Beleidsplan Wabo toezicht- en handhaving 2022-2026

Geldend van 17-11-2021 t/m heden

Intitulé

Beleidsplan Wabo toezicht- en handhaving 2022-2026

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vaals maakt bekend, dat de gemeenteraad op 1 november 2021 het Beleidsplan Wabo toezicht- en handhaving 2022-2026 en de bijbehorende risico – analyse heeft vastgesteld.

Met het handhavingsbeleidsplan geeft de gemeente Vaals het beleidsmatig kader voor de uitvoering van de handhavingsbevoegdheden. Het handhavingsbeleidsplan bevat een strategie om de naleving van wet- en regelgeving af te dwingen dan wel te bevorderen. De strategie bevat een toezichtstrategie, een sanctiestrategie en een regeling voor uitzonderlijke situaties.

Inzage

Het vastgestelde beleidsplan ligt, met inachtneming van de geldende COVID19 maatregelen, gedurende een maand na de datum van bekendmaking tijdens openingstijden ter inzage bij de receptie van het gemeentehuis. Het plan wordt tevens gepubliceerd op de gemeentelijke website www.vaals.nl.

Wilt u de stukken fysiek bekijken? Maak dan een afspraak bij het Klant Contact Centrum. Dat kan telefonisch via 043-3068568 of per mail via info@vaals.nl. Als u dat wenst kunt u tegen betaling van de (leges)kosten een afschrift van het besluit krijgen

Inwerkingtreding

Het Beleidsplan Wabo toezicht- en handhaving 2022-2026 is een beleidsregel als bedoeld in art. 4:81 Algemene wet bestuursrecht en treedt in werking de dag na het verschijnen van deze publicatie (artikel 3:40 Algemene wet bestuursrecht).

Bezwaar en beroep

Tegen bovenstaand beleidsplan kan geen bezwaar of beroep worden ingediend.

Inleiding

1.1. Waarom dit beleidsplan?

Voor u ligt het beleidsplan toezicht en handhaving voor de periode 2022-2026. Hierin vindt u de werkwijze en strategie van de gemeente Vaals bij de uitvoering van toezicht en handhaving op het gebied van de Wabo-taken. Met het handhavingsbeleidsplan geeft de gemeente Vaals het beleidsmatig kader voor de uitvoering van de handhavingsbevoegdheden. Dit handhavingsbeleidsplan is een verplichting naar aanleiding van de inwerkingtreding van de Wabo.

Dit handhavingsbeleidsplan is opgezet om de kwaliteit van toezicht en handhaving te borgen en uniformiteit aan te brengen met betrekking tot de wijze van toezicht en handhaving. Het plan geeft een dieper inzicht in de vraag wat WABO handhaven is, hoe deze taak is gesitueerd in de beleidscyclus en wanneer die handhaving aan de maat is. Er wordt als het ware een blik in de keuken gegund van Handhaven WABO. Hoe komen we tot onze jaarlijkse keuzes, waarom doen we de taken die we doen en waarom doen we andere taken niet?

Daarbij geldt dat de komende periode een aantal juridische- en maatschappelijke ontwikkelingen van invloed zijn op het samenstellen van het VTH beleid. Hieronder worden deze ontwikkelingen beschreven.

Omgevingswet

De belangrijkste ontwikkeling voor de vakgebieden Vergunningverlening, toezicht en handhaving betreft de naderende inwerkingtreding van de Omgevingswet. Deze wet is een raamwet die 26 bestaande wetten bundelt in één wet en waarvan de inwerkingtreding vooralsnog is voorzien op

1 juli 2022. De Omgevingswet behelst een verregaande decentralisatie van de regels voor de leefomgeving. Gemeenten krijgen daarbij meer bestuurlijke ruimte om samen met inwoners en bedrijven eigen keuzes te maken over de inrichting van de fysieke leefomgeving.

De wet gaat uit van een gebiedsgerichte aanpak op basis van een verruimde reikwijdte met nieuwe thema’s zoals gezondheid, veiligheid en duurzaamheid. Dit vergt een integrale en samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving en vraagt om een intensievere samenwerking met andere overheden en participatie van bewoners en bedrijven. De invoering van deze wet vergt werkzaamheden op het gebied van: integratie van ruimtelijke ordening met andere beleidsterreinen, verandering van werkwijzen en -processen (bv. de verdere implementatie van het in mei 2020 uitgerolde zaakverwerkingssysteem Squit 2020) en verandering van werkhouding binnen de organisatieonderdelen.

Het onderdeel toezicht en handhaving dient afgestemd te worden op de bedoelingen en eisen van de Omgevingswet, in samenwerking met uitvoeringsorganisaties en andere bevoegde gezagen. De Omgevingswet heeft op uiteenlopende wijzen consequenties voor toezicht en handhaving. Zo zal er vaker sprake zijn van algemene regels en zorgplichten. Zorgplichten kunnen zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk worden gehandhaafd. Een overtreding van een gedoogplicht is onder de Omgevingswet strafbaar te stellen en de mogelijkheden voor de bestuurlijke boete zijn uitgebreid.

Deze veranderingen zullen deels effect hebben vanaf 1 juli 2022, als gevolg van de inwerkingtreding van de wet, AMVB’s en regelingen, en deels in de jaren daarna voor nieuwe (typen van) regels in de omgevingsverordening en het omgevingsplan. Dit vraagt aanpassingen van de organisatie, processen en systemen, in samenwerking met uitvoeringsorganisaties en andere bevoegde gezagen.

Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb)

De nieuwe Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) treedt op dezelfde datum in werking als de omgevingswet, en is dus vooralsnog eveneens voorzien op 1 juli 2022.

De Eerste Kamer heeft de Wkb aangenomen op 14 mei 2019. De wet heeft als doel de bouwkwaliteit en het bouwtoezicht te verbeteren door inschakeling van private kwaliteitsborgers. Daarnaast wordt de aansprakelijkheid van aannemers ten opzichte van particuliere en professionele opdrachtgevers uitgebreid.

De wet gaat gefaseerd in. Er wordt gestart met de eenvoudigere bouwprojecten, daarna volgen eventueel de meer complexere.

Om de doelen van de Wkb te bewerkstelligen wordt het proces voor vergunningverlening in tweeën opgeknipt:

  • De ruimtelijke component (toets aan omgevingsplan en -veiligheid): deze loopt via de gemeente.

  • De bouwtechnische component: hiervoor wordt de papieren toets op het bouwplan vooraf vervangen door toetsing in de praktijk op het bouwwerk zoals gebouwd. De vergunninghouder wordt verplicht een onafhankelijke kwaliteitsborger in te schakelen die tijdens de bouw toetst op conformiteit met de bouwtechnische voorschriften uit het Bouwbesluit en verklaart of de getoetste onderdelen aan de voorschriften voldoen. Dit wordt bij private partijen belegd. Het bouw- en woningtoezicht, zoals gemeenten dat nu uitvoeren, wordt een taak van marktpartijen. Een verklaring van de kwaliteitsborger zal bij oplevering voorwaarde zijn voor ingebruikname.

Voor de komende periode betekent de naderende inwerkingtreding van de Omgevingswet en Wkb, dat de aanwezige capaciteit binnen Handhaving (en Vergunningen) tevens dient te worden ingezet voor het experimenteren met de veranderende rol die de gemeente in het nieuwe stelsel gaat vervullen. Ambtenaren zullen samen met aannemers/architecten, kwaliteitsborgers en waar mogelijk opdrachtgevers, proefprojecten uitvoeren om inzicht te krijgen in en ervaring op te doen met de werkwijze in het nieuwe stelsel. Op die manier worden mogelijke knelpunten in het stelsel zichtbaar.

1.2 Opbouw van dit beleidsplan

Handhaving is geen doel op zichzelf, maar is één van de instrumenten die worden ingezet om gemeentelijke beleidsdoelen te helpen realiseren. We streven ernaar om een veilige, schone gemeente te zijn waar het prettig is om te wonen, werken en verblijven. Handhaving draagt bij door beïnvloeding van het naleefgedrag.

De handhaving van de fysieke ruimte bestaat in hoofdlijn uit in 2 belangrijke thema’s:

  • 1.

    de regels ten behoeve van de leefbaarheid, veelal voortkomend uit de gemeentelijke regelgeving, vooral de Algemene Plaatselijke Verordening;

  • 2.

    de regels rond het fysiek gebruik zoals bouwen en het uitoefenen van een bedrijf, voortkomend uit de landelijke regelgeving zoals de Wabo, de Wet milieubeheer en de Wet bodembescherming.

Onderhavig beleidsplan richt zich enkel uitsluitend op de WABO handhaving en niet op handhaving in de openbare ruimte. In hoofdstuk 2 is aangegeven wat onder WABO handhaven wordt verstaan.

De wetgever heeft qua vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) verschillende taken toebedeeld aan gemeenten. Om deze taken goed te kunnen uitvoeren, werkt de Gemeente Vaals met een risico-georiënteerde benadering op basis waarvan keuzes gemaakt kunnen worden over de inzet van schaarse middelen (tijd en geld).

Als onderdeel van het handhavingsbeleidsplan geldt een risicoanalyse in de vorm van een scorematrix. In deze matrix worden de verschillende taakonderdelen en risico’s tegen elkaar afgezet. In de matrix is reeds ingevuld wat meer of minder belangrijk is, conform ons huidige inzicht. Dit inzicht vormt ook de basis voor het opstellen van de jaarlijkse uitvoeringsprogramma’s. De analyse leidt tot een rangschikking van de taken naar hun belangrijkheid, de prioriteitenladder en bestuurlijke keuzes/prioriteiten.

Voor de komende periode van dit beleidsplan zal de gemeente Vaals daarbij de Landelijke handhavingstrategie (LHS) gaan implementeren als uitvoeringskader voor de handhaving van de Wabo. Deze strategie vormt een onderdeel van de VTH-kwaliteitscriteria die door gemeentes, provincie en Rijk zijn opgesteld en welke landelijk worden gehanteerd.

