Bomenverordening Haarlem 2021

Geldend van 29-03-2022 t/m heden

Intitulé

Bomenverordening Haarlem 2021

De gemeenteraad van de gemeente Haarlem;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 26 april 2021;

gelet op artikel 149 Gemeentewet

Overwegende dat het wenselijk is regels vast te stellen voor de bescherming van de bomen en houtopstanden binnen de gemeente.

besluit vast te stellen de volgende verordening: Bomenverordening Haarlem 2021

§ 1.

Algemeen

1. Begripsomschrijvingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    Bebouwde kom Wnb: Voor de toepassing van deze verordening wordt voor het vaststellen van de bebouwde kom, als bedoeld in artikel 4.1 aanhef en onder a van de Wet Natuurbescherming het meest recente besluit van de gemeenteraad daarover aangehouden;

  • b.

    Beschermwaardige houtopstand: In Haarlem staat een groot aantal beschermwaardige monumentale bomen en - houtopstanden. Dit zijn grote, oude bomen, maar ook bomen die bij een bijzondere gebeurtenis zijn geplant of bomen van een bijzondere soort. Om deze bomen beter te kunnen beschermen heeft de gemeente Haarlem de Lijst van Beschermwaardige Houtopstanden samengesteld als bedoeld in artikel 3 van deze verordening. Op deze lijst staan de waardevolle en monumentale bomen van de gemeente en van andere eigenaren. Ook zijn de bomen die voorkomen in het landelijk register van monumentale bomen van de Bomenstichting opgenomen;

  • c.

    Boom: een houtachtig, opgaand gewas, zowel levend als afgestorven met een omtrek van de stam van minimaal 50 centimeter op 1,30 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de omtrek van de dikste stam;

  • d.

    Boomdeskundige: deskundige, gecertificeerd als European Tree Technician (ETT) of gelijkwaardig gecertificeerd;

  • e.

    Boomvormers: een boomvormer is een houtig, opgaand gewas met ontwikkeling van één of meer hoofdtakken. Een boomvormer kan uitgroeien tot een boom, een meerstammige boom of een boomachtige struik;

  • f.

    Boomwaarde: de monetaire waarde van een boom zoals getaxeerd volgens de meest recente richtlijnen van de Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen;

  • g.

    Bomen Effect Analyse (BEA2.0): een standaard beoordeling van de gevolgen van voorgenomen bouw of aanleg voor houtopstand, op basis van de Richtlijn BEA van de Bomenstichting en CROW;

  • h.

    Bomenstructuur: in beleids- of visiedocumenten vastgelegd gesloten netwerk van bomen op stedelijk- en wijkniveau;

  • i.

    Het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem;

  • j.

    Gemeentelijk waardevolle boom: Een houtopstand in gemeentelijk eigendom of in eigendom van andere eigenaren welke is opgenomen op de Lijst Beschermwaardige Houtopstanden en voldoet aan een van de volgende criteria

    • >

      Vervult een bijzondere schoonheid- of zeldzaamheidswaarde; of

    • >

      vervult een bijzondere historische functie voor de omgeving, bijvoorbeeld de gedenkboom; of

    • >

      heeft de leeftijd van 50 jaar of ouder bereikt en heeft nog een levensverwachting van minimaal 10 jaar en is beeldbepalend;

  • k.

    Hakhout: boomvormers of andere houtachtige gewassen, die na te zijn geknot tot bij de grond opnieuw op de stronk uitlopen;

  • l.

    Herplantplan: een plan waarin staat op welke locatie, met welke boomsoort en groeiplaatsinrichting gezorgd gaat worden voor duurzame herplant;

  • m.

    Houtopstand: één of meer bomen of boomvormers, of andere houtachtige gewassen, mogelijk onderdeel uitmakend van hakhout, of een houtwal, of een grotere (lint) begroeiing van heesters en struiken, of een beplanting van bosplantsoen, of een struweel of een haag, met onder c genoemde minimale omtrek;

  • n.

    Iepenspintkever: het insect, in elk ontwikkelingsstadium, behorende tot de soorten Scolytus scolytus (F.) en Scolytus multistratus (Marsch) en Scolytus pygmaeus;

  • o.

    Iepenziekte: de aantasting van iepen door de schimmel Ophiostoma ulmi (Buism.) Nannf. (syn. Ceratocystis ulmi (Buism.) C. Moreau);

  • p.

    Kandelaberen: een snoeitechniek waarbij de takken van een boom tot op de gesteltakken van een boom worden afgezaagd, waardoor de boom het uiterlijk van een kandelaar krijgt;

  • q.

    Knotten: periodiek geheel of gedeeltelijk verwijderen van uitgelopen takhout tot op de oude snoeiplaats;

  • r.

    Landelijk Register van Monumentale Bomen: Het Landelijk Register van Monumentale Bomen wordt beheerd door de Bomenstichting. In het Landelijk Register van Monumentale Bomen staan bomen die voldoen aan de volgende criteria:

    • 1.

      De boom moet een minimale leeftijd van 80 jaar hebben.

    • 2.

      De boom dient voldoende gezond te zijn en een levensverwachting te hebben van minimaal 10 jaar.

    • 3.

      De boom moet verder voldoen aan één van de volgende criteria:

      • is beeldbepalend voor de omgeving;

      • is cultuurhistorisch waardevol: standplaats is een belangrijk plek in de (lokale) geschiedenis;

      • is dendrologisch waardevol: zeldzame soort of variëteit;

      • is natuurwetenschappelijk of ecologisch waardevol: is het een moederboom, herbergt de boom bijzondere planten en/of dieren;

      • heeft zeldzaamheidswaarde: omvang, hoogte, ouderdom of anderszins opvallend in provinciaal of landelijk perspectief

  • s.

    Monumentale boom: Een houtopstand welke is opgenomen op de Lijst Beschermwaardige Houtopstanden en voldoet aan de gemeentelijke criteria die daaraan worden gesteld. De monumentale bomen betreffen zowel gemeentelijke bomen als die in eigendom van particulieren en overige zaakgerechtigden;

  • t.

    Particuliere houtopstand: een boom of houtopstand in eigendom van een particulier, bijvoorbeeld een particulier of zakelijk gerechtigde, zoals stichting of vereniging;

  • u.

    Vellen: rooien, kappen, verplanten, het snoeien van meer dan 20 procent van het kroonvolume of het wortelgestel, kandelaberen, evenals het verrichten van handelingen die de dood, ernstige beschadiging of ernstige ontsiering van houtopstand tot gevolg kunnen hebben.

§ 2.

Velverbod

2. Velverbod houtopstand

  • 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een houtopstand te vellen of te doen vellen.

  • 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt eveneens voor beplanting, ongeacht de omtrek, die is aangelegd op grond van een herplant- en instandhoudingsplicht.

  • 3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor een particuliere houtopstand op percelen van minder dan 100m2, niet zichtbaar vanaf de openbare weg, tenzij de boom geplaatst is op de lijst als bedoeld in artikel 3.

  • 4. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt tevens niet voor:

    • a.

      houtopstand die moet worden geveld vanwege de Iepenziekte, een andere besmettelijke boomziekte of een aanschrijving van het college of bevoegd gezag;

    • b.

      het, indien het invasieve karakter van de boom tot uiting komt, vellen van bomen geclassificeerd als schadelijke invasieve exoten, die vermeld zijn op de Unielijst van de EU-exotenverordening;

    • c.

      het periodiek terugzetten van hakhout ter uitvoering van het reguliere onderhoud, niet zijnde uitlopers dikker dan de in artikel 1 onder c aangegeven omtrek;

    • d.

      het periodiek knotten, snoeien of kandelaberen als noodzakelijke beheermaatregel bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen ter uitvoering van het reguliere onderhoud;

    • e.

      houtopstand die aantoonbaar op bedrijfseconomische wijze worden geëxploiteerd.

