Algemene verordening gemeente Leudal

Geldend van 19-02-2022 t/m heden

Intitulé

Algemene verordening gemeente Leudal

De raad van de gemeente Leudal;

gelezen het voorstel van college van burgemeester en wethouders van 5 oktober 2021 nummer BenW/2898;

overwegende dat in het kader van de invoering van de Omgevingswet een deel van de gemeentelijke regelgeving aangaande de fysieke leefomgeving een plaats dient te vinden in het op te stellen Omgevingsplan;

overwegende dat bundeling van gemeentelijke regelgeving in dat verband de om- dan wel overzetting van de regelgeving faciliteert;

overwegende dat van de gelegenheid gebruik gemaakt kan worden de regeldruk voor de inwoners en organisaties te verminderen;

overwegende dat het project vermindering regeldruk gericht is op gemeentelijke regelgeving die betrekking heeft op de openbare orde en openbare veiligheid alsmede de fysieke leefomgeving;

gelet op:

  • -

    artikel 149 Gemeentewet,

  • -

    de Alcoholwet,

  • -

    de Wet milieubeheer,

  • -

    artikel 6.7 Wet ruimtelijke ordening,

  • -

    artikel 6.1.3.3 Besluit ruimtelijke ordening,

  • -

    de Wet op de lijkbezorging,

  • -

    de artikelen 1, 8 en 12b Woningwet,

  • -

    artikel 173, tweede lid Wegenverkeerswet 1994,

  • -

    het Besluit wegslepen van voertuigen,

  • -

    artikel 6 Wet geurhinder en veehouderij,

  • -

    de artikelen 5.4, 5.5 en 5.7 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht,

  • -

    artikel 5.4 Telecommunicatiewet,

  • -

    artikel 3 Wet openbare manifestaties,

besluit:

vast te stellen de navolgende Algemene verordening gemeente Leudal:

Titel 1 Algemeen

Hoofdstuk 1.1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1.1 Definities

  • 1. Bijlage 1 bij deze Verordening bevat definities voor de toepassing van deze Verordening.

  • 2. De definities bedoeld in het eerste lid gelden eveneens voor de toepassing van de regels bij of krachtens deze Verordening.

Artikel 1.1.2 Beslistermijn

  • 1. Het bevoegd bestuursorgaan beslist binnen acht weken op een aanvraag om een toestemming Deze acht weken-termijn begint de eerste dag na ontvangst van de aanvraag.

  • 2. Het bevoegde bestuursorgaan kan de beslistermijn met maximaal zes weken verlengen.

  • 3. Het eerste en tweede lid gelden niet als daarvan wordt afgeweken bij de bepalingen van deze Verordening.

Artikel 1.1.3 Indienen aanvraag

Bij de toestemmingaanvraag of wijzigingsaanvraag van de toestemming, wordt gebruik gemaakt van het door het bevoegde bestuursorgaan vastgestelde formulier.

Artikel 1.1.4 Toestemmingvoorschriften

  • 1. Aan een toestemming kunnen voorschriften worden verbonden. Het doel van deze voorschriften mag alleen bescherming zijn van het belang waarvoor de toestemming vereist is.

  • 2. Degene voor wie de toestemming geldt, moet zich zo gedragen dat geen strijd ontstaat met de aan de toestemming verbonden voorschriften.

Artikel 1.1.5 Toestemming gekoppeld aan activiteit

De toestemming is alleen gekoppeld aan de activiteit waarvoor de toestemming is verleend, tenzij hiervan wordt afgeweken bij of krachtens de bepalingen van deze Verordening.

Artikel 1.1.6 Intrekking en wijziging toestemming

De toestemming kan worden ingetrokken of gewijzigd als:

  • a.

    onjuiste of onvolledige gegevens zijn ingediend om de toestemming te krijgen;

  • b.

    een verandering van de omstandigheden of inzichten is opgetreden na de toestemmingverlening dan wel intrekking of wijziging noodzakelijk is als gevolg van het belang ter bescherming waarvan de toestemming vereist is;

  • c.

    aan de toestemming verbonden voorschriften niet zijn of worden nagekomen;

  • d.

    van de toestemming geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn of, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn;

  • e.

    het gebruikmaken van de toestemming gevaar oplevert voor de openbare orde, de openbare veiligheid dan wel het woon- en leefklimaat ter plaatse, of

  • f.

    de toestemminghouder daarom verzoekt.

Artikel 1.1.7 Geldigheidsduur toestemming

De toestemming geldt voor onbepaalde tijd, tenzij

  • a.

    in de toestemming de geldigheidsduur is beperkt, of

  • b.

    de aard van de toestemming zich daartegen verzet.

Artikel 1.1.8 Weigeringsredenen toestemming openbare orde en openbare veiligheid

  • 1. Een toestemming kan worden geweigerd in het belang van de openbare orde en/of openbare veiligheid.

  • 2. Het bevoegde bestuursorgaan kan besluiten de toestemmingaanvraag af te wijzen als deze aanvraag wordt ingediend minder dan acht weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de toestemming nodig heeft, en een zorgvuldige behandeling van de aanvraag daardoor niet mogelijk is.

  • 3. De toestemming wordt geweigerd als:

    • -

      de aanvrager geen belang heeft bij de toestemming, of

    • -

      door gebruikmaking van de toestemming duidelijke strijd ontstaat met andere wettelijke voorschriften.

Artikel 1.1.9 Weigeringsredenen toestemming fysieke leefomgeving

  • 1. Een toestemming kan worden geweigerd in het belang van de fysieke leefomgeving.

  • 2. Het bevoegde bestuursorgaan kan besluiten de toestemmingaanvraag af te wijzen als deze aanvraag wordt ingediend minder dan acht weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de toestemming nodig heeft, en een zorgvuldige behandeling van de aanvraag daardoor niet mogelijk is.

  • 3. De toestemming wordt geweigerd als:

    • a.

      de aanvrager geen belang heeft bij de toestemming, of

    • b.

      door gebruikmaking van de toestemming duidelijke strijd ontstaat met andere wettelijke voorschriften.

Artikel 1.1.10 Hogere wetgeving

De in deze verordening genoemde verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hogere wetgeving.

Artikel 1.1.11 Algemene regels

Het bestuursorgaan dat bevoegd is een toestemming te verlenen bij of krachtens deze Verordening, kan algemene regels vaststellen die in de plaats treden van de vergunningplicht of daarnaast gelden.

Artikel 1.1.12 Nadere regels

Het bestuursorgaan kan nadere regels vaststellen ter invulling van een haar toekomende bevoegdheid. De nadere regels kunnen de toestemmingsplicht opheffen.

Artikel 1.1.13 Naleving voorschriften

Het is verboden voorschriften te overtreden die zijn verbonden aan besluiten bij of krachtens deze Verordening.

Artikel 1.1.14 Toezicht

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze Verordening zijn belast de door het college of bevoegd gezag aangewezen toezichthouders.

Artikel 1.1.15 Wetswijzigingen

De aanduidingen in deze Verordening die specifiek van toepassing zijn op de genoemde wetten en de daarop gebaseerde uitvoeringsregelingen, moeten bij wetswijziging overeenkomstig deze wijziging worden toegepast.

Titel 2 Openbare orde en openbare veiligheid

Hoofdstuk 2.1 Bestrijding van ongeregeldheden

Artikel 2.1.1 Samenscholing en ongeregeldheden

  • 1. Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot (dreigende) ongeregeldheden.

  • 2. Iemand die op een openbare plaats aanwezig is bij een:

    • a.

      voorval waardoor ongeregeldheden (dreigen te) ontstaan;

    • b.

      publiek trekkende gebeurtenis waardoor ongeregeldheden (dreigen te) ontstaan, of

    • c.

      samenscholing;

is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie en/of buitengewoon opsporingsambtenaar zijn weg te vervolgen of in de door hen aangewezen richting te gaan.

  • 3. Het is verboden zich te bevinden op of te gaan naar openbare plaatsen die door of vanwege het college of bevoegd bestuursorgaan zijn afgezet in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden.

  • 4. Het in het derde lid bedoelde verbod geldt niet voor buitengewone opsporingsambtenaren, toezichthouders, ambtenaren van politie en hulpdiensten.

Hoofdstuk 2.2 Betoging

Artikel 2.2.1 Melding betoging op openbare plaatsen

  • 1. Iemand die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3 eerste lid, van de Wet openbare manifestaties, meldt dit schriftelijk aan de burgemeester voorafgaand aan de openbare aankondiging en ten minste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden.

  • 2. De schriftelijke melding bevat, voor zover van toepassing:

    • a.

      naam en adres van degene die de betoging houdt;

    • b.

      het doel van de betoging;

    • c.

      de datum waarop de betoging wordt gehouden, het tijdstip van aanvang en van beëindiging;

    • d.

      de plaats en route;

    • e.

      de wijze van samenstelling, en

    • f.

      de maatregelen die degene die de betoging houdt, zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.

  • 3. Iemand die schriftelijk meldt, ontvangt daarvan een bewijs met daarin het tijdstip van de melding.

  • 4. Als het tijdstip dat de schriftelijke melding uiterlijk moet worden gedaan valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag, dan wordt de schriftelijke melding gedaan vóór 12.00 uur op de laatste werkdag voorafgaand aan de genoemde dagen.

  • 5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden een melding in behandeling nemen buiten deze termijn.

Hoofdstuk 2.3 Bruikbaarheid en aanzien van de weg

Artikel 2.3.1 Voorwerpen aan, op of boven de weg

  • 1. Het is verboden zonder vergunning van het college aan, op of boven de weg voorwerpen te plaatsen of aan te brengen in strijd met de openbare functie van de weg. Hiervan is in ieder geval sprake als:

    • a.

      dit schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg;

    • b.

      de bruikbaarheid van de weg wordt belemmerd of kan worden belemmerd;

    • c.

      het plaatsen of aanbrengen een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg of

    • d.

      het voorwerp zelf of in relatie tot de omgeving niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand, te beoordelen op grond van de daarvoor vastgestelde regels in de welstandsnota.

  • 2. Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg als bedoeld in het eerste lid, onder b, is in ieder geval sprake als minder dan:

    • a.

      1,5 meter vrije doorgang wordt gelaten op een voetpad of

    • b.

      2 meter vrije doorgang wordt gelaten op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer en een vrije doorgang van 3,5 strekkende meter voor hulpdiensten en toeleveringsbedrijven.

  • 3. De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning als het een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

  • 4. Het verbod is niet van toepassing op:

    • a.

      evenementen als bedoeld in artikel 2.5.2.1 van deze Verordening;

    • b.

      standplaatsen als bedoeld in artikel 3.8.1.1 van deze Verordening;

    • c.

      terrassen als bedoeld in artikel 2.5.3.1 van deze Verordening;

    • d.

      sandwich- en/of driehoeksborden en spandoeken als bedoeld in de algemene en/of nadere regels bij deze Verordening;

    • e.

      overige gevallen waarin bij of krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend.

Artikel 2.3.2 Veranderen, aanleg weg

  • 1. Het is verboden zonder vergunning een weg aan te leggen of een aangelegde weg te veranderen.

  • 2. De vergunning wordt verleend:

    • a.

      als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, als de activiteiten zijn verboden bij of krachtens een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit of

    • b.

      door het college in de overige gevallen.

  • 3. Het verbod is niet van toepassing als in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht.

  • 4. Op de vergunningaanvraag is paragraaf 4.1.3.3 van de Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2.3.3 Maken, veranderen van een uitweg

  • 1. Het is verboden een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg als dit niet van tevoren schriftelijk is gemeld bij het college. Bij de melding moet een situatieschets van de gewenste uitweg worden gevoegd en een foto van de bestaande situatie.

  • 2. De melding wordt op de in de gemeente gebruikelijke wijze bekend gemaakt.

  • 3. Het college verbiedt het maken of veranderen van de uitweg naar aanleiding van de melding als:

    • a.

      daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht;

    • b.

      dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;

    • c.

      het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze wordt aangetast of

    • d.

      sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.

  • 4. De uitweg mag worden aangelegd als het college niet binnen vier weken na ontvangst van de schriftelijke melding heeft beslist dat de gewenste uitweg wordt verboden. De termijn begint de dag na de datum van de ontvangst van de melding.

Hoofdstuk 2.4 Veiligheid in de openbare omgeving

Artikel 2.4.1 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp

Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben waardoor het vrije uitzicht voor het wegverkeer wordt belemmerd dan wel op andere wijze hinder of gevaar ontstaat.

Artikel 2.4.2 Handelingen aan en met openbare nutsvoorzieningen

Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden handelingen te verrichten met of aan openbare nutsvoorzieningen die gevaar, schade of hinder veroorzaken of kunnen veroorzaken.

Artikel 2.4.3 Voorkomen van brand in bossen en natuurterreinen

Het is verboden in bossen en natuurterreinen of binnen een afstand van dertig meter daarvan, zich zodanig te gedragen dat daardoor brand kan ontstaan.

Artikel 2.4.4 Voorzieningen voor verkeer en verlichting

De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen voor het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

Artikel 2.4.5 Objecten onder hoogspanningslijn

  • 1. Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten te plaatsen of te hebben, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter.

  • 2. Het verbod geldt niet voor objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn.

Artikel 2.4.6 Veiligheid op het ijs

Het is verboden:

  • a.

    voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, verontreinigen, versperren dan wel het verkeer daarop op andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen;

  • b.

    bakens of andere voorwerpen voor de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of belemmeren.

Hoofdstuk 2.5 Activiteiten in openbare ruimten

Paragraaf 2.5.1 Algemeen

Artikel 2.5.1.1 Ordeverstoring

Het is verboden bij activiteiten in openbare ruimten de orde te verstoren, daartoe aan te zetten of aanleiding te geven.

Artikel 2.5.1.2 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat

  • 1. In dit artikel wordt verstaan onder:

    • a.

      exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;

    • b.

      beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteiten;

    • c.

      bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor het publiek toegankelijk gebouw, niet zijnde een seksinrichting, of een daarbij behorend perceel of enig andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.

  • 2. De burgemeester kan gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waar(op) het verbod uit het derde lid van toepassing is. Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot één of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend voor de gehele gemeente aangewezen als naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat.

  • 3. Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen:

    • a.

      in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw of gebied voor door de burgemeester benoemde bedrijfsmatige activiteiten, of

    • b.

      als de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft.

  • 4. Aanvullend op het bepaalde in de artikelen 1.1.8 en 1.1.9 van deze Verordening kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren:

    • a.

      in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten;

    • b.

      als de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;

    • c.

      de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

    • d.

      als redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;

    • e.

      als niet is voldaan aan de bij of krachtens het vijfde en zesde lid gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag;

    • f.

      als er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;

    • g.

      als de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit of de Wet milieubeheer.

  • 5. De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Bij de vergunningaanvraag wordt vermeld voor welke bedrijfsmatige activiteiten de vergunning wordt gevraagd en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd:

    • a.

      de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant of beheerder;

    • b.

      het adres en telefoonnummer waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;

    • c.

      het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;

    • d.

      indien van toepassing de verblijftitel van de exploitant of beheerder;

    • e.

      een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant of beheerder gerechtigd is om in Nederland arbeid te verrichten;

    • f.

      een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken waarin het bedrijf wordt gevestigd.

  • 6. Als de burgemeester dat nodig vindt voor de beoordeling van een aanvraag kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd.

  • 7. Aanvullend op het bepaalde in artikel 1.1.6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen als:

    • a.

      door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast;

    • b.

      door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;

    • c.

      de voorschriften uit de vergunning of de plichten voortvloeiend uit dit artikel niet worden nageleefd;

    • d.

      de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

    • e.

      de exploitant of beheerder is betrokken of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf dan wel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed;

    • f.

      strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden;

    • g.

      er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;

    • h.

      de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd dan wel sprake is van een gewijzigde exploitatie;

    • i.

      redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is, of

    • j.

      de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit of de Wet milieubeheer.

  • 8. Als een bedrijf in strijd met het verbod uit het derde lid van dit artikel wordt geëxploiteerd of indien een van de situaties als bedoeld in het zevende lid, sub a tot en met i van dit artikel van toepassing is, kan de burgemeester de sluiting van het bedrijf bevelen.

  • 9. De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven als later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven.

  • 10. De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijf waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens, zo spoedig mogelijk aan de burgemeester te melden. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als het bedrijf aan de vereisten voldoet.

  • 11. Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder aanwezig is.

  • 12. De exploitant en de beheerder zien erop toe dat in het bedrijf geen strafbare feiten plaatsvinden.

  • 13. In afwijking van het derde lid van dit artikel geldt dit verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties vanaf drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een door hem aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is.

  • 14. Op de vergunningaanvraag als bedoeld in het derde lid van dit artikel is paragraaf 4.1.3.3 van de Awb (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Paragraaf 2.5.2 Evenementen

Artikel 2.5.2.1 Evenementenvergunning

  • 1. Het is verboden een evenement te organiseren en houden zonder een vergunning van de burgemeester.

  • 2. Geen vergunning is vereist voor een klein eendaags evenement, als:

    • a.

      het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 100;

    • b.

      de activiteiten plaatsvinden tussen 09:00 uur en 24:00 uur;

    • c.

      geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 09.00 uur of na 24.00 uur;

    • d.

      geen tijdelijke verkeersmaatregel nodig is;

    • e.

      geen verkeersregelaar(s) nodig is/zijn

    • f.

      de activiteiten geen belemmering zijn voor de hulpdiensten;

    • g.

      slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van in totaal maximaal 50 m2;

    • h.

      geen gemeentelijke materialen nodig zijn en/of door tussenkomst van de gemeente geen water en/of elektriciteit nodig is/zijn, en

    • i.

      er een organisator is of iemand die feitelijke leiding heeft en die verantwoordelijk is voor het veilig verlopen van het evenement.

  • 3. Bij de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen ingediend.

  • 4. In aanvulling op de weigeringsredenen als bedoeld in artikelen 1.1.8 en 1.1.9 van deze Verordening kan de vergunning worden geweigerd:

    • a.

      ter voorkoming of beperken van overlast en/of

    • b.

      vanwege de verkeersveiligheid dan wel de veiligheid van personen of goederen.

  • 5. De burgemeester weigert de vergunning:

    • a.

      als de organisator van een vechtsportwedstrijd of -gala van slecht levensgedrag is;

    • b.

      het evenement gevaar oplevert voor de openbare orde, de gezondheid, de veiligheid, de brandveiligheid of voor het ontstaan van wanordelijkheden en/of

    • c.

      een onevenredig groot aantal bezoekers te verwachten is.

  • 6. De burgemeester kan aan de vergunning voorschriften verbinden aan het te houden evenement in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de brandveiligheid en de volksgezondheid of het milieu.

  • 7. De burgemeester kan besluiten een evenement te verbieden, als er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de brandveiligheid en de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.

  • 8. De organisator van het evenement of degene die daarbij de feitelijke leiding heeft, is verplicht:

    • a.

      het evenement onmiddellijk te beëindigen als daartoe door of namens de burgemeester een bevel wordt gegeven;

    • b.

      ervoor te zorgen dat de aanwijzingen van buitengewone opsporingsambtenaren, ambtenaren van politie en brandweer precies en onmiddellijk worden opgevolgd.

  • 9. Op de vergunningaanvraag is paragraaf 4.1.3.3 van de Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Paragraaf 2.5.3 Openbare inrichtingen waaronder horecabedrijven

Artikel 2.5.3.1 Vergunning openbare inrichting

  • 1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

  • 2. De burgemeester weigert de vergunning als:

    • a.

      de aanvrager geen verklaring omtrent gedrag met betrekking tot de leidinggevende overlegt die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de aanvraag is ingediend, is afgegeven, of

    • b.

      de exploitatie van het terras in strijd is met de nadere regels voor terrassen.

  • 3. In aanvulling op artikelen 1.1.8 en 1.1.9 van deze Verordening kan de burgemeester de vergunning weigeren als:

    • a.

      in geval en onder de voorwaarden bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsveroordelingen door het openbaar bestuur, of

    • b.

      naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon-of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. Bij toepassing hiervan houdt de burgemeester rekening met:

      • -

        het karakter van de straat en de wijk waarin de openbare inrichting ligt of zal zijn gelegen;

      • -

        de aard van de openbare inrichting;

      • -

        de spanning waaraan het woon- en leefklimaat ter plaatse reeds bloot staat;

      • -

        de wijze van bedrijfsvoering door de leidinggevende als bedoeld in artikel 1 Alcoholwet, en

      • -

        het levensgedrag van de leidinggevende.

  • 4. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting dat zich bevindt in een:

    • a.

      winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit;

    • b.

      zorginstelling;

    • c.

      museum, en

    • d.

      bedrijfskantine of –restaurant;

    • e.

      een bed- en breakfast.

  • 5. Paragraaf 4.1.3.3 van de Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning.

Artikel 2.5.3.2 Sluitingstijd

  • 1. Openbare inrichtingen zijn gesloten tussen 02:00 uur en 07:00 uur.

  • 2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid zijn een cafetaria, snackbar, broodjeszaak, grillroom en afhaalbedrijf van etenswaren gesloten op maandag tot en met zondag tussen 03:00 uur en 07:00 uur.

  • 3. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers toe te laten na sluitingstijd.

  • 4. Het terras van een openbare inrichting is gesloten tussen 00:00 uur en 10:00 uur. Het is verboden in die periode bezoekers op het terras toe te laten.

  • 5. In afwijking van het bepaalde in het vierde lid is het terras van een openbare inrichting gesloten en mogen daar geen bezoekers worden toegelaten tussen 02:00 uur en 10:00 uur op vrijdag en zaterdag gedurende de zomervakantie van de basisscholen Regio Zuid én op de dag voorafgaande aan een (nationale) feestdag.

  • 6. De burgemeester kan een vergunning verlenen om af te wijken van de sluitingstijd.

  • 7. Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2.5.3.1, vijfde lid, aanhef en onder a, van deze Verordening. gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel.

  • 8. Het sluitingsuur van alle openbare inrichtingen wordt op 1 januari (nacht van oudjaar op nieuwjaar) verlengd tot 05:00 uur.

  • 9. De verruiming van het sluitingsuur op 1 januari kan door de burgemeester worden ingetrokken of beperkt in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden.

  • 10. Het sluitingsuur van openbare inrichtingen wordt gedurende de carnavals- en kermisdagen verlengd tot 03.00 uur met ingang van zaterdag tot en met woensdag (de nacht van dinsdag op woensdag).

