Regeling vervallen per 01-01-2024

Waterschapsverordening Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier

Geldend van 02-01-2024 t/m 31-12-2023

Intitulé

Waterschapsverordening Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier

[De bij dit besluit behorende bijlage, bestaande uit een geografisch informatiesysteem met een kaart wordt bekendgemaakt via deze link, conform artikel 7 lid 2 van de Bekendmakingswet.]

Het college van hoofdingelanden van Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier;

gelezen het voorstel van dijkgraaf en hoogheemraden van 6 juli 2021, nr. 21.0759552;

gehoord de commissie Bestuur, Middelen en Waterketen

b e s l u i t :

Vast te stellen de Waterschapsverordening Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier met

registratienummer 21.239004 en de Onderhoudsverordening Hoogheemraadschap Hollands

Noorderkwartier met registratienummer 21.239123

Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen

Afdeling 1.1 Begripsbepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

  • 1. Begripsbepalingen die zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet, en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling zijn ook van toepassing op deze waterschapsverordening, tenzij anders bepaald.

  • 2. Bijlage I bij deze waterschapsverordening bevat begripsbepalingen voor de toepassing van deze waterschapsverordening.

Afdeling 1.2 Aanwijzing en begrenzing beperkingengebieden

Artikel 1.2 Begrenzing beheergebied

De geometrische begrenzing van het beheergebied van het hoogheemraadschap is opgenomen in het geometrische informatieobject 'beheergebied’ in bijlage II bij deze verordening.

Artikel 1.3 Begrenzing beperkingengebieden

  • 1. De geometrische begrenzingen van het beperkingengebied waterstaatswerk en de onderdelen daarvan zijn opgenomen in de volgende geometrische informatieobjecten in bijlage II bij deze verordening:

    • a.

      beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam;

    • b.

      beperkingengebied waterkering;

    • c.

      bergingsgebied;

    • d.

      beperkingengebied vaarwegen in beheer bij het hoogheemraadschap;

    • e.

      beperkingengebied primair water;

    • f.

      beperkingengebied secundair water;

    • g.

      beperkingengebied tertiair water;

    • h.

      waterstaatswerk primaire waterkering;

    • i.

      waterstaatswerk regionale waterkering;

    • j.

      waterstaatswerk zandige kust;

    • k.

      beschermingszone A bij een primaire waterkering;

    • l.

      beschermingszone A bij een regionale waterkering;

    • m.

      beschermingszone A bij zandige kust;

    • n.

      beschermingszone B bij een primaire waterkering;

    • o.

      beschermingszone B bij een regionale waterkering; en

    • p.

      beschermingszone B bij zandige kust.

  • 2. De geometrische begrenzingen van het beperkingengebied weg en de onderdelen daarvan zijn opgenomen in de volgende geometrische informatieobjecten in bijlage II bij deze verordening:

    • a.

      beperkingengebied erftoegangsweg;

    • b.

      beperkingengebied gebiedsontsluitingsweg;

    • c.

      beperkingengebied solitair fietspad; en

    • d.

      beperkingengebied weg.

Artikel 1.4 Begrenzing overige gebieden

  • 1. De geometrische begrenzing van het aangewezen gebied voor peilafwijkingen is opgenomen in het geometrische informatieobject ‘aangewezen gebied peilafwijkingen’ in bijlage II bij deze verordening.

  • 2. De geometrische begrenzing van het gebied met hellende waterbodems en droogvallend water is opgenomen in het geometrische informatieobject ‘gebied met hellende waterbodems en droogvallend water’ in bijlage II bij deze verordening.

  • 3. De geometrische begrenzing van de kwetsbare gebieden is opgenomen in de geometrische informatieobjecten ‘kwetsbaar gebied oppervlaktewater' en ‘kwetsbaar gebied grondwater’ in bijlage II bij deze verordening.

  • 4. De geometrische begrenzing van de molenbiotopen is opgenomen in het geometrische informatieobject ‘molenbiotoop’ in bijlage II bij deze verordening.

Artikel 1.5 Waterstaatswerken die niet geometrisch begrensd zijn

  • 1. Voor waterstaatswerken die op grond van een projectplan of omgevingsvergunning zijn aangelegd of gewijzigd ten opzichte van de legger, wordt voor de ligging van het waterstaatswerk uitgegaan van de begrenzing, aangegeven in het projectbesluit of de omgevingsvergunning.

  • 2. Voor waterstaatswerken die niet geometrisch zijn begrensd en waarvoor de ligging niet volgt uit een projectbesluit of omgevingsvergunning, gelden de grenzen van het waterstaatswerk en de beschermingszone, opgenomen in bijlage II.

Afdeling 1.3 Normadressaat

Artikel 1.6 Normadressaat

Aan deze verordening wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Afdeling 1.4 Algemene bepalingen omgevingsvergunning, melding en informatieplicht

Artikel 1.7 Algemene gegevens bij een melding of informatieverplichting

  • 1. Een melding of de verstrekking van gegevens en bescheiden wordt ondertekend en bevat ten minste:

    • a.

      de aanduiding van de activiteit;

    • b.

      de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;

    • c.

      het adres waarop de activiteit wordt verricht; en

    • d.

      de dagtekening.

  • 2. Op verzoek van het bestuur worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te beoordelen of de algemene regels en de maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn.

  • 3. Gegevens en bescheiden als bedoeld in het tweede lid worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.

Artikel 1.8 Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat

  • 1. Voordat de naam of het adres, bedoeld in artikel 1.7, wijzigt, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het bestuur.

  • 2. Ten minste vijf werkdagen voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het bestuur.

Artikel 1.9 Beoordelingsregel omgevingsvergunning wateractiviteiten

  • 1. Een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit op grond van deze verordening wordt alleen verleend als de activiteit verenigbaar is met het belang van:

    • a.

      het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste;

    • b.

      het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en

    • c.

      de vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen.

  • 2. Het verlenen van de omgevingsvergunning mag er in ieder geval niet toe leiden dat, rekening houdend met de waterbeheerprogramma’s, regionale waterprogramma’s, stroomgebiedsbeheerplannen, overstromingsrisicobeheerplannen en het nationale waterprogramma, die betrekking hebben of dat betrekking heeft op het betreffende krw-oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam:

    • a.

      niet wordt voldaan aan de omgevingswaarden, bedoeld in de artikelen 2.10, eerste lid, 2.11, eerste lid, 2.13, eerste lid, 2.14, eerste lid, en 2.15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, van dat besluit;

    • b.

      de doelstelling van een goed ecologisch potentieel, bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, van dat besluit niet wordt bereikt, in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in artikel 2.18, tweede lid, van dat besluit; en

    • c.

      een minder strenge doelstelling als bedoeld in artikel 2.17, tweede lid, aanhef en onder d, van dat besluit niet wordt bereikt.

  • 3. Het verlenen van de omgevingsvergunning mag er ook niet toe leiden dat de doelstelling van het voorkomen van achteruitgang van de chemische en ecologische toestand van krw-oppervlaktewaterlichamen en van de chemische toestand en kwantitatieve toestand van grondwaterlichamen, bedoeld in artikel 4.15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt.

Afdeling 1.5 Uitzondering beheeractiviteiten

Artikel 1.10 Uitzondering beheeractiviteiten

  • 1. De hoofdstukken 2, 3 en 4 van deze verordening zijn niet van toepassing op activiteiten die plaatsvinden door of in opdracht van het hoogheemraadschap, voor beheer, onderhoud en herstel.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op het aanleggen en wijzigen van waterstaatswerken.

Afdeling 1.6 Uitzondering bijzondere omstandigheden

Artikel 1.11 Aanwijzing bijzondere omstandigheden

Bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 19.0 van de Omgevingswet zijn:

  • a.

    waterschaarste en dreigende waterschaarste;

  • b.

    overvloed aan water en dreigende overvloed aan water;

  • c.

    aanmerkelijke verslechtering van de waterkwaliteit of de dreiging daarvan; en

  • d.

    het falen van een waterstaatswerk of de dreiging daarvan.

Artikel 1.12 Algeheel verbod bij calamiteiten

  • 1. Het bestuur kan bij besluit als bedoeld in artikel 19.0 van de Omgevingswet bepalen dat zich een bijzondere omstandigheid voordoet en zo nodig in afwijking van verleende omgevingsvergunningen of geldende peilbesluiten, verbieden:

    • a.

      water af te voeren naar of aan te voeren uit een oppervlaktewaterlichaam;

    • b.

      water te brengen in of te onttrekken aan een oppervlaktewaterlichaam;

    • c.

      grondwater te onttrekken of water te infiltreren;

    • d.

      activiteiten te verrichten in het beperkingengebied waterkering; en

    • e.

      activiteiten te verrichten in het beperkingengebied weg.

  • 2. Het bestuur kan bij besluit als bedoeld in artikel 19.0 van de Omgevingswet bepalen dat de scheepvaart op een oppervlaktewaterlichaam wordt beperkt of gestremd of dat de maximale vaarsnelheid wordt aangepast.

Afdeling 1.7 Ongewoon voorval

Artikel 1.13 Informeren over een ongewoon voorval

  • 1. Het bestuur wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.

  • 2. Het eerste lid geldt niet voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam en lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk afkomstig van:

    • a.

      een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

    • b.

      wonen.

Artikel 1.14 Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval

  • 1. Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het bestuur:

    • a.

      informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan;

    • b.

      informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen;

    • c.

      andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en

    • d.

      informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.

  • 2. Het eerste lid geldt niet voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam en lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk afkomstig van:

    • a.

      een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

    • b.

      wonen.

Hoofdstuk 2 Activiteiten bij oppervlaktewater, waterkeringen en wegen

Afdeling 2.1 Activiteiten bij oppervlaktewater en waterkeringen

Paragraaf 2.1.1 Algemeen

Artikel 2.1 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het verrichten van activiteiten met gevolgen voor oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden of waterkeringen en de daarbij behorende kunstwerken.

Artikel 2.2 Oogmerken

  • 1. De regels in deze afdeling over activiteiten met gevolgen voor oppervlaktewaterlichamen of bergingsgebieden zijn gesteld met het oog op:

    • a.

      het beschermen van de ontwaterende, af- en aanvoerende en bergende functie van het watersysteem;

    • b.

      het beschermen van de ecologische toestand van het watersysteem;

    • c.

      het aanhouden van het afgesproken peilbeheer;

    • d.

      het beperken van een toename van het risico op wateroverlast en waterschaarste; en

    • e.

      het waarborgen van de doorvaarbaarheid van de vaarwegen in beheer bij het hoogheemraadschap.

  • 2. De regels in deze afdeling over activiteiten met gevolgen voor waterkeringen zijn gesteld met het oog op:

    • a.

      het beschermen van de waterkerende functie van waterkeringen en de beschermingszones;

    • b.

      het waarborgen van de inspectie, het beheer en onderhoud en de toetsing van waterkeringen; en

    • c.

      het behoud van noodzakelijke ruimte voor toekomstige versterkingen van waterkeringen.

Artikel 2.3 Specifieke zorgplicht

  • 1. Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen heeft of kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 2.2, is verplicht:

    • a.

      alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

    • b.

      voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

    • c.

      als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

  • 2. Voor activiteiten met gevolgen voor oppervlaktewaterlichamen of bergingsgebieden houdt deze plicht in ieder geval in dat deze op zodanige wijze en met behulp van zodanige technieken wordt uitgevoerd dat:

    • a.

      de functies van het watersysteem blijven voldoen voor de gebruiksfunctie;

    • b.

      de waterstanden aangehouden blijven zoals vastgesteld is in:

      • 1.

        het ter plekke geldende peilbesluit;

      • 2.

        het waterbeheerprogramma; of

      • 3.

        een omgevingsvergunning;

    • c.

      de aan- en afvoercapaciteit van het watersysteem en het waterkwantiteitsbeheer gewaarborgd blijft;

    • d.

      het onderhoud van het watersysteem en de beschikbare aan- en afvoercapaciteit op elkaar is afgestemd en de onderhoudskosten niet toenemen;

    • e.

      de aanwezige waterberging intact blijft of wordt gecompenseerd;

    • f.

      geen verontreiniging wordt veroorzaakt;

    • g.

      een significante achteruitgang van de lichtkwaliteit en van de habitatgeschiktheid van het water en de oever ten aanzien van de ecologische doelen uit de stroomgebiedbeheerplannen wordt voorkomen; en

    • h.

      de verspreiding van flora en fauna in het watersysteem mogelijk blijft of wordt verbeterd.

  • 3. Voor activiteiten met gevolgen voor waterkeringen houdt deze plicht in ieder geval in dat deze:

    • a.

      op zodanige wijze en tijdens zodanige weersomstandigheden worden uitgevoerd dat de huidige functie van de waterkering geborgd blijft;

    • b.

      op zodanige wijze worden uitgevoerd dat de inspectie, het beheer en onderhoud en de toetsing van de waterkering mogelijk blijft;

    • c.

      op zodanige wijze worden uitgevoerd dat de noodzakelijke ruimte voor een toekomstige versterking van een waterkering niet nadelig wordt beïnvloed; en

    • d.

      op zodanige wijze en met behulp van zodanige technieken worden uitgevoerd dat de huidige staat van de waterkering intact blijft of, indien dit niet mogelijk is, de huidige staat van de waterkering wordt hersteld of verbeterd.

  • 4. Degene die voornemens is een activiteit te verrichten, informeert en betrekt de omgeving, de direct belanghebbenden en de grondeigenaar op voorhand bij de voorgenomen activiteit.

Artikel 2.4 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit met gevolgen voor een oppervlaktewaterlichaam, bergingsgebied of waterkering die op grond van deze afdeling is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een omschrijving van de activiteit, waarbij wordt vermeld op welke wijze gebruik zal worden gemaakt van het oppervlaktewaterlichaam, het bergingsgebied of de waterkering;

  • b.

    een toelichtende tekening en de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van de activiteit met daarbij het ontwerp en de afmetingen van het werk of het tracé van de kabel of de leiding;

  • c.

    de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan;

  • d.

    als een oppervlaktewaterlichaam of waterkering wordt gekruist door een boring: een boorplan met de volgende informatie:

    • 1.

      een beschrijving van de horizontaal gestuurde boring overeenkomstig de Handleiding wegenbouw, ontwerp onderbouw, richtlijn Boortechnieken, uitgegeven door Rijkswaterstaat;

    • 2.

      een tekening met een aanduiding van de boorlijn;

    • 3.

      een tekening van de dwarsdoorsnede in de langsrichting van de gekozen boorlijn; en

    • 4.

      gegevens over de controleberekening of sterkteberekening van de buis op basis van een grondmechanisch onderzoek; en

    • 5.

      als de activiteit op, in of bij een kade of waterkering plaatsvindt: een stabiliteitsberekening van de kade of waterkering.

Artikel 2.5 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning waterbodem

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit met gevolgen voor een oppervlaktewaterlichaam die op grond van deze afdeling is vereist, worden, als de activiteit betrekking heeft op werkzaamheden waarbij een waterbodem geheel of gedeeltelijk wordt verwijderd, in aanvulling op artikel 2.4 de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een opgave van de hoeveelheid te verwijderen materiaal; en

  • b.

    een aanduiding van het totaal te baggeren oppervlak in kubieke meter.

Artikel 2.6 Algemene regel onderhoud van het water

Onderhoud van het water in overeenstemming met de in bijlage IV opgenomen onderhoudsrichtlijnen blijft mogelijk.

Artikel 2.7 Tijdelijk verwijderen bouwwerk

Het bouwwerk wordt tijdelijk verwijderd op een bij maatwerkvoorschrift te bepalen tijdstip, als dat nodig is voor werkzaamheden door of in opdracht van het hoogheemraadschap.

Artikel 2.8 Maatwerkvoorschriften

  • 1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in deze afdeling worden verbonden, over de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en artikel 2.6.

  • 2. Met een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van artikel 2.6.

  • 3. Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in deze afdeling kan worden verbonden.

  • 4. Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het verrichten van een activiteit in afwijking van artikel 2.5a worden gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en

    • e.

      de wijze waarop de omgeving en de belanghebbenden bij de voorgenomen activiteit zijn betrokken.

Paragraaf 2.1.2 Bouwwerken

§ 2.1.2.1 Aanleggen en verwijderen van bouwwerken

Artikel 2.9 Toepassingsbereik

  • 1. Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen, behouden en verwijderen van bouwwerken in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam en het beperkingengebied waterkering.

  • 2. Deze paragraaf is niet van toepassing op:

    • a.

      het aanleggen en behouden van een bouwwerk dat alleen tussen 15 maart en 15 oktober op het zeestrand staat in beschermingszone A en B aan de zeezijde van de zandige kust, bedoeld in paragraaf 2.1.2.2;

    • b.

      het aanleggen, behouden en verwijderen van bruggen en aquaducten, bedoeld in paragraaf 2.1.3;

    • c.

      het aanleggen, behouden en verwijderen van duikers, bedoeld in paragraaf 2.1.4;

    • d.

      het aanleggen en behouden van steigers, vlonders, boothuizen, drijvende bouwwerken en andere overhangende bouwwerken, bedoeld in paragraaf 2.1.6;

    • e.

      het aanleggen, behouden en verwijderen van lozings- en onttrekkingswerken, bedoeld in paragraaf 2.1.7;

    • f.

      het aanleggen en behouden van taludtrappen, bedoeld in paragraaf 2.1.8;

    • g.

      het aanleggen en behouden van wegen, fietspaden, wandelpaden en uitritten, bedoeld in paragraaf 2.1.9;

    • h.

      het aanleggen en behouden van bodemenergiesystemen, bedoeld in paragraaf 2.1.12; en

    • i.

      het aanleggen en behouden van beschoeiingen en andere profielbeschermingen, bedoeld in paragraaf 2.1.22.

Artikel 2.10 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk aan te leggen of te behouden in het beperkingengebied vaarwegen in beheer bij het hoogheemraadschap.

  • 2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk aan te leggen, te behouden of te verwijderen in het beperkingengebied waterkering, als het bouwwerk:

    • a.

      een woon- of verblijfsfunctie heeft;

    • b.

      een fundering heeft die dieper dan 30 cm onder het maaiveld ligt; of

    • c.

      niet eenvoudig te verplaatsen en te verwijderen is.

  • 3. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk aan te leggen, te behouden of te verwijderen in het waterstaatswerk primaire waterkering of het waterstaatswerk regionale waterkering bij het Amstelmeer of Alkmaarder- en Uitgeestermeer, als het bouwwerk:

    • a.

      geen woon- of verblijfsfunctie heeft;

    • b.

      een fundering heeft die niet dieper dan 30 cm onder het maaiveld ligt; en

    • c.

      eenvoudig te verplaatsen en te verwijderen is.

  • 4. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk aan te leggen of te behouden in een molenbiotoop.

Artikel 2.11 Aanwijzing algemene regels

  • 1. Bij het aanleggen, behouden of verwijderen van een bouwwerk in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam, met uitzondering van vaarwegen, wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.6 en 2.12 tot en met 2.14.

  • 2. Bij het aanleggen, behouden of verwijderen van een bouwwerk in het waterstaatswerk regionale waterkering, met uitzondering van het Amstelmeer of Alkmaarder- en Uitgeestermeer, of in beschermingszone A of B bij een primaire of regionale waterkering, wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.12, 2.13 en 2.15, als het bouwwerk:

    • a.

      geen woon- of verblijfsfunctie heeft;

    • b.

      een fundering heeft die niet dieper dan 30 cm onder het maaiveld ligt; en

    • c.

      eenvoudig te verplaatsen en te verwijderen is.

  • 3. Bij het aanleggen en behouden van een bouwwerk in het waterstaatswerk zandige kust of in beschermingszone A bij zandige kust wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.12, 2.13, 2.15, 2.16 en 2.17, als het bouwwerk:

    • a.

      geen woon- of verblijfsfunctie heeft;

    • b.

      een fundering heeft die niet dieper dan 30 cm onder het maaiveld ligt; en

    • c.

      eenvoudig te verplaatsen en te verwijderen is.

Artikel 2.12 Gegevens en bescheiden

  • 1. Ten minste vijf werkdagen voor het aanleggen of verwijderen van het bouwwerk worden aan het bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar het bouwwerk wordt aangelegd; en

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

  • 2. Uiterlijk twee weken na afronding van het aanleggen van het bouwwerk worden aan het bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de definitieve ligging van het bouwwerk; en

    • b.

      de objectgegevens.

Artikel 2.13 Beheer en onderhoud

Het beheer en onderhoud van het bouwwerk en de grond en/of het water binnen 1 meter rondom het bouwwerk, wordt door of namens de initiatiefnemer uitgevoerd.

Artikel 2.14 Bouwwerk in oppervlaktewater

Als het bouwwerk in een oppervlaktewaterlichaam wordt geplaatst, is paragraaf 2.1.21 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.15 Stormseizoen

In het waterstaatswerk zandige kust, beschermingszone A bij een primaire waterkering of zandige kust en beschermingszone B bij een primaire waterkering worden de werkzaamheden niet uitgevoerd tussen 15 oktober en 15 april.

Artikel 2.16 Ontgravingen zandige kust

  • 1. Er wordt niet meer grond ontgraven dan noodzakelijk is voor het aanleggen van het bouwwerk.

  • 2. Het hoogteverschil bij ontgravingen is niet meer dan één meter ten opzichte van het huidige profiel.

  • 3. Het zand dat is ontgraven wordt op de bouwlocatie teruggebracht en wordt behouden in het profiel.

  • 4. Het aangevulde zand wordt zodanig verwerkt dat het goed aansluit op de aanwezige duin.

Artikel 2.17 Beperken zandverstuiving zandige kust

  • 1. De houder zorgt ervoor dat er zo min mogelijk zandverstuiving plaatsvindt.

  • 2. De grondaanvulling wordt zo spoedig mogelijk ingepland met minimaal 9 helmplanten per vierkante meter.

  • 3. Op aanwijzing van de toezichthouder worden zo nodig rietschermen geplaatst.

Artikel 2.18 Maatwerkvoorschriften

  • 1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.3, 2.6 en 2.13 tot en met 2.17.

  • 2. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 2.6 en 2.13 tot en met 2.17.

  • 3. Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het aanleggen of verwijderen van een bouwwerk in afwijking van artikel 2.6, 2.13, 2.14, 2.15, 2.16 of 2.17 worden gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en

    • e.

      de wijze waarop de omgeving en de belanghebbenden bij de voorgenomen activiteit zijn betrokken.

§ 2.1.2.2 Aanleggen van seizoenstrandbouwwerken

Artikel 2.19 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen en behouden van bouwwerken die alleen tussen 15 maart en 15 oktober op het zeestrand staan in beschermingszone A aan de zeezijde van zandige kust en beschermingszone B aan de zeezijde van zandige kust.

Artikel 2.20 Aanwijzing algemene regels

Bij het aanleggen en behouden van een bouwwerk dat alleen tussen 15 maart en 15 oktober op het zeestrand staat in beschermingszone A en B aan de zeezijde van zandige kust wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.21 tot en met 2.24.

Artikel 2.21 Gegevens en bescheiden

  • 1. Ten minste vijf werkdagen voor het aanleggen van het bouwwerk worden aan het bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar het bouwwerk wordt aangelegd; en

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

  • 2. Uiterlijk twee weken na afronding van het aanleggen van het bouwwerk worden aan het bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de definitieve ligging van het bouwwerk; en

    • b.

      de objectgegevens.

Artikel 2.22 Strandpaviljoens

  • 1. Strandpaviljoens worden geplaatst op palen die minimaal drie meter uit elkaar staan.

  • 2. Het vloerpeil van een strandpaviljoen ligt op tenminste NAP+4,50 m.

  • 3. De ruimte onder de vloerplaat is vrij van gebruik en is doorstuifbaar.

Artikel 2.23 Plaats bouwwerken

  • 1. Het bouwwerk wordt op basis van een voorafgaande aanwijzing van de gebiedsbeheerders van het hoogheemraadschap en Rijkswaterstaat op het strand geplaatst.

  • 2. Het bouwwerk wordt voor de duinvoet geplaatst, waarbij ten minste een strook van 10 meter droog strand vrijgehouden wordt.

Artikel 2.24 Beheer en onderhoud van het bouwwerk

Het beheer en onderhoud van het bouwwerk wordt door of namens de initiatiefnemer uitgevoerd.

Artikel 2.25 Maatwerkvoorschriften

  • 1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.3 en 2.22 tot en met 2.24.

  • 2. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 2.22, 2.23, eerste lid, en 2.24.

  • 3. Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het aanleggen van een bouwwerk in afwijking van artikel 2.22, 2.23 of 2.24 worden gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en

    • e.

      de wijze waarop de omgeving en de belanghebbenden bij de voorgenomen activiteit zijn betrokken.

Paragraaf 2.1.3 Aanleggen en verwijderen van bruggen en aquaducten

Artikel 2.26 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen, behouden en verwijderen van bruggen en aquaducten in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam en het beperkingengebied waterkering.

Artikel 2.27 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een aquaduct aan te leggen, te behouden of te verwijderen in het beperkingengebied waterkering of het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam.

  • 2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een brug aan te leggen of te behouden in het beperkingengebied waterkering, het beperkingengebied primair water of het beperkingengebied vaarwegen in beheer bij het hoogheemraadschap.

  • 3. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een brug te verwijderen in het beperkingengebied waterkering of het beperkingengebied primair water.

Artikel 2.28 Aanwijzing algemene regels

  • 1. Bij het aanleggen of behouden van een brug in het beperkingengebied secundair of tertiair water, met uitzondering van vaarwegen, buiten het beperkingengebied waterkering wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.6 en 2.29 tot en met 2.31.

  • 2. Bij het verwijderen van een brug in het beperkingengebied secundair of tertiair water buiten het beperkingengebied waterkering wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.6, 2.29, 2.31 en 2.32.

Artikel 2.29 Gegevens en bescheiden

  • 1. Ten minste vijf werkdagen voor het aanleggen of verwijderen van de brug worden aan het bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de brug wordt aangelegd of verwijderd; en

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

  • 2. Uiterlijk twee weken na afronding van het aanleggen van de brug worden aan het bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de definitieve ligging van de brug; en

    • b.

      de objectgegevens.

Artikel 2.30 Eisen aan de brug

  • 1. De overspanning wordt aangebracht buiten het oppervlaktewaterlichaam.

  • 2. Landhoofden worden geplaatst buiten het leggerprofiel.

  • 3. Bij recreatieve vaarroutes wordt de minimale doorvaarthoogte, bedoeld in de omgevingsverordening of het omgevingsplan, aangehouden.

Artikel 2.31 Bescherming van het oppervlaktewater

  • 1. Het oppervlaktewaterlichaam blijft voldoen aan het minimaal benodigde doorstroomprofiel, zoals vastgelegd in de legger wateren.

  • 2. De oever wordt zodanig afgewerkt, ingericht en onderhouden dat deze stabiel is en uitzakken of uitspoeling wordt voorkomen.

  • 3. Aanwezige oude beschoeiingsresten of andere oeververdedigingen worden volledig verwijderd.

Artikel 2.32 Verwijderen brug

Een buiten bedrijf gestelde brug wordt in overleg met het hoogheemraadschap verwijderd.

Artikel 2.33 Maatwerkvoorschriften

  • 1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.3, 2.6, 2.30 en 2.31.

  • 2. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 2.6, 2.30 en 2.31.

  • 3. Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het aanleggen of verwijderen van een brug in afwijking van artikel 2.6, 2.30 of 2.31 worden gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en

    • e.

      de wijze waarop de omgeving en de belanghebbenden bij de voorgenomen activiteit zijn betrokken.

Paragraaf 2.1.4 Aanleggen en verwijderen van duikers

Artikel 2.34 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen, behouden en verwijderen van duikers in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam en het beperkingengebied waterkering.

Artikel 2.35 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een duiker aan te leggen, te behouden of te verwijderen in het beperkingengebied primair water of in het beperkingengebied waterkering.

  • 2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een duiker aan te leggen of te behouden in het beperkingengebied vaarwegen in beheer bij het hoogheemraadschap.

  • 3. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een sifon of hevel aan te leggen, te behouden of te verwijderen in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam of het beperkingengebied waterkering.

Artikel 2.36 Aanwijzing algemene regels

  • 1. Bij het aanleggen of behouden van een duiker in het beperkingengebied secundair of tertiair water, met uitzondering van vaarwegen, buiten het beperkingengebied waterkering wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.6 en 2.37 tot en met 2.41.

  • 2. Bij het verwijderen van een duiker in het beperkingengebied secundair of tertiair water buiten het beperkingengebied waterkering wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.6, 2.37, 2.41 en 2.42.

Artikel 2.37 Gegevens en bescheiden

  • 1. Ten minste vijf werkdagen voor het aanleggen of verwijderen van de duiker worden aan het bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de duiker wordt aangelegd of verwijderd; en

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

  • 2. Uiterlijk twee weken na afronding van het aanleggen van de duiker worden aan het bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de definitieve ligging van de duiker; en

    • b.

      de objectgegevens.

Artikel 2.38 Afmetingen en capaciteit duiker

  • 1. De duiker heeft een lengte van ten hoogste 15 meter.

  • 2. De capaciteit van de duiker wordt bepaald volgens paragraaf 4.4 toelichting Legger Wateren en tabel 14 in bijlage 1 van de toelichting Legger Wateren.

Artikel 2.39 Bergingscapaciteit oppervlaktewater

  • 1. Het verlies aan bergingscapaciteit in het oppervlaktewaterlichaam wordt gecompenseerd door binnen hetzelfde peilgebied bestaand water te verbreden of nieuw water te graven met tenminste hetzelfde oppervlak.

  • 2. Het eerste lid geldt niet als er door de aanleg van de duiker minder dan 35 m2 van het oppervlaktewaterlichaam wordt gedempt.

Artikel 2.40 Waterpeil

Het waterpeil en peilbeheer blijven aan beide zijden van de duiker gelijk.

Artikel 2.41 Bescherming van het oppervlaktewater

De oever wordt zodanig afgewerkt, ingericht en onderhouden dat deze stabiel is en uitzakken of uitspoeling wordt voorkomen.

Artikel 2.42 Verwijderen duiker

Een buiten bedrijf gestelde duiker wordt in overleg met het hoogheemraadschap verwijderd.

Artikel 2.43 Maatwerkvoorschriften

  • 1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.3, 2.6 en 2.38 tot en met 2.41.

  • 2. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 2.6 en 2.38 tot en met 2.41.

  • 3. Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het aanleggen of verwijderen van een duiker in afwijking van artikel 2.6, 2.38, 2.39, 2.40 of 2.41 worden gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en

    • e.

      de wijze waarop de omgeving en de belanghebbenden bij de voorgenomen activiteit zijn betrokken.

Paragraaf 2.1.5 Aanleggen van toegangsdammen

Artikel 2.44 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen, behouden en verwijderen van toegangsdammen in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam en het beperkingengebied waterkering.

Artikel 2.45 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een toegangsdam aan te leggen, te behouden of te verwijderen in het beperkingengebied primair water of het beperkingengebied waterkering.

  • 2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een toegangsdam aan te leggen of te behouden in het beperkingengebied vaarwegen in beheer bij het hoogheemraadschap.

Artikel 2.46 Aanwijzing algemene regels

Bij het aanleggen, behouden of verwijderen van een toegangsdam in het beperkingengebied secundair of tertiair water, met uitzondering van vaarwegen, buiten het beperkingengebied waterkering wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.6 en 2.47 tot en met 2.49.

Artikel 2.47 Gegevens en bescheiden

  • 1. Ten minste vijf werkdagen voor het aanleggen van de toegangsdam worden aan het bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de toegangsdam wordt aangelegd; en

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

  • 2. Uiterlijk twee weken na afronding van het aanleggen van de toegangsdam worden aan het bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de definitieve ligging van de toegangsdam; en

    • b.

      de objectgegevens.

Artikel 2.48 Duiker

  • 1. De toegangsdam wordt voorzien van een duiker.

  • 2. Bij het aanleggen van de duiker wordt voldaan aan paragraaf 2.1.4.

Artikel 2.49 Verwijderen dam

Een buiten bedrijf gestelde toegangsdam wordt in overleg met het hoogheemraadschap verwijderd.

Artikel 2.50 Maatwerkvoorschriften

  • 1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.3, 2.6, 2.48 en 2.49.

  • 2. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 2.6, 2.48 en 2.49.

  • 3. Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het aanleggen of verwijderen van een toegangsdam in afwijking van artikel 2.6, 2.48 of 2.49 worden gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en

    • e.

      de wijze waarop de omgeving en de belanghebbenden bij de voorgenomen activiteit zijn betrokken.

Paragraaf 2.1.6 Aanleggen van steigers, vlonders, boothuizen, drijvende bouwwerken en andere overhangende bouwwerken

Artikel 2.51 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van steigers, vlonders, boothuizen, drijvende bouwwerken en andere overhangende bouwwerken in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam en het beperkingengebied waterkering.

Artikel 2.52 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een steiger, vlonder, boothuis, drijvend bouwwerk of ander overhangend bouwwerk aan te leggen of te behouden in het beperkingengebied vaarwegen in beheer bij het hoogheemraadschap.

  • 2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een steiger, vlonder, boothuis, drijvend bouwwerk of ander overhangend bouwwerk aan te leggen of te behouden in het beperkingengebied waterkering.

Artikel 2.53 Aanwijzing algemene regels

Bij het aanleggen of behouden van een steiger, vlonder, boothuis, drijvend bouwwerk of ander overhangend bouwwerk in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam, met uitzondering van vaarwegen, wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.6 en 2.54 tot en met 2.56.

Artikel 2.54 Gegevens en bescheiden

  • 1. Ten minste vijf werkdagen voor het aanleggen of verwijderen van het bouwwerk worden aan het bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar het bouwwerk wordt aangelegd; en

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

  • 2. Uiterlijk twee weken na afronding van het aanleggen van het bouwwerk worden aan het bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de definitieve ligging van het bouwwerk; en

    • b.

      de objectgegevens.

Artikel 2.55 Plaatsing van het bouwwerk

Het bouwwerk wordt meer dan 50 meter van de in- of uitstroomopening van een gemaal gerealiseerd.

Artikel 2.56 Onderhoud van het bouwwerk

Het beheer en onderhoud van het bouwwerk en de grond binnen 1 meter rondom het bouwwerk wordt door of namens de initiatiefnemer uitgevoerd.

Artikel 2.57 Maatwerkvoorschriften

  • 1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.3, 2.6, 2.55 en 2.56.

  • 2. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 2.6, 2.55 en 2.56.

  • 3. Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor aanleggen van een steiger, vlonder, boothuis, drijvend bouwwerk of ander overhangend bouwwerk in afwijking van artikel 2.6, 2.55 of 2.56 worden gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en

    • e.

      de wijze waarop de omgeving en de belanghebbenden bij de voorgenomen activiteit zijn betrokken.

Paragraaf 2.1.7 Aanleggen en verwijderen van lozings- en onttrekkingswerken

Artikel 2.58 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen en verwijderen van lozings- en onttrekkingswerken in het waterstaatswerk waterkering en beschermingszone A bij een waterkering.

Artikel 2.59 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een lozings- of onttrekkingswerk aan te leggen, te behouden of te verwijderen in het waterstaatswerk waterkering of beschermingszone A bij een waterkering.