  • 5. Het is eveneens verboden zonder voorafgaand genomen collegebesluit, ongeacht de omtrek, te vellen of te doen vellen indien sprake is van:

    • een houtopstand opgenomen op de lijst 'beschermwaardige houtopstanden' zoals bedoeld in artikel 3;

    • een houtopstand onderdeel uitmakend van de hoofdbomenstructuur.

3 Aanwijzingsprocedure beschermwaardige houtopstanden

  • 1. Het college stelt een lijst van beschermwaardige houtopstanden vast waarop de waardevolle bomen, de monumentale bomen en de bomen die voorkomen in het landelijk Register van Monumentale Bomen van de Bomenstichting staan vermeld.

  • 2. De lijst bevat de volgende gegevens inzake de te beschermen monumentale of waardevolle boom:

    • a.

      redengevende beschrijving;

    • b.

      boomsoort;

    • c.

      standplaats;

    • d.

      eigendomsgegevens;

    • e.

      (geschatte) leeftijd boom.

  • 3. De lijst als bedoeld in het eerste lid wordt jaarlijks herzien, inclusief de ingediende aanvragen om bomen te plaatsen op deze lijst.

  • 4. Het college besluit tot plaatsing op of verwijdering van houtopstanden van deze lijst nadat advies is ingewonnen bij een onafhankelijke boomdeskundige.

    Voordat het bevoegd gezag over het opnemen van een houtopstand op de beschermde bomenlijst een besluit neemt, stelt zij de rechthebbende op de houtopstand in de gelegenheid een zienswijze naar voren te brengen. Afdeling 4.1.2. van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.

    De houtopstand wordt vanaf het moment van bekendmaken van het voornemen tot plaatsing van de houtopstand op de in lid 1 bedoelde lijst, tot het moment waarop de in het derde lid bedoelde zienswijzen procedure is doorlopen en het bevoegd gezag heeft besloten tot het al dan niet opnemen van de houtopstand op de in lid 1 bedoelde lijst, als een beschermwaardige houtopstand aangemerkt.

  • 5. Na vaststelling van de lijst worden de zakelijk gerechtigden op de hoogte gesteld.

  • 6. De zakelijk gerechtigde van een houtopstand die vermeld staat op de lijst is verplicht het college onmiddellijk schriftelijk mededeling te doen van:

    • a.

      het geheel of gedeeltelijk tenietgaan van de houtopstand, anders dan door velling op grond van een verleende vergunning;

    • b.

      de dreiging dat de houtopstand geheel of gedeeltelijk teniet kan gaan.

§ 3.

Omgevingsvergunning

4 Aanvraag

  • 1. De vergunning voor het vellen van een houtopstand moet worden aangevraagd door of namens de zakelijk gerechtigde tot een houtopstand.

  • 2. De aanvraag kan zowel schriftelijk als elektronisch worden ingediend onder bijvoeging van een motivering, een situatieschets en een foto.

  • 3. Indien de vergunning voor het vellen van een houtopstand wordt aangevraagd ter realisatie van een bouw- of aanlegwerk, of andere ruimtelijke herinrichting of reconstructie, wordt bij de aanvraag tevens een overzicht overgelegd van de overige vergunningen, ontheffingen of toestemmingen die nodig zijn voor de realisatie van dat project.

  • 4. Bij de aanvraag dient een herplantplan en, indien het een aanvraag betreft ter realisatie van een bouw- of aanlegwerk, of andere ruimtelijke herinrichting of reconstructie, een Bomen Effect Analyse te worden overgelegd.

  • 5. Het overleggen van een Bomen Effect Analyse is niet van toepassing op bomen die op basis van resultaten van nader boomtechnisch onderzoek na een boomveiligheidscontrole vanwege veiligheidsoverwegingen geveld moeten worden.

5 Criteria

  • 1. Het college kan voorschriften aan de vergunning verbinden ter bescherming van de in het tweede lid genoemde waarden.

  • 2. Een vergunning voor het vellen van een houtopstand wordt geweigerd indien de belangen van verlening niet opwegen tegen de belangen van duurzaam behoud van de houtopstand op basis van één of meer van de volgende waarden:

    • a.

      Natuur- en milieuwaarden;

    • b.

      Landschappelijke waarden;

    • c.

      Cultuurhistorische waarden;

    • d.

      Waarden van stads- en dorpsschoon;

    • e.

      Waarden voor recreatie en leefbaarheid.

  • 3. Een vergunning voor het vellen van houtopstanden, met uitzondering van particuliere houtopstanden, kan slechts worden verleend indien:

    • a.

      er sprake is van een zwaarwegend algemeen maatschappelijk belang en alternatieven voor behoud voldoende zijn onderzocht; of

    • b.

      er onevenredig veel overlast wordt ervaren en alternatieven voor behoud voldoende zijn onderzocht; of

    • c.

      het naar boomdeskundige maatstaven instandhouding niet langer verantwoord is ter voorkoming van letsel of schade.

  • 4. Een vergunning voor het vellen van een boom geplaatst op de lijst beschermwaardige houtopstanden als bedoeld in artikel 3 kan slechts door het college worden verleend indien er sprake is van een ernstige bedreiging van de openbare veiligheid, noodtoestand of een zwaarwegend algemeen maatschappelijk belang en alternatieven voor behoud voldoende zijn onderzocht.

    Indien voor een in overeenstemming met dit artikel beschermde houtopstand een omgevingsvergunning als genoemd in artikel 2 is verleend, vervalt de aanwijzing daartoe van rechtswege op het moment dat de desbetreffende omgevingsvergunning onherroepelijk wordt.

  • 5. De in lid 4 gestelde voorwaarden gelden ook voor de bomen voorkomende in het Landelijk Register van Monumentale Bomen van de Landelijke Bomenstichting, voor zover deze niet al zijn opgenomen in de in het eerste lid genoemde lijst.

  • 6. De burgemeester kan toestemming geven tot onmiddellijk vellen van een houtopstand indien sprake is van grote gevaarzetting of vergelijkbaar spoedeisend belang.

  • 7. Indien sprake is van complexe aanvragen kan het college, alvorens op de aanvraag te beslissen, advies inwinnen een bij een door hen ingestelde externe adviescommissie.

  • 8. Van een complexe aanvraag is sprake indien aan één of meer van de volgende voorwaarden is voldaan:

    • a.

      een aanvraag gaat over een of meer bomen geplaatst op de lijst van beschermwaardige houtopstanden;

    • b.

      een aanvraag gaat over het vellen van meer dan 10 bomen;

    • c.

      een aanvraag gaat over een of meer bomen die onderdeel uitmaken van de bomenstructuur;

    • d.

      een aanvraag gaat over een of meer bomen die onderdeel uitmaken van monumentale parken;

    • e.

      een aanvraag gaat over een of meer bomen die onderdeel uitmaken van ecologische potentielocaties, - hotspots en -verbindingszones.

6 Intrekking of wijziging

Het college kan de vergunning intrekken of wijzigen indien:

  • a.

    onjuiste of onvolledige gegevens ter verkrijging van de vergunning zijn verstrekt;

  • b.

    aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;

  • c.

    van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn of aan de voorwaarden kan worden voldaan.

7 Beperking geldigheidsduur

  • 1. De vergunning tot het vellen van een houtopstand kan worden ingetrokken indien niet binnen 18 maanden na het onherroepelijk worden van de vergunning gebruik is gemaakt, tenzij in de vergunning een langere termijn is gesteld die noodzakelijk is vanwege de voorzienbare langere uitvoeringstermijn van een project.

  • 2. Behoudens de bevoegdheid tot het voorschrijven van een langere termijn is bij een vergunning voor het vellen van meer dan één houtopstand, de vergunning voor alle houtopstanden 18 maanden geldig, ook als in fasen geveld wordt of één of enkele houtopstanden al geveld zijn.

8 Voorschriften

  • 1. Het college verbindt aan de vergunning het voorschrift dat binnen een door het college te bepalen termijn en overeenkomstig door het college te geven aanwijzingen wordt herplant, tenzij zwaarwegende argumenten zich daartegen verzetten.

