Nadere regels publiek-private samenwerking Human Capital 2021-2027

Dit is een toekomstige tekst! Geldend vanaf 01-09-2026

Intitulé

Nadere regels publiek-private samenwerking Human Capital 2021-2027

Gedeputeerde Staten van Flevoland,

overwegende dat:

  • zij bij besluit van 17 februari 2021 (kenmerk: 2858717) de ‘Nadere regels subsidie publiek-private samenwerking Human Capital 2021-2027’ hebben vastgesteld;

  • is gebleken dat het wenselijk is de Nadere regels op onderdelen te verduidelijken en beter te laten aansluiten bij de praktijk van onderwijs en arbeidsmarkt in Flevoland;

Gelet op het bepaalde in artikel 4, eerste lid van de Algemene Subsidieverordening Flevoland 2023;

BESLUITEN:

De volgende nadere regels vast te stellen:

Nadere regels publiek-private samenwerking Human Capital 2021-2027

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze nadere regels wordt verstaan onder:

  • a.

    arbeidsorganisatie: iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm, die economische activiteiten uitoefent;

  • b.

    ASF: Algemene Subsidieverordening Flevoland 2023;

  • c.

    georganiseerd bedrijfsleven: organisatie die werkgevers, werknemers of bedrijven in een sector of cluster vertegenwoordigt;

  • d.

    ministerie: Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

  • e.

    O&O-fonds: Opleidings- en Ontwikkelingsfonds, opgericht bij een bij de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangemelde collectieve arbeidsovereenkomst;

  • f.

    onderwijsinstelling: iedere bekostigde instelling voor beroepsonderwijs of hoger beroepsonderwijs;

  • g.

    publiek-private samenwerking (PPS): samenwerkingsverband van tenminste één uit de openbare kas bekostigde onderwijsinstelling en één arbeidsorganisatie, dat op grond van een samenwerkingsovereenkomst publiek-private samenwerking vorm geeft;

  • h.

    RIF: Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2024–2027;

  • i.

    WEB: Wet educatie en beroepsonderwijs;

  • j.

    WHW: Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

  • k.

    WPO: Wet op het primair onderwijs;

  • l.

    WVO: Wet voortgezet onderwijs 2020.

Artikel 2. Reikwijdte nadere regels

  • 1. Deze nadere regels zijn van toepassing op subsidies die door Gedeputeerde Staten kunnen worden verstrekt ter ondersteuning van PPS’en die gericht zijn op het verbeteren van de aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt.

  • 2. De subsidiëring richt zich specifiek op initiatieven die bijdragen aan de ontwikkeling, versterking of opschaling van vijf kansrijke en innovatieve economische ecosystemen binnen de provincie, te weten:

    • a.

      agritech;

    • b.

      hightech;

    • c.

      slimme mobiliteit;

    • d.

      maritiem;

    • e.

      energie.

  • 3. De in het tweede lid genoemde focusgebieden sluiten aan bij de Economische Visie 2030, zoals vastgesteld door Provinciale Staten bij besluit van 19 juli 2023, nummer 3104530. Deze visie vormt het strategisch kader waarbinnen de provincie inzet op duurzame economische groei, innovatie en een toekomstbestendige arbeidsmarkt.

Artikel 3. Doel van de nadere regels

Deze nadere regels hebben tot doel om aan potentiële aanvragers duidelijkheid te verschaffen over de inhoudelijke criteria waaraan subsidieaanvragen worden getoetst en de procedure die daarbij wordt gevolgd.

Artikel 4. Doelgroepen

Subsidie kan worden aangevraagd voor activiteiten die in Flevoland plaatsvinden. De aanvraag wordt ingediend door een onderwijsinstelling, een arbeidsorganisatie of het georganiseerd bedrijfsleven binnen een PPS.

Artikel 5. Samenwerkingsverband

  • 1. Onderwijsinstellingen, arbeidsorganisaties en/of het georganiseerd bedrijfsleven werken samen in samenwerkingsverbanden om duurzame publiek-private samenwerking in het beroepsonderwijs vorm te geven en uit te voeren.

  • 2. Het samenwerkingsverband kan bestaan uit:

    • a.

