Nadere regels duurzaamheidsmaatregelen De Energieke Stad Lorentz III

Geldend van 23-12-2021 t/m heden

Intitulé

Nadere regels duurzaamheidsmaatregelen De Energieke Stad Lorentz III

Het College van B&W van de gemeente Harderwijk

Gelet op titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht en de artikelen 2 en 3 van de Algemene subsidieverordening Harderwijk 2020;

Overwegende dat:

  • -

    De gemeente een actief klimaatbeleid kent zoals dat is vastgestelde in de notitie ‘De energieke stad; een routekaart naar klimaatneutraal Harderwijk” van 18 april 2013 (hierna: Routekaart De Energieke stad);

  • -

    De gemeente heeft gekozen voor de route ‘Energieke Stad’ met als doel een CO2-reductie van 45% in 2031. De gemeente deze doelstelling mede wil behalen door in te zetten op energiebesparing en het benutten van duurzame energie;

  • -

    De gemeente dit onder andere wil bereiken door het betrekken van de industrie die jaarlijks 2% energie moet besparen en duurzame energie kan gaan opwekken. De gemeente de energiemaatregelen van de industrie wil stimuleren door middel van een subsidie;

  • -

    De gemeente het bedrijventerrein Lorentz III beschikbaar heeft. Nieuwe ondernemingen die zich op Lorentz III gaan vestigen zorgen voor een additionele uitstoot van CO2 binnen de gemeente. De gemeente wil stimuleren dat de nieuwe bedrijven hun uitstoot in CO2 minimaliseren. De gemeente specifiek voor bedrijven op Lorentz III een subsidie beschikbaar wil stellen;

  • -

    voor deze beschikbare subsidie in 2014 een subsidieplafond van € 485.000,-- is vastgesteld;

  • -

    in de loop van 2018 bleek dat de belangstelling voor deze subsidie zodanig groot is dat dit subsidieplafond al in de loop van 2018 wordt bereikt;

  • -

    de raad op 22 november 2018 heeft besloten een extra krediet van € 750.000 beschikbaar te stellen teneinde dit subsidieplafond te kunnen verhogen, waarbij het tijdvak ongewijzigd blijft en de nadere regels hierop bij besluit van 11 december 2018 zijn aangepast;

  • -

    in 2020 de ASV 2018 is vervangen door de ASV 2020 bij raadsbesluit van 10 september 2020;

  • -

    het in verband met de verhoging van het subsidieplafond en wijziging van de ASV nodig en wenselijk is om deze nadere regels opnieuw en gewijzigd vast te stellen;

  • -

    het in verband met de verlenging van de einddatum naar 31 december 2021 noodzakelijk en gewenst is deze nadere regels opnieuw en gewijzigd vast te stellen;

  • -

    in verband met het bovenstaande de toelichting op deze nadere regels ook is aangepast en geactualiseerd;

  • -

    hiertoe is besloten op 10 november 2020;

  • -

    inmiddels is vastgesteld dat een gerede kans bestaat dat het subsidieplafond op 31 december 2021 niet is bereikt;

  • -

    het echter wenselijk is het treffen van duurzaamheidsmaatregelen zoals bedoeld in deze nadere regels ook na 31 december 2021 te blijven stimuleren;

  • -

    een nieuwe subsidieregeling op basis waarvan vergelijkbare duurzaamheidsmaatregelen kunnen worden gesubsidieerd, nog in ontwikkeling is;

  • -

    het daarom wenselijk is deze nadere regels te verlengen, met toevoeging van een overgangsbepaling voor subsidies die op grond van deze regels zijn verstrekt en voor aanvragen en bezwaren waarover op de einddatum nog niet is beslist;

  • -

    het tevens wenselijk is de benamingen van de geldende Europese verordeningen op te nemen en de doorwerking van deze verordeningen op de juiste wijze in deze regels op te nemen;

Besluiten de volgende nadere regels vast te stellen:

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Definities

In deze nadere regels wordt verstaan onder:

  • a.

    AGVV: Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, PbEU 26 juni 2014, L 187/1 (Algemene groepsvrijstellingsverordening) of een daarvoor in de plaats komende regeling.

  • b.

