Regeling briefadres en adresonderzoek gemeente Gooise Meren 2021

Geldend van 11-11-2021 t/m heden

Intitulé

Regeling briefadres en adresonderzoek gemeente Gooise Meren 2021

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gooise Meren,

gelet op

  • a)

    de artikelen 1.1, 2.23, 2.38 tot en met 2.42, 2.43, 2.45, 2.47, 2.48, 2.49, 2.52 en 4.17 van de Wet basisregistratie personen (Wet BRP), artikel 28, 29 van het Besluit basisregistratie personen (Besluit BRP), de artikelen 17, 18 en 19 van de Regeling basisregistratie personen (Regeling BRP), artikel 4:84 en titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht (AWB);

  • b)

    de circulaire BRP en briefadres (2016-0000656211) van de minister van BZK van 18 oktober 2016;

  • c)

    het Protocol voor ondersteuning door Burgerzaken aan achterblijvers in geval van vermissing (NVVB-2016);

  • d)

    de circulaire Adresonderzoek BRP november 2018;

overwegende dat:

  • e)

    het gewenst is om een beleidsregel vast te stellen met betrekking tot de aangifte en registratie van een briefadres om het oneigenlijk gebruik van het briefadres tegen te gaan en om kwetsbare groepen zonder woonadres, te registreren op een briefadres;

  • f)

    dat ondersteuning kan worden gegeven aan achterblijvers in geval van vermissing;

  • g)

    dat het wenselijk is om transparantie te bieden hoe wordt omgegaan met een aanvraag om een briefadres.

besluit vast te stellen:

Regeling briefadres en adresonderzoek gemeente Gooise Meren 2021

1. Briefadressen

Artikel 1.1 Begrippen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a)

    Aangifte van verhuizing: de aangifte van verblijf en adres als bedoeld in artikel 2.38 Wet BRP, de aangifte van adreswijziging als bedoeld in artikel 2.39 tot en met 2.42 Wet BRP of de aangifte van vertrek als bedoeld in artikel 2.43 Wet BRP;

  • b)

    Aangever: de burger zelf of namens hem de categorieën van personen die verplicht dan wel bevoegd zijn om aangifte te doen als bedoeld in artikelen 2.48 en 2.49 Wet BRP;

  • c)

    Adres: het adres als bedoeld in artikel 1.1 onder q, Wet BRP;

  • d)

    Woonadres: het adres als bedoeld in artikel 1.1 onder o, Wet BRP;

  • e)

    Briefadres: het adres als bedoeld in artikel 1.1 onder p, Wet BRP;

  • f)

    Ingeschrevene: degene ten aanzien van wie een persoonslijst in de basisregistratie is opgenomen;

  • g)

    Inschrijving: de opneming van een persoonslijst in de basisregistratie;

  • h)

    Partner: echtgenoot, echtgenote dan wel geregistreerd partner;

  • i)

    Gezinshuishouden:

    • 1.

      twee personen die volgens de BRP een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan of gehuwd zijn, met of zonder kind(eren);

    • 2.

      twee personen die door het overleggen van een door een notaris opgemaakt samenlevingscontract hebben aangetoond, dat zij een gemeenschappelijke huishouding voeren, met of zonder kind(eren);

    • 3.

      een alleenstaande ouder met kind(eren).

  • j)

    Terugmeldvoorziening (TMV): een geautomatiseerd systeem voor het uitwisselen van mededelingen van overheidsorganen aan de beheerder van de BRP ten aanzien van authentieke persoonsgegevens in de BRP, waarover gerede twijfel omtrent de juistheid van dit gegeven bestaat;

  • k)

    Toezichthouder: de door het college van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaren die zijn belast met het toezicht op de naleving van de verplichtingen van de burger in gevolge artikel 2.38 t/m 2.52 Wet BRP.

Artikel 1.2 Redenen briefadres

Redenen voor een briefadres zijn:

  • 1.

    het ontbreken van een woonadres vanwege:

    • a.

      dak- of thuisloosheid;

    • b.

      korte overbrugging tussen twee woonadressen;

    • c.

      de uitoefening van een ambulant beroep;

    • d.

      kort verblijf in het buitenland: gedurende een jaar ten hoogste twee derden van de tijd;

    • e.

      korter dan 2 jaar verblijf in het buitenland en beroepshalve varend op een schip dat de thuishaven in Nederland heeft;

    • f.

      het behoren tot een kwetsbare groep, zoals verwarde personen;

    • g.

      langdurig vermiste persoon;

  • 2.

    verblijf in een instelling voor mannen- of vrouwenopvang (blijf-van-mijn-lijfhuizen);

  • 3.

    verblijf in een instelling als bedoeld in artikel 2.40, lid 3 en 4 van de Wet BRP;

  • 4.

    verblijf op een adres waarvan het opnemen van dat woonadres naar het oordeel van de burgemeester om veiligheidsredenen niet wenselijk is (artikel 2.41 van de Wet BRP);

  • 5.

    bieden van een oplossing bij langdurig vermiste personen.

Artikel 1.3 voorwaarden

  • 1. De aangifte wordt gedaan in de gemeente waar het briefadres zich bevindt.

  • 2. De aangever is verplicht om bij de aangifte tot briefadres alle benodigde stukken te overleggen.

  • 3. Onder benodigde stukken als bedoeld in het tweede lid wordt in ieder geval verstaan:

    • a.

      een geldig identiteitsbewijs;

    • b.

      de schriftelijke verklaring van de aangever met reden voor de aangifte en de te verwachten periode dat het briefadres noodzakelijk is;

    • c.

      een geldig identiteitsbewijs of een kopie ervan en een schriftelijke verklaring van instemming van de briefadresgever;

    • d.

      een ingevulde en ondertekende vragenlijst briefadres, als het briefadres gevraagd wordt op grond van artikel 1.2, lid 1.

  • 4. In aanvulling op de in het derde lid van dit artikel genoemde stukken, kan om aanvullende gegevens worden gevraagd ter onderbouwing van de aangifte indien de in het derde lid genoemde stukken onvoldoende duidelijkheid bieden over de woonsituatie van de aangever.

  • 5. Als het briefadres gevraagd wordt op grond van artikel 1.2, lid 4, is een schriftelijke verklaring van de burgemeester noodzakelijk waaruit blijkt dat opname van een woonadres niet wenselijk is.