  • 11. De verruiming van het sluitingsuur gedurende de carnavals- en kermisdagen, kan door de burgemeester worden ingetrokken of beperkt in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden.

  • 12. Op de vergunningaanvraag is paragraaf 4.1.3.3 van de Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2.5.3.3 Handel binnen openbare inrichtingen

De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij het Uitvoeringsbesluit ex artikel 437, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, of een voor hem handelend persoon in het horecabedrijf een voorwerp verwerft, verkoopt of op andere wijze overdraagt.

Paragraaf 2.5.4 Bijzondere bepalingen over paracommerciële rechtspersonen als bedoeld in de Alcoholwet

Artikel 2.5.4.1 Definities

De in de Alcoholwet opgenomen definities gelden eveneens voor de begrippen in deze paragraaf.

Artikel 2.5.4.2 Regulering paracommerciële rechtspersonen

  • 1. Een paracommerciële rechtspersoon kan, met in acht neming van het bepaalde in artikel 2.5.3.2 van deze Verordening, alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken vanaf één uur voor de aanvang tot uiterlijk twee uren na afloop van een activiteit die wordt uitgeoefend in verband met de statutaire doelen van de rechtspersoon. Hierbij mag de reguliere sluitingstijd zoals bepaald in 2.5.3.2, eerste lid van deze Verordening niet worden overschreden. 

  • 2. Een paracommerciële rechtspersoon verstrekt geen alcoholhoudende drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard, zoals bruiloften en partijen, én bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon zijn betrokken, tenzij het gaat om de uitzonderingen in het derde lid.

  • 3. Lijst van activiteiten die door een paracommerciële instelling mogen worden georganiseerd en waarbij tevens alcoholhoudende dranken mogen worden verstrekt:

    • a.

      sportieve en recreatieve instellingen:

      • -

        jubileumfeest van het bestuur van de vereniging (maximaal 1 keer per 5 jaar);

      • -

        kampioenschap;

      • -

        afscheidsfeest van het bestuur/een bestuurslid (maximaal 1 keer per jaar);

      • -

        feestavond voor vrijwilligers (maximaal 1 keer per jaar);

      • -

        jaarfeest of afsluiting seizoen (maximaal 1 keer per jaar);

      • -

        toernooi;

      • -

        overige strikt clubgerelateerde feesten voor leden;

      • -

        nieuwjaarsborrel (alleen voor leden).

    • b.

      sociaal-culturele instellingen:

      • -

        alleen voor leden toegankelijke bijeenkomsten / vergaderingen / feesten van en voor verenigingen alsmede stichtingen die gebruik maken van het pand;

      • -

        ook voor publiek toegankelijke sociaal-culturele evenementen;

      • -

        jaarvergaderingen;

      • -

        Koningsdag-, Sinterklaas- en Kerstviering;

      • -

        nieuwjaarsborrel.

    • c.

      educatieve instellingen:

      • -

        lessen/cursussen;

      • -

        afstudeerbijeenkomst/diploma-uitreiking.

    • d.

      instellingen van levensbeschouwelijke of godsdienstige aard:

      • -

        alle activiteiten die te maken hebben met levensbeschouwelijke of godsdienstige zaken.

  • 4. Activiteiten die niet zijn opgenomen in het derde lid worden ter beoordeling aan de burgemeester voorgelegd of de activiteit door de paracommerciële rechtspersoon mag worden georganiseerd met een vergunning daartoe.

  • 5. Het is verboden de paracommerciële inrichting en inventaris aan derden te verhuren voor activiteiten waarbij alcohol wordt geschonken.

Paragraaf 2.5.5 Inrichting voor overnachting

Artikel 2.5.5.1 Melding exploitatie

Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst dan wel de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting voor overnachting staakt, is verplicht dit daarna binnen drie dagen schriftelijk te melden aan de burgemeester, met het daartoe vastgestelde formulier.

Artikel 2.5.5.2 Bijhouden nachtregister

De houder van een inrichting voor overnachting is verplicht een register, als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht bij te houden dat ingericht is volgens een door de burgemeester goedgekeurd model.

Artikel 2.5.5.3 Verschaffing gegevens nachtregister

  • 1. Degene die in een inrichting voor overnachting overnacht is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te geven.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde leidinggevende en exploitant zijn verplicht op eerste verzoek van de toezichthouder de gegevens te verstrekken zoals bedoeld in het eerste lid.

Paragraaf 2.5.6 Speelgelegenheden

Artikel 2.5.6.1 Definities

In deze paragraaf voorkomende begrippen die in de Wet op de kansspelen zijn gedefinieerd, hebben dezelfde betekenis als in die wet.

Artikel 2.5.6.2 Vergunning speelgelegenheden

  • 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te (laten) exploiteren.

  • 2. Aanvullend op het bepaalde in artikelen 1.1.8 en 1.1.9 van deze Verordening weigert de burgemeester de vergunning als de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid.

  • 3. Op de vergunningaanvraag is paragraaf 4.1.3.3 van de Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2.5.6.3 Kansspelautomaten

  • 1. In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee kansspelautomaten toegestaan.

  • 2. In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten verboden.

Paragraaf 2.5.7 Seksinrichtingen, sekswinkels, prostitutie en dergelijke

Artikel 2.5.7.1 Vergunning seksinrichtingen en escortbedrijven

  • 1. Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of wijzigen zonder vergunning van de burgemeester.

  • 2. In afwijking van het bepaalde in artikel 1.1.2 beslist de burgemeester op de vergunningaanvraag als bedoeld in het eerste lid, binnen twaalf weken na de dag waarop de aanvraag is ontvangen.

  • 3. De burgemeester kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf weken uitstellen.

  • 4. De vergunning bedoeld in het eerste lid, wordt geweigerd als:

    • a.

      de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 2.5.7.2 van deze Verordening gestelde eisen of

    • b.

      er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf personen werkzaam (zullen) zijn in strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht dan wel met hetgeen bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000 is bepaald.

  • 5. Voor seksinrichtingen en escortbedrijven kan, in aanvulling op het bepaalde in artikelen 1.1.8 en 1.1.9 van deze Verordening, de vergunning bedoeld in het eerste lid, worden geweigerd in het belang van:

    • a.

      het voorkomen of beperken van overlast;

    • b.

      de veiligheid van personen of goederen;

    • c.

      de gezondheid of zedelijkheid; of

    • d.

      de arbeidsomstandigheden van de prostituee.

  • 6. Op de vergunningaanvraag is paragraaf 4.1.3.3 van de Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2.5.7.2 Gedragseisen exploitant en beheerder

  • 1. De exploitant en de beheerder:

    • a.

      staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij;

    • b.

      zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag;

    • c.

      hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt;

    • d.

      zijn niet met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld;

    • e.

      zijn niet binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in Nederland, inclusief de drie openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint-Eustatius, Aruba, Curaçao en Sint Maarten, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten;

    • f.

      zijn niet binnen de laatste vijf jaar bij ten minste twee rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van 500 euro of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van:

      • -

        bepalingen gesteld bij of krachtens de Alcoholwet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000 en de Wet arbeid vreemdelingen;

      • -

        de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met 249, 252, 250a (oud), 273f, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht;

      • -

        de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994;

      • -

        de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de Kansspelen;

      • -

        de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen;

      • -

        de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.

  • 2. Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk gesteld:

    • a.

      vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid, onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan 375 euro bedraagt, en

    • b.

      een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf.

  • 3. De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt bij de:

    • a.

      weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning;

    • b.

      intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning.

  • 4. De exploitant of de beheerder zijn binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of escortbedrijf die voor ten minste een maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in artikel 2.5.7.1 eerste lid van deze Verordening is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem ter zake geen verwijt treft.

Artikel 2.5.7.3 Sluitingstijden

  • 1. Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 04:00 uur en 14:00 uur.

  • 2. Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het eerste lid of artikel 2.5.7.4 van deze Verordening, gesloten moet zijn.

Artikel 2.5.7.4 Afwijking sluitingstijden en sluiting

Met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd in de artikelen 1.1.8 en 1.1.9 van deze Verordening of in geval van strijdigheid met de bepalingen in deze paragraaf kan de burgemeester:

  • a.

    andere dan de krachtens artikel 2.5.7.3 van deze Verordening geldende sluitingstijden vaststellen;

  • b.

    van een seksinrichting al dan niet tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen.

Artikel 2.5.7.5 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder

  • 1. Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig is.

  • 2. De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat in de seksinrichting:

    • a.

      geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid), XX (mishandeling), XXII (diefstal en stroperij) en XXX (begunstiging) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet alsmede in de Wet wapens en munitie, en

    • b.

      geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000 bepaalde.

Artikel 2.5.7.6 Wijziging beheer

  • 1. Als de beheerder het beheer van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk beëindigt, meldt de exploitant dit binnen één week schriftelijk aan de burgemeester, met het daartoe vastgestelde formulier.

  • 2. Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, als de burgemeester op aanvraag van de exploitant besluit de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen.

  • 3. In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder vanaf het moment waarop de exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft ingediend, totdat over de aanvraag is besloten.

Artikel 2.5.7.7 Beëindiging exploitatie

  • 1. De vergunning vervalt zodra de exploitant de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd.

  • 2. Binnen één week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, meldt de exploitant dit schriftelijk aan de burgemeester met het daartoe vastgestelde formulier.

Artikel 2.5.7.8 Straatprostitutie

  • 1. Het is verboden door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, voorbijgangers te bewegen gebruik te maken van de diensten van een prostituee:

    • a.

      op, boven of aan andere dan door het college aangewezen gebieden;

    • b.

      gedurende andere dan door het college vastgestelde tijden.

  • 2. Bij overtreding van het verbod bedoeld in het eerste lid, kan door een ambtenaar van politie of buitengewone opsporingsambtenaar het bevel worden gegeven onmiddellijk in een bepaalde richting te gaan.

  • 3. Bij (dreigende) strijd met artikelen 1.1.8 en 1.1.9 van deze Verordening, kan door een ambtenaar van politie en buitengewone opsporingsambtenaar aan personen die zich bevinden in gebieden en gedurende de tijden bedoeld in het eerste lid, het bevel worden gegeven onmiddellijk in een bepaalde richting te gaan.

  • 4. De burgemeester kan met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd in de artikelen 1.1.8 en 1.1.9, personen aan wie ten minste eenmaal een bevel is gegeven als bedoeld in het derde lid, verbieden zich gedurende een bepaalde termijn, anders dan in een openbaar middel van vervoer, te bevinden op of aan de wegen of gebieden en op de tijden bedoeld in het eerste lid onder b.

Artikel 2.5.7.9 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke

  • 1. Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen als het college aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt.

  • 2. Het verbod bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.

Hoofdstuk 2.6 Maatregelen tegen overlast en baldadigheid

Artikel 2.6.1 Betreden gesloten woning of lokaal

  • 1. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf, te betreden.

  • 2. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf, te betreden.

  • 3. Het is verboden een krachtens artikel 17 van de Woningwet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf, te betreden.

  • 4. Het is verboden een krachtens artikel 2.5.1.2 van deze Verordening gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf, te betreden.

  • 5. Deze verboden zijn niet van toepassing op personen van wie aanwezigheid in de woning, het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is.

  • 6. De burgemeester kan een vergunning verlenen om af te wijken van de in het eerste lid bedoelde verboden.

Artikel 2.6.2 Plakken en kladden

  • 1. Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf een openbare plaats zichtbaar is, te bekrassen of te bekladden.

  • 2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf een openbare plaats zichtbaar is:

    • a.

      een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te (laten) plakken, of op andere wijze aan te (laten brengen, of

    • b.

      met kalk, teer, dan wel een kleur- of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen.

  • 3. Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.

  • 4. Het is verboden de aanplakborden als bedoeld in het derde lid te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.

Artikel 2.6.3 Vervoer inbrekerswerktuigen

  • 1. Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.

  • 2. Het is verboden op de weg of in de nabijheid van winkels te vervoeren of bij zich te hebben een voorwerp dat er duidelijk toe is uitgerust om het plegen van (winkel)diefstal te vergemakkelijken.

  • 3. De verboden gelden niet als direct aannemelijk is dat de in het eerste en tweede lid bedoelde zaken niet bestemd zijn voor de daar bedoelde handelingen.

Artikel 2.6.4 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen

Het is verboden op een openbare plaats:

  • a.

    te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair;

  • b.

    zich zodanig te gedragen dat voor andere gebruikers of omwonenden onnodig overlast of hinder ontstaat.

Artikel 2.6.5 Verboden drankgebruik

  • 1. Het is verboden:

    • a.

      in speeltuinen en op schoolpleinen en/of

    • b.

      op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.

  • 2. Het verbod is niet van toepassing op:

    • a.

      een terras dat hoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet;

    • b.

      een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.

Artikel 2.6.6 Verboden gebruik lachgas

Het is verboden in het openbaar gebied lachgas te gebruiken als daardoor hinder ontstaat voor personen of de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.

Artikel 2.6.7 Verboden gedrag bij en in gebouwen

  • 1. Het is verboden zonder redelijk doel:

    • a.

      zich in een portiek of poort op te houden;

    • b.

      in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of liggen.

  • 2. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw of soortgelijke meergezinsgebouw of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw.

Artikel 2.6.8 Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten

Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Tot deze ruimten worden in elk geval gerekend portalen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen.

Artikel 2.6.9 Hinderlijk gedrag in speelvoorzieningen, speeltuinen en schoolpleinen

Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een speelvoorziening, speeltuin, schoolplein, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een andere doel dan waarvoor de desbetreffende speelvoorziening, speeltuin, schoolplein is bestemd.

Artikel 2.6.10 Hinderlijk gedrag bij voorvallen

Degene die aanwezig is bij een voorval waardoor hinderlijk gedrag ontstaat of dreigt te ontstaan, is verplicht op bevel van een ambtenaar van de politie en/of buitengewoon opsporingsambtenaar zijn weg te vervolgen of zich in de door die ambtenaar aangewezen richting te verwijderen.

Artikel 2.6.11 Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties

Het is verboden op openbare plaatsen of in voor het publiek toegankelijke openstaande gebouwen en daarbij behorende erven zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een werkzaamheid of doel in strijd met de openbare orde.

Artikel 2.6.12 Plaatsen van fietsen en bromfietsen

Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek als:

  • a.

    dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of portiek, of

  • b.

    daardoor die ingang wordt versperd.

Artikel 2.6.13 Loslopende honden

  • 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of lopen:

    • a.

      op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;

    • b.

      op de weg en op een openbare plaats als de hond niet is aangelijnd;

    • c.

      zonder toezicht en zonder begeleiding;

    • d.

      op de weg als die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat duidelijk aangeeft wie de eigenaar is.

  • 2. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

  • 3. Het eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die:

    • a.

      zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden of

    • b.

      deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.

Artikel 2.6.14 Verontreiniging door honden

  • 1. De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen dat zijn of haar hond zich niet van uitwerpselen ontdoet op openbare plaatsen.

  • 2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op hondentoiletten.

  • 3. De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde gebod geldt niet als de eigenaar of houder van de hond er voor zorgt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd en verwijderd blijven.

  • 4. Om te kunnen voldoen aan de opheffing van de strafbaarheid van de overtreding als bedoeld in het eerste lid, dient de eigenaar of houder van die hond bij het uitlaten of wandelen met een hond op de weg, steeds een daarvoor geschikt middel, zijnde een schepje, een (hondenpoep)zakje bij zich te dragen en dat te gebruiken voor het verwijderen van de ontlasting van de hond.

  • 5. Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden.

Artikel 2.6.15 Gevaarlijke en hinderlijke honden

  • 1. Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk vindt, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen als die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.

  • 2. Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.

  • 3. Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf die:

    • a.

      is vervaardigd van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;

    • b.

      door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is, en

    • c.

      zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.

  • 4. In aanvulling op artikel 2.6.13, eerste lid, aanhef en onder d, moet een hond als bedoeld in het eerste lid zijn voorzien van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.

Artikel 2.6.16 Gevaarlijke honden op eigen terrein

  • 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op zijn terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester heeft medegedeeld dat hij of zij de hond gevaarlijk acht.

  • 2. Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet als:

    • a.

      op een vanaf de weg zichtbare plaats een naar het oordeel van de burgemeester duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht;

    • b.

      het mogelijk is een brievenbus te bereiken en aan te bellen zonder het terrein te betreden, en

    • c.

      het terrein voorzien is van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering dat de hond niet zelfstandig buiten het terrein kan komen.

Artikel 2.6.17 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren

  • 1. Het is verboden zonder vergunning van het college op door het college ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren:

    • a.

      aanwezig te hebben;

    • b.

      aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels, of

    • c.

      te voeren.

  • 2. De eigenaar of houder van een dier zorgt ervoor dat het dier niet onredelijk hinderlijk is voor de omgeving.

Artikel 2.6.18 Loslopend vee

De rechthebbende op vee dat zich bevindt in een weiland of op een terrein dat niet van de weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen worden getroffen dat het vee die weg niet kan bereiken.

Artikel 2.6.19 Bijen

  • 1. Het is verboden bijen te houden binnen een afstand van 50 meter van de weg alsmede van woningen of andere gebouwen waarin overdag mensen verblijven.

  • 2. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, geldt niet voor de bijenhouder die rechthebbende is op de woningen of gebouwen bedoeld in dat lid.

Artikel 2.6.20 Slaapverblijf op openbare plaats of weg

Het is verboden op een openbare plaats, dan wel op of aan de weg een voertuig, woonwagen, tent, caravan, een soortgelijk of ander onderkomen te plaatsen met het kennelijke doel dit als slaapplaats te gebruiken of daarin te slapen dan wel gelegenheid daartoe te bieden.

Artikel 2.6.21 Buiten overnachten bij extreem koude weersomstandigheden

Het is verboden zich bij een gevoelstemperatuur van min 10 graden Celcius of kouder, tussen 21.00 uur en 07.00 uur buiten te verblijven met het duidelijke doel een aanzienlijk deel van de nacht buiten door te brengen.

Hoofdstuk 2.7 Bestrijding van heling van goederen

Artikel 2.7.1 Definitie

In dit hoofdstuk wordt onder handelaar verstaan de handelaar aangewezen bij het Uitvoeringsbesluit ex artikel 437, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2.7.2 Verplichtingen met betrekking tot verkoopregister

De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en door of namens de burgemeester goedgekeurd register, en daarin onmiddellijk op te nemen:

  • a.

    het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;

  • b.

    de datum van verkoop of overdracht van het goed;

  • c.

    een omschrijving van het goed, voor zover van toepassing daaronder begrepen soort, merk en nummer van het goed;

  • d.

    de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed, en

  • e.

    de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.

Artikel 2.7.3 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht

De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:

  • a.

    de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen:

    • 1°.

      dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging;

    • 2°.

      van een verandering van de onder 1o bedoelde adressen;

    • 3°.

      dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent;

    • 4°.

      dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan.

  • b.

    de burgemeester, of een daartoe door de burgemeester aangewezen ambtenaar, op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage;

  • c.

    aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn;

  • d.

    een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste vijf dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.

Hoofdstuk 2.8 Vuurwerk

Artikel 2.8.1 Ter beschikking stellen consumentenvuurwerk tijdens verkoopdagen

  • 1. Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf zonder vergunning van het college consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen of voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden.

  • 2. In aanvulling op de artikelen 1.1.8 en 1.1.9 van deze Verordening kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd ter voorkoming van onevenredige overlast

  • 3. Op de vergunningaanvraag is paragraaf 4.1.3.3 van de Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2.8.2 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens jaarwisseling

  • 1. Ter voorkoming van gevaar, schade of overlast is het verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college aangewezen plaats.

  • 2. Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast veroorzaakt of kan veroorzaken.

Hoofdstuk 2.9 Drugsoverlast

Artikel 2.9.1 Drugshandel op straat

In aanvulling op het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg dan wel andere openbare plaats:

  • a.

    te staan;

  • b.

    zich daar heen en weer te bewegen;

  • c.

    zich in, tegen of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden,

met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

Artikel 2.9.2 Openlijk drugsgebruik

Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar:

  • a.

    te gebruiken;

  • b.

    toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten, of

  • c.

    ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.

Hoofdstuk 2.10 Bijzondere bevoegdheden burgemeester

Artikel 2.10.1 Bestuurlijke ophouding

De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats als deze personen het bepaalde in de artikelen 2.1.1, 2.3.1, 2.3.2, 2.4.2, 2.6.4, 2.6.5, 2.6.8, 2.8.2, 3.9.1 van deze Verordening groepsgewijs niet naleven.

Artikel 2.10.2 Veiligheidsrisicogebieden

Bij verstoring van de openbare orde of bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan door de aanwezigheid van wapens, kan de burgemeester overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet een gebied, inclusief de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.

Artikel 2.10.3 Cameratoezicht op openbare plaatsen

De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur voor het toezicht op een openbare plaats.

Artikel 2.10.4 Gebiedsontzeggingen

  • 1. De burgemeester kan in het belang van:

    • a.

      de openbare orde;

    • b.

      het voorkomen of beperken van overlast;

    • c.

      het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat;

    • d.

      de veiligheid van personen of goederen;

    • e.

      de gezondheid of de zedelijkheid,

    aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste 24 uur niet in één of meer delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.

  • 2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie ten minste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste acht weken niet in één of meer delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.

  • 3. Een bevel als bedoeld in het tweede lid kan slechts worden gegeven als het strafbare feit of de openbare orde verstorende handeling plaatsvindt binnen zes maanden na het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid.

  • 4. De burgemeester beperkt de krachtens het eerste of tweede lid gegeven bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan vergunning verlenen om af te wijken van een bevel.

Artikel 2.10.5 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet

  • 1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf, geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.

  • 2. De burgemeester kan bij schending van de zorgplicht in het eerste lid aan de overtreder een last onder bestuursdwang of onder dwangsom opleggen. Daarbij kan hij aanwijzingen geven over wat de overtreder moet doen of nalaten om verdere schending te voorkomen.

  • 3. De last kan in ieder geval worden opgelegd bij ernstige en herhaaldelijke:

    • a.

      geluid- of geurhinder;

    • b.

      hinder van dieren en/of ongedierte;

    • c.

      hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn;

    • d.

      overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf;

    • e.

      intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.

Hoofdstuk 2.11 Collecteren

Artikel 2.11.1 Inzameling van geld of goederen

  • 1. Uiterlijk drie weken van te voren moet een openbare inzameling van geld of goederen worden gemeld bij het college door middel van het door het college vastgestelde meldformulier. Zonder deze melding is de openbare inzameling verboden.