    ASV: Algemene subsidieverordening gemeente Harderwijk 2020 of een daarvoor in de plaats komende regeling;

  • c.

    bedrijfsgebouw: het onroerend registergoed dat alleen gebruikt wordt voor bedrijfsactiviteiten;

  • d.

    college: het College van B&W;

  • e.

    collectief energieproject: een energieprojecten waarbij energie wordt opgewekt of vrijkomt en geleverd aan een gesloten aantal energiegebruikers;

  • f.

    de-minimisverklaring: de verklaring van de aanvrager dat deze in de afgelopen drie belastingjaren minder dan het drempelbedrag aan subsidies of andere voordelen van overheden heeft ontvangen, zoals is bepaald in de De-minimisverordening;

  • g.

    De-minimisverordening: Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun, PbEU 24 december 2013 L 352/1 (drempel: € 200.000) dan wel Verordening (EU) Nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwsector, PbEU 24 december 2013, L 352/9 (drempel: € 20.000) dan wel Verordening (EU) Nr. 717/2014 van de Commissie van 27 juni 2014 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de visserij- en aquacultuursector, PbEU 28 juni 2014, L 190/45 (drempel: € 30.000) of daarvoor in de plaats komende regelingen.

  • h.

    duurzame energie: energie die wordt opgewekt uit hernieuwbare niet-fossiele energiebronnen, zoals windenergie, zonne-energie, biomassa of geothermische energie;

  • i.

    gebouwgebonden maatregel: een maatregel die betrekking heeft op het gebouw en waarbij de aangebrachte goederen volledig met het gebouw zijn verbonden;

  • j.

    gemeente: Gemeente Harderwijk;

  • k.

    Grote onderneming: een onderneming die niet tot de kmo’s behoort;

  • l.

    GPR-score: een score voor gebouwgebonden duurzaamheidsmaatregelen die is gebaseerd op de systematiek van de Gemeentelijke Praktijk Richtlijn;

  • m.

    Lorentz - III: het bedrijventerrein met als naam Lorentz III zoals afgebakend op de plankaart behorende bij het bestemmingsplan ‘Lorentz-Oost’;

  • n.

    Kmo’s: de categorie kleine, middelgrote en micro-ondernemingen, waartoe de ondernemingen behoren waar minder dan 250 werknemers werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet € 50 miljoen en/of het jaarlijkse balanstotaal € 43 miljoen niet overschrijdt, zoals bepaald in bijlage I van de AGVV;

  • o.

    productieproces: het geïndustrialiseerde proces dat behoort bij de primaire bedrijfsactiviteiten om producten of deelproducten te maken, niet zijnde transport en dienstverlening;

  • p.

    routekaart De Energieke Stad: de notitie ‘de energieke stad; een routekaart naar klimaatneutraal Harderwijk’ zoals vastgesteld door het college op 18 april 2013;

  • q.

    terugverdientijd: de periode waarbinnen de extra investeringen zijn terug te verdienen door een verlaging van de energiekosten of de verkoop van energie of warmte, inclusief verkregen subsidies en fiscale maatregelen.

Artikel 2 Algemene Subsidieverordening Harderwijk 2020
  • 1. De ASV is van toepassing, tenzij daarvan in deze nadere regels uitdrukkelijk wordt afgeweken.

  • 2. De subsidies die op grond van deze nadere regels worden verstrekt zijn aan te merken als eenmalige subsidies.

Hoofdstuk 2 Subsidieprogramma

Artikel 3 Doel

Het doel van de subsidie is om ondernemingen die zich op het bedrijventerrein Lorentz III willen vestigen of zijn gevestigd te stimuleren maatregelen te treffen die een bijdrage leveren aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de routekaart De Energieke Stad.

Artikel 4 Subsidiabele activiteiten
  • 1. Het college kan subsidie verlenen voor de volgende activiteiten:

    • a.

      Gebouwgebonden duurzaamheidsmaatregelen in nieuwe bedrijfsgebouwen op Lorentz- III;

    • b.

      optimaliseren van het productieproces om energiebesparing te realiseren;

    • c.

      duurzame opwekking van energie;

    • d.

      collectieve energieprojecten met in ieder geval één energieverbruiker die op Lorentz III is gevestigd.

