Algemene Plaatselijke Verordening (APV) Bernheze 2021

Geldend van 01-11-2021 t/m 14-11-2021

Intitulé

Algemene Plaatselijke Verordening (APV) Bernheze 2021

Vastgesteld door de gemeenteraad op: 7 oktober 2021

Gepubliceerd in het gemeenteblad

Inwerkingtreding op: 1 november 2021

De raad van de gemeente Bernheze;

gezien het bijbehorende voorstel van burgemeester en wethouders van 24 augustus 2021, en

gelet op de artikelen 108, 147, 149, 151c, 151d, 154, 154a, 156 en 174 Gemeentewet, artikel 2.2 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) (artikel 4.4 en artikel 5.1, 5.3 en 5.4 van de Omgevingswet bij inwerkingtreding van de Omgevingswet), artikel 30c Wet op de Kansspelen, artikel 4 Wet openbare manifestaties (Wom), artikel 2.18, 2.21 en artikel 3.148, eerste lid Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4 Alcoholwet:

besluit:

vast te stellen de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) Bernheze 2021.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

A.bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;

B.bevoegd gezag: Bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (artikel 5.1, 5.3, 5.4 en 4.4 van de Omgevingswet na inwerkingtreding);

C.bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren;

D. bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de

Wegenverkeerswet 1994

E.college: het college van burgemeester en wethouders;

F. gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van de Woningwet;

G. handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;

H. motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement

verkeersregels en verkeerstekens 1990;

I.openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;

J.openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties;

K.parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

L.rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom,

bezit, beperkt recht of persoonlijk recht;

M.voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens en, kinderwagens en rolstoelen;

N.weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 1.2 Beslistermijn

1.Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.

2.Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 2.6 (evenementen) en artikel 3.4, eerste lid (seksinrichtingen), binnen twaalf weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.

3. Het bestuursorgaan kan de in het eerste lid en tweede lid bedoelde termijn voor ten hoogste acht weken verdagen.

Artikel 1.3 Voorschriften en beperkingen

1.Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.

2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.

Artikel 1.4 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing

De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.

Artikel 1.5 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing

De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als:

a.ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;

b.op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;

c.de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;

d.van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of

e. de houder dit verzoekt.

Artikel 1.6 Termijnen

1.De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.

2.De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.

Artikel 1.7 Weigeringsgronden

1.Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van:

a.de openbare orde;

b.de openbare veiligheid;

c.de volksgezondheid;

d. de bescherming van het milieu.

2. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder

dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.

3.In afwijking van het bepaalde in lid 2, geldt een termijn van twaalf weken voor aanvragen van

een vergunning voor een evenement (artikel 2.6) en een seksinrichting (artikel 3.4).

Hoofdstuk 2 Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu

Afdeling 1. Voorkomen of bestrijding van ongeregeldheden

Artikel 2.1 Samenscholing en ongeregeldheden

1.Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, te vechten, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden.

2.Degene die op een openbare plaats:

a.aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan;

b.aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of

c.zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing;

is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.

3.Het is verboden zich te begeven naar of zich te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.

4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod.

5. Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.

Artikel 2.2 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen

1.Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan vóór de openbare aankondiging en ten minste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.

2.De kennisgeving bevat:

a.naam en adres van degene die de betoging houdt;

b.het doel van de betoging;

c.de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en

van beëindiging;

d.de plaats en, voor zover van toepassing, de route;

e.voor van toepassing, de wijze van samenstelling; en

f.maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig

verloop te bevorderen.

3.Degene die de kennisgeving doet ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.

4.Als het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00

uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de

kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip

voorafgaat vóór 12.00 uur.

5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn.

Artikel 2.3 Vertoningen op openbare plaatsen

1.Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu aangewezen openbare plaatsen.

2.De burgemeester kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.

3.De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.

4. Op de aanvraag om ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2.4 Openen straatkolken en dergelijke

Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.

Artikel 2.5 Rookverbod in bossen en natuurterreinen

1.Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan:

a. te roken gedurende een door het college aangewezen periode;

b.voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.

2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht.

3.Het verbod in het eerste lid, onder a, is voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.

Afdeling 2. Evenementent

Artikel 2.6 Definitie

1In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:

a.bioscoop- en theatervoorstellingen;

b.markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid aanhef en onder g, van de Gemeentewet en artikel 5.5 (snuffelmarkt) van deze verordening;

c.kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;

d.het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen;

e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;

f, activiteiten als bedoeld in de artikelen 2.3 (vertoningen op openbare plaatsen) en 2.22 (speelgelegenheid);

g. sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid onder f.

2. Onder evenement wordt mede verstaan:

a.een herdenkingsplechtigheid;

b.een braderie;

c.een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2.2;

d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;

e. een straatfeest of buurtbarbecue;

f. een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of – gala’s.