Paragraaf 2.1.8 Aanleggen en verwijderen van taludtrappen

Artikel 2.60 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen, behouden en verwijderen van taludtrappen in het waterstaatswerk primaire waterkering, het waterstaatswerk regionale waterkering en beschermingszone A bij een primaire of regionale waterkering.

Artikel 2.61 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een taludtrap aan te leggen, te behouden of te verwijderen in het waterstaatswerk primaire waterkering, het waterstaatswerk regionale waterkering bij het Amstelmeer of Alkmaarder- en Uitgeestermeer of in beschermingszone A bij die waterstaatswerken.

Artikel 2.62 Aanwijzing algemene regels

Bij het aanleggen, behouden of verwijderen van een taludtrap in het waterstaatswerk regionale waterkering, met uitzondering van het Amstelmeer of Alkmaarder en Uitgeestermeer, of in de bijbehorende beschermingszone A wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.63 tot en met 2.67.

Artikel 2.63 Gegevens en bescheiden

  • 1. Ten minste vijf werkdagen voor het aanleggen van de taludtrap worden aan het bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de taludtrap wordt aangelegd; en

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

  • 2. Uiterlijk twee weken na afronding van het aanleggen van de taludtrap worden aan het bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de definitieve ligging van de taludtrap; en

    • b.

      de objectgegevens.

Artikel 2.64 Constructie van de trap

  • 1. De trap wordt opgebouwd uit losse elementen van beton die opgesloten worden.

  • 2. De hoogte van de elementen en de opsluiten is gelijk aan het maaiveld.

  • 3. De trap bevat geen openingen in de constructie en in de aansluiten op de weg of het toegangspad.

  • 4. Voor fietsen wordt een betonnen voorziening in de vorm van een fietsgoot aangebracht.

Artikel 2.65 Plaatsing van de trap

  • 1. De trap wordt direct op het dijkmateriaal aangebracht.

  • 2. De elementen van de trap worden gesteld met zandcement.

  • 3. Onder de trap wordt een kleilaag aangebracht die minimaal gelijk is aan de bestaande kleilaag van de waterkering.

Artikel 2.66 Onderhoud

Het beheer en onderhoud van de taludtrap en de grond binnen 1 meter rondom het bouwwerk wordt door of namens de initiatiefnemer uitgevoerd.

Artikel 2.67 Verwijderen taludtrap

Een buiten bedrijf gestelde taludtrap wordt in overleg met het hoogheemraadschap verwijderd.

Artikel 2.68 Maatwerkvoorschriften

  • 1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.3 en 2.64 tot en met 2.66.

  • 2. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 2.64 tot en met 2.66.

  • 3. Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het aanleggen van een taludtrap in afwijking van de artikelen 2.64 tot en met 2.66 worden gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en

    • e.

      de wijze waarop de omgeving en de belanghebbenden bij de voorgenomen activiteit zijn betrokken.

Paragraaf 2.1.9 Aanleggen van wegen, fietspaden, wandelpaden en uitritten

Artikel 2.69 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van wegen, fietspaden, wandelpaden en uitritten in het waterstaatswerk waterkering en beschermingszone A bij een waterkering.

Artikel 2.70 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een weg, fietspad, wandelpad of uitrit aan te leggen in het waterstaatswerk waterkering en beschermingszone A bij een waterkering.

Paragraaf 2.1.10 Aanbrengen van verhard oppervlak

Artikel 2.71 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanbrengen van verhard oppervlak in het beheergebied.

Artikel 2.72 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning meer dan 2000 m2 verhard oppervlak aan te brengen.

Artikel 2.73 Aanwijzing algemene regels

Bij het aanbrengen van verhard oppervlak wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.74 en 2.75, als er niet meer dan 2000 m2 verhard oppervlak wordt aangebracht.

Artikel 2.74 Gegevens en bescheiden

  • 1. Ten minste vijf werkdagen voor het aanbrengen van het verhard oppervlak worden aan het bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar het verhard oppervlak wordt aangelegd; en

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

  • 2. Uiterlijk twee weken na afronding van het aanbrengen van het verhard oppervlak worden aan het bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de definitieve ligging van het verhard oppervlak; en

    • b.

      de objectgegevens.

Artikel 2.75 Compensatie verhard oppervlak

  • 1. Het nieuw aangebrachte verharde oppervlak wordt gecompenseerd door binnen hetzelfde peilgebied 10 procent van de oppervlakte ervan als verbreed of nieuw water te graven.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing als er minder dan 800 m2 verhard oppervlak wordt aangebracht.

Artikel 2.76 Maatwerkvoorschriften

  • 1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.3 en 2.75.

  • 2. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van artikel 2.75.

  • 3. Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het aanbrengen van verhard oppervlak in afwijking van artikel 2.75 worden gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en

    • e.

      de wijze waarop de omgeving en de belanghebbenden bij de voorgenomen activiteit zijn betrokken.

Paragraaf 2.1.11 Aanleggen en verwijderen van windturbines

Artikel 2.77 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen, behouden en verwijderen van windturbines in het beheergebied.

Artikel 2.78 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een windturbine aan te leggen, te behouden of te verwijderen in het beperkingengebied waterkering.

Artikel 2.79 Aanwijzing algemene regels

Bij het aanleggen of behouden van een windturbine buiten het beperkingengebied waterkering wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.80 en 2.81.

Artikel 2.80 Gegevens en bescheiden

  • 1. Ten minste vijf werkdagen voor het aanleggen van de windturbine worden aan het bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de windturbine wordt aangelegd; en

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

  • 2. Uiterlijk twee weken na afronding van het aanleggen van de windturbine worden aan het bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de definitieve ligging van de windturbine; en

    • b.

      de objectgegevens.

Artikel 2.81 Afstand tot het beperkingengebied waterkering

De afstand tussen de windturbine en het beperkingengebied waterkering is ten minste gelijk aan de hoogte van de windturbine.

Artikel 2.82 Maatwerkvoorschriften

  • 1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.3 en 2.81.

  • 2. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van artikel 2.81.

  • 3. Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het aanleggen van een windturbine in afwijking van artikel 2.81 worden gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en

    • e.

      de wijze waarop de omgeving en de belanghebbenden bij de voorgenomen activiteit zijn betrokken.

Paragraaf 2.1.12 Aanleggen van bodemenergiesystemen

Artikel 2.83 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van bodemenergiesystemen in het waterstaatswerk waterkering en beschermingszone A bij een waterkering.

Artikel 2.84 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bodemenergiesysteem aan te leggen in het waterstaatswerk waterkering of beschermingszone A bij een waterkering.

Paragraaf 2.1.13 Verrichten van ontgravingen

Artikel 2.85 Toepassingsbereik

  • 1. Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van ontgravingen in het beperkingengebied waterkering.

  • 2. Deze paragraaf is niet van toepassing op:

    • a.

      het aanleggen van bouwwerken, bedoeld in paragraaf 2.1.2;

    • b.

      het aanleggen van bruggen en aquaducten, bedoeld in paragraaf 2.1.3;

    • c.

      het aanleggen en verwijderen van duikers, bedoeld in paragraaf 2.1.4;

    • d.

      het aanleggen van toegangsdammen, bedoeld in paragraaf 2.1.5;

    • e.

      het aanleggen en verwijderen van lozings- en onttrekkingswerken, bedoeld in paragraaf 2.1.7;

    • f.

      het aanleggen en verwijderen van taludtrappen, bedoeld in paragraaf 2.1.8;

    • g.

      het aanleggen van wegen, fietspaden, wandelpaden en uitritten, bedoeld in paragraaf 2.1.9;

    • h.

      het aanleggen en verwijderen van windturbines, bedoeld in paragraaf 2.1.11;

    • i.

      het aanleggen van bodemenergiesystemen, bedoeld in paragraaf 2.1.12;

    • j.

      het aanbrengen van drainagebuizen en ontwateringsgreppels, bedoeld in paragraaf 2.1.14;

    • k.

      het aanleggen en verwijderen van kabels en leidingen, bedoeld in paragraaf 2.1.17;

    • l.

      het graven van proefsleuven, bedoeld in paragraaf 2.1.18;

    • m.

      het graven van nieuw water, bedoeld in paragraaf 2.1.19;

    • n.

      het verbreden van bestaand water, bedoeld in paragraaf 2.1.20; en

    • o.

      het aanleggen en verwijderen van natuurvriendelijke oevers, bedoeld in paragraaf 2.1.23.

Artikel 2.86 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een ontgraving te verrichten in het waterstaatswerk waterkering en beschermingszone A bij een waterkering.

Artikel 2.87 Aanwijzing algemene regels

Bij het verrichten van een ontgraving in beschermingszone B bij een waterkering wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.88 tot en met 2.90.

Artikel 2.88 Gegevens en bescheiden

  • 1. Ten minste vijf werkdagen voor het verrichten van de ontgraving worden aan het bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie van de ontgraving; en

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

  • 2. Uiterlijk twee weken na afronding van de ontgraving worden aan het bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de definitieve ligging van de ontgraving; en

    • b.

      de objectgegevens.

Artikel 2.89 Stormseizoen

In beschermingszone B bij een primaire waterkering worden de werkzaamheden niet uitgevoerd tussen 15 oktober en 15 april.

Artikel 2.90 Diepte

De ontgraving gaat niet dieper dan de pleistocene grondlaag.

Artikel 2.91 Maatwerkvoorschriften

  • 1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.3, 2.89 en 2.90.

  • 2. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van artikel 2.89 en 2.90.

  • 3. Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het verrichten van een ontgraving in afwijking van artikel 2.89 of 2.90 worden gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en

    • e.

      de wijze waarop de omgeving en de belanghebbenden bij de voorgenomen activiteit zijn betrokken.

Paragraaf 2.1.14 Aanbrengen en verwijderen van drainagebuizen en ontwateringsgreppels

Artikel 2.92 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanbrengen, behouden en verwijderen van drainagebuizen en ontwateringsgreppels in het beheergebied.

Artikel 2.93 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een drainagebuis of ontwateringsgreppel aan te leggen, te behouden of te verwijderen in het waterstaatswerk waterkering of in beschermingszone A bij een waterkering.

  • 2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een samengestelde, gecontroleerde of peilgestuurde drainage aan te leggen in het beheergebied.

Artikel 2.94 Aanwijzing algemene regels

  • 1. Bij het aanleggen, behouden of verwijderen van een drainagebuis of ontwateringsgreppel buiten het waterstaatswerk waterkering en de bijbehorende beschermingszone A wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.94 tot en met 2.97.

Artikel 2.95 Gegevens en bescheiden

  • 1. Ten minste vijf werkdagen voor het aanleggen van de drainagebuis of ontwateringsgreppel worden aan het bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de drainagebuis of ontwateringsgreppel wordt aangelegd; en

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

  • 2. Uiterlijk twee weken na afronding van het aanleggen van de drainagebuis of ontwateringsgreppel worden aan het bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de definitieve ligging van de drainagebuis of ontwateringsgreppel; en

    • b.

      de objectgegevens.

Artikel 2.96 Plaatsing

De hoge kant van de drainagebuis of ontwateringsgreppel wordt meer dan 5 meter uit de insteek van een oppervlaktewaterlichaam aangelegd.

Artikel 2.97 Verwijderen

Een buiten bedrijf gestelde drainagebuis of ontwateringsgreppel wordt in overleg met het hoogheemraadschap verwijderd.

Artikel 2.98 Maatwerkvoorschriften

  • 1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.3 en 2.96.

  • 2. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van artikel 2.96.

  • 3. Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het aanleggen van een drainagebuis of ontwateringsgreppel in afwijking van artikel 2.96 worden gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en

    • e.

      de wijze waarop de omgeving en de belanghebbenden bij de voorgenomen activiteit zijn betrokken.

Paragraaf 2.1.15 Aanleggen en verwijderen van verticale drainages

Artikel 2.99 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen, behouden en verwijderen van verticale drainages in het waterstaatswerk waterkering of beschermingszone A bij een waterkering.

Artikel 2.100 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een verticale drainage aan te leggen, te behouden of te verwijderen in het waterstaatswerk waterkering of beschermingszone A bij een waterkering.

Paragraaf 2.1.16 Onderzoek

§ 2.1.16.1 Verrichten van grondonderzoek

Artikel 2.101 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van grondonderzoek in het waterstaatswerk primaire of regionale waterkering en in beschermingszone A bij een primaire of regionale waterkering.

Artikel 2.102 Aanwijzing algemene regels

Bij het verrichten van grondonderzoek door middel van grondboring of sondering in het waterstaatswerk primaire of regionale waterkering of beschermingszone A bij een primaire of regionale waterkering wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en artikelen 2.103 en 2.104.

Artikel 2.103 Gegevens en bescheiden

Ten minste vijf werkdagen voor het verrichten van het grondonderzoek worden aan het bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over:

  • a.

    de aard van de activiteit;

  • b.

    de locatie waar het grondonderzoek wordt verricht; en

  • c.

    de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Artikel 2.104 Uitvoering

  • 1. Op een primaire waterkering of in de bijbehorende beschermingszone A worden de werkzaamheden niet uitgevoerd tussen 15 oktober en 15 april.

  • 2. De werkzaamheden worden alleen uitgevoerd als de ondergrond zo droog is dat er geen rijsporen of andere schade wordt veroorzaakt.

  • 3. Boorgaten worden na uitvoering van de werkzaamheden gevuld met zwelstaven of kleikorrels om verbindingen met watervoerende lagen af te dichten.

Artikel 2.105 Maatwerkvoorschriften

  • 1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.3 en 2.104.

  • 2. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van artikel 2.104.

  • 3. Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het verrichten van grondonderzoek in afwijking van artikel 2.104 worden gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en

    • e.

      de wijze waarop de omgeving en de belanghebbenden bij de voorgenomen activiteit zijn betrokken.

§ 2.1.16.2 Verrichten van seismisch onderzoek

Artikel 2.106 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van seismisch onderzoek in het beperkingengebied waterkering.

Artikel 2.107 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning seismisch onderzoek te verrichten in het beperkingengebied waterkering.

§ 2.1.16.3 Aanleggen en verwijderen van peilbuizen

Artikel 2.108 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen, behouden en verwijderen van peilbuizen in het waterstaatswerk waterkering of in beschermingszone A bij een waterkering.

Artikel 2.109 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een peilbuis aan te leggen, te behouden of te verwijderen in het waterstaatswerk waterkering of in beschermingszone A bij een waterkering.

Paragraaf 2.1.17 Aanleggen en verwijderen van kabels en leidingen

Artikel 2.110 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen, behouden en verwijderen van kabels en leidingen in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam en het beperkingengebied waterkering.

Artikel 2.111 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding aan te leggen of te behouden in het beperkingengebied vaarwegen in beheer bij het hoogheemraadschap.

  • 2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding aan te leggen, te behouden of te verwijderen in het waterstaatswerk waterkering of beschermingszone A bij een waterkering.

  • 3. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een leiding aan te leggen, te behouden of te verwijderen in beschermingszone B bij een waterkering, als:

    • a.

      deze een druk van 10 bar of hoger heeft;

    • b.

      deze een binnendiameter van 125 mm of groter heeft; of

    • c.

      het een transportleiding is.

Artikel 2.112 Aanwijzing algemene regels

  • 1. Bij het aanleggen of behouden van een kabel of leiding in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam, met uitzondering van vaarwegen, wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.113 tot en met 2.115, als deze:

    • a.

      het oppervlaktewaterlichaam kruist; en

    • b.

      wordt aangelegd door middel van een gestuurde persing of boring, boogzinkers of een open ontgraving.

  • 2. Bij het aanleggen of behouden van een kabel of leiding in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam, met uitzondering van vaarwegen, wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.113 tot en met 2.116, als deze parallel aan het oppervlaktewaterlichaam wordt aangelegd.

  • 3. Bij het aanleggen of behouden van een kabel of leiding in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam, met uitzondering van vaarwegen, wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.113 en 2.117, als deze wordt aangelegd binnen een afstand van 1 m van een kunstwerk.

  • 4. Bij het verwijderen van een kabel of leiding in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.113 en 2.118.

Artikel 2.113 Gegevens en bescheiden

  • 1. Ten minste vijf werkdagen voor het aanleggen of verwijderen van de kabel of leiding worden aan het bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de kabel of leiding wordt aangelegd; en

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

  • 2. Uiterlijk twee weken na afronding van het aanleggen van het bouwwerk worden aan het bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de definitieve ligging van de kabel of leiding; en

    • b.

      de objectgegevens.

  • 3. Informatie over de start van de werkzaamheden wordt verstrekt door middel van het MOOR platform.

Artikel 2.114 Plaatsing bij oppervlaktewater

  • 1. De kabel of leiding wordt minimaal 1 meter onder de vaste waterbodem en onder het talud gelegd.

  • 2. Tijdens de aanleg worden de doorstroming en doorvaart in het oppervlaktewaterlichaam niet gestremd of belemmerd.

  • 3. Direct na aanleg worden het talud en de waterbodem in oorspronkelijke staat hersteld in goede aansluiting op het bestaande talud en de waterbodem.

Artikel 2.115 Onderhoud

De leiding wordt zodanig onderhouden dat er geen lekkage ontstaat.

Artikel 2.116 Ligging van de kabel of leiding

De kabel of leiding moet worden aangelegd op een afstand van ten minste:

  • a.

    1 meter uit het leggerprofiel; of

  • b.

    als het bestaande profiel groter is dan het leggerprofiel: 1 meter uit het bestaande profiel.

Artikel 2.117 Kabel of leiding bij een kunstwerk

  • 1. De kabel of leiding wordt op voldoende afstand van een kunstwerk aangelegd zodat onbelemmerd onderhoud aan het kunstwerk en de kabel of leiding mogelijk blijft.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan een kabel of leiding aan een kunstwerk worden bevestigd, als:

    • a.

      de doorstroming of het doorvaartprofiel niet wordt verkleind; en

    • b.

      vervanging of vernieuwing van het kunstwerk te allen tijde mogelijk blijft.

Artikel 2.118 Verwijderen van een kabel of leiding

  • 1. Een beschadigde kabel of leiding wordt zo snel mogelijk verwijderd, gerepareerd of vervangen.

  • 2. Een buiten bedrijf gestelde kabel of leiding wordt verwijderd door of in opdracht van de initiatiefnemer.

  • 3. Direct na verwijdering van de kabel of leiding worden het talud en de waterbodem in oorspronkelijke staat hersteld in goede aansluiting op het bestaande talud en de waterbodem.

Artikel 2.119 Maatwerkvoorschriften

  • 1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.3 en 2.114 tot en met 2.118.

  • 2. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 2.114 tot en met 2.118.

  • 3. Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het aanleggen of verwijderen van een kabel of leiding in afwijking van artikel 2.114, 2.115, 2.116, 2.117 of 2.118 worden gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en

    • e.

      de wijze waarop de omgeving en de belanghebbenden bij de voorgenomen activiteit zijn betrokken.

Paragraaf 2.1.18 Graven van proefsleuven

Artikel 2.120 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het graven van proefsleuven in het waterstaatswerk primaire en regionale waterkering en in beschermingszone A bij een primaire of regionale waterkering.

Artikel 2.121 Aanwijzing algemene regels

Bij het graven van een proefsleuf in het waterstaatswerk primaire of regionale waterkering of in beschermingszone A bij een primaire of regionale waterkering wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.122 tot en met 2.125.

Artikel 2.122 Gegevens en bescheiden

Ten minste vijf werkdagen voor het graven van de proefsleuf worden aan het bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over:

  • a.

    de aard van de activiteit; en

  • b.

    de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Artikel 2.123 Toegestane ontgravingen

  • 1. Een ontgraving vindt alleen plaats:

    • a.

      bij reguliere waterpeilen op het buitenwater;

    • b.

      tot een diepte maximaal 1 m;

    • c.

      tot een sleufbreedte van maximaal 0,5 m; en

    • d.

      als maximaal de helft van de kruin van de kering gelijktijdig wordt ontgraven.

  • 2. Op een primaire waterkering of in de bijbehorende beschermingszone A worden de werkzaamheden niet verricht tussen 15 oktober en 15 april.

Artikel 2.124 Aanvullen van de ontgraving

  • 1. De ontgraving wordt zo snel mogelijk aangevuld.

  • 2. De verdichting van de aanvulling is gelijk aan de bestaande dichtheid.

  • 3. De aanvulling is homogeen zonder vreemde bestanddelen zoals zand, stenen, wortels en verontreinigingen.

  • 4. De aanvulling wordt zodanig afgewerkt dat boven en naast de aanvulling geen plasvorming ontstaat.

  • 5. Bij een aanvulling in het talud wordt het talud afgewerkt in goede aansluiting op de taludhelling.

  • 6. Overtollige of uitgekomen grond, puin of ander materiaal wordt direct afgevoerd en wordt voor zoveel als nodig is vervangen door schone grondsoorten.

  • 7. Onder een grasmatvegetatie bestaat de bovenste aanvulling uit 0,20 meter teelaarde.

Artikel 2.125 Grasmat

  • 1. Direct voorafgaand aan de werkzaamheden wordt het gras gemaaid en afgevoerd.

  • 2. De zoden van de grasmat worden vakkundig afgestoken en terzijde gelegd.

  • 3. De ontgraving wordt zo snel mogelijk na voltooiing van de werkzaamheden aangevuld en afgedekt met de afgestoken zoden.

  • 4. Als hergebruik van de zoden niet mogelijk is, wordt de bekleding hersteld door het inzaaien van een dijkgrasmengsel.

Artikel 2.126 Maatwerkvoorschriften

  • 1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.3 en 2.123 tot en met 2.125.

  • 2. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 2.123 tot en met 2.125.

  • 3. Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het graven van een proefsleuf in afwijking van artikel 2.123, 2.124 of 2.125 worden gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en

    • e.

      de wijze waarop de omgeving en de belanghebbenden bij de voorgenomen activiteit zijn betrokken.

Paragraaf 2.1.19 Graven van nieuw water

Artikel 2.127 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het graven van nieuw water in het beheergebied.

Artikel 2.128 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning nieuw water te graven in gebied met hellende waterbodems en droogvallend water.

  • 2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning nieuw water te graven in het waterstaatswerk waterkering en in beschermingszone A bij een waterkering.

Artikel 2.129 Aanwijzing algemene regels

  • 1. Bij het graven van nieuw water in het beheergebied, met uitzondering van gebied met hellende waterbodems en droogvallend water en het waterstaatswerk waterkering en beschermingszone A bij een waterkering, wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.6 en 2.130 tot en met 2.133.

  • 2. Bij het graven van nieuw water in beschermingszone B bij een primaire waterkering wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.130, 2.133 en 2.134.

Artikel 2.130 Gegevens en bescheiden

  • 1. Ten minste vijf werkdagen voor het graven van het water worden aan het bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar het water wordt gegraven; en

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

  • 2. Uiterlijk twee weken na afronding van het graven worden aan het bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de definitieve locatie van het water; en

    • b.

      de objectgegevens.

Artikel 2.131 Eisen aan het water

  • 1. Er wordt geen verbinding gemaakt tussen verschillende waterpeilen.

  • 2. Het doorstroomprofiel wordt bepaald volgens paragraaf 4.4 toelichting Legger Wateren en in bijlage 1 van de toelichting Legger Wateren.

  • 3. De oever wordt zodanig afgewerkt, ingericht en onderhouden dat deze stabiel is en uitzakken of uitspoeling wordt voorkomen.

Artikel 2.132 Ligging van het water

  • 1. Het water wordt gegraven op grond die eigendom is van de initiatiefnemer.

  • 2. Het water wordt gegraven op een afstand van ten minste 1,5 meter vanaf de kadastrale grens, tenzij het aangrenzende perceel ook eigendom van de initiatiefnemer is.

Artikel 2.133 Stormseizoen

In beschermingszone B bij een primaire waterkering worden de werkzaamheden niet uitgevoerd tussen 15 oktober en 15 april.

Artikel 2.134 Diepte van de ontgraving

De ontgraving gaat niet dieper dan de pleistocene grondlaag.

Artikel 2.135 Maatwerkvoorschriften

  • 1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.3, 2.6 en 2.131 tot en met 2.134.

  • 2. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 2.6 en 2.131 tot en met 2.134.

  • 3. Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het graven van nieuw water in afwijking van artikel 2.6, 2.131, 2.132, 2.133 of 2.134 worden gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en

    • e.

      de wijze waarop de omgeving en de belanghebbenden bij de voorgenomen activiteit zijn betrokken.

Paragraaf 2.1.20 Verbreden van bestaand water

Artikel 2.136 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het verbreden van bestaand water in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam en het beperkingengebied waterkering.

Artikel 2.137 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning bestaand water te verbreden in het beperkingengebied vaarwegen in beheer bij het hoogheemraadschap.

  • 2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning bestaand water te verbreden in het waterstaatswerk waterkering en in beschermingszone A bij een waterkering.

Artikel 2.138 Aanwijzing algemene regels

  • 1. Bij het verbreden van bestaand water in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam, met uitzondering van vaarwegen, wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.6 en 2.139 en 2.140.

  • 2. Bij het verbreden van bestaand water in beschermingszone B bij een primaire waterkering wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.139, 2.141 en 2.142.

Artikel 2.139 Gegevens en bescheiden

  • 1. Ten minste vijf werkdagen voor het verbreden van het water worden aan het bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar het water wordt verbreed; en

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

  • 2. Uiterlijk twee weken na afronding van de verbreding worden aan het bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de definitieve locatie van de verbreding; en

    • b.

      de objectgegevens.

Artikel 2.140 Bescherming van het oppervlaktewater

  • 1. Het water blijft voldoen aan het minimaal benodigde doorstroomprofiel, zoals vastgelegd in de legger wateren.

  • 2. De oever wordt zodanig afgewerkt, ingericht en onderhouden dat deze stabiel is en uitzakken of uitspoeling wordt voorkomen.

  • 3. Oude beschoeiingen of andere werken worden verwijderd.

  • 4. Het water wordt zodanig verbreed dat er geen verlanding plaatsvindt.

Artikel 2.141 Stormseizoen

In beschermingszone B bij een primaire waterkering worden de werkzaamheden niet uitgevoerd tussen 15 oktober en 15 april.

Artikel 2.142 Diepte van de ontgraving

De ontgraving gaat niet dieper dan de pleistocene grondlaag.

Artikel 2.143 Maatwerkvoorschriften

  • 1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.3, 2.6 en 2.140 tot en met 2.142.

  • 2. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 2.6 en 2.140 tot en met 2.142.

  • 3. Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het verbreden van bestaand water in afwijking van artikel 2.6, 2.140, 2.141 of 2.142 worden gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en

    • e.

      de wijze waarop de omgeving en de belanghebbenden bij de voorgenomen activiteit zijn betrokken.

Paragraaf 2.1.21 Geheel of gedeeltelijk dempen van water

Artikel 2.144 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het geheel of gedeeltelijk dempen van water in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.145 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een primair water of secundair water geheel te dempen.

  • 2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een primair water gedeeltelijk te dempen.

Artikel 2.146 Aanwijzing algemene regels

  • 1. Bij het geheel dempen van een tertiair water wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.6, 2.147, 2.148 en 2.150.

  • 2. Bij het gedeeltelijk dempen van een secundair of tertiair water wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.6, 2.147, 2.149 en 2.150.

Artikel 2.147 Gegevens en bescheiden

  • 1. Ten minste vijf werkdagen voor het geheel of gedeeltelijk dempen van het water worden aan het bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar het water wordt gedempt; en

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

  • 2. Uiterlijk twee weken na afronding van de demping worden aan het bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de definitieve locatie van de demping; en

    • b.

      de objectgegevens.

Artikel 2.148 Demping over de totale lengte

  • 1. Het water wordt in de volledige lengte gedempt.

  • 2. Er ontstaat geen afgesloten water waaruit het water niet weg kan stromen.

Artikel 2.149 Bescherming van het oppervlaktewater

  • 1. Het water blijft voldoen aan het minimaal benodigde doorstroomprofiel, zoals vastgelegd in de legger wateren.

  • 2. De oever wordt zodanig afgewerkt, ingericht en onderhouden dat deze stabiel is en uitzakken of uitspoeling wordt voorkomen.

  • 3. Oude beschoeiingen of andere werken worden verwijderd.

Artikel 2.150 Compensatie

  • 1. Het verlies aan berging in het oppervlaktewaterlichaam wordt gecompenseerd door binnen hetzelfde peilgebied bestaand water te verbreden of nieuw water te graven met tenminste dezelfde oppervlakte.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op dempingen van minder dan 35m2.

Artikel 2.151 Maatwerkvoorschriften

  • 1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.3, 2.6 en 2.148 tot en met 2.150.

  • 2. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 2.6 en 2.148 tot en met 2.150.

  • 3. Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het geheel of gedeeltelijk dempen van water in afwijking van artikel 2.6, 2.148, 2.149 of 2.150 worden gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en

    • e.

      de wijze waarop de omgeving en de belanghebbenden bij de voorgenomen activiteit zijn betrokken.

Paragraaf 2.1.22 Aanleggen en verwijderen van beschoeiingen en andere profielbeschermingen

Artikel 2.152 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen, behouden en verwijderen van beschoeiingen en andere profielbeschermingen in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam en het beperkingengebied waterkering.

Artikel 2.153 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een beschoeiing of andere profielbescherming aan te leggen, te behouden of te verwijderen in het beperkingengebied vaarwegen in beheer bij het hoogheemraadschap.

  • 2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een beschoeiing of andere profielbescherming aan te leggen, te behouden of te verwijderen in het waterstaatswerk waterkering en in beschermingszone A bij een waterkering.

Artikel 2.154 Aanwijzing algemene regels

  • 1. Bij het aanleggen van een beschoeiing of andere profielbescherming in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam, met uitzondering van vaarwegen, buiten het waterstaatswerk waterkering en de bijbehorende beschermingszone A wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.6, 2.155 en 2.156.

  • 2. Bij het verwijderen van een beschoeiing of andere profielbescherming in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam buiten het waterstaatswerk waterkering en de bijbehorende beschermingszone A wordt voldaan aan de zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.6 en 2.157.

Artikel 2.155 Gegevens en bescheiden

  • 1. Ten minste vijf werkdagen voor het aanleggen van de beschoeiing of andere profielbescherming worden aan het bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de beschoeiing of andere profielbescherming wordt aangelegd; en

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

  • 2. Uiterlijk twee weken na afronding van het aanleggen van de beschoeiing of andere profielbescherming worden aan het bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de definitieve ligging van de beschoeiing of andere profielbescherming; en

    • b.

      de objectgegevens.

Artikel 2.156 Plaatsing beschoeiing of andere profielbescherming

De beschoeiing of andere profielbescherming wordt geplaatst:

  • a.

    op de oever, voor zover die droog is bij het hoogst gevoerde waterpeil; of

  • b.

    in het water, waarbij wordt voldaan aan de regels over het versmallen van bestaand water, bedoeld in paragraaf 2.1.21.

Artikel 2.157 Verwijderen van de beschoeiing of andere profielbescherming

De beschoeiing of andere profielbescherming wordt in overleg met het hoogheemraadschap verwijderd.

Artikel 2.158 Maatwerkvoorschriften

  • 1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.3, 2.6 en 2.156.

  • 2. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 2.6 en 2.156.

  • 3. Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het aanleggen van een beschoeiing in afwijking van artikel 2.6 of 2.156 worden gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en

    • e.

      de wijze waarop de omgeving en de belanghebbenden bij de voorgenomen activiteit zijn betrokken.

Paragraaf 2.1.23 Aanleggen van natuurvriendelijke oevers

Artikel 2.159 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen en behouden van natuurvriendelijke oevers in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.160 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een natuurvriendelijke oever aan te leggen of te behouden in het waterstaatswerk primaire of regionale waterkering of de bijbehorende beschermingszone A.

Artikel 2.161 Aanwijzing algemene regels

Bij het aanleggen of behouden van een natuurvriendelijke oever in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.6 en 2.162 tot en met 2.164.

Artikel 2.162 Gegevens en bescheiden

  • 1. Ten minste vijf werkdagen voor het aanleggen van de natuurvriendelijke oever worden aan het bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de natuurvriendelijke oever wordt aangelegd; en

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

  • 2. Uiterlijk twee weken na afronding van het aanleggen van de natuurvriendelijke oever worden aan het bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de definitieve locatie van de natuurvriendelijke oever; en

    • b.

      de objectgegevens.

Artikel 2.163 Bescherming van het oppervlaktewater

  • 1. De oever ligt buiten het minimaal benodigde doorstroomprofiel, zoals vastgelegd in de legger wateren.

  • 2. De oever wordt zodanig afgewerkt, ingericht en onderhouden dat deze stabiel is en uitzakken of uitspoeling wordt voorkomen.

  • 3. Oude beschoeiingen of andere constructies worden verwijderd.

  • 4. De oever wordt zodanig aangelegd dat er geen verlanding plaatsvindt.

Artikel 2.164 Onderhoud

Het onderhoud van de oever wordt door of namens de initiatiefnemer uitgevoerd.

Artikel 2.165 Maatwerkvoorschriften

  • 1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.3, 2.6, 2.163 en 2.164.

  • 2. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 2.6, 2.163 en 2.164.

  • 3. Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het aanleggen van een natuurvriendelijke oever in afwijking van artikel 2.6, 2.163 of 2.164 worden gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en

    • e.

      de wijze waarop de omgeving en de belanghebbenden bij de voorgenomen activiteit zijn betrokken.

Paragraaf 2.1.24 Ophogen van lage percelen en bergingen

Artikel 2.166 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het ophogen van lage percelen en bergingen in een bergingsgebied.

Artikel 2.167 Aanwijzing algemene regels

Bij het ophogen van een laag perceel of berging in een bergingsgebied wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.168 en 2.169.

Artikel 2.168 Gegevens en bescheiden

  • 1. Ten minste vijf werkdagen voor het ophogen van het lage perceel of de berging worden aan het bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar het lage perceel of de berging wordt opgehoogd; en

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

  • 2. Uiterlijk twee weken na afronding van het ophogen van het lage perceel of de berging worden aan het bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de definitieve locatie van de ophoging; en

    • b.

      de objectgegevens.

Artikel 2.169 Compensatie verlies bergingscapaciteit

Het verlies aan bergingscapaciteit wordt in overleg met het hoogheemraadschap gecompenseerd.

Artikel 2.170 Maatwerkvoorschriften

  • 1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.3 en 2.169.

  • 2. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van artikel 2.169.

  • 3. Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het ophogen van een perceel of berging in afwijking van artikel 2.169 worden gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en

    • e.

      de wijze waarop de omgeving en de belanghebbenden bij de voorgenomen activiteit zijn betrokken.

Paragraaf 2.1.25 Realiseren van peilafwijkingen

Artikel 2.171 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het realiseren van peilafwijkingen in het beheergebied.

Artikel 2.172 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een peilafwijking te realiseren buiten het aangewezen gebied peilafwijkingen.

  • 2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een peilafwijking te realiseren in het aangewezen gebied peilafwijkingen, als de peilafwijking wordt gerealiseerd:

    • a.

      met behulp van een pomp; of

    • b.

      door waterinlaat van buiten de polder.