      één of meer onderwijsinstellingen;

    • b.

      één of meer arbeidsorganisaties;

    • c.

      het georganiseerd bedrijfsleven;

    • d.

      één of meer O&O-fondsen;

    • e.

      één of meer (lokale) overheden;

    • f.

      één of meer instellingen voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.2, onderdeel a, van de WHW;

    • g.

      één of meer scholen voor primair onderwijs, als bedoeld in artikel 1 van de WPO;

    • h.

      één of meer scholen voor voortgezet onderwijs, als bedoeld in artikel 1 van de WVO;

    • i.

      overige partijen die bijdragen aan de verbetering van de afstemming tussen beroepsonderwijs en arbeidsmarkt.

Artikel 6. Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt minimaal € 50.000 en maximaal € 200.000 per subsidieaanvraag.

Artikel 7. Cofinanciering RIF-aanvragen

  • 1. Als sprake is van een subsidieaanvraag in het kader van een RIF-aanvraag geldt als voorwaarde dat er sprake is van cofinanciering door de partijen in het samenwerkingsverband, niet zijnde de onderwijsinstelling.

  • 2. De subsidie voor de PPS, zoals bedoeld in artikel 5, bedraagt ten hoogste 10 procent van de meerjarenbegroting van de RIF-aanvraag.

  • 3. De cofinanciering door de arbeidsorganisaties, het georganiseerd bedrijfsleven en de O&O‑fondsen bedraagt ten minste één derde deel en ten hoogste twee derde deel van de meerjarenbegroting. De cofinanciering bestaat uit geld of uit een bijdrage die in geld waardeerbaar is.

  • 4. De cofinanciering vanuit de RIF-regeling bedraagt ten hoogste één derde deel van de meerjarenbegroting.

  • 5. De cofinanciering door andere partijen in het samenwerkingsverband, dan de in het derde lid bedoelde partijen, bedraagt ten hoogste één derde deel van de meerjarenbegroting. De cofinanciering bestaat uit geld of uit een bijdrage die in geld waardeerbaar is.

  • 6. Onder cofinanciering wordt niet begrepen:

    • a.

      activiteiten die al door de provincie worden bekostigd;

    • b.

      de kosten voor de begeleiding van de deelnemer gedurende de beroepspraktijkvorming;

    • c.

      de vergoeding voor de deelnemer in de beroepspraktijkvorming in de beroepsopleidende of beroepsbegeleidende leerweg;

    • d.

      middelen die geen aantoonbare relatie hebben met de in de aanvraag genoemde activiteiten.

  • 7. Subsidie op grond van deze nadere regels kan niet worden verleend voor activiteiten waarvoor de provincie reeds financiering verleent. Voor andere, duidelijk onderscheiden activiteiten binnen hetzelfde project kan wel provinciale financiering worden aangevraagd via een afzonderlijke aanvraag.

Artikel 8. Cofinanciering overige aanvragen

  • 1. Voor subsidieaanvragen die niet in het kader van een RIF-aanvraag gedaan worden, de overige PPS-aanvragen, geldt als voorwaarde dat er sprake is van cofinanciering door alle partijen in het samenwerkingsverband.

  • 2. De subsidie voor de PPS, zoals bedoeld in artikel 5, bedraagt ten hoogste 50% van de meerjarenbegroting van de PPS-aanvraag.

  • 3. De cofinanciering door de arbeidsorganisaties, de onderwijsinstellingen, het georganiseerd bedrijfsleven, de O&O-fondsen en de (lokale) overheden, bedraagt samen minimaal 50% van de meerjarenbegroting. De cofinanciering bestaat uit geld of uit een bijdrage die in geld waardeerbaar is.

  • 4. Onder cofinanciering wordt niet begrepen:

    • a.

      activiteiten waarvoor een andere financieringsregeling of voorliggende voorziening beschikbaar is;

    • b.

      activiteiten die al door de provincie worden bekostigd;

    • c.

      de kosten voor de begeleiding van de deelnemer gedurende de beroepspraktijkvorming;

    • d.

      de vergoeding voor de deelnemer in de beroepspraktijkvorming in de beroepsopleidende of beroepsbegeleidende leerweg;

    • e.

      middelen die geen aantoonbare relatie hebben met de in de aanvraag genoemde activiteiten.

