Kostentoedelingsverordening watersysteemheffing Waterschap Limburg 2022

Geldend van 03-12-2021 t/m heden

Intitulé

Kostentoedelingsverordening watersysteemheffing Waterschap Limburg 2022

Het algemeen bestuur van Waterschap Limburg;

overwegende als volgt:

  • 1.

    Het bepaalde in artikel 120, vijfde lid van de Waterschapswet noodzaakt tot het herzien van de Kostentoedelingsverordening watersysteembeheer Waterschap Limburg 2017.

  • 2.

    De Kostentoedelingsverordening watersysteemheffing Waterschap Limburg 2022 met toelichting is in ontwerp vastgesteld in de openbare vergadering van 7 juli 2021.

  • 3.

    Het besluit van 7 juli 2021 is gepubliceerd in het Waterschapsblad van 12 juli 2021 nr. 2021.8580 met gelegenheid voor belanghebbenden tot het indienen van een zienswijze gedurende de periode van 12 juli 2021 tot en met 23 augustus 2021.

  • 4.

    De termijn gedurende welke een zienswijze ingediend kon worden is ongebruikt verstreken, zodat het algemeen bestuur kan overgaan tot ongewijzigde vaststelling overeenkomstig het ontwerp van de Kostentoedelingsverordening watersysteembeheer Waterschap Limburg 2022.

Gelet op de artikelen 120 en 122 van de Waterschapswet en artikel 2 van het Reglement voor het Waterschap Limburg;

BESLUIT:

vast te stellen de Kostentoedelingsverordening watersysteemheffing Waterschap Limburg 2022;

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Deze verordening verstaat onder:

  • a.

    Kosten voor het watersysteem: netto kosten van de kostendrager watersysteembeheer zoals opgenomen in de begroting van het waterschap en die gedekt worden met behulp van de watersysteemheffing;

  • b.

    gebied van het waterschap: het gebied zoals bedoeld in artikel 2 van het Reglement voor het waterschap Limburg;

  • c.

    ingezetenen: degenen die blijkens de Basisregistratie personen bij het begin van het kalenderjaar woonplaats hebben in het gebied van het waterschap en die aldaar gebruik hebben van woonruimte;

  • d.

    zakelijk gerechtigden ongebouwd, niet zijnde natuurterreinen: degenen die krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van ongebouwde onroerende zaken die geen natuurterreinen zijn in het gebied van het waterschap;

  • e.

    zakelijk gerechtigden natuurterreinen: degenen die krachtens eigendom, bezit of beperkt recht in het gebied van het waterschap het genot hebben van natuurterreinen;

  • f.

    zakelijk gerechtigden gebouwd: degenen die krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van gebouwde onroerende zaken in het gebied van het waterschap;

  • g.

    openbare landwegen: openbare wegen met verharding met inbegrip van kunstwerken, bermen en perceeldelen die dienstbaar zijn aan de weg;

  • h.

    verharde openbare wegen: openbare wegen met verharding met inbegrip van kunstwerken.

Artikel 2 Kostentoedeling watersysteembeheer

  • 1. De kosten voor het watersysteembeheer worden als volgt aan de heffingsplichtige categorieën toegedeeld:

    • a.

      40 % aan de ingezetenen;

    • b.

      10,74 % aan de zakelijk gerechtigden van ongebouwde onroerende zaken, die geen natuurterreinen zijn;

    • c.

      0,21 % aan de zakelijk gerechtigden van natuurterreinen;

    • d.

      49,05 % aan de zakelijk gerechtigden van gebouwde onroerende zaken.

  • 2. De waarde in het economisch verkeer van de onroerende zaken bedoeld in het vorige artikellid, onderdelen b, c en d, wordt bepaald naar de waarde die de onroerende zaken op de waardepeildatum hebben naar de staat en hoedanigheid waarin zij op die datum verkeren.

  • 3. De waardepeildatum is 1 januari 2021 voor de onroerende zaken zoals bedoeld in het vorige artikellid, onderdeel b en c en is 1 januari 2020 voor de onroerende zaken zoals bedoeld in het vorige artikellid, onderdeel d.