Artikel 2.173 Aanwijzing algemene regels

Bij het realiseren van een peilafwijking in het aangewezen gebied peilafwijkingen wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.174 en 2.175, als de peilafwijking wordt gerealiseerd:

  • a.

    zonder een pomp; en

  • b.

    zonder waterinlaat van buiten de polder.

Artikel 2.174 Gegevens en bescheiden

  • 1. Ten minste vijf werkdagen voor het realiseren van de peilafwijking worden aan het bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de peilafwijking wordt gerealiseerd; en

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

  • 2. Uiterlijk twee weken na afronding van het realiseren van de peilafwijking worden aan het bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de definitieve locatie van de peilafwijking; en

    • b.

      de objectgegevens.

Artikel 2.175 Peilregeling

  • 1. De peilregeling leidt niet tot wateroverlast, watertekort of verdroging in de omliggende gebieden.

  • 2. De peilregeling leidt niet tot onvoldoende kwellengte bij de bestaande peilscheidende kunstwerken.

Artikel 2.176 Maatwerkvoorschriften

  • 1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.3 en 2.175.

  • 2. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van artikel 2.175.

  • 3. Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het realiseren van een peilafwijking in afwijking van artikel 2.175 worden gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en

    • e.

      de wijze waarop de omgeving en de belanghebbenden bij de voorgenomen activiteit zijn betrokken.

Paragraaf 2.1.26 Aanleggen en verwijderen van peilregelende en peilscheidende kunstwerken

Artikel 2.177 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen, behouden en verwijderen van peilregelende en peilscheidende kunstwerken in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.178 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een peilregelend of peilscheidend kunstwerk aan te leggen, te behouden of te verwijderen in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam.

Paragraaf 2.1.27 Uitzetten of onttrekken van vis

Artikel 2.179 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het uitzetten en onttrekken van vis in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.180 Aanwijzing algemene regels

Bij het uitzetten of onttrekken van vis in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.181 en 2.182.

Artikel 2.181 Visplan

De vis wordt uitgezet of onttrokken in overeenstemming met:

  • a.

    een door het hoogheemraadschap goedgekeurd visplan; of

  • b.

    anderszins schriftelijk vastgelegde afspraken met het hoogheemraadschap.

Artikel 2.182 Maatwerkvoorschriften

  • 1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.3 en 2.181.

  • 2. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van artikel 2.181.

  • 3. Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het uitzetten of onttrekken van vis in afwijking van artikel 2.181 worden gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en

    • e.

      de wijze waarop de omgeving en de belanghebbenden bij de voorgenomen activiteit zijn betrokken.

Paragraaf 2.1.28 Weiden van dieren

Artikel 2.183 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het weiden van dieren in het waterstaatswerk primaire waterkering, het waterstaatswerk regionale waterkering en beschermingszone A bij die waterstaatswerken.

Artikel 2.184 Aanwijzing algemene regels

Bij het weiden van dieren in het waterstaatswerk primaire of regionale waterkering of in de bijbehorende beschermingszone A wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.185 en 2.186.

Artikel 2.185 Gegevens en bescheiden

Ten minste vijf werkdagen voor het weiden van de dieren worden aan het bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over:

  • a.

    de aard van de activiteit;

  • b.

    de locatie waar de dieren worden geweid; en

  • c.

    de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Artikel 2.186 Bescherming van de grasmat

  • 1. De dieren worden op een primaire waterkering of in de bijbehorende beschermingszone A niet geweid tussen 15 oktober en 15 april.

  • 2. Er wordt alleen beweid door kleinvee.

  • 3. Aanwezige erosiebestendige grasmatten blijven in stand.

Artikel 2.187 Maatwerkvoorschriften

  • 1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.3 en 2.186.

  • 2. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van artikel 2.186.

  • 3. Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het weiden van dieren in afwijking van artikel 2.186 worden gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en

    • e.

      de wijze waarop de omgeving en de belanghebbenden bij de voorgenomen activiteit zijn betrokken.

Paragraaf 2.1.29 Aanplanten en rooien van beplanting

Artikel 2.188 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanplanten, behouden en rooien van beplanting in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam, het beperkingengebied waterkering en in een molenbiotoop.

Artikel 2.189 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een boom of bosschage aan te planten, te behouden of te rooien in het waterstaatswerk waterkering en beschermingszone A bij een waterkering.

  • 2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning beplanting aan te planten of te behouden in het beperkingengebied vaarwegen in beheer bij het hoogheemraadschap of in een molenbiotoop.

Artikel 2.190 Aanwijzing algemene regels

  • 1. Bij het aanplanten, behouden of rooien van een boom of bosschage in beschermingszone B bij een waterkering wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.191 tot en met 2.193.

  • 2. Bij het aanplanten of behouden van beplanting in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam, met uitzondering van vaarwegen, wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.6, 2.191 en 2.194.

Artikel 2.191 Gegevens en bescheiden

  • 1. Ten minste vijf werkdagen voor het aanplanten of rooien van de beplanting worden aan het bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de boom of bosschage wordt aangeplant of gerooid; en

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

  • 2. Uiterlijk twee weken na afronding van het aanplanten van de beplanting worden aan het bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de definitieve locatie van de boom of bosschage; en

    • b.

      de objectgegevens.

Artikel 2.192 Stormseizoen

In beschermingszone B bij een primaire waterkering worden de werkzaamheden niet uitgevoerd tussen 15 oktober en 15 april.

Artikel 2.193 Beheer en onderhoud

Het beheer en onderhoud van de boom of bosschage en de grond binnen 1 meter rondom de boom of bosschage wordt door of namens de initiatiefnemer uitgevoerd.

Artikel 2.194 Doorstroomprofiel

Het water blijft voldoen aan het minimaal benodigde doorstroomprofiel, zoals vastgelegd in de legger wateren.

Artikel 2.195 Maatwerkvoorschriften

  • 1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.3, 2.6 en 2.192 tot en met 2.194.

  • 2. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van artikel 2.6 en 2.192 tot en met 2.194.

  • 3. Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het aanplanten of behouden van beplanting in afwijking van artikel 2.6, 2.192, 2.193 of 2.194 worden gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en

    • e.

      de wijze waarop de omgeving en de belanghebbenden bij de voorgenomen activiteit zijn betrokken.

Paragraaf 2.1.30 Organiseren van evenementen op onverhard oppervlak

Artikel 2.196 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het organiseren van evenementen op onverhard oppervlak in het waterstaatswerk waterkering.

Artikel 2.197 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een evenement te organiseren dat plaatsvindt op onverhard oppervlak in het waterstaatswerk waterkering.

Paragraaf 2.1.31 Aanleggen van explosiegevaarlijk materiaal

Artikel 2.198 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen en behouden van explosiegevaarlijk materiaal in het beperkingengebied waterkering.

Artikel 2.199 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning explosiegevaarlijk materiaal aan te leggen of te behouden in het beperkingengebied waterkering.

Afdeling 2.2 Activiteiten bij wegen

Paragraaf 2.2.1 Algemeen

Artikel 2.200 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het verrichten van activiteiten in het beperkingengebied weg.

Artikel 2.201 Oogmerken

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het waarborgen van de verkeersveiligheid;

  • b.

    het in stand houden van de infrastructuur van de wegen; en

  • c.

    het waarborgen van een goede verkeersdoorstroming.

Artikel 2.202 Specifieke zorgplicht

  • 1. Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen heeft of kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 2.201, is verplicht:

    • a.

      alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

    • b.

      voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

    • c.

      als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

  • 2. Deze plicht houdt in ieder geval in dat:

    • a.

      de verkeersveiligheid geborgd wordt;

    • b.

      de verkeersdoorstroming geborgd wordt; en

    • c.

      de infrastructuur van de weg intact blijft of, als dit niet mogelijk is, de aantasting van de infrastructuur wordt hersteld.

  • 3. Degene die voornemens is een activiteit te verrichten, informeert en betrekt de omgeving, de direct belanghebbenden en de grondeigenaar op voorhand bij de voorgenomen activiteit.

Artikel 2.203 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit in het beperkingengebied weg die op grond van deze afdeling is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een omschrijving van de activiteit, waarbij wordt vermeld op welke wijze gebruik zal worden gemaakt van het beperkingengebied;

  • b.

    een toelichtende tekening met daarbij het ontwerp en de afmetingen van het werk of het tracé́ van de kabel of de leiding;

  • c.

    het adres ter hoogte waarvan de activiteit wordt verricht;

  • d.

    en toelichtende tekening en de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van de activiteit met daarbij het ontwerp en de afmetingen van het werk of het tracé van de kabel of de leiding; en

  • e.

    de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan.

Artikel 2.204 Maatwerkvoorschriften

  • 1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in deze afdeling worden verbonden, over de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.202.

  • 2. Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in deze afdeling kan worden verbonden.

Paragraaf 2.2.2 Aanleggen van uitritten, parkeervoorzieningen en halteplaatsen

Artikel 2.205 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen en behouden van uitritten, parkeervoorzieningen en halteplaatsen in het beperkingengebied weg.

Artikel 2.206 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een uitrit, parkeervoorziening of halteplaats aan te leggen of te behouden in het beperkingengebied gebiedsontsluitingsweg of het beperkingengebied solitair fietspad.

Artikel 2.207 Aanwijzing algemene regels

Bij het aanleggen of behouden van een uitrit, parkeervoorziening of halteplaats in het beperkingengebied erftoegangsweg wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.202, en de artikelen 2.208 tot en met 2.211.

Artikel 2.208 Gegevens en bescheiden

Ten minste vijf werkdagen voor het aanleggen van de uitrit, parkeervoorziening of halteplaats worden aan het bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over:

  • a.

    de aard van de activiteit;

  • b.

    de locatie waar de uitrit, parkeervoorziening of halteplaats wordt aangelegd; en

  • c.

    de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Artikel 2.209 De aanleg

De verharding:

  • a.

    heeft een deugdelijke constructie;

  • b.

    wordt lager aangelegd dan de weg;

  • c.

    wordt zodanig aangelegd dat de geldende voorrangssituatie voldoende duidelijk is;

  • d.

    wordt niet aangelegd in of binnen 5 meter van een bocht; en

  • e.

    is een constructie die los van de hoofdweg ligt.

Artikel 2.210 Bescherming omgeving

  • 1. De afwatering van de weg verslechtert niet.

  • 2. Bij de aanleg en het gebruik wordt zo min mogelijk schade aan de berm en beplanting aangebracht.

  • 3. Aangebrachte schade wordt hersteld door de initiatiefnemer.

Artikel 2.211 Beheer en onderhoud

Het beheer en onderhoud van de verharding wordt door of namens de initiatiefnemer uitgevoerd.

Artikel 2.212 Maatwerkvoorschriften

  • 1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.202 en 2.209 tot en met 2.211.

  • 2. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 2.209 tot en met 2.211.

  • 3. Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het aanleggen van een uitrit, parkeervoorziening of halteplaats in afwijking van artikel 2.209, 2.210 of 2.211 worden gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.202; en

    • e.

      de wijze waarop de omgeving en de belanghebbenden bij de voorgenomen activiteit zijn betrokken.

Paragraaf 2.2.3 Aanbrengen van werken met een verkeersfunctie door een overheidsinstelling

Artikel 2.213 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanbrengen en behouden van werken met een verkeersfunctie door een overheidsinstelling in het beperkingengebied weg.

Artikel 2.214 Aanwijzing algemene regels

Bij het aanbrengen en behouden werken met een verkeersfunctie door een overheidsinstelling in het beperkingengebied weg wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.202, en de artikelen 2.215 tot en met 2.218.

Artikel 2.215 Gegevens en bescheiden

Ten minste vijf werkdagen voor het aanbrengen van het werk worden aan het bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over:

  • a.

    de aard van de activiteit;

  • b.

    de locatie waar het werk wordt aangebracht; en

  • c.

    de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Artikel 2.216 De aanleg

  • 1. Het werk heeft een deugdelijke constructie.

  • 2. De afmetingen van het werk belemmeren de verkeersveiligheid niet.

  • 3. Verharding wordt niet aangelegd in of binnen 5 meter van een bocht.

Artikel 2.217 Bescherming omgeving

  • 1. De afwatering van de weg verslechtert niet.

  • 2. Bij de aanleg en het gebruik wordt zo min mogelijk schade aan de berm en beplanting aangebracht.

  • 3. Aangebrachte schade wordt hersteld door de initiatiefnemer.

Artikel 2.218 Beheer en onderhoud

Het beheer en onderhoud van het werk wordt door of namens de initiatiefnemer uitgevoerd.

Artikel 2.219 Maatwerkvoorschriften

  • 1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.202 en 2.216 tot en met 2.218.

  • 2. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 2.216 tot en met 2.218.

  • 3. Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het plaatsen van een werk met een verkeersfunctie door een overheidsinstelling in afwijking van artikel 2.216, 2.217 of 2.218 worden gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.202; en

    • e.

      de wijze waarop de omgeving en de belanghebbenden bij de voorgenomen activiteit zijn betrokken.

Paragraaf 2.2.4 Aanleggen en verwijderen van kabels en leidingen

Artikel 2.220 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen, behouden en verwijderen van kabels en leidingen in het beperkingengebied weg.

Artikel 2.221 Aanwijzing algemene regels

  • 1. Bij het aanleggen of behouden van een kabel of leiding in het beperkingengebied weg wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.202, en de artikelen 2.222, 2.223 en 2.227, als de kabel of leiding langs de weg ligt.

  • 2. Bij het aanleggen of behouden van een kabel of leiding in het beperkingengebied weg wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.202, en de artikelen 2.222 en 2.224 tot en met 2.227, als de kabel of leiding de weg kruist.

Artikel 2.222 Gegevens en bescheiden

  • 1. Ten minste vijf werkdagen voor het aanleggen van de kabel of leiding worden aan het bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de kabel of leiding wordt aangelegd; en

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

  • 2. De informatie over de start van de werkzaamheden wordt verstrekt door middel van het MOOR platform.

Artikel 2.223 Ligging langs de weg

  • 1. De kabel of leiding ligt op een diepte van ten minste 0,60 meter.

  • 2. De sleuf ligt op een afstand van ten minste 1,25 meter van de wegverharding.

  • 3. De kabel of leiding wordt op een afstand van ten minste 2 meter van de stam van een boom aangelegd.

Artikel 2.224 Mantelbuis

  • 1. De kabel of leiding wordt in een mantelbuis gelegd.

  • 2. De mantelbuis wordt aan beide kanten afgesloten.

  • 3. De minimale gronddekking van de mantelbuis is 1 meter.

Artikel 2.225 Wijze van aanleggen

  • 1. De kabel of leiding wordt aangelegd door middel van een boring of persing.

  • 2. Als het aanleggen door middel van een boring of persing door plaatselijke omstandigheden niet mogelijk is, wordt de verharding van de weg opgebroken.

Artikel 2.226 Herstel van de weg

  • 1. Als de verharding van de weg wordt opgebroken, wordt deze na het aanleggen van de kabel of leiding in oorspronkelijk staat te worden hersteld.

  • 2. Voordat de verharding van de weg in de oorspronkelijke staat wordt hersteld, wordt deze voor de duur van een jaar tijdelijk hersteld door de verharding dicht te leggen met betonklinkers.

  • 3. De betonklinkers:

    • a.

      sluiten goed aan op de aangrenzende, niet opgebroken of geroerde delen van het wegdek;

    • b.

      steken niet meer dan 2 centimeter boven het asfalt uit; en

    • c.

      verzakken niet meer dan 2 centimeter.

  • 4. Als de betonklinkers meer dan 2 centimeter verzakken en er kuilvorming ontstaat, wordt het wegdek onmiddellijk hersteld.

Artikel 2.227 Bescherming omgeving

  • 1. Bij de aanleg en het gebruik wordt zo min mogelijk schade aan de berm en beplanting aangebracht.

  • 2. Aangebrachte schade wordt hersteld door de initiatiefnemer.

Artikel 2.228 Maatwerkvoorschriften

  • 1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.202 en 2.223 tot en met 2.227.

  • 2. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 2.223 tot en met 2.227.

  • 3. Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het aanleggen of behouden van een kabel of leiding in afwijking van artikel 2.223, 2.224, 2.225, 2.226 of 2.227 worden gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.202; en

    • e.

      de wijze waarop de omgeving en de belanghebbenden bij de voorgenomen activiteit zijn betrokken.

Paragraaf 2.2.5 Aanbrengen van overige werken, reclameborden en stoffen en houden van dieren

Artikel 2.229 Toepassingsbereik

  • 1. Deze paragraaf is van toepassing op het plaatsen en behouden van werken, reclame-uitingen, stoffen en het houden van dieren in het beperkingengebied weg.

  • 2. Deze paragraaf is niet van toepassing op:

    • a.

      het aanleggen en behouden van uitritten, parkeervoorzieningen en halteplaatsen, bedoeld in paragraaf 2.2.2;

    • b.

      het aanbrengen en behouden van werken met een verkeersfunctie door een overheidsinstelling, bedoeld in paragraaf 2.2.3; en

    • c.

      het aanleggen van kabels en leidingen, bedoeld in paragraaf 2.2.4.

Artikel 2.230 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een werk, reclame-uiting of stof te plaatsen of te behouden of dieren te houden in het beperkingengebied gebiedsontsluitingsweg of het beperkingengebied solitair fietspad.

Artikel 2.231 Aanwijzing algemene regels

Bij het plaatsen of behouden van een werk, reclame-uiting of stof of het houden van dieren in het beperkingengebied erftoegangsweg wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.202, en de artikelen 2.232 tot en met 2.235.

Artikel 2.232 Gegevens en bescheiden

Ten minste vijf werkdagen voor het plaatsen van het werk, de reclame-uiting of de stof of het houden van de dieren worden aan het bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over:

  • a.

    de aard van de activiteit;

  • b.

    de locatie waar de activiteit wordt verricht; en

  • c.

    de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Artikel 2.233 De plaatsing

  • 1. Het werk, de reclame-uiting, de stof of de dieren worden op een afstand van ten minste 2 meter van de weg geplaatst of gehouden en zijn veilig bereikbaar vanaf de weg.

  • 2. Het werk heeft een deugdelijke constructie.

  • 3. De afmetingen van het werk belemmeren de verkeersveiligheid niet.

Artikel 2.234 Bescherming omgeving

  • 1. Bij de aanleg en het gebruik wordt zo min mogelijk schade aan de berm en beplanting aangebracht.

  • 2. Aangebrachte schade wordt hersteld door de initiatiefnemer.

Artikel 2.235 Beheer en onderhoud

Het beheer en onderhoud van de het werk, de reclame-uiting of de stof wordt door of namens de initiatiefnemer uitgevoerd.

Artikel 2.236 Maatwerkvoorschriften

  • 1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.202 en 2.233 tot en met 2.235.

  • 2. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 2.233 tot en met 2.235.

  • 3. Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het plaatsen of behouden van een werk, reclame-uiting of stof of het houden van dieren in afwijking van artikel 2.233, 2.234 of 2.235 worden gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.202; en

    • e.

      de wijze waarop de omgeving en de belanghebbenden bij de voorgenomen activiteit zijn betrokken.

Paragraaf 2.2.6 Afsluiten van een weg

Artikel 2.237 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het geheel of gedeeltelijk afsluiten van een weg in het beperkingengebied weg.

Artikel 2.238 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een weg geheel af te sluiten in het beperkingengebied weg.

  • 2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een weg gedeeltelijk af te sluiten in het beperkingengebied gebiedsontsluitingsweg of het beperkingengebied solitair fietspad.

Artikel 2.239 Aanwijzing algemene regels

Bij het gedeeltelijk afsluiten van een weg in het beperkingengebied erftoegangsweg wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.202, en de artikelen 2.240 tot en met 2.242.

Artikel 2.240 Gegevens en bescheiden

Ten minste vijf werkdagen voor het afsluiten van de weg worden aan het bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over:

  • a.

    de aard van de activiteit;

  • b.

    de locatie waar de activiteit wordt verricht; en

  • c.

    de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Artikel 2.241 Belemmering

  • 1. De bereikbaarheid van aan de weg gelegen bestemmingen wordt zo min mogelijk belemmerd.

  • 2. Het openbaar vervoer, hulpdiensten en eigenaren of gebruikers van de percelen die hinder van kunnen ondervinden van de afsluiting worden op voorhand, bij aanvang en na afronding over de afsluiting geïnformeerd.

Artikel 2.242 Afbakening van de versmalling

  • 1. Het te versmallen weggedeelte wordt afgebakend in overeenstemming met de richtlijnen in publicatie 96b van de CROW.

  • 2. De afbakening van het te versmallen weggedeelte is voor rekening van de initiatiefnemer.

Artikel 2.243 Maatwerkvoorschriften

  • 1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.202, 2.241 en 2.242.

  • 2. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 2.241 en 2.242.

  • 3. Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het gedeeltelijk afsluiten van een weg in afwijking van artikel 2.241 of 2.242 worden gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.202; en

    • e.

      de wijze waarop de omgeving en de belanghebbenden bij de voorgenomen activiteit zijn betrokken.

Hoofdstuk 3 Lozingsactiviteiten

Afdeling 3.1 Algemeen

Artikel 3.1 Toepassingsbereik

Dit hoofdstuk is van toepassing op lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk, dat in beheer is bij het hoogheemraadschap.

Artikel 3.2 Oogmerken

De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op:

  • d.

    het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;

  • e.

    het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen;

  • f.

    het beschermen van de doelmatige werking van het zuiveringtechnisch werk;

  • g.

    het beschermen van de ecologische toestand van het watersysteem;

  • h.

    het aanhouden van het afgesproken peilbeheer; en

  • i.

    het beperken van een toename van het risico op wateroverlast en waterschaarste.

Artikel 3.3 Specifieke zorgplicht

  • 1. Degene die een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 3.2, is verplicht:

    • a.

      alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

    • b.

      voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

    • c.

      als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

  • 3. Deze plicht houdt in ieder geval in dat:

    • a.

      alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen;

    • b.

      de beste beschikbare technieken worden toegepast;

      • c.

        geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt;

      • d.

        alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet;

    • c.

      lozingen op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk doelmatig kunnen worden bemonsterd;

    • d.

      metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund;

    • e.

      meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt en gepresenteerd;

    • f.

      de activiteit op zodanige wijze en met behulp van zodanige technieken wordt uitgevoerd dat:

      • 1.

        de functies van het watersysteem blijven voldoen voor de gebruiksfunctie; en

      • 2.

        de waterstanden aangehouden blijven zoals vastgesteld is in:

        • I.

          het ter plekke geldende peilbesluit;

        • II.

          het waterbeheerprogramma; of

        • III.

          een omgevingsvergunning.

  • 4. Degene die voornemens is een activiteit te verrichten, informeert en betrekt de omgeving, de direct belanghebbenden en de grondeigenaar op voorhand bij de voorgenomen activiteit.

Artikel 3.4 Gegevens en bescheiden op verzoek van het bestuur

Op verzoek van het bestuur worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels en maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn, gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en de ontwikkelingen over die kwaliteit.

Artikel 3.5 Maatwerkvoorschriften

  • 1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk worden verbonden, over de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.3, en de afdelingen 3.2 tot en met 3.20.

  • 2. Met een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van de afdelingen 3.2 tot en met 3.20.

  • 3. Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk kan worden verbonden.

Afdeling 3.2 Lozen van grondwater bij sanering of ontwatering

Artikel 3.6 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van grondwater bij sanering of ontwatering.

Artikel 3.7 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning water te lozen in een oppervlaktewaterlichaam in kwetsbaar gebied oppervlaktewater.

  • 2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning water te lozen in een oppervlaktewaterlichaam buiten kwetsbaar gebied oppervlaktewater, als:

    • a.

      er meer water wordt geloosd dan 50 m3 per uur;

    • b.

      het water afkomstig is van gecontroleerde of peilgestuurde drainage; of

    • c.

      er watersysteemvreemd water wordt geloosd.

<n.b. artikel 3.7 zal na het verwerken van de bruidsschat ook telkens terugkomen in de afdelingen 3.3 tot en met 3.19>

Afdeling 3.3 Lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening

Afdeling 3.4 Lozen van huishoudelijk afvalwater

Afdeling 3.5 Lozen van koelwater

Afdeling 3.6 Lozen bij reinigen, conserveren, bouwen, renoveren of slopen van bouwwerken

Afdeling 3.7 Lozen bij opslaan en overslaan van inerte goederen

Afdeling 3.8 Lozen bij opslaan en overslaan van andere dan inerte goederen

Afdeling 3.9 Lozen uit gemeentelijke voorzieningen voor inzameling en transport van afvalwater

Afdeling 3.10 Lozen bij ontgravingen, baggerwerkzaamheden en werkzaamheden door de waterbeheerder op een oppervlaktewaterlichaam

Afdeling 3.11 Lozen bij schoonmaken drinkwaterleidingen

Afdeling 3.12 Lozen bij calamiteitenoefeningen

Afdeling 3.13 Lozen bij telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen

Afdeling 3.14 Lozen bij maken van betonmortel en uitwassen van beton

Afdeling 3.15 Lozen bij niet-industriële voedselbereiding

Afdeling 3.16 Lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers

Afdeling 3.17 Lozen vanaf vaartuigen of andere drijvende werktuigen bij spoelen of scheiden van zand of grind

Afdeling 3.18 Asverstrooiing

Afdeling 3.19 Andere lozingen

Hoofdstuk 4 Wateronttrekkingsactiviteiten

Afdeling 4.1 Algemeen

Artikel 4.1 Toepassingsbereik

Dit hoofdstuk is van toepassing op het onttrekken van oppervlaktewater en het onttrekken van grondwater.

Artikel 4.2 Oogmerken

De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het in stand houden van de aanwezige grondwaterkwaliteit;

  • b.

    het voorkomen van grondwaterschaarste en grondwateroverlast; en

  • c.

    het handhaven van een grondwaterstand die geen inbreuk maakt op de bij het grondwaterbeheer betrokken belangen;

  • d.

    het beschermen van de ontwaterende, af- en aanvoerende en bergende functie van het watersysteem;

  • e.

    het beschermen van de ecologische toestand van het watersysteem;

  • f.

    het aanhouden van het afgesproken peilbeheer; en

  • g.

    het beperken van een toename van het risico op wateroverlast en waterschaarste.

Artikel 4.3 Specifieke zorgplicht

  • 1. Degene die oppervlaktewater of grondwater onttrekt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 4.2, is verplicht:

    • a.

      alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

    • b.

      voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

    • c.

      als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

  • 2. Deze plicht houdt in ieder geval in dat:

    • a.

      de bestaande grondwaterstand in stand wordt gehouden;

    • b.

      een wijziging van de grondwaterstromen en verspreiding van aanwezige verontreinigingen of van koude- en warmtebellen wordt voorkomen;

    • c.

      doorboring van slecht doorlatende bodemlagen wordt voorkomen of ongedaan wordt gemaakt;

    • d.

      de aanwezige grondwaterkwaliteit in stand wordt gehouden;

    • e.

      verzilting van zoet grondwater wordt voorkomen;

    • f.

      verzakkingen van de bodem worden voorkomen;

    • g.

      uitwisseling van grondwater tussen van elkaar gescheiden watervoerende pakketten wordt voorkomen;

    • h.

      de functies van het watersysteem blijven voldoen voor de gebruiksfunctie;

    • i.

      de waterstanden aangehouden blijven zoals vastgesteld is in:

      • 1.

        het ter plekke geldende peilbesluit;

      • 2.

        het waterbeheerprogramma; of

      • 3.

        een omgevingsvergunning;

    • j.

      de aan- en afvoercapaciteit van het watersysteem en het waterkwantiteitsbeheer gewaarborgd blijft;

    • k.

      het onderhoud van het watersysteem en de beschikbare aan- en afvoercapaciteit op elkaar is afgestemd en de onderhoudskosten niet toenemen;

    • l.

      de aanwezige waterberging intact blijft of wordt gecompenseerd; en

    • m.

      geen verontreiniging wordt veroorzaakt.

  • 3. Degene die voornemens is oppervlaktewater of grondwater te onttrekken, informeert en betrekt de omgeving, de direct belanghebbenden en de grondeigenaar op voorhand bij de voorgenomen activiteit.

Artikel 4.4 Gegevens en bescheiden vergunningvrije wateronttrekkingsactiviteiten

  • 1. Ten minste vijf werkdagen voor het begin van het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening of het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, waarvoor op grond van dit hoofdstuk geen omgevingsvergunning voor een wateronttrekkingsactiviteit is vereist, worden aan het dagelijks bestuur van het hoogheemraadschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      het doel waarvoor het te onttrekken grondwater wordt gebruikt;

    • b.

      het aantal in te richten putten;

    • c.

      de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van iedere put;

    • d.

      de diepte in meters van de onderkant en de bovenkant van de filters van iedere put ten opzichte van het maaiveld en het Normaal Amsterdams Peil;

    • e.

      de lengte in meters van het effectieve filter in iedere put;

    • f.

      de capaciteit van de pomp in kubieke meter per uur per put;

    • g.

      de hoeveelheid water in kubieke meter water per uur, etmaal, maand en jaar, die ten hoogste wordt onttrokken;

    • h.

      een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de onttrekking en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken;

    • i.

      als het gaat om het in samenhang met het onttrekken van grondwater in de bodem brengen van water ter aanvulling van het grondwater:

      • 1.

        de hoeveelheid water in kubieke meters water per uur, etmaal, maand en jaar die ten hoogste in de bodem wordt gebracht;

      • 2.

        de diepte in meters waarop het water in de bodem wordt gebracht;

      • 3.

        een beschrijving van de samenhang van het brengen van water in de bodem met de onttrekking;

      • 4.

        de herkomst en samenstelling van het water dat in de bodem wordt gebracht; en

      • 5.

        een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de negatieve gevolgen van het brengen van water in de bodem te voorkomen of te beperken.

  • 2. Het eerste lid geldt niet:

    • a.

      voor wateronttrekkingsactiviteiten als bedoeld in de artikelen 6.34, eerste lid, onder b en c, en 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

    • b.

      voor zover in deze waterschapsverordening is bepaald dat geen melding van de wateronttrekkingsactiviteit hoeft te worden gedaan.

Artikel 4.5 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning wateronttrekkingsactiviteiten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening of het in de bodem brengen van water, voor aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, die op grond van dit hoofdstuk is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    het doel waarvoor het te onttrekken grondwater wordt gebruikt;

  • b.

    het aantal in te richten putten;

  • c.

    de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van iedere put;

  • d.

    de diepte in meters van de onderkant en de bovenkant van de filters van iedere put ten opzichte van het maaiveld en het Normaal Amsterdams Peil;

  • e.

    de lengte in meters van het effectieve filter in iedere put;

  • f.

    de capaciteit van de pomp in kubieke meters water per uur per put;

  • g.

    de hoeveelheid water in kubieke meters water per uur, etmaal, maand en jaar, die ten hoogste wordt onttrokken;

  • h.

    de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan;

  • i.

    een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de onttrekking en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken; en

  • j.

    als het gaat om het in samenhang met het onttrekken van grondwater in de bodem brengen van water ter aanvulling van het grondwater:

    • 1.

      de hoeveelheid water in kubieke meters water per uur, etmaal, maand en jaar die ten hoogste in de bodem wordt gebracht;

    • 2.

      de diepte in meters waarop het water in de bodem wordt gebracht;

    • 3.

      een beschrijving van de samenhang van het brengen van water in de bodem met de onttrekking;

    • 4.

      de herkomst en samenstelling van het water dat in de bodem wordt gebracht; en

    • 5.

      een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van het brengen van water in de bodem en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken.

Artikel 4.6 Beoordelingsregel omgevingsvergunning wateronttrekkingsactiviteit

  • 1. Op het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening die op grond van dit hoofdstuk is vereist, is artikel 8.89, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Op het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening die op grond van dit hoofdstuk is vereist, is artikel 8.89, tweede en derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.7 Voorschriften omgevingsvergunning infiltratie van water

Op het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning voor het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, die op grond van dit hoofdstuk is vereist, is artikel 8.94 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.8 Meetverplichting onttrekken van grondwater en infiltratie van water

  • 1. Degene die grondwater onttrekt door een daarvoor bedoelde voorziening of water in de bodem brengt, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, meet de in elk kwartaal onttrokken hoeveelheid grondwater of geïnfiltreerd water met een nauwkeurigheid van ten minste 95%.

  • 2. Voor kortdurende of seizoensgebonden onttrekkingen of infiltraties kan het dagelijks bestuur van het hoogheemraadschap in de voorschriften van de omgevingsvergunning voor de wateronttrekkingsactiviteit of, als geen omgevingsvergunning is vereist, bij maatwerkvoorschrift bepalen dat de hoeveelheid over een kortere tijdsspanne wordt gemeten.

  • 3. Degene die water in de bodem brengt, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, meet de kwaliteit van dat water door het nemen van representatieve monsters en het analyseren van de in tabel 3.1 opgenomen parameters met de in die tabel aangegeven frequentie.

  • Tabel 3.1 Parameters en meetfrequentie

    Parameter

    Afkorting

    Frequentie

    bacteriën van de coligroep

     

    vierwekelijks

    kleur

     

    vierwekelijks

    zwevende stof

    SS

    vierwekelijks

    geleidingsvermogen voor elektriciteit

     

    vierwekelijks

    temperatuur

    T

    vierwekelijks

    zuurgraad

    pH

    vierwekelijks

    opgelost zuurstof

    O2

    vierwekelijks

    totaal organisch koolstof

    TOC

    vierwekelijks

    bicarbonaat

    HCO3

    vierwekelijks

    nitriet

    NO2

    vierwekelijks

    nitraat

    NO3

    vierwekelijks

    ammonium

    NH4

    vierwekelijks

    totaal fosfaat

    Totaal P

    vierwekelijks

    fluoride

    F

    driemaandelijks

    chloride

    Cl

    vierwekelijks

    sulfaat

    SO4

    driemaandelijks

    natrium

    Na

    driemaandelijks

    ijzer

    Fe

    driemaandelijks

    mangaan

    Mn

    driemaandelijks

    chroom

    Cr

    driemaandelijks

    lood

    Pb

    driemaandelijks

    koper

    Cu

    driemaandelijks

    zink

    Zn

    driemaandelijks

    cadmium

    Ca

    driemaandelijks

    arseen

    As

    driemaandelijks

    cyanide

    CN

    driemaandelijks

    minerale olie

     

    vierwekelijks

    adsorbeerbaar organisch halogeen

    AOX

    vierwekelijks

    vluchtig organisch gebonden chloor

    VOC

    vierwekelijks

    vluchtige aromaten

     

    vierwekelijks

    polycyclische aromaten

    PAK

    driemaandelijks

    fenolen

     

    driemaandelijks

  • 4. Uiterlijk op 31 januari van elk jaar of, als de onttrekking of infiltratie is beëindigd, binnen een maand na het tijdstip van beëindiging, worden aan het bestuur de volgende gegevens verstrekt:

    • a.

      de in het voorgaande kalenderjaar gemeten hoeveelheden onttrokken grondwater en geïnfiltreerd water; en

    • b.

      de kwaliteit van het geïnfiltreerde water.

  • 5. De analyse van de monsters vindt plaats overeenkomstig bijlage 4 bij de Drinkwaterregeling.

