoordiger

Budgethouders kunnen hun vertegenwoordiger en andere contactpersonen aan de SVB doorgeven. De SVB verwerkt deze gegevens zonder tussenkomst van gemeenten. Dit is omwille van de beoordeling van de pgb-vaardigheid van de vertegenwoordiger niet wenselijk. De SVB heeft geen grondslag om de beoordeling van de vertegenwoordiger te doen.. De SVB heeft ook geen grondslag de wijziging niet door te voeren. De praktijk moet zijn dat aanvragers er in de beschikking op worden gewezen dat wijzigingen ten aanzien van de vertegenwoordiger valt onder de informatieverplichting en de budgethouder hiervan melding moet doen bij de ISD. Er volgt dan een beoordeling.

Er is nog geen waterdicht proces deze is landelijk wel in ontwikkeling.

Woordenlijst 17

Bewindvoerder

Een vorm van wettelijke vertegenwoordiging, door de rechter (kanton) benoemd. De bewindvoerder behartigt de vermogensrechtelijke/financiële belangen van de budgethouder. Hieronder valt bijvoorbeeld het tekenen van bankoverschrijvingen of het opzeggen van de huurovereenkomst van een aanleunwoning.

Curator

Een vorm van wettelijke vertegenwoordiging, door de rechter benoemd. De onder curatele gestelde verliest zijn handelingsbekwaamheid en kan dus niet meer zelfstandig rechtshandelingen verrichten, al bestaan hier wel uitzonderingen op. De curator behartigt de vermogensrechtelijke en persoonlijke belangen (denk aan verzorging, verpleging, behandeling of begeleiding) van de onder curatele gestelde. De rechtbank spreekt de curatele uit en stelt een curator(en) aan.

Mentor

Een vorm van wettelijke vertegenwoordiging, door de rechter benoemd. De mentor behartigt de belangen van betrokkenen op persoonlijk vlak, door het regelen van en toezien op goede verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding voor de budgethouder. De mentor is niet verantwoordelijk voor de financiën van de betrokkene.

Voogd

Iemand anders dan de ouder(s) die gezag uitoefent over een minderjarig kind.

Wettelijke vertegenwoordiging

Wettelijke vertegenwoordiging is vertegenwoordiging waarvoor de basis gelegen is in de wet. Hieronder vallen de ouder/voogd, curatele, bewindvoering en mentorschap.

Persoonlijk gevolmachtigde

Een vorm van wettelijke vertegenwoordiging. Persoon die de budgethouder op diens verzoek via volmacht (voor bepaalde taken) vertegenwoordigt. Hierbij kan gedacht worden aan familieleden, beroepsgroepen, bureaus en overige natuurlijke- en rechtspersonen.

Vertegenwoordiging

Vertegenwoordiging is het bevoegd verrichten van rechtshandelingen namens een ander. Bij vertegenwoordiging is er een vertegenwoordiger en een vertegenwoordigde. De vertegenwoordiger voert rechtshandelingen uit voor de vertegenwoordigde.

Informele hulp bij pgb-beheer

Een vorm van hulp bij pgb-beheer, geen vertegenwoordiging. Hulp bij pgb-beheer door personen uit de omgeving waarbij de hulp rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie. Het kan een partner, eerste- of tweede graad familielid, vriend(in), buur, vrijwilliger of een bekende zijn.

Rechtelijk bepaald

Vertegenwoordigingsvormen benoemd door de (kanton)rechter. Hieronder vallen de curator, bewindvoerder en mentor. Dit kan op verzoek van anderen, op eigen verzoek of in een enkel geval ambtshalve door de rechter

BIJLAGE 7 Richtlijn badkamer- en keukenaanpassing

Uitgangspunten vervanging badkamers:

  • Afschrijvingstermijn is 25 jaar

  • Daarna is het vervangen/renoveren van een badkamer algemeen gebruikelijk

  • Bij het renoveren van de badkamer zijn speciale voorzieningen niet algemeen gebruikelijk en deze worden altijd vergoed:

  •  voorzieningen zoals een vaste douchebrancard, etc.

  • De afschrijvingstermijn van 25 jaar wordt als volgt toegepast:

    • o

      De eerste 5 jaar rekenen we geen afschrijving (dus volledige vergoeding bij badkamers tot 5 jaar oud).

    • o

      In de daarop volgende 20 jaar wordt naar rato afgeschreven (dus 5% afschrijving per jaar).

    • o

      Dus:

      • Badkamer 6 jaar → afschrijving 5% → Wmo 95%

      • Badkamer 10 jaar → afschrijving 25% → Wmo 75%

      • Badkamer 12 jaar → afschrijving 35% → Wmo 65%

      • Badkamer 15 jaar → afschrijving 50% → Wmo 50%

      • Badkamer 18 jaar → afschrijving 65% → Wmo 35%

        etc.