Artikel 3 Kosten van heffing en invordering van de watersysteemheffing en kosten van de verkiezing van de leden van het algemeen bestuur

In afwijking van het bepaalde in artikel 2, eerste lid, worden de kosten van heffing en invordering van de watersysteemheffing en de kosten van de verkiezing van de leden van het algemeen bestuur van het waterschap, voor zover die kosten worden toegerekend aan het watersysteembeheer en zoals opgenomen in de begroting van enig belastingjaar, rechtstreeks aan de betrokken categorieën toegerekend naar rato van deze voor elk van de genoemde categorieën te maken kosten.

Artikel 4 Tariefdifferentiatie

Voor verharde openbare wegen wordt een tariefdifferentiatie als bedoeld in artikel 122, derde lid, onder b. van de Waterschapswet toegepast. Het tarief na toepassing van de tariefdifferentiatie is 400% hoger dan het tarief dat blijkens de verordening op de watersysteemheffing voor ongebouwde onroerende zaken, niet zijnde natuurterreinen, geldt.

Artikel 5 Inwerkingtreding, overgangsbepaling en citeertitel

  • 1. De Kostentoedelingsverordening watersysteembeheer Waterschap Limburg 2017 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid van dit artikel genoemde datum, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op de belastingjaren waarvoor deze heeft gegolden.

  • 2. Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na bekendmaking in het Waterschapsblad.

  • 3. Deze verordening vindt voor het eerst toepassing in het belastingjaar dat aanvangt op 1 januari 2022.

  • 4. Deze verordening wordt aangehaald als Kostentoedelingsverordening watersysteemheffing Waterschap Limburg 2022.

Ondertekening

Aldus besloten in de openbare vergadering van het algemeen bestuur van 24 november 2021.

De secretaris-directeur,

[getekend]

ir. E.J.M. Keulers MMO

De dijkgraaf,

[getekend]

drs. ing. P.F.C.W. van der Broeck

Toelichting Kostentoedelingsverordening Watersysteemheffing Waterschap Limburg 2022

Algemeen

1 Wettelijke basis

Artikel 120 Waterschapswet bepaalt dat het algemeen bestuur van een waterschap ten behoeve van de watersysteemheffing een verordening vaststelt waarin voor elk van de categorieën van heffingsplichtigen de toedeling van het kostendeel is opgenomen. In artikel 3 van de verordening is bepaald dat kosten van heffing en invordering en de verkiezingskosten rechtstreeks worden toegerekend aan de betrokken categorieën van heffingsplichtigen. Artikel 122 Waterschapswet geeft de mogelijkheid van een tariefdifferentiatie. Dit is in de verordening geregeld in artikel 4.

De verordening wordt ten minste eenmaal in de vijf jaren herzien.

2 Kostentoedeling

De toedeling van het kostendeel aan de categorie ingezetenen gebeurt aan de hand van de gemiddelde inwonerdichtheid per vierkante kilometer in het gebied van het waterschap. De toedeling van kosten aan de overige drie heffingsplichtige categorieën (ongebouwde onroerende zaken die geen natuurterreinen zijn, natuurterreinen en gebouwde onroerende zaken) gebeurt aan de hand van de waarde van de onroerende zaken.

3 Toedelen van kosten aan de categorie ingezetenen

Nadat de heffings- en invorderingskosten en de verkiezingskosten rechtstreeks zijn toegedeeld aan de betreffende categorieën, volgt de eerste stap in het toedelingsproces, te weten het toedelen van kosten aan de categorie ingezetenen. Dit gebeurt op basis van de gemiddelde inwonerdichtheid per vierkante kilometer in het gebied van het waterschap, waar bij een gemiddeld aantal inwoners van:

  • 500 of minder, een toedelingspercentage geldt van minimaal 20% en maximaal 30%;

  • meer dan 500 maar niet meer dan 1000, een toedelingspercentage geldt van minimaal 31% en maximaal 40%;

  • meer dan 1000, een toedelingspercentage van minimaal 41% en maximaal 50%.

Het binnen de bandbreedtes bepalen van het concrete ingezetenenaandeel behoort tot de bestuurlijke vrijheid.