De LHS is als onderdeel van deze Kwaliteitscriteria opgesteld door IPO en het OM, in samenwerking met de VNG, UvW, het ministerie van I&M, de Inspectie Leefomgeving en Transport, ISZW, politie en de vereniging van omgevingsdiensten.

Het doel van de LHS is “uitvoering geven aan de beginselplicht tot handhaven, passend interveniëren bij iedere bevinding, in vergelijkbare situaties vergelijkbare keuzes maken en interventies op vergelijkbare wijze kiezen en toepassen.” Gelijke monniken gelijke kappen dus.

De strategie komt voort uit de wens van alle betrokken instanties om de organisatie en uitvoering van vergunningverlening, toezicht en handhaving te verbeteren en om een gelijk speelveld te creëren voor natuurlijke personen en rechtspersonen voor wie bepaalde voorschriften gelden. Een ander doel van de LHS is dat de samenleving ervan uit mag gaan dat handhavers zo optreden dat het rechtsgevoel wordt gerespecteerd en de leefomgeving veilig, schoon en gezond blijft. De LHS geeft hier inhoud aan door een kader te scheppen, zodat bij iedere bevinding passend en effectief kan worden opgetreden.

Handhavers gebruiken de LHS om tijdens het houden van toezicht bij elke bevinding te kiezen voor een passende interventie. Afhankelijk van de situatie kan worden gekozen voor alleen bestuursrechtelijk optreden, voor bestuursrechtelijk en strafrechtelijk optreden of alleen voor de inzet van het strafrecht. De LHS is een afwegingsinstrument waarbij zowel wordt gekeken naar de gevolgen van de overtreding, als naar het gedrag van de overtreder. Vervolgens wordt bepaald of sprake is van verzachtende of verzwarende omstandigheden en of – na eventuele afstemming met politie of Openbaar Ministerie – wordt overgegaan tot daadwerkelijke handhaving. Verwezen wordt naar paragraaf 2.5 en de bijbehorende bijlage.

Handhaving WABO

2.1 Het begrip handhaving

Het begrip handhaving wordt in dit beleidsplan in ruime zin uitgelegd. Het betreft elke handeling binnen het handhavingsproces die erop is gericht het naleefgedrag van burgers en bedrijven te verbeteren.

Het bevorderen van naleving van de regelgeving betekent dat er (actief) toezicht uitgevoerd moet worden. Onder toezicht wordt verstaan ‘het controleren of, en in hoeverre, wettelijke bepalingen worden nageleefd’. Tijdens het uitoefenen van toezicht worden eventuele overtredingen van regels en voorschriften gesignaleerd waarop dan gereageerd kan worden.

Uitvoering van het toezicht vindt op de volgende manier plaats:

  • Preventief / vergunninggebonden toezicht (controle op naleving van voorschriften tijdens het uitvoeren van wat vergund is).

  • Repressief toezicht (controle naar aanleiding van schriftelijke verzoeken tot handhaving, gesignaleerde overtredingen).

Toezicht gaat vooraf aan handhaving. De fase van handhaving wordt beschouwd als sluitstuk van het gehele handhavingsproces. Op het moment dat een taak in de handhavingsfase terecht is gekomen betekent dit dat na een zorgvuldige afweging van belangen en het bekijken van de mogelijkheden tot legalisatie, de betreffende zaak niet anders kan worden opgelost dan middels handhaving. Dit betekent ook dat in de voorafgaande toezichtfase het nodige overleg met de overtreder heeft plaatsgehad.

Handhaving als sluitstuk bestaat hoofdzakelijk uit het aankondigen en toepassen van herstelsancties nadat een overtreding is geconstateerd (repressief). Een herstelsanctie is erop gericht de overtreding geheel of gedeeltelijk te herstellen of te beëindigen.

2.2 WABO Handhaven als onderdeel van de beleidscyclus

Ter bevordering van de kwaliteit van de uitvoering van de handhavingstaken stelt de Wabo kwaliteitseisen aan de handhaving. De kwaliteitseisen uit de Wabo zijn gebaseerd op het model van het adequate handhavingsproces ook wel genaamd het model van de dubbele regelkring of kortweg de Big-eight (Figuur 1).

Figuur 1: Big - eight

De Big-eight beschrijft minimumeisen waaraan elke professionele handhavingsorganisatie moet voldoen. De eisen leiden tot een strategische, programmatische en onderling afgestemde uitoefening van de handhaving ofwel tot programmatisch handhaven. Door verbetering van de samenwerking tussen de verschillende handhavingstaakvelden – de zogenaamde integrale handhaving – kan de effectiviteit en efficiëntie van de handhaving worden vergroot.

Uit de Big - eight volgt dat handhaving zijn opdracht van het bestuur ‘meekrijgt’. Handhaving bedenkt zijn taken dus niet zelf. De huidige WABO handhaving heeft als beleidsbasis alle beleidsstukken die het belang van het behoud van een goed leefmilieu, een veilige woon- en werkomgeving, het culturele erfgoed, de geordende inrichting van de openbare ruimte etc.. Indien handhaven in de uitvoeringspraktijk constateert dat beleid ontbreekt, of niet eenduidig uitlegbaar is, dan wordt dit gerapporteerd aan de beleidsmakers. Gelet op vorenstaande is handhaving een belangrijk onderdeel van de reguleringsketen en staat ten dienste van het beleid, maar dat geldt zeker ook omgekeerd.

In dit beleidsplan worden de resultaten en de voortgang van de handhaving gevolgd. Daarbij wordt niet alleen volstaan met een cijfermatige weergave van de prestaties over de aantallen controles en eventueel uitgeschreven dwangsommen (output), maar wordt ook het beoogde effect beschreven en het verbeterde naleefgedrag (outcome). Dat laatste is niet eenvoudig. Het causale verband tussen inspanningen van handhaving en het naleefgedrag is niet altijd even eenduidig aan te geven omdat veel andere aspecten een rol kunnen spelen zoals de financieel economische situatie, de algemene normgetrouwheid van de doelgroep en de bekendheid met de regels.

2.3 Drie lijnen in handhaving

Handhaving, zowel preventief als repressief, kan opgedeeld worden in drie verschillende lijnen. Elke lijn vergt inspanning en doet een beroep op de beschikbare capaciteit. De drie te onderscheiden lijnen zijn de volgende:

  • 1.

    Project of speerpunt

  • 2.

    Reguliere handhaving

  • 3.

    Incidenten

Met de (nieuwe) programmatische werkwijze als leidraad kunnen de handhavingstaken en –bevoegdheden beter op elkaar worden afgestemd. Zodoende kan er op een vruchtbare manier in de komende jaren aandacht besteedt worden aan incidenten, reguliere handhaving en aan één of meerdere jaarlijkse handhavingsprojecten. Deze drie lijnen van handhaving sluiten elkaar namelijk niet uit, maar bestaan naast elkaar.

Projecten

De term projecten geeft al aan dat het in de tijd afgeronde, veelal unieke ontwikkelingen betreft waarvoor specifieke deskundigheid in projectvorm samengebracht moet worden. Dit zullen in de periode waarop dit beleidsplan betrekking heeft, met name de voor Vaals strategische projecten betreffen zoals de (eventuele) ontwikkelingen van de Pastoerswei, de voormalige ESSO-locatie en het Von Clermontpark. Gezien de aard en omvang van dit soort grotere projecten is over het algemeen een intensieve(re) inzet van toezichthouders vereist. Vergunningen- en bouwtrajecten zijn langer, complexer en deze zullen daardoor naar verwachting een groter deel van de aanwezige capaciteit in beslag nemen. Het kan echter ook projecten betreffen die vanwege ligging en aard / complexiteit van het onderwerp een projectaanpak rechtvaardigen (bv. illegale woningsplitsingen).

Reguliere handhaving

Bij reguliere handhaving valt bijvoorbeeld te denken aan controles die worden uitgevoerd naar aanleiding van een omgevingsvergunning, activiteit bouw en controles van inrichtingen zonder dat er een vermoeden is van een overtreding. Ook het toetsmoment van de vergunningverlening kan aangemerkt worden als een reguliere vorm van (preventieve) handhaving. Indicatief zijn in de bijlage de omgevingsvergunningen weergegeven die zijn ontvangen in de periode van 2017 t/m 2020.

Naar aanleiding van die aanvragen worden controles uitgevoerd, vaak in het kader van preventieve handhaving. In het kader van preventieve handhaving wordt vanuit de gemeente ingezet om (nog) eerder vanuit een handhavende rol aanwezig te zijn.

Incidenten

Naast de speerpunten en de reguliere handhaving zal er altijd ruimte moeten zijn voor incidenten. Er kunnen altijd incidenten voorkomen die dwars door een programma heen gaan. Dergelijke incidenten komen in beginsel naar voren door interne meldingen of door handhavingsverzoeken en meldingen van burgers (extern). Ook op incidenten zal gereageerd moeten worden. Hier moet dan ook capaciteit voor zijn. De ervaring leert dat er steeds voor gewaakt moet worden dat de tijdsbesteding aan de meldingen niet de overhand neemt.

2.4 Handhavingstrategie

Handhaving streeft in haar werkwijze erna om het werk efficiënt en effectief uit te voeren. Effectief door de strategie zodanig te kiezen dat ze een groot preventief en corrigerend effect heeft. Efficiënt door de beschikbare menskracht zo slim mogelijk in te zetten en tegelijkertijd de administratieve last voor overheid, burgers en organisaties zo laag mogelijk te houden.

Voor de uitvoering van handhaving is het van belang dat er sprake is van een eenduidige strategie binnen de gemeente Vaals. De gemeente zet de navolgende toezicht- en handhavingsinstrumenten in om een goed naleefgedrag te bereiken:

  • 1.

    Actuele, heldere en handhaafbare vergunningsvoorschriften waardoor duidelijk is wat er vergund is en tegen welke voorwaarden.

  • 2.

    Het bevorderen van spontane naleving door actief te informeren over van toepassing zijnde wet- en regelgeving en beleid;

  • 3.

    Het bevorderen van de naleving door het houden van toezicht;

  • 4.

    Het bevorderen van de naleving door repressief optreden middels het opleggen van sancties;

  • 5.