  • 6. Als het briefadres noodzakelijk is op grond van artikel 1.2, lid 5, dient de noodzakelijkheid te blijken uit een onderliggend dossier.

  • 7. De briefadresgever kan maximaal aan twee gezinshuishoudens, aan twee alleenstaanden of aan een gezinshuishouden en een alleenstaande toestemming geven een briefadres te houden.

  • 8. Lid 7 van dit artikel is niet van toepassing indien de briefadresgever het college van burgemeester en wethouders betreft of een door dit college aangewezen rechtspersoon, bedoeld in artikel 2.42 onder b van de Wet BRP.

Artikel 1.4 Volledige aangifte

  • 1. De aangifte is volledig indien alle benodigde gegevens, zoals bedoeld in artikel 1.3, lid 2 en 3, zijn ingeleverd.

  • 2. Als één of meer gegevens ontbreken, dan wordt de aangever in de gelegenheid gesteld binnen veertien dagen het verzuim te herstellen en de aangifte alsnog aan te vullen.

  • 3. Indien de aangifte niet binnen de, in het vorige lid bepaalde termijn kan worden aangevuld, dan kan, op verzoek van de aangever, de termijn eenmalig verlengd worden met veertien dagen.

  • 4. Indien de aangifte niet binnen veertien dagen na aangifte aangevuld wordt of uitstel gevraagd wordt, wordt aan de aangifte geen gevolg gegeven.

Artikel 1.5 Weigeringsgronden

Het is in ieder geval niet mogelijk om ingeschreven te worden op een briefadres, indien:

  • a.

    de aangever een woonadres heeft, tenzij hij in de situatie verkeert zoals beschreven in artikel 1.2, lid 1 onder f en lid 4;

  • b.

    de aangever langer dan acht maanden gedurende één jaar in het buitenland verblijft en niet beroepshalve varend is op een schip dat zijn thuishaven in Nederland heeft;

  • c.

    de aangever beroepshalve varend is op een schip dat zijn thuishaven in Nederland heeft en langer dan twee jaar in het buitenland verblijft;

  • d.

    er een onderzoek loopt naar de verblijfplaats van de briefadresgever;

  • e.

    het briefadres een adres betreft waarop reeds aan twee alleenstaanden of twee gezinshuishoudens of een alleenstaande en een gezinshuishouden een briefadres is verleend met inachtneming van de uitzonderingen bedoeld in artikel 1.3, lid 8;

  • f.

    de verklaring van de burgemeester zoals bedoeld in artikel 1.3, lid 5, ontbreekt.

Artikel 1.6 Termijn briefadres

  • 1. In de situatie als bedoeld in artikel 1.2, lid 1, onder b, mag een briefadres worden gekozen voor de duur van maximaal drie maanden. Deze termijn kan telkens met maximaal drie maanden worden verlengd.

  • 2. In de situatie als bedoeld in artikel 1.2, lid 1, onder d en e mag een briefadres worden gekozen voor de duur van maximaal de periode dat aangever buiten Nederland zal verblijven.

  • 3. Als de aangever voor het aflopen van de termijn als bedoeld in het eerste en tweede lid geen aangifte heeft gedaan van een woonadres, wordt door de aangever een verzoek ingediend om het briefadres te verlengen.

  • 4. In de situaties bedoeld in artikel 1.2, lid 2, 3, 4 en 5 is er geen maximale duur voor het gebruik van een briefadres.

  • 5. In de situatie als bedoeld in artikel 1.2, lid 4 mag een briefadres worden verleend voor de duur die de burgemeester noodzakelijk acht.

  • 6. De aanvraag voor verlenging van het briefadres wordt beoordeeld met inachtneming van de artikelen 1.2 en 1.5.

  • 7. Onverminderd hetgeen is bepaald in het eerste tot en met het derde lid, is diegene op wie het briefadres betrekking heeft en een ander adres krijgt, gehouden om in de periode tussen vier weken vóór de beoogde verhuisdatum tot en met de vijfde dag na verhuisdatum hiervan aangifte te doen bij de gemeente waar hij zijn nieuwe adres heeft.

Artikel 1.7 Bestuurlijke boete

  • 1. Onverminderd het gestelde in artikel 1.2 tot en met 1.6 is zowel de briefadresgever als de briefadresnemer verplicht om op verzoek van het college van burgemeester en wethouders inlichtingen te verstrekken die van belang zijn voor de registratie van het briefadres.

  • 2. De betrokkene verschijnt hierbij desgevraagd in persoon.

  • 3. Aan degene die niet voldoet aan de verplichting als bedoeld in het eerste lid kan een bestuurlijke boete worden opgelegd van ten hoogste 325 euro.

2. Adresonderzoeken

Artikel 2.1 Inleiding

Het college van burgemeester en wethouders (hierna college) is verantwoordelijk voor het bijhouden van de persoonsgegevens van ingezetenen in de basisregistratie personen (hierna BRP). De Wet BRP stelt kaders als het gaat om inschrijving in de BRP. De kwaliteit van de gegevens in de BRP spitst zich met name toe op de actualiteit en de juistheid van de persoonsgebonden adresgegevens. Gemeenten doen dit door hoge prioriteit te geven aan het adresonderzoek. Het is wenselijk dat de BRP zoveel mogelijk een weergave is van de feitelijke situatie. Dit belang dient meerdere zaken, onder andere het feit dat afnemers voor hun bedrijfsvoering afhankelijk zijn van de persoonsgebonden gegevens uit de BRP. Tevens is het verdedigbaar dat de verantwoordelijkheid en daarmee aansprakelijkheidsvraag van het college zo nauw mogelijk aansluit bij de werkelijkheid, bijvoorbeeld in verband met calamiteiten. Immers de gemeente kan, doordat grote groepen personen hun adres niet duidelijk bekend maken, haar beleid hieromtrent niet juist inrichten.

Vanuit de samenleving en de politiek is er ook blijvende aandacht voor de aanpak van adresfraude. Met de invoering van de algemene verordening gegevensbescherming (AVG) is de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) vervallen. Dit is niet van invloed op de uitwisseling van gegevens met betrekking tot adresonderzoek zoals beschreven in deze regeling. De AVG is ook niet van invloed op de terugmeldplicht van bestuursorganen en aangewezen derden als zij bij de uitvoering van hun taak af willen wijken van actuele BRP-gegevens.