3.1 Ophogen ingezetenenaandeel

Een verdere ophoging met 10% is op basis van artikel 120 Waterschapswet mogelijk. Uit jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2010:BN2669) is gebleken dat het verhogen van het ingezetenenaandeel tot de bestuurlijke vrijheid van het waterschapsbestuur behoort. In de wet zijn geen beperkende voorwaarden verbonden aan de bevoegdheid om het ingezetenenaandeel op te hogen met 10%.

Er hoeft dan ook geen betekenis te worden toegekend aan de ‘bijzondere omstandigheden’ en de twee voorbeelden zoals in de parlementaire geschiedenis genoemd, bij de totstandkoming van het betreffende artikel van de Waterschapswet. Er kunnen andere bestuurlijke motieven aan een ophoging ten grondslag liggen, anders dan de twee voorbeelden uit de wetsgeschiedenis, mits die motieven gebaseerd zijn op belangen van de categorie ingezetenen die niet al verdisconteerd zijn in de procentuele basistoedeling. De twee voorbeelden waren: een zéér hoge inwonerdichtheid of een relatief groot deel van het waterschapsgebied bestaande uit natuurterreinen. Het gebied van Waterschap Limburg bestaat voor een relatief groot deel (22%) uit arealen die vallen onder de categorie Natuurterreinen hetgeen een toedeling van 40% rechtvaardigt.

4 Toedelen van de resterende kosten aan de specifieke categorieën

Nadat het aandeel van de ingezetenen in de kostentoedeling is bepaald, worden de resterende kosten van de taakuitoefening aan de categorie ongebouwd niet zijnde natuurterreinen, de categorie natuurterreinen en de categorie gebouwd toegedeeld. Deze toedeling vindt plaats, zoals nader in de Waterschapswet en het Waterschapsbesluit is bepaald, op basis van de waarde van de onroerende zaken in het economische verkeer, respectievelijk op basis van de gecorrigeerde vervangingswaarde voor (spoor)wegen.

4.1 Waardebepaling en waardepeildatum

De waarde van de onroerende zaken moet worden bepaald naar de hoedanigheid en de staat van de onroerende zaken op de waardepeildatum. In artikel 6.11 van het Waterschapsbesluit is dit voor natuurterreinen en voor andere ongebouwde onroerende zaken die geen natuurterreinen zijn, uitdrukkelijk bepaald. Voor gebouwde onroerende zaken bevat het Waterschapsbesluit een dergelijke expliciete bepaling niet omdat is aangesloten bij de Wet WOZ. Daarin is al bepaald dat de waarde naar de hoedanigheid en de staat van de onroerende zaken op de waardepeildatum moet worden bepaald. De waardepeildatum ligt maximaal twee jaar voor het begin van het eerste kalenderjaar waarop de kostentoedelingsverordening betrekking heeft (artikel 6.11 van het waterschapsbesluit). Bij de voorliggende kostentoedeling is gekozen voor de waardepeildatum 1 januari 2020 (woz-gegevens aanslagoplegging belastingjaar 2021). Dat zijn de meest recente en volledig beschikbare gegevens op het moment dat de ontwerpverordening in procedure gaat.

De categorie Ongebouwd, niet zijnde natuurterreinen kan globaal verdeeld worden in openbare landwegen, spoorwegen en agrarische percelen. De waarde van (spoor)wegen wordt gesteld op de vervangingswaarde met een correctie wegens technische en functionele veroudering; wettelijk is de -te verminderen- correctie bepaald op 25%. Op basis van de meest recente taxatiewijzer openbare wegen en spoorwegen 2018 is voor de (spoor)wegen binnen het waterschapsgebied de gecorrigeerde vervangingswaarde bepaald. Uitgangspunt is de oppervlakte zoals die bij de aanslagoplegging 2021 wordt belast waarbij voor de waardering vijf categorieën gelden, zoals nader bepaald in artikel 6.4. van het Waterschapsbesluit. De oppervlakte is per categorie vermenigvuldigd met een factor tussen 1,0 en 3,3 om per categorie te komen tot een oppervlakte die overeenkomt met de wettelijke definitie van verhard. Dit is het feitelijk verhard oppervlakte met inbegrip van kunstwerken, bermen en perceeldelen die dienstbaar zijn aan de weg zoals rand- en middenbermen, taluds en inliggende oppervlakten van bijvoorbeeld klaverbladen (art. 6.6 Waterschapsbesluit, toelichting Stb. 2007.497, p. 133/134). De correctiefactor is voor iedere wegencategorie bepaald in genoemde taxatiewijzer. De waarde per hectare per wegencategorie volgt uit de taxatiewijzer met bijlagen. Daarbij is rekening gehouden met regionale omstandigheden zoals grondsoort en regio-specifieke omstandigheden zoals bijzondere kunstwerken. Daarbij te denken aan de Roertunnel, Swalmtunnel en Willem-Alexandertunnel, klaverbladen, geluidswerende objecten en overige constructies van bijzondere aard. Bij wetsbepaling worden al deze objecten gewaardeerd en toegerekend aan de categorie Ongebouwd, niet zijnde natuurterreinen. De taxatiewijzer is gebaseerd op het prijspeil per 1 januari 2017. Dit prijspeil is vervolgens geïndexeerd naar prijspeil 1 januari 2021 op basis van de CBS Grond- weg- en waterbouwindexcijfers.