  • 2. Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van diensten, aanvaarden van geld of goederen, als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd

  • 3. De meldplicht geldt niet voor een openbare inzameling die wordt gehouden door een instelling met een CBF keurmerk.

Hoofdstuk 2.12 Venten

Artikel 2.12.1 Ventverbod

  • 1. Het is verboden zonder vergunning van het college te venten:

    • a.

      op door het college in het belang van de openbare orde aangewezen openbare plaatsen of

    • b.

      gedurende de maanden

      • i.

        maart tot en met september, op maandag tot en met zondag tussen 20:00 uur en 09:00 uur en

      • ii.

        oktober tot en met februari op maandag tot en met zondag tussen 19:00 uur en 09:00 uur.

  • 2. Op de vergunningaanvraag is paragraaf 4.1.3.3 van de Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

  • 3. Het verbod is niet van toepassing op het venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard.

Hoofdstuk 2.13 Winkeltijden (voorheen: winkeltijdenverordening)

Artikel 2.13.1 (Algemene) vrijstelling voor zon- en feestdagen

Voor de in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a en b, met uitzondering van 4 mei, en tweede lid van de Winkeltijdenwet vervatte verboden geldt van 08:00 uur tot 20:00 uur een algemene vrijstelling.

Artikel 2.13.2 Individuele ontheffingen

  • 1. Het college kan op aanvraag ontheffing verlenen van het in artikel 2, eerste lid, onder c van de Winkeltijdenwet vervatte verbod.

  • 2. Een ontheffing kan alleen worden verleend voor bepaalde evenementen die bij de aanvraag specifiek zijn aangeduid.

Artikel 2.13.3 Intrekken of wijzigen ontheffing

In aanvulling op artikel 1.1.6 van deze Verordening kan het college een ontheffing intrekken of wijzigen als van de ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarbij gestelde termijn.

Hoofdstuk 2.14 Parkeerexcessen

Artikel 2.14.1 Parkeren van voertuigen van autobedrijf en dergelijke

  • 1. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, herstellen, slopen, verhuren of verhandelen, verboden drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 500 meter met als middelpunt één van deze voertuigen.

  • 2. Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan het gebruiken van een voertuig voor het:

    • a.

      geven van lessen;

    • b.

      vervoeren van personen tegen betaling.

  • 3. Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend:

    • a.

      voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan één uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en wordt gebruikt voor deze werkzaamheden, of

    • b.

      voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het eerste lid bedoelde persoon.

Artikel 2.14.2 Defecte voertuigen

Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren. Direct aansluitend op deze periode mag, gedurende een periode van één week, niet binnen een straal van 500 meter van voornoemde plek worden geparkeerd.

Artikel 2.14.3 Voertuigwrakken

Het is verboden een voertuig op de weg te parkeren dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud of in een duidelijk verwaarloosde toestand verkeert.

Artikel 2.14.4 Kampeermiddelen en andere voertuigen

  • 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een voertuig dat voor recreatie of op andere wijze voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt:

    • a.

      langer dan vijf achtereenvolgende dagen op wegen binnen de bebouwde kom te plaatsen of te hebben, o

    • b.

      binnen een straal van 500 meter van een eerder ingenomen locatie van het kampeermiddel te plaatsen of te hebben.

  • 2. Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet voor voertuigen:

    • a.

      betrokken bij uitvoering van infra- en/of bouwwerkzaamheden gedurende deze werkzaamheden;

    • b.

      van kermisexploitanten gedurende de kermis.

  • 3. Op de vergunningaanvraag is paragraaf 4.1.3.3 van de Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2.14.5 Parkeren reclamevoertuigen

Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het duidelijke doel om daarmee handelsreclame te maken.

Artikel 2.14.6 Grote voertuigen

  • 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een voertuig op de weg te parkeren dat, inclusief de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel:

    • a.

      schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente, of

    • b.

      buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, als deze voertuigen niet langer dan vijf achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden.

  • 3. Onderdeel b van het eerste lid is niet van toepassing op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.

  • 4. Op de vergunningaanvraag is paragraaf 4.1.3.3 van de Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2.14.7 Uitzicht belemmerende voertuigen

  • 1. Het is verboden een voertuig dat, inclusief de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd.

  • 2. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing gedurende de tijd die nodig is en wordt gebruikt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.

Artikel 2.14.8 Parkeren of laten stil staan anders dan op de rijbaan

  • 1. Het is verboden een voertuig te parkeren op een door het college aangewezen, niet tot de rijbaan behorend, weggedeelte.

  • 2. Het verbod is niet van toepassing op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van de overheid.

Artikel 2.14.9 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen

  • 1. Het is verboden met een voertuig te rijden door of stil te staan in een park, plantsoen of door de gemeente aangelegde beplanting dan wel groenstrook.

  • 2. Dit verbod is niet van toepassing op voertuigen:

    • a.

      die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van de overheid of

    • b.

      waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.

Hoofdstuk 2.15 Wegslepen (voorheen: Wegsleepverordening)

Artikel 2.15.1 Aanwijzing wegen en weggedeelten waar voertuigen kunnen worden verwijderd, overgebracht en in bewaring gesteld

Als wegen en weggedeelten, bedoeld in artikel 170, eerste lid, onder c Wegenverkeerswet worden alle wegen en weggedeelten binnen de gemeente aangewezen voor zover ze behoren tot een van de in artikel 2 van het Besluit wegslepen van voertuigen bedoelde soorten van wegen en weggedeelten.

Artikel 2.15.2 Plaats bewaring voertuigen en openingstijden

  • 1. Als plaats van bewaring van voertuigen wordt aangewezen de locatie van de firma Biesebos Berging B.V., Brigittastraat 22, 6014 AV in Ittervoort.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde bewaarplaats is geopend van maandag tot en met vrijdag van 08.00 uur tot 18.00 uur. Afhalen op andere tijdstippen kan in overleg met de bewaarder.

Artikel 2.15.3 Kosten overbrengen en bewaren voertuigen

  • 1. De kosten van het overbrengen van een voertuig naar de bewaarplaats bedragen:

    • a.

      basistarief/voorrijkosten: € 100,-;

    • b.

      sleepkosten maandag tot en met vrijdag, overdag van 08.00 uur tot 18.00 uur: € 65.-;

    • c.

      sleepkosten zaterdag, zondag, feestdagen en maandag tot en met vrijdag van 18.00 uur tot 08.00 uur: € 95,-.

  • 2. De kosten van het bewaren, administratieve afhandeling en afgifte van een voertuig bedragen:

    • a.

      eerste dag stalling en afgifte voertuig: € 15,00;

    • b.

      voor elk volgend etmaal of een gedeelte daarvan, extra stalling en afgifte van voertuig: € 10,00.

  • 3. De tarieven zijn inclusief 21% BTW en worden jaarlijks, te beginnen op 1 september 2014 geïndexeerd op basis van de stijging van het prijsindexcijfer voor consumenten (CPI laag) over het voorgaande jaar zoals dit door het Centraal Bureau voor de Statistiek wordt gepubliceerd.

Artikel 2.15.4 Overbrengen en in bewaring stellen van motorrijtuigen in het geval van gebleken onvoldoende rijgeschiktheid of rijvaardigheid dan wel het ontbreken van een behoorlijk zichtbare kentekenplaat

Als gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid bedoeld in de artikelen 130, vierde lid, 164, zevende lid en/of 174, eerste lid van de Wegenverkeerswet, zijn artikel 2.15.2 en 2.15.3 van deze Verordening van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 2.16 Openbaar water

Artikel 2.16.1 Voorwerpen op, in of boven openbaar water

  • 1. Het is verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben als dit voor het openbaar water:

    • a.

      gevaar oplevert voor de bruikbaarheid;

    • b.

      gevaar oplevert voor het doelmatig en veilig gebruik, of

    • c.

      een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud.

  • 2. Degene die voornemens is een voorwerp op, in of boven openbaar water te plaatsen, meldt dit uiterlijk twee weken tevoren bij het college via het daarvoor bestemde formulier.

  • 3. De melding wordt bekend gemaakt op de in de gemeente gebruikelijke wijze.

  • 4. Het voorwerp mag worden geplaatst of aangebracht als het college niet binnen vier weken na ontvangst van de schriftelijke melding heeft beslist dat het gewenste voorwerp wordt verboden. De termijn begint de dag na de datum van de ontvangst van de melding.

Artikel 2.16.2 Ligplaats vaartuigen

  • 1. Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water.

  • 2. Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente.

  • 3. De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of namens het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.

Artikel 2.16.3 Reddingsmiddelen

Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel of voor direct gebruik ongeschikt te maken.

Artikel 2.16.4 Veiligheid op het water

Het is aan een iedereen die zich als duiker, bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.

Artikel 2.16.5 Hinder voor vaartuigen

  • 1. Het is verboden voor een daartoe onbevoegde zich zonder redelijk doel vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of bevinden.

  • 2. Het is aan een daartoe onbevoegde verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken.

Hoofdstuk 2.17 Gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden

Artikel 2.17.1 Beperking verkeer in natuurgebieden en dergelijke

  • 1. Het is verboden zonder vergunning van het college in voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard.

  • 2. Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen.

  • 3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden:

    • a.

      ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten;

    • b.

      die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld;

    • c.

      die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;

    • d.

      van de zakelijk gerechtigden van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld;

    • e.

      voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen.

  • 4. Het verbod is voorts niet van toepassing:

    • a.

      op wegen die liggen binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden of terreinen;

    • b.

      binnen de bij of krachtens de Omgevingsverordening Limburg aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als toestel.

  • 5. Op de vergunningaanvraag is paragraaf 4.1.3.3 van de Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Titel 3 Fysieke leefomgeving

Hoofdstuk 3.1 Bouwen (voorheen: Bouwverordening)

Artikel 3.1.1 Bodemonderzoek

  • 1. Het onderzoek naar de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 8, vierde lid Woningwet bestaat in ieder geval uit de resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740:2009+A1:2016 nl, in overeenstemming met het onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1. Als op basis van het onderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder begrepen asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek ook plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707:2015 nl.

  • 2. De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport, bedoeld in artikel 2.4 Regeling omgevingsrecht, geldt niet als het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in de artikelen 2 of 3 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in de artikelen 2 en 3 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht.

  • 3. Als voor toepassing van artikel 3.1.2 van deze Verordening bij het bevoegd gezag bruikbare maximaal twee jaar oude onderzoeksresultaten beschikbaar zijn, hoeft geen onderzoeksrapport als bedoeld in het tweede lid te worden overgelegd.

  • 4. Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport, bedoeld in artikel 2.4 Regeling omgevingsrecht, toestaan voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingtermijn als bedoeld in artikel 2.23 Wabo en artikel 5.16 Besluit omgevingsrecht als uit het in NEN 5725, uitgave 2009, bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en de bodemgesteldheid blijkt dat de locatie onverdacht is of dat de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740:2009+A1:2016 nl niet rechtvaardigen.

  • 5. Als pas kan worden gebouwd nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, moet het bodemonderzoek plaatsvinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen.

Artikel 3.1.2 Bouwverbod op verontreinigde bodem

Op of in een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd als dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk:

  • a.

    waarin voortdurend of bijna voortdurend mensen verblijven;

  • b.

    waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist, en

  • c.

    dat de grond raakt.

Artikel 3.1.3 Voorschriften omgevingsvergunning voor bouwen

In afwijking van het bepaalde in artikel 3.1.2 van deze Verordening en onverminderd het bepaalde in artikel 2.4, onder d Regeling omgevingsrecht, kan het bevoegd gezag voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen. Dit is het geval als het in de Regeling omgevingsrecht bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, Wet bodembescherming van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt.

Artikel 3.1.4 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften

Het bevoegd gezag kan rekening houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in deze Verordening of in de bij deze Verordening behorende bijlagen wordt verwezen, als die herziening of vervanging door de bevoegde instantie zijn gepubliceerd.

Hoofdstuk 3.2 Erfgoed (voorheen Erfgoedverordening)

Paragraaf 3.2.1 Algemeen

Artikel 3.2.1.1 Definities

De in de Erfgoedwet opgenomen definities gelden eveneens voor de begrippen in deze paragraaf.

Artikel 3.2.1.2 Erfgoedregister

  • 1. Het college houdt een door iedereen te raadplegen erfgoedregister bij van krachtens deze Verordening onherroepelijk aangewezen cultureel erfgoed.

  • 2. Het erfgoedregister bevat:

    • a.

      gegevens over de inschrijving en ter identificatie van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed;

    • b.

      gegevens over door het college van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ontvangen kopieën van de inschrijving van een rijksmonument in het rijksmonumentenregister als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid Erfgoedwet.

Paragraaf 3.2.2 Aanwijzing beschermde gemeentelijke cultuurgoederen en verzamelingen

Artikel 3.2.2.1 Aanwijzing beschermd gemeentelijke cultuurgoed of verzameling

  • 1. Het college kan een cultuurgoed aanwijzen als beschermd gemeentelijk cultuurgoed als dat:

    • a.

      van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis is dan wel uitzonderlijke schoonheid bezit;

    • b.

      als onvervangbaar en onmisbaar moet worden behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit, en

    • c.

      in eigendom is van de gemeente of dat aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd.

  • 2. Het college kan een verzameling van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis aanwijzen als beschermde gemeentelijke verzameling als die verzameling of onderdelen daarvan:

    • a.

      vanwege onvervangbaarheid en onmisbaarheid moet worden behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit, en

    • b.

      die in eigendom van de gemeente is of die aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd.

  • 3. Voor de aanwijzing van een cultuurgoed of verzameling toevertrouwd aan de zorg van de gemeente, is toestemming van de eigenaar vereist.

  • 4. Het college vraagt advies aan de gemeentelijke adviescommissie in geval van:

    • a.

      het voornemen van een aanwijzing bedoeld in het eerste of tweede lid;

    • b.

      vervreemding van een beschermd gemeentelijk cultuurgoed of beschermde gemeentelijke verzameling;

    • c.

      het afstand doen van de zorg voor een beschermd gemeentelijk cultuurgoed of beschermde gemeentelijke verzameling.

  • 5. Dit artikel is niet van toepassing op:

    • a.

      beschermde cultuurgoederen en verzamelingen als bedoeld in artikel 3.7 van de Erfgoedwet, en

    • b.

      cultureel erfgoed dat is aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid Erfgoedwet.

Artikel 3.2.2.2 Wijziging, intrekking en vervallen aanwijzing als beschermd gemeentelijke cultuurgoed of beschermde gemeentelijke verzameling

  • 1. Het college kan een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 3.2.2.1, eerste of tweede lid van deze Verordening wijzigen of intrekken. Artikel 3.2.2.1, vierde lid van deze Verordening is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft dan wel het cultuurgoed of de verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft, is tenietgegaan.

  • 2. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het cultuurgoed of de verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft, wordt aangewezen als:

    • a.

      beschermd cultuurgoed of beschermde verzameling als bedoeld in artikel 3.7 Erfgoedwet, of

    • b.

      beschermd cultureel erfgoed op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid Erfgoedwet.

  • 3. Zodra de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing onherroepelijk is, wordt dit onmiddellijk geregistreerd in het erfgoedregister.

Paragraaf 3.2.3 Aanwijzing gemeentelijk monument

Artikel 3.2.3.1 Aanwijzing als gemeentelijk monument

  • 1. Het college kan een monument of archeologisch monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde, aanwijzen als gemeentelijk monument.

  • 2. Dit artikel is niet van toepassing op:

    • a.

      rijksmonumenten, en

    • b.

      monumenten en archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in 3.17, eerste lid Erfgoedwet.

  • 3. Een pand wordt niet als gemeentelijk monument aangewezen als:

    • a.

      een eigenaar of zakelijk gerechtigde onevenredig in zijn financiële belangen wordt geschaad. De bewijslast hiervoor ligt bij de eigenaar en zakelijk gerechtigde.

    • b.

      de gebruiks- of ontwikkelmogelijkheden van het desbetreffende pand aantoonbaar onevenredig worden belemmerd of beperkt. De bewijslast hiervoor ligt bij de eigenaar en zakelijk gerechtigde.

    • c.

      een eigenaar of zakelijk gerechtigde anderszins aantoonbaar onevenredig in zijn belangen wordt geschaad.

    De bewijslast hiervoor ligt bij de eigenaar en zakelijk gerechtigde.

Artikel 3.2.3.2 Voornemen tot aanwijzing

  • 1. Een voornemen om toepassing te geven aan artikel 3.2.3.1 van deze Verordening, wordt door het college schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden met betrekking tot de onroerende zaak vermeld in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid Kadasterwet.

  • 2. Voordat een kerkelijk monument wordt aangewezen, voert het college overleg over het voornemen met de eigenaar.

Artikel 3.2.3.3 Voorbescherming

  • 1. De bescherming van paragraaf 3.2.4 van deze Verordening is van overeenkomstige toepassing op het monument of archeologisch monument ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 3.2.3.2 van deze Verordening is bekendgemaakt.

  • 2. De voorbescherming, bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het erfgoedregister.

Artikel 3.2.3.4 Advies gemeentelijke adviescommissie

  • 1. Het college vraagt over het voornemen om toepassing te geven aan artikel 3.2.3.1 van deze Verordening advies aan de gemeentelijke adviescommissie.

  • 2. De gemeentelijke adviescommissie brengt binnen acht weken na ontvangst van de adviesaanvraag schriftelijk en deugdelijk gemotiveerd advies uit.

Artikel 3.2.3.5 Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit

  • 1. Op een aanvraag om aanwijzing wordt besloten binnen 26 weken na ontvangst van de aanvraag.

  • 2. De aanwijzing bevat in ieder geval:

    • a.

      de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijke monument;

    • b.

      de datum van aanwijzing;

    • c.

      de kadastrale aanduiding, en

    • d.

      een beschrijving van het gemeentelijke monument.

Artikel 3.2.3.6 Bekendmaking aanwijzingsbesluit en inschrijving

  • 1. De aanwijzing wordt schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden met betrekking tot de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid Kadasterwet.

  • 2. Zodra een aanwijzing onherroepelijk is, wordt deze onmiddellijk opgenomen in het erfgoedregister.

Artikel 3.2.3.7 Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument

  • 1. In een spoedeisend geval kan het college een monument of archeologisch monument aanwijzen als voorlopig gemeentelijk monument. In afwijking van artikel 3.2.3.4 van deze Verordening wordt in dat geval aan de gemeentelijke adviescommissie advies gevraagd over de aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument.

  • 2. Een aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument vervalt na 26 weken of zoveel eerder als het college een besluit heeft genomen over de aanwijzing, bedoeld in artikel 3.2.3.1 van deze Verordening.

  • 3. Paragraaf 3.2.4 van deze Verordening is van overeenkomstige toepassing vanaf het moment dat belanghebbenden schriftelijk in kennis zijn gesteld van het besluit van het college tot aanwijzing van het voorlopig gemeentelijk monument of archeologisch monument. Artikel 3.2.3.6 van deze Verordening is van overeenkomstige toepassing op deze aanwijzing.

Artikel 3.2.3.8 Wijziging gemeentelijk erfgoedregister en vervallen aanwijzing monument

  • 1. Het college kan ten aanzien van gemeentelijke monumenten en voorlopige gemeentelijke monumenten wijzigingen aanbrengen in het erfgoedregister.

  • 2. Als de wijziging ziet op het schrappen uit het register is paragraaf 3.2.3 van deze Verordening van overeenkomstige toepassing, tenzij het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft is tenietgegaan.

  • 3. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid Erfgoedwet. Het vervallen van de aanwijzing wordt onmiddellijk vermeld in het erfgoedregister.

  • 4. Een aanwijzing als gemeentelijk monument of archeologisch monument wordt niet geschrapt als in het verleden met betrekking tot dit monument subsidies zijn verstrekt.

Paragraaf 3.2.4 Bescherming gemeentelijk monument

Artikel 3.2.4.1 Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument

Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen, vernielen, of daaraan geen onderhoud te plegen dat voor de instandhouding noodzakelijk is.

Artikel 3.2.4.2 Omgevingsvergunning gemeentelijk monument

  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een gemeentelijk monument:

    • a.

      te slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen, of

    • b.

      te herstellen, gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a.

      de uitvoering van normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de tuin, het park of ander reeds aangelegd onderdeel van het monument niet wijzigt, of

    • b.

      inpandige veranderingen van het monument, voor zover het een onderdeel daarvan betreft dat vanuit het oogpunt van monumentenzorg zonder betekenis is.

Artikel 3.2.4.3 Weigeringsgronden

De vergunning wordt geweigerd als:

  • a.

    het belang van de monumentenzorg zich daartegen verzet; en/of

  • b.

    in geval van een kerkelijk monument, de eigenaar zich daartegen verzet.

Paragraaf 3.2.5 Rijksmonumenten

Artikel 3.2.5.1 Advies omgevingsvergunning rijksmonument

Het college vraagt binnen twee weken na ontvangst van een beoordeelbare omgevingsvergunningaanvraag voor een rijksmonument als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f Wabo advies aan de gemeentelijke adviescommissie. Artikel 3.2.3.4, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 3.2.6 Gemeentelijke stads- en dorpsgezichten

Artikel 3.2.6.1 Aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- en dorpsgezicht

  • 1. De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, beschermde stads- en dorpsgezichten aanwijzen.

  • 2. Het voorstel als bedoeld in het eerste lid bevat het door het college aan de gemeentelijke adviescommissie gevraagde advies. Artikel 3.2.3.4, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 3. De gemeenteraad beslist binnen 26 weken na verzending van het voorstel, bedoeld in het tweede lid.

  • 4. Een aangewezen gemeentelijk stads- of dorpsgezicht wordt onmiddellijk opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister.

Artikel 3.2.6.2 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijke stads- en dorpsgezicht

  • 1. De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 3.2.6.1, eerste lid, wijzigen of intrekken. Artikel 3.2.6.1, tweede en derde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het stads- en dorpsgezicht waarop aanwijzing betrekking heeft is tenietgegaan.

  • 2. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het betrokken stads- en dorpsgezicht is aangewezen als:

    • a.

      beschermd stads- en dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid Monumentenwet 1988, of

    • b.

      beschermd stads- en dorpsgezicht op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c Wabo.

  • 3. Zodra de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing onherroepelijk is, wordt de verandering onmiddellijk vermeld in het gemeentelijk erfgoedregister.

Artikel 3.2.6.3 Verbodsbepaling en vergunningaanvraag

  • 1. Het is in een beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht verboden om zonder omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c Wabo, een bouwwerk te slopen.

  • 2. De omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd als niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.