De afdeling burgerzaken start een adresonderzoek als er twijfel is over de juistheid van het adres van een ingezetene zoals dat in de BRP staat geregistreerd. Doel is om de verblijfplaats van de betrokken persoon vast te stellen, zodat de in de BRP geregistreerde gegevens daarmee in overeenstemming kunnen worden gebracht en bestuursorganen gebruik kunnen maken van de juiste adresgegevens in de BRP.

Artikel 2.2 Aanleiding voor een adresonderzoek

De afdeling burgerzaken start een adresonderzoek als er gerede twijfel is over de juistheid van een inschrijving in de BRP.

Redenen voor het instellen van een adresonderzoek zijn:

  • a)

    Als er gerede twijfel is over de juistheid van het adres waarmee betrokkene in de BRP staat. Dit gebeurt bijvoorbeeld bij verhuisaangifte van nieuwe bewoners.

  • b)

    Door constatering van een binnengemeentelijke gebruiker van de BRP.

  • c)

    Eigen constatering van leegstand of een mogelijke onjuiste bewoning naar aanleiding van een risicogericht adresonderzoek.

  • d)

    Een melding van een persoon (balie of via correspondentie).

  • e)

    Een aangifte van verhuizing.

  • f)

    Het ontvangen van een melding via de TMV 2.0. Deze melding kan zowel door een interne als een externe BRP-gebruiker worden gedaan.

  • g)

    Een melding via het project Landelijke Aanpak Adreskwaliteit (LAA).

  • h)

    Via een verzoek om informatie uit de BRP van een instelling of instantie die deze informatie nodig heeft voor de uitoefening van de taak, bijvoorbeeld een gerechtsdeurwaarder of advocaat.

Het college start het adresonderzoek door het in onderzoek plaatsen van de adresgegevens op de persoonslijst van de persoon.

Gedurende de periode dat het adresgegeven in onderzoek staat, ontvangen afnemers en derden die de BRP bevragen de aantekening dat het adres in onderzoek staat, zodat zij daar rekening mee kunnen houden in hun processen.

Artikel 2.3 Het instellen van een adresonderzoek

De start van een adresonderzoek moet verplicht plaatsvinden binnen 5 werkdagen nadat de gemeente een terugmelding heeft ontvangen van een bestuursorgaan (artikel 28 Besluit BRP). Wij streven ernaar om deze termijn ook te hanteren als het een melding van een (aangewezen) derde/rechtspersoon, zoals een zorgverzekeraar of een natuurlijk persoon, betreft.

Er hoeft door de gemeente geen onderzoeksdossier te worden aangelegd en daarmee ook niet het in onderzoek plaatsen van de adresgegevens op de persoonslijst van de persoon, als een melding binnen vijf werkdagen kan worden afgehandeld.

Een onderzoek naar het adres kan ook uitgevoerd worden zonder dat het adres in onderzoek wordt gezet. Bijvoorbeeld als het gaat om een risicogericht adresonderzoek (zoals verdenking van fraude of criminele activiteiten).

De datum ingang van het adresonderzoek is de datum die de gemeente plaatst bij de adresgegevens (categorie 8) op de persoonslijst.

Artikel 2.4 Inhoud van het adresonderzoek

2.4.1 Dossiervorming

Van het onderzoek wordt een dossier bijgehouden en bewaard voor de duur van 10 jaar in geschrift en andere bescheiden, ongeacht hun vorm, op grond van artikel 4 van de Regeling basisregistratie personen. Elk adresonderzoek heeft een eigen dossier en kan betrekking hebben op meerdere personen op het adres.

2.4.2 Aanschrijven van de betrokkene

Het adresonderzoek start met het benaderen van de persoon om hem/haar te wijzen op de plicht om aangifte te doen van adres en verblijf of adreswijziging, op grond van de Wet BRP. De persoon dient te worden opgeroepen om direct aangifte te doen van adreswijziging. Het laatst bekende adres in de BRP kan daarbij worden gebruikt om de persoon aan te schrijven. Ook kan een vermoedelijk nieuw adres van de persoon worden gebruikt, als dat beschikbaar is. Een nieuw adres kan worden vermoed door een terugmelding, dan wel door de uitkomst van nader onderzoek via internet of meldingen van derden. In de brief kan de gemeente waarschuwen voor een bestuurlijke boete als de persoon niet aan zijn aangifteplicht voldoet. In afwachting van een reactie van de persoon binnen de gegeven termijn in de brief, kan de gemeente al verder gaan met het onderzoek.

Als de persoon niet reageert, of als de reactie niet leidt tot een andere beslissing, moet het adresonderzoek in elk geval verder vervolgd worden. (zie artikel 2.4.3)

2.4.2.1 Uitkomst na aanschrijving betrokkene

Als de persoon naar aanleiding van de brief een aangifte van verhuizing doet, wordt zijn aangifte verwerkt en het adresonderzoek beëindigd. Het is uiteraard ook mogelijk dat op basis van een reactie van de persoon blijkt dat het signaal op een misverstand berust. In dat geval hoeft er geen wijziging in de BRP plaats te vinden. Het adresonderzoek kan in deze gevallen worden afgesloten.

Echter bij twijfel over de juistheid van informatie kan de gemeente de persoon om bewijs vragen.

Twijfelt de gemeente na inlevering van het bewijs nog steeds, dan wordt het onderzoek vervolgd.

2.4.3 Uitbreiding van het onderzoek

Het doel van het onderzoek is om de feitelijke verblijfplaats van de persoon te achterhalen en de BRP op orde te brengen.

In het algemeen zijn er twee mogelijkheden om het adresonderzoek verder uit te breiden. Beide mogelijkheden kunnen achtereenvolgens, gelijktijdig of afzonderlijk worden opgepakt.

Op basis van een terugmelding door een overheidsorgaan kan bijvoorbeeld al informatie beschikbaar zijn zodat een bepaald onderdeel van het onderzoek niet zinvol is. Het is aan de beoordelingsvrijheid van de gemeente om te bepalen wat de waarde van de al beschikbare informatie is en welke (combinatie) van mogelijkheden het meest geschikt is om een bepaalde situatie te onderzoeken.

Als het nodig is, kan de BRP Toezichthouder zijn bevoegdheden aanwenden (titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht).

De twee mogelijkheden voor uitbreiding zijn:

  • a.

    informatie inwinnen bij andere bronnen;

  • b.

    feitelijk onderzoek ter plaatse uitvoeren.