    Het bevorderen van de naleving door het opschorten van acties (gedogen).

2.5 Strategie en werkwijze toezicht en handhaving

2.5.1. Bevorderen spontane naleving

Het bevorderen van spontane naleving is een facet van de preventieve handhaving. Methoden om spontane naleving te bevorderen zijn onder andere het geven van voorlichting en het verbeteren van de dienstverlening.

Het geven van voorlichting gaat altijd vóór handhaving. In feite zijn controlebezoeken door de handhavers in eerste instantie ook voorlichtend van aard. De handhavers leggen uit wat niet conform is en hoe dat hersteld of verder voorkomen kan worden en geven de aangesprokene vervolgens de kans om dat te doen zonder verdere sancties.

Naast het geven van voorlichting draagt eveneens de interne afstemming binnen onze organisatie bij aan het bevorderen van naleving. Door integraal te werken kunnen de verschillende beleidsvelden en afdelingen hun werkzaamheden beter op elkaar afstemmen. Om die reden is organisatie breed opgepakt dat de handhaving eerder betrokken wordt bij het opstellen van beleid en regels die de handhaving raken. Door handhaving eerder in het proces te betrekken kan vooraf worden beoordeeld of een bepaalde regel überhaupt wel te handhaven is, of er aanpassingen noodzakelijk zijn etc. Ook kan alvast rekening gehouden worden met het vrijspelen van capaciteit om een nieuwe regel of nieuw project te kunnen handhaven. Dergelijke afstemming creëert duidelijkheid, zowel intern als extern, waar vervolgens weer een preventieve werking vanuit gaat.

2.5.2 Toezichtstrategie

Ook het houden van toezicht draagt bij aan het bevorderen van naleving. De toezichtstrategie ziet op de wijze van uitvoeren van het toezicht. Binnen de gemeente Vaals zijn de volgende aspecten in ieder geval van belang voor het uitvoeren van het toezicht.

  • 1.

    Integrale werkwijze

    • a)

      Tweewekelijks wordt een intern overleg gepland tussen de handhavers bouw- en woningtoezicht, de WOZ, BAG en indien nodig ruimtelijke ordening/juridisch medewerkers. Tijdens dit overleg worden de werkzaamheden op elkaar afgestemd en wordt informatie van verschillende beleidsterreinen uitgewisseld. Doel is om zo efficiënt mogelijk te werken. Waar mogelijk worden verschillende noodzakelijke controles gecombineerd en gegevens van de controles uitgewisseld.

    • b)

      De handhaver bouw- en woningtoezicht maakt eveneens onderdeel uit van het Team Integrale Veiligheid (TIV). TIV is een klein en zelfsturend kernteam van specialisten van de gemeente op het terrein van onder meer bestuursrecht, openbare orde en veiligheid, bouw- en milieurecht en de Algemene Plaatselijke Verordening. Het TIV werkt daarbij zeer nauw samen met de Regiopolitie Limburg Zuid en de Brandweer Zuid Limburg. Door de samenwerking kunnen (ernstige) vormen van overlast enerzijds strafrechtelijk en anderzijds bestuursrechtelijk worden aangepakt. Het team verzamelt, registreert, analyseert en monitort informatie over overlastlocaties en (brand)onveilige panden.

  • 2.

    Uniforme werkwijze

    • a)

      Voorafgaand aan het uitvoeren van een controle (zowel reguliere controles, als controles in het kader van een (vermoeden van een) overtreding) wordt gedegen dossieronderzoek uitgevoerd. Dit houdt onder andere in dat (aanvragen voor) vergunningen worden nagelopen, onderzocht wordt of er sprake is van lopende handhavingstrajecten, meldingen of klachten, etc.. Voorafgaand wordt door de toezichthouder beoordeeld wat voor informatie hij beoogt te verkrijgen naar aanleiding van de controle en of daar een extra inspanning van de betrokken burger voor is vereist. In het geval van zeer dringende zaken en spoedeisende gevallen kan het voorkomen dat er geen/minder tijd is voor dit voorwerk.

    • b)

      Controlebezoeken (in het kader van een (vermoeden van een) overtreding) worden bij voorkeur niet aangekondigd. Dit om een zo reëel mogelijk beeld te krijgen van de naleving. Onverwachte bezoeken kunnen echter soms het efficiënt bereiken van het doel van het bezoek belemmeren. In die situaties wordt het bezoek wel aangekondigd.

    • c)

      Het voorgaande is van toepassing ten aanzien van controles in het kader van (een vermoeden van) een overtreding. Reguliere controles worden hier buiten beschouwing gelaten.

    • d)

      Er zijn uniforme checklists opgesteld waarmee gewerkt wordt.

    • e)

      Naar aanleiding van een controle vindt verslaglegging plaats. De toezichthouder maakt een rapport op met diens bevindingen. Er wordt een standaardformat voor dergelijke rapportages opgesteld. Dit rapport is van een datum voorzien en geparafeerd. Controlefoto’s zijn tevens gedateerd.

    • f)

      De toezichthouder maakt zich ten tijde van een controle kenbaar aan de eigenaar/gebruiker en geeft de reden aan van het bezoek.

2.5.3. Sanctiestrategie

Als het toezicht niet leidt tot beëindiging van de overtreding, is de gemeente in beginsel verplicht om handhavend op te treden in de vorm van sanctionering. Daarbij geldt wel dat vanwege beperkte capaciteit keuzes zullen worden gemaakt met betrekking tot de zaken die wel of niet worden opgepakt.

Om te bepalen wanneer en hoe handhavend wordt opgetreden, zal naar verwachting de komende periode de Landelijke handhavingsstrategie (LHS) worden geïmplementeerd. De LHS maakt onderdeel uit van het Uniform Uitvoerings- en Handhavingsbeleid voor de basistaken, dat door een regionale werkgroep wordt voorbereid voor geheel Zuid-Limburg. Dit beleid zal op termijn als pakket worden voorgelegd aan de gemeentes ter vaststelling en publicatie.

Inhoudelijk biedt de LHS een stappenplan, waarbij de handhaver twee oordelen moet vellen over de bevinding. Het eerste oordeel ziet op het gedrag van de overtreder, het tweede oordeel op de aard van de overtreding (hoe zwaar zijn de gevolgen van de overtreding). Een samenvatting van de LHS is opgenomen in de bijlage van dit beleidsplan.

Binnen de gemeente Vaals is gekozen voor een drie-stappenplan als basis voor de sanctiestrategie.

Aantal stappen

Omschrijving

3 (regulier)

Na constatering van de overtreding ontvangt betrokkene een constateringsbrief of waarschuwingsbrief, waarin deze geïnformeerd wordt over de geconstateerde overtreding. Betrokkene krijgt de gelegenheid om binnen een bepaalde termijn de overtreding ongedaan te maken. Ook wordt aangekondigd dat als bij hercontrole blijkt dat de overtreding niet ongedaan is gemaakt, er bestuursrechtelijke maatregelen kunnen worden getroffen.

2 (versneld)

De waarschuwing wordt overgeslagen. Bij een eerste constatering van de overtreding, ontvangt de betrokkene een voornemen tot het opleggen van een bestuursrechtelijk maatregel (meestal een last onder dwangsom). Betrokkene krijgt de mogelijkheid om ten aanzien van dit voornemen binnen een gestelde termijn een zienswijze in te dienen.

1 (direct)

De waarschuwing en het voornemen worden overgeslagen, er wordt direct corrigerend opgetreden middels een bestuursrechtelijke maatregel.

Uit het bovenstaande blijkt al dat het mogelijk is om van het drie-stappenplan af te wijken. Zo kan er bijvoorbeeld sprake zijn van een dusdanig gevaarlijke situatie dat direct optreden is vereist. In dergelijke situaties kan het onwenselijk zijn om vast te houden aan drie stappen en dient in één stap actie te worden ondernomen. Ook in bijvoorbeeld gevallen van recidive kan het wenselijk zijn om af te wijken van het drie stappen stramien.

Indien een overtreder recentelijk voor een vergelijkbare overtreding al is gewaarschuwd (bijvoorbeeld door middel van een vooraankondiging last onder dwangsom), draagt een nieuwe waarschuwing naar verwachting niet meer veel bij. In dergelijke gevallen kan worden volstaan met twee stappen in plaats van drie. Zo zijn er meerdere situaties denkbaar waarin het niet wenselijk is om vast te houden aan het drie-stappenplan.

Concluderend is een drie-stappenplan de basis voor de sanctiestrategie, maar hier kan onder omstandigheden van worden afgeweken.

2.5.4. Gedoogstrategie

Wanneer wet- en regelgeving wordt overtreden is het bevoegde gezag in beginsel verplicht om handhavend op te treden. Dit ter bescherming van het algemeen belang en ter voorkoming van precedentwerking. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad van State kan alleen in bijzondere gevallen van handhavend optreden worden afgezien. Van een bijzonder geval kan sprake zijn:

  • Wanneer er op korte termijn alsnog legalisatie mogelijk is, of

  • Als handhaving onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen.

Gelet op het bovenstaande vindt de gedoogstrategie enkel plaats in uitzonderlijke situaties. Het kan hierbij gaan om:

  • 1.

    Overmacht situaties: bijvoorbeeld calamiteiten die niet voor legalisatie in aanmerking komen, maar waarbij de overtreder geen enkel verwijt kan worden gemaakt. De belangenafweging kan in die situaties ertoe nopen dat de overtreding tijdelijk wordt gedoogd.

  • 2.

    Situaties waarin handhavend optreden onevenredig is: kenmerk van deze situaties is dat geen sprake is van overmacht of van zicht op legalisatie van de overtreding op afzienbare termijn, maar wel van één of meer zodanig bijzondere omstandigheden, dat de belangenafweging aanleiding geeft om af te zien van bestuursrechtelijk handhavend optreden. Het gaat om situaties, waarin handhavend optreden (na afweging van de betrokken belangen) onevenredig moet worden geacht en wegens die grond achterwege dient te blijven.

  • 3.