De waarde van agrarische percelen schommelt in de loop der jaren, met en stijgende tendens. De waarde is dan ook bepaald op basis van een voortschrijdend gewogen driejaarsgemiddelde. Het gemiddelde betreft de periode 2018, eerste kwartaal, tot en met 2020, vierde kwartaal.

5 Natuurterreinen

Ingevolge artikel 116, onderdeel c, van de Waterschapswet is een natuurterrein een ongebouwde onroerende zaak, waarvan de inrichting en het beheer geheel of nagenoeg geheel en duurzaam is afgestemd op het behoud en de ontwikkeling van natuur. Bossen en open wateren worden bij wetsfictie als natuurterreinen aangemerkt. Voorwaarde is wel dat deze een oppervlakte van ten minste één hectare hebben. Op basis van jurisprudentie (ECLI:NL:HR:2014:3118) is de wettelijke definitie nader verfijnd.

6 De watersysteemtaak

De watersysteemtaak wordt in artikel 1, tweede lid, van de Waterschapswet genoemd en omvat de taken van het waterschap op het gebied van het waterkeringsbeheer, het waterkwantiteitsbeheer en het kwaliteitsbeheer van oppervlaktewateren, voor zover laatstgenoemde activiteiten niet vallen onder het transporteren en/of behandelen van afvalwater. De zorg voor het watersysteem is een samenhangende taak die het waterschap in het gehele waterschapsgebied uitoefent.

7 Relatie met de begroting van het waterschap

In het traject van belastingheffing (kostentoedeling-tariefbepaling-aanslagvervaardiging-heffing-invordering) zijn de kosten van de watersysteemtaken van het waterschap leidend. Deze kosten worden in de begroting van het waterschap geraamd en in de jaarverslaggeving verantwoord. Het gaat in deze verordening om de kostendrager watersysteembeheer.

Uit de begroting volgt een saldo, het resultaat. Afdekking of bestemming is in de begroting opgenomen. Daaruit blijkt dan welk bedrag aan belastingheffing, onderdeel watersysteemheffing moet worden opgelegd. Dat is het uitgangspunt voor de kostentoedeling.

8 Tariefdifferentiatie

In artikel 122 Waterschapswet wordt de mogelijkheid van tariefdifferentiatie geboden. De wetgever heeft nadrukkelijk aangegeven dat de waterschappen daarbij een bestuurlijke vrijheid hebben om al dan niet een differentiatie toe te passen.

Het uitgangspunt, dat in artikel 121, eerste lid, onderdelen b, c en d, van de Waterschapswet is neergelegd, is dat het tarief van de belasting per heffingsmaatstaf voor elke onderscheiden categorie gelijk is. De situaties waarin echter tariefdifferentiatie mogelijk is, zijn limitatief in de wet genoemd. De wet geeft ook de maximale omvang (verhoging of verlaging) van de differentiaties aan.

Tariefdifferentiatie is alleen in de volgende gevallen mogelijk:

  • buitendijks gelegen onroerende zaken; maximaal 75% lager tarief;

  • onroerende zaken die blijkens de legger van het waterschap als waterberging worden gebruikt; maximaal 75% lager tarief;

  • onroerende zaken gelegen in bemalen gebieden; maximaal 100% hoger tarief;

  • onroerende zaken die in hoofdzaak uit glasopstanden bestaan; maximaal 100% hoger tarief;

  • verharde openbare wegen; maximaal 400% hoger tarief.