Onder sub a vallen o.a. de volgende bronnen:

Controle in Suwinet-inkijk en internet, maar ook het raadplegen van (interne) collega’s, familie van de persoon, woningeigenaar, werkgever, woningbouwcorporaties, nieuwe bewoners van het adres of een andere (woon) gemeente. Bij het vragen om informatie over het adres van de persoon mag de persoonlijke levenssfeer van de persoon of anderen niet onnodig worden geschaad. Daarom moet er in algemene bewoordingen een bevraging plaatsvinden. De aangeschreven persoon – niet zijnde de persoon zelf – heeft het recht om hierop niet te antwoorden. Overheidsorganen die gegevens uit de BRP verstrekt krijgen, kunnen op grond van de algemene verordening gegevensbescherming (AVG) informatie verschaffen ten behoeve van de bijhouding van de BRP.

Het ligt wat dat betreft voor de hand om met name bij overheidsorganen te raadplegen indien van toepassing, als Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en DUO, maar bijvoorbeeld ook UWV en Belastingdienst.

Er kan ook een feitelijk onderzoek ter plaatse worden uitgevoerd, als het administratieve onderzoek geen of onvoldoende resultaat oplevert. Bij huisbezoek kan het om het in de BRP geregistreerd adres gaan, maar ook om een vermoedelijk nieuw adres, dan wel om een adres waarop in de BRP geen bewoners geregistreerd staan, maar er volgens de melding wel mensen wonen. Bij bezoek aan het, in de BRP geregistreerde adres, kan worden nagegaan of de feitelijke situatie nog wel overeenkomt met de in de BRP geregistreerde situatie. Op deze wijze kan bijvoorbeeld worden geconstateerd of een pand nog bewoond wordt. Bij deze stap van het adresonderzoek moet zorg worden gedragen dat de persoonlijke levenssfeer van de persoon of anderen niet onnodig wordt geschaad. Daarom moet er in algemene bewoordingen gevraagd worden of er en zo ja, een adres van de persoon bekend is. Personen zijn niet verplicht te antwoorden.

De gemeente kan afspraken maken met andere afdelingen over het uitvoeren van feitelijk onderzoek. Het onderzoek kan zo efficiënt en effectief worden uitgevoerd.

2.4.4 Onderzoek van een ander overheidsorgaan, een andere afdeling of een afnemer

Een ander overheidsorgaan die gegevens uit de BRP krijgt verstrekt of een andere afdeling van de gemeente, kan zelf al een onderzoek uitgevoerd hebben naar de verblijfplaats van de persoon, alvorens daarover een signaal wordt verzonden naar de BRP.

Tijdens het adresonderzoek kan gebruik worden gemaakt van deze gegevens. Gedacht kan worden aan een huisbezoek waarbij is geconstateerd dat de persoon niet langer woont op het adres dat in de BRP als woonadres staat geregistreerd.

De gemeente kan een dergelijke constatering meenemen in de opzet en uitvoering van het onderzoek, indien de gemeente weet dat het onderzoek gedegen is uitgevoerd.

Overheidsorganen die gegevens uit de BRP verstrekt krijgen, hebben op grond van de wet BRP een terug meldplicht. Indien een overheidsorgaan afwijkende, mogelijk actuelere, gegevens beschikbaar heeft, kunnen deze via de Terugmeldvoorziening (TMV) 2.0 worden terug gemeld.

2.4.5 Termijn aanpassen in geval van een terugmelding

De gemeente kan na een eerste bericht dat er adresgegevens mogelijk onjuist zijn, de eerste vermelding in de TMV 2.0 of via het Zaaksysteem van het in onderzoek plaatsen van een bepaald gegeven, de eerder opgegeven termijnen vermeld in artikel 2.7 van deze Regeling, aanpassen.

Indien tijdens het onderzoek blijkt dat het onderzoek langer duurt dan dat in eerste instantie was verwacht, moet de gemeente dit bijwerken in de TMV 2.0 en het Zaaksysteem om misverstanden te voorkomen.

Artikel 2.5 Resultaten van het onderzoek

2.5.1 Uitkomsten van het onderzoek

Uit het adresonderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken:

  • a.

    de persoon woont nog steeds op het actueel geregistreerde adres;

  • b.

    de persoon heeft aangifte van verhuizing gedaan;

  • c.

    het is duidelijk waar de persoon woont, de persoon doet zelf echter geen aangifte;

  • d.

    de persoon wordt geregistreerd met een briefadres;

  • e.

    het is onduidelijk waar de persoon woont.

a en b Is er sprake van situatie a of b als uitkomst van het onderzoek, dan sluit de gemeente het adresonderzoek af.

c Is er sprake van de situatie c als uitkomst van het onderzoek, dan kan mogelijk een aangifte van de persoon verkregen worden op grond waarvan er nieuwe gegevens geregistreerd kunnen worden. De verblijfplaats van de persoon is immers bekend, zodat contact kan worden opgenomen. De persoon wordt benaderd en gewezen op zijn aangifteplicht op grond van de Wet BRP. Als de persoon zich meldt en aangifte doet van zijn verhuizing, kan het onderzoek worden afgesloten.

Indien de persoon niet reageert tijdens het onderzoek, geen aangifte van verhuizing of vertrek naar het buitenland doet, dan besluit de gemeente tot ambtshalve verhuizing naar het nieuwe adres, nadat de voorgenomen beslissing van de verhuizing en het besluit schriftelijk bekend zijn gemaakt aan de persoon.

Bevindt zich het woonadres van de persoon in een andere Nederlandse gemeente, dan moet daar contact mee worden opgenomen om te helpen bij het adresonderzoek. De andere gemeente kan de persoon op zijn vermoedelijke nieuwe adres aanschrijven en wijzen op zijn verplichting aangifte van verhuizing te doen.

Volgt er geen verhuisaangifte, maar is er een sterk vermoeden dat de persoon feitelijk in de andere gemeente woont, dan stuurt de gemeente een samenvatting van het dossier (in kopie) aan die andere gemeente. De andere gemeente beoordeelt of er voldoende reden is voor een ambtshalve verhuizing. Als dat het geval is, stuurt deze een voornemen en een besluit over de ambtshalve verhuizing aan de persoon op het nieuwe en op het oude adres.

d Is er sprake van de situatie d als uitkomst van het onderzoek, omdat vast is komen te staan dat de persoon die op dat adres in de BRP ingeschreven staat daar niet meer woont, maar ook niet de beschikking heeft over een ander woonadres. Dan moet de gemeente niet alleen een beslissing nemen in het kader van het adresonderzoek, maar ook kijken of iemand ingeschreven kan worden op een briefadres.