    Situaties waarin sprake is van concreet zicht op legalisatie: Legalisatie van de overtreding is de voornaamste bijzondere omstandigheid die leidt tot het afzien van handhavend optreden. Is daarvan sprake, dan is het belang om handhavend op te treden relatief gering en wordt het toepassen van een bestuursrechtelijke maatregel veelal onrechtmatig geacht. Reden waarom in deze situaties in de regel geen daadwerkelijk gebruik kan worden gemaakt van de handhavingsbevoegdheid.

2.5.5. Strategie omtrent handhavingsverzoeken

Een handhavingstraject kan opgestart worden, omdat een burger die belanghebbende is daarom verzoekt. Als gemeente dienen wij dergelijke verzoeken te onderzoeken en indien noodzakelijk op te treden. Hierna volgen enkele uitgangspunten die gehanteerd worden in het geval van handhavingsverzoeken.

De gemeente Vaals betracht transparantie en openheid ten aanzien van handhavingsverzoeken. Dit betekent dat er in beginsel niet anoniem geklaagd kan worden en verzocht worden om handhaving. Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen kan hiervan afgeweken worden. Degene tegen wie het handhavingsverzoek zich richt dient geïnformeerd te worden over de origine van de klacht en daarmee ook over de klager.

De gemeente treedt in beginsel niet op tegen situaties die zogezegd als sneeuw voor de zon verdwijnen, tenzij er sprake is van dusdanige omstandigheden dat de situatie dit niet rechtvaardigt. Verder wordt in beginsel niet handhavend opgetreden indien de verzoeker tot handhaving niet aantoont wat voor overlast hij of zij objectief gezien van de situatie ondervindt.

Een verzoek om handhaving is op te vatten als een verzoek tot het nemen van een besluit (bijvoorbeeld een last onder dwangsom). Een handhavingsverzoek is dan ook gelijk te stellen aan een aanvraag. Op aanvragen dient binnen een redelijke termijn te worden beschikt. Hier dient tevens rekening gehouden te worden met de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen.

2.6 Is WABO handhaving verplicht?

De nationale ombudsman heeft op 14 september 2010 een rapport gepubliceerd met de titel “Helder handhaven”. Hierin stelt de ombudsman:” Uit beginselen van behoorlijk bestuur vloeit voort dat de burger erop mag vertrouwen dat de gemeente handhavend optreedt als regels overtreden worden”.

Hierbij heeft de gemeente weinig beleidsvrijheid. Als de regels zodanig zijn dat er sprake is

van een overtreding is de gemeente in beginsel verplicht om hiertegen handhavend op te treden. Dit is vaste rechtspraak van de Raad van State. De reden hiervoor is dat de gemeente als enige de bevoegdheid heeft om handhavend op te treden.

De burger wil erop kunnen vertrouwen dat regels voor iedereen gelden. Dat betekent dat de gemeente zonder onderscheid des persoons en consequent moet optreden. Met een heldere en kenbare regelgeving, die handhaafbaar is en die ook daadwerkelijk gehandhaafd wordt, kan de burger vertrouwen hebben in de gemeente. Tegelijkertijd zal, wanneer een gemeente consequent handhaaft, de burger minder geneigd zijn tot het overtreden van regels. Hij weet namelijk dat de gemeente zal op treden tegen de overtreding.

Gelet op het vorenstaande bestaat er geen bindende regel ten aanzien van de frequenties voor het regulier toezicht op de thema’s: bouwen, milieu en brandveiligheid. Het gaat hierbij om de vraag hoeveel ambitie de gemeente er zelf in wil leggen. Thans is deze ambitie als volgt:

Milieucontroles bij bedrijven:

  • o

    Complexe bedrijven: deze bedrijven zijn ondergebracht bij de regionale uitvoeringsdienst Zuid-Limburg. De controlefrequentie wordt door de RUD bepaald en is gebaseerd op de kengetallen zoals deze zijn vastgelegd in de samenwerkingsovereenkomst.

  • o

    Vergunningplichtige bedrijven (categorie C): deze bedrijven zijn ondergebracht bij de RUD. De controlefrequentie wordt door de RUD bepaald en is gebaseerd op de kengetallen zoals deze zijn vastgelegd in de samenwerkingsovereenkomst.

  • o

    Bedrijven zoals natuursteen-, metaalbewerkers (categorie B): deze bedrijven worden eens in de 3-4 jaar regulier bezocht. Het een en ander is afhankelijk van de geconstateerde tekortkomingen.

  • o

    Eenvoudige bedrijven zoals kleine horeca, propaantanks (categorie B): deze bedrijven worden eens in de 5-8 jaar regulier bezocht. Het een en ander is afhankelijk van de geconstateerde tekortkomingen.

  • o

    Agrarische bedrijven zoals extensieve veehouderijen (categorie B): Deze bedrijven worden eens in de 3-4 jaar regulier bezocht. Het een en ander is afhankelijk van de geconstateerde tekortkomingen in het verleden.

  • o

    Bedrijven met minimale milieu-impact zoals woon- en verblijfsgebouwen, (categorie A): Deze bedrijven worden eens in de 10 jaar bezocht. Hierbij spelen aspecten als wijzigingen, uitbreidingen zodat er sprake is van een type B inrichting en risico’s voor de omgeving een belangrijke rol.

Tijdens de milieucontroles wordt aan de hand van onderwerpen en milieucompartimenten gecontroleerd. Hierbij staat het aspect veiligheid hoog in het vaandel. Tekortkomingen op andere aspecten zijn vaak niet zwaarwegend en stelt de gemeente zich tot doel voorlichtend te werk te gaan en ligt direct handhavend tegen deze overtredingen niet in de rede.

Controles brandveiligheid

  • o

    Verblijfsgebouwen met mensen die onvoldoende zelfredzaam zijn zoals bejaardentehuis en woon-zorgcomplexen;

  • o

    Niet gemelde woningsplitsingen.

Controles op illegaal bouwen

  • o

    Dagelijks regulier toezicht.

2.7 Adequate handhaving en prioriteiten 2022-2026

Het resultaat dat door handhaving wordt nagestreefd, is een verbeterd naleefgedrag. Relevant is dan de vraag hoeveel naleefgedrag we nastreven? Wanneer zijn we tevreden? Daarnaast moeten we beseffen dat handhaving nooit garant kan staan voor een 100% naleving van regels. Het is onrealistisch om dat na te streven of te verlangen gezien de veelheid aan thema’s en een bijna onoverzienbare hoeveelheid regels. Vandaar dat we prioriteiten stellen.

Het stellen van prioriteiten is van invloed op alle drie de lijnen in handhaving: de projecten, de reguliere handhaving en de incidenten. Bij de prioritering zijn verschillende factoren van belang, waaronder het gemeentelijk beleid, de politieke prioriteiten en het risico. Met een risicoanalyse en –matrix wordt inzicht gegeven in de specifieke risico’s die we met WABO handhaving trachten te verlagen. Deze probleem- en risico analyse is apart opgesteld en vastgesteld door de gemeenteraad en vormt een belangrijk onderdeel van het handhavingsbeleid.

3 Ontwikkelingen 2017 tot heden

3.1 Bouwhandhaving

Wat is bouwhandhaving ?

Bouwhandhaving gaat over:

  • a.

    het slopen, bouwen of verbouwen zonder, of in afwijking van, een omgevingsvergunning

  • b.

    strijdig gebruik, een pand anders gebruiken dan volgens het bestemmingsplan is toegestaan

  • c.

    woningsplitsingen

  • d.

    afwijkingen ten aanzien van het bouwbesluit (het Bouwbesluit bevat de technische eisen waaraan bouwwerken moeten voldoen)

  • e.

    overlast door wonen (overlast rook uit schoorstenen, geluid airco e.d.)

Illegaal slopen en bouwen

De handhavers bouw- en woningtoezicht constateren regelmatig dat bouwwerken tot stand komen zonder dat de initiatiefnemer beschikt over een daartoe benodigde vergunning danwel in afwijking van de verleende vergunning een bouwwerk tot stand brengen. Als de handhaver een dergelijke situatie aantreft, worden de werkzaamheden stilgelegd, indien nog gebouwd wordt.

Handhaving is nodig om de risico’s van illegale bouw en sloop tegen te gaan. De risico’s bestaan er uit dat de constructieve veiligheid veronachtzaamd wordt, woningsplitsingen worden gerealiseerd, het pand gebruikt wordt op een wijze die strijdig is met het bestemmingsplan dan wel dat bij cultuurhistorische panden details definitief verloren gaan.

Uitgangspunt is dat bij iedere stillegging een rapport wordt opgesteld. Op basis van deze rapportage wordt een legalisatieonderzoek gestart (hierbij wordt ook gekeken naar de prioriteit van de geconstateerde overtreding). Uit de resultaten van dit legalisatie onderzoek blijkt of een bouwwerk kan worden gelegaliseerd of niet. Indien het bouwwerk niet gelegaliseerd kan worden wordt in principe handhavend opgetreden, om te zorgen dat de wet- en regelgeving wordt nageleefd. Uitgangspunt hierbij is om altijd mee te denken met de burger hoe bepaalde overtredingen alsnog omgezet kunnen worden in legale, goede oplossingen.

Meldingen over kleinere zaken in de woonomgeving

In lijn met voorgaande jaren geldt dat in de woonomgeving veelal zaken bij de gemeente worden gemeld, met het verzoek om die juridisch aan te pakken. Daarbij speelt een rol dat de mogelijkheden om vergunningsvrij te bouwen zijn verruimd en nog verder verruimd zullen worden in het kader van de Omgevingswet. Niet zelden wordt bij de gemeente melding gedaan van bouwactiviteiten van een buurman die, volgens de melders, ten onrechte aanneemt dat hij vergunningvrij mág bouwen. Onze handhavers komen dan terecht in de rol van voorlichters over het rijksbeleid ten aanzien van vergunningvrij bouwen. In geëscaleerde situaties vervullen ze als het ware een soort rijdende rechtersrol.

Woonoverlast wordt in veel gevallen door omwonenden verbonden aan (vermeend) illegaal bouwsel of bouwkundig gebrek waartegen de gemeente dan volgens de melders zou moeten optreden. Voorbeelden zijn last van de rook van een open haard en geluidsoverlast door de airco van de buurman.