  • 2. In het voorschrift als bedoeld in het eerste lid kan worden bepaald binnen welke termijn na de herplant en op welke wijze niet aangeslagen herplant moet worden vervangen.

  • 3. De verplichtingen en voorschriften tot herplanten kunnen tevens gelden voor houtopstanden kleiner dan de in artikel 1 sub a. genoemde minimummaat, indien het bomen betreft die opgenomen zijn in de lijst als bedoeld in artikel 3.

  • 4. Indien niet ter plaatse of op een andere locatie binnen het project kan worden herplant, verbindt het college aan de vergunning het voorschrift dat een geldelijke bijdrage ter hoogte van de monetaire boomwaarde van de gevelde houtopstand van tenminste € 4.600,- per boom gestort dient te worden in het gemeentelijk herplantfonds of een vergelijkbare gemeentelijke herplantregeling. De vergoeding behorend bij de herplantplicht geldt niet voor percelen met een woonbestemming waarop reeds de woning wordt bewoond, maar wel voor gemeenschappelijke tuinen behorend bij wooncomplexen.

  • 5. Tot aan de vergunning te verbinden voorschrift behoort dat op en bij bouw- en aanlegwerken of andere ruimtelijke herinrichting of reconstructie de te vellen bomen gedurende de bezwarentermijn herkenbaar moeten zijn gemarkeerd.

  • 6. Tot aan de vergunning te verbinden voorschriften kunnen behoren aanwijzingen ter bescherming van nabijgelegen houtopstand en voorschriften ter bescherming van in en rond de houtopstand voorkomende flora en fauna.

§ 4.

Herplant- en instandhoudingsplicht en afstand erfgrenslijn

9 Herplant- en instandhoudingsplicht

  • 1. Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is, zonder vergunning is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kan het college aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de houtopstand bevond dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herplanten overeenkomstig de aanwijzingen binnen de gestelde termijn.

  • 2. De verplichtingen en voorschriften van dit artikel kunnen tevens gelden voor houtopstanden die kleiner zijn dan de in artikel 1 sub c. genoemde minimummaat, indien het bomen betreft die geplaatst zijn op de lijst beschermwaardige houtopstanden als bedoeld in artikel 3.

  • 3. Indien een verplichting als bedoeld in het eerste lid is opgelegd, kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na herplant en op welke wijze niet aangeslagen herplant moet worden vervangen.

  • 4. Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is ernstig in het voortbestaan wordt bedreigd, kan het college aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om:

    • a.

      overeenkomstig de gegeven aanwijzingen binnen een daarvoor gestelde termijn maatregelen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen; of

    • b.

      een Bomen Effect Analyse op te stellen en aan te bieden aan het college.

    De verplichtingen en voorschriften van dit artikel kunnen ook gelden voor bomen met een omtrek kleiner dan het in artikel 1 onder c van deze verordening genoemde minimum.

    Degene aan wie een voorschrift of een verplichting als bedoeld in dit artikel is opgelegd, alsmede diens rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.

10 Afstand van de erfgrenslijn

De afstand als bedoeld in artikel 5:42 Burgerlijk Wetboek wordt vastgesteld op 0,5 meter voor bomen en op nihil voor heesters en heggen.

§ 5.

Iepenziekte en bescherming houtopstand

11 Bestrijding van iepenziekte

  • 1. Indien zich op een terrein één of meer iepen bevinden die naar het oordeel van het college gevaar opleveren van verspreiding van de iepenziekte of voor vermeerdering van de iepenspintkevers, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het college is aangeschreven, verplicht binnen de bij aanschrijving vast te stellen termijn:

    • a.

      indien de iepen in de grond staan, deze te vellen;

    • b.

      de iepen ter plaatse te ontbasten en de bast te vernietigen;

    • c.

      de niet ontbaste iepen of delen daarvan te vernietigen of zodanig te behandelen dat verspreiding van de iepenziekte wordt voorkomen.

  • 2. Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren;

  • 3. Het verbod is niet van toepassing op geheel ontbast iepenhout en op iepenhout met een diameter kleiner dan 4 centimeter;

  • 4. Het niet voldoen aan de in het eerste lid bedoelde aanschrijving biedt een basis voor de toepassing van bestuursdwang, waarbij de noodzakelijke werkzaamheden voor risico en voor rekening van aangeschrevene, door of namens de gemeente kunnen worden verricht.

§ 6.

Handhaving en toezicht

12 Strafbepaling

  • 1. Degene aan wie een voorschrift als bedoeld in artikel 8 en of artikel 11, eerste lid, is gegeven alsmede diens rechtsopvolger, is gehouden dienovereenkomstig te handelen.

  • 2. Hij die handelt in strijd met het bij of krachtens artikel 2, eerste, tweede en vijfde lid en/of artikel 9, eerste, tweede, derde en vierde lid, en of artikel 11, tweede lid bepaalde, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie, vermeerderd met de boomwaarde en de kosten van het herplanten van een vergelijkbare boom.

13 Toezichthouders

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de bij besluit van het college aangewezen personen werkzaam bij de gemeente Haarlem.

§ 7.

Slotbepalingen

14 Overgangsbepaling

  • 1. Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening blijft van toepassing ten aanzien van omgevingsvergunningen aangevraagd vóór dat tijdstip.

  • 2. De vigerende Lijst van Beschermwaardige Houtopstanden 2019 en het besluit tot aanwijzing van toezichthouders op basis van de Bomenverordening Haarlem (2011/442326) gelden als besluit op basis van de Bomenverordening Haarlem 2021.

15 Inwerkingtreding

  • 1. Deze verordening treedt in werking 3 maanden na de dag waarop zij is bekendgemaakt.

  • 2. De Bomenverordening Haarlem (2011/442326) wordt op dat moment ingetrokken.

16 Slotbepaling

Deze verordening kan worden aangehaald als: Bomenverordening Haarlem 2021

Ondertekening

Aldus vastgesteld te Haarlem op 25 november 2021,

de griffier,

de voorzitter,

Toelichting Bomenverordening Haarlem

Artikelsgewijs

 

§ 1.

Algemeen

 
 
 

Het belangrijkste motief van de Bomenverordening is de regulering van het vellen van houtopstanden. Daarom voorziet de verordening in een vergunningsplicht hiervoor.

Houtopstanden vormen in een compacte stad als Haarlem een schaars goed waarmee zorgvuldig moet worden omgesprongen. Hoog opgaand groen wordt door veel inwoners ervaren als een verrijking van het aanzien van de stad en als een waardevolle afwisseling met de vele bouwwerken en infrastructuur in de stedelijke omgeving. Bovendien hebben bomen een belangrijke ecologische waarde en leveren zij een bijdrage aan een schone lucht en aan de leefbaarheid van de stad.

Bij de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) komt de vergunning om te mogen vellen te vallen onder de omgevingsvergunning. De Wabo voorziet in een groot aantal procedurele voorschriften voor de behandeling van een vergunningsaanvraag. De Bomenverordening bevat op deze gebieden dan ook geen eigen bepalingen. Ook de strafbepaling op het overtreden van de bepalingen van de verordening wordt in de Wabo geregeld: deze wijst naar de Wet economische delicten.

De Wabo moet dus naast de Bomenverordening worden gehanteerd voor het beoordelen van vergunningsaanvragen.

 

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

 

a.

Bebouwde kom Wnb

In de Wet natuurbescherming, artikel 4.1 sub a is bepaald dat de gemeenteraad de grenzen vaststelt van de bebouwde kom zoals aangegeven in de Wet Natuurbescherming, voorheen de Boswet (hierna: bebouwde kom Wnb). Met de bebouwde kom Wnb wordt een andere begrenzing bedoeld dan de begrenzing in het kader van de Wegenverkeerswet. Het benoemen van de bebouwde kom is noodzakelijk om de bevoegdheid tussen de gemeente en de provincie af te bakenen met betrekking tot (o.a.) het beschermen van bomen en houtopstanden en het mogen afgeven van een omgevingsvergunning met een kapactiviteit (kapvergunningen). Binnen de grens bebouwde kom Wnb is de gemeente het bevoegd gezag. Buiten de bebouwde kom is de provincie het bevoegd gezag wanneer het aantal te vellen bomen en houtopstanden meer bedraagt dan de hoeveelheden die in de Wnb zijn opgenomen.