  • 3. Artikel 3.2.4.3 is van overeenkomstige toepassing.

  • 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen ingevolge een verplichting als bedoeld in de artikelen 13, 13a of 13b Woningwet.

Paragraaf 3.2.7 Vangnet archeologie

Artikel 3.2.7.1 Vangnet archeologie

  • 1. Het is verboden de bodem te verstoren in een archeologisch monument of een gebied waar archeologische vondsten worden verwacht als in het daar geldende bestemmingsplan niet is voldaan aan artikel 3.1.6, vijfde lid Besluit ruimtelijke ordening, tenzij:

    • a.

      voor de activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste of tweede lid Wabo is verleend;

    • b.

      het de verstoring betreft van een archeologisch monument of verwachtingsgebied dat is aangegeven op de provinciale archeologische monumentenkaart of de landelijke indicatieve kaart van archeologische waarden en het verrichten van de activiteiten geen strijd oplevert met door het college vastgestelde regels over de toegestane mate van verstoring;

    • c.

      de activiteit plaatsvindt op basis van een deugdelijke beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden en onevenredige schade voor archeologische waarden wordt voorkomen, of

    • d.

      met een vooronderzoek is aangetoond dat geen archeologische waarden aanwezig zijn.

  • 2. Bij elk archeologisch vooronderzoek wordt amateurarcheologen de gelegenheid geboden te reageren en waar mogelijk ook bij vervolgonderzoek deel te nemen aan archeologisch veldwerk onder voorwaarde dat:

    • a.

      de deelname aan het veldwerk altijd onder toezicht en werkend volgens de aanwijzingen van een professioneel (gecertificeerd) archeoloog plaats vindt;

    • b.

      de amateurarcheologen tijdig, in ieder geval binnen een termijn van één maand, worden benaderd. Voor het veldonderzoek kan de termijn van informeren worden aangepast gelet op de omvang van de werkzaamheden.

Hoofdstuk 3.3 Aansluiting riolering (voorheen: Verordening aansluitvoorwaarden riolering Leudal 2007)

Paragraaf 3.3.1 Algemeen

Artikel 3.3.1.1 Definities

In dit Hoofdstuk wordt in aanvulling op het bepaalde in bijlage 1 verstaan onder:

  • -

    inrichting: elke door de mens bedrijfsmatig of in omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht;

  • -

    perceel: het bedrijf, de woning, de vakantiewoning, de woonboot (inclusief bijbehorende gronden en opstallen).

Paragraaf 3.3.2 De vergunning

Artikel 3.3.2.1 Vergunningplicht

  • 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een nieuwe aansluiting van een particulier riool op het openbaar riool aan te sluiten of een bestaande aansluiting op het openbaar riool te wijzigen.

  • 2. Het eerste lid is voor iedere aansluiting of wijziging afzonderlijk van toepassing als:

    • a.

      meer dan één aansluiting van een particulier riool op het openbaar riool moet worden gemaakt;

    • b.

      meer dan één aansluiting moet worden gewijzigd.

    Dit geldt eveneens bij een gescheiden rioolstelsel.

  • 3. Het college verleent een vergunning alleen voor het tot stand brengen en wijzigen van een aansluiting tussen het particulier riool en de perceelaansluiting voor de afvoer van:

    • a.

      afvalwater inclusief hemelwater als ter plaatse een gemengd vrijverval stelsel aanwezig is;

    • b.

      afvalwater exclusief hemelwater naar het daarvoor bedoelde buizenstelsel, als ter plaatse een gescheiden vrijverval stelsel aanwezig is;

    • c.

      hemelwater, als uit de beslisboom in bijlage 4 blijkt dat deze hemelwaterafvoer mag worden aangesloten op het gemengd stelsel of het gescheiden stelsel, als dit ter plaatse aanwezig is;

    • d.

      afvalwater zonder hemelwater, als:

      • -

        ter plaatse riolering onder overdruk en/of onderdruk aanwezig is, en

      • -

        uit de beslisboom in bijlage 5 blijkt dat de afvalwaterafvoer mag worden aangesloten op het drukrioolstelsel, of

      • -

        een voorziening voor de individuele behandeling van afvalwater (IBA) aanwezig is;

    • e.

      drainagewater naar het daarvoor bedoelde stelsel, als ter plaatse een drainage stelsel aanwezig is.

  • 4. In de vergunning kunnen in ieder geval voorschriften worden opgenomen met betrekking tot:

    • a.

      het tot stand brengen van de aansluiting;

    • b.

      het onderhoud, de renovatie en de vervanging van de aansluitleiding;

    • c.

      sloopwerkzaamheden op het perceel van de rechthebbende;

    • d.

      de periode waarvoor de vergunning wordt verleend als de aansluiting is bedoeld voor de afvoer van bronneringswater indien het een tijdelijke aansluiting betreft, en

    • e.

      de kwantiteit van het af te voeren proceswater.

Artikel 3.3.2.2 Vergunningaanvraag

  • 1. De vergunningaanvraag voor aanleg of wijziging van een aansluitleiding wordt schriftelijk, met gebruik van een daartoe vastgestelde aanvraagformulier, bij het college ingediend door of namens de rechthebbende van het aan te sluiten perceel.

  • 2. Bij de vergunningaanvraag moeten de volgende gegevens door de rechthebbende worden verstrekt:

    • a.

      naam en adres van de rechthebbende;

    • b.

      dagtekening;

    • c.

      aanduiding dat het een vergunningaanvraag voor een aansluiting of wijziging van de aansluiting betreft;

    • d.

      ligging van het aan te sluiten perceel:

      • -

        aan de hand van straat en huisnummer of, als nog geen huisnummer is toegekend, aan de hand van het kadastraal nummer van het desbetreffende perceel;

      • -

        aangegeven op een situatieschets 1:1000 of grotere schaal;

    • e.

      als het een lozing van bedrijfsafvalwater betreft de aard en hoeveelheid van het af te voeren afvalwater gesplitst in de verschillende afvalwaterstromen in liter per uur en liter per dag. Daarbij moet worden aangegeven of niet verontreinigd water, koelwater, bronneringswater en/of verontreinigd water, zal worden afgevoerd;

    • f.

      als het een lozing van bedrijfsafvalwater betreft, moeten eveneens de hoeveelheden worden aangegeven die boven de gemiddelde afvoer liggen (pieklozingen);

    • g.

      als het enkel een lozing van huishoudelijk afvalwater betreft, of er daarnaast hemel- of drainagewater zal worden afgevoerd;

    • h.

      een tekening van het aan te sluiten of te wijzigen particulier riool met daarop ten minste aangegeven:

      • -

        het leidingverloop en de dimensionering;

      • -

        de hoogteligging en het materiaal ter plaatse van het aansluitpunt, en

      • -

        een duidelijk verschil in kleur tussen de droogweer- en de hemelwaterafvoerleidingen;

    • i.

      de wijze waarop de functies van de verschillende leidingen van het particulier riool ter plaatse van het aansluitpunt zullen worden gemarkeerd.

  • 3. Als de gegevens bedoeld in het tweede lid reeds zijn vastgelegd in de voor het perceel afgegeven omgevingsvergunning of een vergunning/melding op grond van de Wet milieubeheer, kan bij de vergunningaanvraag voor dit perceel worden volstaan met het overleggen van een kopie van de gegevens uit deze vergunning.

  • 4. Het college kan de aanvrager verzoeken andere gegevens dan bedoeld in bovengenoemde artikelen in te dienen, als dat ter beoordeling van de aanvraag nodig is.

Artikel 3.3.2.3 Weigering vergunning

  • 1. Een vergunning kan alleen worden geweigerd als aansluiting van het particulier riool op het openbaar riool of wijziging van die aansluiting vanwege technische, juridische of milieuhygiënische redenen bezwaarlijk is, of het doelmatig beheer belemmerd wordt.

  • 2. Aansluiting van het particulier riool op het openbaar riool of wijziging van die aansluiting is in ieder geval bezwaarlijk als:

    • a.

      andere benodigde toestemmingen nog niet zijn verleend of geweigerd;

    • b.

      de aansluiting op een vrijverval riool niet onder vrijverval plaatsvindt;

    • c.

      de aansluiting op een drukriool onder verhoogde atmosferische druk moet plaatsvinden, maar de opgegeven druk onvoldoende is;

    • d.

      de aansluiting op een drukriool moet plaatsvinden, maar geen balkeerklep of terugslagklep is aangegeven;

    • e.

      het afvalwater dat naar het riool wordt afgevoerd ook hemelwater bevat, als bij of krachtens een verordening van de gemeente blijkt dat geen hemelwater naar het riool mag worden afgevoerd;

    • f.

      de aansluithoogte (B.O.B.) van het particulier riool lager ligt dan de bovenzijde van het openbaar riool, vermeerderd met 200 mm plus de benodigde hoogte voor het afschot van de aansluitleiding;

    • g.

      de bovenzijde van enig lozingstoestel lager is gelegen dan 150 mm boven de kruin van de straat, tenzij via een pompinstallatie voorzien van terugslagklep of balkeerklep wordt aangesloten;

    • h.

      de gevraagde aansluiting een samengevoegde voorziening betreft, terwijl een gescheiden openbaar riool aanwezig is;

    • i.

      het openbaar riool ter plaatse van de aansluitingleiding niet over voldoende capaciteit beschikt om de hoeveelheid te lozen vloeistoffen te kunnen afvoeren;

    • j.

      het een lozing van afvalwater betreft dat door aard, concentratie en/of samenstelling de goede werking van het openbaar riool kan belemmeren of de constructie kan aantasten;

    • k.

      de aanvraag betrekking heeft op een aansluiting ten behoeve van een lozing van niet verontreinigd drainagewater;

    • l.

      de gevraagde aansluiting een afvoerleiding voor niet verontreinigd bronneringswater betreft, die zonder bezwaar op het oppervlaktewater of bodem kan worden aangesloten of door middel van retourbemaling kan worden afgevoerd.

  • 3. Een weigering van een vergunning is met redenen omkleed, waarbij het college de nadere eisen aangeeft, waaraan het particulier riool moet voldoen om alsnog een vergunning te kunnen krijgen.

Artikel 3.3.2.4 Aanhouding aanvraag

  • 1. Het college houdt de beslissing omtrent een vergunningaanvraag aan, als er geen reden is de vergunning te weigeren maar:

    • a.

      voor het aan te sluiten perceel nog een aanvraag moet worden gedaan of in behandeling is voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a Wabo;

    • b.

      voor het aan te sluiten perceel nog een aanvraag moet worden gedaan of in behandeling is voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e Wabo.

  • 3. De rechthebbende wordt zo spoedig mogelijk van de aanhouding op de hoogte gesteld.

  • 4. Na verlening van de in het tweede lid bedoelde vergunningen, neemt het college binnen acht weken een besluit op de aanvraag.

Artikel 3.3.2.5 Intrekking en wijziging vergunning

In aanvulling op artikel 1.1.6 van deze Verordening kan de vergunning in ieder geval worden ingetrokken of gewijzigd, als:

  • a.

    de rechthebbende binnen één jaar na verlening van de vergunning geen maatregelen heeft genomen om de aansluiting of wijziging van de aansluiting waarvoor die vergunning is verkregen, te realiseren;

  • b.

    het gebruik van de aansluiting waarop de vergunning betrekking heeft, wordt beëindigd.

Paragraaf 3.3.3 De aansluiting

Artikel 3.3.3.1 Het verzoek tot aanleg of wijziging perceelaansluitleiding

  • 1. De rechthebbende aan wie een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 3.3.2.2 van deze Verordening kan het college schriftelijk verzoeken de perceelaansluitleiding aan te leggen, die nodig is voor het realiseren van de aansluiting of de wijziging daarvan, waarop de aansluitvergunning betrekking heeft.

  • 2. Bij het verzoek om aansluiting moeten in ieder geval de volgende gegevens door de rechthebbende worden vermeld:

    • a.

      naam en woonadres van de rechthebbende;

    • b.

      nummer van de aansluitvergunning;

    • c.

      de door rechthebbende gewenste datum van uitvoering.

  • 3. Het verzoek om aansluiting wordt alleen in behandeling genomen als deze gegevens volledig zijn vermeld.

  • 4. Als de kosten van de aanleg van de aansluiting reeds zijn voldaan op grond van een eerder door de rechthebbende met de gemeente gesloten overeenkomst, dan dient de rechthebbende dit naast de in het tweede lid bedoelde gegevens bij het verzoek tot aansluiting te vermelden.

  • 5. Zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken na de ontvangst van het verzoek stelt het college zoveel mogelijk in overleg met de rechthebbende, een termijn vast voor uitvoering van de aansluiting.

Artikel 3.3.3.2 Kosten aansluiting

  • 1. De kosten van de aanleg of wijziging van de perceelaansluitleiding zijn voor rekening van de aanvrager of de rechthebbende.

  • 2. Het college is niet verplicht tot feitelijke aanleg of wijziging van de perceelaansluitleiding, voordat de rechthebbende de kosten volledig heeft voldaan.

  • 3. Als de kosten voor de aanleg of wijziging van de perceelaansluitleiding, reeds op andere wijze op de rechthebbende zijn of worden verhaald, is het tweede lid niet van toepassing.v

Artikel 3.3.3.3 Uitvoering aanleg of wijziging van perceelaansluitleiding

  • 1. De uitvoering van de aanleg of wijziging van de perceelaansluitleiding, inclusief de aansluiting van het particulier riool op de perceelaansluitleiding, vindt niet plaats anders dan door of vanwege de gemeente.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan het college na overleg met de rechthebbende in de aansluitvergunning vastleggen dat de rechthebbende zelf de aansluiting uitvoert. De rechthebbende onttrekt, na melding aan het college dat de aansluiting is uitgevoerd, het aansluitpunt gedurende drie werkdagen niet aan het zicht.

  • 3. Als de gemeente niet in staat wordt gesteld de aansluiting te controleren, wordt de aanvrager geacht zonder vergunning te hebben gehandeld en volgt aansprakelijkheidsstelling voor de daaruit voortvloeiende schade.

  • 4. In de perceelaansluitleiding wordt een ontstoppingsvoorziening aangebracht gelegen binnen een halve meter vanaf het aansluitpunt in openbaar terrein. De voorziening moet altijd bereikbaar zijn.

  • 5. De gemeente voert geen werkzaamheden uit aan het particulier riool. Onder het particulier riool wordt tevens verstaan alle installaties die nodig zijn voor het op juiste hoogte en druk brengen van het afvalwater bij het aansluitpunt als dit apart is geregeld.

  • 6. De aansluiting van het particulier riool op de perceelaansluitleiding vindt alleen plaats, als het aan te sluiten particulier riool tot aan het aansluitpunt aanwezig is en voldoet aan de daaraan op grond van het Bouwbesluit en deze Verordening te stellen eisen.

Paragraaf 3.3.4 Onderhoud

Artikel 3.3.4.1 Onderhoud, renovatie en vervanging

  • 1. Het onderhoud, de renovatie dan wel de vervanging van de perceelaansluitleiding wordt uitgevoerd door of namens de gemeente en voor rekening van de gemeente, tenzij aannemelijk is dat de desbetreffende onderhouds- of herstelwerkzaamheden moeten worden uitgevoerd als gevolg van een onjuist gebruik of verzakking van het particulier riool. In dat geval zijn de kosten voor de rechthebbende of de veroorzaker.

  • 2. Onder onjuist gebruik wordt in ieder geval begrepen:

    • a.

      het via deze aansluiting lozen van stoffen die, vanwege hun aard en samenstelling, verstoppingen in de aansluitleiding of het hoofdriool veroorzaken;

    • b.

      het via deze aansluiting lozen van stoffen die, door hun aard of concentratie, de constructie van de aansluitleiding aantasten.

  • 3. De kosten voor het onderhoud van het particulier riool komen voor rekening van de rechthebbende, tenzij aannemelijk is dat de noodzaak tot onderhoud is veroorzaakt door het niet goed functioneren van het openbaar riool.

  • 4. Onder renovatie wordt tevens begrepen het aanpassen van de perceelaansluitleiding als gevolg van een wijziging van het gemeentelijk rioolstelsel.

  • 5. Bij het ontdekken van gebreken aan de aansluitleiding op het openbaar riool, is de vergunninghouder verplicht de gemeente hiervan onmiddellijk op de hoogte te brengen.

  • 6. Als een vergunninghouder werkzaamheden aan de aansluitleiding met de aansluiting op het openbaar riool noodzakelijk acht, moet daartoe tijdig een verzoek worden ingediend bij de gemeente.

  • 7. Als door derden werkzaamheden worden verricht aan het openbaar riool en/of openbaar terrein, vindt de uitvoering van aanleg, wijziging of verwijdering van de aansluiting uitsluitend plaats na uitdrukkelijke toestemming door of vanwege de gemeente.

  • 8. Bij wijziging door de gemeente van de hoogteligging van het aansluitpunt dient de rechthebbende ervoor te zorgen dat het particulier riool hierop kan worden aangesloten op een zodanige wijze dat de afvoer vanuit het perceel ongehinderd kan plaatsvinden.

Artikel 3.3.4.2 Calamiteiten

  • 1. Bij een verstopping of andere storing in het particulier riool onderzoekt de rechthebbende of het een verstopping of storing betreft in het particulier riool of in de perceelaansluitleiding.

  • 2. Als in de erfscheidingsput water staat, zit de verstopping in het openbaar riool. Als in de erfscheidingsput geen water staat, zit de verstopping in het particulier riool.

  • 3. Als na het in het eerste lid bedoelde onderzoek wordt vermoed dat sprake is van een verstopping of storing in de perceelaansluitleiding of van een verstopping of storing als gevolg van inspoeling vanuit het openbaar riool, neemt de rechthebbende of de gebruiker contact op met de gemeente voor het verrichten van de noodzakelijke werkzaamheden. Als de rechthebbende of de gebruiker, zonder expliciete voorafgaande toestemming van de gemeente, zelf aan een derde opdracht verstrekt tot het verrichten van werkzaamheden, komen de kosten daarvan voor rekening van de rechthebbende of de gebruiker.

  • 4. Als na het in het eerste lid bedoelde onderzoek blijkt dat sprake is van een verstopping of storing in het particulier riool, dient de rechthebbende deze verstopping of storing zelf te verhelpen.

  • 5. Bij het door de gemeente verrichten van de in het derde lid bedoelde werkzaamheden dient de rechthebbende of gebruiker, voordat met de werkzaamheden wordt gestart, van tevoren schriftelijk akkoord gaan met de voorwaarde dat de kosten van de werkzaamheden aan hem in rekening worden gebracht, als blijkt dat deze kosten voor zijn rekening zijn.

Paragraaf 3.3.5 Verwijdering aansluiting en sloop

Artikel 3.3.5.1 Zorgplicht

  • 1. De eigenaar of rechthebbende moet onmiddellijk nadat de aansluiting op het openbaar riool tot stand gekomen is alle bestaande lozingsmiddelen, zoals een septictank, beerput of bezinkput, permanent buiten gebruik stellen of op een deugdelijke wijze (laten) verwijderen.

  • 2. Bij sloopwerkzaamheden of andere werkzaamheden op een op het openbaar riool aangesloten perceel, moeten door de rechthebbende zodanige voorzieningen aan het particulier riool worden getroffen dat een storing in het openbare riool en de perceelaansluitleiding wordt voorkomen.

  • 3. Als de rechthebbende bij sloopwerkzaamheden of andere werkzaamheden niet voldoet aan de in het tweede lid omschreven zorgplicht, dan wel dat aan de aansluitleiding en aan het openbaar riool schade ontstaat, heeft de gemeente de bevoegdheid de aansluiting op het openbaar riool af te sluiten en het aansluitriool op openbaar terrein te verwijderen. De hieraan verbonden kosten worden verhaald op de rechthebbende.

  • 4. Als het gebruik van een aansluitleiding definitief wordt beëindigd, is de rechthebbende verplicht de gemeente hierover vooraf te informeren en een aanvraag in te dienen voor het verwijderen of buitengebruik stellen van de aansluitleiding. De op de aansluiting betrekking hebbende vergunning zal dan worden ingetrokken, waarna de aansluitleiding op kosten van de vergunninghouder door de gemeente wordt verwijderd of buitengebruik wordt gesteld.

Hoofdstuk 3.4 Ondergrondse infrastructuren (voorheen: Algemene verordening ondergrondse infrastructuren)

Paragraaf 3.4.1 Inleidende bepalingen

Artikel 3.4.1.1 Definities

  • 1. De in de Telecommunicatiewet opgenomen definities gelden eveneens voor de begrippen in deze paragraaf.

  • 2. In aanvulling op het eerste lid en de in bijlage 1 genoemde definities verstaan onder:

    • -

      belanghebbenden: de omwonenden en bedrijfsmatige gebruikers van alle percelen, grenzend aan het tracé van kabels en/of leidingen;

    • -

      gedoogplichtige: degene op wie een gedoogplicht rust als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van de Telecommunicatiewet, een publiekrechtelijk instemmingsbesluit of een privaatrechtelijke overeenkomst;

    • -

      kabels en/of leidingen: één of meer kabels en/of leidingen die onderdeel zijn van een openbaar (elektronisch communicatie)netwerk, daaronder mede begrepen de daarmee verbonden transformator-, schakel-, verdeel- en onderstations, distributie- en/of mutatiepunten, en tevens omvattend lege buizen, ondergrondse ondersteuningswerken en beschermingswerken, bestemd voor het transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, van energie of van informatie;

    • -

      netbeheerder: degene die als natuurlijk persoon handelend in de uitoefening van een beroep of bedrijf dan wel als rechtspersoon acteert als beheerder van een netwerk;

    • -

      netwerk: samenstel van kabels of leidingen;

    • -

      registratiesysteem: digitaal systeem dat het college hanteert om meldingen van en vergunningen voor werkzaamheden, zoals genoemd in onderdeel l. van dit artikel, en alles wat daarmee samenhangt te verwerken;

    • -

      spoedeisende werkzaamheden: werkzaamheden, zoals genoemd in onderdeel l. van dit artikel, voor reparatie of onderhoud waarvan uitstel niet mogelijk is als een ernstige belemmering of storing van de dienstverlening in het desbetreffende netwerk is opgetreden;

    • -

      werkzaamheden: handmatige en/of mechanische (graaf)werkzaamheden, waaronder ook begrepen het opbreken en herstellen van de sleufbedekking en sleufloze technieken, in of op openbare grond in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels en/of leidingen;

    • -

      werkzaamheden van niet ingrijpende aard:

      • a.

        werkzaamheden, zoals genoemd in onderdeel l. van dit artikel, met een gezamenlijke tracélengte tot 25 meter en waarbij geen wegen, watergangen of groenvoorzieningen volledig worden gekruist en/of bovengrondse voorzieningen worden geplaatst;

      • b.

        het aanbrengen of verwijderen van kabels en/of leidingen in reeds aangebrachte voorzieningen;

      • c.

        het maken van maximaal twee opbrekingen met elk een afmeting van maximaal 2 m².