Meldingen over kleine bouwsels hebben vanuit een breed gemeentelijk perspectief niet de hoogste prioriteit. Melders zijn echter steeds minder bereid om de boodschap van de gemeente dat zij niet actief gaat optreden, te accepteren. In dat geval wordt een formeel verzoek tot handhaving ingediend (en dan is de gemeente in beginsel gehouden te handhaven) of men benadert het bestuur. Met andere woorden: we kunnen wel stellen dat zaken een lagere prioriteit hebben en dat we onze schaarse tijd aan andere zaken willen besteden, voor de burgers die een zaak melden heeft die kwestie op dat moment een hoge prioriteit en staan ze erop dat de gemeente in actie komt.

Om deze reden pakt handhaven WABO toch alles op wat door inwoners wordt gemeld, ook al is die inzet op basis van een objectieve (risico)afweging wellicht niet direct gerechtvaardigd. Daarbij is buurtbemiddeling ingebed in onze werkprocessen. Om een duurzame oplossing te bereiken is het van belang om meer aandacht te hebben voor de context waarin een klacht/melding wordt ingediend. De toezichthouders en de juristen zullen daarom actiever nagaan in hoeverre een klacht of melding voortkomt uit een conflictsituatie. Dit betekent dat klachten en meldingen niet direct inhoudelijk worden getoetst, maar dat ook aandacht wordt besteed aan de situatie. Dit vereist een andere benadering.

Niet gemelde woningsplitsing

Binnen onze gemeente is een omgevingsvergunning nodig om een woning te mogen gebruiken voor kamerverhuur of te mogen splitsen in meerdere zelfstandige wooneenheden (een woning voorzien van eigen badkamer, keuken en toilet). In het bestemmingsplan en de Beleidsregel Buitenplanse Afwijkingsmogelijkheden Gemeente Vaals 2017 is opgenomen aan welke voorwaarden moet worden voldaan om een omgevingsvergunning te kunnen krijgen.

Het huidige beleid omtrent woningsplitsingen en kamerverhuur zal verder aangevuld worden met ruimtelijke en sociale criteria om de leefbaarheid van een straat of wijk verder te waarborgen. Hiermee wil het college een betere balans bereiken tussen het belang van goede en voldoende huisvesting voor jongeren, starters en studenten, het belang van de leefbaarheid van de (woon)omgeving en het tegengaan van een wildgroei aan (te) (kleine) woningen.

Er worden echter ook veel woningen gebruikt voor kamerverhuur of er is sprake van woningen die zijn gesplitst in zelfstandige wooneenheden, zonder dat daarvoor een vergunning is aangevraagd of verleend. Dit betreft de illegale kamerverhuur en / of woningsplitsing.

We constateren al sinds 2014 een significante toename van meldingen over illegale kamerverhuur/ woningsplitsingen. De meeste klachten van bewoners hebben betrekking op een daling van de algemene leefbaarheid. Hierbij gaat het vooral om (geluids-)overlast, een vermindering van veiligheidsgevoel en een vermindering van sociale cohesie. Ook hebben cluster Veiligheid en politie aangegeven dat sommige panden broedplaatsen zijn van sociale problematiek en criminaliteit.

Inzet capaciteit

Zoals reeds is aangegeven werken we met een risico-georiënteerde benadering om de toezicht- en handhavingstaken goed te kunnen uitvoeren. Risico gestuurd werken brengt met zich mee dat de frequentie en locatie van controles worden afgestemd op het verwachte risico. Dit betekent dat bepaalde controles in frequentie kunnen worden teruggebracht als blijkt dat het naleefgedrag verbeterd is of dat de frequentie wordt verhoogd als de situatie verslechtert.

Uit de resultaten van de risicoanalyse blijkt dat meldingen rondom woningsplitsingen in beginsel op ‘Wabo- aspecten’ worden gecontroleerd: lees op brandveiligheid en het strijdig gebruik met de regels uit het vigerende bestemmingsplan.

We constateren echter met enige regelmaat dat de meldingen rondom woningsplitsingen en kamerverhuur eveneens gepaard gaan met een vermindering van veiligheidsgevoel, sociale cohesie of dat er sprake is van sociale problematiek en/of criminaliteit.

Dergelijke meldingen en signalen, die deels ook voortvloeien uit de werkzaamheden bij cluster Veiligheid, krijgen gelet op het verwachte risico en onze handhavingsbrede aanpak, ook bij bouw- en woningtoezicht een hoge prioriteit.

In dergelijke gevallen is het toezicht op het illegale kamerverhuur / woningsplitsing een arbeidsintensieve taak. Er wordt een adresonderzoek gestart, waarbij ook controles in het pand worden uitgevoerd om vast te stellen of sprake is van kamerverhuur. Daarnaast vindt uitgebreid dossieronderzoek plaats. Wordt er geconstateerd dat er illegale kamerverhuur plaatsvindt dan wordt eerst onderzocht of legalisatie mogelijk is. Als legalisatie mogelijk is, dan kan de pandeigenaar de overtreding opheffen door alsnog een omgevingsvergunning te verkrijgen en te zorgen dat wordt voldaan aan de overige (brandveiligheids)eisen. Vaak is legalisatie niet mogelijk. In dat geval dient de kamerverhuur / woningsplitsing te worden beëindigd. Hiertoe wordt een bestuurlijk handhavingstraject opgestart, waarbij het zwaartepunt ligt bij bouw- en woningtoezicht van de sector Ruimte.

Aanpak probleempanden in relatie tot herstructurering

Aangezien het aantal meldingen van illegale woningsplitsing én klachten rondom de vermindering van veiligheid, leefbaarheid en sociale cohesie steeds verder toeneemt, is het wenselijk om dergelijke problematiek projectmatig aan te pakken.

Door het projectmatig aanpakken van deze problematiek, zullen probleempanden zoveel mogelijk in beeld worden gebracht en onderzocht worden hoe deze problematiek het beste structureel kan worden aangepakt. Een dergelijke structurele aanpak levert tevens een bijdrage in het kader van de aanpak van de particuliere woningvoorraad.

Door de kwaliteit van deze panden te duiden alsmede de eigenaren van deze panden in kaart te brengen, worden de kwetsbare panden in gebieden waar de leefbaarheid onder druk staat geïnventariseerd en kunnen deze panden / locaties prioriteit gegeven worden. Mits de toezicht- en handhavingsmogelijkheden worden uitgebreid is een integrale sociaal-fysieke aanpak mogelijk, hetgeen van belang is om de leefbaarheid in een omgeving te verbeteren.

3.2 Brandveiligheid

Wat is handhaving brandveiligheid?

Het verrichten van controles (regulier of na een melding) in panden waarin groepen minder zelfredzame mensen verblijven zoals in zorgcentrum, school en kinderdagverblijf of grote groepen mensen verblijven zoals bijeenkomstgebouwen en winkelcentra. Ook de niet gemelde woningsplitsingen zien we als een risicogroep vanwege de veiligheid en bruikbaarheid van de reeds lang bestaande (illegale) woningen.

Verblijfsgebouwen met verminderd zelfredzame bewoners

Het naleefgedrag bij zorgcentra is redelijk tot goed. Er is professionele aandacht voor de brandveiligheid. Toch mag het reguliere toezicht niet verslappen omdat de risico’s hoog zijn. Het is een verplichte medebewindstaak.

Niet gemelde woningsplitsingen

Heel anders is het bij de niet gemelde woningsplitsingen. Veelvuldig blijkt dat bij de van illegaal tot meerdere appartementen verbouwde panden de brandveiligheidsvoorzieningen niet aanwezig zijn of defect zijn, blusmiddelen niet aanwezig of niet gekeurd zijn of vluchtdeuren permanent gesloten zijn.

3.3 Milieu

Wat is milieuhandhaving ?

De milieutaak is het periodiek controleren van de bedrijven op basis van de Wet milieubeheer en de daaraan gerelateerde Algemene Maatregelen van Bestuur. Vaals heeft ongeveer 340 bedrijven die op basis van hun potentiële impact voor het milieu (schade aan mens, lucht, water, bodem) zijn ingedeeld in milieutypen. Van licht tot zwaar onderscheiden we:

Type A: ongeveer 65 bedrijven, onder andere detailhandel, kantoorgebouwen en kleinschalige ambachten. Zeer lage milieu-impact. Bij deze bedrijven vindt geen programmatisch toezicht plaats.

Typen B en C: ongeveer 285 bedrijven. De milieu-impact is middelhoog tot hoog. Voorbeelden zijn tankstations en agrarische bedrijven. Bij de agrarische bedrijven kan onderscheid worden gemaakt in extensieve en intensieve veehouderijen. Voor de intensieve veehouderijen geldt dat deze zijn ondergebracht bij de RUD. De extensieve ofwel grondgebonden veehouderijen (rundveehouderijen) hebben een lagere milieu-impact. De toezicht op de naleving van de voorschriften ligt bij de gemeente. Deze bedrijven worden derhalve minder intensief gecontroleerd.

Sinds 1 januari 2014 zitten 8 bedrijven in de portefeuille van de Regionale Uitvoeringsdienst Zuid Limburg (RUD). De RUD streeft ernaar om, door efficiënte inzet van menskracht en specialismen, deze bedrijven deskundig en periodiek te controleren. De gemeente blijft overigens wel bevoegd gezag voor deze bedrijven.

Naleefgedrag milieu

De gemeente stelt zich tot doel het naleefgedrag zo hoog mogelijk te houden. Hiervoor wordt tijdens milieucontroles veel tijd besteed aan voorlichting.

Bij milieucontroles betreft het grotendeels minder zwaar wegende aspecten welke op een eenvoudige wijze zijn op te lossen. Na de eerste controle ontvangt de inrichtinghouder een brief waarin de tekortkoming is opgeschreven en waarin de inrichtinghouder een termijn krijgt gegund waarbinnen de tekortkoming dient te worden opgeheven. Circa 90% van de tekortkomingen die tijdens de eerste controle worden vastgesteld worden binnen de gestelde termijn opgelost. De burgers worden zoveel mogelijk ontlast doordat administratieve aspecten met behulp van e-mail kunnen worden afgehandeld door het scannen van rapporten en/of keuringsbewijzen.

