Nadere regel Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Utrecht 2022, eigen bijdrage opvang

Geldend van 01-07-2022 t/m heden

Intitulé

Nadere regel Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Utrecht 2022, eigen bijdrage opvang

Burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht;

  • gelet op artikel 156, derde lid Gemeentewet en de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Utrecht 2022;

Besluiten vast te stellen de volgende Nadere regel Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Utrecht 2022, eigen bijdrage opvang

Artikel 1 Begripsbepalingen

  • 1.

    Deze Nadere regel geldt voor de cliënten in de opvang.

  • 2.

    In deze Nadere regel wordt verstaan onder:

    • a.

      Bijstandsnorm: de van toepassing zijnde norm bedoeld in hoofdstuk 3 van de Participatiewet, exclusief vakantietoeslag, op 1 januari van het kalenderjaar;

    • b.

      College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht;

    • c.

      Instelling: een opvanginstelling die één of meerdere van de volgende zorgvormen aanbiedt;

  • kortdurende opvang voor individuele volwassenen met aanzienlijke problematiek (voorheen de nachtopvang);

  • kortdurende opvang voor volwassenen met een grote kwetsbaarheid;

  • kortdurende opvang voor gezinnen met begeleiding;

  • kortdurende opvang van volwassenen met ernstige psychiatrische of verslavingsproblematiek;

  • opvang van zieke daklozen;

  • kortdurende opvang van jongvolwassenen;

  • gecombineerde inloopvoorziening voor daklozen;

  • opvang na geweld in afhankelijkheidsrelaties.

  • Deze voorzieningen staan omschreven in de Beleidsregel Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Utrecht 2022.

    • a.

      Norm persoonlijke uitgaven: de van toepassing zijnde normbedragen, exclusief vakantietoeslag, ingevolge artikel 23, eerste lid, van Participatiewet bij verblijf in een inrichting (het zak- en kleedgeld), vermeerderd met de premie voor de Collectieve zorgverzekering, die de gemeente Utrecht aanbiedt aan mensen met een uitkering op bijstandsniveau en verminderd met de zorgtoeslag;

Artikel 2 Eigen bijdragen voor de opvang

  • 1.

    Gedurende het gebruik maken van de door een instelling aangeboden voorzieningen zoals onder artikel 1, tweede lid sub c, beschreven, is de cliënt een bijdrage verschuldigd in de kosten van de opvang, uitgezonderd de kosten van begeleiding.

  • 2.

    De bijdrage wordt bepaald per maand, behalve voor de kortdurende opvang voor zieke daklozen. Voor deze voorzieningen wordt de bijdrage per dag bepaald. De bijdrage is verschuldigd voor iedere dag of gedeelte van een dag, waarop de cliënt gebruik maakt van het aanbod van de instelling. Een gedeelte van een maand wordt naar rato van het aantal dagen berekend op basis van het werkelijke aantal dagen in de betreffende kalendermaand.

  • 3.

    De bijdrage als bedoeld in artikel 2, eerste lid, is afhankelijk van het soort opvang. Uitsluitend voor de opvang na geweld in afhankelijkheidsrelaties en kortdurende opvang voor volwassenen met een grote kwetsbaarheid, gezinnen met begeleiding, volwassenen met ernstige psychiatrische of verslavingsproblematiek, jongvolwassenen is de bijdrage afhankelijk van het verschil tussen de bijstandsnorm en de norm persoonlijke uitgaven. Indien bij gehuwden één van beide partners gebruik maakt van de in dit lid genoemde opvangvoorzieningen, wordt bij het bepalen van de bijstandsnorm de regelgeving in de Participatiewet voor opname in een inrichting gevolgd.

  • 4.

    De eigen bijdrage, zoals bedoeld in artikel 2, derde lid, bedraagt het verschil tussen de van toepassing zijnde bijstandsnorm en de norm voor persoonlijke uitgaven, behoudens wat in deze Nadere regel op de bijdrage in mindering mag worden gebracht. Er is geen bijdrage verschuldigd voor de kosten van begeleiding.

  • 5.

    Indien de instelling als bedoeld in artikel 2, derde lid, geen voeding verstrekt aan de cliënt, wordt de bijdrage verminderd met een bedrag voor voeding. Dit bedrag is gelijk aan het bedrag, dat het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) berekent als gemiddelde kosten. In het geval het Nibud dit bedrag niet meer vaststelt of bekend maakt, bepaalt het college een andere basis voor dit bedrag.