  • 2. Het college kan subsidie verlenen als voldaan is aan alle van de onderstaande criteria:

    • a.

      de maatregelen zijn additioneel ten opzichte van de op dat moment gangbare energie- en milieunormen;

    • b.

      de subsidie heeft een stimulerend effect. Er is sprake van een stimulerend effect als:

      • i.

        de aanvraag voor subsidie is ingediend voordat de subsidiabele activiteiten zijn gestart;

      • ii.

        de subsidie leidt tot een wezenlijke toename van de omvang, reikwijdte of hoogte van de investeringen van de activiteiten of dat de activiteiten aantoonbaar sneller worden uitgevoerd;

    • c.

      de terugverdientijd bedraagt meer dan 5 jaar;

    • d.

      de activiteit is economisch haalbaar. Er is voldaan aan dit criterium als aannemelijk is dat:

      • i.

        de benodigde vergunningen binnen een periode van 18 maanden zijn verkregen;

      • ii.

        er bij een collectief energieproject binnen een periode van 2 jaar energiecontracten met energiegebruikers zijn afgesloten.

Artikel 5 Aanvragers
  • 1. De aanvraag kan worden ingediend door ondernemingen die zich op Lorentz III vestigen of hebben gevestigd of door het collectieve energieproject zoals bedoeld in artikel 4 lid 1 onder d.

  • 2. In afwijking van artikel 2 lid 2 ASV kan het college subsidie verlenen aan ondernemingen die geen rechtspersoon zijn.

  • 3. In afwijking van artikel 9 lid 3 onder sub h ASV kan het college subsidie verlenen aan aanvragers met een winstoogmerk.

Artikel 6 Aanvraag tot subsidieverlening

De aanvraag tot subsidieverlening wordt ingediend door middel van het aanvraagformulier dat door het college is vastgesteld. Bij de aanvraag overlegt de aanvrager alle gegevens en bescheiden zoals opgenomen in het aanvraagformulier. De aanvrager overlegt in ieder geval de duurzaamheidsscan die bij de aankoop van de gronden is gemaakt. Het college kan aanvullende informatie opvragen voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de subsidieaanvraag.

Artikel 7 Subsidiabele kosten
  • 1. De subsidiabele kosten bestaan uit de extra investeringen die nodig zijn voor de uitvoering van de activiteiten in vergelijking met de investeringen voor vergelijkbare activiteiten die niet leiden tot een verbetering van de milieubescherming.

  • 2. De volgende kosten behoren niet tot de subsidiabele kosten:

    • a.

      te betalen BTW;

    • b.

      personeelskosten van de aanvrager;

    • c.

      aanpassingen aan de constructie van het bedrijfsgebouw;

    • d.

      reguliere onderhouds- en herstelwerkzaamheden aan het bedrijfsgebouw;

    • e.

      kosten voor leges, juridische bijstand, notariskosten, kosten voor verwerving en bemiddeling daarbij van onroerend goed;

    • f.

      inkomstenderving;

    • g.

      premies voor verzekeringen, rente over leningen, kosten voor bankgaranties;

    • h.

      investeringen voor transportmiddelen;

    • i.

      reis en verblijfskosten.

  • 3. Het aandeel van de extra investeringskosten dat binnen 5 jaar terugverdiend kan worden behoort niet tot de subsidiabele kosten.

Artikel 8 Hoogte van de subsidie en betalen voorschot
  • 1. De subsidie bedraagt maximaal € 100.000 voor elke nieuw te vestigen onderneming. Voor ondernemingen die meer dan 2 hectare grond op Lorentz-III in eigendom verkrijgen, bedraagt subsidiebedrag maximaal € 150.000.

  • 2. De subsidie bedraagt maximaal:

    • a.

      voor de activiteiten zoals genoemd in artikel 4 lid 1 onder a:

      • i.

        € 20.000 bij een GPR-score van 7 – 7,5;

      • ii.

        € 30.000 bij een GPR-score van 7,5 – 8;

      • iii.

        € 40.000 bij een GPR-score van 8 – 8,5;

      • iv.

        € 50.000 bij een GPR-score van meer dan 8,5.

    • b.

      50% van de subsidiabele kosten voor de activiteiten zoals genoemd in artikel 4 lid 1 onder b, c en d.