 
 

c.

Boom

Afbakening van het begrip boom is van belang in verband met het aangeven van de ondergrens van de bescherming. Er wordt voor het velverbod geen onderscheid gemaakt tussen levende en afgestorven houtopstand. Hiermee kan voorkomen worden dat een kwaadwillende boomeigenaar ervoor zorgt dat een gezonde boom doodgaat of `bij vergissing´ een gezonde boom velt.

Vellen zal bij afgestorven gewas vrijwel altijd plaatsvinden, omdat dit veelal tot gevaarlijke situaties leidt. Doordat er een vergunning moet worden aangevraagd voor het vellen wordt herplant verplicht, tenzij er zwaarwegende redenen zijn dit niet op te leggen. Zo kan worden zorggedragen voor een gezond, levend bomenbestand. Het kan tevens wenselijk zijn om dode bomen te bewaren vanwege hun ecologisch waardevolle functies of omdat er wettelijk beschermde diersoorten in nestelen.

 
 

f.

Boomwaarde

De richtlijnen van de Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen en houtige gewassen (NVTB, p/a Postbus 27, 9000 AA Grou, T 06-28310948, E info@boomtaxateur.nl) voor de monetaire boomwaarde worden jaarlijks vastgesteld aan de hand van de prijsindexcijfers van het CBS, marktprijsgemiddelden en andere kengetallen. De richtlijnen gelden als de meest deskundige methodiek voor de wijze van vaststellen van de geldwaarde van bomen en worden in de rechtspraak erkend. Het spreekt overigens voor zich dat bomen ook vele andere waarden dan monetaire waarde kunnen vertegenwoordigen.

 
 

g.

Bomen Effect Analyse

Waardevolle houtopstanden worden regelmatig (ernstig) beschadigd of vernietigd door bouw en aanleg van huizen, wegen, rioleringen of kabels en leidingen. Vaak gebeurt dit ongewenst en onbedoeld, omdat er te laat is gekeken naar de gevolgen voor de houtopstanden, waardoor ze niet ingepast of (onherstelbaar) beschadigd raken. De Bomen Effect Analyse (BEA2.0) is de landelijke richtlijn van de Bomenstichting voor een nauwgezette en onafhankelijke beoordeling, voorafgaand aan de voorgenomen bouw of aanleg. Deze standaardisering waarborgt de boomtechnische kwaliteit en garandeert een goede beoordeling van alle effecten en mogelijke alternatieven.

 
 

h.

Bomenstructuur

Beleids- en visiedocumenten waarin boomstructuren zijn vastgelegd zijn bv. de Omgevingsvisie, Structuurvisie Openbare Ruimte (SOR), groenbeleidsplan, groenstructuurplan en het bomenbeleidsplan.

 
 

j.

Gemeentelijke waardevolle bomen Dit zijn door de gemeente aangewezen bomen in gemeentelijk eigendom die zij als zeer waardevol beschouwt en zijn opgenomen in de lijst van beschermwaardige houtopstanden.

De bomen moeten, om op de lijst opgenomen te worden aan de volgende voorwaarden voldoen:

  • Een bijzondere schoonheid- of zeldzaamheidswaarde vervullen; of

  • Een bijzondere historische functie voor de omgeving vervullen, bijvoorbeeld de gedenkbomen; of

  • Een leeftijd van 50 jaar of ouder heeft bereikt met een levensverwachting van minimaal 10 jaar en beeldbepalend is.

Dergelijke bomen mogen alleen geveld worden indien er sprake is van een zwaarwegend algemeen maatschappelijk belang.

 
 

m.

Houtopstand

Het kernbegrip van deze verordening, waar het velverbod en de vergunningplicht op van toepassing zijn. Door dit begrip consequent centraal te stellen wordt duidelijk dat de bescherming betrekking heeft op meer dan bomen alleen.

Boomvormer: een boomvormer is een houtig, opgaand gewas met ontwikkeling van één of meer hoofdtakken. Een boomvormer kan uitgroeien tot een boom, een meerstammige boom of een boomachtige struik. In het alledaagse spraakgebruik heeft een boom één of slechts enkele stammen. In de natuur bestaat er echter een geleidelijke overgang: heester - struik - struikachtige boom - (meerstammige) boom.

Houtwal: lijnvormige bosaanplant hoofdzakelijk bestaande uit heesters, struiken en boomvormers.

(Lint) begroeiing: vanwege de grote ecologische waarde van dergelijke begroeiingen (bijv. een meidoorn- of mispelhaag) is bescherming hiervan een noodzaak. Er staat ’begroeiing" in plaats van beplanting om ook spontaan opgekomen groen bescherming te bieden.

Bosplantsoen: aanplant van jong bos, bestaande uit hoofdzakelijk heesters, struiken en boomvormers.

Struweel: een begroeiing van hoofdzakelijk soorten heesters en struiken.

Haag: een lintvormige aanplant van heesters of struiken, al dan niet in een vorm gesnoeid, met een minimale lengte van 3 meter.

 
 

s.

Monumentale boom

Dit zijn door de gemeente aangewezen bijzondere beschermwaardige bomen die zij als zeer waardevol beschouwt en zijn opgenomen in de lijst van beschermwaardige houtopstanden.

Een monumentale boom of houtopstand heeft een leeftijd van 80 jaar of ouder met een levensverwachting van minimaal 10 jaar en die voldoet aan één van de volgende criteria:

  • beeldbepalend;

  • cultuurhistorische waarde;

  • dendrologische waarde;

  • natuurwaarde of zeldzaamheid.

De monumentale bomen betreffen zowel gemeentelijke bomen als die in eigendom van particulieren en overige zaakgerechtigden.

 
 

t.

Particuliere houtopstand

Een natuurlijk persoon is een mens in juridische zin, als iemand die drager van rechten en verplichtingen kan zijn.

De natuurlijke persoon is de tegenhanger van de rechtspersoon, een organisatie of abstracte entiteit die zelfstandig in het rechtsverkeer kan optreden.

 
 

u.

Vellen

Elke wijze van het te gronde richten van een houtopstand ongeacht of dit gedeeltelijk is. Het kan dan gaan om kappen, of volledig verwijderen, zoals bij rooien (inclusief stobbe verwijderen).

Ook ingrepen als het vellen van bomen als bosbouwkundige ingreep om de groei van andere bomen te bevorderen (dunning) of die een ingrijpende wijziging betekenen, zoals kandelaberen of het snoeien van meer dan 20 procent van het kroonvolume, vallen onder vellen, om het ernstig beschadigen of ontsieren van een boomkroon tegen te kunnen gaan. Het in stand houden door periodieke snoei van de door kandelaberen of knotten ontstane kroonvorm is niet vergunning plichtig. De eerste keer kandelaberen of knotten is wel vergunning plichtig. De omschrijving van 'vellen' omvat ook 'het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging van houtopstand ten gevolge kunnen hebben'. Bij ernstige beschadiging of ontsiering van de houtopstand zou bijvoorbeeld gedacht kunnen worden aan het onoordeelkundig substantieel snoeien van de kroon of het wortelgestel. Tevens worden deze handelingen onder het begrip vellen gebracht indien toegepast op dode houtopstand. Door de verordening ook van toepassing te laten zijn op het ernstig beschadigen of ontsieren van samengestelde verschijningsvormen, worden grootschalige ingrepen in houtopstand eveneens vergunning plichtig.

 
 

§ 2.

Velverbod

 
 
 
 
 

Artikel 2 Velverbod

 

1

Dit verbod is in verschillende opzichten ruimer dan het lijkt. Vellen is meer dan alleen omzagen en houtopstand is meer dan alleen een boom (zie artikel 1).