  • 6. Het eerste tot en met vijfde lid gelden niet:

    • a.

      voor wateronttrekkingsactiviteiten als bedoeld in de artikelen 6.34, eerste lid, onder b en c, en 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

    • b.

      voor zover in deze waterschapsverordening is bepaald dat geen metingen hoeven te worden verricht.

Artikel 4.9 Maatwerkvoorschriften

  • 1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk worden verbonden, over de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 4.3.

  • 2. Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk kan worden verbonden.

Afdeling 4.2 Onttrekken van oppervlaktewater

Artikel 4.10 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het onttrekken van oppervlaktewater.

Artikel 4.11 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning oppervlaktewater te onttrekken in kwetsbaar gebied oppervlaktewater.

Artikel 4.12 Aanwijzing algemene regels

Bij het onttrekken van oppervlaktewater buiten kwetsbaar gebied oppervlaktewater wordt voldaan aan de artikelen 4.13 en 4.14, als het oppervlaktewater wordt onttrokken voor beregening, bevloeiing of inundatie.

Artikel 4.13 Gegevens en bescheiden

Ten minste vijf werkdagen voor het onttrekken van het oppervlaktewater worden aan het bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over:

  • a.

    de aard van de activiteit;

  • b.

    de locatie waar water wordt onttrokken; en

  • c.

    de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Artikel 4.14 Omvang van de onttrekking

  • 1. De onttrekking is afgestemd op de capaciteit van de waterloop zoals vastgelegd in de legger Wateren.

  • 2. De onttrekking wordt beperkt in overeenstemming met de aanvoernormen zoals vastgelegd in de legger Wateren.

Artikel 4.15 Maatwerkvoorschriften

  • 1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 4.3 en 4.14.

  • 2. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van artikel 4.14.

  • 3. Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het onttrekken van oppervlaktewater in afwijking van artikel 4.14 worden gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 4.3; en

    • e.

      de wijze waarop de omgeving en de belanghebbenden bij de voorgenomen activiteit zijn betrokken.

Afdeling 4.3 Onttrekken van grondwater voor proefonttrekkingen

Artikel 4.16 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het onttrekken van grondwater voor proefonttrekkingen.

Artikel 4.17 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor een proefonttrekking in het waterstaatswerk primaire of regionale waterkering of in de bijbehorende beschermingszone A.

Artikel 4.18 Aanwijzing algemene regels

Bij het onttrekken van grondwater voor een proefonttrekking buiten het waterstaatswerk primaire of regionale waterkering of de bijbehorende beschermingszone A wordt voldaan aan de artikelen 4.19 tot en met 4.23.

Artikel 4.19 Gegevens en bescheiden

  • 1. Ten minste vijf werkdagen voor het onttrekken van het grondwater worden aan het bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard van de onttrekking;

    • b.

      de locatie waar het grondwater wordt onttrokken; en

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de onttrekking.

  • 2. Uiterlijk twee weken na aanvang van de onttrekking worden aan het bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de definitieve ligging van de onttrekking; en

    • b.

      de objectgegevens.

Artikel 4.20 Uitzondering meetverplichting

Artikel 4.8 is niet van toepassing als er niet meer grondwater wordt onttrokken dan 12.000 m3 per jaar.

Artikel 4.21 Debiet en duur

  • 1. Er wordt niet meer grondwater onttrokken dan 15.000 m3 per maand.

  • 2. De onttrekking duurt ten hoogste zes kalendermaanden.

Artikel 4.22 Stijghoogte watervoerend pakket

De stijghoogte in het eerste watervoerende pakket wordt niet verder verlaagd dan 0,5 meter onder het ontgravingsniveau.

Artikel 4.23 Retourneren of lozen van onttrokken water

  • 1. Het onttrokken water kan worden geretourneerd in de bodem in hetzelfde watervoerende pakket als waaruit het onttrokken is.

  • 2. Het onttrokken water kan ook op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd als retourneren in de bodem redelijkerwijs niet mogelijk is.

Artikel 4.24 Maatwerkvoorschriften

  • 1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 4.3 en 4.21 tot en met 4.23.

  • 2. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 4.21 tot en met 4.23.

  • 3. Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het onttrekken van grondwater voor een proefonttrekking in afwijking van artikel 4.21, 4.22 of 4.23 worden gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 4.3; en

    • e.

      de wijze waarop de omgeving en de belanghebbenden bij de voorgenomen activiteit zijn betrokken.

Afdeling 4.4 Onttrekken van grondwater voor bronbemalingen

Artikel 4.25 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het onttrekken van grondwater voor bronbemalingen.

Artikel 4.26 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor bronbemaling in het waterstaatswerk primaire of regionale waterkering of in de bijbehorende beschermingszone A.

  • 2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor bronbemaling in kwetsbaar gebied grondwater, als er meer grondwater wordt onttrokken dan 10.000 m3 per maand.

  • 3. Het is verboden zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekking voor bronbemaling buiten het waterstaatswerk primaire of regionale waterkering, de bijbehorende beschermingszone A en kwetsbaar gebied grondwater, als er meer grondwater wordt onttrokken dan 15.000 m3 per maand.

Artikel 4.27 Aanwijzing algemene regels

  • 1. Bij het onttrekken van grondwater voor bronbemaling in kwetsbaar gebied grondwater buiten het waterstaatswerk primaire of regionale waterkering en de bijbehorende beschermingszone A wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 4.3, en de artikelen 4.28 tot en met 4.32, als er niet meer grondwater wordt onttrokken dan 10.000 m3 per maand.

  • 2. Bij het onttrekken van grondwater voor bronbemaling buiten het waterstaatswerk primaire of regionale waterkering, de bijbehorende beschermingszone A en kwetsbaar gebied grondwater wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 4.3, en de artikelen 4.28 tot en met 4.32, als er niet meer grondwater wordt onttrokken dan 15.000 m3 per maand.

Artikel 4.28 Gegevens en bescheiden

  • 1. Ten minste vijf werkdagen voor het onttrekken van het grondwater worden aan het bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard van de onttrekking;

    • b.

      de locatie waar het grondwater wordt onttrokken; en

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de onttrekking.

  • 2. Uiterlijk twee weken na aanvang van de onttrekking worden aan het bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de definitieve ligging van de onttrekking; en

    • b.

      de objectgegevens.

Artikel 4.29 Uitzondering meetverplichting

Artikel 4.8 is niet van toepassing als er niet meer grondwater wordt onttrokken dan 12.000 m3 per jaar.

Artikel 4.30 De onttrekking

  • 1. Het grondwater wordt uitsluitend onttrokken uit het eerste watervoerend pakket.

  • 2. De onttrekking duurt ten hoogste zes kalendermaanden.

Artikel 4.31 Stijghoogte watervoerend pakket

De freatische grondwaterstand en de stijghoogte in het eerste watervoerende pakket worden niet verder verlaagd dan 0,5 meter onder het ontgravingsniveau.

Artikel 4.32 Retourneren of lozen

  • 1. Het onttrokken water kan binnen een straal van 500 meter van het onttrekkingspunt worden geretourneerd in de bodem in hetzelfde watervoerende pakket als waaruit het onttrokken is.

  • 2. Het onttrokken water kan ook op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd als retourneren in de bodem redelijkerwijs niet mogelijk is.

Artikel 4.33 Maatwerkvoorschriften

  • 1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 4.3 en 4.30 tot en met 4.32.

  • 2. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 4.30 tot en met 4.32.

  • 3. Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het onttrekken van grondwater voor bronbemaling in afwijking van artikel 4.30, 4.31 of 4.32 worden gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 4.3; en

    • e.

      de wijze waarop de omgeving en de belanghebbenden bij de voorgenomen activiteit zijn betrokken.

Afdeling 4.5 Onttrekken van grondwater voor grondwater- en bodemsaneringen

Artikel 4.34 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het onttrekken van grondwater voor grondwater- en bodemsaneringen.

Artikel 4.35 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor een grondwater- of bodemsanering in het waterstaatswerk primaire of regionale waterkering, de bijbehorende beschermingszone A of in kwetsbaar gebied grondwater.

  • 2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor een grondwater- of bodemsanering buiten het waterstaatswerk primaire of regionale waterkering, de bijbehorende beschermingszone A en kwetsbaar gebied grondwater, als er meer grondwater wordt onttrokken dan 15.000 m3 per maand.

Artikel 4.36 Aanwijzing algemene regels

Bij het onttrekken van grondwater voor een grondwater- of bodemsanering buiten het waterstaatswerk primaire of regionale waterkering, de bijbehorende beschermingszone A en kwetsbaar gebied grondwater wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 4.3, en de artikelen 4.37 tot en met 4.41, als er niet meer grondwater wordt onttrokken dan 15.000 m3 per maand.

Artikel 4.37 Gegevens en bescheiden

  • 1. Ten minste vijf werkdagen voor het onttrekken van het grondwater worden aan het bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard van de onttrekking;

    • b.

      de locatie waar het grondwater wordt onttrokken; en

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de onttrekking.

  • 2. Uiterlijk twee weken na aanvang van de onttrekking worden aan het bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de definitieve ligging van de onttrekking; en

    • b.

      de objectgegevens.

Artikel 4.38 Uitzondering meetverplichting

Artikel 4.8 is niet van toepassing als er niet meer grondwater wordt onttrokken dan 12.000 m3 per jaar.

Artikel 4.39 De onttrekking

  • 1. Het grondwater wordt uitsluitend onttrokken uit het eerste watervoerend pakket.

  • 2. De onttrekking duurt ten hoogste zes kalendermaanden.

Artikel 4.40 Stijghoogte watervoerend pakket

De freatische grondwaterstand en de stijghoogte in het eerste watervoerende pakket worden niet verder verlaagd dan ten hoogste 0,5 meter onder het ontgravingsniveau.

Artikel 4.41 Retourneren of lozen

  • 1. Het onttrokken water kan worden geretourneerd in de bodem in hetzelfde watervoerende pakket als waaruit het onttrokken is.

  • 2. Het onttrokken water kan ook op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd als retourneren in de bodem redelijkerwijs niet mogelijk is.

Artikel 4.42 Maatwerkvoorschriften

  • 1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 4.3 en 4.39 tot en met 4.41.

  • 2. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 4.39 tot en met 4.41.

  • 3. Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het onttrekken van grondwater voor een grondwater- of bodemsanering in afwijking van artikel 4.39, 4.40 of 4.41 worden gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 4.3; en

    • e.

      de wijze waarop de omgeving en de belanghebbenden bij de voorgenomen activiteit zijn betrokken.

Afdeling 4.6 Onttrekken van grondwater voor beregening, bevloeiing en veedrenking

Artikel 4.43 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het onttrekken van grondwater voor beregening, bevloeiing en veedrenking.

Artikel 4.44 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor beregening, bevloeiing of veedrenking in het waterstaatswerk primaire of regionale waterkering of de bijbehorende beschermingszone A.

  • 2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor beregening, bevloeiing of veedrenking in kwetsbaar gebied grondwater.

  • 3. Het is verboden zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor beregening, bevloeiing of veedrenking buiten het waterstaatswerk primaire of regionale waterkering, de bijbehorende beschermingszone A en kwetsbaar gebied grondwater, als er meer grondwater wordt onttrokken dan 8.000 m3 per maand.

Artikel 4.45 Aanwijzing algemene regels

Bij het onttrekken van grondwater voor beregening, bevloeiing of veedrenking buiten het waterstaatswerk primaire of regionale waterkering, de bijbehorende beschermingszone A en kwetsbaar gebied grondwater wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 4.3, en de artikelen 4.46 tot en met 4.49, als er niet meer grondwater wordt onttrokken dan 8.000 m3 per maand.

Artikel 4.46 Gegevens en bescheiden

  • 1. Ten minste vijf werkdagen voor het onttrekken van het grondwater worden aan het bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard van de onttrekking;

    • b.

      de locatie waar het grondwater wordt onttrokken; en

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de onttrekking.

  • 2. Uiterlijk twee weken na aanvang van de onttrekking worden aan het bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de definitieve ligging van de onttrekking; en

    • b.

      de objectgegevens.

Artikel 4.47 Uitzondering meetverplichting

Artikel 4.8 is niet van toepassing op de onttrekking.

Artikel 4.48 Onttrekken oppervlaktewater niet mogelijk

Er wordt alleen grondwater onttrokken als het onttrekken van oppervlaktewater niet mogelijk is.

Artikel 4.49 De onttrekking

  • 1. Het grondwater wordt uitsluitend onttrokken uit het eerste watervoerend pakket.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan het grondwater ook worden onttrokken uit het tweede watervoerend pakket, als er in het eerste watervoerend pakket onvoldoende water beschikbaar is.

Artikel 4.50 Maatwerkvoorschriften

  • 1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 4.3, 4.48 en 4.49.

  • 2. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 4.48 en 4.49.

  • 3. Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het onttrekken van grondwater voor beregening, bevloeiing of veedrenking in afwijking van artikel 4.48 of 4.49 worden gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 4.3; en

    • e.

      de wijze waarop de omgeving en de belanghebbenden bij de voorgenomen activiteit zijn betrokken.

Afdeling 4.7 Onttrekken van grondwater en infiltreren van water voor een noodvoorziening

Artikel 4.51 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het onttrekken van grondwater en het infiltreren van water in de bodem voor een noodvoorziening en op het aanbrengen van een noodvoorziening.

Artikel 4.52 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken of water te infiltreren in de bodem voor een noodvoorziening of een noodvoorziening aan te brengen in het waterstaatswerk primaire of regionale waterkering, de bijbehorende beschermingszone A of in kwetsbaar gebied grondwater.

Afdeling 4.8 Onttrekken van grondwater voor het drooghouden van kelders en kruipruimten

Artikel 4.53 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het onttrekken van grondwater voor het drooghouden van kelders en kruipruimten van woningen en gebouwen.

Artikel 4.54 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor het drooghouden van een kelder of kruipruimte van een woning of gebouw in het waterstaatswerk primaire of regionale waterkering, de bijbehorende beschermingszone A of in kwetsbaar gebied grondwater.

Afdeling 4.9 Permanent onttrekken van grondwater

Artikel 4.55 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het permanent onttrekken van grondwater voor het drooghouden van civieltechnische en bouwkundige werken volgens het polderprincipe.

Artikel 4.56 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning permanent grondwater te onttrekken voor het drooghouden van een civieltechnisch of bouwkundig werk volgens het polderprincipe.

Afdeling 4.10 Onttrekken van grondwater voor overige doeleinden

Artikel 4.57 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het onttrekken van grondwater, voor zover de afdelingen 4.2 tot en met 4.9 daarop niet van toepassing zijn.

Artikel 4.58 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in het waterstaatswerk primaire of regionale waterkering of de bijbehorende beschermingszone A.

  • 2. Het is verboden grondwater te onttrekken in kwetsbaar gebied grondwater.

Artikel 4.59 Aanwijzing algemene regels

Bij het onttrekken van grondwater buiten het waterstaatswerk primaire of regionale waterkering, de bijbehorende beschermingszone A en kwetsbaar gebied grondwater wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 4.3, en de artikelen 4.60 tot en met 4.64, als er niet meer grondwater wordt onttrokken dan 4.000 m3 per maand.

Artikel 4.60 Gegevens en bescheiden

  • 1. Ten minste vijf werkdagen voor het onttrekken van het grondwater worden aan het bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard van de onttrekking;

    • b.

      de locatie waar het grondwater wordt onttrokken; en

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de onttrekking.

  • 2. Uiterlijk twee weken na aanvang van de onttrekking worden aan het bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de definitieve ligging van de onttrekking; en

    • b.

      de objectgegevens.

Artikel 4.61 Uitzondering meetverplichting

Artikel 4.8 is niet van toepassing op de onttrekking.

Artikel 4.62 Debiet

Er wordt niet meer grondwater onttrokken dan 4.000 m3 per maand.

Artikel 4.63 Verlaging grondwaterstand

De grondwaterstand wordt niet verder verlaagd dan tot aan de oppervlaktewaterstand in het gebied waar de onttrekking plaatsvindt.

Artikel 4.64 Retourneren of lozen van onttrokken water

  • 1. Het onttrokken water kan worden geretourneerd in de bodem in hetzelfde watervoerende pakket als waaruit het onttrokken is.

  • 2. Het onttrokken water kan ook op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd als retourneren in de bodem redelijkerwijs niet mogelijk is.

Artikel 4.65 Maatwerkvoorschriften

  • 1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 4.3 en 4.62 tot en met 4.64.

  • 2. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 4.62 tot en met 4.64.

  • 3. Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het onttrekken van grondwater in afwijking van artikel 4.62, 4.63 of 4.64 worden gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 4.3; en

    • e.

      de wijze waarop de omgeving en de belanghebbenden bij de voorgenomen activiteit zijn betrokken.

Hoofdstuk 5 Overgangs- en slotbepalingen

Afdeling 5.1 Overgangsbepalingen

Artikel 5.1 Overgangsrecht omgevingsvergunningen

  • 1. Een omgevingsvergunning voor een activiteit op grond van de waterschapsverordening zoals die luidde direct voor inwerkingtreding van deze verordening en die onherroepelijk is, geldt als een omgevingsvergunning op grond van deze verordening.

  • 2. Als voor een activiteit na de inwerkingtreding van deze verordening geen verbod op grond van deze verordening geldt om zonder omgevingsvergunning de activiteit te verrichten, gelden voorschriften uit een onherroepelijke omgevingsvergunning voor die activiteit als maatwerkvoorschrift. Dit geldt alleen voor zover het hoogheemraadschap over die activiteit maatwerkvoorschriften kan stellen op grond van deze verordening.

  • 3. Als voor de inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend voor een activiteit waarvoor op grond van deze waterschapsverordening een verbod geldt om de activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten, blijft het oude recht van toepassing tot de omgevingsvergunning onherroepelijk wordt. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 4. Als een activiteit voor de inwerkingtreding van deze verordening zonder vergunning rechtmatig is verricht en bij de inwerkingtreding van deze verordening voor die activiteit een verbod om zonder omgevingsvergunning de activiteit te verrichten van toepassing wordt, geldt voor die activiteit bij de inwerkingtreding van deze verordening een omgevingsvergunning van rechtswege voor een termijn van twee jaar, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding.

Artikel 5.2 Overgangsrecht meldingen en maatwerkvoorschriften

  • 1. Een melding of kennisgeving van een activiteit die voor inwerkingtreding van deze verordening is gedaan, geldt als het verstrekken van gegevens en bescheiden voor die activiteit op grond van deze verordening, als voor die activiteit na de inwerkingtreding van deze verordening een verplichting om gegevens en bescheiden te verstrekken van toepassing is.

  • 2. Een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit die voor inwerkingtreding van deze verordening is ingediend, geldt als het verstrekken van gegevens en bescheiden voor die activiteit op grond van deze verordening, als voor die activiteit na de inwerkingtreding van deze verordening een verplichting om gegevens en bescheiden te verstrekken van toepassing is.

  • 3. Een maatwerkvoorschrift voor een activiteit op grond van de waterschapsverordening zoals die luidde direct voor inwerkingtreding van deze verordening en die onherroepelijk is, geldt als een maatwerkvoorschrift op grond van deze verordening.

Artikel 5.3 Overgangsrecht handhavingsbesluiten

Als voor de inwerkingtreding van deze verordening een overtreding heeft plaatsgevonden, een overtreding is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en voor die inwerkingtreding een bestuurlijke sanctie is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, blijft het oude recht op die bestuurlijke sanctie van toepassing:

  • a.

    tot het tijdstip waarop de beschikking onherroepelijk is geworden en volledig is uitgevoerd of ten uitvoer is gelegd;

  • b.

    tot het tijdstip waarop de beschikking is ingetrokken of is komen te vervallen; of

  • c.

    als de beschikking gaat om de oplegging van een last onder dwangsom, tot het tijdstip waarop:

  • d.

    de last volledig is uitgevoerd;

  • e.

    de dwangsom volledig is verbeurd en betaald; of

  • f.

    de last is opgeheven.

Afdeling 5.2 Slotbepalingen

Artikel 5.4 Intrekking oude verordening

De waterschapsverordening van Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, bedoeld in artikel 4.7 van de Invoeringswet Omgevingswet, wordt ingetrokken.

Artikel 5.5 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 5.6 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Waterschapsverordening Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier.

Ondertekening

Aldus besloten in de openbare vergadering van 22 september 2021

van het college van hoofdingelanden,

de secretaris,

M.J. Kuipers

de voorzitter,

drs. L.H.M. Kohsiek

Bijlage I Begripsbepalingen

Voor de toepassing van deze waterschapsverordening wordt verstaan onder:

  • beschoeiing: een type profielverdediging die bestaat uit een verticaal geplaatste houten wand;

  • bestuur: het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het hoogheemraadschap;

  • infiltreren van water: in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater;

  • insteek: snijpunt van de raaklijnen van het talud en het horizontale maaiveld;

  • kabel: een transportmedium, veelal voor elektriciteit of communicatie, zonder holle ruimte;

  • legger: legger als bedoeld in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet;

  • leiding: een hol transportmedium voor vloeistof of gas;

  • lozingswerk: een werk waarmee afvalwater geloosd kan worden op het oppervlaktewaterlichaam;

  • natuurvriendelijke oever: een oever die zo is aangelegd dat er naast de waterkerende en waterbergende functie ook rekening is gehouden met de ecologische en landschappelijke functie;

  • oever: het hellend vlak tussen waterbodem (waterkant) en maaiveld;

  • ondersteunend kunstwerk: kunstwerk dat van belang is voor de taakuitoefening van het hoogheemraadschap of voor het functioneren van het watersysteem;

  • onttrekken: onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam of van grondwater door middel van een onttrekkingsinrichting;

  • profielbescherming: een kunstmatige verdediging van talud en/of bodem van een water;

  • steiger: een watergerelateerde constructie aan of op het water die bedoeld is om mensen en gebruiksvoorwerpen te dragen en om aan te leggen;

  • streefpeil: waterniveau waar conform het peilbesluit naar wordt gestreefd;

  • talud: onder helling geleden vlak;

  • werk: door menselijk toedoen ontstane of te maken constructie met toebehoren.

uit de bruidsschat:

  • aangewezen oppervlaktewaterlichaam: oppervlaktewaterlichaam dat is aangewezen en begrensd in bijlage III;

  • ISO 5815-1: ISO 5815-1:2003: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 1: Verdunning en enting onder toevoeging van allylthioureum, versie 2003;

  • NEN 6600-1: NEN 6600-1:2009: Water – Monsterneming – Deel 1: Afvalwater, versie 2009;

  • NEN 6633: NEN 6633:2007: Water en (zuiverings)slib – Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (CZV), versie 2007;

  • NEN 6966: NEN 6966:2006: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma, versie 2006;

  • NEN-EN 13284-1: NEN-EN 13284-1:2001: Europese norm voor Emissies van stationaire bronnen – Bepaling van massaconcentratie van stof in lage concentraties – Deel 1: Manuele gravimetrische methode, versie 2001;

  • NEN-EN 872: NEN-EN 872:2005: Water – Bepaling van het gehalte aan onopgeloste stoffen – Methode door filtratie over glasvezelfilters, versie 2005;

  • NEN-EN 1899-1: NEN-EN 1899-1:1998: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BODn) – Deel 1: Verdunnings- en entmethode met toevoeging van allylthioreum, versie 1998;

  • NEN-EN-ISO 5667-3: NEN-EN-ISO 5667-3:2012: Water – Monsterneming – Deel 3: Conservering en behandeling van watermonsters, versie 2012;

  • NEN-EN-ISO 9377-2: NEN-EN-ISO 9377-2:2000: Water – Bepaling van de minerale-olie-index – Deel 2: Methode met vloeistofextractie en gas-chromatografie, versie 2000;

  • NEN-EN-ISO 10301: NEN-EN-ISO 10301:1997: Water – Bepaling van zeer vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen – Gaschromatografische methoden, versie 1997;

  • NEN-EN-ISO 11885: NEN-EN-ISO 11885:2009: Water – Bepaling van geselecteerde elementen met atomaire-emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES), versie 2009;

  • NEN-EN-ISO 12846: NEN-EN-ISO 12846:2012: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire-absorptiespectrometrie met en zonder concentratie, versie 2012;

  • Staatsblad 2020 400 743

  • NEN-EN-ISO 13395: NEN-EN-ISO 13395:1997: Water – Bepaling van het stikstofgehalte in de vorm van nitriet en in de vorm van nitraat en de som van beide met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en spectrometrische detectie, versie 1997;

  • NEN-EN-ISO 15587-1: NEN-EN-ISO 15587-1:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 1: Koningswater ontsluiting, versie 2002;

  • NEN-EN-ISO 15587-2: NEN-EN-ISO 15587-2:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 2: Ontsluiting met salpeterzuur, versie 2002;

  • NEN-EN-ISO 15680: NEN-EN-ISO 15680:2003: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal monocyclische aromatische koolwater- stoffen, naftaleen en verscheidene gechloreerde verbindingen met «purge-and-trap» en thermische desorptie, versie 2003;

  • NEN-EN-ISO 15682: NEN-EN-ISO 15682:2001: Water – Bepaling van het gehalte aan chloride met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en fotometrische of potentiometrische detectie, versie 2001;

  • NEN-EN-ISO 17294-2: NEN-EN-ISO 17294-2:2016: Water – Toepassing van massaspectrometrie met inductief gekoppeld plasma – Deel 2: Bepaling van geselecteerde elementen inclusief uranium isotopen, versie 2016;

  • NEN-EN-ISO 17852: NEN-EN-ISO 17852:2008: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire fluorecentiespectometrie, versie 2008;

  • NEN-EN-ISO 17993: NEN-EN-ISO 17993:2004: Water – Bepaling van 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in water met HPLC met fluorescentiedetectie na vloeistof-vloeistof extractie, versie 2004;

  • NEN-ISO 15705: NEN-ISO 15705:2003: Water – Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (ST-COD) – Kleinschalige gesloten buis methode, versie 2003;

  • NEN-ISO 15923-1: NEN-ISO 15923-1:2013: Waterkwaliteit – Bepaling van de ionen met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische detectie – Deel 1: Ammonium, chloride, nitraat, nitriet, orthofosfaat, silicaat en sulfaat, versie 2013;

  • niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam: ander oppervlaktewaterlichaam dan een oppervlaktewaterlichaam dat is aangewezen en begrensd in bijlage II.]

Bijlage II Geometrische begrenzingen

De geometrische begrenzingen zijn opgenomen in de volgende geometrische informatieobjecten:

https://kaarten.hhnk.nl/portal/apps/webappviewer/index.html?id=a525ac20bfb34b0c86e7740913d5b592

Bijlage III Aangewezen oppervlaktewaterlichamen

Aangewezen oppervlaktewaterlichamen als bedoeld in deze waterschapsverordening zijn:

<lijst uit de bruidsschat>

Bijlage IV Onderhoudsrichtlijnen

Richtlijnen onderhoud oppervlaktewater met kraan:

  • bij een waterbreedte van 0 tot 4 meter is aan één zijde een strook van minimaal 5 meter vrij van obstakels

  • bij waterbreedte van 4 tot 6 meter is aan beide zijden een strook van minimaal 5 meter vrij van obstakels

  • bij T-splitsingen/haakse hoeken in watergangen is een afronding van de onderhoudszone/-pad met een draaicirkel van 21 meter nodig voor de doorgang van het onderhoudsvoertuig

  • bij werken (bouw- en kunstwerken) is minimaal 5 meter ruimte tussen de werken aanwezig voor het onderhoud met de maaikorf of nieuwe werken sluiten direct aan op bestaande werken, waarbij het oppervlaktewater wel is te onderhouden

Richtlijnen onderhoud oppervlaktewater met maaiboot:

  • maaiboottracé:

    • minimaal 500 meter doorvaarbare waterloop

  • dwarsprofiel waterloop:

    • minimaal 6 meter breed op de waterlijn

    • minimaal 10 meter breed op de waterlijn bij T-splitsingen in watergangen/haakse hoeken in verband met draaicirkel maaiboot

    • minimaal 1 meter waterdiepte

  • kunstwerken, zoals bruggen en duikers, in waterloop:

    • doorvaartdiepte: minimaal 90 cm (bij laagste peil)

    • doorvaarthoogte: minimaal 110 cm (bij hoogste peil)

    • doorvaartbreedte: minimaal 250 cm

  • maaiboot-te-waterlaatplaats:

    • voor transportvoertuig bereikbaar

    • minimaal 2 per doorvaarbaar tracé of

    • minimaal 1 per tracé én een keerplaats met een waterbreedte van 10m op de waterlijn

  • maaisel-uitdraai-plaats:

    • voor transportvoertuig bereikbaar

    • ongeveer 1 per 200 m tracé

Richtlijnen onderhoud kunstwerken:

  • het kunstwerk is bereikbaar voor onderhoudsmaterieel

  • bij duikers met een diameter tot 1200mm is een ruimte van minimaal 10 meter breed aanwezig

A. ALGEMENE TOELICHTING

1 Doelen, strekking en uitgangspunten

1.1 Inleiding

De Waterschapsverordening van Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) bevat regels over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de watersystemen, de zuiveringtechnische werken en de wegen die in beheer zijn bij HHNK. De waterschapsverordening berust op artikel 2.5 van de Omgevingswet en vervangt de Keur HHNK 2016, de Algemene regels bij de Keur HHNK 2016 en de Wegenverordening HHNK 2016. Bovendien bevat het regels over lozingen, die voorheen op het niveau van de centrale overheid waren geregeld.

In deze algemene toelichting wordt ingegaan op de doelstelling van de nieuwe waterschapsverordening, de systematiek en de belangrijkste wijzigingen. Daarna volgt een artikelsgewijze toelichting.

1.2 Verbeterdoelen van Omgevingswet

Naar aanleiding van de Omgevingswet die op 1 januari 2022 in werking treedt, heeft het hoogheemraadschap de regelgeving over de fysieke leefomgeving in een waterschapsverordening vastgelegd. Wat voorheen in de keur en de wegenverordening werd geregeld is nu opgenomen in de waterschapsverordening. De Omgevingswet maakt onderdeel uit van een complete stelselherziening van het omgevingsrecht. De invoering van de waterschapsverordening draagt bij aan de landelijke verbeterdoelen die zijn beoogd met de invoering van de Omgevingswet: een inzichtelijk omgevingsrecht, waarin de leefomgeving centraal staat, waarin ruimte is voor maatwerk en waarin besluitvorming over projecten sneller en beter verloopt. In de toelichting op de Omgevingswet zijn deze doelen verder uitgewerkt en die luiden als volgt:

  • -

    Minder en daardoor overzichtelijkere regels

  • -

    Ingericht volgens het 'ja, mits'-principe

  • -

    Meer ruimte voor initiatieven

  • -

    Lokaal maatwerk

  • -

    Vertrouwen

1.3 Systematiek waterschapsverordening

1.3.1 Gewijzigde systematiek waterschapsverordening

HHNK heeft ervoor gekozen om de keur niet helemaal beleidsneutraal om te zetten, maar de verbeterdoelen uit de Omgevingswet uit te werken de nieuwe waterschapsverordening. Dit heeft ertoe geleid dat de waterschapsverordening is gebaseerd op een andere systematiek dan de keur. De keur is ingericht op basis van het 'nee, tenzij' principe. Dit betekent dat activiteiten niet zijn toegestaan, tenzij hiervoor een vergunning met bijbehorende voorwaarden is verleend. De waterschapsverordening is ingericht conform het 'ja, mits' principe. Dit betekent dat activiteiten zijn toegestaan, mits wordt voldaan aan de in de waterschapsverordening genoemde voorwaarden. Om dit vorm te geven wordt er gewerkt met zorglichten en algemene regels. Dit zorgt ervoor dat de waterschapsdoelen goed worden beschermd en dat er tegelijkertijd voldoende ruimte is voor initiatieven van derden en lokaal maatwerk.

1.3.2 Doelstelling waterschapsverordening HHNK

Een van de doelstellingen van de Omgevingswet is het gebruik van minder en vooral overzichtelijkere regels. Een belangrijk onderdeel hiervan is de verbinding van de regels aan de doelstellingen van het waterschap. De kerntaken van een waterschap zijn het beheer van watersystemen, het waterketenbeheer en wegenbeheer. Volgens de Omgevingswet worden er regels gesteld ten aanzien van deze taken met het oog op:

  • -

    Het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en Waterschaarste,

  • -

    Het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen,

  • -

    Het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen,

  • -

    Het beschermen van de doelmatige werking van een zuiveringtechnisch werk

Het doel van het De waterschapsverordening is ervoor te zorgen dat deze taken goed en onbelemmerd door activiteiten van derden uitgevoerd kunnen worden en de doelstellingen worden gewaarborgd. Daarmee wordt beschermd wat nodig is en vrij gelaten wat kan. Om dit te bewerkstelligen is de waterschapsverordenig opgebouwd aan de hand van vijf thema's: Waterkwantiteit & Grondwater, Waterkeringen, Wegen en Waterkwaliteit & Zuiveringen. Voor het thema Waterkwaliteit & Zuiveringen is aangesloten bij de regels die vanuit de centrale overheid naar het hoogheemraadschap overgaan. Voor de overige thema's heeft het hoogheemraadschap hoofdoelen geformuleerd die zijn opgenomen in de onderstaande tabel.

Waterkwantiteit

  • -

    Het beschermen van de ontwaterende, af-/aanvoerende en bergende functie van het watersysteem;

  • -

    Het beschermen van de ecologische toestand van het watersysteem;

  • -

    Het aanhouden van het afgesproken peilbeheer;

  • -

    Het reguleren van onttrekking en lozingen van en naar het oppervlaktewater;

  • -

    Het reguleren van aan-/afvoeren van water buiten het poldersysteem;

  • -

    Het beperken van een toename van het risico op wateroverlast en waterschaarste.

Grondwater

  • -

    Het in stand houden van de aanwezige grondwaterkwaliteit.

  • -

    Het voorkomen van grondwaterschaarste en grondwateroverlast.

  • -

    Het handhaven van een grondwaterstand die geen inbreuk maakt op de bij het grondwaterbeheer betrokken belangen

Waterkeringen

  • -

    Het beschermen van de waterkerende functie van waterkeringen en de beschermingszones.

  • -

    Het waarborgen van de inspectie, het beheer en onderhoud en de toetsing van waterkeringen.

  • -

    Het behoud van noodzakelijke ruimte voor toekomstige versterkingen van waterkeringen.

Wegen

  • -

    Het waarborgen van de verkeersveiligheid.

  • -

    Het waarborgen van een goede verkeersdoorstroming

  • -

    Het faciliteren van functioneel en recreatief medegebruik.

1.3.3 Zorgplicht

Ter bescherming van de genoemde doelen is per thema een algemene zorgplicht geformuleerd. Kort gezegd is hierin bepaald dat initiatiefnemers alle maatregelen moeten nemen om te voorkomen dat activiteiten nadelige gevolgen hebben voor de hiervoor genoemde doelen van het hoogheemraadschap. Initiatiefnemers die activiteiten uitvoeren, die de te beschermen doelen mogelijkerwijs (nadelig) beïnvloeden, zullen deze zorgplicht altijd in acht moeten nemen. Activiteiten die de doelen van het hoogheemraadschap bedreigen, kunnen met behulp van deze zorgplicht worden voorkomen dan wel teniet worden gedaan. De zorgplicht werkt daarmee als een vangnet. Dat betekent dat als er niets geregeld is, het hoogheemraadschap kan handhaven op grond van de specifieke zorgplichten.