Uitgangspunten vervanging Keukens:

  • Afschrijvingstermijn is 18 jaar (gemiddelde blijkt uit onderzoek internet).

  • Daarna is het vervangen van de keuken algemeen gebruikelijk

  • Een onderrijdbare keuken is in principe geen algemeen gebruikelijke voorziening, maar het maken van kosten voor vervanging van de keuken zijn wel algemeen gebruikelijke kosten. Dus kan verwacht worden dat die kosten geïnvesteerd worden in het plaatsen van een onderrijdbare keuken.

  • Hierdoor komen alleen de meerkosten van een onderrijdbare keuken ten aanzien van een algemeen gebruikelijke keuken (niveau Sociale Woningbouw) voor volledige Wmo-vergoeding in aanmerking.

  • Voor het overige geldt de algemeen gebruikelijke afschrijving.

  • De kosten van apparatuur in de keuken is algemeen gebruikelijk, tenzij er sprake is van acute vervanging. Nibud hanteert een standaardlevensduur van 10 jaar.

  • De afschrijvingstermijn van 18 jaar wordt als volgt toegepast:

    • o

      De eerste 5 jaar rekenen we geen afschrijving (dus volledige vergoeding van onderrijdbare keuken tot 5 jaar oud).

    • o

      In de daarop volgende 13 jaar wordt naar rato afgeschreven (dus 7,7% afschrijving per jaar.

    • o

      Dus:

      • Keuken 6 jaar → afschrijving 7,7% → Wmo 92,3%

      • Keuken 10 jaar → afschrijving 30,8% → Wmo 69,2%

      • Keuken 12 jaar → afschrijving 53,8% → Wmo 46,2%

      • Keuken 15 jaar → afschrijving 76,9% → Wmo 23,1%

BIJLAGE 8 Algemeen gebruikelijke voorzieningen

Algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn in principe voor iedereen beschikbaar en niet uitsluitend bedoeld voor mensen met een beperking. Of een voorziening algemeen gebruikelijk is, hangt veelal af van de geldende maatschappelijke normen op het moment van aanvraag. In beginsel worden algemeen gebruikelijke voorzieningen niet verstrekt vanuit de Wmo.

Op basis van rechtelijke uitspraken kan een voorziening algemeen gebruikelijk worden beschouwd als deze:

  • niet speciaal bedoeld is voor mensen met een beperking én;

  • in de reguliere handel verkrijgbaar is én;

  • in prijs vergelijkbaar is met soortgelijke producten.

Uitzonderingen op deze criteria zijn situaties waarin:

  • de handicap plotseling ontstaat waardoor algemeen gebruikelijke voorzieningen eerder dan normaal vervangen moeten worden;

  • de aanvrager een inkomen heeft dat door aantoonbare kosten van de handicap onder de voor hem/haar geldende bijstandsnorm dreigt te komen. Er is geen complete lijst van voorzieningen die algemeen gebruikelijk zijn, maar voorbeelden zijn:

Woonvoorzieningen

  • -

    wandbeugels

  • -

    verhoogde WC pot 6+

  • -

    hangtoilet

  • -

    een hendelkraan

  • -

    thermostatische mengkraan

  • -

    douche op glijstang

  • -

    keramische of inductie kookplaat

  • -

    elektrische garagedeuropener

  • -

    consoles voor wasmachine en droger

  • -

    antislip vloer badkamer

  • -

    douchewanden/gordijnen

  • -

    intercom

  • -

    airconditioning

  • -

    aankleedblad/tafel, tenzij noodzaak in hoogte verstelbaar

  • -

    box

  • -

    trapspilbeugel

  • -

    eenvoudige drempelvervangers

Vervoersvoorzieningen

  • -

    (standaard) fiets

  • -

    ligfiets met of zonder trapondersteuning

  • -

    aankoppelfiets

  • -

    spiegel(s) voor op de scootmobiel of fiets

  • -

    bromfiets

  • -

    brommobiel (45 km auto)

  • -

    (extra) mandje, windscherm, extra spiegel op scootmobiel

  • -

    beenzak/voetenzak/schootskleed voor scootmobiel

  • -

    oplaadkosten scootmobiel

  • -

    Spartamet is voor kinderen < 16 jaar niet alg. gebruikelijk,

  • -

    Tandem (een gewone reguliere tandem wordt hier bedoeld geen aangepaste ouder/kind fiets) incl elektrische trapondersteuning.