 

2

Bomen en andere houtopstanden die zijn aangeplant ter compensatie van gevelde bomen zijn altijd vergunningplichtig.

 

3

Onder de openbare weg wordt verstaan: de openbare weg als omschreven in de Algemene Plaatselijke Verordening, met uitzondering van brandgangen en besloten garagepleinen.

 

5

In een aantal bijzondere gevallen is voorafgaand aan de vergunning, ongeacht de omtrek, een collegebesluit verplicht. Een vergunning is in de lid 2 genoemde gevallen derhalve ook verplicht indien de omtrek minder is dan de in artikel 1 sub c genoemde omtrek.

Artikel 3 Aanwijzingsprocedure beschermwaardige houtopstanden

 

1

De lijst met beschermwaardige houtopstanden kan houtopstanden bevatten met een kleinere omtrek dan in artikel 1 sub c genoemd. Op deze wijze kan (landschappelijk) waardevolle houtopstand, zoals beeldbepalende Rhododendrons, magnolia’s of klimplanten of een nieuw aangeplante herdenkingsboom met een kleinere diktemaat toch bescherming genieten. Gemeentelijke waardevolle bomen betreft bijvoorbeeld gedenkbomen. De monumentale bomen betreffen zowel gemeentelijke bomen als die in eigendom van particulieren en van overige zaakgerechtigden. Het opstellen van een lijst van beschermwaardige houtopstanden veronderstelt wel een zekere exclusiviteit: een houtopstand dient zich wel in één of meer opzichten duidelijk te onderscheiden, anders heeft de lijst geen bijzondere betekenis.

De gemeente kan zelf het initiatief nemen tot plaatsing maar ook de particuliere zakelijk gerechtigde of een derde kan een verzoek doen. Duurzaam behoud van houtopstand op deze lijst heeft een hoge prioriteit. Doorhaling op de lijst zal in de regel alleen voorkomen als de houtopstand verloren is gegaan.

 

2

De lijst bevat de volgende gegevens, inzake de te beschermen monumentale of waardevolle boom:

  • a.

    redengevende beschrijving: bijvoorbeeld een gedenkboom, of monumentale boom;

  • b.

    soort boom: bijvoorbeeld een Quercus;

  • c.

    standplaats: aanduiding van stadplaats/locatie van de boom;

  • d.

    eigendomsgegevens: gemeentelijk of andere eigenaren;

  • e.

    (geschatte) leeftijd van de boom.

 

3

Afhankelijk van het aantal aanvragen en mutaties wordt de Lijst Beschermwaardige Houtopstanden periodiek geactualiseerd.

 

4

Duurzaam behoud van beschermde houtopstanden heeft een hoge prioriteit. Dergelijke houtopstanden worden door dit artikel extra beschermd doordat alleen bij hoge uitzondering een vergunning voor vellen wordt verleend.

Nieuw ten opzichte van de verordening uit 2012 is dat vanaf het moment dat het bevoegd gezag aan de eigenaar van een houtopstand het voornemen kenbaar maakt die houtopstand te gaan beschermen, er een voorbescherming van kracht wordt. Gemodelleerd naar de voorbescherming zoals die bijvoorbeeld in de Erfgoedverordening is opgenomen, voorkomt dit dat een eigenaar tussen de aankondiging van bescherming en het besluit daartoe de houtopstand zonder gevolgen kan (doen) vellen. Gedurende de procedure wordt een houtopstand behandeld als ware het al een beschermde houtopstand. In het geval een eigenaar van een houtopstand dan overgaat tot het vellen daarvan kan handhavend worden opgetreden en is artikel 12 lid 2 van toepassing.

Het enkele feit dat er sprake is van een beschermde houtopstand betekent, zoals hiervoor bij de toelichting op artikel 4 al aangegeven, niet dat deze nimmer geveld zou kunnen worden. Echter, wanneer het bevoegd gezag vergunning verleent voor het vellen van een beschermde houtopstand betekent dit dat op het moment dat de vergunningverlening onherroepelijk wordt de aanwijzing van rechtswege komt te vervallen.

 

7

Het algemeen maatschappelijk belang en dus niet van een particulier belang of het belang van enkelingen duidt op datgene dat voor het welzijn van de inwoners in het algemeen nuttig, gewenst of nodig is, naar het oordeel van het college.

§ 3.

Omgevingsvergunning

Artikel 4 Aanvraag

 

1

De omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden is in artikel 2.2. eerste lid onder g. van de Wabo aangewezen. De indieningsvereisten voor een omgevingsvergunning staan in de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor) voorgeschreven. Specifieke indieningsvereisten voor het aanvragen van een omgevingsvergunning tot het vellen van een houtopstand staan opgenomen in Hoofdstuk 7 Mor vermeldt.

Aan de motivering worden in deze verordening aanvullende vereisten gesteld, welke tezamen maken dat alle informatie aanwezig is om een goede beoordeling te maken ten aanzien van het verlenen van de omgevingsvergunning. Tezamen met een mogelijke vergunning, ontheffing of vrijstelling op grond van de Wet natuurbescherming -die kan aanhaken bij de omgevingsvergunning- wordt één omgevingsvergunning verleend.

Aanvragers kunnen slechts zijn: eigenaren van of zakelijk gerechtigden tot een houtopstand. Zakelijk gerechtigden zijn in beginsel degenen die een notariële akte kunnen overleggen inzake een recht van erfpacht, pacht, opstal, erfdienstbaarheid, vruchtgebruik of pootrecht betreffende de houtopstand.

Huurders hebben een persoonlijk en geen zakelijk recht. Zij moeten dus de schriftelijke toestemming voor een aanvraag van de verhuurder, die eigenaar van de houtopstand is, overleggen. De eigenaar van een houtopstand kan bij (huur)overeenkomst of bij machtiging zijn huurders het recht tot een omgevingsvergunningaanvraag verlenen. Na ontbinding van de huurovereenkomst is de zaak gebonden omgevingsvergunning nog van toepassing op het project. Voorschriften van de omgevingsvergunning dienen dan door de eigenaar van het perceel nagekomen te worden.

 

2.

Bij de aanvraag dienen te worden bijgevoegd:

  • Een motivering,

    • o

      waarin de aanvrager haar belang van het vellen aangeeft, waarom dit het belang van het behoud van de boom overstijgt en welke alternatieven onderzocht zijn;

    • o

      bij voorkeur aangevuld met een onderbouwd deskundigenrapport;

    • o

      een Bomen Effect Analyse (BEA 2.0) indien de aanvraag het vellen van meer dan twee houtopstanden betreft;

    • o

      een herplantvoorstel, dan wel motivatie waarom herplant niet opgelegd zou hoeven te worden.

  • Een situatieschets,

    • o

      zodanig gedetailleerd dat misverstanden over de exacte boom en de locatie worden voorkomen;

    • o

      per boom aangegeven de soort en stamomtrek;

  • Bij voorkeur meerdere foto’s waarop duidelijk te zien is waarom de aanvrager de boom wil vellen;

  • Een machtiging indien de aanvrager niet de eigenaar is.

Artikel 5 Criteria

 

1

Elke boom draagt bij aan het karakter van zijn directe omgeving en aan de uitstraling van de stedelijke omgeving als geheel. Naast een beeldbepalende waarde heeft een houtopstand ook waarde vanuit ecologisch en milieuoogpunt en kan er in sommige gevallen sprake zijn van een cultuurhistorische betekenis.

Iedere keer zal bij een aanvraag tot vellen van een houtopstand een afweging moeten worden gemaakt van alle betrokken belangen, zowel de belangen tot behoud van de houtopstand als de belangen die de aanleiding voor de aanvraag vormen. De criteria in die in artikel 5 worden genoemd zijn bedoeld om deze afweging zo goed mogelijk te maken.