Artikel 3.4.1.2 Toepasselijkheid

  • 1. Deze verordening is van toepassing op werkzaamheden die door of namens een netbeheerder plaatsvinden binnen de gemeente Leudal.

  • 2. Het bepaalde in deze Verordening geldt niet voor zover hierin reeds is voorzien in privaatrechtelijke overeenkomsten.

Paragraaf 3.4.2 Aanvragen en melden werkzaamheden

Artikel 3.4.2.1 Instemmingsvereiste en meldplicht

  • 1. Het is verboden werkzaamheden te verrichten zonder instemmingsbesluit van het college.

  • 2. Voor het verrichten van spoedeisende werkzaamheden of werkzaamheden van niet ingrijpende aard, geldt het verbod als bedoeld in het eerste lid niet, maar een meldplicht. De werkzaamheden mogen pas worden uitgevoerd na goedkeuring van de melding door het college.

  • 3. Om redenen van veiligheid kan de gemeenteraad delen van het grondgebied aanwijzen waarvoor het tweede lid niet van toepassing is.

  • 4. De werkzaamheden moeten zijn voltooid binnen één jaar na de dag waarop het instemmingsbesluit onherroepelijk is geworden.

  • 5. De werkzaamheden van niet ingrijpende aard moeten zijn voltooid voor de in de goedgekeurde melding bepaalde datum.

  • 6. Het in het eerste lid opgenomen verbod is niet van toepassing op werkzaamheden van de gemeente.

  • 7. Het college kan bij daartoe aanleiding gevende weersomstandigheden, een breekverbod instellen als de uitvoering van de werkzaamheden tot overlast of gevaar voor bewoners kan leiden dan wel schade voor de gemeente.

  • 8. Tijdens door de gemeente vergunde evenementen geldt een breekverbod.

  • 9. In geval van een breekverbod, als bedoeld in het zevende en achtste lid worden de termijnen als bedoeld in het vierde en vijfde lid van rechtsweg verlengd met de periode van het breekverbod. Uiterlijk één dag voor beëindiging van het breekverbod, informeert het college de betrokken uitvoerende partij(en) hierover.

Artikel 3.4.2.2 Aanvragen en melden

  • 1. De aanvraag voor het instemmingsbesluit als bedoeld in artikel 3.4.2.1 ten behoeve van een openbaar elektronisch communicatienetwerk, geldt als melding als bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, onderdeel a van de Telecommunicatiewet.

  • 2. Als de werkzaamheden ook betrekking hebben op openbare gronden van een andere gedoogplichtige of grondeigenaar dan de gemeente en/of als een aanvraag om een instemmingsbesluit bij een ander bestuursorgaan op grond van een andere wet is ingediend, dan stelt de aanvrager het college hiervan op de hoogte.

  • 3. Werkzaamheden van niet ingrijpende aard of de aanvang van werkzaamheden moeten vijf werkdagen voorafgaand aan de aanvang daarvan worden gemeld bij het college.

  • 4. Spoedeisende werkzaamheden moeten voorafgaand aan de aanvang van de werkzaamheden worden gemeld bij het college of bij een daartoe door hen gemachtigd ambtenaar. Als een melding vooraf niet mogelijk is, moet de melding uiterlijk binnen één werkdag na de aanvang van de uitvoering gemotiveerd worden gedaan.

Artikel 3.4.2.3 Gegevensverstrekking

  • 1. Voor het aanvragen van een instemmingsbesluit, als bedoeld in artikel 3.4.2.1, eerste lid, moet gebruik worden gemaakt van het door het college gehanteerde registratiesysteem.

  • 2. Bij een aanvraag om een instemmingsbesluit als bedoeld in artikel 3.4.2.1, eerste lid, moeten in ieder geval de volgende gegevens worden verstrekt:

    • a.

      naam, adres en woonplaats van de netbeheerder;

    • b.

      als het een aanvraag betreft om het verrichten van werkzaamheden voor of namens een netbeheerder, de naam, adres en woonplaats van de gemachtigde en een schriftelijke machtiging bij de eerste aanvraag van enig kalenderjaar;

    • c.

      een opgave van het aantal, de soort, de aard en het beoogde gebruik van de kabels en/of leidingen;

    • d.

      vereiste publiekrechtelijke toestemming(en) op grond van overige wetgeving alsmede informatie over de afstemming met andere gedoogplichtigen, grondeigenaren en/of beheerders van openbare gronden;

    • e.

      een digitale BGT tekening (PDF- en/of DWG-formaat) met legenda alsmede eenduidige en volledige maatvoering (RD-coördinaten) met daarop aangegeven

      • 1°.

        een opgave van het gewenste tracé;

      • 2°.

        een opgave van de tijdelijke en permanente voorzieningen.

    • f.

      overtuigende gegevens en inzicht omtrent de uitvoerbaarheid van de voorgenomen werkzaamheden binnen de beschikbare ruimte, waaruit ook blijkt dat de bereikbaarheid van de overige kabels en/of leidingen blijft gewaarborgd;

    • g.

      de tracélengte en de lengte en breedte van de te graven sleuf, alsmede de aard van de sleufbedekking;

    • h.

      de voorgenomen datum van aanvang en beëindiging van de werkzaamheden;

    • i.

      een opgave van het aantal kabels en/of leidingen dat direct in gebruik wordt genomen en het aantal kabels en/of leidingen dat niet direct in gebruik wordt genomen.

  • 3. Voor een melding, als bedoeld in artikel 3.4.2.1, tweede lid, moet gebruik worden gemaakt van het door het college gehanteerde registratiesysteem. De volgende gegevens moeten daarbij in ieder geval worden verstrekt:

    • a.

      naam, adres en woonplaats van de netbeheerder;

    • b.

      als het een aanvraag betreft om het verrichten van werkzaamheden voor of namens een netbeheerder de naam, adres en woonplaats van de gemachtigde en een schriftelijke machtiging bij de eerste aanvraag van enig kalenderjaar;

    • c.

      de uitvoerende partij, het adres van de graaflocatie(s), inclusief een situatieschets;

    • d.

      de lengte en breedte van de sleuf of montagegat(en), alsmede de aard van de sleufbedekking die wordt opengebroken;

    • e.

      de datum van aanvang en beëindiging van de werkzaamheden.

  • 4. In geval van spoedeisende werkzaamheden moeten in aanvulling op het bepaalde in het derde lid tevens worden verstrekt:

    • a.

      de aanduiding van de spoedeisende aard van de werkzaamheden;

    • b.

      de omschrijving van de werkzaamheden die zijn uitgevoerd.

Artikel 3.4.2.4 Voorschriften bij instemmingsbesluit

  • 1. Het college kan aan het instemmingsbesluit voorschriften verbinden in het belang van:

    • a.

      de openbare orde;

    • b.

      veiligheid, waaronder mede verstaan wordt de verkeersveiligheid;

    • c.

      het voorkomen of beperken van overlast, waaronder mede verstaan wordt het afstemmen met andere werkzaamheden, een goede doorstroming van het verkeer en de bescherming van groenvoorzieningen en van het uiterlijke aanzien van de omgeving;

    • d.

      de bereikbaarheid van gronden of gebouwen, waaronder mede verstaan wordt het veilig en doelmatig gebruik, beheer, en onderhoud van openbare gronden en gebouwen en het belang van evenementen;

    • e.

      de ondergrondse ordening, waaronder mede verstaan wordt het beschermen van reeds in de grond aanwezige werken en eventuele in de grond aanwezige objecten.

  • 2. De voorschriften, zoals genoemd in het eerste lid, kunnen slechts betrekking hebben op:

    • a.

      het tijdstip, de plaats en wijze van uitvoering van werkzaamheden;

    • b.

      het bevorderen van medegebruik van voorzieningen die door derden of de gemeente Leudal tegen marktconforme kosten ter beschikking worden gesteld;

    • c.

      afstemming met betrekking tot overige in de grond aanwezige werken.

  • 3. De belanghebbenden ter plaatse van de uit te voeren werkzaamheden moeten door de degene aan wie het instemmingsbesluit is gericht schriftelijk worden geïnformeerd over aanvang, duur, aard en plaats van de werkzaamheden.

  • 4. Degene tot wie het instemmingsbesluit is gericht moet na het einde van de werkzaamheden de grond, eventuele verhardingen en groenvoorzieningen terug brengen in de oude staat, tenzij het college heeft aangegeven hiervoor (gedeeltelijk) zelf zorg te dragen.

Artikel 3.4.2.5 (Mede)gebruik van voorzieningen

Op verzoek van het college wordt bij de werkzaamheden zoveel mogelijk (mede) gebruik gemaakt van bestaande, hetzij door overige netbeheerders dan wel door of in opdracht van het college aangelegde, voorzieningen voor zover dit technisch en economisch haalbaar is en medegebruik geen belemmering vormt voor de veiligheid, toegankelijkheid en leveringszekerheid.

Artikel 3.4.2.6 Termijnen

  • 1. De goedkeuring van een melding voor werkzaamheden van niet ingrijpende aard wordt genomen binnen vijf werkdagen nadat de melding is gedaan.

  • 2. De goedkeuring van een melding voor spoedeisende werkzaamheden volgt, binnen vijf werkdagen nadat de melding is gedaan.

  • 3. Paragraaf 4.1.3.3. van de Awb is niet van toepassing.

Paragraaf 3.4.3 Overige bepalingen

Artikel 3.4.3.1 Nemen maatregelen en nadeelcompensatie

  • 1. De netbeheerder is verplicht op aanwijzing van het college over te gaan tot het nemen van maatregelen, waaronder het verplaatsen, ten aanzien van kabels en/of leidingen ten dienste van zijn netwerk.

  • 2. Eventuele nadeelcompensatie in verband met het bepaalde in het eerste lid wordt verleend op basis van een publiekrechtelijke regeling.

Artikel 3.4.3.2 Overleg

  • 1. Het college organiseert periodiek een overleg, waarvoor in elk geval de bij de gemeente Leudal bekende netbeheerders en andere betrokken partijen of belanghebbenden worden uitgenodigd.

  • 2. In dit overleg worden de plannen van de gemeente Leudal en van de diverse netbeheerders en andere betrokken partijen of belanghebbenden besproken en afgestemd in het kader van de bepalingen van deze verordening.

Artikel 3.4.3.3 Niet-openbare kabels en/of leidingen

  • 1. Bij werkzaamheden aan niet-openbare kabels en/of leidingen is het bepaalde in deze verordening van overeenkomstige toepassing. Het betreft kabels en/of leidingen, dan wel het netwerk waartoe deze behoren, die niet worden gebruikt om voor het publiek beschikbare, openbare diensten aan te bieden.

  • 2. Het eerste lid houdt geen gedoogplicht in voor de gemeente Leudal met betrekking tot niet-openbare kabels en/of leidingen.

Artikel 3.4.3.4 Informatieplicht

  • 1. De netbeheerder stelt het college onmiddellijk en schriftelijk in kennis van het in of uit gebruik nemen van een kabel en/of leiding. Dit geldt ook als een kabel en/of leiding niet langer ten dienste staat van een netwerk in of op openbare gronden. Het college kan hiervoor een overzicht van alle (niet) in gebruik zijnde kabels en/of leidingen verlangen.

  • 2. De netbeheerder stelt het college onmiddellijk in kennis van het feit dat het eigendom, de exploitatie of het beheer van de kabel of leiding verandert.

Hoofdstuk 3.5 Geurhinder veehouderijen (voorheen: Verordening geurhinder en veehouderij 2017)

Artikel 3.5.1 Omgevingsvergunning

Bij een beslissing inzake de omgevingsvergunning voor het oprichten of veranderen van een veehouderij betrekt het bevoegd gezag de geurhinder door de geurbelasting van tot veehouderijen behorende dierenverblijven, voor de daartoe aangewezen gebieden, uitsluitend op de wijze als aangegeven bij of krachtens artikel 3.3.2 en 3.3.3.

Artikel 3.5.2 Aangewezen gebieden

In de in bijlage 3 bij deze Verordening aangewezen gebieden, de buiten de kernen gelegen industrieterreinen en grootschalige recreatieterreinen gelden in afwijking van artikel 3, eerste lid van de Wet geurhinder en veehouderij, de volgende waarden:

Gebied

Maximale voorgrondbelasting

Maximale achtergrondbelasting

Maximaal % geurgehinderden

Woon- en leefklimaat (worst-case)

Woonkernen Leudal

3 OU/m³

10 OU/m³

12

Goed

Zorginitiatief Hornerheide

3 OU/m³

10 OU/m³

12

Goed

Kernrandzones

6 OU/m³

12 OU/m³

14

Redelijk goed

Buitengebied en bedrijventerreinen

10 OU/m³

20 OU/m³

20

Matig

Hoofdstuk 3.6 Gemeentelijke begraafplaatsen (voorheen: Beheersverordening begraafplaatsen 2009)

Paragraaf 3.6.1 Openstelling, orde en rust op de begraafplaats

Artikel 3.6.1.1 Openstelling begraafplaats

  • 1. De begraafplaats is voor iedereen dagelijks toegankelijk gedurende door het college bij nadere regels vast te stellen tijden.

  • 2. Voor het bewaren van de orde en rust op de begraafplaats kunnen de toegangen tijdelijk worden gesloten.

  • 3. Het is verboden gedurende de tijd dat de begraafplaats niet voor het publiek geopend is, zich daarop te bevinden. Voor het bijwonen van een begrafenis of de bezorging van as geldt dit verbod niet.

Artikel 3.6.1.2 Ordemaatregelen

  • 1. Het is aan steenhouwers, hoveniers en daarmee gelijk te stellen personen verboden, zonder toestemming van het college, werkzaamheden voor derden aan grafbedekkingen op de begraafplaats te verrichten.

  • 2. Het is verboden zonder vergunning van het college met motorrijtuigen op de begraafplaats te rijden:

    • a.

      buiten de daartoe aangewezen rijwegen. Dit verbod geldt niet bij begrafenissen en het vervoer van materialen;

    • b.

      sneller dan 10 km per uur.

  • 3. Bezoekers, personeel van uitvaartondernemingen en personen die werkzaamheden op de begraafplaats moeten verrichten, zijn verplicht zich in het belang van de orde, rust en netheid te houden aan de aanwijzingen van de beheerder.

  • 4. Degenen die zich niet aan de in het derde lid bedoelde aanwijzing houden, moeten zich op eerste aanzegging van de beheerder van de begraafplaats verwijderen.

Artikel 3.6.1.3 Plechtigheden

  • 1. Dodenherdenkingen, onthullingen van gedenktekens en dergelijke plechtigheden op de begraafplaats moeten vijf dagen tevoren worden gemeld aan de beheerder onder opgave van datum en uur van de plechtigheid en de wijze waarop de plechtigheid zal plaatsvinden.

  • 2. De deelnemers aan de plechtigheid bedoeld in het eerste lid, moeten zich in het belang van de orde, rust en netheid houden aan de aanwijzingen van de beheerder.

Artikel 3.6.1.4 Opgravingen en ruimen

Het opgraven van lijken en het ruimen van graven is alleen toegestaan als daarbij geen andere personen aanwezig zijn dan degenen die met deze werkzaamheden zijn belast.

Paragraaf 3.6.2 Voorschriften voor lijkbezorging

Artikel 3.6.2.1 Melding begraven, asbezorging, openen en sluiten van graf

  • 1. Degene die wil doen begraven, as wil doen bijzetten of verstrooien, meldt dit schriftelijk aan de beheerder uiterlijk om 12.00 uur van de werkdag voorafgaande aan die waarop de gedraging zal plaatsvinden. De zaterdag geldt voor de toepassing van deze bepaling niet als werkdag. Als de burgemeester toestemming heeft gegeven om het lijk binnen 36 uur na het overlijden te begraven, moet de schriftelijke melding aan de beheerder zo snel als mogelijk worden gedaan.

  • 2. Het lijk moet bij aankomst op de begraafplaats of in het crematorium zijn voorzien van een identiteitskenmerk.

  • 3. Het openen van een graf voor het begraven of bezorgen van as en het daarna sluiten van een graf, alsmede het bedienen van de hulpmiddelen, mag uitsluitend gebeuren door het personeel van de begraafplaats op aanwijzingen en onder toezicht van de beheerder. De nabestaanden kunnen deze werkzaamheden onder toezicht van de beheerder geheel of gedeeltelijk zelf verrichten als zij hun wens daartoe uiterlijk om 12.00 uur van de voorafgaande aan de beheerder hebben gemeld. De zaterdag geldt voor de toepassing van deze bepaling niet als werkdag. Zij dienen bij deze werkzaamheden de aanwijzingen van de beheerder op te volgen.

Artikel 3.6.2.2 Begraving

  • 1. Begraving is alleen toegestaan als van tevoren het verlof tot begraven is overgelegd aan de beheerder.

  • 2. Als de begraving of bezorging van as in een eigen graf plaatsvindt, moet een door de rechthebbende ondertekende machtiging daartoe aan de beheerder worden overgelegd of, als deze is overleden, door degene die in de uitvaart voorziet.

  • 3. Begraving of bijzetting in een eigen graf waarvan de uitgiftetermijn binnen de wettelijke minimum grafrusttermijn afloopt, kan alleen plaatsvinden onder gelijktijdige verlenging van de uitgiftetermijn met een zodanige periode dat de dan resterende uitgiftetermijn ten minste gelijk is aan de wettelijke minimum grafrusttermijn. De verlenging van de uitgiftetermijn van het eigen graf moet worden aangevraagd door de rechthebbende of, als deze is overleden, door een van de andere personen genoemd in artikel 3.6.3.7, tweede lid van deze Verordening.

  • 4. De in het vorige lid bedoelde periode van verlenging wordt naar boven toe afgerond op hele jaren.

  • 5. De beheerder onderzoekt de deugdelijkheid van de overgelegde stukken.

Artikel 3.6.2.3 Tijden van begraven en asbezorging

Begraven en het bezorgen van as vindt plaats van 08.00 tot 17.00 uur. In bijzondere gevallen kan het college toestemming geven hiervan af te wijken.

Paragraaf 3.6.3 Indeling en uitgifte van graven

Artikel 3.6.3.1 Indeling graven en asbezorging

  • 1. Op de begraafplaats kunnen worden uitgegeven eigen:

    • a.

      graven en urnengraven;

    • b.

      urnennissen;

    • c.

      verstrooiingsplaatsen;

    • d.

      gedenkplaatsen.

  • 2. Het college bepaalt bij nader vast te stellen regels:

    • a.

      hoeveel lijken en asbussen met of zonder urnen kunnen worden bijgezet in de eigen graven;

    • b.

      hoeveel verstrooiingen van as op of in de eigen graven kunnen plaatsvinden;

    • c.

      de afmetingen en de uitgifteduur van de eigen graven. De uitgifteduur kan niet korter zijn dan de minimumtermijn vastgesteld in de Wet op de lijkbezorging.

Artikel 3.6.3.2 Aantal overledenen in algemene graven

  • 1. In de algemene graven kan een door het college te bepalen aantal lijken worden begraven.

  • 2. In de algemene urnengraven kan een door het college te bepalen aantal asbussen met of zonder urn worden bijgezet.

Artikel 3.6.3.3 Volgorde van uitgifte

  • 1. De eigen graven worden slechts voor directe begraving en in volgorde van ligging uitgegeven.

  • 2. Het college kan een eigen graf toewijzen anders dan voor directe begraving en buiten de volgorde van uitgifte, als dit wegens de situatie op de begraafplaats niet bezwaarlijk is.

Artikel 3.6.3.4 Categorieën

Het college kan bij nader vast te stellen regels de algemene en eigen graven onderverdelen in categorieën. Voor de verschillende categorieën bepaalt het college de situering en oppervlakte.

Artikel 3.6.3.5 Termijnen eigen graven

  • 1. Het college verleent, als de daartoe bestemde ruimte van de begraafplaats dit toelaat, op een daartoe bij hen schriftelijk in te dienen aanvraag, voor de tijd van twintig of dertig jaar het recht op een eigen graf. De termijn begint op de datum waarop het eigen graf is uitgegeven.

  • 2. Het in het eerste lid van dit artikel bedoelde recht wordt op aanvraag van de rechthebbende verlengd telkens met een termijn van 10 jaren, mits de aanvraag vóór het verstrijken van de lopende termijn wordt ingediend.

  • 3. Een recht als in dit artikel bedoeld, kan slechts aan één rechthebbende worden verleend ten behoeve van zichzelf en voor de personen genoemd in artikel 3.6.3.7, eerste lid van deze Verordening. Verlening van het recht ten behoeve van een ander is slechts mogelijk als daarvoor gewichtige redenen bestaan.

Artikel 3.6.3.6 Grafkelder

Het college kan aan de rechthebbende op een eigen graf vergunning verlenen tot het daarin voor eigen rekening (laten) realiseren van een grafkelder overeenkomstig de door het college te stellen voorwaarden.

Artikel 3.6.3.7 Overschrijving van verleende rechten

  • 1. Het recht op een eigen graf kan op aanvraag van de rechthebbende worden overgeschreven ten name van de echtgenoot of levenspartner of een bloedverwant of aanverwant tot en met de derde graad. Overschrijving op verzoek van de rechthebbende ten name van een ander dan de vorengenoemde personen is slechts mogelijk als daarvoor gewichtige redenen bestaan.

  • 2. Na het overlijden van de rechthebbende kan het eigen graf worden overgeschreven op naam van de echtgenoot of levenspartner of een bloed- of aanverwant tot en met de derde graad, mits de aanvraag hiertoe wordt gedaan binnen één jaar na het overlijden van de rechthebbende. Overschrijving ten name van een ander dan de in de vorige zin bedoelde personen is slechts mogelijk, als daarvoor gewichtige redenen bestaan.

  • 3. Als na het overlijden van de rechthebbende de aanvraag tot overschrijving aan het college niet wordt gedaan binnen de in het tweede lid van dit artikel gestelde termijn, dan is het college bevoegd het recht op het eigen graf te laten vervallen.

  • 4. Na het verstrijken van de in het tweede lid genoemde termijn van één jaar kan het college het eigen graf alsnog op naam stellen van een nieuwe rechthebbende, tenzij dit recht betrekking heeft op een eigen graf dat intussen is geruimd.