  • 3. Als de aanvrager geen de-minimisverklaring overlegt of uit de overgelegde de-minimisverklaring blijkt dat het voor subsidie in aanmerking komende bedrag niet kan worden verstrekt binnen de kaders van de De-minimisverordening, zal het college onderzoeken of subsidieverstrekking binnen de kaders van de AGVV kan plaatsvinden.

  • In het geval de AGVV kan worden toegepast, bedraagt het percentage van de subidiabele kosten voor de activiteiten genoemd in artikel 4 lid 1, afhankelijk van de activiteit, maximaal 35% voor een grote onderneming en maximaal 45% voor een kmo.

  • 4. Het college kan een voorschot verlenen tot ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten. Bij de aanvraag voor het voorschot overlegt de aanvrager een kopie van de vergunningverlening.

Artikel 9 Subsidieplafond
  • 1. Het subsidieplafond bedraagt € 1.235.000,-- en geldt voor het tijdvak gelegen tussen 18 maart 2014 en 1 april 2022. Dit subsidieplafond is opgebouwd uit het oorspronkelijke subsidieplafond van € 485.000,-- welke bij raadsbesluit van 22 november 2018 met € 750.000,-- is verhoogd tot € 1.235.000,--.

  • 2. Een verlaging van het subsidieplafond heeft geen gevolgen voor aanvragen die ten tijde van het publiceren van het verlaagde plafond al bij de gemeente zijn ingediend.

Artikel 10 Verplichtingen subsidieontvanger

Voor de subsidieontvanger gelden de volgende verplichtingen:

  • a.

    de vergunningen zijn verkregen binnen 18 maanden na het verlenen van de subsidie;

  • b.

    de activiteiten waarvoor de subsidie is verstrekt zijn uitgevoerd binnen twee jaar na het verlenen van de subsidie. Het college kan deze termijn eenmalig verlengen.

Artikel 11 Weigeringsgronden

Onverminderd het bepaalde in artikel 4:25 en 4:35 Awb en het bepaalde in artkel 9 van de ASV 2020 kan het college in ieder geval de aanvraag tot subsidieverlening weigeren als:

  • a.

    de aanvraag niet voldoet aan de criteria zoals gesteld in de nadere regels;

  • b.

    de subsidieaanvrager geen duurzaamheidsscan van zijn project kan overleggen;

  • c.

    de aanvrager in financiële moeilijkheden verkeert of aan hem een uitstaand bevel tot terugvordering van staatssteun is gegeven;

  • d.

    de activiteiten zijn gericht op transport;

  • e.

    er reeds is gestart met de activiteiten vóór het indienen van de aanvraag;

  • f.

    geen subsidie kan worden verstrekt binnen de kaders van de De-minimisverordening of de AGVV.

Artikel 12 Europese regelgeving

Voor zover subsidie wordt verstrekt aan een onderneming gebeurt dit met inachtneming van de Europese regelgeving op het gebied van staatssteun. Daarbij kunnen onderstaande verordeningen of daarvoor in de plaats komende regelingen worden toegepast:

  • a.

    de De-minimisverordening. Bij gebruikmaking van deze verordening wordt bij de aanvraag een de-minimisverklaring overgelegd;

  • b.

    de AGVV;

  • c.

    andere verordeningen of regels die ertoe leiden dat de subsidies rechtmatig worden verstrekt.

Slotbepalingen

Artikel 13 Inwerkingtreding, looptijd en overgangsbepaling
  • 1. Deze nadere regels treden in werking op de dag na bekendmaking.

  • 2. Deze nadere regels vervallen van rechtswege op 1 april 2022. Ze blijven echter hun gelding behouden zo lang en voor zover dat nodig is in het kader van de subsidieverantwoording en daaruit eventueel voortvloeiende nadere primaire besluitvorming, alsook ten aanzien van aanvragen, dan wel bezwaarschriften, waarop nog dient te worden besloten.

  • 2. De nadere regels duurzaamheidsmaatregelen De Energieke Stad – Lorentz III, zoals vastgesteld bij collegebesluit van 10 november 2020, worden ingetrokken op de dag van inwerkingtreding van deze nadere regels.

Artikel 14 Citeertitel

Deze subsidieregeling wordt aangehaald als Nadere regels duurzaamheidsmaatregelen De Energieke Stad - Lorentz III.