3.In deze afdeling wordt onder klein evenement verstaan een eendaags evenement waarbij:

a. het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 200 personen;

b. de activiteiten plaatsvinden tussen 08.00 uur en 24.00 uur op een vrijdag of een zaterdag of tussen 08.00 uur en 23.00 uur op een andere dag;

c. alleen muziek ten gehore wordt gebracht tussen de onder b genoemde tijden;

d. de activiteiten niet plaatsvinden op de rijbaan, (brom)fietspad of parkeerplaats of anderszins een belemmering vormen voor het verkeer en de hulpdiensten;

e. slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 25 m2 per object.

Artikel 2.7 Evenementenvergunning

1.Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.

2.Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen.

3.Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, als de organisator ten minste 17 werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester.

4.De burgemeester kan binnen 7 dagen na ontvangst van de melding besluiten een klein evenement te verbieden, als er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.

5.Het verbod is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994.

6. Het derde lid is niet van toepassing op een krachtens artikel 2.6, tweede lid, aanhef en onder f, aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s.

7. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.7 kan de burgemeester een vergunning voor een vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2.6, tweede lid onder f, weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning van in enig opzicht slecht levensgedrag is.

8. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2.8 Ordeverstoring

1.Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.

2.Het is verboden bij een evenement zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde.

3. Het verbod in het tweede lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.

Afdeling 3. Toezicht op openbare inrichtingen

Artikel 2.9 Definitie

1.In deze afdeling wordt onder openbare inrichting verstaan een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt.

2. Een buiten de in het eerste lid bedoelde besloten ruimte liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt, waaronder in ieder geval een terras, maakt voor de toepassing van deze afdeling deel uit van die besloten ruimte.

Artikel 2.10 Exploitatie openbare inrichting

1.Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

2.De burgemeester weigert de vergunning als:

a.de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit;

b.voor de exploitatie van een openbare inrichting tevens een vergunning op basis van de Alcoholwet is vereist en deze vergunning is geweigerd;

3.In afwijking van het bepaalde in artikel 1.7 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat:

a.de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; of

b.de exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is.

4.Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in:

a.een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit;

b. een zorginstelling;

c. een museum;

d. een bedrijfskantine of -restaurant;

e. een school.

5De burgemeester verleent op verzoek of ambtshalve vrijstelling van het verbod aan openbare inrichtingen die horecabedrijf zijn als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet als:

a.zich in de zes maanden voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze bepaling geen incidenten gepaard gaande met geweld, overlast op straat of drugsgebruik en/of –handel hebben voorgedaan in of bij de inrichting; of

b.de inrichting zich nieuw in de gemeente vestigt en er zich geen weigeringsgronden voordoen als bedoeld in artikel 1.7 of 2.10, tweede of derde lid.

6.De vrijstelling wordt ingetrokken wanneer zich een incident heeft voorgedaan als bedoeld in

het vijfde lid, onder a.

7. Op de aanvraag om een vergunning of een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictie beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2.11 Sluitingstijd

1.Openbare inrichtingen, niet zijnde inrichtingen als bedoeld in lid 2 en lid 3, zijn gesloten op maandag tot en met vrijdag tussen 02.00 uur en 06.00 uur, en op zaterdag en zondag tussen 03.00 uur en 06.00 uur (sluitingstijd), met dien verstande dat op zaterdag en zondag na 02.00 uur geen nieuwe bezoekers meer mogen worden toegelaten.

2.Openbare inrichtingen, waar al dan niet door middel van een automaat, eetwaren en/of alcoholvrije dranken voor gebruik ter plaatse worden verstrekt zijn gesloten op maandag tot en met zondag tussen 02.30 uur en 06.00 uur.

3.Openbare inrichtingen, welke uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik zijn bij een sport- of jeugdorganisatie, welzijnsorganisatie of -instelling, dan wel in gebruik is als buurt- of dorpshuis zijn gesloten gedurende de tijd gelegen tussen twee uur na en twee uur voor het gebruik overeenkomstig de bestemming van de accommodatie.

4,Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of

bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd.

5.De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd.

6.Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2.10, vierde lid, aanhef en onder a, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel.

7.Het eerste, tweede, derde en vijfde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is voorzien.

8.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2.12 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting

1.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in

geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.

Artikel 2.13 Verboden gedragingen

Het is verboden in een openbare inrichting:

a.de orde te verstoren;

b.zich te bevinden na sluitingstijd, tenzij het personeel betreft, of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2.12, eerste lid;

c.op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras, tenzij in het geval van verstrekking van zwak-alcoholisch drank hiervoor ontheffing is verleend op grond van de Alcoholwet.

Artikel 2.14 Handel binnen openbare inrichtingen

De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze overdraagt.