Artikel 3.6.3.8 Afstand doen van graven

Zonder aanspraak te kunnen maken op enige vergoeding kan de rechthebbende schriftelijk afstand doen ten behoeve van de gemeente van het recht op het eigen graf. De ontvangst van deze verklaring deelt het college schriftelijk mede aan de rechthebbende.

Paragraaf 3.6.4 Grafbedekkingen

Artikel 3.6.4.1 Vergunning grafbedekking

  • 1. Voor een grafbedekking is een vergunning nodig van het college.

  • 2. De rechthebbende van een eigen graf vraagt de vergunning voor het hebben van een grafbedekking aan.

  • 3. Het college kan de vergunning weigeren als:

    • a.

      niet wordt voldaan aan de door hen vastgestelde nadere regels;

    • b.

      de grafbedekking afbreuk doet aan het aanzien van de begraafplaats;

    • c.

      de duurzaamheid van de materialen onvoldoende is;

    • d.

      de constructie van de grafbedekking ondeugdelijk is.

  • 4. Het bepaalde in artikel 3.6.4.4, vierde lid is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.6.4.2 Niet-blijvende grafbeplanting

  • 1. Niet-blijvende beplanting op een graf die in een verwaarloosde staat verkeert kan door de beheerder worden verwijderd zonder dat aanspraak kan worden gemaakt op schadevergoeding.

  • 2. Losse bloemen, planten, kransen en dergelijke kunnen, als zij verwelkt zijn, door de beheerder worden verwijderd.

  • 3. Linten, siervazen en dergelijke voorwerpen worden gedurende twaalf weken ter beschikking gehouden van de rechthebbende als deze daartoe tevoren een aanvraag heeft ingediend bij de beheerder.

Artikel 3.6.4.3 Verwijdering grafbedekking

  • 1. De grafbedekking kan na het verstrijken van de graftermijn door het college worden verwijderd.

  • 2. Het voornemen tot verwijdering van de grafbedekking wordt gedurende ten minste één jaar voorafgaande aan het tijdstip waarop de grafbedekking zal worden verwijderd door middel van een op het te ruimen graf te plaatsen bordje door het college bekendgemaakt, tenzij het adres van de rechthebbende bij het college bekend is. In dat geval maakt zij aan hem uiterlijk één jaar voor het genoemde tijdstip per brief hun voornemen bekend.

  • 3. Op grond van een daartoe door de rechthebbende bij het college ingediende aanvraag, blijft de grafbedekking na verwijdering nog gedurende twaalf weken ter beschikking van degene aan wie een vergunning als bedoeld in artikel 3.6.4.1 van deze Verordening was verleend. De aanvraag kan worden ingediend gedurende de in het tweede lid genoemde termijn.

  • 4. De grafbedekking vervalt aan de gemeente als:

    • a.

      geen verzoek op grond van het derde lid is ingediend en de termijn waarbinnen dit verzoek had kunnen worden ingediend is verstreken;

    • b.

      de grafbedekking niet binnen drie maanden nadat deze van het graf is verwijderd, is afgehaald.

Artikel 3.6.4.4 Onderhoud door rechthebbende

  • 1. De rechthebbende is verplicht de grafbedekking behoorlijk te onderhouden of te herstellen.

  • 2. Als hij nalaat de grafbedekking behoorlijk te onderhouden of te herstellen, kan het college de hiervoor in aanmerking komende voorwerpen of zo nodig de hele grafbedekking laten verwijderen. Het verwijderde blijft gedurende twaalf weken ter beschikking van de rechthebbende en vervalt daarna aan de gemeente, zonder dat deze tot enige vergoeding verplicht is.

  • 3. De verwijdering vindt niet plaats dan nadat de rechthebbende behoorlijk per brief is opgeroepen om te worden ingelicht over de toestand van de grafbedekking. De oproeping geschiedt door mededeling op het mededelingenbord op de begraafplaats als het adres van de rechthebbende niet bekend is. Bij het graf wordt een verwijzing naar de mededeling aangebracht.

  • 4. Het college kan de rechthebbende per aanschrijving verplichten een beschadiging aan de grafbedekking te herstellen als de beschadiging zodanig is dat deze naar het oordeel van het college het uiterlijk aanzien van de begraafplaats schaadt of als de beschadiging van de grafbedekking gevaar oplevert voor derden.

Artikel 3.6.4.5 Onderhoud door gemeente

Het college voorziet in het schoonhouden en het na verzakking opnieuw stellen van het gedenkteken en in de zorg voor de winterharde beplantingen.

Paragraaf 3.6.5 Ruiming van graven, urnengraven en urnennissen

Artikel 3.6.5.1 Ruiming, bezorging van overblijfselen en as

  • 1. Het voornemen van het college om een graf te ruimen wordt gedurende ten minste één jaar voorafgaande aan het tijdstip waarop het graf geruimd zal worden door middel van een bij het te ruimen graf te plaatsen bordje ter kennis van de belanghebbenden gebracht, tenzij het adres van de rechthebbende op het graf aan hen bekend is. In dat geval deelt het college mede wanneer de termijn van uitgifte verstrijkt. Als de rechthebbende geen verzoek indient om de termijn te verlengen, maakt het college uiterlijk één jaar voor het genoemde tijdstip per brief het voornemen tot ruiming bekend.

  • 2. De bij de ruiming van het graf nog aanwezige overblijfselen van lijken worden begraven en de as wordt verstrooid op een van de daartoe bestemde, afgesloten gedeelten van de begraafplaats.

  • 3. Nabestaanden van een overledene die is begraven in een algemeen graf kunnen gedurende de in het eerste lid bedoelde termijn bij de beheerder een aanvraag indienen om bij ruiming de overblijfselen, indien mogelijk, bijeen te doen brengen voor herbegraving elders.

  • 4. Nabestaanden van een overledene waarvan een asbus al of niet met een urn is bijgezet in een algemeen graf kunnen bij de beheerder een aanvraag indienen om deze ter beschikking te houden voor herbegraving of verstrooiing elders.

  • 5. De rechthebbende op een eigen graf, kan bij de beheerder een aanvraag indienen om de overblijfselen te verzamelen om deze opnieuw in dezelfde grafruimte te plaatsen of om deze elders opnieuw te doen begraven.

  • 6. De rechthebbende op een eigen urnengraf of urnennis kan bij de beheerder een aanvraag indienen de asbus ter beschikking te houden om elders bij te zetten of om de as te verstrooien.

Paragraaf 3.6.6 Instandhouden historische graven en opvallende grafbedekking

Artikel 3.6.6.1 Register historische graven en opvallende grafbedekking

  • 1. Het college houdt een register bij van graven die van historische betekenis zijn of waarvan de grafbedekking een opvallende kwaliteit heeft.

  • 2. Voordat tot ruiming van graven wordt overgegaan onderzoekt het college of er graven zijn die in aanmerking komen om in het register te worden bijgeschreven.

  • 3. De gemeenteraad beslist over het ruimen van graven en het verwijderen van grafbedekkingen die in het in het eerste lid bedoelde register staan.

Paragraaf 3.6.7 Inrichting register begraven/asbezorging

Artikel 3.6.7.1 Voorschriften

  • 1. Het college stelt voorschriften vast voor het register van de begraven lijken en de bezorgde as.

  • 2. Het register wordt bijgehouden door de beheerder.

Hoofdstuk 3.7 Bescherming van het milieu, waardevolle natuur en uiterlijk aanzien van de gemeente

Paragraaf 3.7.1 Geluidhinder en verlichting

Artikel 3.7.1.1 Definities

In deze paragraaf wordt in afwijking van de in bijlage 1 opgenomen begrippenlijst verstaan onder inrichting hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, waarbij geldt dat de artikelen 3.7.1.2 tot en met 3.7.1.4 van deze Verordening uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Artikel 3.7.1.2 Collectieve festiviteiten

  • 1. De geluidnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 3.7.1.4 van deze verordening, gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten én voor de volgende dagen:

    • -

      Nieuwjaarsdag, 1 januari;

    • -

      de carnavalsdagen van carnavalsvrijdag tot en met carnavalswoensdag;

    • -

      Eerste en Tweede Paasdag;

    • -

      Koningsnacht/-dag;

    • -

      Bevrijdingsdag;

    • -

      Hemelvaartsdag;

    • -

      Eerste en Tweede Pinksterdag;

    • -

      Eerste en Tweede Kerstdag;

    • -

      Oudejaarsavond 31 december, en

    • -

      de dagen waarop kermis wordt georganiseerd door de Stichting Traditionele kermisorganisatie in de desbetreffende kern van de gemeente Leudal.

  • 2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen en kernen.

  • 3. Het college maakt de aanwijzing uiterlijk vier weken voor het begin van een kalenderjaar bekend.

  • 4. Het college kan een festiviteit onmiddellijk aanwijzen als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste en tweede lid, als deze redelijkerwijs niet te voorzien was.

  • 5. Het geluidniveau voor versterkte muziek van de geluidbronnen mag tot de eindtijd van het evenement niet meer bedragen dan:

    • -

      85 dB(A) voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT );

    • -

      99 dB(C) voor bastonen, en

    • -

      102 dB(A) voor het maximaal geluidsniveau (LAmax).

  • 6. Bij de meting van muziekgeluid wordt geen gevelreflectiecorrectie toegepast.

  • 7. Op de dagen, als bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van muziek hoger dan de geluidnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 3.7.1.4 van deze Verordening, uiterlijk beëindigd om 02:00 uur in een horecabedrijf en 01:30 uur in een feesttent en in de openlucht.

Artikel 3.7.1.3 Incidentele festiviteiten

  • 1. Het is een inrichting toegestaan maximaal zes dagen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidnormen, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 3.7.1.4 van deze Verordening, niet van toepassing zijn. Dit mag echter alleen als de houder van de inrichting dit minstens twee weken voor het begin van de festiviteit schriftelijk meldt bij het college via het daarvoor door het college vastgestelde meldformulier.

  • 2. Het is een inrichting toegestaan om maximaal 12 dagen per kalenderjaar in verband met incidentele festiviteiten de verlichting aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing is. Dit mag echter alleen als de houder van de inrichting dit minstens twee weken het begin van de festiviteit schriftelijk meldt via het daarvoor door het college vastgestelde meldformulier.

  • 3. De melding is gedaan als het meldformulier, volledig en naar waarheid ingevuld, op tijd is ingeleverd op de plaats op het formulier vermeld.

  • 4. De melding is gedaan als het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit die redelijkerwijs niet te voorzien was, onmiddellijk toestaat.

  • 5. Het geluidniveau voor versterkte muziek van de geluidsbronnen mag tot de eindtijd van het evenement niet meer bedragen dan:

    • a.

      85 dB(A) voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT );

    • b.

      99 dB(C) voor bastonen, en

    • c.

      102 dB(A) voor het maximaal geluidsniveau (LAmax).

  • 6. Bij de meting van muziekgeluid wordt geen gevelreflectiecorrectie toegepast.

  • 7. Op de dagen, als bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van muziek hoger dan de geluidnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 3.7.1.4 van deze Verordening, uiterlijk beëindigd om 02:00 uur in een horecabedrijf en 01:30 uur in een feesttent en in de openlucht.

  • 8. De geluidnorm als bedoeld in het vijfde lid, geldt alleen voor het bebouwde gedeelte van de inrichting.

  • 9. Bij het ten gehore brengen van muziek blijven ramen en deuren gesloten, behalve voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

Artikel 3.7.1.4 Onversterkte muziek

  • 1. Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek, als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onder f en vijfde lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer, binnen inrichtingen, is de in dit lid opgenomen tabel van toepassing, waarbij geldt dat:

    • a.

      de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet van toepassing zijn als de gebruiker van deze gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren van geluidmetingen;

    • b.

      de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein;

    • c.

      de waarden binnen in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, van toepassing zijn in geluidgevoelige ruimten en verblijfsruimten;

    • d.

      bij het bepalen van de geluidniveaus als vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast;

Tabel 3.7.1.4

7.00 – 19.00 uur

19.00 – 23.00 uur

23.00 – 7.00 uur

LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen

50 dB(A)

45 dB(A)

40 dB(A)

LAr,LT binnen in- en aanpandige gevoelige gebouwen

35 dB(A)

30 dB(A)

25 dB(A)

LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen

70 dB(A)

65 dB(A)

60 dB(A)

LAmax binnen in- en aanpandige gevoelige gebouwen

55 dB(A)

50 dB(A)

45 dB(A)

  • 2. Onversterkte muziek afkomstig van het oefenen door muziekgezelschappen in een inrichting is gedurende zes uur in de week uitgezonderd van de genoemde geluidniveaus in het eerste lid.

  • 3. Als versterkte muziek wordt gecombineerd met onversterkte muziek, wordt het samenspel beschouwd als versterkte muziek en zijn de geluidnormen van het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing.

  • 4. Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in de artikelen 3.7.1.2 en 3.7.1.3.

Artikel 3.7.1.5 Overige geluidhinder

  • 1. Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

  • 2. Bij de beoordeling of sprake is van geluidhinder gelden de geluidsnormen in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. De beoordeling vindt plaats aan de hand van de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai, 1999.

  • 3. Het college kan een vergunning verlenen om af te wijken van het in het eerste lid bedoelde verbod.

  • 4. Op de vergunningaanvraag is paragraaf 4.1.3.3 van de Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Paragraaf 3.7.2 Bodem-, weg- en milieuverontreiniging

Artikel 3.7.2.1 Natuurlijke behoefte doen

Het is verboden op een openbare plaats de natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.

Artikel 3.7.2.2 Toestand van sloten, andere wateren, niet openbare riolen en putten buiten gebouwen

Sloten, andere wateren, niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die hindert, gevaar oplevert voor de openbare veiligheid of nadeel voor de gezondheid.

Artikel 3.7.2.3 Oplaten ballonnen

Het is verboden ballonnen, door middel van hete lucht afkomstig van vuur of gassen te laten opstijgen.

Paragraaf 3.7.3 Handelingen met houtopstanden

Artikel 3.7.3.1 Omgevingsvergunning voor vellen houtopstanden

  • 1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag de houtopstanden te (laten) vellen die staan vermeld op de door het college vastgestelde bomenlijst.

  • 2. In aanvulling op de artikelen 1.1.8 en 1.1.9 van deze Verordening kan de vergunning worden geweigerd op grond van de:

    • a.

      natuurwaarde van de houtopstand;

    • b.

      landschappelijke waarde van de houtopstand;

    • c.

      waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;

    • d.

      beeldbepalende waarde van de houtopstand;

    • e.

      cultuurhistorische waarde van de houtopstand, of

    • f.

      waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand.

  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing als de burgemeester vergunning verleent voor het vellen van een houtopstand in verband met een spoedeisend belang voor de openbare orde of een direct gevaar voor personen of goederen.

  • 4. Het bevoegd gezag kan een herplantplicht opleggen en daaraan voorschriften verbinden.

Artikel 3.7.3.2 Afstand tot erfgrens

De geoorloofde minimale afstand tot de erfgrens is voor bomen langs openbare wegen 0,5 meter en voor heesters alsmede heggen, nul meter.

Paragraaf 3.7.4 Maatregelen tegen reclame

Artikel 3.7.4.1 Hinderlijke of gevaarlijke reclame

Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken door middel van letters, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving.

Paragraaf 3.7.5 Kamperen buiten kampeerterreinen

Artikel 3.7.5.1 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen

  • 1. Het is verboden zonder vergunning van het college ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen en geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan is bestemd.

  • 2. Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende van het terrein en voor het plaatsen van een paraplu of karpertentje ten behoeve van het nachtvissen.

  • 3. In aanvulling op de artikelen 1.1.8 en 1.1.9 van deze Verordening kan de vergunning worden geweigerd in het belang van de bescherming van:

    • a.

      natuur en landschap, of

    • b.

      het uiterlijk aanzien van de gemeente.

Hoofdstuk 3.8 Markten

Paragraaf 3.8.1 Standplaatsen

Artikel 3.8.1.1 Standplaatsvergunning

  • 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.

  • 2. In aanvulling op het bepaalde in de artikelen 1.1.8 en 1.1.9 van deze Verordening kan de vergunning worden geweigerd als:

    • a.

      de standplaats hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of

    • b.

      in de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de standplaatsvergunning voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt, als gevolg van bijzondere omstandigheden.

  • 3. Op de vergunningaanvraag is paragraaf 4.1.3.3 van de Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 3.8.1.2 Verbod standplaatsfacilitering rechthebbende

Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunningstandplaats wordt of is ingenomen.

Paragraaf 3.8.2 Snuffelmarkten

Artikel 3.8.2.1 Organiseren snuffelmarkt

  • 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een snuffelmarkt te organiseren.

  • 2. Het verbod is niet van toepassing op ruimten die uitsluitend of nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet.

Hoofdstuk 3.9 Stoken van vuur

Artikel 3.9.1 Verbod verbranden afvalstoffen buiten inrichtingen of op andere wijze stoken van vuur

  • 1. Het is verboden zonder vergunning van het college in de open lucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of op een andere wijze vuur aan te leggen, stoken of hebben.

  • 2. Als geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op:

    • a.

      verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;

    • b.

      sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, als geen afvalstoffen worden verbrand;

    • c.

      vuur voor koken, bakken en braden.

  • 3. In aanvulling op het bepaalde de artikelen 1.1.8 en 1.1.9 van deze Verordening kan de vergunning worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.

  • 4. Op de vergunningaanvraag bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Awb (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Hoofdstuk 3.10 Afvalstoffen (voorheen: Afvalstoffenverordening Leudal 2018)

Paragraaf 3.10.1 Algemeen

Artikel 3.10.1.1 Begrippen

In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt in afwijking van hetgeen in bijlage 1 is bepaald verstaan onder:

  • -

    perceel: perceel waar geregeld huishoudelijke afvalstoffen kunnen ontstaan.

Artikel 3.10.1.2 Doelstelling

De toepassing van dit hoofdstuk is gericht op de bescherming van het milieu, inclusief een doelmatig beheer van afvalstoffen.

Hoofdstuk 3.10.2 Huishoudelijke afvalstoffen

Artikel 3.10.2.1 Aanwijzing van de inzameldienst

  • 1. Het college wijst de inzameldienst aan die is belast met de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen.

  • 2. Aan de aanwijzing kunnen voorschriften worden verbonden.

  • 3. Paragraaf 4.1.3.3 van de Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissing) is niet van toepassing.

Artikel 3.10.2.2 Regulering van andere inzamelaars

  • 1. Het is anderen dan de inzameldienst verboden huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen, tenzij de inzamelaar:

    • a.

      daartoe is aangewezen door het college, of

    • b.

      bij nadere regels van het college van het verbod is vrijgesteld.

  • 2. Op de aanwijzing van een inzamelaar, bedoeld in het eerste lid, onder a, is artikel 3.10.2.1, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.10.2.3 Aanwijzing van inzamelplaats

Het college wijst een plaats aan waar in voldoende mate gelegenheid wordt geboden om (grove) huishoudelijke afvalstoffen achter te laten. Van de aanwijzing wordt afgezien als op gelijke wijze gebruik kan worden gemaakt van een dergelijke plaats in een andere gemeente waarmee Leudal samenwerkt.

Artikel 3.10.2.4 Algemene verboden

Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen:

  • a.

    ter inzameling aan te bieden aan een ander dan de inzameldienst of een inzamelaar als bedoeld in artikel 3.10.2.2, eerste lid van deze Verordening;

  • b.

    over te dragen aan een ander dan een inzamelaar als bedoeld in artikel 3.10.2.2, eerste lid van deze Verordening, of

  • c.

    achter te laten op een andere plaats dan de inzamelplaats, bedoeld in artikel 3.10.2.3 van deze Verordening.

Artikel 3.10.2.5 Afvalscheiding

  • 1. Het college stelt nadere regels over de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen die afzonderlijk door de inzameldienst worden ingezameld, over de frequentie van de inzameling van elk van deze bestanddelen, en over de locaties van deze inzameling bij of nabij elk perceel.

  • 2. In ieder geval worden de volgende bestanddelen huishoudelijke afvalstoffen afzonderlijk ingezameld:

    • a.

      asbest en asbesthoudend afval;

    • b.

      autobanden;

    • c.

      bouw- en sloopafval;

    • d.

      (afgedankte) elektrische of elektronische apparatuur;

    • e.

      glas;

    • f.

      groente-, fruit- en tuinafval;

    • g.

      grof huishoudelijk afval;

    • h.

      grof tuinafval;

    • i.

      huishoudelijk restafval;

    • j.

      klein chemisch afval;

    • k.

      kunststof verpakkingsmateriaal samen met drinkkartons en metalen verpakkingen (PMD);

    • l.

      metaalschroot;

    • m.

      papier en karton;

    • n.

      textiel;

    • o.

      (verduurzaamd) hout;

    • p.

      vlakglas.

  • 3. In het belang van een doelmatig afvalstoffenbeheer kan het college de aanwijzing van afzonderlijk in te zamelen bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen, bedoeld in het tweede lid, of fracties daarvan, achterwege laten.

Artikel 3.10.2.6 Gescheiden aanbieding

  • 1. Het is verboden de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen, bedoeld in artikel 3.10.2.5 van deze Verordening, anders dan afzonderlijk:

    • a.

      ter inzameling aan te bieden;

    • b.

      achter te laten op een inzamelplaats, bedoeld in artikel 3.10.2.3 van deze Verordening.

  • 2. Het college kan nadere regels stellen. Deze regels kunnen voor categorieën van gevallen of personen een vrijstelling inhouden van het verbod, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.10.2.7 Tijdstip van aanbieding

Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen voor inzameling aan te bieden anders dan op de door het college daartoe bepaalde dag en tijden. Deze kunnen voor verschillende bestanddelen verschillend worden vastgesteld.

Artikel 3.10.2.8 Wijze en plaats van aanbieding

  • 1. Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan in overeenstemming met de door het college stellen regels over het gebruik van:

    • a.

      inzamelmiddelen voor het aanbieden ter inzameling bij een perceel;

    • b.

      inzamelvoorzieningen voor het aanbieden ter inzameling nabij een perceel.

  • 2. Het is verboden om een inzamelmiddel na afloop van de tijden, bedoeld in artikel 3.10.2.7 van deze Verordening, buiten een perceel te laten staan.

  • 3. Het college kan nadere regels stellen voor categorieën van percelen. Deze regels kunnen een vrijstelling van het verbod inhouden.