Ook kan vast komen te staan dat iemand in de BRP is opgenomen met een briefadres, terwijl blijkt dat de persoon er feitelijk woont. De gemeente gaat dan in gesprek met de persoon om de reden hiervan te achterhalen en op basis daarvan een beslissing te nemen over de inschrijving in de BRP. De voorgenomen beslissing en het besluit worden schriftelijk bekend gemaakt aan de persoon.

e Is er sprake van de situatie e als uitkomst van het onderzoek, dan besluit de gemeente tot ambtshalve vertrek naar het buitenland (artikel 2.22 Wet BRP). De situatie onder e is bijzonder omdat er geen gegevens over de nieuwe verblijfplaats van de persoon bekend zijn. Blijken er na het uitvoeren van een gedegen adresonderzoek geen gegevens over het verblijf in Nederland, het vertrek uit Nederland, noch van het verblijf buiten Nederland, dan dient de gemeente de bijhouding van de persoonslijst ambtshalve op te schorten. De reden van de opschorting is dan “emigratie” naar een Onbekend land. Opschorting van de bijhouding van de persoonslijst wegens emigratie naar een Onbekend land heeft vaak verstrekkende gevolgen voor de persoon. Overheidsorganen (en derden) gaan er dan vanuit dat de persoon niet meer in Nederland woont. Daardoor kunnen zij besluiten om bepaalde uitkeringen of andere overheidsvoorzieningen te beëindigen. Anderzijds kunnen overheidsorganen (en derden) er ook last van ondervinden, met name als zij van de persoon iets te vorderen hebben (zoals de Belastingdienst). Daarom is de zorgvuldigheid van het adresonderzoek met name in dit geval van groot belang.

2.5.2 Voornemen tot ambtshalve wijziging

Als de persoon niet reageert, geen aangifte van verhuizing of vertrek doet of wel reageert, maar uit die reactie niet afgeleid kan worden op welk adres hij woont, dan maakt de gemeente het voornemen bekend om gegevens over de persoon ambtshalve te wijzigen. Het voornemen kan ook inhouden dat de gemeente de persoon ambtshalve zal registreren als vertrokken naar een (on)bekend land. De gemeente dient de persoon op grond van de Algemene wet bestuursrecht op de hoogte te stellen van het voornemen om gegevens over de persoon ambtshalve te wijzigen. Dit doet de gemeente door het zenden van een voornemen per brief.

Als er geen gegevens bekend zijn over de nieuwe verblijfplaats van de persoon, dan wordt het voornemen verzonden aan het laatst bekende adres van de persoon in de BRP. Omdat het bijvoorbeeld mogelijk is dat de post via een automatische verhuisservice wordt doorgestuurd naar het nieuwe adres van de persoon.

Als bekend is op welk (nieuwe) adres de persoon woont, dan wordt dat adres ook gebruikt voor het aanschrijven. Indien een buitenlands adres bekend is, wordt ook het buitenlandse adres gebruikt voor de verzending.

Als er in voornoemde situaties contact mogelijkheden zijn of een e-mailadres bekend is dan worden ook die kanalen gebruikt om de persoon te informeren over het voornemen.

2.5.3 Besluitvorming bij ambtshalve wijziging

Als naar aanleiding van het verzenden van het voornemen om tot ambtshalve wijziging over te gaan geen reactie wordt ontvangen van de persoon, dan neemt het college 4 weken daarna een besluit overeenkomstig het voornemen. Als de persoon wel reageert, maar de reactie geen invloed heeft op de uitkomst van het onderzoek en het betreft geen aangifte, dan kan het voornemen ook uitgevoerd worden.

Als datum van de ingang van de wijziging van het geregistreerde adres of van het vertrek in de BRP geldt de datum van bekendmaking van het voornemen. Ook het besluit wordt bekend gemaakt aan de persoon.

Tot slot wordt ook vermeld wat de betrokken persoon moet doen, indien hij bezwaar wil maken tegen het voorgenomen besluit.

2.5.4 Rolverdeling tussen gemeenten

Indien een vermoedelijke verblijfplaats van de persoon is gelegen in een andere Nederlandse gemeente dan de gemeente waar de persoon (op dat moment) in de BRP is geregistreerd, kan die andere gemeente bij het onderzoek betrokken worden. Gemeenten hebben een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de correcte bijhouding van de BRP en medewerking van de andere gemeente mag worden verwacht. De andere gemeente kan in een dergelijk geval beter in de gelegenheid zijn om na te gaan of de persoon daadwerkelijk op het vermoedelijke adres woont.

Als tijdens het onderzoek blijkt dat de persoon in de andere gemeente woont, dan wordt er een kopie van het onderzoeksdossier naar die gemeente gestuurd met het verzoek om het onderzoek over te nemen.

Indien de persoon niet op het vermoedelijke adres in die andere gemeente blijkt te wonen, dient het onderzoek te worden voortgezet door de actuele gemeente van inschrijving.

Het multidisciplinair bespreken van specifieke adressen en/of personen behoort tot de mogelijkheid in verband met een adresonderzoek. Binnengemeentelijke samenwerking kan veel voordelen opleveren. Er kunnen bijvoorbeeld diverse zaken aan de orde komen in relatie tot de persoon waarbij de gemeente dan ondersteuning kan bieden.

Artikel 2.6 Verwerking uitkomst van het onderzoek

Indien het onderzoek informatie oplevert over het nieuwe adres van de persoon, zal de gemeente de BRP op basis van die gegevens bijwerken. Zoals aangegeven kan dat op basis van een aangifte van de persoon of ambtshalve.

Als het onderzoek geen informatie over de verblijfplaats van de persoon heeft opgeleverd, kan worden besloten ambtshalve over te gaan tot het opschorten van de bijhouding van de persoonslijst wegens emigratie naar een Onbekend land (VOW).

In het geval een terugmelding uit de TMV 2.0 de aanleiding was voor het onderzoek, moet de melder door de gemeente worden geïnformeerd via de terugmeldvoorziening. Voor een signaal vanuit een andere bron dan de TMV 2.0, kan de gemeente ook die bron informeren over de afloop van een onderzoek. Daartoe bestaat echter geen plicht en gelden bovendien de regels rondom de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de geregistreerde. Signalen van particulieren worden in elk geval niet gevolgd door een bericht van de gemeente waarin gegevens worden verstrekt over de persoon van wie het adres in onderzoek was geplaatst. Wel kan aan particulieren eventueel in algemene bewoordingen worden gemeld dat het adresonderzoek is beëindigd.