  • 6.

    Voor cliënten die gebruik maken van kortdurende opvang voor volwassenen met een grote kwetsbaarheid en gezinnen met begeleiding of opvang na geweld in afhankelijkheidsrelaties en tegelijkertijd nog kosten hebben voor een zelfstandige woonruimte, wordt de bijdrage gedurende maximaal 6 maanden verminderd met een forfaitair bedrag voor dubbele woonlasten, zijnde 20% van de bijstandsnorm. De instelling mag de verlaging van de bijdrage, in hun berekening van de bijdrage verwerken, als de cliënt aan de gestelde voorwaarden voldoet. De instelling dient het college minimaal elk half jaar te informeren over het toepassen van deze verlagingen middels een overzicht.

  • 7.

    Voor cliënten die vanwege de wettelijke regels nog geen zorgtoeslag en/of alleenstaande ouderkop kunnen ontvangen, geldt een aangepaste eigen bijdrage die uitsluitend mag worden toegepast in bijzondere gevallen en in overleg met de gemeente. In de praktijk komt dit voor bij de opvang na geweld in afhankelijkheidsrelaties.

  • 8.

    De bijdrage voor de kortdurende opvang voor zieke daklozen wordt door het college bepaald na overleg met de instelling. De vaststelling en aanpassing van de bijdrage geschiedt impliciet middels een verleningsbeschikking voor de subsidie of opdrachtverstrekking aan de instelling.

  • 9.

    De hoogte van de bijdrage voor opvang na geweld in afhankelijkheidsrelaties en kortdurende opvang voor volwassenen met een grote kwetsbaarheid, gezinnen met begeleiding, volwassenen met ernstige psychiatrische of verslavingsproblematiek of jongvolwassenen wordt jaarlijks op 1 januari opnieuw bepaald op basis van de dan geldende bijstandsnormen, de hoogte van de premie voor de zorgverzekering en de zorgtoeslag en de norm voor persoonlijke uitgaven. Het college hoeft hier geen nieuw besluit over te nemen, zonder nader besluit worden de bedragen automatisch aangepast op basis van deze Nadere regel.

Artikel 3 Innen van de eigen bijdragen voor de opvang

  • 1.

    De instellingen innen de eigen bijdragen bij hun cliënten met in achtneming van het bepaalde in deze Nadere regels, tenzij het college in de verleningsbeschikking aan de instelling of anderszins hiervan nadrukkelijk afwijkt.

  • 2.

    De instellingen verlenen opvang aan cliënten, die zich tegenover hen verplichten tot het betalen van de in deze Nadere regel bepaalde eigen bijdrage. De instellingen zijn verplicht de vastgestelde bijdrage van de cliënten te innen, uitgezonderd bijzondere regelingen zoals de koudweerregeling.

  • 3.

    De instellingen mogen de bijdrage die zij innen splitsen in specifieke onderdelen, als dit voor hen van belang is. De totale eigen bijdrage per cliënt mag hierdoor niet wijzigen.

  • 4.

    Indien een cliënt zich niet heeft verzekerd tegen ziektekosten dan wel als een cliënt de premie zorgverzekering niet of niet tijdig heeft betaald, kan de instelling de te innen eigen bijdrage verhogen met de norm voor de zorgverzekering, zoals gehanteerd bij het bepalen van de norm persoonlijke uitgaven. De verschuldigde eigen bijdrage blijft gelijk, de instelling stelt het extra geïnde bedrag later weer ter beschikking van de cliënt voor de betaling van de achterstallige premie van de zorgverzekering.

  • 5.

    Bij cliënten jonger dan 21 jaar kan de instelling maandelijks maximaal €50 extra innen bovenop de eigen bijdrage, mits zij dit bedrag apart zet voor de cliënt. Dit extra ingehouden spaarbedrag wordt uitgekeerd aan de cliënt bij de uitstroom naar zelfstandig wonen.

  • 6.

    Bij het bepalen van het benodigde bedrag voor de instellingen wordt vooraf de verwachte te innen bijdrage door de instelling in mindering gebracht op het bedrag. De instelling mag daarbij de redelijke kosten van administratie, incasso en oninbaarheid in mindering brengen, waarbij maximaal 5% van het totale te innen bedrag voldoende is. Het college kan op grond van redelijkheid en billijkheid in uitzonderingsgevallen afwijken van het bepaalde in dit lid.