Een zeer minimaal deel van de inrichtinghouders vragen telefonisch dan wel schriftelijk een verlenging van de termijn aan vanwege de financiële consequenties.

Meldingen over milieuzaken

Het behandelen van milieumeldingen is een belangrijke dienst voor de inwoners. Keerzijde is dat de tijd die daaraan besteed wordt, niet beschikbaar is voor reguliere controles en juist bij de reguliere controles kunnen grotere, min of meer verborgen milieurisico’s aan het licht komen.

3.4 Horeca

Wat is horeca handhaving ?

De WABO horecataak bestaat uit controles ten aanzien van geluid, lozingen van afvalwater, controle op lekdichtheid van koelsystemen met synthetische koelmiddelen, afvoeren van afvalstoffen en emissies bakdampen.

Geluidsoverlast door horeca

De meeste overlast voor de omgeving wordt veroorzaakt door het ten gehore brengen van geluid. Deze houden meestal verband met festiviteiten die in een horecapand (inrichting) plaatsvinden. Tijdens festiviteiten kan gebruik worden gemaakt van de mogelijkheid om meer geluid te produceren dan hetgeen is vastgesteld in het Activiteitenbesluit dat op deze inrichtingen van toepassing is. In een dergelijke situatie is de Algemene plaatselijke verordening leidend. In de volksmond is er dan sprake van een kennisgeving op basis van de 12 dagenregeling.

3.5 Agrarische bedrijven

Wat is agrarische handhaving ?

De WABO agrarische taak bestaat uit controles ten aanzien van lozingen van afvalwater, controle op lekdichtheid van koelsystemen met synthetische koelmiddelen, geuremissies.

Bij agrarische bedrijven zal de meeste overlast worden ervaren van geur die ontstaat door het huisvesten van landbouwhuisdieren. In het verleden zijn voor de agrarische bedrijven vergunningen verleend dan wel milieumeldingen gepubliceerd. Hierin is het vergunde recht opgenomen ofwel het aantal en soort dieren dat binnen de inrichting mag worden gehuisvest. Tijdens controles wordt vastgesteld of er sprake is van een wijziging van het aantal dan wel soorten dieren binnen de inrichting waardoor de geuremissiepunten wijzigen. Daarnaast dient gecontroleerd te worden of opslagvoorzieningen voor dierlijke meststoffen op voldoende afstand zijn gelegen en voldoen aan de daaraan gestelde eisen om geuroverlast te voorkomen dan wel te beperken.

3.6 Industriële bedrijven

Wat is industriële handhaving ?

De WABO industriële taak bestaat uit controles ten aanzien van lozingen van afvalwater, opslag gevaarlijke stoffen en de controle op de hoofdactiviteiten.

Bij industriële bedrijven zal de controle zich met name richten op veiligheidsaspecten die tevens een externe veiligheidsprobleem kunnen veroorzaken zoals de opslag van gevaarlijke stoffen. De regelgeving hieromtrent is complex en de gevolgen voor de omgeving bij calamiteiten. Daarnaast wordt toegezien op de naleving van de hoofdactiviteit vanwege het feit dat hierbij de meeste invloed op het milieu wordt uitgeoefend.

4. Bestuurlijke keuzes/prioriteiten 2022-2026

4.1 Randvoorwaarden en aandachtspunten

Op grond van de uitkomsten van de probleem- en risicoanalyse en de beschikbare capaciteit waardoor niet alle toezicht- en handhavingstaken uitgevoerd kunnen worden, moeten we keuzes maken. We kunnen besluiten aan sommige taken méér, dan wel minder tijd te besteden. We kunnen taken toevoegen of schrappen. In principe bestaat er bij het maken van die keuzes veel vrijheid. Met een aantal randvoorwaarden en aandachtspunten moet echter rekening worden gehouden namelijk:

  • 1.

    De verantwoordelijkheid voor de naleving van de regels ligt bij de burgers en de ondernemers. Van hen mag worden verwacht dat zij de regels kennen en dat zij zich eraan houden. Van ondernemers mag ook worden verwacht dat zij de zorg voor milieu en veiligheid in hun bedrijfsvoering hebben geïntegreerd en dat werknemers de risico’s kennen en ernaar handelen. Deze opvatting wordt ondersteund door de modernisering van de VROM-regelgeving (2008) waarbij een groot aantal vergunningstelsels is afgeschaft en plaats heeft gemaakt voor algemene regels en meldingenstelsels. Deze modernisering is niet alleen ingegeven door de wens van de overheid om de administratieve lasten te verminderen, maar is ook gebaseerd op een veranderende verhouding tussen burgers en overheid.

  • 2.

    De overheid neemt geen verantwoordelijkheden over en is ook niet medeverantwoordelijk. De overheid is wel verantwoordelijk voor het uitvoeren van handhaving conform de daarvoor geldende landelijke kwaliteitseisen (zie inleiding).

  • 3.

    Binnen de gemeente Vaals is de volgende formatie beschikbaar voor handhaving (situatie per 2020):

    Formatie (2021)

    (Uur per week)

    Adviseur leefomgeving

    18

    Toezichthouder

    36

    Toezichthouder (tijdelijke inhuur)

    20

    Milieuhandhaver

    7,2

  • Daarbij geldt, dat de capaciteit van de milieuhandhaver (enkel) is afgestemd op de controle van de 8 RUD bedrijven (zie hiervoor).

  • In aanvulling op de toezichthouders bouw- en woningtoezicht wordt er een zogenaamde ‘oog-en-oor-functie’ vervuld door de medewerkers van de buitendienst en de buitengewone opsporingsambtenaren.

  • 4.

    De huidige formatie binnen bouw- en woningtoezicht betekent dat er een beperkt toezicht mogelijk is op de verleende omgevingsvergunningen en dat in de meeste gevallen enkel kan worden gehandhaafd op basis van klachten. Dit betekent dat bouw- en woningtoezicht voornamelijk melding gestuurd te werk gaat en reactief wordt ingezet, in plaats van proactief in te spelen op de problematiek die vanuit de eigen informatiepositie naar voren komt. Het ontbreekt aan menskracht om beide vormen van toezicht naast elkaar effectief in te richten.

    Gelet op de Transitievisie wordt gestreefd naar een verdere samenwerking tussen team veiligheid, team bouw- en woningtoezicht en team openbare ruimte, met toezichthouders en handhavers die vanuit een eigen informatiepositie, integraal inzetbaar zijn. Dit is van belang om in de wijk de verbinding te maken met inwoners en samen te werken met partners. Hierdoor wordt vorm gegeven aan de gewenste preventieve en gerichte inzet op leefbaarheidsproblematiek.

  • 5.

    De inzet van bestuursrechtelijke handhaving stelt het handhavingsteam (breed) in staat om per situatie de meest passende maatregel te nemen. Daarbij geldt dat de juridische en ruimtelijke verwerking van constateringen en meldingen ‘aan de achterkant’ onderdeel is van een breder takenpakket in de sector ruimte. Door het behouden van de huidige formatie neemt de doorloopsnelheid richting inwoners en partners toe. Dit is in het afgelopen 1,5 jaar al gesignaleerd en brengt (enig) juridisch risico met zich mee en doet afbreuk aan het urgentiegevoel bij inwoners en partners.

  • 6.

    Het toevoegen van taken of het verhogen van prioriteiten zonder andere te schrappen of te verlagen in prioriteit, leidt tot (verdere) spanning ten aanzien van de beschikbare capaciteit. “Overal een beetje” werkt niet. Het is daarom aan te bevelen om de beschikbare handhavingcapaciteit niet uit te smeren over een heel breed palet aan taken, maar te focussen op die thema’s die er werkelijk toe doen en daarbij de inzet zodanig hoog te maken dat een naleefgedrag wordt bereikt waarmee we tevreden kunnen zijn.

  • 7.

    De huidige WABO handhaving is sterk risico gestuurd. Risicovolle bedrijven worden het meest gecontroleerd. Ook bedrijven of pandeigenaren die hebben aangetoond de regels minder goed na te leven, worden vaker gecontroleerd dan anderen. Goed gedrag wordt zo beloond.

4.2 Resultaten risicoanalyse

Op grond van de uitkomsten van de probleem- en risicoanalyse en de beschikbare capaciteit kunnen de navolgende bestuurlijke keuzes worden gemaakt voor het uitvoeren van de toezicht- en handhavingstaken. Voor het uitvoeren van deze taken wordt prioriteit gegeven aan:

  • -

    Vergunningsplichtige bouwactiviteiten

    Een groot deel van de toezichthoudende werkzaamheden vallen binnen de “reguliere handhaving”. De beschikbare tijd wordt hierbij met name ingezet op toezichthoudende taken die liggen in de constructieve veiligheid, het (brand)veilig en gezond gebruik van het bouwwerk en de welstandsaspecten van vergunningsplichtige bouwactiviteiten.

  • -

    Aanpassingen aan rijksmonumenten en cultuurhistorische bebouwing

    Wij vinden het belangrijk om de bouwwerken met een beschermde status ook daadwerkelijk te beschermen. Beschadiging van deze bouwwerken is vaak onomkeerbaar. In die situaties dient tijdig te worden ingegrepen om de schade te beperken. Daarnaast willen we verstoring en ontsiering van deze bouwwerken voorkomen en tegen overtredingen optreden. Daarmee willen we bereiken dat zo goed mogelijk recht wordt gedaan aan de status van deze panden.

  • -

    Niet gemelde woningsplitsingen

    De controles van niet gemelde woningsplitsingen zijn in hoofdzaak gericht in relatie tot brandveiligheid en het strijdig gebruik met de regels uit het vigerende bestemmingsplan. Het komt namelijk met enige regelmaat voor dat personen in een pand gaan wonen dat niet voor bewoning is bestemd. Dit kan gebeuren om uiteenlopende redenen, zoals kostenaspecten, het woning aanbod of onwetendheid. Wanneer dergelijke panden bewoond worden, kunnen onder meer problemen ontstaan ten aanzien van de (brand)veiligheidsaspecten. Voor bewoning worden immers vaak andere normen gehanteerd dan bijvoorbeeld voor een kantoor of een bijgebouw.