Artikel 3.10.2.9 Verbod op het voor inzameling aanbieden huishoudelijke afvalstoffen door anderen dan gebruikers van percelen

  • 1. Het is anderen dan gebruikers van percelen verboden om huishoudelijke afvalstoffen of bestanddelen daarvan voor inzameling aan te bieden.

  • 2. Het is aan personen, die geen woon – of verblijfplaats hebben in de gemeente, verboden huishoudelijke afvalstoffen voor inzameling over te dragen, aan te bieden of achter te laten.

Paragraaf 3.10.3 Bedrijfsafvalstoffen

Artikel 3.10.3.1 Inzameling bedrijfsafvalstoffen door inzameldienst

Het college kan bestanddelen van bedrijfsafvalstoffen aanwijzen die worden ingezameld door de inzameldienst die is aangewezen krachtens artikel 3.10.2.1 van deze Verordening, in gevallen waarin de voor deze inzameling krachtens de Verordening afvalstoffenheffing 20XX verschuldigde heffing is voldaan.

Artikel 3.10.3.2 Aanbieden voor inzameling bedrijfsafvalstoffen

  • 1. Het is verboden anders dan in overeenstemming met artikel 3.10.3.1 van deze Verordening bedrijfsafvalstoffen voor inzameling door de inzameldienst aan te bieden of aan de inzameldienst over te dragen.

  • 2. Het college kan nadere regels stellen voor het houden van pilot projecten in het kader van afvalpreventie en afvalscheiding voor scholen, gemeenschapshuizen of (sport)verenigingen. Deze regels kunnen een vrijstelling van het verbod, bedoeld in het eerste lid, inhouden.

Artikel 3.10.3.3 Regeling inzameling bedrijfsafvalstoffen

  • 1. Het is verboden bedrijfsafvalstoffen voor inzameling aan te bieden anders dan in overeenstemming met de door het college te stellen regels over de dagen, tijden, wijzen en plaatsen van inzameling van de krachtens artikel 3.10.3.1 van deze Verordening aangewezen bedrijfsafvalstoffen.

  • 2. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbieden of overdragen van bedrijfsafvalstoffen. Deze regels kunnen mede worden vastgesteld voor anderen dan de inzameldienst. Deze regels kunnen een vrijstelling van het verbod, bedoeld in het eerste lid, inhouden.

Paragraaf 3.10.4 Zwerfafval en overige

Artikel 3.10.4.1 Dumpverbod

  • 1. Het is verboden zonder vergunning van het college, buiten een inrichting, hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu te veroorzaken, door een afvalstof, een stof of een voorwerp op of in de bodem te brengen, storten, houden, achter te laten of anderszins daar te plaatsen.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a.

      het aanbieden, overdragen of achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen in overeenstemming met deze Verordening;

    • b.

      het composteren van huishoudelijk groente-, fruit- of tuinafval op het perceel waar dit is ontstaan;

    • c.

      het laden, lossen of vervoeren van afvalstoffen, inclusief daarbij niet te vermijden plaatsing van afvalstoffen, stoffen of voorwerpen op de weg.

  • 3. Als de overtreder van het bepaalde in dit artikel onbekend is, wordt de persoon tot wie de aangetroffen afvalstof, stof of voorwerp kan worden herleid, geacht te hebben gehandeld in strijd met dit artikel.

Artikel 3.10.4.2 Zwerfafval in openbare ruimte

  • 1. Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen van beperkte omvang en gewicht die zijn ontstaan buiten een perceel, achter te laten in de openbare ruimte, anders dan in daartoe bestemde afvalbakken of andere middelen ter inzameling van deze afvalstoffen.

  • 2. Reclamedrukwerk, ander promotiemateriaal en de verpakking daarvan, die in strijd met het eerste lid in de openbare ruimte wordt weggeworpen of achtergelaten, wordt onmiddellijk opgeruimd door degene die het in de desbetreffende omgeving onder het publiek verspreidde.

  • 3. Het is verboden zwerfafval te veroorzaken door voor inzameling gereedstaande afvalstoffen of inzamelmiddelen te doorzoeken of te verspreiden, te stoten, te schoppen, omver te werpen of door deze anderszins te behandelen, met uitzondering van opruimen.

Artikel 3.10.4.3 Zwerfafval rondom inrichtingen

  • 1. Degene die een inrichting drijft waar eet- of drinkwaren worden verkocht die ter plaatse kunnen worden genuttigd draagt zorg voor de aanwezigheid in of nabij de inrichting, van een steeds voor gebruik door het publiek beschikbare en tijdig geleegde afvalbak of soortgelijk middel voor het houden van afval.

  • 2. Degene die de inrichting drijft verwijdert zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, afval of andere materialen die kennelijk uit de inrichting afkomstig zijn of voor de inrichting zijn bestemd binnen een straal van ten minste 25 meter van de inrichting.

Artikel 3.10.4.4 Afval en verontreiniging op de weg

  • 1. Het is verboden een weg te verontreinigen of het milieu nadelig te beïnvloeden door afvalstoffen, stoffen of voorwerpen te laden, lossen, vervoeren dan wel andere werkzaamheden te verrichten.

  • 2. Degene, of diens opdrachtgever, die in strijd met het eerste lid de weg verontreinigt of het milieu nadelig beïnvloedt, zorgt onmiddellijk na de beëindiging van de werkzaamheden van die dag voor het reinigen van de weg, of zoveel eerder als nodig is om de veiligheid van het verkeer of de bescherming van het wegdek te verzekeren.

Artikel 3.10.4.5 Geen opslag van afval in de open lucht

Het is verboden afvalstoffen op een voor het publiek waarneembare plaats in de open lucht en buiten een inrichting als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer op te slaan of opgeslagen te hebben, anders dan door het in overeenstemming met paragraaf 3.10.2 van deze Verordening aanbieden of overdragen van huishoudelijke afvalstoffen.

Artikel 3.10.4.6 Ontdoen van autowrakken

Het is verboden zich te ontdoen van een autowrak dat afkomstig is van een perceel, anders dan door afgifte aan een inrichting als bedoeld in artikel 6 van het Besluit beheer autowrakken.

Hoofdstuk 3.11 Planschadeprocedure (voorheen: Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade 2008)

Artikel 3.11.1 Definities

In dit hoofdstuk wordt aanvullend op de in bijlage 1 opgenomen begrippenlijst verstaan onder:

  • -

    aanvrager: degene die een aanvraag om tegemoetkoming in de schade als bedoeld in artikel 6.1 Wet ruimtelijke ordening indient;

  • -

    adviseur: de door het college aan te wijzen of aangewezen persoon of commissie, die geen deel uitmaakt van of werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het college en die belast is met de advisering over de op de aanvraag te nemen beschikking;

  • -

    adviescommissie: schadebeoordelingscommissie als bedoeld in artikel 3.11.3, van deze Verordening;

  • -

    derde-belanghebbende: degene als bedoeld in artikel 6.4a Wet ruimtelijke ordening die heeft verzocht om voor de verwezenlijking van een project bepalingen in een bestemmingsplan, een daaraan voorafgaand projectbesluit of een besluit als bedoeld in artikel 3.40, eerste lid Wet ruimtelijke Ordening, daaronder begrepen, op te nemen, te wijzigen dan wel daarvan af te wijken;

  • -

    drempelbedrag: recht als bedoeld in artikel 6.4 Wet ruimtelijke ordening;

  • -

    wet: Wet ruimtelijke ordening.

Artikel 3.11.2 Opdrachtverstrekking

Binnen twaalf weken na het verstrijken van de termijnen als bedoeld in artikel 6.1.3.1 Besluit ruimtelijke ordening verstrekt het college aan één of meer adviseurs gezamenlijk, opdracht om over een aanvraag advies uit te brengen, tenzij toepassing wordt gegeven aan artikel 6.1.3.1 Besluit ruimtelijke ordening of artikel 4:5 Awb.

Artikel 3.11.3 Adviseur of adviescommissie

  • 1. Voor het advies over de op de aanvraag te nemen beschikking wordt door het college een adviseur aangewezen die beschikt over voldoende deskundigheid inzake advisering op het gebied van planschade.

  • 2. Het college kan na advies van de in het eerste lid bedoelde adviseur, een tweede adviseur aanwijzen die deskundig is op het gebied van waardering van onroerende zaken en waardevermindering als gevolg van planologische verslechtering, als de aanvraag betrekking heeft op planschade vanwege waardevermindering van onroerende zaken en, gezien de complexiteit, aard en/of omvang, daartoe behoefte bestaat.

  • 3. Het college kan na advies van de in het eerste lid bedoelde adviseur, een tweede adviseur aanwijzen die deskundig is op het gebied van accountancy of van financieel economische bedrijfsvoering, als de aanvraag betrekking heeft op planschade vanwege inkomensderving en, gezien de complexiteit, aard en/of omvang, daartoe behoefte bestaat.

  • 4. Bij aanwijzing van meer adviseurs vormen deze een adviescommissie, waarvan de in het eerste lid bedoelde adviseur voorzitter is.

  • 5. De adviescommissie wijst uit haar midden een rapporteur aan.

Artikel 3.11.4 Onafhankelijkheid

De adviseur mag niet werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van de raad. Eveneens mag een adviseur niet betrokken zijn geweest bij de planologische maatregel waarop de aanvraag betrekking heeft.

Artikel 3.11.5 Betrokkenheid aanvrager en andere belanghebbenden bij aanwijzing adviseur of adviescommissie

  • 1. Voordat het college de adviesopdracht verstrekt zoals bedoeld in artikel 3.11.2 van deze Verordening, stelt hij de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen en de derde-belanghebbenden op de hoogte van de aanwijzing van:

  • a.

    een adviseur als bedoeld in artikel 3.11.3, eerste lid van deze Verordening, of

  • b.

    meer adviseurs als bedoeld in artikel 3.11.3, vijfde lid van deze Verordening.

  • 2. De aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen en de derde-belanghebbenden kunnen binnen twee weken na de mededeling als bedoeld in het eerste lid schriftelijk en voldoende gemotiveerd een verzoek tot wraking van één of meer adviseurs indienen bij het college.

  • 3. Het college beslist binnen twee weken na het verstrijken van de in het tweede lid bedoelde termijn over een ingediend verzoek tot wraking van één of meer adviseurs.

Artikel 3.11.6 Werkwijze adviseur en adviescommissie

  • 1. Het college stelt aan de adviseur of de adviescommissie alle op de aanvraag betrekking hebbende informatie ter beschikking.

  • 2. Het college wijst uit de ambtelijke organisatie één of meer personen aan die de adviseur en adviescommissie bij de uitvoering van de adviesopdracht bijstaat of bijstaan.

  • 3. De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie organiseert één of meer hoorzittingen, waarin de betrokkenen in ieder geval de gelegenheid krijgen hun standpunt toe te lichten.

  • 4. De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie kan de situatie ter plaatse bezichtigen. In dat geval bepaalt de adviseur of de voorzitter van de adviescommissie het tijdstip van de plaatsopneming waarvoor de aanvrager wordt uitgenodigd.

  • 5. Van de in het derde lid bedoelde hoorzitting en van de taxatie wordt door of onder verantwoordelijkheid van de adviseur of de voorzitter van de adviescommissie een verslag gemaakt, dat onderdeel vormt van het uit te brengen advies.

  • 6. Voordat wordt geadviseerd zendt de adviseur of de adviescommissie binnen zestien weken na dagtekening van de adviesopdracht een concept daarvan aan het college, de aanvrager, andere betrokken bestuursorganen en derde-belanghebbenden. De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie kan deze termijn onder opgaaf van redenen met maximaal vier weken verlengen.

  • 7. Het college, de aanvrager, andere betrokken bestuursorganen en derde-belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na toezending van het conceptadvies schriftelijk hierop te reageren.

  • 8. Als binnen de gestelde termijn reacties zijn ingediend, brengt de adviseur of de adviescommissie binnen vier weken na het verstrijken van de in het zevende lid bedoelde termijn, een advies uit aan het college, waarbij de reacties zijn betrokken.

  • 9. Als geen of niet op tijd reacties zijn ingediend, brengt de adviseur of de adviescommissie binnen twee weken na het verstrijken van de in het zevende lid bedoelde termijn een advies uit aan het college.

Hoofdstuk 3.12 Commissie ruimtelijke kwaliteit (voorheen: Verordening commissie ruimtelijke kwaliteit gemeente Leudal)

Paragraaf 3.12.1 Algemene bepalingen

Artikel 3.12.1.1 Definities

In dit hoofdstuk wordt aanvullend op de in bijlage 1 opgenomen begrippenlijst verstaan onder:

  • -

    de commissie: de commissie ruimtelijke kwaliteit Leudal, bestaande uit onafhankelijke deskundigen als bedoeld in artikel 8, vijfde lid van de Woningwet en de commissie op het gebied van de monumentenzorg, als bedoeld in artikel 15, eerste lid van de Monumentenwet.

Paragraaf 3.12.2 Bevoegdheden, samenstelling en benoeming commissie

Artikel 3.12.2.1 Bevoegdheden

  • 1. De commissie is bevoegd het college te adviseren over:

    • a.

      de toepassing van voorschriften met betrekking tot welstand, naar aanleiding van een verzoek door of namens het college;

    • b.

      de toepassing van voorschriften met betrekking tot monumentenzorg, naar aanleiding van een verzoek door of namens het college;

    • c.

      aspecten van (beleids)voornemens waarbij de ruimtelijke - stedenbouwkundige kwaliteitszorg, het welstandstoezicht of de monumentenzorg in het geding zijn.

  • 2. Het college vraagt in beginsel geen advies aan de commissie over een aanschrijving met betrekking tot het uiterlijk aanzien van een bouwwerk of standplaats, waarvoor geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, aanhef en onder a Wabo is verleend en het desbetreffende bouwwerk of de standplaats een welstandsexces vormt.

  • 3. In de gevallen dat tegen het besluit tot aanschrijving als bedoeld in het eerste lid door een belanghebbende bezwaar is gemaakt op grond van artikel 7:1 van de Awb, kan het college de commissie een advies vragen.

Artikel 3.12.2.2 Samenstelling

  • 1. De commissie bestaat uit tenminste twee leden, waarvan één voorzitter.

  • 2. De commissie is tenminste deskundig op het gebied van de architectuur, stedenbouw en monumentenzorg.

  • 3. Op afroep kunnen plaatsvervangende leden en/of deskundige adviseurs met aanvullende disciplines worden toegevoegd aan de commissie.

  • 4. De commissie regelt de vervanging van de voorzitter.

Artikel 3.12.2.3 Benoeming, schorsing en ontslag

De leden van de commissie worden benoemd en ontslagen door het college.

Artikel 3.12.2.4 Secretaris

  • 1. De secretaris van de commissie is een door het college aangewezen ambtenaar.

  • 2. Het college wijzen één of meer plaatsvervangers van de secretaris aan.

Artikel 3.12.2.5 Zittingsduur

  • 1. Een voorzitter of ander lid van de commissie kan voor een termijn van maximaal drie jaar worden benoemd in de commissie.

  • 2. In afwijking van het gestelde in het eerste lid kunnen de leden één keer worden herbenoemd voor een periode van drie jaar.

  • 3. De leden van de commissie blijven bij het verstrijken van de in het eerste en tweede lid genoemde benoemingstermijn hun functie vervullen totdat in de opvolging is voorzien.

  • 4. Het college kan een tijdelijke voorziening treffen in het belang van de continuïteit van de samenstelling van de commissie.

Paragraaf 3.12.3 Werkwijze

Artikel 3.12.3.1 Advies

  • 1. Als het college dit nodig vindt, adviseert de commissie of een concept-verzoek dan wel een omgevingsvergunningaanvraag in welstandsplichtige gebieden in strijd is met redelijke eisen van welstand als bedoeld in artikel 12 van de Woningwet.

  • 2. De commissie baseert haar advies op de criteria als bedoeld in artikel 12, eerste lid van de Woningwet.

  • 3. Het college wijst de ambtelijk secretaris van de commissie of diens vervanger aan om namens het college met inachtneming van artikel 6.2 Besluit omgevingsrecht te bepalen of zij het inwinnen van een advies met betrekking tot het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, nodig is.

  • 4. De commissie adviseert het college op verzoek of uit eigen beweging over de toepassing van Hoofdstuk 3.2 van deze Verordening en over de aangelegenheden die van belang zijn voor de behartiging van de monumentenzorg en archeologie.

  • 5. De door het college in de welstandsnota aangewezen categorieën bouwwerken worden namens het college getoetst door de secretaris van de commissie als voor de toets toetscriteria zijn vastgesteld.

  • 6. Als een aanvraag niet voldoet aan de criteria als bedoeld in het eerste lid, wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld zijn aanvraag overeenkomstig de criteria aan te passen.

  • 7. Op verzoek van de aanvrager kan de aanvraag voor advies worden voorgelegd aan de commissie.

Artikel 3.12.3.2 Bijstand

  • 1. De commissie is bevoegd tot het inwinnen van een ambtelijk advies en kan zich met dit doel in haar vergadering laten bijstaan door één of meer ambtenaren dan wel medewerkers, werkzaam in ondergeschiktheid of onder verantwoordelijkheid van het college.

  • 2. De commissie kan verzoeken zich voor het adviseren omtrent complexe bouw- en monumentenplannen op grond van de Wabo, te laten bijstaan door deskundige adviseurs met specifieke kennis op het terrein van de ruimtelijke kwaliteit en de monumentenzorg.

Artikel 3.12.3.3 Onderzoek ter plaatse

  • 1. De commissie kan de planlocatie bezoeken als zij bij de beoordeling van het plan van oordeel is dat de plaatsopname redelijkerwijs nodig is voor de vervulling van haar taak.

  • 2. De plaats en het tijdstip van de plaatsopname worden medegedeeld aan de aanvrager, de ontwerper en belanghebbenden. Bij de mededeling wordt gewezen op de mogelijkheid bij de plaatsopname aanwezig te kunnen zijn.

Artikel 3.12.3.4 Inschakeling commissie

Het college kan over alle plannen met betrekking tot de ruimtelijke kwaliteit advies vragen aan de commissie.

Artikel 3.12.3.5 Onpartijdige behandeling

De voorzitter en de leden van de commissie nemen niet deel aan de behandeling van een (bouw)- of monumentenplan als daarbij de onpartijdigheid of schijn van partijdigheid in het geding kan zijn.

Artikel 3.12.3.6 Wijze van planbeoordeling

  • 1. De commissie beoordeelt het bouwplan op grond van de door de gemeenteraad vastgestelde welstandscriteria.

  • 2. Bij de beoordeling als bedoeld in het eerste lid, handelt de commissie in overeenstemming met de desbetreffende beleidsregels op het gebied van de ruimtelijke en esthetische kwaliteit, als bedoeld in de zin van artikel 4:81 van de Awb.

  • 3. De commissie beoordeelt het monumentenplan op cultuurhistorische, architectuurhistorische of sociaalhistorische belangen. Wat betreft rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten zijn deze belangen beschreven in het rijksmonumentenregister en in de gemeentelijke monumentenbeschrijvingen.

  • 4. Als de commissie vindt dat bijzondere omstandigheden moeten leiden tot afwijking van het gestelde in het tweede lid, dan geeft zij bij het uitbrengen van het advies aan het college schriftelijk en gemotiveerd aan op grond waarvan een afwijking van de beleidsregel gerechtvaardigd is.

Artikel 3.12.3.7 Uitbrengen advies

  • 1. Als maar één commissielid aanwezig kan zijn en géén vervanging mogelijk is, kan dat lid het advies uitbrengen.

  • 2. Als een advies wordt uitgebracht over een monumentenplan moeten ten minste twee leden aanwezig zijn, waarbij ten minste één lid beschikt over deskundigheid op het gebied van monumentenzorg.

  • 3. De commissie motiveert haar advies.

  • 4. Het advies van de commissie aan het college wordt schriftelijk uitgebracht.

  • 5. De secretaris of behandelaar van de aanvraag bericht de aanvrager namens het college over het advies van de commissie.

Paragraaf 3.12.4 Bijzondere bepalingen

Artikel 3.12.4.1 Afwijking van advies

Het college informeert de commissie als wordt afgeweken van diens advies.

Artikel 3.12.4.2 Tweede advies

  • 1. Als het college het oneens is met het advies van de commissie, kan het college een tweede advies vragen aan een andere commissie.

  • 2. Voordat het tweede advies als bedoeld in het eerste lid wordt gevraagd, deelt het college dit mede aan de commissie en de aanvrager.

Artikel 3.12.4.3 Vergoeding

De leden van de commissie ontvangen een door het college vast te stellen vergoeding.

Hoofdstuk 3.13 Kwaliteit uitvoering (voorheen: Verordening kwaliteit vergunningverlening toezicht en handhaving omgevingsrecht Leudal)

Paragraaf 3.13.1 Algemene bepalingen

Artikel 3.13.1.1 Definities

In dit hoofdstuk wordt aanvullend op de in bijlage 1 opgenomen begrippenlijst verstaan onder:

  • -

    betrokken wetten: de wetten bedoeld in artikel 5.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor zover bij of krachtens de genoemde wetten is bepaald dat hoofdstuk 5 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing is;

  • -

    kwaliteitscriteria: de in landelijke samenwerking tussen bevoegde bestuursorganen ontwikkelde en beschikbaar gestelde kwaliteitscriteria voor vergunningverlening, toezicht en handhaving inzake de beschikbaarheid en deskundigheid van organisaties die met de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten zijn belast.

Artikel 3.13.1.2 Reikwijdte

Dit hoofdstuk is van toepassing op de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten door of in opdracht van het bevoegd gezag.

Paragraaf 3.13.2 Kwaliteit

Artikel 3.13.2.1 Betrokkenheid gemeenteraad

De gemeenteraad ziet toe op de hoofdlijnen van het beleid met betrekking tot de kwaliteit van de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten in het licht van de voor de gemeente vastgestelde beleidskaders voor de fysieke leefomgeving.

Artikel 3.13.2.2 Kwaliteitsdoelen

  • 1. Het college beoordeelt de kwaliteit van de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten in het licht van daarvoor door het college krachtens artikel 7.2, eerste lid van het Besluit omgevingsrecht gestelde doelen.

  • 2. De doelen ten aanzien van de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten, hebben in ieder geval betrekking op de:

    • a.

      dienstverlening;

    • b.

      uitvoeringskwaliteit van diensten en producten, en

    • c.

      financiën.

Artikel 3.13.2.3 Kwaliteitsborging

  • 1. Op de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten door of in opdracht van het college zijn de kwaliteitscriteria van toepassing.