Ondertekening

Aldus vastgesteld door het college van B&W van de gemeente Harderwijk

in de vergadering van 16 november 2021

de heer J.P. Wassens

secretaris

de heer H.J. van Schaik

burgemeester

Toelichting

Algemeen

De gemeente Harderwijk kent een actief klimaatbeleid. In het in 2013 opgestelde rapport “De energieke stad; een routekaart naar klimaatneutraal Harderwijk” (hierna: Routekaart De Energieke Stad) wordt het doel gesteld in 2031 een reductie van 45% van CO2 te realiseren. Om dit te kunnen bewerkstelligen moet, onder andere, de industrie zorg dragen voor jaarlijks 2% energiebesparing. Hiernaast moet zij ook duurzame energie op gaan wekken. Dit geldt niet alleen voor de in Harderwijk reeds gevestigde ondernemingen, maar ook voor de ondernemingen die zich in de toekomst in Harderwijk willen vestigen.

Voor de nieuwe ondernemingen die zich willen vestigen in Harderwijk stelt de gemeente het bedrijventerrein Lorentz III beschikbaar. Het is van belang dat ook deze ondernemingen een bijdrage leveren aan de CO2-reductie. Met deze subsidieregeling richt de gemeente zich tot deze ondernemingen en wil deze stimuleren om de CO2-uitstoot te minimaliseren en duurzame energie op te gaan wekken.

Deze regeling is de juridische basis voor het verlenen van de gemeentelijke bijdrage. De manier waarop een onderneming bij kan dragen aan het reduceren van CO2 of duurzame energie op kan wekken is in deze regeling niet vastgelegd. De maatregelen die hiertoe genomen kunnen worden zijn dan ook niet limitatief opgenomen in deze regeling. De reden hiervan is dat de gemeente de ondernemingen niet wil beperken tot het treffen van specifieke maatregelen om in aanmerking te komen voor subsidiëring. De gemeente wil daarentegen juist innovatieve maatregelen stimuleren en hier zo min mogelijk restricties aan verbinden. Op deze manier kan de subsidieregeling mee groeien met innovatieve ontwikkelingen en wordt voorkomen dat de regeling een rigide vorm krijgt. Aan de hand van onafhankelijke factoren zal worden bepaald in hoeverre de te treffen maatregel bij zal dragen aan de doelen. Wat voor soort maatregel dit is, is verder niet van belang.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1 Definities

Er is een definitie opgenomen van een bedrijfsgebouw. Dit moet gaan om een onroerend registergoed dat alleen gebruikt wordt voor de bedrijfsactiviteiten van de aanvrager. De subsidie richt zich dus niet op woningen.

De gemeente stelt subsidie beschikbaar voor een collectief energieproject. Het gaat dan om energieprojecten die opgezet zijn als een lokaal energiebedrijf die levert aan een gesloten aantal energiegebruikers, bijvoorbeeld alleen de bedrijven op Lorentz III of aanliggende bedrijventerreinen. Hieronder valt dus niet de levering van energie aan het openbare net.

Bij de beschrijving van de de-minimisverklaring sluit de gemeente aan bij Europese regelgeving over staatssteun. Het moet gaan om een verklaring van de aanvrager dat deze in de afgelopen drie belastingjaren minder dan het drempelbedrag aan subsidies of andere voordelen van overheden heeft ontvangen, zoals is bepaald in de Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun, PbEU 24 december 2013 L 352/1 (drempel: € 200.000) dan wel Verordening (EU) Nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwsector, PbEU 24 december 2013, L 352/9 (drempel: € 20.000) dan wel Verordening (EU) Nr. 717/2014 van de Commissie van 27 juni 2014 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de visserij- en aquacultuursector, PbEU 28 juni 2014, L 190/45 (drempel: € 30.000) of daarvoor in de plaats komende regelingen. 

Bij de definitie van duurzame energie moet het gaan om energie die wordt opgewekt uit hernieuwbare niet-fossiele energiebronnen, zoals windenergie, zonne-energie, biomassa of geothermische energie. Deze definitie is afkomstig uit het Europese recht over staatssteun.

De gemeente stelt subsidie beschikbaar voor gebouwgebonden maatregelen. Dit zijn maatregelen die betrekking hebben op het gebouw waarbij de aangebrachte goederen volledig met het gebouw zullen zijn verbonden. De aangebrachte maatregelen zijn dus niet meer los te maken van het gebouw.