  • -

    Slopen met risico’s rond asbest en constructies

    Deze overtredingen worden vaak begaan, omdat het saneren van asbest (inclusief asbestinventarisatierapport) veel kosten met zich meebrengt. Ook weten veel particulieren niet dat er mogelijk asbest aanwezig is. Ter bescherming van de personen die door de sloop in aanraking kunnen komen met asbest heeft deze overtreding een hoge prioriteit.

  • -

    Uitvoeren werk(zaamheden) in strijd met bestemmingsplan (zonder aanlegvergunning)

    Het gaat hier om zogenaamde aanlegactiviteiten waarvoor op grond van het aanlegvergunningstelsel van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning noodzakelijk is. Veel mensen weten vaak niet dat dergelijke activiteiten vergunningsplichtig zijn. Ook wordt bewust zonder vergunning de activiteiten uitgevoerd, omdat soms dure onderzoeken noodzakelijk zijn om tot verlenen van de omgevingsvergunning over te kunnen gaan, bijvoorbeeld een archeologisch of flora en fauna onderzoek.

  • Het is van belang om hier frequent op te controleren, omdat overtredingen van aanlegactiviteiten waarvoor op grond van het aanlegvergunningstelsel van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning noodzakelijk is, vaak onomkeerbaar zijn.

  • -

    Meldingen

    Alle verzoeken om handhaving betreffende de Wabo worden afgehandeld. Om alle meldingen te kunnen behandelden, want dat is de ambitie, wordt minimaal 25% van de beschikbare tijd gereserveerd.

  • -

    Brandveiligheid

    De prioriteit ligt in de brandveiligheid (en constructieve) veiligheid van gebouwen waar grote groepen mensen verblijven die gebrek hebben aan zelfredzaamheid. Gelet op de lage prioritering van de brandveiligheid in verblijfsgebouwen voor zelfredzamen zal de handhaver bouw- en woningtoezicht zijn beschikbare uren binnen het Team Integrale Veiligheid (TIV) met name inzetten indien sprake is van toezichthoudende taken die liggen in de sfeer van brandveiligheid van illegale appartementen c.q. woningsplitsingen.

  • Uitkomsten risicoanalyse milieu

  • -

    Controles type B

    De gemeente is wettelijk verplicht om bedrijven periodiek te controleren op naleving van de milieuregelgeving. Binnen de gemeente liggen geen complexe bedrijven. Dit heeft er toe geleid dat het aantal controles wordt geminderd en om een vorm van administratief toezicht in te voeren. Hiermee worden de uren efficiënter benut en blijft het werkveld milieu bij de bedrijven onder de aandacht.

    Uit de risico-analyse blijkt dat de aspecten die binnen de gemeente spelen zoals opslag van gevaarlijke stoffen, geluid en geuroverlast het hoogste scoren. Tijdens de integrale milieucontroles worden deze aspecten meegenomen.

  • -

    Controles type C

    De controles van de complexere bedrijven (circa 8 stuks) wordt verplicht uitgevoerd door de RUD. De verantwoordelijkheid blijft bij de gemeente. Per jaar worden circa 4-6 bedrijven bezocht.

  • -

    Controles naar aanleiding van klachten

    De gemeente heeft zich tot doel gesteld in principe alle klachten te behandelen. De klachten hebben grotendeels betrekking op geluid- en geuroverlast door bedrijven. Vanwege deze constatering worden deze aspecten bij controles meegenomen, hetgeen preventief werkt. Deze aspecten komen dan ook als hoog uit de risico-analyse. Bij overlast wordt een inschatting gemaakt of er daadwerkelijk sprake is van overlast. Hiervoor wordt een verkort bezoek gebracht aan het bedrijf danwel vindt een indicatieve geluidmeting plaats. Indien er overlast wordt geconstateerd, wordt er een brief opgesteld op welke wijze de overlast kan worden voorkomen. Tevens wordt aangegeven dat het handhavingstraject wordt opgestart als er geen maatregelen worden genomen.

  • -

    Geur

    Tijdens de controles wordt toegezien op de onderhoudstoestand en conditie van stalsystemen en opslagen die geuroverlast kunnen veroorzaken. Vanwege het karakter van de gemeente heeft het aspect geuroverlast een hoge prioriteit gekregen. Indien er niets verandert binnen een agrarische inrichting en het aantal en soort dieren verandert niet, zal de geuremissie niet kwantificeerbaar toenemen en is de geuroverlast tot het minimum beperkt.

  • -

    Opslag gevaarlijke stoffen

    Het aspect gevaarlijke stoffen (propaantanks, dieseltanks, giftige stoffen en dergelijke) heeft maatschappelijk veel impact als deze stoffen zijn betrokken bij een incident. Bij dergelijke incidenten is het risico op slachtoffers binnen het bedrijf als wel daarbuiten groot. Bovendien is branduitbreiding en escalatie een aandachtspunt bij de opslag van dergelijke stoffen. Uit de risico-analyse blijkt dat het aspect opslag gevaarlijke stoffen een hoge prioriteit krijgt toegekend.

4.3 Restrisico

Op grond van de uitkomsten van de probleem- en risicoanalyse vindt handhaving van de gemiddelde prioriteiten (zowel qua diepgang als intensiteit) beperkt plaats (restrisico). De taken met een lage prioritering worden in de periode niet actief gehandhaafd. Er wordt alleen opgetreden op basis van externe signalen (klachten). Dit heeft onder meer betrekking op de volgende onderdelen:

  • -

    Reclamevoeringen

    Reclamevoeringen zijn een WABO aangelegenheid als die zaken aan het pand zijn bevestigd want dan geldt de bouwregelgeving. In de huidige situatie is de prioritering laag en wordt enkel handhavend opgetreden als we spreken over excessieve vormen van reclamevoering of andere zaken die het esthetische karakter van een gevel of de kwaliteiten van de omgeving aantasten.

  • Handhavend optreden wordt momenteel bemoeilijkt door ontbreken van eenduidig beleid over de verschillende vormen van reclame-uitingen. Voorgesteld wordt om een hogere prioriteit te geven aan de inzet van handhaving op dit thema na formulering van duidelijk beleid hieromtrent.

  • Volledigheidshalve wordt vermeld dat de APV toeziet op lossen vormen van reclamevoering zoals stoepborden. De handhaving hierop behoort om die reden tot het domein van de BOA’s. Deze handhaving maakt geen onderdeel uit van onderhavig handhavingsbeleid.

  • -

    Intrekken van bouwtitels

    Het intrekken van WABO-vergunningen, activiteit bouwen, waarvan de bouw niet is gestart. Dit is een belangrijke schakel bij het schrappen van onbenutte woningbouwtitels en maakt onderdeel uit van de regionale maatregelen om het aantal woningen en gebouwen binnen Zuid-Limburg op peil te krijgen.

  • -

    Inventarisatie asbestdaken

    In juli 2019 heeft de Eerste Kamer het wetsvoorstel dat asbestdaken (eerst in 2024, later per 2028) verbiedt, weggestemd. Het is niet duidelijk of en wanneer nieuwe regelgeving komt voor het verwijderen van asbestdaken. De gemeente Vaals besteedt aan deze taak aandacht op het moment dat duidelijk wordt of en in hoeverre hier verdere regelgeving voor verschijnt.

4.4 Jaarlijks uitvoeringsprogramma toezicht en handhaving

Aan de hand van de probleem en risico-analyse en prioriteiten voor deze beleidsperiode stelt het college per jaar een uitvoeringsprogramma toezicht en handhaving vast voor de beleidsvelden milieu, bouwen en ruimtelijke ordening. Hierin wordt per taakveld duidelijk aangegeven wat de verwachte werkzaamheden zijn en wordt de hierbij behorende tijdsbesteding afgezet tegen de beschikbare capaciteit, waarbij keuzes worden gemaakt over o.a. de diepgang van toetsing en het aantal controles.

Burgemeester en wethouders brengen het uitvoeringsprogramma toezicht en handhaving ter kennis van de raad.

Ondertekening

Bijlage 1 CIJFERMATIG OVERZICHT 2017-2020

 

2017

2018

2019

2020

aantal omgevingsvergunningen

138

133

135

89

waarvan aantal geconstateerde afwijkingen

42

13

40

15

waarvan aantal stilleggingen

11

2

2

8

 
 
 
 
 

aantal controles op Rijksmonumenten en cultuurhistorische bebouwing

19

20

16

13

waarvan aantal handhavend opgetreden

8

8

7

7

waarvan aantal stilleggingen

1

3

1

3

 
 
 
 
 

Aantal controles bouw- en woningtoezicht

23

16

17

5

Waarvan handhavend (waarschuwingsbrief)

3

5

7

3

 
 
 
 
 

Aantal meldingen/klachten

58

55

65

71

Afgehandelde meldingen/klachten

55

89

46

49

Bijlage II: SAMENVATTING LANDELIJKE HANDHAVINGSSTRATEGIE (LHS)

1. Het plaatsen van de bevinding in de interventiematrix;

De handhaver bepaalt ten eerste in welk segment van onderstaand figuur opgenomen interventiematrix hij de bevinding positioneert door: het beoordelen van de gevolgen van de bevinding voor milieu, natuur, water, veiligheid, gezondheid en/of maatschappelijke relevantie en het typeren van de overtreder.

Bij de typering van de overtreder kijkt de handhaver dus verder dan de bevinding op zich en neemt hij diens gedrag en toezicht- en handhaving historie mee in beschouwing. Als de handhaver niet in staat is om de overtreder te typeren, dan is typering B (onverschillig/reactief) het vertrekpunt.

De handhaver bepaalt tot slot of er sprake is van verzachtende of verzwarende argumenten. Bij verzachtende argumenten wordt de in de interventiematrix gepositioneerde bevinding één segment naar links en vervolgens één segment naar onder verplaatst. Bij verzwarende argumenten, waaronder recidive, is de verplaatsing één segment naar rechts en vervolgens één segment naar boven. Als er meer verzachtende of verzwarende argumenten zijn, levert dit toch maar één verplaatsing op.