Artikel 2.7 Procestermijnen bij het onderzoek

De gemeente streeft ernaar om het totale adresonderzoek binnen tien weken af te ronden vanaf het moment dat de aantekening -in onderzoek- op de persoonslijst is geplaatst.

De gemeente kan hier gemotiveerd van afwijken.

Artikel 2.8 Hardheidsclausule

Als vanwege bijzondere omstandigheden een strikte toepassing van het bepaalde in deze regeling zou leiden tot een onbillijkheid, kan worden afgeweken van het bepaalde in deze regeling. Van onbillijkheid kan sprake zijn als het strikt vasthouden aan de regeling als onredelijk kan worden aangemerkt of als er onevenredige schade zou ontstaan (artikel 4:84 AWB)

Artikel 2.9 Overgangsrecht

Briefadressen die al zijn toegekend vóór inwerkingtreding van deze regeling briefadres en adresonderzoek gemeente Gooise Meren 2021 blijven maximaal 6 maanden ná inwerkingtreding van deze regeling geldig.

Artikel 2.10 Inwerkingtreding

Bij de inwerkingtreding van de Regeling briefadres en adresonderzoek gemeente Gooise Meren 2021 wordt de Regeling briefadressen en adresonderzoeken Gooise Meren 2016 ingetrokken.

Deze regeling treedt in werking op de eerste dag na de dagtekening van het gemeenteblad waarin zij wordt gepubliceerd.

Artikel 2.11 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling briefadres en adresonderzoek gemeente Gooise Meren 2021.

Ondertekening

Aldus vastgesteld op 2 november 2021,

Het college van burgemeester en wethouders van Gooise Meren,

drs. H.M.W. ter Heegde, burgemeester

drs. E.M. Voorhorst, secretaris

Toelichting op de Regeling briefadres en adresonderzoek gemeente Gooise Meren 2021

Toelichting artikel 1.1, sub i, onder 3:

Onder een alleenstaande ouder wordt verstaan:

  • -

    een ongehuwd ouder, zonder geregistreerd partnerschap,

  • -

    een ouder wiens huwelijk of geregistreerd partnerschap is ontbonden of beëindigd,

  • -

    een gehuwd ouder, die niet samenwoont met de echtgenoot (of echtgenote), of

  • -

    een ouder met een geregistreerd partnerschap, die niet samenwoont met deze partner.

Toelichting artikel 1.2, lid 1, sub a:

Personen die niet beschikken over een woonadres en gebruik maken van de maatschappelijke opvang (passantenverblijven en dag- en nachtopvang) kunnen met een briefadres ingeschreven worden bij één van de opvanginstellingen. Personen die niet beschikken over een woonadres, maar geen gebruik maken van de maatschappelijke opvang (mensen met een zwervend bestaan), zijn verplicht elders een briefadres te kiezen.

Toelichting artikel 1.2, lid 1, sub b:

Hierbij valt te denken aan twee echtgenoten die gaan scheiden, maar op één adres wonen. Wanneer de één op het huidige adres blijft wonen, heeft de ander (tijdelijk) geen vast woonadres. Deze laatste persoon kan ingeschreven worden op een briefadres.

Een ander voorbeeld is als een persoon een nieuwe woning heeft gekocht en de oude woning (in Nederland of in het buitenland) heeft verkocht. De nieuwe woning moet echter nog opgeleverd worden terwijl de oude woning al overgedragen is aan de nieuwe eigenaar.

Toelichting artikel 1.2, lid 1, sub c:

Personen die vallen onder de categorie ‘ambulant beroep’ zoals binnenvaartschippers die (met hun gezin) aan boord van een schip wonen en kermismedewerkers die (met hun gezin) met de kermisattractie meereizen. Personen die tot deze categorie behoren komen in aanmerking voor een briefadres, mits zij geen woonadres hebben.

Toelichting artikel 1.2, lid 1, sub d:

Als iemand naar het buitenland vertrekt, wordt gekeken voor welke periode iemand naar het buitenland gaat. Iemand moet een briefadres kiezen, wanneer hij/zij voor een kortere periode dan 8 maanden in een tijdsbestek van een jaar naar het buitenland gaat en niet meer beschikt over een woonadres.

Op grond van artikel 2.43 Wet BRP mag iemand die voor een periode van meer dan 8 maanden naar het buitenland vertrekt niet als ingezetene ingeschreven blijven in de BRP. In dat geval is de burger verplicht om aangifte te doen van zijn vertrek naar het buitenland. Op grond van de aangifte wordt de bijhouding van zijn persoonslijst een verantwoordelijkheid van de minister van BZK en ‘verhuist’ de PL naar de RNI vanwege emigratie. In dat geval kan geen briefadres gekozen worden.

Toelichting artikel 1.2, lid 1, sub e:

Als een inwoner beroepshalve gaat varen aan boord van een schip dat in Nederland de thuishaven heeft en is er bij vertrek de redelijke verwachting dat hij niet langer dan twee jaar buiten Nederland zal verblijven, dan hoeft hij geen aangifte van vertrek te doen (artikel 29 Besluit BRP). Een voorwaarde is wel dat hij/zij gedurende het verblijf buiten Nederland beschikt over een adres in Nederland.

Veelal zal dit een briefadres zijn. Het is de burger wel toegestaan om aangifte van vertrek naar het buitenland te doen in deze situatie. Een verplichting daartoe bestaat niet.

Toelichting artikel 1.2, lid 1, sub f:

Deze kwetsbare groep kampt soms met de gevolgen van een verslaving, psychiatrische aandoeningen en verstandelijke beperkingen. Daardoor komen deze mensen hun administratieve verplichtingen en afspraken niet altijd na. Juist deze mensen hebben laagdrempelige medische basiszorg nodig die zij in de praktijk alleen krijgen na inschrijving in de BRP. Zonder zorgverzekering krijgen deze personen niet de zorg die zij nodig hebben. Dat vergroot de kans op bijvoorbeeld ernstige lichamelijke en/of psychiatrische aandoeningen. Zonder inschrijving in de BRP komen zij in de praktijk ook niet in aanmerking voor een plek op de wachtlijst voor een woning, waardoor zij gedwongen dakloos blijven. Een inschrijving op een briefadres is daarom voor deze groep noodzakelijk.