1.3.4 Algemene voorschriften en informatieve meldplicht

Met inachtneming van de zorgplicht, geldt als uitgangspunt dat activiteiten zijn toegestaan. Om initiatiefnemers houvast te bieden, zijn voor de meest voorkomende activiteiten voorschriften geformuleerd. Activiteiten die conform de zorgplicht en de voorschriften worden uitgevoerd, zijn vergunningsvrij. Wel geldt voor deze activiteiten een informatieve meldplicht, zodat het hoogheemraadschap op voorhand bekend is met activiteiten die worden uitgevoerd en zo nodig toezicht kan houden.

1.3.5 Afwijken algemene voorschriften en maatwerkvoorschriften

Indien een initiatiefnemer wenst af te wijken van de geformuleerde voorschriften, is dat nog steeds mogelijk zonder een vergunningplicht. Wel geldt in dat geval een zwaardere meldplicht, waarbij een initiatiefnemer een aanvraag voor een maatwerkvoorschrift moet indienen. De initiatiefnemer zal hierbij moeten onderbouwen dat met de afwijking nog steeds kan worden voldaan aan de zorgplicht. Het hoogheemraadschap kan vervolgens al dan niet instemmen met de aanvraag. Indien noodzakelijk, kan het hoogheemraadschap daarnaast nadere maatwerkvoorschriften aan de aanvraag verbinden.

1.3.6Vergunningsplicht

Voor bepaalde activiteiten blijft een vergunningsplicht gelden. Het betreft activiteiten die een grote(re) invloed hebben op de te beschermen doelstellingen van het hoogheemraadschap en slechts bij uitzondering zijn toegestaan. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een peilafwijking, een bouwwerk op een kering of de aanleg van een nieuwe weg. Deze activiteiten laten zich niet goed reguleren met behulp van algemene voorschriften en een meldplicht. Om deze reden blijft voor deze activiteiten een vergunningsplicht gelden.

1.3.7 Samenvatting systematiek

Resumerend zijn er dus feitelijk twee hoofdcategorieën. De eerste hoofdcategorie bestaat uit activiteiten die zijn toegestaan met inachtneming van de zorgplicht en de algemene voorschriften. Voor deze activiteiten geldt een informatieve meldplicht. Indien een initiatiefnemer wenst af te wijken van de geformuleerde voorschriften is dat mogelijk. Maar in dat geval geldt een zwaardere meldplicht, waarbij een maatwerkvoorschrift moet worden aangevraagd. De tweede hoofdcategorie bestaat uit activiteiten waar een vergunningplicht voor blijft gelden.

1.4 Digitalisering

1.4.1 DSO en werkingsgebieden

De regelgeving van het hoogheemraadschap wordt onder de Omgevingswet ontsloten via het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Deze digitalisering is onderdeel van het landelijke DSO waarin ook de regelgeving van Rijk, provincie, gemeenten en andere waterschappen digitaal ontsloten wordt. Nieuw is dat de regels over activiteiten zijn gekoppeld aan geometrisch aangewezen en begrensde werkingsgebieden, waarbij men met een eenvoudige klik op een kaart kan zien welke regels op het betreffende gebied van toepassing zijn. Om dit mogelijk te maken, moet iedere individuele regel van het hoogheemraadschap voorzien worden van een zogenoemd werkingsgebied en op een kaartlaag aangeleverd worden. Waar geen specifiek werkingsgebied is benoemd, geldt het hele beheergebied van HHNK als werkingsgebied.

1.4.2 Toepasbare regels

Naast het sec laten zien welke regels van toepassing zijn, maakt het DSO eveneens inzichtelijk onder welke voorwaarden activiteiten zijn toegestaan. Om dit mogelijk te maken, is de juridische regelgeving van het hoogheemraadschap vertaald in zogenaamde toepasbare regels en vragenbomen. Zo kan aan de hand van vragen die men doorloopt in het DSO worden bepaald of er al dan niet een vergunning aangevraagd moet worden, of dat er bijvoorbeeld alleen een informatieplicht geldt.

1.5 Belangrijke wijzigingen waterschapsverordening

Behalve de wijziging van de systematiek van de waterschapsverordening in vergelijk met de huidige keur, zijn er nog twee belangrijke wijzigingen: het vervallen van de onderhoudsbepalingen en het opnemen van Rijksregels met betrekking tot lozingen.

1.5.1 Verhouding tot de onderhoudslegger

In het stelsel van de Omgevingswet mogen onderhoudsplichten niet in de waterschapsverordening opgenomen worden. Bij de invoering van de waterschapsverordening worden deze onderdelen van de keur daarom opgenomen in een aparte Onderhoudsverordening. In de bijbehorende onderhoudslegger zijn de onderhoudsplichtigen van de waterstaatswerken genoemd.

1.5.2 Decentralisatie van lozingen: de bruidsschat

Een belangrijk uitgangspunt van de Omgevingswet is het bieden van meer ruimte voor gebiedsgericht maatwerk. Om dit mogelijk te maken, wordt bepaalde regelgeving overgeheveld van het Rijk naar lokale overheden. Dit wordt ook wel de bruidsschat genoemd. De lokale overheden kunnen deze wetgeving vervolgens naar eigen inzicht aanpassen. Voor waterschappen betreft het regelgeving over lozingen op oppervlaktewateren of een zuiveringtechnisch werk. HHNK heeft ervoor gekozen om de regels in eerste instantie ongewijzigd over te nemen.

1.6 Hoofdstukindeling

De Waterschapsverordening bestaat uit vijf hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk bevat algemene bepalingen over begrippen, beperkingengebieden, beoordelingsregels en enkele algemene bepalingen over de omgevingsvergunning, melding en informatieplicht. Verder komen er nog enkele uitzonderingen aan bod, waaronder het uitvoeren van beheeractiviteiten door het hoogheemraadschap zelf en een regeling voor bijzondere omstandigheden zoals calamiteiten en ongewone voorvallen.

Hoofdstuk 2 bevat regels over activiteiten bij oppervlaktewater, waterkeringen en wegen. In het eerste deel zijn de oogmerken uitgewerkt, het toepassingsbereik, de specifieke zorgplicht en de indieningsvereisten voor de aanvraag van een omgevingsvergunning. Vervolgens worden per activiteit het toepassingsbereik gegeven en worden -indien van toepassing- de vergunningplichtige gevallen aangewezen. Vervolgens worden de algemene regels voor de uitvoering van de betreffende activiteit uiteengezet en wordt de mogelijkheid om een maatwerkvoorschrift aan te vragen vermeld.

Hoofdstuk 3 gaat over lozingsactiviteiten en hoofdstuk 4 over wateronttrekkingsactiviteiten. Deze hoofdstukken hebben dezelfde opbouw als hoofdstuk 2. Hoofdstuk 3 maakt onderdeel uit van de bruidsschat en is ongewijzigd overgenomen van het Rijk.

Tot slot bevat hoofdstuk 5 de overgangs- en slotbepalingen.

B. Artikelsgewijze toelichting

Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen

Afdeling 1.1 Begripsbepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In het eerste lid van dit artikel zijn de begripsbepalingen van de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) van toepassing verklaard op deze waterschapsverordening. Dit bevordert de eenduidigheid van begrippen in het nieuwe stelsel. In aanvulling op de begrippen van de wet en de algemene maatregelen van bestuur, bevat bijlage I bij deze verordening de overige begripsbepalingen die nog nodig zijn voor de goede toepassing van deze verordening. In de begripsomschrijvingen is zoveel mogelijk aangesloten bij de begripsbepalingen uit de stelselcatalogus bij de Omgevingswet.

Afdeling 1.2 Aanwijzing en begrenzing beperkingengebieden

Artikel 1.2 Begrenzing beheergebied

Aan iedere regel in deze waterschapsverordening is een werkingsgebied gekoppeld. De werkingsgebieden verschillen per type activiteit. Dit artikel geeft aan dat de verordening bedoeld is voor het beheergebied van het hoogheemraadschap. Deze bepaling fungeert als een vangnet voor alle regels waarvoor in hoofdstukken 2, 3 en 4 geen specifieker werkingsgebied is opgenomen.

Artikel 1.3 Begrenzing beperkingengebieden

De werkingsgebieden van de regels in deze verordening zijn in bijlage II bij deze verordening aangewezen en geometrisch begrensd. Door het opnemen van de geometrische informatieobjecten (GIO’s) in de bijlage, worden de GIO’s met daarin de werkingsgebieden een integraal onderdeel van de verordening.

In dit artikel gaat het om de beperkingengebieden waarvoor het hoogheemraadschap het waterbeheer en het wegbeheer voert. Beperkingengebieden zijn in de Omgevingswet gedefinieerd als “bij of krachtens de wet aangewezen gebieden waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object”. Ieder gebied waar een regel geldt ter bescherming van een oppervlaktewaterlichaam, waterkering of bergingsgebied is dus onderdeel van het beperkingengebied met betrekking tot dat waterstaatswerk.

Er zijn verschillende zones waarvoor de bepalingen uit de waterschapsverordening gelden. Zo staan vermeld beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam, beperkingengebied waterkering en beperkingengebied weg. Andere voorbeelden zijn waterstaatswerk primaire waterkering en beschermingszone A bij een primaire waterkering.

Artikel 1.4 Begrenzing overige gebieden

Dit artikel wijst de overige gebieden aan waarvoor de bepalingen uit de waterschapsverordening gelden. Het gaat om de volgende overige gebieden:

  • -

    aangewezen gebied peilafwijkingen;

  • -

    gebied met hellende waterbodems en droogvallend water;

  • -

    kwetsbaar gebied oppervlaktewater' en ‘kwetsbaar gebied grondwater; en

  • -

    molenbiotoop.

Artikel 1.5 Waterstaatswerken die niet geometrisch begrensd zijn

Voor waterstaatswerken die niet geometrisch zijn begrensd en waarvoor de ligging niet volgt uit een projectbesluit of omgevingsvergunning, gelden de grenzen van het waterstaatswerk, de beschermingszone en het profiel van vrije ruimte, opgenomen in bijlage II.

Afdeling 1.3 Normadressaat

Artikel 1.6 Normadressaat

Eigenaren, overige zakelijk gerechtigden tot en gebruikers van de grond zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de nakoming van verplichtingen, die ingevolge de verordening op de eigenaar van de grond rusten. Veelal is niet de eigenaar, maar de feitelijke gebruiker van de grond degene die bij machte is aan die verplichtingen te voldoen of die bij de voldoening aan die verplichtingen is gebaat.

Afdeling 1.4 Algemene bepalingen omgevingsvergunning, melding en informatieplicht

Artikel 1.7 Algemene gegevens bij een melding of informatieverplichting

Als op grond van deze verordening gegevens en bescheiden aan het hoogheemraadschap worden verstrekt, worden die gegevens en bescheiden begeleid door een aantal algemene gegevens. Er is aansluiting gezocht bij de algemene gegevens die op grond van artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht bij een aanvraag voor een beschikking worden gevraagd. In plaats van de aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd, gaat het om een aanduiding van welke activiteit er zal worden verricht. Daarnaast is ter identificatie van belang de naam en het adres van degene die de activiteit verricht. Als het adres waarop de activiteit wordt verricht waarover gegevens worden verstrekt, een ander adres is dan het adres van degene die de activiteit verricht, bijvoorbeeld omdat er meerdere bedrijfslocaties zijn, wordt ook dat adres verstrekt.

Bij de aanvraag om een maatwerkvoorschrift worden alle gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn voor de beslissing over dat maatwerkvoorschrift, en waarover degene die de aanvraag doet redelijkerwijs de beschikking kan krijgen; dit volgt uit artikel 4:2 lid 3 van de Algemene wet bestuursrecht. Die regeling ziet alleen op aanvragen. Artikel 1.7 lid 2 regelt daarom dat gegevens en bescheiden moeten worden verstrekt aan het hoogheemraadschap, als dat hoogheemraadschap die gegevens en bescheiden nodig heeft om voor een specifieke activiteit of een specifieke locatie te beoordelen of de algemene regels en eventuele maatwerkvoorschriften die voor die activiteit of die locatie gelden, nog volstaan. Het gaat om gegevens en bescheiden waar het hoogheemraadschap om vraagt. Degene die de activiteit verricht hoeft in beginsel niet uit eigen beweging gegevens of bescheiden te verstrekken. Ook kan in het kader van toezicht op de naleving om gegevens worden gevraagd. Zulke bevoegdheden van toezichthouders zijn geregeld in titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht; dit artikel staat daar niet aan in de weg. Het gaat in dit artikel alleen om de situatie dat het hoogheemraadschap wil bekijken of de algemene regels en maatwerkvoorschriften voor de activiteit nog toereikend zijn.

Het verstrekken van gegevens en bescheiden (ook wel informatieverplichting genoemd) is iets anders dan een melding in de zin van artikel 4.4 van de Omgevingswet; het daaruit voortvloeiende verbod om te starten met de activiteit is niet van toepassing. Het verstrekken van gegevens en bescheiden kan zowel elektronisch als per post; zie daarvoor afdeling 14.1 van het Omgevingsbesluit en de toelichting daarop.

Gegevens waarover degene die de activiteit niet redelijkerwijs de beschikking kan krijgen hoeven uiteraard niet te worden verstrekt.

Artikel 1.8 Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat

Dit artikel bevat een plicht om gegevens te verstrekken in twee situaties. Het eerste lid regelt dat een naams- of adreswijziging wordt doorgegeven aan het hoogheemraadschap vóórdat de wijziging een feit is. Dat is vooral voor de initiatiefnemer zelf van belang: diegene is er immers bij gebaat dat correspondentie van het hoogheemraadschap op het juiste adres aankomt. Het tweede lid regelt dat bij het verrichten van de activiteit door iemand anders, de daardoor gewijzigde gegevens aan het hoogheemraadschap worden verstrekt. Bijvoorbeeld in de situatie dat een bedrijf onder dezelfde bedrijfsnaam en op hetzelfde adres wordt voorgezet, maar wisselt van eigenaar. Dit sluit aan op artikel 5.37 van de Omgevingswet, waar hetzelfde over vergunninghouders is geregeld.

Artikel 1.9 Beoordelingsregel omgevingsvergunning wateractiviteiten

Het eerste lid van dit artikel bevat de algemene gronden waarop een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit op grond van deze verordening wordt verleend. Een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit wordt alleen verleend als, kort gezegd, de aangevraagde activiteit in overeenstemming is met de doelen van het waterbeheer. Als de aangevraagde activiteit niet met deze doelen verenigbaar is, dan wordt de aanvraag voor een dergelijke omgevingsvergunning geweigerd. Deze beoordelingsregel sluit aan op de beoordelingsregel die het Rijk hanteert voor aanvragen voor omgevingsvergunningen voor wateractiviteiten als bedoeld in artikel 5.1 van de Omgevingswet (zie artikel 8.84, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving).

Het tweede en derde lid van dit artikel bevatten de beoordelingsregels die volgens de instructieregel van artikel 6.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in de waterschapsverordening moeten worden opgenomen. Inhoudelijk zijn deze leden een voortzetting van de regel die voorheen in artikel 6.1a van het Waterbesluit was opgenomen, maar dan beter toegesneden op de eisen die de Kaderrichtlijn Water stelt.

In aanvulling op deze algemene beoordelingsregels, zijn specifieke beoordelingsregels voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam, lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk, wateronttrekkingsactiviteiten en beperkingengebiedactiviteiten die betrekking hebben op een waterstaatswerk opgenomen in de hoofdstukken 2 tot en met 4.

Afdeling 1.5 Uitzondering beheeractiviteiten

Artikel 1.10 Uitzondering beheeractiviteiten

Het hoogheemraadschap voert als beheerder van het watersysteem vele handelingen aan waterstaatswerken uit. De handelingen die het hoogheemraadschap daar uitvoert, zijn in het belang van de aan het hoogheemraadschap opgedragen taken en vallen onder beheer en onderhoud. Vaak zijn deze handelingen overeenkomstig de functie van het betreffende waterstaatswerk. Daarom geldt voor deze handelingen geen vergunningplicht, informatieplicht of verplichting om een maatwerkvoorschrift aan te vragen. Wel heeft het hoogheemraadschap een vergunning nodig voor handelingen die het hoogheemraadschap niet als beheerder verricht, maar bijvoorbeeld als eigenaar van grond of gebouwen.

Indien het hoogheemraadschap als beheerder evenwel nieuwe werken uitvoert of wijzigingen aanbrengt in bestaande waterstaatswerken, waardoor de legger wijzigt, of die grote impact hebben op de omgeving, kan het bestuur ofwel:

  • -

    een projectbesluit vaststellen als bedoeld in artikel 5.44 van de Omgevingswet;

  • -

    een vergunning aanvragen op grond van deze verordening.

Als er een projectbesluit is vastgesteld, is vergunning op grond van deze verordening niet meer aan de orde.

Afdeling 1.6 Uitzondering bijzondere omstandigheden

Artikel 1.11 Aanwijzing bijzondere omstandigheden

Artikel 19.0 van de Omgevingswet biedt de mogelijkheid om bij waterschapsverordening een onderwerp aan te wijzen als een ‘bijzondere omstandigheid in de fysieke leefomgeving’. Door dit te doen kan het dagelijks bestuur met een besluit afwijken van de regels uit de verordening, op het moment dat de bijzondere omstandigheid zich voordoet.

Als zich een omstandigheid zoals genoemd in dit artikel voordoet, kan het dagelijks bestuur van het hoogheemraadschap dus beslissen om bijvoorbeeld uitzonderingen op de vergunningplicht geheel of gedeeltelijk op te schorten.

Artikel 1.12 Algeheel verbod bij calamiteiten

In dit artikel worden regels gesteld als zich bijzondere omstandigheden voordoen. Het gaat om alle activiteiten, of deze vergunningplichtig zijn of niet. Het bestuur kan dan bijvoorbeeld verbieden water af te voeren of water te onttrekken. Er wordt dan afgeweken van de normaal geldende regels, verleende vergunningen of geldende peilbesluiten. Die afwijking is tijdelijk en duurt zolang de bijzondere omstandigheden duren. Voor de afwijking is geen vergunning nodig is en gelden ook geen algemene regels. De Omgevingswet (afdeling 19.4) stelt regels omtrent het gevaar voor waterstaatswerken en beschermingszones. Deze artikelen geven de waterbeheerder ruime bevoegdheden.

Afdeling 1.7 Ongewoon voorval

Artikel 1.13 Informeren over een ongewoon voorval

Een ongewoon voorval is een gebeurtenis, ongeacht de oorzaak daarvan, die afwijkt van het normale verloop van een activiteit, zoals een storing, ongeluk, calamiteit, waardoor significante nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving ontstaan of dreigen te ontstaan, waaronder: a. een geval van een inbreuk op vergunningsvoorwaarden als bedoeld in artikel 8 van de richtlijn industriële emissies, of b. een zwaar ongeval als bedoeld in artikel 3, onderdeel 13, van de Seveso-richtlijn.

Dit artikel bepaalt dat het hoogheemraadschap onverwijld over een ongewoon voorval moet worden geïnformeerd. Om de gepaste mate van spoed uit te drukken, is gekozen voor het begrip onverwijld. Dit houdt in dat zodra vastgesteld is dat er sprake is van een ongewoon voorval het hoogheemraadschap direct moet worden geïnformeerd; vertraging is gezien de gevolgen voor de waterkwaliteit, waterkwantiteit, veiligheid van de waterkering of wegen niet wenselijk.

Het tweede lid bepaalt dat de informatieplicht niet geldt bij lozingsactiviteiten afkomstig van milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal en afkomstig van wonen. Het Bal bevat zelf al een informatieplicht voor ongewone voorvallen. Ongewone voorvallen bij de activiteit wonen komen zelden voor, en ook op grond van het oude recht gold daarvoor geen informatieplicht.

Artikel 1.14 Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval

In dit artikel is omschreven welke gegevens en bescheiden over het ongewoon voorval aan het hoogheemraadschap moeten worden verstrekt, zodra deze informatie beschikbaar is. Dat hoeft dus niet met dezelfde spoed als het informeren over het ongewone voorval zelf. Uit onderdeel d volgt dat ook informatie moet worden verstrekt over de maatregelen die worden genomen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewone voorval te voorkomen of te beperken. Voor het ‘voorkomen van de nadelige gevolgen van ongewone voorvallen’ is aangesloten bij de uitleg die daarover wordt gegeven in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.

Hoofdstuk 2 Activiteiten bij oppervlaktewater, waterkeringen en wegen

Afdeling 2.1 Activiteiten bij oppervlaktewater en waterkeringen

Paragraaf 2.1.1 Algemeen

Artikel 2.1 Toepassingsbereik

Elke paragraaf, afdeling of hoofdstuk van deze verordening begint met een artikel dat het toepassingsbereik bevat. Dat artikel geeft aan over welke activiteiten de paragraaf gaat met bijbehorend werkingsgebied. Het toepassingsbereik van de paragraaf is veelal ruim, zoals het beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk. De inhoudelijke regels over die activiteiten in de betreffende paragraaf hebben vaak een beperkter werkingsgebied (zoals de kernzone of de kernzone plus beschermingszone). Door het artikel over het toepassingsbereik het ruimste werkingsgebied te geven, is voor alle activiteiten in dat gebied in ieder geval de specifieke zorgplicht van de afdeling of paragraaf van toepassing is. De specifieke zorgplicht fungeert daarmee als vangnet voor activiteiten die niet aan andere inhoudelijke algemene regels of een vergunningplicht zijn gebonden. Zo heeft het hoogheemraadschap altijd een grond om een initiatiefnemer aan te spreken als diegene een activiteit verricht die potentiële schade voor een waterstaatswerk kan opleveren.

Dit artikel bepaalt dat deze afdeling van toepassing is op het verrichten van activiteiten met gevolgen voor oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden of waterkeringen en de daarbij behorende kunstwerken.

Artikel 2.2 Oogmerken

Dit artikel geeft aan met welke oogmerken de regels in deze afdeling zijn gesteld.

Artikel 2.3 Specifieke zorgplicht

De specifieke zorgplicht van dit artikel geldt naast de meer uitgewerkte artikelen in deze afdeling. De specifieke zorgplicht treedt dus (anders dan de algemene zorgplicht van de Omgevingswet) niet terug als er meer uitgewerkte regels zijn gesteld. De specifieke zorgplicht geldt ook voor activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning op grond van deze afdeling is vereist. Dit sluit aan op de keuze die het Rijk heeft gemaakt over de werking van de specifieke zorgplichten van het Bal. De specifieke zorgplicht fungeert zoals een basisnorm voor alle activiteiten die onder de reikwijdte van deze afdeling vallen. De algemene regels van de afdeling en de voorschriften die aan een omgevingsvergunning worden verbonden, zijn een nadere uitwerking van de specifieke zorgplicht voor een concrete activiteit. Die algemene regels en vergunningvoorschriften moeten steeds passen binnen de oogmerken van artikel 2.2. Deze brede werking van de specifieke zorgplicht maakt het mogelijk om maatregelen, die voor zich spreken en die ieder redelijk denkend mens zal nemen, niet uit te schrijven in de algemene regels van dit hoofdstuk en in vergunningvoorschriften. De specifieke zorgplicht waarborgt dat zulke vanzelfsprekende maatregelen worden genomen.

Deze specifieke zorgplicht is de opvolger van de zorgplichten die in artikel 2.1 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, artikel 2.1 van het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen en artikel 4 van het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens waren opgenomen.

Tegen een overtreding van de specifieke zorgplicht kan handhavend worden opgetreden. Handhavend optreden ligt voor de hand bij evidente overtredingen van de specifieke zorgplicht. Daarvan is sprake in situaties waarin het handelen of nalaten van degene die de activiteit verricht onmiskenbaar in strijd is met de specifieke zorgplicht. Er kunnen ook situaties aan de orde zijn waarin niet direct duidelijk is of van onmiskenbare strijd sprake is. Het hoogheemraadschap zal dan een keuze moeten maken tussen een handhavingstraject of het eerst verduidelijken wat de specifieke zorgplicht inhoudt. Die verduidelijking kan in de vorm van het stellen van een maatwerkvoorschrift maar dat hoeft niet. Ook wanneer het hoogheemraadschap degene die de activiteit verricht mondeling of schriftelijk informeert over wat er in een concreet geval onder de specifieke zorgplicht moet worden verstaan, is het voor diegene na ontvangst van die informatie duidelijk wat er verwacht wordt. Als daar geen gevolg aan wordt gegeven, is er sprake van onmiskenbare strijd met de specifieke zorgplicht. Een uitgebreidere uiteenzetting van de mogelijkheden om handhavend op te treden tegen overtredingen van de specifieke zorgplicht is opgenomen in de nota van toelichting bij het Bal (Stb. 2018, 293, p. 526–527).

Artikel 2.3 bevat een specifieke zorgplicht ten aanzien van het watersysteem. Deze zorgplicht geldt voor een ieder, en een ieder kan op een schending van deze zorgplicht worden aangesproken. Het artikel bestaat uit twee delen. Het eerste deel, bestaande uit het eerste lid, verplicht degene die de activiteit verricht om zorg te dragen voor bepaalde milieubelangen. In het tweede deel (lid 2 en 3) wordt de open norm van lid 1 nader geconcretiseerd. Dit geeft een handvat aan degene die de activiteit verricht om de vereiste zorg in te vullen.

Onderdeel g van het tweede lid is gebaseerd op de kaderrrichtlijn water. Met de stroomgebiedbeheerplannen gaat het om de plannen als bedoeld in artikel 13 van de kaderrichtlijn water. De stroomgebiedbeheerplannen geven een overzicht van de toestand, problemen, doelen en maatregelen voor het verbeteren van de waterkwaliteit voor het betreffende stroomgebied.

Het vierde lid van dit artikel bevat de verplichting voor initiatiefnemer de direct belanghebbenden en de grondeigenaar op voorhand bij de voorgenomen activiteit te informeren en te betrekken. Deze geldt ook voor activiteiten die onder algemene regels vallen. Dit betekent dat burgers of bedrijven ook het hoogheemraadschap als grondeigenaar moeten betrekken. Participatie door initiatiefnemers bij de aanvraag van omgevingsvergunningen is al geregeld in artikel 7.4 Omgevingsregeling.

Artikel 2.4 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit

In dit artikel zijn de indieningsvereisten overgenomen die voorheen in het voormalige artikel 6.24 van de Waterregeling stonden. Gelet op het belang van waterkeringen heeft het hoogheemraadschap in het algemeen specifiek beleid vastgesteld over activiteiten bij waterkeringen. Als een initiatiefnemer vermoedt dat voor zijn activiteit geen stabiliteitsberekening nodig is, kan hij daarover contact opnemen met het hoogheemraadschap.

Artikel 2.5 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning waterbodem

Als sprake is van werkzaamheden aan of in een waterstaatswerk waarbij een verontreinigde of een niet verontreinigde waterbodem geheel of gedeeltelijk wordt verwijderd, zoals bij baggeren van een haven, moet inzicht worden gegeven in de hoeveelheid te verwijderen baggerspecie. Daarnaast moet de omvang van het te baggeren oppervlak worden vermeld.

Artikel 2.6 Algemene regel onderhoud van het water

In goede staat houden van het water draagt bij aan een goed waterbeheer. Het hoogheemraadschap heeft richtlijnen opgesteld voor de wijze waarop onderhoud wordt uitgevoerd aan oppervlaktewater met kraan en met een maaiboot. Het moet mogelijk blijven aan deze richtlijnen te voldoen.

Artikel 2.7 Tijdelijk verwijderen bouwwerk

Kleine werken worden tijdelijk verwijderd door en op kosten van de initiatiefnemer. Dit wordt bij maatwerkschrift bepaald als dat nodig is voor werkzaamheden door het hoogheemraadschap.

Artikel 2.8 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen over de specifieke zorgplicht van artikel 2.3 en de algemene regel inzake onderhoud van artikel 2.6. De keuze om maatwerkvoorschriften mogelijk te maken sluit aan bij de keuze die het Rijk heeft gemaakt in het Besluit activiteiten leefomgeving.

De bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften is de opvolger van onder meer de maatwerkbevoegdheden ter uitwerking van de zorgplichten van artikel 2.1 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, artikel 2.1 van het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen en artikel 4 van het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens, en de specifieke maatwerkbevoegdheden die in diverse artikelen van die besluiten waren opgenomen. Met het verruimen van de bevoegdheid om maatwerkvoorschriften te stellen, wordt overigens niet beoogd dat het hoogheemraadschap vaker dan voor inwerkingtreding van de Omgevingswet gebruik zal maken van die bevoegdheid. Maatwerk blijft een uitzondering; de algemene regels in dit hoofdstuk voldoen in de meeste gevallen. Maar als lokale omstandigheden of een bijzondere bedrijfsvoering maatwerk nodig maken, dan kan daarin wel worden voorzien.

Het derde lid van dit artikel bepaalt dat een maatwerkvoorschrift niet kan worden gesteld, als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in afdeling 2.1 kan worden verbonden. Hiervoor is gekozen om voorschriften voor een activiteit zo veel mogelijk samen te brengen in één document.

Paragraaf 2.1.2 Bouwwerken

§ 2.1.2.1 Aanleggen en verwijderen van bouwwerken

Artikel 2.9 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen, behouden en verwijderen van bouwwerken in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam en het beperkingengebied waterkering. Van de werking van deze regels worden uitgezonderd verschillende bijzondere bouwwerken vermeld in negen paragrafen van hoofdstuk 2. Hiervoor zijn aparte regels opgenomen in deze verordening.

Artikel 2.10 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Bouwwerken op een waterkering kunnen een negatieve invloed hebben op de erosiebestendigheid, stabiliteit bij een waterkering met overslag. Bij overslag stroomt water over de waterkering en langs het object. De aansluiting tussen object een grasmat is nooit helemaal goed afgesloten en hierdoor ontstaat erosie. Dit kan weer leiden tot instabiliteit van de waterkering. Elke situatie is anders. Het hoogheemraadschap wil daarom elk geval beoordelen onder welke voorwaarden de activiteit gerealiseerd kan worden en onder welke vergunningvoorschriften.

Artikel 2.11 Aanwijzing algemene regels

Het aanleggen of verwijderen van een bouwwerk heeft invloed op de stabiliteit van een waterkering. Door het verwijderen van objecten of plaatsen van extra gewicht op een gedeelte van de waterkering wordt de waterkering minder erosiebestendig en wordt het risico op piping vergroot. Om deze invloed zoveel mogelijk te mitigeren heeft het hoogheemraadschap algemene regels opgesteld.

Artikel 2.12 Gegevens en bescheiden

Dit artikel verplicht om vijf werkdagen voor het aanleggen of verwijderen van een bouwwerk aan het bestuur de gegevens en bescheiden, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard van de activiteit, de locatie waar het bouwwerk wordt aangelegd en de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Artikel 2.13 Beheer en onderhoud

Om hinder van een bouwwerk voor de aan- en afvoer en het onderhoud van het water en waterkering zoveel mogelijk te voorkomen, is het belangrijk dat het bouwwerk goed wordt beheerd en onderhouden door de initiatiefnemer. De initiatiefnemer is ook verantwoordelijk voor het onderhoud van het water en/of de grond binnen 1 meter rondom het bouwwerk. In het water hoopt zich daar meer slootvuil op en bovendien wordt zo schade aan het bouwwerk door derden voorkomen.

Artikel 2.14 Bouwwerk in oppervlaktewater

Bij aanleg van een bouwwerk in het water of de oever wordt water gedempt, waardoor de waterberging afneemt. Voor deze demping gelden de regels voor versmallen van bestaand water.

Artikel 2.15 Stormseizoen

Tussen 15 oktober en 15 maart valt het stormseizoen. In deze periode komen over het algemeen de meeste stormen en hoogwater voor. De golven slaan bij een storm hard tegen de waterkering. Een goede grasbekleding is noodzakelijk voor de stabiliteit van de waterkering in het stormseizoen hoog water. Activiteiten die mogelijk negatief effect kunnen hebben op de waterkering zijn gedurende de stormperiode niet toegestaan. De gebieden waar deze regel voor geldt zijn het waterstaatswerk zandige kust, beschermingszone A bij een primaire waterkering of zandige kust en beschermingszone B bij een primaire waterkering.

Artikel 2.16 Ontgravingen zandige kust

Duinen zijn door de natuur gevormde waterkeringen, die hun sterkte ontlenen aan de hoeveelheid zand – in de vooroever, op het strand en in het duin – en aan hun vorm. Voldoende zand in de dynamische kustzone voorkomt structurele achteruitgang van de kust. Op deze manier kan de kust ook ‘meegroeien’ met de verwachte stijging van de zeespiegel. Het duin als waterkering wordt gevormd door het totale volume zand dat nodig is om de afslag op te vangen plus de hoeveelheid zand die nodig is om na de afslag het binnenland te beschermen.

Ontgravingen en objecten kunnen invloed hebben op de aanzanding. Indien de aanzanding belemmerd wordt, komt het moment dat het hoogheemraadschap actief zal moeten suppleren tegen het duin aan. Dit is een forse kostenpost welke voorkomen kan worden. Ontgravingen worden daarom tot een minimum beperkt. Het hoogteverschil bij ontgravingen is niet meer dan één meter ten opzichte van het huidige profiel. Bij ontgravingen wordt het zand op de bouwlocatie teruggebracht en behouden in het profiel. De aanvullingen worden zodanig verwerkt dat zij goed aansluiten op het aanwezige duin.

Artikel 2.17 Beperken zandverstuiving zandige kust

De duinen veranderen voortdurend van vorm door hoge waterstanden, golven, stroming en wind. De helmbegroeiing van de duinen biedt weerstand tegen de vervorming door wind en vangt het zand op dat door de wind wordt aangevoerd. Het hoogheemraadschap probeert op een natuurlijke manier zoveel mogelijk zand te vangen om langzaam mee te groeien met zeespiegelstijging.

De houder zorgt ervoor dat er zo min mogelijk zandverstuiving plaatsvindt. Daarom wordt de grondaanvulling zo spoedig mogelijk ingeplant met minimaal negen helmplantjes per m² en worden indien nodig op aanwijzing van de toezichthouder rietschermen geplaatst.

Artikel 2.18 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 2.3 en over de algemene regels in artikelen 2.13 tot en met 2.17.

§ 2.1.2.2 Aanleggen van seizoenstrandbouwwerken

Artikel 2.19 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen en behouden van zogeheten seizoenstrandbouwwerken.

Artikel 2.20 Aanwijzing algemene regels

De strandbebouwing staat uitsluitend gedurende het zomerseizoen (15 maart tot 15 oktober) op het strand, buiten deze periode is de strandbebouwing inclusief alle bijbehorende werken en funderingspalen niet op het strand aanwezig en is niet toegestaan.

Artikel 2.21 Gegevens en bescheiden

Dit artikel verplicht om vijf werkdagen voor het aanleggen van het seizoenstrandbouwwerken aan het bestuur de gegevens en bescheiden, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard van de activiteit, de locatie waar het bouwwerk wordt aangelegd en de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Artikel 2.22 Strandpaviljoens

Strandbouwwerken met de functie van strandpaviljoen worden geplaatst op palen die minimaal 3 meter uit elkaar staan. Het vloerpeil ligt op tenminste NAP+4,50 meter. De ruimte onder de vloerplaat is vrij van gebruik en doorstuifbaar.