Als legalisatie van de bevinding mogelijk is, is dat de aangewezen weg gelet op de hieruit voortvloeiende rechtszekerheid voor alle betrokkenen. Dit laat het toepassen van de landelijke handhavingsstrategie en de interventiematrix onverlet, omdat er maatregelen nodig kunnen zijn om de overtreding te beëindigen en de gevolgen te beperken of weg te nemen. Bij het toepassen van de interventiematrix is de mogelijkheid van legalisatie een verzachtende omstandigheid.

Er kunnen tot slot omstandigheden zijn om bij een bevinding van handhaven af te zien op basis van een vastgestelde gedoogstrategie. Onder gedogen wordt verstaan het expliciete besluit van een bestuursorgaan om tegen een bepaalde overtreding niet handhavend op te treden. De nota ‘Gedogen in Nederland’ bevat het landelijke kader voor gedogen: een gedoogsituatie is van tijdelijke aard doordat het handelen binnen afzienbare tijd ophoudt dan wel doordat waarschijnlijk een vergunning zal worden verleend.

2. Het bepalen van eventuele verzwarende aspecten;

De handhaver bepaalt of er verzwarende aspecten zijn die moeten worden betrokken bij de afweging om het bestuurs- en/of strafrecht toe te passen. Hoe meer verzwarende aspecten, des te groter de reden om naast bestuursrechtelijk ook strafrechtelijk te handhaven.

Vooral voor bevindingen die na stap 1 in de middensegmenten van de interventiematrix zijn gepositioneerd (A4, B3, B4, C2 en D2), kunnen de verzwarende aspecten reden zijn om naast bestuursrechtelijk ook strafrechtelijk op te treden. De volgende verzwarende aspecten worden afgewogen:

  • 1.

    Verkregen financieel voordeel (winst of besparing). De overtreder heeft door zijn handelen financieel voordeel behaald of financieel voordeel halen was het doel.

  • 2.

    Status verdachte / voorbeeldfunctie. De overtreder is: een regionaal of landelijk maatschappelijk aansprekende of bekende (rechts)persoon, een overheid, een toonaangevend brancheonderdeel, een certificerende instelling, een persoon die een openbaar ambt bekleedt, de eigen organisatie.

  • 3.

    Financiële sanctie heeft vermoedelijk geen effect. Een bestuurlijke boete kan waarschijnlijk niet geïnd worden of is waarschijnlijk door de overtreder als (bedrijfs)kosten ingecalculeerd.

  • 4.

    Combinatie met andere relevante delicten. Andere handelingen zijn gepleegd ter verhulling van de feiten, zoals valsheid in geschrift, corruptie of witwassen.

  • 5.

    Medewerking van deskundige derden. De overtreder is bij zijn handelen ondersteund door deskundige derden, zoals vergunningverlenende of certificerende instellingen, keuringsinstanties en brancheorganisaties. De handhaver moet onderbouwen op grond van welke aanwijzingen hij het vermoeden heeft dat de deskundige derde op de hoogte was en/of medewerking heeft verleend aan de geconstateerde bevinding(en).

  • 6.

    Normbevestiging. Bij dit aspect geldt dat het doel van de handhaving ligt in het onder de aandacht brengen van het belang van een bepaalde norm bij de branche of bij het bredere publiek. Strafrechtelijke handhaving vindt mede plaats in het kader van normhandhaving of normbevestiging met het oog op grotere achterliggende te beschermen rechtsbelangen. Hierbij speelt de openbaarheid van het strafproces een grote rol. Als in het openbaar, door middel van een onderzoek ter terechtzitting of de publicatie van een persbericht bij een transactie of strafbeschikking, verantwoording wordt afgelegd van gepleegde strafbare feiten krijgt de normhandhaving of normbevestiging het juiste effect.

  • 7.

    Waarheidsvinding. Soms kan strafrechtelijk optreden met toepassing van opsporingsbevoegdheden met het oog op de strafrechtelijke waarheidsvinding en afdoening aangewezen zijn. Bijvoorbeeld als een controle of inspectie aanwijzingen aan het licht brengt dat er meer aan de hand is, maar de bestuursrechtelijke instrumenten ontoereikend zijn om de waarheid aan het licht te brengen.

3. Onderzoek naar samenwerking tussen bestuur, politie en Openbaar Ministerie

De handhaver bepaalt of overleg over de toepassing van het bestuurs- en/of strafrecht nodig is op basis van de beoordeling van de bevinding met de interventiematrix (stap 1) en de afweging van verzwarende aspecten (stap 2). Dit overleg beoogt een weloverwogen inzet van het bestuursrecht, het bestuurs- én strafrecht of alleen het strafrecht. Dit overleg is derhalve tweerichtingsverkeer: bestuursrechtelijke handhavers zoeken indien noodzakelijk het overleg op met politie en OM en omgekeerd.

Overleg over de toepassing van het bestuurs- en/of strafrecht is altijd noodzakelijk als de handhaver de bevinding na stap 1 heeft gepositioneerd in de middensegmenten (A4, B3, B4, C2, D2 en D1) of zware segmenten (C3, C4, D3 en D4) van de interventiematrix.

Overleg kan ook zinvol zijn bij bevindingen die de handhaver weliswaar heeft gepositioneerd in de lichte segmenten van de interventiematrix (A1, A2, A3, B1, B2 en C1), maar waarbij er op grond van stap 2 sprake is van één of meer verzwarende aspecten.

In situaties waarin een handhavingsinstantie een bestuurlijke boete (BSB) oplegt is overleg met het OM niet geïndiceerd en is strafrechtelijk optreden door het OM niet aan de orde.

Als de handhaver concludeert dat overleg over de toepassing van het bestuurs- en/of strafrecht geïndiceerd is, wordt gehandeld op basis van vooraf tussen bestuursrechtelijke handhavingsinstanties, politie en OM gemaakte algemene afspraken over hun samenspel. Alleen zo kan accuraat en effectief optreden in voorkomende gevallen worden gewaarborgd, in het bijzonder als er sprake is van spoed en heterdaad. Situaties waarin de vooraf gemaakte algemene afspraken niet voorzien zullen apart door handhavingsinstantie, politie en OM worden beoordeeld, in een regulier overleg of door middel van ad hoc overleg als snelheid vereist is. Uit het overleg volgt hoe de betreffende bevinding wordt opgepakt: alleen bestuursrechtelijk, bestuurs- én strafrechtelijk of alleen strafrechtelijk. Het laatste veelal startend met een opsporingsonderzoek onder leiding van de Officier van Justitie.

Tenslotte is, afgezien van de interventiematrix, aangifte bij het OM standaard als toezichthouder de volgende ernstige bevindingen doen:

  • Situaties waarin bewust het toezicht onmogelijk wordt gemaakt, zoals het weigeren van toegang, intimidatie, geweldsdreiging, fraude vernietiging van bewijs en poging tot omkoping;

  • Situaties waarin de toezichthouder constateert dat er opzettelijk mensen in gevaar worden gebracht, door onder andere: sabotage, vernieling of het bewust verstrekken van verkeerde informatie.

4. Optreden met toepassing van de interventiematrix;

Op basis van stap 3 wordt de overtreding definitief in de matrix geplaatst. De landelijke handhavingstrategie gaat uit van het in principe zo licht mogelijk starten met interveniëren gericht op herstel en het vervolgens snel inzetten van zwaardere interventies als naleving uitblijft.

De handhaver gebruikt de interventiematrix van figuur 3 daarbij als volgt:

  • 1.

    De handhaver kijkt naar de interventies in het segment van deze interventiematrix waarin hij de bevinding eerder met behulp van stap 1 (paragraaf 3.1) heeft gepositioneerd.

  • 2.

    De handhaver kiest voor de minst zware (combinatie) van de in het betreffende segment opgenomen interventies tenzij de handhaver motiveert dat een andere (combinatie van interventie(s) in de betreffende situatie passender is.

De interventies in de (segmenten van de) matrix lopen van beneden naar boven op in zwaarte. Waar in de matrix van figuur 3 ‘PV’ staat betreft het de middelzware en zware segmenten die in stap 3 zijn afgestemd tussen handhavingsinstantie en OM.

Als in overleg is besloten dat het OM niet optreedt, zijn er in deze situaties de onderstaande figuur aangegeven op herstel en/of op bestraffing gerichte bestuursrechtelijke interventies om te overwegen, en ook de BSBm als strafrechtelijke interventie.

De handhaver zet de betreffende (combinatie van) interventie(s) in totdat sprake is van naleving. Als naleving binnen de door de handhaver bepaalde termijn uitblijft, pakt de handhaver direct door, door middel van het inzetten van een zwaardere (combinatie van) interventie(s). In algemene zin geldt voor termijnen het volgende:

  • Gedragsvoorschriften dienen direct in acht genomen te worden. Hiervoor dient geen of hooguit een zeer korte termijn te worden gesteld om de overtreding te beëindigen en/of herhaling ervan te voorkomen.

  • In alle andere gevallen – waaronder ook plannen of voorzieningen waarvoor investeringen vereist zijn – geldt: hoe urgenter de situatie des te korter de termijn. Daarbij rekening houdend met de technische en organisatorische realiseerbaarheid in die termijn.

Het optreden in stap 4, zoals tot nu toe beschreven, heeft betrekking op gedane bevinding(en) die op grond van de interventiematrix worden aangepakt. Uiteraard kunnen handhavingsinstanties aanvullend ook hun toezichtstrategie bij het betreffende bedrijf als zodanig aanpassen, in de zin van bijvoorbeeld het verhogen/verlagen van de toezichtfrequentie, het initiëren van de herijking van de vergunningensituatie, et cetera.

5. Vastlegging.

De doorlopen stappen en genomen beslissingen worden verifieerbaar en transparant vastgelegd in het dossier volgens de geldende administratieprocedures en -systemen, zodanig dat hieruit kan worden afgeleid dat is voldaan aan: het motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het verbod van willekeur en het verbod van misbruik van bevoegdheid.