Toelichting artikel 1.2, lid 1, sub g:

Met een langdurig vermist persoon wordt bedoeld een persoon, die:

  • 1.

    tegen redelijke verwachting in afwezig is uit zijn of haar gebruikelijke en/of veilig geachte omgeving,

  • 2.

    waarvan de verblijfplaats van de persoon onbekend is, en

  • 3.

    het in diens belang is dat de verblijfplaats wordt vastgesteld.

Gemeenten kunnen te maken krijgen met de melding dat een persoon is vermist. In het protocol voor ondersteuning door Burgerzaken aan achterblijvers in geval van vermissing is vermeld dat in overleg de vermiste persoon kan worden geregistreerd met een briefadres op het adres van de melder.

Toelichting artikel 1.2, lid 2:

In de circulaire BRP en briefadres van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 18 oktober 2016 (kenmerk 2016-0000656211) is geregeld dat personen die verblijven in een opvanghuis voor mannen en vrouwen met een briefadres ingeschreven kunnen worden op het kantooradres van de desbetreffende instelling. Op die manier wordt het feitelijke woonadres van betrokkenen adequaat beschermd tegen ongewenste kennisneming door onbevoegden.

Toelichting artikel 1.2, lid 3:

Degene die zijn woonadres heeft in een instelling, kan in afwijking van artikel 2.38, lid 1 en artikel 2.39, lid 1 van de Wet BRP in plaats van inschrijving op zijn woonadres een briefadres kiezen. Op grond van artikel 2.40, lid 3 Wet BRP zijn dit instellingen voor gezondheidszorg, instellingen op het gebied van kinderbescherming en penitentiaire instellingen. In de artikelen 17 t/m 19 van de Regeling BRP is aangegeven voor welke instellingen een briefadres gekozen kan worden.

Het college van B&W is eveneens bevoegd, op grond van artikel 2.40, lid 4 Wet BRP, instellingen op het terrein van maatschappelijke opvang aan te wijzen.

Toelichting artikel 1.3, lid 1:

Een briefadres kan, in aanvulling op wat de wet regelt en in afwijking van een woonadres, worden gekozen binnen elke gemeente in Nederland. Het is niet verplicht om een briefadres te kiezen in de gemeente waar voor het laatst een woonadres werd gehouden.

Voor gedetineerden of personen die in een psychiatrische inrichting verblijven is het advies om bij voorkeur een briefadres te kiezen in de gemeente van herkomst. Dit is onder andere van belang voor de verworven rechten die de briefadreshouder daar heeft opgebouwd, bijvoorbeeld op het gebied van huisvesting. De aangifte wordt altijd gedaan in de gemeente waar het briefadres zich bevindt.

Toelichting artikel 1.3, lid 2 en 3:

Bij de aangifte dient een schriftelijke verklaring van instemming te worden gevoegd van degene bij wie het briefadres wordt gehouden op grond van artikel 2.45 lid 2 van de wet BRP. In de schriftelijke verklaring van aangifte dienen de redenen van het briefadres en de te verwachten duur te worden opgenomen. De aangever dient tevens een (kopie van een) geldig identiteitsbewijs zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht van zichzelf als van degene bij wie het briefadres wordt gehouden te overleggen.

Toelichting artikel 1.3, lid 5:

Het is niet waarschijnlijk dat de briefadreshouder bij zijn aangifte altijd de verklaring van de burgemeester zal kunnen overleggen. De verwachting is, dat deze verklaring veelal bij de afdeling burgerzaken terecht komt via de interne kanalen van de gemeente.

Toelichting artikel 1.3, lid 7:

Maximaal 2 briefadressen betekent maximaal aan twee gezinshuishoudens of twee alleenstaanden of één gezinshuishouden en één alleenstaande.

Het blijft mogelijk en is toegestaan dat een briefadresgever meer dan één briefadreshouder op zijn woonadres kan hebben. Bijvoorbeeld een particulier die al dan niet tegen betaling briefadresgever is voor veel gedetineerden, omdat zij hun familie daar niet mee willen belasten. In dat geval kan uitgeweken worden naar de hardheidsclausule van artikel 2.8.

Toelichting artikel 1.3, lid 8:

Als de gemeente zelf of een instelling voor maatschappelijke opvang als briefadresgever optreedt, is de beperking die lid 6 vermeldt, niet van toepassing.

Toelichting artikel 1.4:

Ontbreekt bij de aangifte tot briefadres één of meer van de benodigde stukken, dan wordt de aangifte behandeld als een onvolledige aangifte. De aangever wordt schriftelijk in de gelegenheid gesteld binnen veertien dagen na verzending van het verzoek het verzuim te herstellen en de aangifte alsnog aan te vullen met de ontbrekende stukken. De aangever kan echter in reactie daarop het verzoek doen de termijn om de aangifte aan te vullen eenmalig te verlengen met veertien dagen.

Wanneer de aangever niet binnen veertien dagen zijn/haar aangifte aanvult of uitstel aanvraagt, wordt een brief verstuurd over het besluit dat aan de aangifte briefadres geen gevolg wordt gegeven wegens het ontbreken van de gevraagde documenten, met inachtneming van artikel 2.60 Wet BRP. Hiertegen is bezwaar mogelijk.

Het is toegestaan om in de mededeling tot aanvulling van gegevens (4:5 Awb) al melding te maken van het voornemen om aan de aangifte geen gevolg te geven (4:7 Awb) in het geval dat niet voldaan wordt aan de aanvulling.

Toelichting artikel 1.5:

Het betreft hier een (niet-limitatieve) opsomming van weigeringsgronden voor de aangifte briefadres.

In de gevallen dat een briefadres wordt toegekend vanwege veiligheidsreden vastgesteld door de burgemeester (art 1.2, lid 4) of omdat de briefadreshouder behoort tot een kwetsbare groep (art 1.2, lid 1 onder f), zal de gemeente zelf altijd de afweging maken tot al dan niet toekennen van een briefadres.

Het is toegestaan om een briefadres bij inschrijving op grond van aangifte van verblijf en adres te kiezen. Dit is in niet strijd met artikel 2.38 Wet BRP.