 

2

Dit lid bevat de criteria, op grond waarvan een vergunning als bedoeld in artikel 5 lid 4 tot het vellen van een particuliere houtopstand geweigerd wordt. Stilzwijgend wordt ervan uitgegaan dat (te) zieke of gevaarlijke bomen altijd voor vergunning in aanmerking zullen komen. Ervaring leert dat de algemene termen waarin hier genoemde weigeringsgronden gesteld zijn nadere uitwerking behoeven van criteria voor boombelang en verwijderingsbelang. Deze criteria kunnen in een afwegingsmodel worden geplaatst dat als instrument bij de beoordeling van de aanvraag wordt gehanteerd. De beslissing op de aanvraag moet waar mogelijk verwijzen naar beleidsbesluiten.

Bij de afweging van alle belangen kan gebruik worden gemaakt van beleidsregels voor de beoordeling van velaanvragen. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht (artikel 3:46 – 3:50 en 4:82 – 4:84) dient de motivering van het besluit van burgemeester en wethouders te verwijzen naar gemeentelijk beleid zoals bestemmings-, groen-, bomen-, of landschapsplannen en bijhorende (beschermings)categorieën en beleidskaarten. De waarden zoals gesteld in artikel 5 lid 2 zullen in het bomenbeleidsplan nader worden uitgewerkt. Daarbij dient opgemerkt te worden dat sinds 26 oktober 2016 een dergelijke motivering niet rauwelijks kan volstaan. Op die datum heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie ECLI:NL:RVS:2016:2840) uitgesproken dat telkens bekeken moet worden of er bijzondere omstandigheden zijn die op zichzelf of in combinatie met elkaar bezien ertoe leiden dat het onverkort volgen van een beleidsregel onevenredig is voor een of meer belanghebbenden ten opzichte van de met die beleidsregel te dienen doelen. Hieruit blijkt dat, ondanks dat de beleidsruimte is ingekleurd in een beleidsregel en daarnaar in principe mag worden verwezen ter motivering, er altijd een extra slag moet worden gemaakt in de vorm van een evenredigheidstoets.

Bij de toepassing van de in dit lid genoemde weigeringsgronden houdt het college verder rekening met het bomenbeleidsplan dat is vastgesteld.

 
 

Natuur- en milieuwaarden

Iedere houtopstand heeft natuurwaarde en de algemene zorgplicht van de Wet Natuurbescherming (Wnb) geldt altijd. Aanvrager moet hier rekening mee houden bij het plannen en uitvoeren van het project of werk. Het bevoegd gezag is belegd bij de provincies.

Met de inwerkingtreding van de Wnb is het de taak van de gemeente om te controleren of de aanvraag omgevingsvergunning volledig is. De gemeente moet in dat kader toetsen of de aanvrager al dan niet terecht heeft aangegeven of de handeling geen gevolgen heeft voor beschermde soorten of gebieden. Bij aanvragen omgevingsvergunning kan een ecologische QuickScan noodzakelijk zijn om: 1) te beoordelen of er beschermde soorten in het projectgebied voor komen, welke effecten het project daarop heeft en of daarmee verbodsbepalingen van de Wnb overtreden worden, 2) en (daarmee) te beoordelen of er moet worden aangehaakt bij de Wnb, en/of 3) welke vergunningsvoorwaarden moeten worden verbonden aan de omgevingsvergunning.

Deze weigeringsgrond wordt toegepast als de houtopstand levensruimte biedt aan beschermde plant- en/of diersoorten, die aangewezen zijn door het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit, waaronder vleermuizen, maretak en alle vogels (zie op de internetsite: www.minlnv.nl). Dan wel wanneer het vellen een onevenredig negatief effect zou hebben op de ecologische kwaliteit van het gebied en omgeving.

 
 

Landschappelijke waarden

Een houtopstand kan kenmerkend zijn voor de aanwezige landschapstypen in onze gemeente. Een landschappelijke waardering kan worden toegekend aan een ruimtelijk element (de houtopstand of boom) dat door zijn voorkomen de landschappelijke kwaliteit, de specificiteit en de herkenbaarheid van zijn omgeving verhoogt. Deze bomen bepalen mede het aanzicht van Haarlem of zijn onderdeel van een structuur die belangrijk is voor het karakter van Haarlem of landschap. Beeldbepalende bomen zijn van belang voor de stedenbouwkundige - of landschappelijke samenhang. Het ruimtelijk beleid is erop gericht het beeldbepalend karakter van het element te behouden of te versterken. Hier is een verwijzing naar een groen- bomen- of landschapsplan op zijn plaats.

 
 

Cultuurhistorische waarden

Deze houtopstanden vertellen iets over de geschiedenis van de gemeente of zijn omgeving. Ook bomen die geplant zijn bij een bijzondere gebeurtenis vertegenwoordigen een cultuurhistorische waarde (herdenkings- of herinneringsbomen).

 
 

Waarden van stads- en dorpsschoon

De veelal solitaire bomen en boomgroepen die aanwezig zijn in de wijken fungeren als markante beeldbepalende elementen, die de specifieke identiteit van de verschillende locaties bepalen. Deze beeldbepalende bomen zijn waardevol vanwege de ligging en zijn van belang voor het aanzicht en de identiteit van een gebied. Deze houtopstanden, die op de langs de weg gelegen tuinen, parken, begraafplaatsen en monumentale eenheden (ensembles) aanwezig zijn, en deels bomen ter markering van bijzondere gebouwen en beelden, zijn vanuit het historisch perspectief gezien van bijzonder groot belang voor de wijk of de stad. Ze hebben een uitstraling die verder reikt dan alleen de locatie en haar directe omgeving. De boom is door zijn leeftijd en of verschijning onvervangbaar voor het karakter van de omgeving en/of van landelijk belang.

De beeldbepalendheid is hoger wanneer er meer inwoners zicht op hebben, als de boom op een druk punt staat of in een park dat door vele mensen wordt bezocht. De mate van zichtbaarheid bepaalt ook mede de beeldbepalendheid. Van beide richtingen in een straat zichtbaar verhoogd de beeldbepalendheid. De beeldbepalendheid is vanzelfsprekend ook hoger naarmate er minder andere bomen in de buurt staan. In een straat met weinig bomen kan een boom beeldbepalend zijn, terwijl een vergelijkbare boom in een omgeving met meer bomen minder beeldbepalend zou zijn. Een grote boom is vaak meer beeldbepalend omdat die goed gezien kan worden.

Een bijzondere schoonheidswaarde kan worden toegekend voor een boom die bijzonder is vanwege bijzondere vorm, bijzondere kroon, bijzondere bast, afmeting of ander bijzonder kenmerk.

Een bijzondere zeldzaamheidswaarde kan voor een boom worden toegekend wanneer de boom zeldzaam is voor Haarlem. Voorbeelden zijn bijvoorbeeld de zeeden; niet bijzonder voor het duingebied, wel voor Haarlem. Een type kroon wat voor de desbetreffende boom weinig voorkomt, of een omvang groter dan gemiddeld voor de soort.

 
 

Waarden voor recreatie en leefbaarheid

Bij het bepalen van de bijdrage aan de leefbaarheid in de straat wordt, net als bij het beoordelen of een beeldbepalende waarde aanwezig is, gekeken of er binnen zichtafstand een vergelijkbare houtopstand aanwezig blijft. Het uitgangspunt bij dit weigeringspunt is, dat bomen een positieve bijdrage leveren aan de leefbaarheid voor de bewoners in de straat. Na het vellen van de betreffende houtopstand moet er nog genoeg houtopstand aanwezig zijn om de straat “aan te kleden”. De aankleding van de straat kan ook gerealiseerd worden met gemeentelijke bomen. In een straat waar binnen zichtafstand meerdere gemeentelijke en/of particuliere bomen staan, zal de weigeringsgrond met betrekking tot leefbaarheid in principe voorkomen, maar in een concreet geval kan het bevoegd gezag voldoende aanknopingspunten zien om een aangevraagde vergunning met redenen omkleed af te wijzen. Bij de leefbaarheid gaat het in feite om minder opvallende of aansprekende bomen dan in geval van beeldbepalendheid. Het is dan ook niet vanzelfsprekend dat bomen die een bijdrage leveren aan de leefbaarheid, op den duur de status ‘beeldbepalend’ krijgen.