Artikel 2.23 Plaats bouwwerken

De strandbebouwing wordt op basis van voorafgaande aanwijzing van de gebiedsbeheerders van het hoogheemraadschap en Rijkswaterstaat op het strand geplaatst. De strandbebouwing wordt voor de duinvoet geplaatst, met daarbij minimaal 10 meter droog strand aanwezig voor de calamiteitenstrook van Rijkswaterstaat. Indien hierbij blijkt dat er onvoldoende ruimte is op het stand voor seizoenbebouwing, kan bebouwing worden geweigerd.

Artikel 2.24 Beheer en onderhoud van het bouwwerk

Het beheer en onderhoud van de werken wordt door of namens initiatiefnemer uitgevoerd.

Artikel 2.25 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 2.3 en over de algemene regels in artikelen 2.22 tot en met 2.24.

Paragraaf 2.1.3 Aanleggen en verwijderen van bruggen en aquaducten

Artikel 2.26 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het aanleggen, behouden en verwijderen van bruggen en aquaducten in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam en het beperkingengebied waterkering.

Artikel 2.27 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het hoogheemraadschap wil elke aanleg van een brug of aquaduct beoordelen op de te stellen voorwaarden en mogelijke aantasting van de betrokken belangen. Elke situatie is anders. Als een brug of aquaduct geheel of gedeeltelijk in het oppervlaktewaterlichaam wordt geplaatst kan dit effect hebben op de wateraanvoer of -afvoer en op de bergende functie van het water. Daarom worden eisen gesteld aan de afmeting van het kunstwerk moet het verlies aan waterberging gecompenseerd worden. Daarnaast kan het gewicht van het kunstwerk de stabiliteit van de oever beïnvloeden. Het aanleggen van een brug of een aquaduct kan leiden tot instabiliteit van de waterkering.

Het is van belang dat een brug of aquaduct het doelmatig onderhoud aan het oppervlaktewaterlichaam en de oevers niet belemmert. Wanneer deze kunstwerken te dicht bij elkaar liggen kan het doelmatig onderhoud met behulp van machines onmogelijk worden. Bij doorvaart en varend onderhoud zijn er eisen aan de hoogte van het kunstwerk ten opzichte van de waterlijn.

De aanleg van een brug kan effect hebben op het vaarwegprofiel van een vaarweg, zijnde diepte, breedte en hoogte van de vaarweg). Met bijvoorbeeld verkeerskundige maatregelen zal de verkleinde doorvaart functioneel blijven. Ook speelt bij beweegbare bruggen het aspect wie de bediening gaat verzorgen en welke openingstijden voor de vaarweg zullen gelden.

Artikel 2.28 Aanwijzing algemene regels

Voor het aanleggen of behouden van een brug in het beperkingengebied secundair en tertiair water, met uitzondering van vaarwegen, buiten het beperkingengebied waterkering, gelden algemene regels. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Artikel 2.29 Gegevens en bescheiden

Dit artikel verplicht om vijf werkdagen voor het aanleggen of verwijderen van de brug aan het bestuur de gegevens en bescheiden, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard van de activiteit, de locatie waar de brug wordt aangelegd of verwijderd en de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Artikel 2.30 Eisen aan de brug

Een brug heeft tot doel om het water te kunnen oversteken. Met overspanning wordt bedoeld het deel van de brug wat ondersteunt wordt door palen of landhoofden. De overspanning hindert de aan- en afvoer van water niet als hij boven het water hangt.

Landhoofden zijn de constructie waar de brug op steunt. Door ze buiten het leggerprofiel te plaatsen blijft de benodigde afvoer van water geborgd bij perioden met hevige neerslag. Bij aanleg van landhoofden in het water wordt water gedempt, waardoor de waterberging afneemt. Voor deze demping gelden de regels voor versmallen van bestaand water.

Om doorvaart van pleziervaart te garanderen is het nodig om de brug voldoende breed en hoog te maken. De minimale afmetingen voor bruggen in een recreatieve vaarroute staan in verordening van de provincie of de gemeente.

Artikel 2.31 Bescherming van het oppervlaktewater

Het minimaal benodigde doorstroomprofiel van het oppervlaktewaterlichaam, zoals vastgelegd in de legger wateren, moet in stand worden gehouden. Een potentieel risico bij het aanleggen van een brug is uitspoeling van het talud. Door uitspoeling, verzakking van talud of oever wordt het doorstroomprofiel verkleind. Daarom is een regel opgenomen die er voor zorgt dat het risico van uitspoeling of uitzakken van het talud tot een minimum beperkt blijft. Aan en afvoer van water blijft gewaarborgd evenals bergingscapaciteit.

Artikel 2.32 Verwijderen brug

Obstakels kunnen de doorstroming van het water of het onderhoud van het water hinderen en moeten daarom verwijderd worden als ze niet meer nodig zijn. Om dit op een veilige manier te doen wordt met het hoogheemraadschap afgestemd over het moment en de wijze waarop de verwijdering wordt uitgevoerd.

Artikel 2.33 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 2.3 en over de algemene regels in artikelen 2.30 en 2.31.

Paragraaf 2.1.4 Aanleggen en verwijderen van duikers

Artikel 2.34 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het aanleggen, behouden en verwijderen van duikers in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam en het beperkingengebied waterkering.

Artikel 2.35 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Voor het aanleggen van duikers in een vaarweg, een beperkingengebied primair water of in beperkingengebied waterkering is een voorafgaande beoordeling nodig van het hoogheemraadschap. Dit geldt ook voor het aanleggen van een sifon behouden of verwijderen in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam of het beperkingengebied waterkering.

Het hoogheemraadschap wil elk geval beoordelen gelet de functie en gebruik van de watergang en de waterkering, dit is per locatie anders. Daarom zijn deze activiteiten aangewezen als vergunningplichtig. Duikers kunnen het huidig en toekomstig vaarverkeer stremmen. Als een duiker in het oppervlaktewaterlichaam wordt geplaatst kan dit effect hebben op de doorstroming en de bergende functie van het water. De doorstroming van het primaire stelsel van wateren is van dusdanig belang dat het hoogheemraadschap de maatwerkberekening zelf wil uitvoeren. Het aanleggen van een duiker kan leiden tot instabiliteit van de waterkering.

Artikel 2.36 Aanwijzing algemene regels

Het goed beheren van het waterpeil is zeer belangrijk, bij verkeerd beheer kan schade optreden. Daarnaast is het van belang dat de duiker doelmatig onderhoud aan het oppervlaktewaterlichaam en de oevers niet belemmert. Wanneer duikers te dicht bij elkaar liggen kan het doelmatig onderhoud met behulp van machines onmogelijk worden. Bij doorvaart en varend onderhoud zijn er eisen aan de hoogte van de duiker ten opzichte van de waterlijn.

Artikel 2.37 Gegevens en bescheiden

Dit artikel verplicht om vijf werkdagen voor het aanleggen of verwijderen van de duiker aan het bestuur de gegevens en bescheiden, bedoeld in dit artikel, te verstrekken.

Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard van de activiteit, de locatie waar de duiker wordt aangelegd of verwijderd en de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Artikel 2.38 Afmetingen en capaciteit duiker

Bij het aanleggen van een dam is het belangrijk dat de waterverbinding aan weerzijden van de dam in stand blijft. Een duiker zorgt voor de benodigde de aan- en afvoer van water. De afmetingen van de duiker hangen af van hoeveel water er doorheen moet kunnen stromen in perioden met hevige neerslag. Lange duikers vormen een risico voor de waterafvoer door verstopping en zijn lastiger te onderhouden. Bovendien ontstaat in lange duikers dood water door gebrek aan zuurstof. Daarom vallen alleen duikers tot een lengte van 15 meter onder de informatieplicht.

Artikel 2.39 Bergingscapaciteit oppervlaktewater

In perioden met hevige neerslag kan niet al het water direct worden afgevoerd. In het water is ruimte om water tijdelijk te bergen door het waterpeil te laten stijgen tot het water kan worden afgevoerd. Om te voorkomen dat door het dempen van water voor de aanleg van de dam de capaciteit voor waterberging vermindert, is compensatie vereist. Kleine dempingen tot 35 m2 hoeven niet te worden gecompenseerd.

Artikel 2.40 Waterpeil

Waterpeilen zijn afgestemd op de hoogte en het grondgebruik van gebieden. Als gebieden met verschillende waterpeilen met elkaar verbonden worden stroomt water uit het gebied met het hoogste waterpeil weg, waardoor het waterpeil daar zakt, met mogelijke nadelige gevolgen voor funderingen van gebouwen, oevers, etc..

Artikel 2.41 Bescherming van het oppervlaktewater

Door uitzakken of uitspoelen van de oever komen grond of andere stoffen in het water. Hiermee wordt het doorstroomprofiel verkleind.

Artikel 2.42 Verwijderen duiker

Obstakels kunnen de doorstroming van het water of het onderhoud van het water hinderen en moeten daarom verwijderd worden als ze niet meer nodig zijn. Om dit op een veilige manier te doen is het nodig dit met het hoogheemraadschap af te stemmen over het moment en de wijze waarop de verwijdering wordt uitgevoerd.

Artikel 2.43 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 2.3 en over de algemene regels in artikelen 2.38 tot en met 2.42.

Paragraaf 2.1.5 Aanleggen van toegangsdammen

Artikel 2.44 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het aanleggen, behouden en verwijderen van toegangsdammen in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam en het beperkingengebied waterkering.

Artikel 2.45 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het aanbrengen van een toegangsdam wordt gezien als twee gecombineerde activiteiten: het dempen van een oppervlaktewaterlichaam en, indien dit voor de doorstroming van water noodzakelijk is, gaat het ook om het aanleggen van een duiker. Voor het aanleggen van een toegangsdam in het beperkingengebied waterkering of het beperkingengebied vaarwegen is een voorafgaande beoordeling nodig van het hoogheemraadschap. Het hoogheemraadschap wil elk geval beoordelen gelet de functie en gebruik van de watergang en de waterkering, dit is per locatie anders. Het aanleggen van een toegangsdam kan leiden tot instabiliteit van de waterkering.

Artikel 2.46 Aanwijzing algemene regels

Voor het aanleggen, behouden en verwijderen van een toegangsdam in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam, met uitzondering van vaarwegen, primair water en het beperkingengengebied waterkeringen, gelden algemene regels. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Artikel 2.47 Gegevens en bescheiden

Dit artikel verplicht om vijf werkdagen voor het aanleggen van de toegangsdam aan het bestuur de gegevens en bescheiden, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard van de activiteit, de locatie waar de toegangsdam wordt aangelegd of verwijderd en de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Artikel 2.48 Duiker

Bij het aanleggen van een dam is het belangrijk dat de waterverbinding aan weerzijden van de dam in stand blijft. Een duiker zorgt voor de benodigde de aan- en afvoer van water. De voorschriften voor de duiker staan onder de regels voor een oppervlaktewater verbindend kunstwerk.

Artikel 2.49 Verwijderen dam

Obstakels kunnen de doorstroming van het water of het onderhoud van het water hinderen en moeten daarom verwijderd worden als ze buiten gebruik zijn gesteld en niet meer nodig zijn.

Artikel 2.50 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 2.3 en over de algemene regels in artikelen 2.48 en 2.49.

Paragraaf 2.1.6 Aanleggen van steigers, vlonders, boothuizen, drijvende bouwwerken en andere overhangende bouwwerken

Artikel 2.51 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het aanleggen van steigers, vlonders, boothuizen, drijvende bouwwerken en andere overhangende bouwwerken in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam en het beperkingengebied waterkering.

Artikel 2.52 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Voor het aanleggen van een overhangend bouwwerk in een vaarweg of in een beperkingengebied waterkering is een voorafgaande beoordeling nodig van het hoogheemraadschap. Het hoogheemraadschap wil elk geval beoordelen. De aantasting en versmalling van de vaarweg is voor elke locatie anders. Steigers, vlonders, botenhuizen en andere drijvende of overhangende bouwwerken kunnen de waterkering of de (ecologische) waterkwaliteit schaden. Daarom moet de constructies een minimaal effect hebben op het lichtklimaat van het water, met andere woorden de ligging en afmetingen van de constructie zorgen ervoor dat deze zo min mogelijk lichtinval tegenhoudt. In en langs oevers die specifiek voor dit doel natuurvriendelijk zijn ingericht, worden geen werken en dus ook geen steigers toegestaan omdat deze werken de natuurontwikkeling schaadt. Onder een overhangend bouwwerk, zonder steunpunten in het oppervlaktewaterlichaam en met voldoende doorvaarthoogte boven de waterlijn is onderhoud mogelijk indien het water voldoende afmeting heeft voor een maaiboot. De invloed van een dergelijk overhangend bouwwerk op de waterhuishouding zal beperkt zijn.

Het aanleggen van een steiger, vlonder of een ander overhangend bouwwerk kan leiden tot instabiliteit van de waterkering. Daarnaast zal het hoogheemraadschap de mogelijkheden tot doelmatig onderhoud aan de waterkering en de toekomstige dijkversterking beoordelen. Afslag en beschadiging van de oeververdediging moet worden voorkomen en de kans op waterstromen langs palen of planken van het boezemwater naar mogelijke watervoerende zandlaag (een grotere kans op piping die leidt tot instabiliteit van de waterkering) zijn belangen die ook aan de orde komen.

Artikel 2.53 Aanwijzing algemene regels

Voor het aanleggen van een overhangend bouwwerk in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam, met uitzondering van vaarwegen, gelden algemene regels. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Artikel 2.54 Gegevens en bescheiden

Dit artikel verplicht om vijf werkdagen voor het aanleggen of verwijderen van het bouwwerk aan het bestuur de gegevens en bescheiden, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard van de activiteit, de locatie waar het bouwwerk wordt aangelegd en de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit. Onder het bouwwerk wordt hier verstaan: steigers, vlonders, boothuizen, drijvende bouwwerken en andere overhangende bouwwerken.

Artikel 2.55 Plaatsing van het bouwwerk

Om de afvoer van water in gebieden ook in perioden van hevige neerslag te kunnen borgen is het belangrijk dat er geen obstakels zijn binnen een afstand van 50 meter van een gemaal, inlaat of stuw, waar zich vuil kan ophopen. Bovendien is het vanuit veiligheidsoogpunt vanwege de periodiek hoge stroomsnelheid risicovol om binnen deze afstand van een gemaal, inlaat of stuw te zwemmen of varen. Daarom zijn bouwwerken alleen op grotere afstand toegestaan.

Artikel 2.56 Onderhoud van het bouwwerk

Om hinder van een overhangend bouwwerk voor de aan- en afvoer en het onderhoud van het water zoveel mogelijk te voorkomen is het belangrijk dat het goed wordt beheerd en onderhouden door de initiatiefnemer. De initiatiefnemer is ook verantwoordelijk voor het onderhoud van het water voor 1 meter rondom het overhangend bouwwerk. Vaak hoopt zich onder of naast een overhangend bouwwerk meer slootvuil op en bovendien wordt zo schade aan het bouwwerk door derden voorkomen.

Artikel 2.57 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 2.3 en over de algemene regels in artikelen 2.55 en 2.56.

Paragraaf 2.1.7 Aanleggen en verwijderen van lozings- en onttrekkingswerken

Artikel 2.58 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het aanleggen en verwijderen van lozings- en onttrekkingswerken in het beperkingengebied vaarwegen in beheer bij het hoogheemraadschap, het waterstaatswerk waterkering en beschermingszone A bij een waterkering.

Artikel 2.59 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het aanleggen of verwijderen van lozings- en ontrekkingswerken kan leiden tot instabiliteit van de waterkering. Voor deze activiteiten in het waterstaatswerk waterkering of beschermingszone A bij een waterkering is een voorafgaande beoordeling nodig van het hoogheemraadschap. Het hoogheemraadschap wil elk geval beoordelen en daarom zijn deze gevallen vergunningplichtig.

Paragraaf 2.1.8 Aanleggen van taludtrappen

Artikel 2.60 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het aanleggen en behouden van taludtrappen in het waterstaatswerk primaire waterkering, het waterstaatswerk regionale waterkering en beschermingszone A bij een primaire of regionale waterkering.

Artikel 2.61 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Bij een overslaggevoelige waterkering zal het water wat over de waterkering heen komt tussen de constructie van de trap en de grond gaan zitten. Hierdoor ontstaat erosie aan het dijklichaam, wat de waterkering ernstig in gevaar brengt. Ook de overgangen tussen de harde trap en waterkering uit grondachtig materiaal zijn gevoelig voor uitspoeling. Een taludtrap zal erosiebestendig moeten worden ontworpen en aangelegd. Het hoogheemraadschap wil elk geval beoordelen en daarom zijn deze gevallen vergunningplichtig.

Artikel 2.62 Aanwijzing algemene regels

Voor het aanleggen, behouden of verwijderen van een taludtrap in het waterstaatswerk regionale waterkering, met uitzondering van het Amstelmeer of Alkmaarder en Uitgeestermeer, of in de bijbehorende beschermingszone A, gelden algemene regels. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Artikel 2.63 Gegevens en bescheiden

Dit artikel verplicht om vijf werkdagen voor het aanleggen van de taludtrap aan het bestuur de gegevens en bescheiden, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard van de activiteit, de locatie waar de taludtrap wordt aangelegd en de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Artikel 2.64 Constructie van de trap

Bij een waterkering zonder golfoverslag zijn taludtrappen mogelijk. Taludtrappen vormen een mogelijk gevaar indien er golfoverslag kan voorkomen. Hierdoor kan grote erosie ontstaan rondom de waterkering.

Verzakking of andere afwijkingen van een taludtrap zijn niet te inspecteren als het één deel is. Bij meerdere delen valt dit makkelijker te inspecteren.

Artikel 2.65 Plaatsing van de trap

Met het aanleggen van treden of leuningen kan ook onderloopsheid van de waterkering worden voorkomen. Leuningen worden bij voorkeur in het midden geplaatst. Met het begrip onderloopsheid wordt bedoeld dat er water onder een kade, dijk of ander kunstwerk stroomt als gevolg van een groot waterstandsverschil.

Artikel 2.66 Onderhoud

Het beheer en onderhoud van de taludtrap en de grond eromheen wordt door of namens initiatiefnemer uitgevoerd. Het in goede staat houden van deze werken en het voorkomen van defecten draagt bij aan een goed beheer van de waterkering.

Artikel 2.67 Verwijderen taludtrap

Overbodige obstakels kunnen het onderhoud van de waterkering hinderen. Als een taludtrap buiten gebruik is en niet langer nodig moet deze worden verwijderd.

Artikel 2.68 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 2.3 en over de algemene regels in artikelen 2.64 tot en met 2.66.

Paragraaf 2.1.9 Aanleggen van wegen, fietspaden, wandelpaden en uitritten

Artikel 2.69 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het aanleggen van wegen, fietspaden, wandelpaden en uitritten in het waterstaatswerk waterkering en beschermingszone A bij een waterkering. Hieronder valt ook de zandige kust.

Artikel 2.70 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Aanleg van nieuwe wegen, paden of uitritten hebben effect op de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid op het bestaande netwerk. Deze activiteiten in de nabijheid van of op een waterkering kunnen leiden ook tot instabiliteit van de waterkering door het plaatsen van extra gewicht. Elke situatie is anders. Het hoogheemraadschap wil daarom elk geval beoordelen onder welke voorwaarden de activiteit gerealiseerd kan worden en onder welke vergunningvoorschriften.

Paragraaf 2.1.10 Aanbrengen van verhard oppervlak

Artikel 2.71 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het aanbrengen van verhard oppervlak in het beheergebied van het hoogheemraadschap.

Artikel 2.72 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Regenwater dat op een onverharde bodem valt, zakt voor een belangrijk deel weg in de bodem (infiltratie). Bij verhard gebied vindt nauwelijks of geen infiltratie in de bodem plaats. Vrijwel al het water stroomt direct of via het (regenwater)rioolstelsel af naar het oppervlaktewater. Dit betekent dat bij een flinke regenbui het oppervlaktewatersysteem een grote afvoerpiek moet opvangen.

Om het basisniveau voor preventie van wateroverlast te behouden, is het van belang dat bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen voldoende waterberging wordt aangelegd en de opgave niet afgewenteld wordt op de omgeving (waterneutraal bouwen). De initiatiefnemer van de verhardingstoename neemt voldoende compenserende maatregelen, zodat het oppervlaktewatersysteem na de realisering van de verhardingstoename niet zwaarder wordt belast dan voordien. De kosten van deze maatregelen komen volledig voor rekening van de initiatiefnemer.

Daar waar de verharding aanzienlijk toeneemt, is het nodig om de benodigde te vergroten waterbergingscapaciteit te kwantificeren met een maatwerkberekening.

Standaard wordt gecompenseerd in vergroting van het wateroppervlak. Maar als gevolg van verdere verstedelijking neemt de druk op de openbare ruimte toe waardoor de openbare ruimte vaak multifunctioneel wordt benut. Hierdoor is de ruimte beperkt om waterberging te realiseren. Er zijn vormen van waterberging ontwikkeld die een alternatief kunnen vormen voor het realiseren van extra oppervlaktewater. De beleidsregels van het hoogheemraadschap geven ruimte aan de toepassing van deze andere vormen van waterberging.

Artikel 2.73 Aanwijzing algemene regels

Voor het aanbrengen van verhard oppervlak met een maximum van 2000 m2 gelden algemene regels. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Artikel 2.74 Gegevens en bescheiden

Dit artikel verplicht om vijf werkdagen voor het aanbrengen van het verhard oppervlak aan het bestuur de gegevens en bescheiden, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard van de activiteit, de locatie waar het verhard oppervlak wordt aangelegd en de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Artikel 2.75 Compensatie verhard oppervlak

Verhard oppervlak bestaat bijvoorbeeld uit gebouwen, terreinverharding en wegen. Door de aanleg van verhard oppervlak wordt neerslag versneld afgevoerd naar het water, waardoor het risico op wateroverlast toeneemt. Om dit effect te compenseren is extra waterberging nodig. Het hiervoor benodigde extra wateroppervlak is 10% van het nieuwe aangebrachte verharde oppervlak en kan worden gemaakt door bestaande waterlopen te verbreden of door nieuw water te graven. Indien het nieuw aangebrachte verharde oppervlak kleiner is dan 800 m2 is de toename van het risico op wateroverlast gering. In deze situatie hoeft daarom geen compensatie plaats te vinden.

Deze regels gaan uit van het eenmalig aanbrengen van verharding. Wanneer een initiatiefnemer meerdere malen verhard oppervlak aanbrengt met een oppervlakte minder dan 800 m2, kan het hoogheemraadschap eventueel maatwerkvoorschriften stellen.

Artikel 2.76 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 2.3 en over de algemene regels in artikelen 2.3 en 2.75.

Paragraaf 2.1.11 Aanleggen en verwijderen van windturbines

Artikel 2.77 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het aanleggen, behouden en verwijderen van windturbines in het beheergebied van het hoogheemraadschap.

Artikel 2.78 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Voor het aanleggen van een windturbine in het beperkingengebied waterkering is een voorafgaande beoordeling nodig van het hoogheemraadschap. Het aanleggen, behouden en verwijderen van een windturbine kan leiden tot instabiliteit van en schade aan de waterkering.

Artikel 2.79 Aanwijzing algemene regels

Voor het aanleggen of behouden van een windturbine buiten het beperkingengebied waterkering gelden algemene regels. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels. Buiten de waterkering en de beschermingszone geldt een informatieplicht, omdat de windturbine bij bezwijken nog steeds een gevaar kan vormen.

Artikel 2.80 Gegevens en bescheiden

Dit artikel verplicht om vijf werkdagen voor het aanleggen van de windturbine aan het bestuur de gegevens en bescheiden, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard van de activiteit, de locatie waar de windturbine wordt aangelegd en de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Artikel 2.81 Afstand tot het beperkingengebied waterkering

Windturbines worden steeds groter en daarom is er bepaald dat de afstand tot beschermingszone B gelijk moet zijn aan de hoogte. Hoogte is van maaiveld tot de top de wiek op het hoogste punt.

Artikel 2.82 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 2.3 en over de algemene regels in het artikel 2.81.

Paragraaf 2.1.12 Aanleggen van bodemenergiesystemen

Artikel 2.83 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het aanleggen van bodemenergiesystemen in het waterstaatswerk waterkering en beschermingszone A bij een waterkering.

Artikel 2.84 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het aanleggen van een bodemenergiesysteem kan een negatieve invloed hebben op de stabiliteit en waterdichtheid van de waterkering en de waterstromen in de waterkering zelf. Het hoogheemraadschap wil daarom elk geval beoordelen onder welke voorwaarden de activiteit gerealiseerd kan worden en onder welke vergunningvoorschriften.

Paragraaf 2.1.13 Verrichten van ontgravingen

Artikel 2.85 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het verrichten van ontgravingen in het beperkingengebied waterkering.

Volgens het tweede lid van dit artikel worden een groot aantal activiteiten in andere paragrafen van de werking van de regels van deze paragraaf uitgezonderd.

Artikel 2.86 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Ontgravingen kunnen een negatieve invloed hebben op de grondmechanische stabiliteit en waterdichtheid van de waterkering. Het hoogheemraadschap wil daarom elk geval beoordelen onder welke voorwaarden de activiteit gerealiseerd kan worden en onder welke vergunningvoorschriften.

Artikel 2.87 Aanwijzing algemene regels

Voor het verrichten van een ontgraving in beschermingszone B bij een waterkering gelden algemene regels. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Artikel 2.88 Gegevens en bescheiden

Dit artikel verplicht om vijf werkdagen voor het verrichten van de ontgraving aan het bestuur de gegevens en bescheiden, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard van de activiteit, de locatie van de ontgraving en de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Artikel 2.89 Stormseizoen

Tussen 15 oktober en 15 maart valt het stormseizoen. In deze periode komen over het algemeen de meeste stormen en hoogwater voor. De golven slaan bij een storm hard tegen de waterkering. Een goede grasbekleding is noodzakelijk voor de stabiliteit van de waterkering in het stormseizoen en bij hoog water. Werkzaamheden die mogelijk een negatief effect kunnen hebben op de waterkering zijn gedurende de stormperiode niet toegestaan. Het gebied waar deze regel voor geldt is beschermingszone B bij een primaire waterkering.

Artikel 2.90 Diepte

De pleistocene grondlaag is de ondergrond van de Nederlandse bodem die gevormd is tijdens de ijstijd uit het Pleistoceen. Ontgravingen, dieper dan de pleistocene grondlaag, hebben een te groot effect op de stabiliteit of waterdichtheid van een waterkering. Deze zijn niet toegestaan.

Artikel 2.91 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 2.3 en over de algemene regels in artikelen 2.89 en 2.90.

Paragraaf 2.1.14 Aanbrengen van drainagebuizen en ontwateringsgreppels

Artikel 2.92 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het aanleggen en behouden van drainagebuizen en ontwateringsgreppels in het beheergebied van het hoogheemraadschap.

Artikel 2.93 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het aanleggen van een drainagebuis of ontwateringsgreppel kan leiden tot instabiliteit van de waterkering en kan effecten hebben op de waterstromen in de waterkering zelf. Samengestelde, gecontroleerde en peilgestuurde drainages zijn voorts typen drainages die van grotere invloed kunnen zijn op het functioneren van het watersysteem. Het hoogheemraadschap wil daarom elk geval beoordelen onder welke voorwaarden de activiteit gerealiseerd kan worden en onder welke vergunningvoorschriften.

Artikel 2.94 Aanwijzing algemene regels

Voor het aanleggen, behouden of verwijderen van een drainagebuis of ontwateringsgreppel buiten het waterstaatswerk waterkering en de bijbehorende beschermingszone A, gelden algemene regels. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Artikel 2.95 Gegevens en bescheiden

Dit artikel verplicht om vijf werkdagen voor het aanleggen van de drainagebuis of ontwateringsgreppel aan het bestuur de gegevens en bescheiden, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard van de activiteit, de locatie waar de drainagebuis of ontwateringsgreppel wordt aangelegd en de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Artikel 2.96 Plaatsing van de drainagebuis of ontwateringsgreppel

Ter voorkoming van de verbinding van waterlopen wordt de hoge kant van de drainage meer dan 5 meter vanuit de insteek aangelegd. Drainage is bedoeld om het grondwaterniveau in percelen te reguleren. Het is echter niet de bedoeling dat er via drainage water gaat stromen tussen waterlopen aan weerzijden van een perceel. Door de voorgeschreven wijze van aanleg wordt dit voorkomen.

Artikel 2.97 Verwijderen

Obstakels kunnen de doorstroming van het water of het onderhoud van het water hinderen en moeten daarom verwijderd worden als ze niet meer nodig zijn.

Artikel 2.98 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 2.3 en over de algemene regels in het artikel 2.96.

Paragraaf 2.1.15 Aanleggen van verticale drainages

Artikel 2.99 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het aanleggen van verticale drainages in het waterstaatswerk waterkering of beschermingszone A bij een waterkering.

Artikel 2.100 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Verticale drainage kan een negatieve invloed hebben op de grondmechanische stabiliteit en waterdichtheid van de waterkering. Het hoogheemraadschap wil daarom elk geval beoordelen onder welke voorwaarden de activiteit gerealiseerd kan worden en onder welke vergunningvoorschriften.

Paragraaf 2.1.16 Onderzoek

§ 2.1.16.1 Verrichten van grondonderzoek

Artikel 2.101 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het verrichten van grondonderzoek in het waterstaatswerk primaire of regionale waterkering en in beschermingszone A bij een primaire of regionale waterkering.

Artikel 2.102 Aanwijzing algemene regels

Grondonderzoek heeft invloed op de grondmechanische stabiliteit en waterdichtheid van de waterkering. Het hoogheemraadschap heeft algemene regels opgesteld om deze invloed zoveel mogelijk te mitigeren. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Artikel 2.103 Gegevens en bescheiden

Dit artikel verplicht om vijf werkdagen voor het verrichten van het grondonderzoek aan het bestuur de gegevens en bescheiden, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard van de activiteit, de locatie waar het grondonderzoek wordt uitgevoerd en de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Artikel 2.104 Uitvoering

De erosiebestendigheid van de waterkering moet gewaarborgd blijven. Na het uitvoeren van het onderzoek moet de grasmat hersteld worden om te zorgen dat er geen erosie optreedt. Bij het verwijderen van peilbuizen moet de afsluitende laag afgesloten worden om overlast te voorkomen.

Artikel 2.105 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 2.3 en over de algemene regels in het artikel 2.104.

§ 2.1.16.2 Verrichten van seismisch onderzoek

Artikel 2.106 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het verrichten van seismisch onderzoek in het beperkingengebied waterkering.

Artikel 2.107 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het verrichten van seismisch onderzoek heeft invloed op de grondmechanische stabiliteit en waterdichtheid van de waterkering. Het hoogheemraadschap wil daarom elk geval beoordelen onder welke voorwaarden de activiteit gerealiseerd kan worden en onder welke vergunningvoorschriften.

§2.1.16.3 Aanleggen van peilbuizen

Artikel 2.108 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het aanleggen van peilbuizen in het waterstaatswerk waterkering of in beschermingszone A bij een waterkering.

Artikel 2.109 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het aanleggen van peilbuizen heeft invloed op de grondmechanische stabiliteit en waterdichtheid van de waterkering. Het hoogheemraadschap wil daarom elk geval beoordelen onder welke voorwaarden de activiteit gerealiseerd kan worden en onder welke vergunningvoorschriften.

Paragraaf 2.1.17 Aanleggen en verwijderen van kabels en leidingen

Artikel 2.110 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het aanleggen, behouden en verwijderen van kabels en leidingen in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam en het beperkingengebied waterkering.

Artikel 2.111 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het aanleggen of verwijderen van kabels en leidingen heeft invloed op de stabiliteit en waterdichtheid van de waterkering. Bij een mediumvoerende leiding bestaat er een kans op het ontstaan van een ontgrondingskuil bij falen van de leiding. Het hoogheemraadschap wil elk geval vooraf beoordelen onder welke voorwaarden de activiteit gerealiseerd kan worden en onder welke vergunningvoorschriften.

Artikel 2.112 Aanwijzing algemene regels

Voor het aanleggen of behouden van een kabel of leiding in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam, met uitzondering van vaarwegen, gelden algemene regels. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Artikel 2.113 Gegevens en bescheiden

Dit artikel verplicht om vijf werkdagen voor het aanleggen of verwijderen van de kabel of leiding aan het bestuur de gegevens en bescheiden, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard van de activiteit, de locatie waar de kabel of leiding wordt aangelegd en de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Artikel 2.114 Plaatsing bij oppervlaktewater

Bij onderhoud van het water bestaat het risico dat kabels en leidingen beschadigen. Daarom moeten ze minimaal 1 meter onder de vaste waterbodem worden aangelegd. Hierbij wordt er van uitgegaan dat dit een diepte is die bij normaal onderhoud geen hinder of schade veroorzaakt.

De aan- en afvoer van water en beroeps- en/of recreatievaart moeten geborgd blijven bij de aanleg van kabels en leidingen.

Herstel van talud en waterbodem zijn van belang om uitspoeling van de bodem en oever te voorkomen. Daardoor zouden kabels- en leidingen bloot kunnen komen te liggen met mogelijke schade bij onderhoud tot gevolg. Door uitzakken of uitspoelen van de oever of van de waterbodem komen grond of andere stoffen in het water. Hiermee wordt het doorstroomprofiel verkleind.

Artikel 2.115 Onderhoud

Door lekkage kan schade ontstaan aan het water en de oevers en daarmee hinder van de aan- en afvoer van water. Daarom moeten kabels en leidingen in een zodanige staat worden onderhouden dat er geen lekkage ontstaat. In goede staat houden van de kabels en leidingen en het voorkomen van defecten draagt bij aan een goed waterbeheer.

Artikel 2.116 Ligging van de kabel of leiding

De kabel of leiding moet worden aangelegd op een afstand van ten minste 1 meter uit het leggerprofiel of (als het bestaande profiel groter is dan het leggerprofiel) 1 meter uit het bestaande profiel. Hierbij wordt er van uitgegaan dat dit een diepte is die bij normaal onderhoud geen hinder of schade veroorzaakt.

Artikel 2.117 Kabel of leiding bij een kunstwerk

Om schade aan kabels en leidingen bij onderhoud aan kunstwerken als bruggen, duikers, stuwen en gemalen te voorkomen moeten kabels en leidingen op een zodanige afstand worden aangelegd dat dit onderhoud niet belemmerd wordt.

Een kabel of leiding kan aan een brug worden bevestigd als de doorvaartbreedte en -hoogte van de brug hierdoor niet kleiner worden. Bovendien moet vervanging of aanpassing van de brug mogelijk blijven.

Artikel 2.118 Verwijderen van een kabel of leiding

Beschadigde kabels en leidingen kunnen zorgen voor schade aan het water en de oevers en daarmee de aan- en afvoer van water hinderen. Daarom moeten ze zo spoedig mogelijk verwijderd, gerepareerd of vervangen worden.