De differentiaties kunnen naast elkaar worden toegepast. In de Kostentoedelingsverordening 2022 is uitsluitend voorzien in een tariefdifferentiatie voor verharde openbare wegen.

Artikelsgewijs

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Onderdeel a: andere kosten dan de netto-kosten voor watersysteembeheer worden niet in de kostentoedeling watersysteembeheer betrokken.

Onderdeel b spreekt voor zich.

Onderdelen c tot en met f beschrijven de begrippen ingezetenen, zakelijk gerechtigden ongebouwd niet zijnde natuurterreinen, zakelijk gerechtigden natuurterreinen en zakelijk gerechtigden gebouwd. Dit zijn de heffingplichtige categorieën. Voor de omschrijvingen is aangesloten bij artikel 116, onder a en artikel 117 onder b tot en met d Waterschapswet.

Onderdeel g is opgenomen in verband met de waardering van de categorie Ongebouwd niet zijnde natuur, onderdeel openbare landwegen. Onder de definitie valt meer dan alleen de feitelijke verharding. Ook (midden)bermen, ontwateringsvoorzieningen, kunstwerken zoals bruggen, viaducten, klaverbladen, tunnels, geluidswerende voorzieningen en alle overige perceeldelen die dienstbaar zijn aan de weg. Dit alles behoort tot de categorie Ongebouwd door wetsduiding op grond van het bepaalde in artikel 118, vijfde lid van de Waterschapswet en de toelichting op artikel 6.6 van het Waterschapsbesluit (Stb. 2007 497, p. 133/134).

Onderdeel h is opgenomen in verband met de tariefdifferentiatie voor verharde wegen.

Artikel 2 Kostentoedeling watersysteembeheer

Aangegeven is op welke manier de kosten van de taakuitoefening over de vier heffingplichtige categorieën worden verdeeld. Artikel 2 vormt daarmee het kernartikel van de verordening. De kostentoedeling geschiedt in twee stappen. In de eerste stap wordt het kostenaandeel van de categorie ingezetenen bepaald en in de tweede stap worden de resterende kosten van de taakuitoefening over de categorieën ongebouwd niet zijnde natuur, natuur en gebouwd verdeeld.

Stap 1 Toedelen van kosten aan de categorie ingezetenen

De gemiddelde inwonerdichtheid bepaalt het toedelingspercentage. Bron daarbij is de basisregistratie personen van de inliggende gemeenten in combinatie met de totale oppervlakte van het waterschapsgebied. De Waterschapswet benoemt procentuele bandbreedtes corresponderend bij een gemiddelde inwonerdichtheid. In de verordening moet binnen de betreffende bandbreedte het percentage bepaald worden. Met de keuze voor 40% wordt binnen de bandbreedte gebleven nu de gemiddelde inwonerdichtheid van het waterschapsgebied 505/km² is.

Stap 2 Toedelen van de resterende kosten aan de eigenaren van onroerende zaken

Nadat het aandeel van de ingezetenen in de kostentoedeling is bepaald, worden de resterende kosten van de taakuitoefening aan de categorie ongebouwd niet zijnde natuurterreinen, de categorie natuurterreinen en de categorie gebouwd toegedeeld. Deze toedeling vindt plaats, zoals nader in de Waterschapswet en het Waterschapsbesluit is bepaald, op basis van de waarde van de onroerende zaken in het economisch verkeer, respectievelijk op basis van de gecorrigeerde vervangingswaarde voor (spoor)wegen. De onderlinge waardeverhouding bepaalt het toedelingspercentage. Met name hoofdstuk 6 van het Waterschapsbesluit omvat nadere regels over het bepalen van de waarden binnen de categorie ongebouwde onroerende zaken en natuurterreinen.