  • 5. Subsidie op grond van deze nadere regels kan niet worden verleend voor activiteiten waarvoor de provincie reeds financiering verleent. Voor andere, duidelijk onderscheiden activiteiten binnen hetzelfde project kan wel provinciale financiering worden aangevraagd via een afzonderlijke aanvraag.

Artikel 9. Subsidievorm

Gedeputeerde Staten verlenen op grond van deze nadere regels een eenmalige subsidie voor een periode van maximaal vier jaar.

Artikel 10. Subsidieplafond

  • 1. Voor subsidieverlening op grond van deze nadere regels is, met inbegrip van de kosten voor de uitvoering van de nadere regels, in totaal €1.000.000 beschikbaar voor de periode 1 november 2021 tot 1 januari 2028.

  • 2. Wanneer het subsidieplafond wordt bereikt, maken Gedeputeerde Staten dit tijdig bekend.

  • 3. Subsidieaanvragen worden behandeld op volgorde van binnenkomst.

Artikel 11. Weigeringsgronden

In aanvulling op artikel 12 van de ASF wordt een subsidieaanvraag geweigerd indien:

  • a.

    de kosten niet in verhouding staan tot de doelstellingen en verwachte resultaten, blijkend uit de aanvraag;

  • b.

    het berekende subsidiebedrag lager is dan €50.000 of hoger dan €200.000;

  • c.

    onvoldoende vertrouwen bestaat over de financiële haalbaarheid van de PPS;

  • d.

    de PPS onvoldoende bijdraagt aan de doelstellingen van deze regeling en geen aantoonbare meerwaarde heeft voor de economie en arbeidsmarkt in de provincie Flevoland;

  • e.

    de vereiste cofinanciering als bedoeld in artikel 7 of 8 niet is gewaarborgd;

  • f.

    een aanvraag wordt gedaan op grond van artikel 8 en een looptijd heeft van minder dan twee jaar.

Artikel 12. Vereisten subsidieaanvraag en procedure

De aanvrager dient de subsidieaanvraag in via het digitale formulier voor eenmalige subsidies op de website van de provincie Flevoland. In aanvulling op artikel 15 van de ASF bevat een subsidieaanvraag in ieder geval:

  • a.

    een plan van aanpak als bedoeld in artikel 15;

  • b.

    een meerjarenbegroting als bedoeld in artikel 16;

  • c.

    een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 17;

  • d.

    indien van toepassing een beschikking van het Ministerie bij toekenning van een subsidie uit de RIF-regeling.

Artikel 13. Subsidiabele kosten

Als subsidiabele kosten gelden de kosten die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de activiteiten zoals beschreven in het plan van aanpak en die bijdragen aan het doel van de PPS.

Artikel 14. Niet subsidiabele kosten

In aanvulling op artikel 9 van de ASF zijn de volgende kosten niet subsidiabel:

  • a.

    kosten voor nieuwbouw, verbouw of leegstand van gebouwen, dan wel loonverletkosten van personeel;

  • b.

    activiteiten die zijn gefinancierd vanuit rijksbijdrage voor de betreffende instelling, bedoeld in artikel 2.2.1 van de WEB, artikel 2.5 van de WHW en artikel 2.6a van de WHW;

  • c.

    activiteiten die worden gesubsidieerd op grond van een andere ministeriële regeling dan de RIF-regeling;

  • d.

    loonkosten van betrokken medewerkers, algemeen indirecte kosten (overhead) en kosten zoals benoemd in artikel 9 van de ASF 2023, tenzij het gaat om werkzaamheden die specifiek toegerekend kunnen worden aan activiteiten, zoals beschreven in het plan van aanpak.