Kabels en leidingen zijn obstakels in de waterbodem en oever waar rekening mee moet worden gehouden bij onderhoud of graafwerkzaamheden. Als ze niet langer nodig zijn moeten ze daarom worden verwijderd.

Herstel van talud en waterbodem zijn van belang om uitspoeling van de bodem en oever te voorkomen. Daardoor zouden kabels- en leidingen bloot kunnen komen te liggen met mogelijke schade bij onderhoud tot gevolg. Door uitzakken of uitspoelen van de oever of van de waterbodem komen grond of andere stoffen in het water. Hiermee wordt het doorstroomprofiel verkleind.

Artikel 2.119 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 2.3 en over de algemene regels in artikelen2.114 tot en met 2.118.

Paragraaf 2.1.18 Graven van proefsleuven

Artikel 2.120 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het graven van proefsleuven in het waterstaatswerk primaire en regionale waterkering en in beschermingszone A bij een primaire of regionale waterkering.

Artikel 2.121 Aanwijzing algemene regels

Het graven van een proefsleuf heeft invloed op de stabiliteit van de waterkering. Het hoogheemraadschap heeft daarom algemene regels opgesteld om deze invloed zoveel mogelijk te mitigeren. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Artikel 2.122 Gegevens en bescheiden

Dit artikel verplicht om vijf werkdagen voor het graven van de proefsleuf aan het bestuur de gegevens en bescheiden, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard van de activiteit en de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Artikel 2.123 Toegestane ontgravingen

Grote ontgravingen kunnen invloed hebben op de stabiliteit of waterdichtheid van een waterkering. Beperkte ontgravingen volgens de algemene regels in dit artikel zijn wel toegestaan. Proefsleuven op een primaire kering moeten buiten het stormseizoen gegraven worden.

Artikel 2.124 Aanvullen van de ontgraving

De erosiebestendigheid van de waterkering moet gewaarborgd blijven. Door het graven van de proefsleuf wordt de erosiebestendige deklaag verwijderd.

Het verwijderen van grond uit een kering kan leiden tot instabiliteit door het verplaatsen van gewicht in de kering.

Artikel 2.125 Grasmat

De erosiebestendigheid van de waterkering moet gewaarborgd blijven. Na het graven van proefsleuven moet de grasmat hersteld worden om te zorgen dat er geen erosie optreedt.

Artikel 2.126 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 2.3 en over de algemene regels in artikelen 2.123 tot en met 2.125.

Paragraaf 2.1.19 Graven van nieuw water

Artikel 2.127 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het graven van nieuw water in het beheergebied van het hoogheemraadschap.

Artikel 2.128 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

In het hellend gebied in en langs de duinen, de strandwallen en stuwwallen, en in de polders waar in de ondiepe ondergrond zoute kwel aanwezig is moet terughoudend zijn met het aanleggen van te diep uitgegraven wateren. In de Wieringermeer en Westzanerpolder is dit versterkt aanwezig door de extra grote drooglegging van de hoofdwateren.

Het hellend gebied is vrij afwaterend en het benodigde profiel voor de aan-/afvoer van water is afhankelijk van de helling van de bodem van het oppervlaktewaterlichaam. De helling van de bodem volgt vaak de helling van het maaiveld en de wateren zijn soms alleen bij neerslag watervoerend. In deze gebieden, bestaande uit de duinen en duinrand en de stuwwallen op Texel en Wieringen, is het noodzakelijk afwijkende normen te hanteren. De wateren moeten voldoende afvoercapaciteit hebben. Maar de wateren mogen niet te diep worden aangelegd, omdat dit de grondwaterstand (negatief) kan beïnvloeden.

In de Wieringermeer en Westzanerpolder gelden afwijkende uitgangspunten voor het secundaire en tertiaire stelsel in het landelijk gebied. In deze polders is het watersysteem ingericht op het zo veel mogelijk beperken van zoute kwel en het opbouwen van zoetwaterlenzen. De polders hebben een permanent watervoerende hoofdstructuur, maar ondiepe perceelsloten die droogvallen.

Het graven van nieuw water in de nabijheid van een waterkering kan leiden tot instabiliteit van de waterkering.

Elke situatie van nieuw te graven water is anders. Het hoogheemraadschap wil daarom elk geval beoordelen onder welke voorwaarden de activiteit gerealiseerd kan worden en onder welke vergunningvoorschriften.

Artikel 2.129 Aanwijzing algemene regels

Voor het graven van nieuw water in het beheergebied, met uitzondering van gebied met hellende waterbodems en droogvallend water en het waterstaatswerk waterkering en beschermingszone A bij een waterkering, gelden algemene regels. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Artikel 2.130 Gegevens en bescheiden

Dit artikel verplicht om vijf werkdagen voor het graven van het water aan het bestuur de gegevens en bescheiden, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard van de activiteit, de locatie waar het water wordt gegraven en de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Artikel 2.131 Eisen aan het water

Waterpeilen zijn afgestemd op de hoogte en het grondgebruik van gebieden. Als gebieden met verschillende waterpeilen met elkaar verbonden worden stroomt water uit het gebied met het hoogste waterpeil weg, waardoor het waterpeil daar zakt, met mogelijke nadelige gevolgen voor funderingen van gebouwen, oevers, etc.

Artikel 2.132 Ligging van het water

Aan het graven van nieuw water worden eisen gesteld over de minimale afmetingen. Die gaan over breedte en diepte en dit is afhankelijk van de benodigde waterafvoer in perioden van hevige neerslag.

Artikel 2.133 Stormseizoen

Tussen 15 oktober en 15 maart valt het stormseizoen. In deze periode komen over het algemeen de meeste stormen en hoogwater voor. De golven slaan bij een storm hard tegen de waterkering. Een goede grasbekleding is noodzakelijk voor de stabiliteit van de waterkering in het stormseizoen en bij hoog water. Werkzaamheden die mogelijk negatief effect kunnen hebben op de waterkering zijn gedurende de stormperiode niet toegestaan. Het gebied waar deze regel voor geldt is de beschermingszone A bij een primaire waterkering.

Artikel 2.134 Diepte van de ontgraving

De pleistocene grondlaag is de ontgrond van de Nederlandse bodem die gevormd is tijdens de ijstijd uit het Pleistoceen. Ontgravingen, dieper dan de pleistocene grondlaag, hebben een te groot op de stabiliteit of waterdichtheid van een waterkering. Deze zijn niet toegestaan.

Artikel 2.135 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 2.3 en over de algemene regels in artikelen 2.131 tot en met 2.134.

Paragraaf 2.1.20 Verbreden van bestaand water

Artikel 2.136 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het verbreden van bestaand water in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam en het beperkingengebied waterkering.

Artikel 2.137 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het verbreden van bestaand water in de nabijheid van een waterkering kan leiden tot instabiliteit van de waterkering. Elke situatie is anders. Het hoogheemraadschap wil daarom elk geval beoordelen onder welke voorwaarden de activiteit gerealiseerd kan worden en onder welke vergunningvoorschriften.

Artikel 2.138 Aanwijzing algemene regels

Voor het verbreden van bestaand water in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam, met uitzondering van vaarwegen en in beschermingszone B bij een primaire waterkering, gelden algemene regels. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Artikel 2.139 Gegevens en bescheiden

Dit artikel verplicht om vijf werkdagen voor het verbreden van het water aan het bestuur de gegevens en bescheiden, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard van de activiteit, de locatie waar het water wordt verbreed en de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Artikel 2.140 Stormseizoen

Tussen 15 oktober en 15 maart valt het stormseizoen. In deze periode komen over het algemeen de meeste stormen en hoogwater voor. De golven slaan bij een storm hard tegen de waterkering. Een goede grasbekleding is noodzakelijk voor de stabiliteit van de waterkering in het stormseizoen en bij hoog water. Werkzaamheden die mogelijk negatief effect kunnen hebben op de waterkering zijn gedurende de stormperiode niet toegestaan. Het gebied waar deze regel voor geldt is de beschermingszone B bij een primaire waterkering.

Artikel 2.141 Bescherming van het oppervlaktewater

In perioden met hevige neerslag is het om wateroverlast te voorkomen van belang dat dit water goed kan worden afgevoerd. Daarom stelt het hoogheemraadschap eisen aan de minimale afmetingen van het water over de breedte en diepte.

Door uitzakken of uitspoelen van de oever komen grond of andere stoffen in het water. Hiermee wordt het doorstroomprofiel verkleind.

Obstakels kunnen de doorstroming van het water of het onderhoud van het water hinderen en moeten daarom verwijderd worden als ze niet meer nodig zijn.

Artikel 2.142 Diepte van de ontgraving

De pleistocene grondlaag is de ontgrond van de Nederlandse bodem die gevormd is tijdens de ijstijd uit het Pleistoceen. Ontgravingen, dieper dan de pleistocene grondlaag, hebben een te groot effect op de stabiliteit of waterdichtheid van een waterkering. Deze zijn niet toegestaan.

Artikel 2.143 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 2.3 en over de algemene regels in artikelen 2.140 tot en met 2.142.

Paragraaf 2.1.21 Geheel of gedeeltelijk dempen van water

Artikel 2.144 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het geheel of gedeeltelijk dempen van water in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.145 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Voor het versmallen van bestaand water is een voorafgaande beoordeling nodig van het hoogheemraadschap. Het hoogheemraadschap wil elk geval apart beoordelen, zo'n aantasting en versmalling van de watergang is op elke locatie anders. Deze activiteit is daarom vergunningplichtig.

Voor een goede aan- en afvoer van water is het belangrijk dat waterlopen van voldoende afmeting blijven, met name die wateren die nodig zijn voor het waterbeheer op regionaal en polderniveau. Door middel van een categorie-indeling geeft het hoogheemraadschap het belang van elk oppervlaktewaterlichaam. Om schade te beperken tijdens de steeds vaker optredende klimaatbuien is het nodig om het overschot aan water flexibel te kunnen sturen naar speciaal hiervoor ingerichte waterbergingen of naar locaties waar de schade minder groot is. Hierin speelt met name het zogenoemde primaire stelsel van wateren een belangrijke rol.

Artikel 2.146 Aanwijzing algemene regels

Voor het geheel dempen van een tertiair water en het gedeeltelijk dempen van een secundair of tertiair water, gelden algemene regels. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Artikel 2.147 Gegevens en bescheiden

Dit artikel verplicht om vijf werkdagen voor het geheel of gedeeltelijk dempen van het water aan het bestuur de gegevens en bescheiden, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard van de activiteit, de locatie waar het water wordt gedempt en de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Artikel 2.148 Demping over de totale lengte

Tertiaire wateren zijn de haarvaten van het regionale watersysteem. Omdat ze geen rol hebben in de aan- en afvoer van water kunnen ze worden gedempt onder de voorwaarde dat het water in de volledige lengte wordt gedempt.

Artikel 2.149 Bescherming van het oppervlaktewater

In perioden met hevige neerslag is het om wateroverlast te voorkomen van belang dat dit water goed kan worden afgevoerd. Daarom stelt het hoogheemraadschap eisen aan de minimale afmetingen van het water over de breedte en diepte.

Door uitzakken of uitspoelen van de oever komen grond of andere stoffen in het water. Hiermee wordt het doorstroomprofiel verkleind.

Obstakels kunnen de doorstroming van het water of het onderhoud van het water hinderen en moeten daarom verwijderd worden als ze niet meer nodig zijn.

Artikel 2.150 Compensatie

In perioden met hevige neerslag kan niet al het water direct worden afgevoerd. In het water is ruimte om water tijdelijk te bergen door het waterpeil te laten stijgen tot het water kan worden afgevoerd. Om te voorkomen dat door het dempen van water de capaciteit voor waterberging vermindert, is compensatie vereist.

Artikel 2.151 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 2.3 en over de algemene regels in artikelen 2.148 tot en met 2.150.

Paragraaf 2.1.22 Aanleggen en verwijderen van beschoeiingen en andere profielbeschermingen

Artikel 2.152 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het aanleggen van beschoeiing in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam en het beperkingengebied waterkering. Een beschoeiing bestaat veelal uit een verticaal geplaatste houten wand. Het is een type (profiel)verdediging ook wel oeverbescherming genoemd. Andere typen profielverdedigingen zijn bijvoorbeeld een damwand, kademuur, perkoenpalen, wiepen of betuining. Het zijn grondkerende constructies om afkalving van de oever (of het talud) te voorkomen zodat de doorstroming en/of het vaarwegverkeer niet wordt belemmerd door afgekalfde grond.

Artikel 2.153 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Voor het aanleggen, behouden of verwijderen van beschoeiing en andere profielbeschermingen in het beperkingengebied vaarwegen is een voorafgaande beoordeling nodig van het hoogheemraadschap. Het hoogheemraadschap wil elk geval apart beoordelen, zo'n voorziening is op elke locatie anders. Deze activiteit is daarom vergunningplichtig.

Artikel 2.154 Aanwijzing algemene regels

Voor het aanleggen van een beschoeiing en andere profielbeschermingen in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam, met uitzondering van vaarwegen, buiten het waterstaatswerk waterkering en de bijbehorende beschermingszone A, gelden algemene regels. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Artikel 2.155 Gegevens en bescheiden

Dit artikel verplicht om vijf werkdagen voor het aanleggen van de beschoeiing of andere profielbescherming aan het bestuur de gegevens en bescheiden, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard van de activiteit, de locatie waar de beschoeiing of andere profielbeschermingen wordt aangelegd en de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Artikel 2.156 Plaatsing beschoeiing

Een beschoeiing of andere profielbescherming is een constructie die de oever beschermt tegen uitzakken of uitspoelen van de oever. In sommige gebieden voeren we in bepaalde perioden van het jaar (meestal zomerperiode) hogere waterpeilen. Als de beschoeiing wordt aangelegd bij het hoogst gevoerde waterpeil is het niet nodig om het verlies van waterberging te compenseren.

Door de aanleg van beschoeiing of andere profielbescherming worden het water en de oever minder breed. Hierdoor gaat capaciteit voor waterberging verloren. Dit moet worden gecompenseerd.

Artikel 2.157 Verwijderen van de beschoeiing en andere profielbeschermingen

Obstakels kunnen de doorstroming van het water of het onderhoud van het water hinderen en moeten daarom verwijderd worden als ze niet meer nodig zijn. Om dit op een veilige manier te doen is het vereist om met het hoogheemraadschap af te stemmen over het moment en de wijze waarop de verwijdering wordt uitgevoerd.

Artikel 2.158 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 2.3 en over de algemene regels in artikel 2.156.

Paragraaf 2.1.23 Aanleggen en verwijderen van natuurvriendelijke oevers

Artikel 2.159 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het aanleggen en behouden van natuurvriendelijke oevers in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.160 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Voor het aanleggen van een natuurvriendelijke oever in het waterstaatswerk primaire of regionale waterkering of de bijbehorende beschermingszone A, is een voorafgaande beoordeling nodig van het hoogheemraadschap. Het hoogheemraadschap wil elk geval apart beoordelen, zo'n oever is op elke locatie anders. Deze activiteit is daarom vergunningplichtig.

Artikel 2.161 Aanwijzing algemene regels

Voor het aanleggen of behouden van een natuurvriendelijke oever in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam, gelden algemene regels. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Artikel 2.162 Gegevens en bescheiden

Dit artikel verplicht om vijf werkdagen voor het aanleggen van de natuurvriendelijke oever aan het bestuur de gegevens en bescheiden, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard van de activiteit, de locatie waar de natuurvriendelijke oever wordt aangelegd en de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Artikel 2.163 Bescherming van het oppervlaktewater

Bij aanleg van de natuurvriendelijke oever buiten het doorstroomprofiel wordt de waterafvoer niet gehinderd. In perioden met hevige neerslag is het om wateroverlast te voorkomen van belang dat water goed kan worden afgevoerd. Daarom stelt het hoogheemraadschap eisen aan de minimale afmetingen van het water over de breedte en diepte.

Obstakels kunnen de doorstroming van het water of het onderhoud van het water hinderen en moeten daarom verwijderd worden als ze niet meer nodig zijn.

Het wateroppervlak binnen de natuurvriendelijke oever draagt bij aan de waterberging van een gebied.

Zonder onderhoud kan door de groei en sterfte van oeverplanten na enige tijd de bodem boven water komen te liggen zodat er geen waterberging meer kan plaatsvinden. Dit moet worden voorkomen.

Artikel 2.164 Onderhoud

De natuurvriendelijke oever functioneert het beste als deze goed wordt onderhouden. Zonder onderhoud vindt verlanding plaats.

Artikel 2.165 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 2.3 en over de algemene regels in artikelen 2.163 en 2.164.

Paragraaf 2.1.24 Ophogen van lage percelen en bergingen

Artikel 2.166 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het ophogen van lage percelen en bergingen in een bergingsgebied.

Artikel 2.167 Aanwijzing algemene regels

Voor het ophogen van een laag perceel of berging in een bergingsgebied gelden algemene regels. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Artikel 2.168 Gegevens en bescheiden

Dit artikel verplicht om vijf werkdagen voor het ophogen van het lage perceel of de berging aan het bestuur de gegevens en bescheiden, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard van de activiteit, de locatie waar het lage perceel of de berging wordt opgehoogd en de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Artikel 2.169 Compensatie verlies bergingscapaciteit

Als door hevige neerslag vanuit het water omliggende percelen en of bebouwing onder water komen te staan spreken we van wateroverlast. Laag gelegen percelen komen dan als eerste onder water te staan. Bij ophogen van deze percelen kunnen ze niet meer gebruikt worden voor waterberging, waardoor de rest van het gebied meer/sneller wateroverlast kan krijgen. De hoeveelheid water die in de oude situatie op het perceel kon worden geborgen, oftewel de bergingscapaciteit, moet worden gecompenseerd.

Artikel 2.170 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 2.3 en over de algemene regels in artikel 2.169.

Paragraaf 2.1.25 Realiseren van peilafwijkingen

Artikel 2.171 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het realiseren van peilafwijkingen in het beheergebied van het hoogheemraadschap.

Een peilafwijking met behulp van een pomp valt niet onder deze activiteit. Een peilregeling die wordt gerealiseerd door waterinlaat van buiten de polder, zoals water uit de boezem of het IJsselmeer valt niet onder deze activiteit.

Artikel 2.172 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Indien buiten het aangewezen gebied peilafwijkingen de peilafwijking niet kan worden gerealiseerd met bestaande kunstwerken, wordt vergunning aangevraagd.

Voor het verlagen van het waterpeil door middel van een pomp is een vergunning noodzakelijk om voorschriften vast te leggen over de maximale verlaging van het waterpeil. In tegenstelling tot een peilregeling waarbij het waterpeil niet lager kan worden verlaagd dan het polderpeil.

Door het aanvoeren van water van buiten de polder, wordt het gemaal mogelijk te veel extra belast. Om eventuele effecten hiervan te beoordelen moet vergunning aangevraagd worden.

Artikel 2.173 Aanwijzing algemene regels

Voor het realiseren van een peilafwijking in het aangewezen gebied peilafwijkingen gelden algemene regels. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Artikel 2.174 Gegevens en bescheiden

Dit artikel verplicht om vijf werkdagen voor het realiseren van de peilafwijking aan het bestuur de gegevens en bescheiden, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard van de activiteit, de locatie waar de peilafwijking wordt gerealiseerd en de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Artikel 2.175 Peilregeling

Iedere peilafwijking mag geen negatieve gevolgen hebben op de omgeving. De peilregeling mag niet leiden tot wateroverlast, watertekort of verdroging in de omliggende gebieden. Ook mag de peilafwijking niet leiden tot onvoldoende kwellengte bij de bestaande peilscheidende kunstwerken. Richtlijn daarbij is dat er sprake is van voldoende kwellengte als minimaal 1 meter kwellengte per 10cm peilverschil wordt gehanteerd.

Artikel 2.176 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 2.3 en over de algemene regels in artikel 2.175.

Paragraaf 2.1.26 Aanleggen en verwijderen van peilregelende en peilscheidende kunstwerken

Artikel 2.177 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het aanleggen, behouden en verwijderen van peilregelende en peilscheidende kunstwerken in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.178 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Voor het aanleggen en verwijderen van peilregelende en peilscheidende kunstwerken in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam is een voorafgaande beoordeling nodig van het hoogheemraadschap. Het hoogheemraadschap wil elk geval beoordelen op de effecten van deze activiteiten op het vaarverkeer die voor elke locatie anders kunnen zijn. Deze activiteiten zijn daarom vergunningplichtig.

Het vastgestelde waterpeil is het resultaat van de afweging die het hoogheemraadschap heeft gemaakt met als doel een duurzaam en goed functionerend watersysteem voor het – waar mogelijk – faciliteren van de ruimtelijke gebruiksfunctie. Het waterpeil moet de aanwezige belangen zo optimaal mogelijk faciliteren en een doelmatig waterbeheer tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten mogelijk maken. Voor specifieke omstandigheden kan een (eventueel tijdelijke) afwijking van het vastgestelde waterpeil gewenst zijn. Het hoogheemraadschap toetst de motivatie voor een peilafwijking en gebruikt deze bij de afweging voor de vergunning. De voorwaarden in de vergunning zijn maatwerkberekeningen. Per peilafwijking wordt aangegeven welk gebied de peilafwijking beslaat, wat de toegestane peilfluctuaties zijn, wat de maximaal toegestane pompcapaciteit is en welke compenserende maatregelen worden genomen.

Paragraaf 2.1.27 Uitzetten of onttrekken van vis

Artikel 2.179 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het uitzetten en onttrekken van vis in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.180 Aanwijzing algemene regels

Voor het uitzetten of onttrekken van vis in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam gelden algemene regels. Een goede visstand is van belang voor de waterkwaliteit. Om deze reden zijn algemene regels opgenomen voor het uitzetten of onttrekken van vis.

Artikel 2.181 Gegevens en bescheiden

Dit artikel verplicht om vijf werkdagen voor het uitzetten of onttrekken van de vis aan het bestuur de gegevens en bescheiden, bedoeld in dit artikel, te verstrekken.

Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard van de activiteit, de locatie waar vis wordt uitgezet of onttrokken en de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Artikel 2.182 Visplan

Een goede visstand is van belang voor de waterkwaliteit. De visstand wordt bepaald door de aanwezige vissoorten en de hoeveelheid van deze vissen in een gebied. Het onttrekken of uitzetten van vis kan leiden tot wijziging van de visstand. Soms is dit gewenst, maar het kan ook ongewenste effecten hebben. Daarom leggen we afspraken hierover vast in een visplan.

Paragraaf 2.1.28 Weiden van dieren

Artikel 2.183 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het weiden van dieren in het waterstaatswerk primaire waterkering, het waterstaatswerk regionale waterkering en beschermingszone A bij die waterstaatswerken.

Artikel 2.184 Aanwijzing algemene regels

Voor het weiden van dieren in het waterstaatswerk primaire of regionale waterkering of in de bijbehorende beschermingszone A, gelden algemene regels. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Artikel 2.185 Gegevens en bescheiden

Dit artikel verplicht om vijf werkdagen voor het weiden van de dieren aan het bestuur de gegevens en bescheiden, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard van de activiteit, de locatie waar de dieren worden geweid en de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Artikel 2.186 Bescherming van de grasmat

Dieren groter dan schapen kunnen de grasmat stuktrappen en daardoor ontstaat erosie aan het dijklichaam wat tot instabiliteit kan leiden.

Artikel 2.187 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 2.3 en over de algemene regels in artikel 2.186.

Paragraaf 2.1.29 Aanplanten en rooien van beplanting

Artikel 2.188 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het aanplanten, behouden en rooien van beplanting in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam, het beperkingengebied waterkering en in een molenbiotoop.

Artikel 2.189 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het hoogheemraadschap wil elke aanplant, behouden en rooien van beplanting beoordelen op de te stellen voorwaarden en mogelijke aantasting van de betrokken belangen. Elke situatie is anders. Bomen en bosschages kunnen omvallen en ontgrondingskuilen achterlaten. De dijk kan eroderen waardoor de stabiliteit in gevaar komt. Kwaliteit van de vegetatie en bekleding van de waterkering wordt minder door de aanwezigheid van bomen en bosschages. Daarnaast kunnen bomen en bosschages een belemmering vormen voor het regulier onderhoud. Tot slot kan beplanting toekomstige versterkingen van de waterkering bemoeilijken

Maalvaardige molens zijn bemalingsinstallaties, die voor het malen van water afhankelijk zijn van de wind en kunnen worden ingezet om het waterbeheer van de polder uit te voeren. De werking van deze door wind aangedreven bemalingsinstallaties kan belemmerd worden door hoge bebouwing of begroeiing. Hoewel de molenbiotoop ook langs planologische weg in zekere mate beschermd is via provinciale regelgeving, biedt dit niet voldoende zekerheid vanwege de mogelijke uitzonderingen daarop. De beperking van het verbod tot opgaande beplantingen houdt in dat het verbod niet geldt voor laagblijvende gewassen, zoals land- en tuinbouwgewassen.

Artikel 2.190 Aanwijzing algemene regels

Voor het aanplanten, behouden of rooien van een boom of bosschage in beschermingszone B bij een waterkering gelden algemene regels. In beschermingszone B is de afstand tot de waterkering groot genoeg zodat de bomen geen invloed meer hebben. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Artikel 2.191 Stormseizoen

Tussen 15 oktober en 15 maart valt het stormseizoen. In deze periode komen over het algemeen de meeste stormen en hoogwater voor. De golven slaan bij een storm hard tegen de waterkering. Een goede grasbekleding is noodzakelijk voor de stabiliteit van de waterkering in het stormseizoen en bij hoog water. Werkzaamheden die mogelijk negatief effect kunnen hebben op de waterkering zijn gedurende de stormperiode niet toegestaan. Het gebied waar deze regel voor geldt is de beschermingszone A bij een primaire waterkering.

Artikel 2.192 Gegevens en bescheiden

Dit artikel verplicht om vijf werkdagen voor het aanplanten of rooien van de boom of bosschage aan het bestuur de gegevens en bescheiden, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard van de activiteit, de locatie waar de boom of bosschage wordt aangeplant of gerooid en de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Artikel 2.193 Beheer en onderhoud

Om hinder van de boom of bosschage voor de aan- en afvoer en het onderhoud van het water zoveel mogelijk te voorkomen is het belangrijk dat de boom of bosschage goed wordt beheerd en onderhouden door de initiatiefnemer. In goede staat houden van de boom of bosschage en het voorkomen van defecten draagt bij aan een goed waterbeheer.

Artikel 2.194 Doorstroomprofiel

In perioden met hevige neerslag is het om wateroverlast te voorkomen van belang dat dit water goed kan worden afgevoerd. Daarom stelt het hoogheemraadschap eisen aan de minimale afmetingen van het water over de breedte en diepte.

Artikel 2.195 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 2.3 en over de algemene regels in artikelen 2.192 en 2.193.

Paragraaf 2.1.30 Organiseren van evenementen op onverhard oppervlak

Artikel 2.196 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het organiseren van evenementen op onverhard oppervlak in het waterstaatswerk waterkering.

Artikel 2.197 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het organiseren van een evenement op onverhard oppervlak in het waterstaatswerk waterkering heeft invloed op de stabiliteit van de waterkering. Elke situatie is anders. Het hoogheemraadschap wil daarom elk geval beoordelen onder welke voorwaarden de activiteit gerealiseerd kan worden en onder welke vergunningvoorschriften.

Paragraaf 2.1.31 Aanleggen van explosiegevaarlijk materiaal

Artikel 2.198 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het aanleggen en behouden van explosiegevaarlijk materiaal in het beperkingengebied waterkering.

Artikel 2.199 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het aanleggen van explosiegevaarlijk materiaal in de nabijheid van of op de waterkering heeft invloed op de stabiliteit van de waterkering en er is een mogelijk risico op het ontstaan van een erosiekrater. Elke situatie is anders. Het hoogheemraadschap wil daarom elk geval beoordelen onder welke voorwaarden de activiteit gerealiseerd kan worden en onder welke vergunningvoorschriften.

Afdeling 2.2 Activiteiten bij wegen

Paragraaf 2.2.1 Algemeen

Artikel 2.200 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het verrichten van activiteiten in het beperkingengebied weg.

Artikel 2.201 Oogmerken

Dit artikel geeft aan met welke oogmerken de regels in deze afdeling zijn gesteld. De verordening stelt regels in het belang van de aanleg, instandhouding en bruikbaarheid van wegen en de vrije, veilige en vlotte afwikkeling van het verkeer over die wegen.

Artikel 2.202 Specifieke zorgplicht

Dit artikel bevat een specifieke zorgplicht voor activiteiten in het beperkingengebied met betrekking tot een weg. De formulering van deze specifieke zorgplicht is ook hier gelijk aan die van artikel 2.11 van het Bal. Het eerste lid bevat de omschrijving van de zorg die iedereen die een activiteit bij een weg verricht moet betrachten. Het tweede lid bevat een nadere uitwerking van de elementen die in ieder geval tot die zorg behoren.

Onder het borgen van de verkeersveiligheid (onderdeel a van het tweede lid) moet bijvoorbeeld klei op de weg worden voorkomen. Als bij het verrichten van een activiteit de weg toch vervuild is geraakt door klei, dan moet deze worden opgeruimd met een schuiver of via afspoeling. De vervuiler is verantwoordelijk voor de wegvervuiling en gevolgen daarvan. Wanneer de weg vervuild is geraakt, moeten de weggebruikers gewaarschuwd worden voor gevaarlijke situaties. Dit kan door het plaatsen van borden zodat weggebruikers tijdig op gevaarlijke situatie gewezen worden.

Artikel 2.203 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit

De indieningsvereisten in dit artikel zijn gebaseerd op de vereisten van artikel 2.4 (Aanvraagvereisten omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit).

Artikel 2.204 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen of vergunningvoorschrift te verbinden aan een omgevingsvergunning. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 2.202.

Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat een maatwerkvoorschrift niet kan worden gesteld, als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in afdeling 2.2 kan worden verbonden. Hiervoor is gekozen om voorschriften voor een activiteit zo veel mogelijk samen te brengen in één document.

Paragraaf 2.2.2 Aanleggen van uitritten, parkeervoorzieningen en halteplaatsen

Artikel 2.205 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het aanleggen en behouden van uitritten, parkeervoorzieningen en halteplaatsen in het beperkingengebied weg.

Artikel 2.206 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Een uitrit, parkeervoorziening of halteplaats heeft effect op de lokale verkeersafwikkeling en -veiligheid. Per geval moet beoordeeld worden of deze voorzieningen mogelijk zijn, en zo ja waar en hoe ze een zo klein mogelijk ongunstig effect hebben op het verkeer. Het hoogheemraadschap wil elk geval beoordelen en daarom zijn deze activiteiten vergunningplichtig.

Artikel 2.207 Aanwijzing algemene regels

Voor het aanleggen of behouden van een uitrit, parkeervoorziening of halteplaats in het beperkingengebied erftoegangsweg gelden algemene regels. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Artikel 2.208 Gegevens en bescheiden

Dit artikel verplicht om vijf werkdagen voor het aanleggen van de uitrit, parkeervoorziening of halteplaats aan het bestuur de gegevens en bescheiden, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard van de activiteit, de locatie waar de uitrit, parkeervoorziening of halteplaats wordt aangelegd en de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Artikel 2.209 De aanleg

Een aangebrachte verharding in de berm moet qua uiterlijk dusdanig te onderscheiden zijn van de rijbaan of rijbanen, dat duidelijk is dat de aangebrachte verharding nooit als een evenredige rijbaan wordt gezien die mogelijk voorrang zou hebben op de rijbaan. Dit komt de verkeersveiligheid ten goede. Met de geldende voorrangssituatie wordt bedoeld de bij die weg behorende regeling rond voorrang verlenen en geven. Bijvoorbeeld: 'rechts gaat voor' of 'u rijdt op een voorrangsweg'.

Op of vanaf uitritten of andere verhardingen bevinden zich voertuigen of vinden voertuigbewegingen – al dan niet richting of vanaf de rijbaan – plaats. Nabij een bocht kan het zicht van of tussen het verkeer op de rijbaan en verkeer op de verharding slecht zijn. Voor de verkeersveiligheid is daarom de locatie van een verharding gesitueerd verder van een bocht af.

Een bocht in de rijbaan is het gehele deel tussen rechtstand van de rijbaan aan de ene kant tot aan de rechtstand aan de andere kant. De vijf meter wordt dus gemeten vanaf de overgang tussen bocht en rechtstand.

Bij het koppelen van de constructie van een aangebrachte verharding aan de constructie van een of de rijbaan, kan door ongelijke zetting of belasting de constructie van de rijbaan (versneld) aangetast worden of zelfs kapot gaan. Om deze reden moet een (berm) verharding los van de rijbaan worden aangelegd, dus met een soort van dilatatievoeg. Een aparte constructie van de aangebrachte verharding is een constructie die op zichzelf staat, alleen de verharding draagt, dus los is van de verharding van de rijbaan.

Artikel 2.210 Bescherming omgeving

Een naast de rijbaan aangelegde verharding mag niet tot gevolg hebben dat bijvoorbeeld plasvorming op de rijbaan ontstaat. Plasvorming kan ontstaan doordat de verharding in de berm te hoog wordt aangelegd of de afwatering van de rijbaan richting onverharde berm, sloot of greppel wordt gehinderd. Met afwatering van de weg wordt bedoeld dat het water dat op de rijbaan komt, bijvoorbeeld door regenval, zo snel mogelijk afstroomt richting berm, sloot of greppel, waardoor op de rijbaan zo min mogelijk water blijft staan.

Bij de aanleg en het gebruik wordt zo min mogelijk schade aan de berm en beplanting aangebracht. Eventuele aangebrachte schade wordt hersteld door de initiatiefnemer. De berm en inrichting rondom de aangebrachte verharding blijft de zorg voor de wegbeheerder.

Artikel 2.211 Beheer en onderhoud

Degene die de verharding gebruikt en er belang bij heeft, draagt ook zorg voor het functioneren en onderhouden van deze verharding. Zo komen de kosten voor een particulier niet ten laste van de algemene gelden voor wegenbeheer.

Artikel 2.212 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 2.202 en over de algemene regels in artikelen 2.209 tot en met 2.211.

Paragraaf 2.2.3 Aanbrengen van werken met een verkeersfunctie door een overheidsinstelling

Artikel 2.213 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het aanbrengen en behouden van werken met een verkeersfunctie door een overheidsinstelling in het beperkingengebied weg. Voorzieningen en werken met een verkeersfunctie worden aangebracht door de wegbeheerder zelf, het hoogheemraadschap dus. Het betreffen werken die onderdeel uitmaken van de rijbaan (bijvoorbeeld passeerstroken) en verkeersvoorzieningen (zoals bebording). Beide worden ten behoeve van de verkeersveiligheid aangelegd of geplaatst. De plaats en constructie moet voldoen aan de wettelijke vereisten of richtlijnen.

Artikel 2.214 Aanwijzing algemene regels

Voor het aanbrengen en behouden werken met een verkeersfunctie door een overheidsinstelling in het beperkingengebied weg, gelden algemene regels. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Artikel 2.215 Gegevens en bescheiden

Dit artikel verplicht om vijf werkdagen voor het aanbrengen van het werk met een verkeersfunctie aan het bestuur de gegevens en bescheiden, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard van de activiteit, de locatie waar het werk met een verkeersfunctie wordt aangelegd en de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Artikel 2.216 De aanleg

Zie toelichting bij artikel 2.208.