  • -

    fiets met lage instap

  • -

    tandemmet;

  • -

    elektrische fiets/tandem (al dan niet met lage instap) voor een persoon van 16 jaar en ouder;

  • -

    bakfiets, fietskar, aanhangfiets;

  • -

    personenauto en de gebruikskosten die daaraan verbonden zijn;

  • -

    auto-accessoires: airconditioning, stuurbekrachtiging, elektrisch bedienbare ruiten; trekhaak;

  • -

    automatische transmissie

  • -

    E-step

Rolstoelvoorzieningen

  • -

    boodschappennet

  • -

    beenzak/voetenzak/schootskleed

  • -

    oplaadkosten elektrische rolstoel

Algemeen

  • -

    centrale verwarming

  • -

    mobiele telefoon

  • -

    computer

  • -

    pictogrammenbord of domotica in huis

  • -

    wasdroger

  • -

    wasmachine

Diensten

  • -

    boodschappenservice dienst

  • -

    kinderopvang

  • -

    klussendienst

  • -

    maaltijdverzorging (ook wel warme maaltijdvoorziening of tafeltje-dekje genoemd)

  • -

    hondenuitlaatservice

  • -

    glazenwasser(s)bedrijf

  • -

    buurthuiswerk

  • -

    informele thuiszorg

  • -

    vrijwilligersorganisatie

  • -

    computercursus

  • -

    taalles

  • -

    (in principe) coaching

  • -

    sociaal culturele voorzieningen

  • -

    advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling

  • -

    een ontmoetingsruimte voor mensen die eenzaam zijn

  • -

    hulp aan buurthuizen en verenigingen

  • -

    opvang voor dak- en thuislozen die uitsluitend bestaat uit slapen en eten zonder verdere ondersteuning


Noot
1

Indien er een algemene- of collectieve voorziening wordt opgericht in de vorm van een Was- en Strijkservice, zal hier naar worden doorverwezen. Uitzondering hierop zijn bedlegerige patiënten, patiënten die chemotherapie ondergaan en extra bewassing i.v.m. overmatige transpiratie, incontinentie en speekselverlies (allen medisch aantoonbaar).

Noot
2

De gemeente/ISD Bollenstreek heeft een taak in het voorlichten van de burgers op deze onderdelen. Men moet kunnen weten wat verwacht wordt als men ooit een beroep op dit resultaat binnen de Wmo wil gaan doen.

Noot
3

Het is aan de klant om dit aan te tonen omdat de ISD Bollenstreek geen inzage heeft in de financiële gegevens van klanten.

Noot
4

Movisie (2017) Dagbesteding in ontwikkeling: vraagstukken voor gemeenten en 16 vernieuwende voorbeelden voor mensen met dementie en GGZ-problematiek

Noot
5

Een voorbeeld van een aanvullende verzekering is mantelzorgvervanging, bijvoorbeeld Handen-in-Huis

Noot
6

De volgende kosten zijn inbegrepen in een intramurale indicatie:

- Voeding: ontbijt, lunch en avondeten, koffie, thee, melk, fruit en tussendoortjes. Indien medisch noodzakelijk valt een

speciaal dieet ook onder de kosten.

- Radio/televisie algemeen gebruik

- Eenvoudige inrichting van de kamer indien de klant zelf niet voor de inrichting kan zorgen.

Noot
7

Handboek voor Toegankelijkheid (2003)

Noot
9

V&VN (2015) “De professionele standaard, een uitwerking” Visie van beroepsvereniging Verpleegkundigen en verzorgenden Nederland: https://www.venvn.nl/Berichten/ID/21896/categoryId/100/De-professionele-standaard-uitgewerkt

Noot
10

Trekkingsrecht is een wettelijke verplichting om fraude met besteding van het pgb zoveel mogelijk te voorkomen. Aldus is gewaarborgd dat pgb slechts wordt besteed om diensten, activiteiten, roerende zaken of woningaanpassingen in te kopen die ertoe strekken aanvrager de ondersteuning te bieden die in de maatwerkvoorziening is opgenomen.

Noot
11

Oefenen gaat samen met activiteiten 1 en 2. De van toepassing zijnde tijd, wordt bij deze activiteiten opgeteld. De combinatie van deze tijden leidt tot de te indiceren klasse.

Noot
12

Door samenvallende activiteiten wordt voor de maximale omvang naar beneden afgerond.

Noot
13

Door samenvallende activiteiten wordt voor de maximale omvang naar beneden afgerond.

Noot
14

Nederlands Oogheelkundig Gezelschap.

Noot
15

Samengevat omvat de richtlijn de volgende criteria: Gezichtsscherpte < 0,3, ernstige gezichtsveldproblemen bij een visus tussen 0,3 en 0,5, cerebrale visusstoornissen, onbegrepen visuele klachten met een aangegeven gezichtsscherpte < 0,3 en/of gezichtsveld < 30˚

Noot
16

De Participation Activity Inventory, ontwikkeld in samenwerking met de Vrije Universiteit Amsterdam.

Noot
17

Q consult Regie en vertegenwoordiging bij pgb-beheer Rapport