Artikel 2.15 Het college als bevoegd bestuursorgaan

Als een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van artikel 2.10 tot en met 2.12 op als bevoegd bestuursorgaan.

Afdeling 4. Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet

Artikel 2.16 Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder alcoholhoudende drank, horecabedrijf, horecalokaliteit, inrichting, paracommerciële rechtspersoon, sterke drank, slijtersbedrijf, zwak-alcoholische drank, dat wat daaronder wordt verstaan in de Alcoholwet.

Artikel 2.17 Schenktijden paracommerciële rechtspersonen

1.Paracommerciële rechtspersonen, met uitzondering van die genoemd in

lid 2, mogen alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken gedurende de periode beginnende met één uur voor aanvang en eindigende met twee uur na beëindiging van activiteiten die passen binnen de statutaire doelomschrijving van de paracommerciële rechtspersoon, maar niet voor 12:00 uur en niet later dan 1:00 uur.

2.Een natuurtheater dat een paracommerciële rechtspersoon is, mag alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken gedurende de periode beginnende met één uur voor aanvang en eindigende met twee uur na beëindiging van activiteiten die passen binnen de statutaire doelomschrijving van de paracommerciële rechtspersoon, maar niet voor 12:00 uur en niet later dan 2:00 uur.

3.Paracommerciële rechtspersonen die zich richten op de voetbalsport mogen op zondag, wanneer het eerste elftal een uitwedstrijd speelt, alcoholhoudende drank verstrekken tot uiterlijk 20:00 uur.

4.Paracommerciële rechtspersonen mogen maximaal zes keer per jaar tijdens gelegenheden alcoholhoudende drank verstrekken buiten de genoemde schenktijden.

5.Een paracommerciële rechtspersoon doet uiterlijk drie weken voor aanvang van de in het vierde lid benoemde gelegenheid hiervan melding aan de burgemeester.

Artikel 2.18 Bijeenkomsten bij paracommerciële rechtspersonen

1.Paracommerciële rechtspersonen verstrekken geen alcoholhoudende drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn.

2.De burgemeester kan op aanvraag ontheffing verlenen van het in lid 1 gestelde verbod. Aan deze ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.

3.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve

beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Afdeling 5. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf

Artikel 2.19 Definitie

In deze afdeling wordt verstaan onder inrichting: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft.

Artikel 2.20 Kennisgeving exploitatie

Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht daarvan binnen drie dagen daarna schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.

Artikel 2.21 Verschaffing gegevens nachtregister

Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, betrekking, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.

Afdeling 6. Toezicht op speelgelegenheden

Artikel 2.22 Definitie

1.In deze afdeling wordt onder speelgelegenheid verstaan: een voor het publiek toegankelijke

gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid

wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen

kunnen worden gewonnen of verloren.

2.In deze afdeling voorkomende begrippen die in de Wet op de kansspelen zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in die wet.

Artikel 2.22A Speelgelegenheden

1.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te

exploiteren of te doen exploiteren.

2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de

Kansspelen.

3.Onverminderd het bepaalde in artikel 1.7 weigert de burgemeester de vergunning als:

a.naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of

b.de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan.

4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve

beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2.23 Kansspelautomaten

In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee kansspelautomaten toegestaan.

In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.

Afdeling 7. Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat en woonklimaat

Artikel 2.24 Verbod exploiteren bedrijf zonder benodigde vergunning

1.In dit artikel wordt verstaan onder:

a.Exploitant: natuurlijke persoon of personen of de bestuurder(s) van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;

b.Beheerder: de exploitant alsmede andere natuurlijke personen die de algemene of

onmiddellijke leiding hebben over de bedrijfsmatige activiteiten;

c.Bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een gebouw, of een daarbij behorend perceel, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.

2.De burgemeester kan gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waar(op) het verbod uit het derde lid van toepassing is. Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als naar het oordeel van de burgemeester in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot een of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend aangewezen als naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit of door de exploitant en/of beheerder onder druk staat. Het aanwijzingsbesluit bepaalt de duur van de periode dat de aanwijzing geldt. Deze duur bedraagt maximaal vijf jaar en kan – als dat met het oog op de bovengenoemde belangen naar het oordeel van de burgemeester nodig is – eenmalig worden verlengd met nogmaals een termijn van maximaal vijf jaar.

3.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen:

a.in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw of

gebied, of

b.in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw of gebied voor door de burgemeester genoemde bedrijfsmatige activiteiten, of

c.in door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen bedrijfsmatige

activiteiten.