Artikel 4 Reikwijdte

Deze Nadere regel is van toepassing op alle Instellingen voor opvang.

Artikel 5 Verwijzing naar wetten, richtlijnen en verordeningen

In het geval van wijzigingen of nadrukkelijke vervanging van wetten, verordeningen en richtlijnen (hierna: regelgeving), die zijn vermeld in deze Nadere regel, door andere regelgeving worden alle verwijzingen in deze Nadere regels naar deze regelgeving geacht te zijn naar de gewijzigde dan wel vervangen regelgeving.

Artikel 6 Intrekking

De Nadere regels Eigen bijdrage Maatschappelijke opvang Wmo 2020 wordt ingetrokken op het moment dat de Nadere regel genoemd in artikel 8 in werking treedt.

Artikel 7 Inwerkingtreding

Deze Nadere regel Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Utrecht 2022, eigen bijdrage opvang treedt in werking op het moment dat de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Utrecht 2022 in werking treedt.

Artikel 8 Citeertitel

Deze Nadere regel wordt aangehaald als: Nadere regel Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Utrecht 2022, eigen bijdrage opvang.

Aldus vastgesteld door burgemeester en wethouders van Utrecht in hun vergadering van 14 december 2021

Ondertekening

De burgemeester,

Sharon A.M. Dijksma

De secretaris

Gabrielle G.H.M. Haanen

Toelichting bij nadere regel Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Utrecht 2022, eigen bijdrage opvang

Artikel 1

In aansluiting op de Wet Maatschappelijke Ondersteuning is de Nadere regel alleen van toepassing op natuurlijke personen van 18 jaar en ouder. Met de begripsbepaling van de cliënt in de Wmo 2015 is de Nadere regel daarmee tot deze groep personen beperkt. Bij het bepalen van de bijstandsnorm is rekening gehouden met de afwijkende bepalingen in de Participatiewet voor personen van 18 tot 21 jaar. Voor de berekening van de eigen bijdrage worden de toeslagen die vanuit de Bijzondere Bijstand mogelijk zijn meegerekend.

Het werkelijke inkomen van de cliënt is van belang als dit hoger is dan de bijstandsnorm voor het bepalen van de hoogte van de verschuldigde bijdrage. Bij het bepalen van de norm voor de persoonlijke uitgaven gaan wij uit van de premie voor de Collectieve zorgverzekering, die de gemeente Utrecht aanbiedt. De premie van collectieve zorgverzekering dekt tevens de eigen bijdrage die iemand verschuldigd is volgens de zorgverzekeringswet. Zowel bij de bijstandsnorm als bij de norm voor persoonlijke uitgaven wordt de vakantietoeslag buiten beschouwing gelaten. Deze toeslag is noodzakelijk voor bijzondere uitgaven zoals schuldaflossing en om te sparen voor grotere uitgaven.

Artikel 2 lid 1, 2 en 3

Bij de opvang na geweld in afhankelijkheidsrelaties en kortdurende opvang voor volwassenen met een grote kwetsbaarheid, gezinnen met begeleiding, volwassenen met ernstige psychiatrische of verslavingsproblematiek of jongvolwassenen wordt de bijdrage bepaald op basis van het verschil tussen de bijstandsnorm en norm persoonlijke uitgaven. Er is geen bijdrage verschuldigd voor begeleiding. In het geval een van beide gehuwde partners gebruik van de bovengenoemde opvangvoorzieningen wordt de regelgeving van de Participatiewet gevolgd voor opname in een inrichting. Indien een van beide partners in een inrichting is opgenomen, gaat de Participatiewet voor beide partners uit van de bijstandsnorm voor alleenstaanden.