Artikel 2.217 Bescherming omgeving

Zie toelichting bij artikel 2.209.

Artikel 2.218 Beheer en onderhoud

Degene die het werk met een verkeersfunctie gebruikt en er belang bij heeft, draagt ook zorg voor het functioneren en onderhouden van deze verharding.

Artikel 2.219 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 2.202 en over de algemene regels in artikelen 2.217 tot en met 2.218.

Paragraaf 2.2.4 Aanleggen en verwijderen van kabels en leidingen

Artikel 2.220 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het aanleggen, behouden en verwijderen van kabels en leidingen in het beperkingengebied weg.

Artikel 2.221 Aanwijzing algemene regels

Voor het aanleggen of behouden van een kabel of leiding in het beperkingengebied weg gelden algemene regels. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Artikel 2.222 Gegevens en bescheiden

Dit artikel verplicht om vijf werkdagen voor het aanleggen van de kabel of leiding aan het bestuur de gegevens en bescheiden, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard van de activiteit, de locatie waar de kabel of leiding wordt aangelegd en de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Artikel 2.223 Ligging langs de weg

In verband met onderhoud van de berm (meestal maaien) is voldoende gronddekking op de leiding nodig zodat de kabel door de onderhoudswerkzaamheden niet beschadigd kunnen raken. De aanlegdiepte is de diepte onder het maaiveld waar de kabel gesitueerd moet worden (verticaal gemeten), in dit geval dus met een gronddekking van 60 cm.

De wegfundering, het grondpakket dat de rijbaan/-banen draagt, is breder dan de rijbaanverharding zelf. Om de wegfundering niet te beschadigen, en/of instabiliteit in de berm direct naast de verharding te veroorzaken, worden sleuven of goten met een minimale (horizontale) afstand van 1,25 m van de verharding gegraven.

De sleuf of kabelgoot is een gegraven goot waar de kabel of leiding op de bodem wordt ingelegd. Na plaatsing kabel of leiding wordt de sleuf weer gedicht en verdicht met de uitgekomen grond.

Kabels of leidingen worden ofwel met open ontgraving (sleuf) gelegd of middels boring of persing geplaatst. Rondom een boom worden met deze werkzaamheden boomwortels doorsneden. Om de levensvatbaarheid van de boom zo groot mogelijk te houden, zo min mogelijk schade aan te brengen aan het wortelstelsel van de boom, de meest cruciale wortels niet te beschadigen, is een minimale afstand van 2 meter een vereiste.

De minimale afstand van 2 meter vanaf de boomstam wordt gemeten vanaf de buitenzijde van de stam. In algemeen kan worden gesteld dat het wortelstelsel van een boom (ondergronds) rondom even breed is als de kruin van de boom (bovengronds). Met de genoemde 2 meter kan bij een grotere boom aangenomen worden dat er sowieso schade aan het wortelstelsel ontstaat.

Artikel 2.224 Mantelbuis

Onder de weg door wordt een mantelbuis gedrukt, geperst of geboord. Hierdoor is een open ontgraving – en dus het openbreken van de verharding – niet nodig. Door toepassing van een mantelbuis is vervangen of herstellen van deze kabel of leiding mogelijk (door aan het uiteinde van de mantelbuis de kabel te trekken). Oude kabels/leidingen worden niet onnodig verlaten of steeds nieuwe locaties aangeboord.

De mantelbuis kan (grond)water vervoeren. Dit kan een oneigenlijke grondwaterstroming veroorzaken en/of verschillende peilgebieden ter weerszijden van de weg onbedoeld met elkaar verbinden. Om dit te voorkomen dient de mantelbuis aan beide zijden te worden afgesloten.

Een mantelbuis is een holle buis met een ruimere diameter dan de kabel(s) of leiding(en) die hierin komt te liggen.

Ter bescherming van de wegfundering en raken bij onderhoudswerkzaamheden is een minimale gronddekking van 1 meter vereist. De gronddekking van de mantelbuis wordt (horizontaal) gemeten tussen bovenzijde mantelbuis en maaiveld.

Artikel 2.225 Wijze van aanleggen

Deze plaatselijke omstandigheden kan een te smalle berm zijn waardoor het boren van een mantelbuis vanuit de berm niet mogelijk is. Eventueel kan de boring of persing vanuit een verderop gelegen perceel plaatsvinden.

Artikel 2.226 Herstel van de weg

Een hersteld wegdek blijft altijd een zwak punt in de verharding. Daarnaast zal de verkeersgebruiker de locatie als hobbel of kuil ervaren met onveilige situaties tot gevolg. Dit moet zoveel mogelijk worden voorkomen. In geval van het openbreken van de verharding van de weg, wordt de verharding in oorspronkelijk staat hersteld.

Artikel 2.227 Bescherming omgeving

Bij de aanleg en het gebruik wordt zo min mogelijk schade aan de berm en beplanting aangebracht. Eventuele aangebrachte schade wordt hersteld door de initiatiefnemer. De berm en inrichting rondom de aangebrachte verharding blijft de zorg voor de wegbeheerder.

Artikel 2.228 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 2.202 en over de algemene regels in artikelen 2.223 tot en met 2.227.

Paragraaf 2.2.5 Aanbrengen van overige werken, reclameborden en stoffen en houden van dieren

Artikel 2.229 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het plaatsen en behouden van werken, reclame-uitingen, stoffen en het houden van dieren in het beperkingengebied weg. Uitgezonderd van het toepassingsbereik van deze paragraaf zijn:

  • het aanleggen en behouden van uitritten, parkeervoorzieningen en halteplaatsen;

  • het aanbrengen en behouden van werken met een verkeersfunctie door een overheidsinstelling;

  • het aanleggen van kabels en leidingen.

Artikel 2.230 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Deze activiteiten kunnen een ongunstig effect hebben op de verkeersveiligheid en is voor elke situatie anders. Het hoogheemraadschap wil elk geval vooraf kunnen beoordelen, daarom zijn deze activiteiten vergunningplichtig.

Artikel 2.231 Aanwijzing algemene regels

Voor het plaatsen of behouden van een werk, reclame-uiting of stof of het houden van dieren in het beperkingengebied erftoegangsweg gelden algemene regels. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Artikel 2.232 Gegevens en bescheiden

Dit artikel verplicht om vijf werkdagen voor het plaatsen van het werk, de reclame-uiting of de stof of het houden van de dieren aan het bestuur de gegevens en bescheiden, bedoeld in dit artikel, te verstrekken.

Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard van de activiteit, de locatie waar de activiteit plaatsvindt en de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Artikel 2.233 De plaatsing

Vanwege de verkeersveiligheid – scheiding obstakel of activiteit met doorgaand verkeer – wordt werk, stof of dier op gepaste afstand van de rijbaan geplaatst.

De locatie van het werk, stof of dier is dusdanig gesitueerd dat het verkeer op de rijbaan de situatie tijdig en goed kan inschatten, zicht heeft op de situatie. Onverwachte activiteiten of op een plek waar het doorgaande verkeer niet tijdig de situatie kan inschatten, kan leiden tot verkeersonveilige situaties of ongevallen.

Met 'veilig' wordt bedoeld de veiligheid van de gebruikers of bezoekers van werk, stof of dier, én van de weggebruikers op de rijbaan.

Afmetingen van het aangebrachte werk zijn zodanig dat het zicht op de rijbaan niet (verkeersonveilig) wordt belemmerd. Onder verkeersveiligheid verstaan we de veiligheid van en tussen het verkeer, ter beoordeling van de wegbeheerder.

Artikel 2.234 Bescherming omgeving

Bij de aanleg en het gebruik wordt zo min mogelijk schade aan de berm en beplanting aangebracht. Eventuele aangebrachte schade wordt hersteld door de initiatiefnemer. De berm en inrichting rondom de aangebrachte verharding blijft de zorg voor de wegbeheerder.

Artikel 2.235 Beheer en onderhoud

Degene die de werken, reclame-uitingen of stoffen gebruikt en er belang bij heeft, draagt ook zorg voor het functioneren en onderhouden van deze objecten. Zo komen de kosten voor een particulier niet ten laste van de algemene gelden voor wegenbeheer.

Artikel 2.236 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 2.202 en over de algemene regels in artikelen 2.233 tot en met 2.235.

Paragraaf 2.2.6 Afsluiten van een weg

Artikel 2.237 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het geheel of gedeeltelijk afsluiten van een weg in het beperkingengebied weg.

Artikel 2.238 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het geheel of gedeeltelijk afsluiten van een weg heeft effect op een groter deel van het wegennetwerk. Het hoogheemraadschap wil elk geval vooraf beoordelen, daarom zijn deze activiteiten vergunningplichtig. Per situatie zal beoordeeld worden welke omleidingsroute aanbevolen wordt, en onder welke voorwaarden de percelen langs de afgesloten weg (verminderd) bereikbaar blijven.

Artikel 2.239 Aanwijzing algemene regels

Voor het gedeeltelijk afsluiten van een weg in het beperkingengebied erftoegangsweg gelden algemene regels. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Artikel 2.240 Gegevens en bescheiden

Dit artikel verplicht om vijf werkdagen voor het afsluiten van een weg aan het bestuur de gegevens en bescheiden, bedoeld in dit artikel, te verstrekken.

Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard van de activiteit, de locatie waar de activiteit plaatsvindt en de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Artikel 2.241 Belemmering

De aan de weg gelegen bestemmingen zijn over het algemeen alleen bereikbaar vanaf deze weg. Daarmee zijn bestemmingen afhankelijk voor toegang via deze weg. Mogelijke schade of verhindering – in welke vorm dan ook: economisch, gezondheid, calamiteit, etc. - door tijdelijke onbereikbaarheid moet zoveel als mogelijk voorkomen worden. Hiertoe heeft gedeeltelijke afsluiting de voorkeur, als in de lengterichting van de weg een deel van de rijbaan begaanbaar blijft. Enige vertraging is hierbij acceptabel, één rijrichting per keer wordt dan afgewikkeld. Een omleidingsroute met acceptabele vertraging kan ook.

Artikel 2.242 Afbakening van de versmalling

Door de CROW-richtlijnen toe te passen bij afbakening van de weg bij een wegversmalling wordt voldoende rekening gehouden met de veiligheid van de weggebruiker en de doorstroming van het wegverkeer. De initiatiefnemer moet zorgdragen voor de juiste afbakening.

Artikel 2.243 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 2.202 en over de algemene regels in artikelen 2.241 en 2.242.

Hoofdstuk 3 Lozingsactiviteiten

Afdeling 3.1 Algemeen

Artikel 3.1 Toepassingsbereik

Dit hoofdstuk is van toepassing op lozingsactiviteiten op oppervlaktewaterlichamen die in beheer zijn bij het hoogheemraadschap en lozingsactiviteiten op zuiveringtechnische werken die in beheer zijn bij het hoogheemraadschap. De artikelen in dit hoofdstuk zijn ook van toepassing op lozingsactiviteiten die afkomstig zijn van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. In dat geval zijn de artikelen maatwerkregels als bedoeld in artikel 2.12 van dat besluit. Als een artikel niet van toepassing is op lozingen afkomstig van zo’n milieubelastende activiteit, is dat in het artikel zelf aangegeven.

Artikel 3.2 Oogmerken

Dit artikel geeft aan met welke oogmerken de regels in dit hoofdstuk zijn gesteld. Dit zijn, kort gezegd, de doelstellingen van het waterbeheer (zie de begripsomschrijving van beheer van watersystemen in de memorie van toelichting van de Omgevingswet) die betrekking hebben op de waterkwaliteit en functievervulling door watersystemen, aangevuld met de bescherming van de doelmatige werking van zuiveringtechnische werken. De regels in dit hoofdstuk zijn niet gesteld met het doel om wateroverlast of watertekorten te voorkomen of te beperken.

Op grond van artikel 10.29a van de Wet milieubeheer moet het hoogheemraadschap bij het stellen van regels in de waterschapsverordening ook rekening houden met de in dat artikel opgenomen voorkeursvolgorde voor het omgaan met afvalwater. Deze voorkeursvolgorde gold ook voor de voormalige rijksregels die in dit hoofdstuk zijn opgenomen. Bij het opstellen van de regels over lozingen in een oppervlaktewaterlichaam in dit hoofdstuk is daarom niet alleen rekening gehouden met de bescherming van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en de doelmatige werking van zuiveringtechnische werken, maar ook met bijvoorbeeld de voorkeur om afvalwater, dat ten aanzien van de biologische afbreekbaarheid niet overeenkomt met huishoudelijk afvalwater, zo nodig na retentie of zuivering bij de bron te hergebruiken of lokaal terug te brengen in het milieu. Daarom is in verschillende artikelen in dit hoofdstuk bepaald dat afvalwaterstromen onder voorwaarden op een oppervlaktewaterlichaam kunnen worden geloosd. Hierbij is een afweging gemaakt tussen enerzijds de bescherming van de kwaliteit van het oppervlaktewaterlichaam (dat leidt tot beperking van lozingen op een oppervlaktewaterlichaam) en anderzijds de bescherming van de doelmatige werking van zuiveringtechnische werken en de voorkeur voor lokale verwerking van afvalwater (dat leidt tot beperking van lozingen op de vuilwaterriolering). Waar het oogmerk «doelmatig beheer van afvalwater» staat, duidt dit erop dat deze afweging heeft gespeeld.

Artikel 3.3 Specifieke zorgplicht

Dit artikel bevat een specifieke zorgplicht voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam en lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk. De formulering van deze specifieke zorgplicht is gelijk aan die van artikel 2.11 van het Bal. Het eerste lid bevat de omschrijving van de zorg die iedereen die een lozingsactiviteit verricht moet betrachten. Het tweede lid bevat een nadere uitwerking van de elementen die in ieder geval tot die zorg behoren.

De specifieke zorgplicht van dit artikel geldt naast de meer uitgewerkte artikelen over lozingsactiviteiten in de afdelingen 3.2 tot en met 3.19. De specifieke zorgplicht geldt ook voor lozingsactiviteiten waarvoor een omgevingsvergunning op grond van afdeling 3.19 is vereist.

Artikel 3.4 Gegevens en bescheiden op verzoek van het bestuur

Het gaat in dit artikel alleen om de situatie dat het hoogheemraadschap wil bekijken of de algemene regels en maatwerkvoorschriften voor de activiteit nog toereikend zijn gezien ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van de waterkwaliteit en de ontwikkelingen van die waterkwaliteit. Bij ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van de waterkwaliteit kan gedacht worden aan het beschikbaar komen van nieuwe passende preventieve maatregelen of de actualisatie van de beste beschikbare technieken. De ontwikkelingen die zien op de waterkwaliteit kunnen bijvoorbeeld aan de orde zijn als er door cumulatie van activiteiten een verslechtering van de waterkwaliteit optreedt. Met deze formulering is aangesloten op dezelfde regeling voor vergunningplichtige gevallen, zoals opgenomen in artikel 16.56 in samenhang met artikel 5.38 van de Omgevingswet.

Artikel 3.5 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 3.3, over de algemene regels over ongewone voorvallen en over de algemene regels over lozingsactiviteiten in de afdelingen 3.2 tot en met 3.20. De keuze om maatwerkvoorschriften generiek mogelijk te maken sluit ook hier aan bij de keuze die het Rijk heeft gemaakt in het Besluit activiteiten leefomgeving.

Afdeling 3.2 Lozen van grondwater bij sanering of ontwatering

Artikel 3.6 Toepassingsbereik

Deze afdeling gaat over het lozen van grondwater bij sanering of ontwatering.

Artikel 3.7 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Om wateroverlast te voorkomen stelt het hoogheemraadschap een maximum aan de afvoer van water naar oppervlaktewater van 50 m3 per uur. Het gaat in dit voorschrift alleen om (schoon) hemelwater en systeemeigen water. Met dit laatste wordt water bedoeld dat onderdeel is van hetzelfde watersysteem als het water waarin het wordt gebracht.

Afdeling 3.3 Lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening

Afdeling 3.4 Lozen van huishoudelijk afvalwater

Afdeling 3.5 Lozen van koelwater

Afdeling 3.6 Lozen bij reinigen, conserveren, bouwen, renoveren of slopen van bouwwerken

Afdeling 3.7 Lozen bij opslaan en overslaan van inerte goederen

Afdeling 3.8 Lozen bij opslaan en overslaan van andere dan inerte goederen

Afdeling 3.9 Lozen uit gemeentelijke voorzieningen voor inzameling en transport van afvalwater

Afdeling 3.10 Lozen bij ontgravingen, baggerwerkzaamheden en werkzaamheden door de waterbeheerder op een oppervlaktewaterlichaam

Afdeling 3.11 Lozen bij schoonmaken drinkwaterleidingen

Afdeling 3.12 Lozen bij calamiteitenoefeningen

Afdeling 3.13 Lozen bij telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen

Afdeling 3.14 Lozen bij maken van betonmortel en uitwassen van beton

Afdeling 3.15 Lozen bij niet-industriële voedselbereiding

Afdeling 3.16 Lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers

Afdeling 3.17 Lozen vanaf vaartuigen of andere drijvende werktuigen bij spoelen of scheiden van zand of grind

Afdeling 3.18 Asverstrooiing

Afdeling 3.19 Andere lozingen

Hoofdstuk 4 Wateronttrekkingsactiviteiten

Afdeling 4.1 Algemeen

Artikel 4.1 Toepassingsbereik

Deze afdeling gaat over het onttrekken van oppervlaktewater en het onttrekken van grondwater. Het bevat de algemene bepalingen die van toepassing zijn op deze activiteiten.

Artikel 4.2 Oogmerken

Dit artikel geeft aan met welke oogmerken de regels in dit hoofdstuk zijn gesteld.

Artikel 4.3 Specifieke zorgplicht

Dit artikel concretiseert de specifieke zorgplicht voor het onttrekken van oppervlaktewater en grondwater en bevat een opsomming met voorbeelden. De nadruk ligt in dit artikel op de bescherming van oppervlaktewater en grondwater.

Artikel 4.4 Gegevens en bescheiden vergunningvrije wateronttrekkingsactiviteiten

Als voor het onttrekken van grondwater op grond van de waterschapsverordening geen omgevingsvergunning is vereist, moeten hierover gegevens en bescheiden worden verstrekt. Dit was voorheen geregeld in het voormalige artikel 6.11 van het Waterbesluit. De gegevens en bescheiden die moeten worden verstrekt, zijn ontleend aan de aanvraagvereisten voor omgevingsvergunningen voor grondwateronttrekkingen in de Omgevingsregeling. Ook in de voormalige Waterregeling waren de te verstrekken gegevens en bescheiden gelijk aan de indieningsvereisten voor een watervergunning.

Artikel 4.5 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning wateronttrekkingsactiviteiten

Dit artikel is ontleend aan de Omgevingsregeling.

Artikel 4.6 Beoordelingsregel omgevingsvergunning wateronttrekkingsactiviteit

De beoordelingsregel van het Besluit kwaliteit leefomgeving voor omgevingsvergunningen voor het onttrekken van grondwater en het infiltreren van water in de bodem is van overeenkomstige toepassing op vergunningplichtige wateronttrekkingsactiviteiten. Dit sluit aan bij de wijze waarop dit in de Waterwet was geregeld.

Artikel 4.7 Voorschriften omgevingsvergunning infiltratie van water

Ook de voorschriften die volgens het Besluit kwaliteit leefomgeving aan een omgevingsvergunning voor het infiltreren van water in de bodem moeten worden verbonden, zijn van overeenkomstige toepassing. Dit sluit eveneens aan bij de regeling op grond van de Waterwet.

Artikel 4.8 Meetverplichting onttrekken van grondwater en infiltratie van water

In dit artikel zijn de meetverplichtingen van het voormalige artikel 6.11 van het Waterbesluit en het voormalige artikel 6.5 van de Waterregeling voortgezet. De meetverplichting geldt voor zowel vergunningplichtige als vergunningvrije gevallen. Op grond van het eerste lid moet de hoeveelheid onttrokken grondwater en de hoeveelheid water die wordt geïnfiltreerd worden gemeten. Op grond van het derde lid moet daarnaast ook de kwaliteit van het water dat wordt geïnfiltreerd worden gemeten. In deze waterschapsverordening kan een bepaling staan waarin gevallen worden aangewezen waarvoor de meetverplichtingen niet gelden.

Artikel 4.9 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen of een vergunningvoorschrift aan een omgevingsvergunning te verbinden. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 4.3.

Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat een maatwerkvoorschrift niet kan worden gesteld, als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in hoofdstuk 4 kan worden verbonden. Hiervoor is gekozen om voorschriften voor een activiteit zo veel mogelijk samen te brengen in één document.

Afdeling 4.2 Onttrekken van oppervlaktewater

Artikel 4.10 Toepassingsbereik

Deze afdeling gaat over het onttrekken van oppervlaktewater.

Artikel 4.11 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Iedere onttrekking van oppervlaktewater in een kwetsbaar gebied kan de waterkwaliteit of -kwantiteit nadelig beïnvloeden. Het aanpassen van de waterhuishouding in en nabij de waterkering heeft ook invloed op de stabiliteit van de waterkering. Om deze redenen hanteert het hoogheemraadschap een vergunningplicht, zodat per geval nagegaan kan worden of en onder welke voorwaarden het onttrekken kan worden toegestaan.

In peilgebieden waar het hoogheemraadschap geen of beperkt water kan aanvoeren is het onttrekken van oppervlaktewater beperkt mogelijk. Het betreft het hellend gebied met name in en langs de duinen, de strandwallen en stuwwallen en geheel Texel. De peilgebieden met beperkte aanvoermogelijkheden liggen verspreid over het beheergebied, het betreft hier ook zogenoemde hoogwatervoorzieningen waar het van belang is dat het waterpeil niet verlaagd wordt. Daarnaast wil het hoogheemraadschap het onttrekken van water beperken in peilgebieden waar het peilbeheer is gericht op het verminderen van het inlaten van gebiedsvreemd water.

Artikel 4.12 Aanwijzing algemene regels

Onttrekkingen van oppervlaktewater buiten kwetsbare gebieden moeten voldoen aan de algemene regels als het oppervlaktewater wordt onttrokken voor beregening, bevloeiing of inundatie. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Artikel 4.13 Gegevens en bescheiden

Dit artikel verplicht om vijf werkdagen voor het onttrekken van het oppervlaktewater aan het bestuur de gegevens en bescheiden, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard van de activiteit, de locatie waar water wordt onttrokken en de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Artikel 4.14 Omvang van de onttrekking

Volgens de zorgplicht moeten de waterpeilen aangehouden blijven zoals vastgesteld door het hoogheemraadschap. Daarmee is de afmeting van een waterloop limiterend voor de aan te voeren hoeveelheid water per tijdseenheid (capaciteit).

Het watersysteem is gedimensioneerd (dat wil zeggen de watergangen hebben bepaalde afmetingen) overeenkomstig in de Toelichting bij de legger Wateren opgenomen aanvoernormen per type grondgebruik.

Artikel 4.15 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 4.3 en over de algemene regels in artikel 4.14.

Afdeling 4.3 Onttrekken van grondwater voor proefonttrekkingen

Artikel 4.16 Toepassingsbereik

Deze afdeling gaat over het onttrekken van grondwater voor proefonttrekkingen.

Artikel 4.17 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het onttrekken van grondwater voor proefonttrekkingen kan de stabiliteit van de waterkering ernstig in gevaar brengen of kan de grondwaterstand zodanig worden beïnvloeden dat schade voor een derde kan ontstaan. Om deze redenen hanteert het hoogheemraadschap een vergunningplicht voor proefonttrekkingen in en rondom waterkeringen. Hierdoor kan het hoogheemraadschap per geval nagaan en beoordelen of en onder welke voorwaarden het onttrekken kan worden toegestaan.

Artikel 4.18 Aanwijzing algemene regels

Onttrekkingen van grondwater voor een proefonttrekking buiten de waterkeringen moeten voldoen aan de algemene regels. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Artikel 4.19 Gegevens en bescheiden

Dit artikel verplicht om vijf werkdagen voor het onttrekken van grondwater voor proefonttrekkingen aan het bestuur de gegevens en bescheiden, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard van de activiteit, de locatie waar het grondwater wordt onttrokken en de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Artikel 4.20 Uitzondering meetverplichting

De grens (onttrekkingen van meer dan 12.000 m³) geeft uitvoering aan een instructieregel van de Omgevingsverordening Noord Holland.

Artikel 4.21 Debiet en duur van de onttrekking

Het debiet heeft invloed op het effect op de freatische grondwaterstand. De mate van verlaging van de grondwaterstand blijft door het opgenomen debiet zodanig beperkt dat hier geen schade van wordt verwacht.

De onttrekkingsduur heeft invloed op het effect op de freatische grondwaterstand. De mate van verlaging van de grondwaterstand blijft door de duur zodanig beperkt dat hier geen schade van wordt verwacht

Artikel 4.22 Stijghoogte watervoerend pakket

Voorschrift is ter voorkoming van onnodige wegpompen van grondwater. Het hoogheemraadschap zet in op een duurzaam beheer van de beschikbare hoeveelheid schoon zoetwater. De mate van verlaging van de grondwaterstand blijft zodanig beperkt dat er geen schade van wordt verwacht.

Artikel 4.23 Retourneren of lozen van onttrokken water

Het hoogheemraadschap streeft naar het in stand houden van de grondwatervoorraad en -kwaliteit van het grondwatersysteem. De voorkeursvolgorde geeft aan hoe men in het belang van de bescherming van het milieu met grondwater moet omgaan: verantwoord omgaan, benutten en duurzaam verbeteren.

Artikel 4.24 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 4.3 en over de algemene regels in artikelen 4.21 tot en met 4.23.

Afdeling 4.4 Onttrekken van grondwater voor bronbemalingen

Artikel 4.25 Toepassingsbereik

Deze afdeling gaat over het onttrekken van grondwater voor bronbemalingen.

Artikel 4.26 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het debiet heeft invloed op het effect op de freatische grondwater grondwaterstand. Het onttrekken van grondwater voor bronbemaling kan de stabiliteit van de waterkering ernstig in gevaar brengen of de grondwaterstand zodanig beïnvloeden dat schade voor een derde kan ontstaan. Om deze reden hanteert het hoogheemraadschap een vergunningsplicht bij bepaalde onttrekkingen, namelijk alle onttrekkingen voor bronbemaling in de waterkeringen en grote onttrekkingen voor bronbemaling in kwetsbare gebieden. In deze gevallen kan het hoogheemraadschap nagaan of en onder welke voorwaarden het onttrekken kan worden toegestaan.

Artikel 4.27 Aanwijzing algemene regels

De mate van verlaging van de grondwaterstand blijft door het opgenomen maximale debiet zodanig beperkt dat hier geen schade van wordt verwacht. De kleinere grondwateronttrekkingen zijn toegestaan mits voldaan wordt aan de algemene regels.

Artikel 4.28 Gegevens en bescheiden

Dit artikel verplicht om vijf werkdagen voor het onttrekken van grondwater voor bronbemalingen aan het bestuur de gegevens en bescheiden, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard van de activiteit, de locatie het grondwater wordt onttrokken en de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Artikel 4.29 Uitzondering meetverplichting

De grens (onttrekkingen van meer dan 12.000 m³) geeft uitvoering aan een instructieregel van de Omgevingsverordening Noord Holland.

Artikel 4.30 De onttrekking

Het reguleren van de onttrekkingen uit het eerste watervoerend pakket zijn een bevoegdheid van het hoogheemraadschap. De onttrekkingsduur heeft invloed op het effect op de freatische grondwater grondwaterstand. De mate van verlaging van de grondwaterstand blijft door de duur zodanig beperkt dat hier geen schade van wordt verwacht.

Artikel 4.31 Stijghoogte watervoerend pakket

Het debiet heeft invloed op het effect op de freatische grondwater grondwaterstand. De mate van verlaging van de grondwaterstand blijft door het opgenomen debiet zodanig beperkt dat hier geen schade van wordt verwacht.

Artikel 4.32 Retourneren of lozen van onttrokken water

Het grondwaterbeleid is er op gericht om kwetsbare gebieden te beschermen. Om de invloed op de gebieden te beperken is voorgeschreven om een mitigerende maatregelen zoals infiltratie van zoetwater in de bodem toe te passen.

Het hoogheemraadschap streeft naar het in stand houden van de grondwatervoorraad en -kwaliteit van het grondwatersysteem. De voorkeursvolgorde geeft aan hoe men in het belang van de bescherming van het milieu met grondwater moet omgaan. Het verantwoord omgaan benutten en duurzaam verbeteren.

Artikel 4.33 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 4.3 en over de algemene regels in artikelen 4.30 tot en met 4.32.

Afdeling 4.5 Onttrekken van grondwater voor grondwater- en bodemsaneringen

Artikel 4.34 Toepassingsbereik

Deze afdeling gaat over het onttrekken van grondwater voor grondwater- en bodemsaneringen.

Artikel 4.35 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het debiet heeft invloed op het effect op de freatische grondwaterstand. Het onttrekken van grondwater voor grondwater- en bodemsaneringen kan de stabiliteit van de waterkering ernstig in gevaar brengen, de grondwaterstand zodanig beïnvloeden dat schade voor een derde kan ontstaan of de kwaliteit van het grondwater negatief beïnvloeden. Om deze redenen hanteert het hoogheemraadschap in aangewezen gevallen een vergunningsplicht, namelijk als dit plaatsvindt in een waterkering of in een kwetsbaar gebied of (als het daar buiten plaatsvindt) als er meer dan 15.000 m3 per maand of meer wordt onttrokken. In deze gevallen kan het hoogheemraadschap vooraf beoordelen of en onder welke voorwaarden het onttrekken kan worden toegestaan.

Artikel 4.36 Aanwijzing algemene regels

De mate van verlaging van de grondwaterstand blijft door het opgenomen maximale debiet zodanig beperkt dat hier geen schade van wordt verwacht. De kleinere grondwateronttrekkingen zijn toegestaan mits voldaan wordt aan de algemene regels.

Artikel 4.37 Gegevens en bescheiden

Dit artikel verplicht om vijf werkdagen voor het onttrekken van grondwater voor grondwater- en bodemsaneringen aan het bestuur de gegevens en bescheiden, bedoeld in dit artikel, te verstrekken.

Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard van de activiteit, de locatie het grondwater wordt onttrokken en de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Artikel 4.38 Uitzondering meetverplichting

De grens (onttrekkingen van meer dan 12.000 m³) geeft uitvoering aan een instructieregel van de Omgevingsverordening Noord Holland.

Artikel 4.39 De onttrekking

De onttrekkingsduur heeft invloed op het effect op de freatische grondwaterstand. De mate van verlaging van de grondwaterstand blijft door de duur zodanig beperkt dat hier geen schade van wordt verwacht.

Artikel 4.40 Stijghoogte watervoerend pakket

Voorschrift is ter voorkoming van onnodige wegpompen van grondwater. Het hoogheemraadschap zet in op een duurzaam beheer van de beschikbare hoeveelheid schoon zoetwater. De mate van verlaging van de grondwaterstand blijft zodanig beperkt dat er geen schade van wordt verwacht.

Artikel 4.41 Retourneren of lozen van onttrokken water

Het hoogheemraadschap streeft naar het in stand houden van de grondwatervoorraad en -kwaliteit van het grondwatersysteem. De voorkeursvolgorde geeft aan hoe men in het belang van de bescherming van het milieu met grondwater moet omgaan. Het verantwoord omgaan benutten en duurzaam verbeteren.

Artikel 4.42 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 4.3 en over de algemene regels in artikelen 4.39 tot en met 4.41.

Afdeling 4.6 Onttrekken van grondwater voor beregening, bevloeiing en veedrenking

Artikel 4.43 Toepassingsbereik

Deze afdeling gaat over het onttrekken van grondwater voor beregening, bevloeiing en veedrenking.

Artikel 4.44 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het debiet heeft invloed op het effect op de freatische grondwaterstand. Het onttrekken van grondwater voor beregening, bevloeiing of veedrenking kan de stabiliteit van de waterkering ernstig in gevaar brengen of de grondwaterstand zodanig beïnvloeden dat schade voor een derde kan ontstaan. Om deze redenen hanteert het hoogheemraadschap in bepaalde gevallen een vergunningplicht, namelijk als de onttrekking plaatsvindt in een waterkering of (als het daar buiten plaatsvindt) als er meer dan 8.000 m3 per maand of meer wordt onttrokken. Het hoogheemraadschap kan dan per geval nagaan en beoordelen of en onder welke voorwaarden het onttrekken kan worden toegestaan.

Artikel 4.45 Aanwijzing algemene regels

De mate van verlaging van de grondwaterstand blijft door het opgenomen maximale debiet zodanig beperkt dat hier geen schade van wordt verwacht. De kleinere grondwateronttrekkingen zijn toegestaan mits voldaan wordt aan de algemene regels.

Artikel 4.46 Gegevens en bescheiden

Dit artikel verplicht om vijf werkdagen voor het onttrekken van grondwater voor beregening, bevloeiing en veedrenking aan het bestuur de gegevens en bescheiden, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard van de activiteit, de locatie het grondwater wordt onttrokken en de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Artikel 4.47 Uitzondering meetverplichting

De grens (onttrekkingen van meer dan 12.000 m³) geeft uitvoering aan een instructieregel van de Omgevingsverordening Noord Holland.

Artikel 4.48 Onttrekken oppervlaktewater niet mogelijk

Dit artikel is ter voorkoming van onnodige gebruik van grondwater. Het hoogheemraadschap zet in op een duurzaam beheer van de beschikbare hoeveelheid schoon zoetwater. Het gebruik van het grondwater is toegestaan indien de oppervlaktewaterkwaliteit niet geschikt is voor beregenen, bevloeiing en veedrenking.

Artikel 4.49 De onttrekking

Omdat schoon grondwater schaars is en niet onnodig moet worden verbruikt is in dit artikel geregeld dat grondwater wordt onttrokken uit het eerste watervoerend pakket. Pas als dat onvoldoende water heeft dan wordt gewonnen uit het tweede watervoerende pakket.

Artikel 4.50 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 4.3 en over de algemene regels in artikelen 4.48 en 4.49.

Afdeling 4.7 Onttrekken van grondwater en infiltreren van water voor een noodvoorziening

Artikel 4.51 Toepassingsbereik

Deze afdeling gaat over het onttrekken van grondwater en het infiltreren van water in de bodem voor een noodvoorziening en op het aanbrengen van een noodvoorziening. Onder een noodvoorziening wordt verstaan een tijdelijke voorziening (zoals een geboorde put voorzien van een aansluitstuk) die nodig is voor het bestrijden van een calamiteit. Denk bijvoorbeeld aan het bestrijden van een brand met een brandblusvoorziening.

Artikel 4.52 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het onttrekken van grondwater en infiltreren van water voor een noodvoorziening kan de stabiliteit van de waterkering ernstig in gevaar brengen of de grondwaterstand zodanig beïnvloeden dat schade voor een derde kan ontstaan. Om deze redenen hanteert het hoogheemraadschap een vergunningplic