De gemeente baseert haar subsidie voor gebouwgebonden maatregelen op grond van de GPR-score. Dit is een score die is gebaseerd op de systematiek van de gemeentelijke praktijkrichtlijn. De gemeente heeft voor deze methodiek gekozen, omdat deze al bekend is bij vele architecten en aannemers. Verder blijkt de methodiek goed werkbaar te zijn en leidt het niet te veel tot onnodige administratieve lasten voor de aanvragers.

Bij een productieproces moet het gaan om het geïndustrialiseerde proces waar machines en dergelijke worden gebruikt om producten of deelproducten te maken. Het productieproces moet behoren tot de primaire bedrijfsactiviteiten van de aanvrager. Het kan dus niet gaan om secundaire processen. Verder vloeit voort uit de definitie dat de gemeente transport en dienstverlening niet tot het productieproces rekent.

In de subsidieregeling is bepaald dat maatregelen met terugverdientijd meer dan 5 jaar bedragen in aanmerking komen. Om die reden is er een definitie hierover opgenomen. Het gaat om de periode waarbinnen de extra investeringen zijn terug te verdienen doordat de energiekosten lager zijn of door de verkoop van energie of warmte. Bij het berekenen van de terugverdientijd rekent de gemeente met alle reeds verkregen subsidies of fiscale maatregelen, zoals de energie investeringsaftrek.

Artikel 2 Algemene Subsidieverordening Harderwijk

De Algemene Subsidieverordening Harderwijk is terug te vinden op https://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xhtmloutput/Historie/Harderwijk/643965/CVDR643965_1.html

Artikel 4 Subsidiabele activiteiten

De gemeente maakt subsidie mogelijk voor vier verschillende maatregelen. De eerste zijn gebouwgebonden energiemaatregelen voor nieuwe bedrijfsgebouwen op Lorentz- III. Dit geldt voor alle gebouwen op het bedrijventerrein. De subsidie is immers bedoeld voor bedrijven die zich in de gemeente op het genoemde bedrijventerrein gaan vestigen. Dit onderdeel is bedoeld voor alle maatregelen aan de gebouwen die leiden tot een optimale energiehuishouding. De tweede type maatregel is gerelateerd aan het productieproces van de aanvragers. De subsidie is ter stimulering van alle maatregelen die leiden tot een verbetering van het productieproces die verder gaan dan de standaardmaatregelen. De subsidie is bedoeld voor optimaliseren van het productieproces van de aanvrager. Daarnaast is er subsidie mogelijk voor het opwekken van duurzame energie of voor collectieve energieprojecten waarbij er in ieder geval één energieverbruiker is die op Lorentz III is gevestigd.

De gemeente wil alleen subsidie verstrekken als dit echt een stimulans is. Om die reden heeft de gemeente een aantal criteria opgenomen waaraan de gemeente dit kan toetsen. Zo moeten alle maatregelen additioneel zijn ten opzichte van de op dat moment gangbare energie- en milieunormen. Op basis van de Wet milieubeheer zijn alle ondernemers en organisaties verplicht om energiebesparende maatregelen te treffen voor zover deze binnen 5 jaar terugverdiend kunnen worden. De gemeente wil hierop aansluiten en voor de bedrijven op Lorentz III, alleen subsidie geven als de maatregelen verder gaan. Dus alleen energiemaatregelen met een terugverdientijd van langer dan 5 jaar komen in aanmerking voor de subsidie. Bovendien moet de subsidie een stimulerend effect hebben. Dit kan worden aangetoond als de aanvraag is ingediend voordat de subsidiabele activiteiten zijn gestart. De subsidie is dan nog bedoeld om de besluitvorming van de aanvrager te beïnvloeden. Verder moet de subsidie leiden tot een wezenlijke toename van de omvang, reikwijdte en hoogte van de investeringen van de activiteiten of dat de activiteiten aantoonbaar sneller worden uitgevoerd. Deze criteria zijn afkomstig van het staatssteunrecht. Daarnaast moet de aanvrager aantonen dat de activiteit economisch haalbaar is. De aanvrager kan dit aantonen als aannemelijk is dat de benodigde vergunningen tijdig verkregen worden. De gemeente houdt daarbij vast aan een periode van 18 maanden zoals ook bij de verplichtingen bij deze subsidie is opgenomen. Een andere manier om de haalbaarheid aan te tonen is dat er bij energieopwekking bij een collectief energieproject binnen een periode van 2 jaar energiecontracten met energiegebruikers zijn afgesloten. Alleen als de energie daadwerkelijk wordt verkocht is een maatregel haalbaar.