Artikel 2 lid 4

Voor opvang na geweld in afhankelijkheidsrelaties en kortdurende opvang voor volwassenen met een grote kwetsbaarheid, gezinnen met begeleiding, volwassenen met ernstige psychiatrische of verslavingsproblematiek, jongvolwassenen wordt de eigen bijdrage bepaald op basis van de bijstandsnorm gekoppeld aan de persoonlijke situatie en gemaximeerd op het verschil tussen die bijstandsnorm en de norm voor persoonlijke uitgaven. Gehuwden waarvan een van beide partners gebruik maakt van de opvang, worden vrijwel altijd als alleenstaande behandeld ten aanzien van de eigen bijdrage. De gemeente verstrekt jaarlijks een tabel, waarin het bedrag staat aan eigen bijdrage op basis van de bijstandsnorm voor de te onderscheiden categorieën. Daarbij wordt geen rekening gehouden met vermindering op basis van persoonlijke omstandigheden.

Artikel 2 lid 5

In het geval de instelling geen voeding verstrekt aan de cliënt wordt de bijdrage verlaagd met een redelijk bedrag voor voeding. Daarbij sluiten wij aan bij een onafhankelijke norm, namelijk van het Nibud. Bij volwassenen wordt uitgegaan van het bedrag voor een man van 14-65 jaar met een 1-persoons-huishouden. Voor kinderen wordt een gemiddeld bedrag gehanteerd, dat het Nibud hanteert voor kinderen tot 13 jaar, gecombineerd met de korting bij huishoudens met twee of meer personen.

Dit bedrag wordt op basis van dit lid in mindering gebracht op de bijdrage. Dat leidt nooit tot een negatieve bijdrage, maar bij alleenstaanden jonger dan 21 jaar mogelijk wel tot nihil. In het geval het Nibud dit bedrag niet meer vaststelt of bekend maakt, bepaalt het college een andere basis voor dit bedrag.

Artikel 2 lid 6

Bij de kortdurende opvang voor volwassenen met een grote kwetsbaarheid en gezinnen met begeleiding of opvang na geweld in afhankelijkheidsrelaties is het mogelijk, dat de cliënt nog kosten heeft voor een zelfstandige woonruimte en zodoende redelijkerwijs de berekende bijdrage niet kan betalen. Het uitgangspunt is dat opvang een kortdurende voorziening is, waarbij een termijn van 6 maanden voldoende is om ofwel weer zelfstandig te kunnen wonen dan wel om door te stromen naar een andere vorm van opvang. De eigen bijdrage wordt daarom voor een periode van maximaal 6 maanden verlaagd met een forfaitair bedrag van 20% van de bijstandsnorm. In de Richtlijnen voor Bijzondere bijstand wordt uitgegaan van een huurquotum van 16,5% tot 19% van het inkomen, zodat 20% als aftrekpost redelijk is.

De gemeente verstrekt een tabel, waarin per categorie aangegeven, wat de vermindering is van de eigen bijdrage en wat de resterende bijdrage is. In de tabel wordt uitgegaan van de forfaitaire vermindering van 20% van de bijstandsnorm.

Artikel 2 lid 7

Sommige cliënten (in de praktijk in de opvang na geweld in afhankelijkheidsrelaties) ontvangen in het begin van de opvangperiode nog geen alleenstaande ouderkop en zorgtoeslag, omdat nog geen echtscheidingsaanvraag is ingediend. In die gevallen kan, in overleg met de gemeente, een periode een lagere eigen bijdrage worden geïnd, zodat de norm persoonlijke uitgaven behouden blijft.

Artikel 2 lid 9

De eigen bijdrage voor de kortdurende opvang voor volwassenen met een grote kwetsbaarheid, gezinnen met begeleiding, volwassenen met ernstige psychiatrische of verslavingsproblematiek, jongvolwassenen en de opvang na geweld in afhankelijkheidsrelaties wordt jaarlijks per 1 januari automatisch aangepast aan de nieuwe bijstandsnormen en andere in de nadere regels opgenomen normbedragen. Als het college de eigen bijdrage anderszins wil aanpassen, neemt zij daar een expliciet besluit over, dat aan de instellingen kenbaar wordt gemaakt. De eigen bijdrage voor de algemene kortdurende opvang voor individuele volwassenen met aanzienlijke problematiek, gecombineerde inloopvoorziening en kortdurende opvang voor zieke daklozen wordt niet jaarlijks aangepast aan kostenstijgingen, mede omdat we ronde bedragen willen hanteren. In overleg met de instellingen wordt gekeken of er een verhoging nodig is.