Artikel 15. Plan van aanpak

Het plan van aanpak bevat in ieder geval:

  • a.

    de doelstellingen van de PPS;

  • b.

    een beschrijving van de wijze waarop de PPS wordt vormgegeven;

  • c.

    een overzicht van de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd;

  • d.

    een beschrijving van de mijlpalen die na de subsidieperiode zijn bereikt om de doelstellingen van de PPS te behalen;

  • e.

    een overzicht van de kwalificaties en/of de (hoger) beroepsopleidingen waarop de PPS betrekking heeft;

  • f.

    een omschrijving waaruit de verdeling van de taken tussen partijen van het samenwerkingsverband blijkt en waaruit blijkt dat partijen in staat zijn om het voorstel binnen de gestelde tijd uit te voeren;

  • g.

    een beschrijving van de opbrengst voor de individuele partijen van deelname aan het samenwerkingsverband;

  • h.

    een analyse van de risico’s van de PPS en een beschrijving van de wijze waarop deze potentiële risico’s worden aangepakt;

  • i.

    een beschrijving van de wijze waarop de voortgang van de PPS door het samenwerkingsverband wordt geëvalueerd en indien nodig bijgesteld;

  • j.

    een uitwerking van de wijze waarop de PPS wordt voortgezet na afloop van de subsidieperiode;

  • k.

    met welke lopende PPS’en in Flevoland gesproken is over samenwerking en of, en hoe, deze samenwerking verder vorm kan krijgen en welke afspraken daarover gemaakt zijn;

  • l.

    op welke manier er vanuit de PPS actief ingezet wordt om meer partijen, en dan met name het kleine MKB (2-25 werknemers), bij de PPS te betrekken.

Artikel 16. Meerjarenbegroting

  • 1. De meerjarenbegroting bevat een onderbouwd overzicht van de geraamde inkomsten en uitgaven voor de betreffende kalenderjaren, waarin uitsplitsing is gemaakt in omvang en prijs voor zover die betrekking hebben op de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd.

  • 2. De meerjarenbegroting omvat daarnaast:

    • a.

      de hoogte van het subsidiebedrag dat wordt gevraagd;

    • b.

      een onderbouwing waaruit blijkt dat het gevraagde subsidiebedrag ten hoogste 10%, dan wel 50% van de totale meerjarenbegroting bedraagt;

    • c.

      een overzicht van de financiering in geld waardeerbaar en de financiering in geld door de partijen in het samenwerkingsverband;

    • d.

      de omvang van de cofinanciering door de arbeidsorganisaties, de onderwijsinstellingen, het georganiseerd bedrijfsleven, de O&O-fondsen en de (lokale) overheden;

    • e.

      de omvang van de cofinanciering van de overige samenwerkingspartners;

    • f.

      de omvang van de cofinanciering uit de RIF-regeling;

    • g.

      de omvang van de kosten voor overhead en aan overhead gerelateerde exploitatiekosten;

    • h.

      een raming van inkomsten en uitgaven voor een periode van ten minste twee jaar na afloop van de subsidieperiode, waaruit blijkt dat de PPS duurzaam wordt voortgezet.

Artikel 17. Samenwerkingsovereenkomst

  • 1. De samenwerking binnen het samenwerkingsverband wordt vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst. De samenwerkingsovereenkomst wordt ondertekend door de partijen in het samenwerkingsverband.

  • 2. In de samenwerkingsovereenkomst is in elk geval geregeld:

    • a.

      de PPS die met de subsidie en de cofinanciering duurzaam zal worden vormgegeven;

    • b.

      de vorm van de samenwerking, waaronder in ieder geval de wijze waarop partijen betrokken zijn bij de organisatorische en bestuurlijke inrichting en de uitvoering van de PPS;

    • c.

      een beschrijving van de faciliteiten die de partijen beschikbaar stellen voor de inrichting en de uitvoering van de PPS;

    • d.

      de financiële en overige bijdragen van de partijen van het samenwerkingsverband.

Artikel 18. Inwerkingtreding

De ‘Nadere regels publiek-private samenwerking Human Capital 2021-2027’ treden met ingang van 15 november 2021 in werking onder gelijktijdige intrekking van de ‘Nadere regels Subsidie publiek-private samenwerking Human Capital 2017-2020’.

Artikel 19. Citeertitel

Dit besluit kan worden aangehaald als

‘Nadere regels publiek-private samenwerking Human Capital 2021-2027’

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de vergadering van Gedeputeerde Staten van Flevoland van 9 november 2021,

Gedeputeerde Staten van Flevoland

de secretaris,

de voorzitter ,