 

3

In dit lid wordt bepaald wanneer er voor het vellen van alle gemeentelijke bomen en alle bomen en houtopstanden die in eigendom zijn van projectontwikkelaars en rechtspersonen een vergunning wordt verleend. Artikel 5 lid 3 is ook van toepassing op monumentale bomen in bezit van een natuurlijke persoon, zie het afwijkend criterium wanneer deze geveld mogen worden in artikel 5 lid 5.

 
 

Zwaarwegend algemeen maatschappelijk belang en alternatieven

In de regel dient er sprake te zijn van een algemeen belang en dus niet van een particulier belang of het belang van enkelingen. Zwaarwegende redenen van maatschappelijk belang kunnen bijvoorbeeld zijn: verbetering van de werkgelegenheid (bijvoorbeeld aanleg van bedrijventerrein), voorzien in woningbehoefte, verbetering van de infrastructuur uit oogpunt van verkeersveiligheid of betere bereikbaarheid, aanleg van riolering, natuurontwikkeling of natuursanering (bij het bereiken van wezenlijke gunstige effecten voor het milieu), uitbreiding van een ziekenhuis of volksgezondheid. Een in een wijk gedragen initiatief voor bijvoorbeeld het verbeteren van de kwaliteit van het groen of het verminderen van de overlast, kan ook een zwaarwegend algemeen maatschappelijk belang zijn. Uit een enquête in de desbetreffende straat moet blijken dat minimaal 70 procent van de respondenten voor het vellen van de houtopstanden is. Er dient een respons te zijn van minimaal 50 procent van de bewoners. Vervolgens moeten voorafgaand aan een eventuele vergunning de alternatieven voor (her)inrichting of aanpassing van de plannen voldoende onderzocht zijn en als onmogelijk of zeer onwenselijk zijn aangemerkt.

 
 

Onevenredige overlast

Overlast van de houtopstand of houtopstanden zou tevens een reden kunnen zijn voor het verlenen van een vergunning. Overlast kan als onaangenaam worden aangemerkt, maar dat wil niet zeggen dat dit altijd als maatschappelijk onbetamelijk handelen mag worden beschouwd. Volgens het burgerlijk wetboek is niet elke overlast onrechtmatig. Overlast wordt pas onrechtmatig wanneer daardoor de grenzen van hetgeen maatschappelijk nog betamelijk is worden overschreden (art. 5.37 BW). De beoordeling geschiedt op grond van redelijkheid en billijkheid.

Met vellen als gevolg van overlast wordt terughoudend omgegaan. Slechts in een beperkt aantal gevallen zal deze overlast zodanig zijn dat dit een reden is om een vergunning te verlenen. Enkelvoudige vorm van overlast is over het algemeen geen reden voor verlening van een kapvergunning. Normale bladval, bloei (pluizen, blaadjes), vruchten, dood hout, aanwezigheid van luis (honingdauw), wortels, stuifmeel (hooikoorts) overhangende takken en enige mate van schaduwwerking zal niet zomaar als onrechtmatige hinder worden beschouwd. Deze overlast zal in beginsel geaccepteerd moeten worden.

Uit jurisprudentie blijkt dat onvoldoende licht toetreding tot de woning niet als onrechtmatig wordt aangemerkt wanneer het zonlicht een belangrijk deel van de dag toegang heeft tot de gevel. Onvoldoende lichttoetreding in de woning kan in bestaande situaties slechts als argument worden aangemerkt om een boom te vellen indien er sprake is van situaties welke kunnen worden aangemerkt als onrechtmatig.

Uit jurisprudentie blijkt dat de aanwezigheid van bomen die een deel van de dag de zon uit de tuin wegnemen niet als onrechtmatig kan worden aangemerkt. Dit betekent dat niet op elk moment van de dag de zon in de tuin hoeft te schijnen en ook niet elk stuk van de tuin dagelijks door de zon behoeft te worden beschenen. Onvoldoende lichttoetreding in de achtertuin kan dan ook alleen als argument worden aangemerkt om een boom te vellen indien er sprake is van situaties waarbij gedurende vrijwel de gehele dag de zon niet in de tuin schijnt.

Er zijn situaties denkbaar dat overlast van een boom niet door één aspect wordt veroorzaakt maar door meerdere. De Hoge Raad heeft aangegeven dat voor de bepaling van de onrechtmatigheid van hinder moet worden gekeken naar de aard, de duur en de ernst van de overlast in verband met de plaatselijke omstandigheden. Het kan dus voorkomen dat een cumulatie van vormen van overlast wel zodanig zijn dat er sprake is van onrechtmatige hinder en dus de grenzen van hetgeen maatschappelijk nog betamelijk is worden overschreden. Dergelijke situaties kunnen niet in algemeen beleid worden weergegeven, maar dienen afzonderlijk te worden beoordeeld op basis van redelijkheid en billijkheid, waarbij de gemeente zal de vermeende hinder afwegen tegen het belang van het voortbestaan van de houtopstand. In de afweging wordt tevens betrokken het particuliere belang tegenover het algemeen belang. Een combinatie van vormen van overlast is een argument om houtopstanden te vellen indien er sprake is van situaties welke de grenzen van het maatschappelijk betamelijke overschrijdt en kunnen worden aangemerkt als onrechtmatig.

Hierbij moet tevens gelden dat geen andere bevredigende oplossing mogelijk is ter behoud van de houtopstand. Een vergunning voor meer dan 20 procent snoeien wordt in sommige gevallen wel gegeven.

 
 

Instandhouding niet langer verantwoord

Indien het behoud van de houtopstand naar boomdeskundige maatstaven niet langer mogelijk en verantwoord is, kan een vergunning verleend worden. Om te beoordelen of instandhouding niet langer verantwoord is dan wel dat verplaatsing van een houtopstand mag plaatsvinden, dient de aanvrager van de ontheffing een advies te overleggen van een boomtechnisch deskundige. Een houtopstand welke op grond van een VTA-keuring als ‘risicoboom’ is aangemerkt en waar het risico niet kan worden weggenomen door bijvoorbeeld het snoeien van de houtopstand, kan onder dit begrip vallen.

 
 

Het college van Burgemeester en Wethouders stelt een externe adviescommissie in die mede op basis van dit lid zal adviseren over complexe aanvragen.

 

6

Indien sprake is van gevaarzetting kan met toestemming van de burgemeester direct tot velling worden overgegaan. Het argument gevaarzetting is voorbehouden aan houtopstanden die als gevolg van schade (bijv. storm- bliksem of aanrijschade) of aantasting een acuut gevaar vormen voor personen of de omgeving. Ondanks dat de boom in deze gevallen waar spoed geboden is al geveld is, zal achteraf een omgevingsvergunning moeten worden aangevraagd, waaraan het bevoegd gezag alsnog voorwaarden kan verbinden.

De bevoegdheid om op grond van gevaarzetting direct tot het vellen van houtopstand te besluiten behoort toe aan de burgemeester. De burgemeester kan deze bevoegdheid mandateren. Op het besluit van de burgemeester zijn de normale bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht, en meer in het bijzonder de bepalingen over beschikkingen, van toepassing. Dit betekent dat het besluit van de burgemeester op papier moet worden gezet en daartegen bezwaar kan worden gemaakt.

Indien de boom geen acuut gevaar voor haar omgeving vormt en niet per se direct geveld hoeft te worden (er is geen sprake van zogenaamde noodkap), maar er door bijvoorbeeld een verwachte verslechtering van de stabiliteit van de boom of kroon een spoedeisend belang is omdat een gevaar voor (weg) gebruikers en/of grote kans op schade in de buitenruimte reëel is, kan het College op grond van artikel 6,2 van de Wabo toestemming geven om de boom, waarvoor een vergunning is gevraagd, onmiddellijk te vellen. Het afwachten van de bezwarentermijn is daarbij niet nodig.