Artikel 5 Aanvragers

De aanvraag kan worden ingediend door ondernemingen die zich op Lorentz III vestigen of hebben gevestigd of door het collectieve energieproject zoals bedoeld in artikel 4 lid 1 onder d. Bij dit laatste kan dus ook de BV die het energieproject uitvoert de aanvraag indienen.

In de opvolgende leden is opgenomen dat het college subsidie kan verstrekken aan niet-rechtspersonen en aanvragers met een winstoogmerk. Deze bepalingen zijn nodig omdat dit in de artikelen 2 lid 2 en 9 lid 3 onder sub h ASV is uitgesloten, tenzij het college dit in een nadere regeling wel toestaat.

Artikel 6 Aanvraag tot subsidieverlening

De aanvraag tot subsidieverlening wordt ingediend door middel van het aanvraagformulier dat door het college is vastgesteld. Bij de aanvraag overlegt de aanvrager alle gegevens en bescheiden zoals opgenomen in het aanvraagformulier. De aanvrager overlegt in ieder geval de duurzaamheidsscan die bij de aankoop van de gronden is gemaakt. Deze is verplicht bij de aankoop van de gronden van de gemeente. De duurzaamheidsscan is de basis voor alle energiemaatregelen. Als een aanvrager deze duurzaamheidsscan niet kan of wil overleggen dan kan dit een reden voor de gemeente zijn de aanvraag niet in behandeling te nemen.

Artikel 7 Subsidiabele kosten

De subsidiabele kosten bestaan uit de extra investeringen die nodig zijn voor de uitvoering van de activiteiten in vergelijking met de investeringen voor vergelijkbare activiteiten die niet leiden tot CO2-reductie. Op deze manier geeft de gemeente aan dat zij alleen maatregelen wil ondersteunen die daadwerkelijk extra investeringen vergen. Een aantal kosten behoren niet tot de subsidiabele kosten. Deze zijn in de regeling opgenomen.

Artikel 8 Hoogte van de subsidie en betalen voorschot

De subsidie bedraagt maximaal € 100.000 voor elke onderneming. Voor ondernemingen die meer dan 2 hectare grond op Lorentz-III in eigendom verkrijgen, bedraagt subsidiebedrag maximaal € 150.000. De aanvrager kan subsidie aanvragen voor elk van de activiteiten zoals opgenomen in artikel 4 lid 1 van deze regeling. De subsidie zal voor het totaal van de activiteiten gemaximeerd worden op 100.000,- voor elke onderneming of € 150.000 bij afname van meer dan 2 hectare grond.

In dit lid zijn de subsidies opgesomd voor de verschillende maatregelen. Voor de gebouwgebonden duurzaamheidsmaatregelen heeft de gemeente de subsidie gerelateerd aan de zogenoemde GPR-systematiek. De hoogte van de score geeft de mate van duurzaamheid van een gebouw aan. Voor de andere activiteiten bedraagt de subsidie niet meer dan 50% van de subsidiabele kosten.

Op grond van de Europese staatssteunregels kan de gemeente genoodzaakt zijn geen of een lagere subsidie te verlenen. Dit geldt als de aanvrager geen de-minimisverklaring kan overleggen of uit de door de aanvrager overgelegde de-minimisverklaring blijkt dat het in de van toepassing zijnde de-minimisverordening opgenomen drempelbedrag wordt overschreden.

Het college kan een voorschot verlenen tot ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten. Bij de aanvraag voor het voorschot overlegt de aanvrager een kopie van de vergunningverlening. Dit betekent dat de gemeente pas tot betaling overgaat als er een vergunning is verleend.