  • 2. Over de naleving van de kwaliteitscriteria doet het college jaarlijks mededeling aan de gemeenteraad.

  • 3. Voor zover de kwaliteitscriteria niet zijn of konden worden nageleefd, informeert het college daarover gemotiveerd de gemeenteraad.

Titel 4 Straf-, toezicht-, overgangs- en slotbepalingen

Hoofdstuk 4.1 Straf- en toezichtbepalingen

Artikel 4.1.1 Strafbepaling Titel 2

  • 1. Overtreding van het bij of krachtens Titel 2 van deze Verordening bepaalde en op grond van artikel 1.1.4 van deze Verordening daarbij gegeven voorschriften wordt gestraft met hechtenis van maximaal drie maanden of geldboete van de tweede categorie.

  • 2, In afwijking van het eerste lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.3.1, derde lid en 2.3.2, tweede lid onder a van deze Verordening.

  • 3. In geval van overtreding van de krachtens artikel 3, derde lid van de Wet veiligheidsregio’s gestelde regels kan het college een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste de geldboete, bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s.

Artikel 4.1.2 Strafbepaling Titel 3

  • 1. Overtreding van het bij of krachtens Titel 2 van deze Verordening bepaalde en op grond van artikel 1.1.4 van deze Verordening daarbij gegeven voorschriften wordt gestraft met hechtenis van maximaal drie maanden of geldboete van de tweede categorie.

  • 2. In afwijking van het eerste lid wordt degene die handelt in strijd met artikel 3.2.4.1 of het bepaalde krachtens artikel 3.2.4.2, derde lid, van deze Verordening gestraft met een geldboete van de tweede categorie of een hechtenis van ten hoogste drie maanden.

  • 3. In afwijking van het eerste lid wordt overtreding van het bij of krachtens artikel 3.3.2.1 bepaalde gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.

  • 4. In afwijking van het eerste lid wordt handelen in strijd met de artikelen uit hoofdstuk 3.6 gestraft met een geldboete van de eerste categorie.

  • 5. In afwijking van het eerste lid is overtreding van artikel 3.10.2.2, artikel 3.10.2.4 of van artikel 3.10.2.6 tot en met artikel 3.10.2.9 en artikel 3.10.3.2 tot en met artikel 3.10.4.6 van deze Verordening, een strafbaar feit als bedoeld in artikel 1a, onderdeel 3, van de Wet op de economische delicten.

Hoofdstuk 4.2 Toezicht

Artikel 4.2.1 Binnentreden woning (voorheen: Verordening binnentreden ter uitvoering van noodverordeningen 2007)

Degenen belast met het toezicht op de nakoming van een voorschrift van een door de burgemeester op grond van artikel 176 van de Gemeentewet vastgesteld algemeen verbindend voorschrift, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner(s).

Artikel 4.2.2 Binnentreden woningen

Degenen belast met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze Verordening gegeven voorschriften die als doel hebben handhaving van de openbare orde, openbare veiligheid, bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner(s).

Hoofdstuk 4.3 Overgangsrecht

Artikel 4.3.1 Bestaande aanvragen

  • 1. Op complete aanvragen om besluiten bij of krachtens de in bijlage 2 genoemde verordeningen, ingediend voor de inwerkingtreding van deze Verordening, blijft het recht van toepassing zoals dat gold op het moment van de aanvraag.

  • 2. Op niet complete aanvragen om toestemmingen bij of krachtens de in bijlage 2 genoemde verordeningen, ingediend voor de inwerkingtreding van deze verordening en al dan niet getoetst, is deze Verordening van toepassing.

Artikel 4.3.2 Bestaande besluiten

Besluiten bij of krachtens de in bijlage 2 genoemde verordeningen die onherroepelijk waren op het moment van inwerkingtreding van deze Verordening, worden aangemerkt als een besluit bij of krachtens deze verordening.

Artikel 4.3.3 Rechtsbescherming

Op besluiten waartegen ten tijde van de inwerkingtreding van deze Verordening rechtsbeschermingsmiddelen waren gebruikt, blijft het recht van toepassing zoals dat gold direct voor deze inwerkingtreding.

Artikel 4.3.4 Erfgoedverordening

Krachtens de Erfgoedverordening Leudal 2018 aangewezen en geregistreerde gemeentelijke monumenten, worden geacht aangewezen en geregistreerd te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze Verordening.

Hoofdstuk 4.4 Slotbepalingen

Artikel 4.4.1 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2022.

Artikel 4.4.2 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene verordening gemeente Leudal.

Artikel 4.4.3 Intrekking verordeningen

De volgende verordeningen worden ingetrokken:

  • -

    Algemene plaatselijke verordening gemeente Leudal, vastgesteld op 5 december 2013 en voor de laatste keer gewijzigd op 20 juli 2021;

  • -

    Afvalstoffenverordening Leudal 2018, vastgesteld op 5 februari 2019;

  • -

    Verordening binnentreden ter uitvoering van noodverordeningen 2007, vastgesteld op 2 januari 2007;

  • -

    Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade 2008, vastgesteld op 30 september 2008;

  • -

    Beheersverordening algemene begraafplaatsen 2009, vastgesteld 9 december 2008;

  • -

    Verordening op de warenmarkt(en) voor de gemeente Leudal, vastgesteld 6 oktober 2009;

  • -

    Bouwverordening gemeente Leudal, vastgesteld, op 25 september 2018;

  • -

    Wegsleepverordening gemeente Leudal, vastgesteld op 10 september 2013;

  • -

    Verordening geurhinder en veehouderij, vastgesteld op 14 februari 2017;

  • -

    Verordening kwaliteit vergunningverlening toezicht en handhaving omgevingsrecht Leudal, vastgesteld op 11 juli 2017;

  • -

    Erfgoedverordening Leudal 2018, vastgesteld op 6 februari 2018, laatstelijk gewijzigd 30 juni 2020;

  • -

    Verordening commissie ruimtelijke kwaliteit, vastgesteld op 25 juni 2019;

  • -

    Algemene verordening ondergrondse infrastructuur, vastgesteld op 10 december 2019;

  • -

    Verordening aansluitvoorwaarden riolering Leudal 2007, vastgesteld op 26 juni 2007

Ondertekening

Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van de gemeente Leudal, 9 november 2021.

DE RAAD VAN DE GEMEENTE LEUDAL

De griffier De voorzitter

drs. W.A.L.M. Cornelissen D.H. Schmalschläger

Bijlage 1 definities

Begrip

Definitie

aansluithoogte

de hoogte van de aansluiting binnenonderkant buis (b.o.b.) waarop het particulier riool moet aansluiten op het openbaar riool

aansluitleiding

het particuliere riool, het aansluitpunt, de ontstoppingsvoorziening en de perceelaansluitleiding tezamen

aansluitpunt

1. bij gemengde en gescheiden rioolstelsels het punt, gelegen op of binnen 0,5 meter afstand van de kadastrale eigendomsgrens van het aan te sluiten perceel, waar het particulier riool op de perceelaansluitleiding wordt aangesloten.

2. bij een aansluiting op drukriool of IBA het punt waar het particulier riool wordt aangesloten op de erfscheidingsput van de aansluitleiding naar de pompput

afvalwater

alle water waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen

algemeen graf

een graf en urnengraf bij de gemeente in beheer waarin aan iedereen gelegenheid wordt geboden tot het laten begraven van overledenen

algemeen urnengraf

een graf bij de gemeente in beheer waarin aan iedereen gelegenheid wordt geboden tot het bijzetten van asbussen met of zonder urnen

asbus

een bus voor de berging van as van een overledene

Awb

Algemene wet bestuursrecht

bebouwde kom

het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994

bedrijfsafvalwater

afvalwater, niet zijnde huishoudelijk afvalwater afkomstig uit particuliere huishoudens

begraafplaats

de algemene begraafplaats Horn gelegen aan de Haelerweg te Horn

beheerder

de natuurlijke persoon die de feitelijke leiding uitoefent in een inrichting of bedrijf

beschermd stads- of dorpsgezicht

in het gemeentelijk erfgoedregister ingeschreven groep van onroerende zaken die van algemeen belang is vanwege zijn schoonheid, zijn onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel zijn wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en waarin zich één of meer monumenten bevinden

bevoegd gezag

bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1 van de Wabo

bezoeker

degene die aanwezig is in een inrichting, bedrijf of bij een evenement, met uitzondering van de exploitant, de beheerder, de personen die werkzaam zijn in de inrichting, het bedrijf of bij het evenement dan wel andere personen waarvan aanwezigheid in de inrichting of het bedrijf wegens dringende redenen noodzakelijk of vanwege de normale bedrijfsvoering nodig is

binnenriolering

alle leidingen binnen het gebouw of tegen de gevel van het gebouw bedoeld om het afvalwater en hemelwater te verzamelen en af te voeren

B.O.B.

binnenonderkant buis.

bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, inclusief van een gedeelte daarvan, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren

breekverbod

tijdelijk verbod voor het uitvoeren van werkzaamheden

bromfiets, snorfiets, scooter

hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e van de Wegenverkeerswet 1994

bronneringswater

grondwater, onttrokken ten behoeve van tijdelijke verlaging van de grondwaterstand

buitenriolering

alle leidingen buiten het gebouw bedoeld om het afvalwater en hemelwater te verzamelen en af te voeren

collectieve festiviteit

festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden

college

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leudal

consumentenvuurwerk

hetgeen daaronder wordt verstaan in het Vuurwerkbesluit

dierenverblijf

al dan niet overdekte ruimte waarbinnen dieren worden gehouden

doelmatige werking

een zodanige werking dat van een doelmatige verwijdering van afvalwater kan worden gesproken. Doelmatige verwijdering omvat de continuïteit van de verwijdering, de effectiviteit en efficiency van de verwijdering alsmede de capaciteit en spreiding van de verwijderingsvoorzieningen

drainage stelsel

gemeentelijk doorlatend leidingstelsel, bestemd voor de afvoer van overtollig grondwater, met uitzondering van de aanvoerleidingen

drainagewater

grondwater, ingezameld door ingegraven doorlatend buizensysteem

droogweer afvoer (DWA)

de hoeveelheid afvalwater die in een droogweer situatie via het rioolstelsel wordt afgevoerd

drukriolering

het openbaar riool, voor de afvoer van afvalwater exclusief hemelwater, waarbij het transport door het riool plaatsvindt door middel van onder- of overdruk

eigen graf

een graf, grafkelder, eigen urnengraf, eigen urnennis, eigen verstrooiingsplaats en eigen gedenkplaats daaronder begrepen, waarvoor aan:

1. een natuurlijk of rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend tot:

2. het (laten) begraven en begraven houden van overledenen;

3. het (laten) bijzetten en bijgezet houden van asbussen met of zonder urnen;

4. het (laten) verstrooien van as

eigen urnengraf

een graf, grafkelder daaronder begrepen, waarvoor aan een natuurlijk of rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend tot:

1. het (laten) bijzetten en bijgezet houden van asbussen met of zonder urnen;

2. het (laten) verstrooien van as

eigen urnennis

een nis waarvoor aan een natuurlijk of rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend tot het (laten) bijzetten en bijgezet worden van asbussen met of zonder urnen

erfgoedregister

gemeentelijke lijst met daarin de overeenkomstig deze Verordening als gemeentelijk monument aangewezen onroerende en roerende zaken alsmede terreinen

erfscheidingsput

een controleput op of nabij de erfafscheiding

escortbedrijf

de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend

evenement

elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak. Onder evenement wordt mede verstaan een:

  • 1.

    herdenkingsplechtigheid;

  • 2.

    braderie;

  • 3.

    optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2.2.1 van deze Verordening;

  • 4.

    feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;

  • 5.

    straatfeest of buurtbarbecue;

  • 6.

    een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of –gala’s, en en

  • 7.

    kermis.

Onder evenement wordt niet verstaan:

  • 1.

    een bioscoop-, muziek- en theatervoorstellingen;

  • 2.

    markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g van de Gemeentewet en snuffelmarkten;

  • 3.

    kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;

  • 4.

    het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen;

  • 5.

    betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;

  • 6.

    activiteiten als bedoeld in artikel 2.5.6.2 van deze Verordening;

  • 7.

    sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in de aangewezen categorie.

exploitant

de natuurlijke persoon of rechtspersoon die een inrichting of bedrijf uitbaat en de tot vertegenwoordiging van die natuurlijke of rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon

feestdagen

Nieuwjaarsdag, tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag, eerste en tweede Kerstdag

fysieke leefomgeving

hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.2 Omgevingswet

gebouw

hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid van de Woningwet

gedenkplaats

een plaats ingericht om overledenen te gedenken

gemeentelijke adviescommissie

een commissie van deskundigen ingevolge artikel 84 van de Gemeentewet ingesteld door het college, genaamd de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit Leudal, met als taak het college te adviseren over de toepassing van de Monumentenwet 1988, de Erfgoedwet, de erfgoedregels in de L en het monumentenbeleid

gemeentelijk monument

monument dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister

gemengd riool(stelsel)

het openbaar riool voor de afvoer van afvalwater, inclusief hemelwater

gescheiden riool(stelsel)

het openbaar riool met een buizenstelsel voor de afvoer van hemelwater en een buizenstelsel voor de afvoer van het overige afvalwater

geurgevoelig object

gebouw bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt

geurhinder

gevolgen voor het milieu door de emissie van geur

gevoelige gebouwen

hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer

gevoelige terreinen

hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer

grafbedekking

gedenkteken en grafbeplanting op een graf, een verstrooiingsplaats of gedenkplaats

grootschalige recreatieterreinen

recreatieterreinen met meer dan 100 kampeerplaatsen

hakhout

één of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen

handelsreclame

iedere openbare aanprijzing van goederen diensten en/of activiteiten, waarmee duidelijk wordt bedoeld een commercieel belang te dienen

hemelwaterriool

riool alleen bestemt voor inzameling en transport van hemelwater

horecabedrijf

elke voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is, overnachtingsmogelijkheid wordt geboden, dranken worden geschonken dan wel rookwaren of etenswaren voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of aangeboden.

Als horecabedrijf worden in ieder geval aangemerkt een hotel, restaurant, pension, groepsaccomodatie, café, cafetaria, snackbar, shoarmazaak, sishabar, broodjeszaak, grillroom, afhaalbedrijf van etenswaren, discotheek, buurthuis en clubhuis.

houder van een inrichting

degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of op andere wijze een inrichting drijft

houtopstand

hakhout, een houtwal dan wel één of meer bomen

huishoudelijk afvalwater

afvalwater afkomstig uit particuliere huishoudens, niet zijnde hemelwater.

IBA

systeem voor individuele behandeling van afvalwater

incidentele festiviteit

festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen

Inrichting voor overnachting

Elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt geboden.

inzamelmiddel

voor de inzameling van afvalstoffen bestemd hulp- of bewaarmiddel, ten behoeve van een huishouden

inzamelplaats

daartoe op grond van artikel 3.10.2.3 van deze Verordening aangewezen plaats

inzamelvoorziening

voor de inzameling van afvalstoffen bestemd(e) bewaarmiddel of -plaats ten behoeve van meer dan één huishouden

kampeermiddel

een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste lid, onder a van de Wabo is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf

kwaliteitscriteria

de in landelijke samenwerking tussen bevoegde bestuursorganen ontwikkelde en beschikbaar gestelde kwaliteitscriteria voor vergunningverlening, toezicht en handhaving inzake de beschikbaarheid en deskundigheid van organisaties die met de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten zijn belast

lozingstoestel

een constructie bedoeld om afvalstoffen af te voeren

marktconforme kosten

kosten zoals deze onder normale omstandigheden in een markteconomie op de desbetreffende markt worden gemaakt

motorvoertuig

hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990

NEN

een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven norm

omgevingsvergunning

omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid van de Wabo

ontstoppingsvoorziening

voorziening in de aansluitleiding ten behoeve van inspectie, ontstopping en onderhoud van de leiding

onversterkte muziek

muziek die niet elektronisch is versterkt

openbaar riool

het gedeelte van de riolering dat bij de gemeente in eigendom en beheer is voor inzameling en transport van afvalwater, hemelwater en drainagewater inclusief de daartoe behorende rioolgemalen, persleidingen, werken en installaties van overeenkomstige aard, met uitzondering van de aansluitleidingen

openbaar water

wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn

Openbare inrichting

voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt, waarbij een buiten de hiervoor bedoelde besloten ruimte liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt, waaronder in ieder geval een terras, geacht wordt deel uit te maken van die besloten ruimte.

openbare nutsvoorziening

bouwwerken en voorzieningen die een publiek nut hebben

openbare plaats

hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties

Openbare ruimten

Voor publiek toegankelijke ruimten zowel binnen als buiten

opvoergemaal

een inrichting om afvalwater mechanisch af te voeren naar een ander vaak hoger gelegen deel van de riolering

parkeren

hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990

particulier riool

de binnen de kadastrale eigendomsgrenzen van het aan te sluiten perceel gelegen binnen-, buiten- of terreinrioolleidingen tot aan het aansluitpunt, inclusief alle installaties benodigd voor het op juiste hoogte en druk brengen van het afvalwater bij het aansluitpunt

perceelaansluitleiding

het riool en voorzieningen die deel uit maken van dit riool (o.a. de ontstoppingsvoorziening), tussen het openbaar riool en het aansluitpunt, in beheer bij de gemeente

planologische maatregel

oorzaak als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid Wet ruimtelijke ordening

planschade

schade in de vorm van inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak als gevolg van een in artikel 6.1, tweede lid Wet ruimtelijke ordening genoemde oorzaak, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd

prostituee

degene die zich beschikbaar stelt voor het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding

prostitutie

het zich beschikbaar stellen voor het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding

provinciaal monument

monument dat is ingeschreven in het provinciaal erfgoedregister

rechthebbende

degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht

seksinrichting

Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub en een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar

snuffelmarkt

een markt in een voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden vanaf een standplaats.

Onder een snuffelmarkt wordt niet verstaan:

a. een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet;

b. een evenement als bedoeld in deze Bijlage.

speelgelegenheid

een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is, de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren

standplaats

het vanaf een vaste, op een openbare en in de open lucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen. Onder standplaats wordt niet verstaan een vaste plaats op een:

  • 1.

    jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h van de Gemeentewet;

  • 2.

    evenement als bedoeld in deze Bijlage.

standwerken

de activiteit waarbij de vergunninghouder publiek om zich heen verzamelt en dat publiek door een aansprekende uiteenzetting probeert over te halen tot de aankoop van een artikel

standwerkersplaats

de standplaats die ter beschikking wordt gesteld om te standwerken

terras

een buiten het horecabedrijf gelegen besloten ruimte waar sta- of zitgelegenheid wordt geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken en/of eten voor directe consumptie ter plaatse kan worden bereid en/of aangeboden

tijdelijke aansluiting

een rioolaansluiting die voor een aan te geven periode wordt verleend.

toestemming

verzamelterm voor instemming van het bevoegde bestuursorgaan in de vorm van een vergunning, vrijstelling, ontheffing en instemmingsbesluit

urn

een voorwerp voor berging van één of meer asbussen

vaste standplaats

de standplaats die voor bepaalde tijd ter beschikking is gesteld aan een vergunninghouder

veehouderij

inrichting die tot een krachtens artikel 1.1, derde lid van de Wabo aangewezen categorie behoort en is bestemd voor het fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van dieren

vellen

rooien, inclusief verplanten en het verrichten van handelingen die de dood, ernstige beschadiging of ontsiering van de houtopstand tot gevolg kunnen hebben

venten

het in de uitoefening van ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis. Onder venten wordt niet verstaan:

  • 1.

    het aan huis afleveren van goederen in het kader van de exploitatie van een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;

  • 2.

    het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h van de Gemeentewet of snuffelmarkt;

  • 3.

    het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in deze Bijlage.

Verordening

Algemene verordening gemeente Leudal

verstrooiingsplaats

Een plaats waarop as wordt verstrooid

voertuig

hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen

vrijverval stelsel

systeem van riolering waarbij de afvoer van afvalwater onder invloed van de zwaartekracht wordt getransporteerd

Wabo

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

weg

hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994

winkel

dat wat daaronder wordt verstaan in de Winkeltijdenwet

Bijlage 2 overzicht ingetrokken verordeningen

Overzicht verordeningen als bedoeld in artikel 4.1.1, eerste en tweede lid en artikel 4.1.2 Algemene verordening gemeente Leudal:

  • -

    Algemene plaatselijke verordening gemeente Leudal, vastgesteld op 5 december 2013 en voor de laatste keer gewijzigd op 20 juli 2021;

  • -

    Afvalstoffenverordening Leudal 2018, vastgesteld op 5 februari 2019;

  • -

    Verordening binnentreden ter uitvoering van noodverordeningen 2007, vastgesteld op 2 januari 2007;

  • -

    Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade 2008, vastgesteld op 30 september 2008;

  • -

    Beheersverordening algemene begraafplaatsen 2009, vastgesteld 9 december 2008;

  • -

    Verordening op de warenmarkt(en) voor de gemeente Leudal, vastgesteld 6 oktober 2009;

  • -

    Bouwverordening gemeente Leudal, vastgesteld, op 25 september 2018;

  • -

    Wegsleepverordening gemeente Leudal, vastgesteld op 10 september 2013;

  • -

    Verordening geurhinder en veehouderij, vastgesteld op 14 februari 2017;

  • -

    Verordening kwaliteit vergunningverlening toezicht en handhaving omgevingsrecht Leudal, vastgesteld op 11 juli 2017;

  • -

    Erfgoedverordening Leudal 2018, vastgesteld op 6 februari 2018, laatstelijk gewijzigd 30 juni 2020;

  • -

    Verordening commissie ruimtelijke kwaliteit, vastgesteld op 25 juni 2019;

  • -

    Algemene verordening ondergrondse infrastructuur, vastgesteld op 10 december 2019;

  • -

    Verordening aansluitvoorwaarden riolering Leudal 2007, vastgesteld op 26 juni 2007.

Bijlage 3 Aanwijzing gebieden als bedoeld in artikel 3.5.2

Bijlage 4 bij Hoofdstuk 3.3 Algemene verordening gemeente Leudal

Beslisboom 1: Afvoer van het hemelwater

Bijlage 5 bij Hoofdstuk 3.3 Algemene verordening gemeente Leudal

Beslisboom 2: Afvoer van afvalwater zonder hemelwater, als ter plaatse een openbaar rioolaanwezig is, waarbij het transport door het riool plaatsvindt door middel van onder- of overdruk.