Voor het vellen van overige houtopstanden die weliswaar symptomen van verval vertonen maar geen acuut gevaar vormen dient een regulier vergunning traject te worden doorlopen.

Artikel 6 Intrekking of wijziging

 
 

In dit artikel zijn de gronden aangegeven voor intrekking of wijziging van de vergunning die gelden voor een vergunning van deze verordening (artikel 2.31 lid 2 Wabo). De intrekking van de omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand –indien sprake van een sanctie- is geregeld in hoofdstuk 5 van de Wabo.

Tevens is het mogelijk op grond van artikel 2.33, eerste lid onder de. Wabo de vergunning die van rechtswegen is verleend in te trekken indien deze betrekking heeft op een activiteit die ontoelaatbare ernstige nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving heeft of dreigt te hebben en het opleggen van voorschriften daar geen oplossing biedt (art. 2.31, eerste lid, aanhef en onder c. Wabo).

Bij wijziging of intrekking van de omgevingsvergunning dient wederom de reguliere of indien voorgeschreven de uitgebreide procedure te worden gevolgd.

Artikel 7 Beperking geldigheidsduur

 

1

Dit artikel gaat misbruik van (zeer) oude omgevingsvergunningen tegen.

Artikel 8 Bijzondere voorschriften

 

1

Deze zogenaamde “kan’-bepaling houdt in dat een herplantplicht kan worden opgelegd. Dit hangt bijvoorbeeld af van de vraag of een nieuwe boom zich kan ontwikkelen, de tuingrootte, of er voldoende bomen of ander groen in de omgeving is, de noodzaak van compensatie, of wat de reden van het vellen was. In de regel zal bij het vellen van meer dan twee bomen altijd herplant worden opgelegd. Bij het vellen van 1 of 2 bomen kan de aanvrager, mits gemotiveerd, van herplant worden vrijgesteld.

Herplant wordt in principe opgelegd in de volgende plantmaten:

  • boom 1e grootte: plantmaat 18-20 (minimaal);

  • boom 2e grootte: plantmaat 14-16 (minimaal);

  • boom 3e grootte: plantmaat 12-14 (minimaal);

  • vorm- en bolbomen: plantmaat 12-14 (minimaal).

* de plantmaat is de gemeten omtrek van de (hoofdstam) op 1,00 meter hoogte

 

2

Binnen 36 maanden na het krijgen van de vergunning moet de vergunninghouder opnieuw planten. Het opnieuw planten van bomen of andere vormen van groen gebeurt bij voorkeur op de plek waar geveld wordt, of anders in de buurt daarvan. Kan dat niet? Dan mag het ook ergens anders in de stad.

Is het planten van een nieuwe boom echt niet mogelijk? Dan betaalt de vergunninghouder voor het verlies van groen. Dit geld zet de gemeente dan in voor het planten van bomen of groen in Haarlem.

 

4

Indien de monetaire van de houtopstand meer bedraagt dan de €4.600 die wordt gesteld, dient de monetaire waarde te worden gestort.

 

5

Markering van de voorgenomen te vellen bomen gebeurt bij voorkeur door het aanbrengen van een markeringslint, met daarop aangegeven nadere informatie omtrent de aanvraag, de boom en de wijze waarop bezwaar kan worden gemaakt.

§ 4.

Herplant- en instandhoudingsplicht en afstand erfgrenslijn

Artikel 9 Herplant- en instandhoudingsplicht

 

1

Herplantvoorschriften zijn concreet en eenduidig en mogen zeer gedetailleerd soort, locatie, plantmaat en plantwijze voorschrijven, mits dit in het gangbare beleid past. De wijze waarop de herplant- en instandhoudingsplicht wordt uitgevoerd, gebeurt op beleidsmatige wijze, voorgeschreven in het bomenbeleidsplan. De uitwerking kan deel uitmaken van een breder opgezet handhavingsbeleid. Factoren die daarbij een rol spelen, zijn de ernst van de overtreding, de mate van (on)verantwoordelijkheid die aan de overtreder kan worden toegekend en de feitelijke mogelijkheden tot uitvoering van een herplant. Herplant zal zo nabij mogelijk worden uitgevoerd.

Artikel 5:18 Wabo biedt de mogelijkheid –indien sprake is van een herstel- of instandhoudingsanctie van het velverbod, onder oplegging van last onder bestuursdwang of onder oplegging dwangsom- bij het besluit tot herplantverplichting tevens te bepalen dat de uitvoering van het besluit tevens geldt voor de rechtsopvolger.

In de regel wordt herplant 1:1 opgelegd voor een boom van dezelfde grootte. Echter in niet alle situaties zal het mogelijk of wenselijk zijn om een boom terug te planten die in potentie weer net zo groot wordt. Om richting te geven aan de omvang van de herplant is een matrix ontwikkeld. De matrix is natuurlijk geen wet van meden en perzen. Het is een richting voor de uitwerking van het herplantplan wat bij iedere aanvraag moet worden aangeleverd. Blijkt een herplant op basis van deze matrix in alle redelijkheid niet in te passen, dan zal dat door de aanvrager goed onderbouwd en ter beoordeling aan de gemeente moeten worden voorgelegd. In geval de aanvraag een dunning betreft beschreven als onderdeel van een beheer- of instandhoudingsplan, zal deze in de regel vrijgesteld worden van de herplantplicht.

De gemeente kan op basis van de onderbouwing al dan niet besluiten met het herplantplan in te stemmen. Maar het initiatief om met een voorstel te komen ligt bij de aanvrager, de gemeente toetst en neemt een besluit.

foto

Artikel 10 Afstand van de erfgrens

 
 

Op grond van artikel 5:42 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek is in deze verordening de erfgrensafstand aanzienlijk verkleind. Met ‘nihil’ voor heggen en heesters is bedoeld deze natuurlijke wijze van erfbegrenzing te beschermen en tot de standaard te maken. Vele bomen en heesters zullen door deze afstandsverkleining beter beschermd en misschien wel gespaard worden. De juridische grondslag tot het ontstaan van burenruzies is hiermee enigszins verminderd.

§ 5.

Iepenziekte en bescherming houtopstand

Artikel 11 Bestrijding van iepenziekte

 

1

Dit artikel is bedoeld om de besmettelijke iepziekte adequaat te kunnen bestrijden. Belangrijk is dat verspreiding van potentieel broedhout en de (her)besmetting wordt voorkomen. In het derde lid is een bijzondere bestuursdwang bevoegdheid in aanvulling op de algemene gemeentelijke bestuursdwang bevoegdheid opgenomen, vanwege de ernst van de zaak en noodzaak snel te kunnen handelen.

§ 6.

Handhaving en toezicht

Artikel 12 Strafbepaling

 

1

De Wabo verbiedt in artikel 2.3 het handelen in strijd met een voorschrift uit een omgevingsvergunning. Door artikel 5.4 Invoeringswet Wabo is het handelen zonder omgevingsvergunning of het handelen in strijd met een omgevingsvergunning strafbaar gesteld in de Wet economische delicten. Om die reden zijn de strafbepalingen van artikel 12 van deze verordening niet van toepassing op dergelijk handelen.

Overtreding van artikel 3, lid 1 en 2 en overtreding van voorschriften op grond artikel 9 van deze verordening heeft als strafmaat een hechtenis van maximaal 6 maanden, taakstraf en/of een geldboete tot maximaal € 18.500 (artikel 6 Wed). De boomwaarde kan verhogend op de geldboete werken.

Artikel 13 Toezichthouders

 
 

Ter toezicht op de naleving en het toezicht op de uitvoering en handhaving van het verbod een houtopstand te vellen of te doen vellen zonder omgevingsvergunning (art. 5.13 Wabo), zijn de aangewezen toezichthouders bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur, een woning te betreden zonder toestemming van de bewoner. Hierbij dienen toezichthouders tevens te beschikken over een machtiging met toestemming tot betreden verstrekt door het bevoegd gezag.