Artikel 3 lid 1, 2 en 3

Het innen van de eigen bijdragen kan niet door het CAK plaatsvinden, zoals bij de andere eigen bijdragen vanuit de Wet Maatschappelijke Ondersteuning. Het is logisch om de instellingen de inning te laten uitvoeren. Het college kan hier van afwijken, als daar reden voor is. Het kan voor instellingen of voor cliënten in bepaalde gevallen handig zijn om de bijdrage te splitsen in een bijdrage voor specifieke onderdelen. De instellingen hebben de vrijheid om dit te doen, zolang de totale bijdrage niet verandert.

Artikel 3 lid 4

In de norm persoonlijke uitgaven is een bedrag opgenomen voor de verplichte zorgverzekering. Indien een cliënt zich niet verzekerd dan wel als een cliënt de premie niet (tijdig) betaalt, wordt de compensatie van de gemeente voor de te betalen premie oneigenlijk gebruikt door de cliënt. Om deze ongewenste situatie te voorkomen kan de instelling een extra bedrag innen ter grootte van de premie zorgverzekering. Het extra geïnde bedrag wordt later weer ter beschikking gesteld van de cliënt om de (achterstallige) premie zorgverzekering te betalen.

Artikel 3 lid 5

Bij cliënten jonger dan 21 jaar blijkt de overgang naar zelfstandig wonen (zonder begeleiding of alleen met ambulante woonbegeleiding) financieel veel problemen op te leveren. De instelling kan deze overgang vergemakkelijken door, door middel van een extra bijdrage, de cliënt verplicht een maandelijks bedrag te laten sparen. Het gespaarde bedrag wordt aan de cliënt uitgekeerd bij de uitstroom naar zelfstandig wonen.

Artikel 3 lid 6

Bij de opdracht voor de maatschappelijke opvang wordt bij het bepalen van het benodigde bedrag voor de instellingen vooraf de verwachte te innen bijdrage door de instelling in mindering gebracht op het budget.

De instelling mag daarbij de redelijke kosten van administratie, incasso en oninbaarheid in mindering brengen, waarbij maximaal 5% van het totale te innen bedrag voldoende is. Dit percentage wordt vastgesteld in de overeenkomst met de instelling en bij de vaststelling niet aangepast ongeacht de werkelijke kosten en oninbaarheid.

Er wordt geen extra budget beschikbaar gesteld in het geval de instelling minder eigen bijdragen int dan de berekende bijdragen. Buiten bovengenoemde herberekening bij de vaststelling wordt het toegekende budget niet aangevuld dan wel teruggevorderd. Het college kan op grond van redelijkheid en billijkheid in uitzonderingsgevallen afwijken van het bepaalde in dit lid.

Artikel 4

De nadere regels zijn niet gericht op specifieke instellingen, maar op alle aanbieders van de genoemde vormen van maatschappelijke opvang in de gemeente Utrecht.

Artikel 5

In de nadere regels wordt verwezen naar meerdere wetten, beleidsregels en richtlijnen, die aan verandering onderhevig zijn. De naamgeving kan wijzigen (zoals het jaartal), evenals artikelnummering of de wet, beleidsregel of richtlijn wordt vervangen door een andere wet, richtlijn of beleidsregel. Het is niet zinvol om de nadere regels daar tussentijds voor aan te passen. In het geval er een wezenlijke verandering plaatsvindt of redelijkerwijs niet duidelijk meer is, wat de verwijzing inhoudt, worden de nadere regels vanzelfsprekend aangepast.

Ter verduidelijking van de artikelen in de nadere regels en om een beeld te krijgen van de bedragen van de eigen bijdrage in de verschillende persoonlijke omstandigheden zijn er middels tabellen en anderszins voorbeeldberekeningen gemaakt van de bijdrage. Aan de voorbeeldberekeningen kunnen geen rechten worden ontleend. Zij dienen alleen als toelichting en illustratie van de nadere regels zelf. Bij discrepantie dan wel twijfel is de tekst van de nadere regels leidend.

In veel voorbeeldberekeningen is nadrukkelijk uitsluitend aangegeven met of tot welk bedrag het college de bijdrage kan verlagen. Deze verlagingen zijn een recht van het college, zij kan dit toepassen maar zij kan ook besluiten om dit niet toe te passen. De cliënten noch de instellingen kunnen enig recht ontlenen aan de artikelen en voorbeeldberekeningen waarin de mogelijke verlaging van de bijdrage is opgenomen.