Waardebepaling categorie ongebouwde onroerende zaken die geen natuurterreinen zijn:

  • -

    Agrarische percelen

    De gemiddelde waarde per hectare van de agrarische gronden wordt bepaald op basis van of afgeleid uit verkooptransacties van deze gronden in het gebied van het waterschap. In het tweede lid van artikel 6.5 van het Waterschapsbesluit is neergelegd dat de waarde wordt bepaald op de waarde die aan de gronden moet worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de gronden als agrarische gronden in gebruik zouden blijven. Dit betekent dat transacties waarbij geen marktconforme prijs tot stand is gekomen (dit kan bij transacties in de familiesfeer het geval zijn), niet in de berekeningen mogen worden betrokken.

  • -

    Openbare landwegen/ spoorwegen

    De gemiddelde waarde per hectare wordt ingevolge het Waterschapsbesluit gesteld op de vervangingswaarde. Dit is het bedrag voor de herbouw van een identiek vervangend object, rekening houdend met een correctiefactor voor technische en functionele veroudering. Deze factor is in het Waterschapsbesluit bepaald op 25%.

  • -

    Bouwpercelen

    De gemiddelde waarde per hectare wordt ingevolge artikel 6.7 van het Waterschapsbesluit bepaald op basis van de Wet WOZ.

  • -

    Overige ongebouwde onroerende zaken

    Restcategorie waartoe onder andere volkstuinen, begraafplaatsen, openbare parken en plantsoenen en recreatie- en sportterreinen behoren, voor zover niet deel uitmakend van een gebouwd eigendom. De gemiddelde waarde per hectare wordt ingevolge het Waterschapsbesluit gesteld op de gemiddelde waarde per hectare van de agrarische gronden in het gebied van het waterschap. De wetgever heeft om redenen van eenvoud hiervoor gekozen. Dit blijkt uit de toelichting op artikel 6.8 van het Waterschapsbesluit.

Waardebepaling categorie natuurterreinen

De gemiddelde waarde per hectare van natuurterreinen wordt op basis van het Waterschapsbesluit gesteld op 20% van de gemiddelde waarde per hectare van de agrarische gronden in het gebied van het waterschap.

Waardebepaling categorie gebouwde onroerende zaken

De waarde is gelijk aan die welke de gemeenten hebben vastgesteld op basis van de Wet WOZ. Wat onder een gebouwd object moet worden verstaan, is in artikel 118, eerste en tweede lid, van de Waterschapswet geregeld.

Waardepeildatum

Artikel 6.11 van het Waterschapsbesluit bepaalt dat de waardepeildatum van de categorie ongebouwde onroerende zaken en van de categorie natuurterreinen plaatsvindt naar de hoedanigheid en de staat van deze onroerende zaken op de waardepeildatum. De waardepeildatum ligt ingevolge het eerste lid van deze bepaling maximaal twee jaren voor het begin van het eerste kalenderjaar waarop de kostentoedelingsverordening betrekking heeft. De waardepeildatum is bepaald op 1 januari 2021, als zijnde de meest recente peildatum waarover alle gegevens volledig beschikbaar zijn ten tijde dat de ontwerpverordening in procedure gaat.

Stap 3 Toedelingspercentages

Op basis van de onderlinge waardeverhoudingen worden de toedelingspercentages bepaald tussen de betreffende categorieën.

Stap 4 tariefbepaling

Tariefdifferentiatie is in de Kostentoedelingsverordening bepaald. Vervolgens wordt jaarlijks het tarief vastgesteld op basis van de bepalingen in de Verordening watersysteemheffing.

Artikel 3 Kosten van heffing en invordering en van de verkiezing

Het betreft onder andere kosten voor het verkrijgen van WOZ- en kadastrale gegevens, GBA-persoonsgegevens en kwijtscheldingskosten.

Artikel 4 Tariefdifferentiatie

In dit artikel is een differentiatie voor verharde openbare wegen opgenomen.

Het betreft een facultatieve bevoegdheid van het waterschapsbestuur. Tariefdifferentiatie is slechts toegestaan in een beperkt aantal gevallen, die in artikel 122 Waterschapswet zijn genoemd. Ook de maximale omvang van de tariefdifferentiaties is in de wet geregeld.

Artikel 5 Inwerkingtreding, overgangsbepaling en citeertitel

Derde lid: de verordening moet tenminste eenmaal in de vijf jaar worden herzien op grond van artikel 120, vijfde lid Waterschapswet.