Uit dit artikel zijn verwijderd de weigeringsgrond als het een niet BAG-adres of postbus betreft. Bij een niet BAG-adres kunnen er twijfels zijn over de goede bereikbaarheid van de personen die daarop zijn ingeschreven. Als echter toegestaan wordt dat iemand daarop wel wordt ingeschreven als zijnde woonadres dan is het niet goed verdedigbaar om een briefadres op dit adres niet toe te staan.

Een postbus mag niet voorkomen in de BRP, dus een bepaling hierover in deze regeling is overbodig.

Toelichting artikel 1.5 sub a:

Er kan geen briefadres gekozen worden indien de aangever een woonadres heeft. Onder woonadres wordt het adres verstaan als bedoeld in artikel 1.1 Wet BRP. Hieronder valt ook het adres, a. indien betrokkene op meer dan één adres woont, het adres waar hij naar redelijke verwachting gedurende een half jaar de meeste malen zal overnachten; of b. het adres waar, bij het ontbreken van een adres als bedoeld onder a, betrokkene naar redelijke verwachting gedurende drie maanden ten minste twee derden van de tijd zal overnachten. In de situatie dat geen woonadres vastgesteld kan worden, moet gekozen worden voor een briefadres.

Uitzondering wordt gemaakt voor zogenaamde verwarde personen (vraag collega uit sociaal domein om advies) en voor personen waarbij naar het oordeel van de burgemeester het om veiligheidsredenen niet wenselijk is om betrokkene op zijn woonadres in te schrijven.

Het permanent bewonen van een recreatiewoning wordt ook aangemerkt als woonadres en is dus geen reden om een briefadres toe te kennen. Er wordt niet voldaan aan artikel 1.5 onder a van deze regel.

Toelichting artikel 1.5 sub b en c:

Er dient aangifte van vertrek uit Nederland gedaan te worden als de persoon langer buiten Nederland verblijft dan een periode van 2/3e deel van een jaar. In dat geval kan niet gekozen worden voor een briefadres. Hierop is één uitzondering in het geval de persoon beroepshalve op een schip vaart. Zie hiervoor de toelichting bij artikel 1.2, lid 1, sub e.

Toelichting artikel 1.5 sub e:

Met de hierin vermelde weigeringsgrond wordt bedoeld dat een briefadres alleen verleend kan worden op een woonadres waar nog geen of slechts één briefadres is geregistreerd. Hierbij geldt een briefadres verleend aan een gezinshuishouden als één briefadres.

Dit betekent dat er maximaal of twee alleenstaanden of twee gezinshuishoudens of één alleenstaande en één gezinshuishouden een briefadres kunnen hebben op één adres. Zie ook de toelichting bij artikel 1.3, lid 6 en artikel 2.8.

Toelichting artikel 1.6

Om het tijdelijke karakter van een korte overbrugging tussen twee woonadressen te bevestigen is besloten om een briefadres voor een periode van maximaal drie maanden te verlenen met de mogelijkheid tot telkens een verlenging met maximaal drie maanden. Verlenging is mogelijk zolang de situatie waarvoor het briefadres is toegestaan, voortduurt.

Deze periode van drie maanden is bewust gekozen om op deze manier in ieder geval na drie maanden een contactmoment te hebben met de burger, om zo er op toe te zien dat hij/zij niet op het briefadres blijft staan ingeschreven terwijl hij inmiddels een woonadres heeft.

Voor dak- en thuislozen ligt het voor de hand om een afwijkende termijn te kiezen. Zolang de briefadreshouder een zwervend bestaan leidt kan een briefadres gehouden worden. Het recht op het briefadres kan voor deze categorie bijvoorbeeld elk jaar getoetst worden.

Als van te voren al bekend is dat iemand een bepaalde periode in het buitenland zal verblijven en geen woonadres heeft, dan kan een briefadres worden verleend voor maximaal deze periode.

Een andere uitzondering heeft te maken met de feitelijke onmogelijkheid van de burger om een woonadres te hebben. Hierbij valt te denken aan binnenvaartschippers. Zolang deze schippers varen kunnen zij kiezen voor een briefadres. Het recht op het briefadres kan voor deze categorie bijvoorbeeld om de vijf jaar worden getoetst.

Als de briefadreshouder een verzoek doet om na de overeengekomen termijn ingeschreven te blijven op zijn briefadres, dan wordt opnieuw beoordeeld of hij aan de voorwaarden die zijn gesteld in deze regeling voldoet.

De Wet BRP verplicht een ingezetene om aangifte te doen van zijn nieuwe adres. Zodra hij weer beschikt over een woonadres of over een ander briefadres, moet hij hiervan aangifte doen. Hij mag hier niet mee wachten totdat de eerder bepaalde of afgesproken termijn van het briefadres is verstreken. Als aangifte wordt gedaan van een nieuw briefadres, dan wordt dit uiteraard weer getoetst aan de voorwaarden uit deze regeling en die de wet stelt.

Toelichting artikel 1.7

Op grond van artikel 4.17 Wet BRP kan een bestuurlijke boete worden opgelegd als er geen of een onjuiste aangifte van een (brief)adres wordt gedaan. Dit geldt ook voor de verplichting voor zowel de briefadreshouder als ook voor de briefadresgever om op verzoek van het college van burgemeester en wethouders inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk zijn voor een juiste bijhouding van de basisregistratie zoals bepaald in artikel 2.45 Wet BRP. Voor de op te leggen bestuurlijke boete geldt een maximaal bedrag van € 325.

Toelichting artikel 2.8

In uitzonderingsgevallen kan het gerechtvaardigd zijn om af te wijken van deze regeling, bijvoorbeeld in het geval van de eenmalige verlenging zoals vastgelegd in artikel 1.6 lid 4 van de regeling. Individuele omstandigheden kunnen er toe leiden dat er nog een extra verlenging van de termijn wordt overeengekomen.

Een ander voorbeeld van een gerechtvaardigde afwijking is een particulier die al dan niet tegen betaling briefadresgever is voor veel gedetineerden, omdat zij hun familie daar niet mee willen belasten.

Conform artikel 4:84 Awb wordt gehandeld overeenkomstig deze beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Dit kan zich voordoen bij kwetsbare of bedreigde personen in de opvang conform de circulaire BRP en briefadres (kenmerk 2016-0000656211) van de minister van BZK van 18 oktober 2016. In deze circulaire zijn de mogelijkheden aangegeven die bewoners van opvanghuizen hebben om in de Wet basisregistratie personen (BRP) een briefadres te kiezen bij een gemeente of aan het kantoor van een opvanghuis.