Artikel 9 Subsidieplafond

Met de vaststelling van de nadere regels op 18 maart 2014 was het subsidieplafond € 485.000,-- en geldt voor het tijdvak van 18 maart 2014 tot en met 31 december 2020. Vanwege de belangstelling voor deze regeling bleek in de loop van 2018 dat het subsidieplafond in dat jaar al bereikt zou worden. Vandaar dat besloten is de raad voor te stellen extra krediet van € 750.000,-- beschikbaar te stellen om het subsidieplafond te kunnen verhogen. Op 22 november 2018 heeft de raad hiermee ingestemd. Nadat de raad besloten heeft dit extra krediet beschikbaar te stellen, zijn deze nadere regels opnieuw vastgesteld met daarin opgenomen het verhoogde subsidieplafond. Omdat het om een verhoging gaat, blijft het tijdvak hetzelfde, namelijk van 31 maart 2014 tot en met 31 december 2020. In dit tijdvak is in totaal dus een subsidieplafond van € 485.000,-- + € 750.000 = €1.235.000,-- beschikbaar.

Omdat er nog geld in de subsidiepot zit heeft het college op 10 november 2020 besloten de subsidieregeling te verlengen tot 31 december 2021. Vanwege dezelfde reden heeft het college in november 2021 opnieuw besloten de regeling te verlengen.

Artikel 10 Verplichtingen subsidieontvanger

Voor de subsidieontvanger geldt een aantal verplichtingen. Als niet aan deze verplichtingen is voldaan dan kan dit een reden voor de gemeente zijn de subsidie in te trekken en deze terug te vorderen. De eerste verplichting is gekoppeld aan het verkrijgen van de subsidie. Hiervoor is een termijn gesteld van 18 maanden. Verder moet het project binnen twee jaar zijn uitgevoerd.

Artikel 11 Weigeringsgronden

In de regeling is een aantal weigeringsgronden opgenomen. Uiteraard kan de gemeente de subsidie weigeren als niet is voldaan aan de criteria zoals gesteld in de nadere regels. De weigeringsgrond over de financiële moeilijkheden en het uitstaande bevel tot terugvordering van staatssteun is ingegeven door Europese regelgeving. Daarnaast wil de gemeente geen subsidie verstrekken voor transport. Deze weigering is volledigheidshalve opgenomen. Tevens wil de gemeente voorkomen subsidie te verstrekken aan activiteiten die al zijn gestart voor de toezegging van de subsidie.

Artikel 12 Europese regelgeving

Voor zover subsidie wordt verstrekt aan een onderneming gebeurt dit met inachtneming van de Europese regelgeving op het gebied van staatssteun. Daarbij kunnen onderstaande verordeningen of daarvoor in de plaats komende regelingen worden toegepast.

* De Europese verordeningen betreffende de-minimissteun: Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun, PbEU 24 december 2013 L 352/1 (drempel: € 200.000) dan wel Verordening (EU) Nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwsector, PbEU 24 december 2013, L 352/9 (drempel: € 20.000) dan wel Verordening (EU) Nr. 717/2014 van de Commissie van 27 juni 2014 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de visserij- en aquacultuursector, PbEU 28 juni 2014, L 190/45 (drempel: € 30.000) of daarvoor in de plaats komende regelingen.Gebruikmaking van deze verordening is mogelijk mits het in de van toepassing zijnde verordening opgenomen drempelbedrag nog niet is bereikt. De voorwaarde is wel dat de aanvrager een de-minimisverklaring overlegt. Dit houdt in dat de aanvrager verklaart in de afgelopen 3 belastingjaren geen andere steunmaatregelen van de gemeente of andere overheden te hebben verkregen. De drempel/de-minimisgrens geldt overigens in concernverband.

* De Algemene groepsvrijstellingsverordening (AGVV): Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, PbEU 26 juni 2014, L 187/1 of een daarvoor in de plaats komende regeling.

De AGVV maakt steunverlening mogelijk voor een aantal categorieën zoals duurzame energie of maatregelen die verder gaan dan de geldende normen. De gemeente kan binnen de kaders van deze verordening en daarmee onder strikte voorwaarden, subsidie verstrekken als blijkt dat de aanvrager geen de-minimisverklaring kan overleggen. Van steunverlening op grond van de AGVV moet binnen twintig dagen na inwerkingtreding van de subsidieregeling kennis worden gegeven aan de Europese Commissie. Steunverlening kan plaatsvinden onder toepassing van de artikelen 36, 38, 40 en 41 van de AGVV.