4.Onverminderd het bepaalde in artikel 1.7 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren:

a.in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten;

b.als de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;

c.als de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

d.als redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met de aanvraag in overeenstemming zal zijn;

e.als niet voldaan is aan de bij of krachtens de in dit artikel gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag;

f. als er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;

g. als de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldende beheersverordening of een geldende omgevingsvergunning in de zin van artikel 2.1 lid 1 onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en/of

h. als een of meer beheerders van het bedrijf binnen 3 jaar vóór de indiening van de

vergunningaanvraag een bedrijf heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, dat wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken.

5.Naast en in aanvulling op artikel 1.3, lid 1, kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden aan een exploitatievergunning die wordt verleend krachtens het derde lid van deze bepaling, die strekken ter bescherming van de belangen, zoals opgenomen in het vierde lid van deze bepaling.

6. De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier. Bij de aanvraag om een vergunning wordt vermeld voor welke bedrijfsmatige activiteiten de vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd:

a.de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant of beheerder;

b.het adres en telefoonnummer waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;

c. het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;

d. als van toepassing de verblijftitel van de exploitant of beheerder;

e. een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant of beheerder gerechtigd is om in Nederland arbeid te verrichten;

f. een verklaring omtrent gedrag (VOG);

g.een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken waarin het bedrijf wordt gevestigd;

h. naast de bovengenoemde gegevens kunnen gegevens en bescheiden worden verlangd van de aanvrager die verband houden met registraties van het specifieke gebouw of de specifieke bedrijfsmatige activiteit, waarop de aangevraagd exploitatievergunning betrekking heeft;

i.als de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag kan hij

verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd.

7.Onverminderd het bepaalde in artikel 1.5 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen:

a.in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten;

b.als het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;

c.als de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

d. als redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is;

e.als er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;

f. als de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldende beheersverordening of een geldende omgevingsvergunning in de zin van artikel 2.1, lid 1 onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

g.als de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden

verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf danwel toestaat of

h.gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed;

i.als er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden;

j.als door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast;

k.ls de voorschriften uit de vergunning niet worden nageleefd en/of

als de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd.

8. een vergunning kan ingevolge artikel 7 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur voorts door de burgemeester worden geweigerd dan wel ingetrokken, als er sprake is van het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de voornoemde wet. Voordat daaraan toepassing wordt gegeven, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van voornoemde wet, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.

9.De burgemeester kan de sluiting van een gebouw of gedeelte van een gebouw bevelen als het daarin gevestigde bedrijf in strijd met het verbod uit het derde lid van deze bepaling wordt geëxploiteerd of als van situaties als bedoeld in het zevende lid, sub a tot en met k, sprake is.

10.Het is een ieder verboden een overeenkomstig het zevende lid van deze bepaling gesloten

bedrijf of gebouw te betreden of daarin te verblijven.

11.De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven als uit later bekend geworden

feiten en omstandigheden moet worden afgeleid dat de bescherming van de belangen in

verband waarmee deze regeling van kracht is, geen langere sluiting vergen.

12.De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijf waardoor deze

niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo

spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen één maand, aan de burgemeester te melden en een

wijziging van zijn vergunning aan te vragen. De burgemeester verleent een gewijzigde

vergunning, als het bedrijf aan de vereisten voldoet. Als niet binnen een maand na de

verandering van omstandigheden een aanvraag wordt ingediend, kan de burgemeester de

verleende vergunning intrekken. Een bestaande vergunning vervalt, zodra de vergunning,

strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, in werking treedt.

13.Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat een op de

vergunning vermelde beheerder in het bedrijf aanwezig is.

14.Het aanwijzingsbesluit geldt voor het aangewezen gebouw, het aangewezen gebied en de

aangewezen bedrijfsmatige activiteiten direct na de inwerkingtreding van het aanwijzings-

besluit. Voor bedrijven die vóór de inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit in het

aangewezen gebouw of gebied gevestigd waren en/of zich bezig hielden met de aange-

wezen bedrijfsmatige activiteiten, dient in het aanwijzingsbesluit een redelijke overgangs-

termijn geboden te worden, na het verstrijken waarvan het verbod uit het derde lid van

toepassing wordt. De overgangstermijn bedraagt minimaal 6 maanden en maximaal 1 jaar.

15.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet

bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2.25 Sluiting voor publiek toegankelijke gebouwen en/of erven

1De burgemeester kan een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw

behorend erf als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet voor een bepaalde duur geheel

of gedeeltelijk sluiten, als daar:

a.wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn waarvoor geen ontheffing, vergunning of verlof is verleend; of

b.is gehandeld in strijd met artikel 1 van de Wet op de kansspelen; of

c.door misdrijf verkregen zaken voorhanden, bewaard of verborgen zijn dan wel zijn verworven of overgedragen; of

d. zich andere feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die naar het oordeel van de burgemeester de vrees wettigen dat het geopend blijven van het voor publiek toegankelijk gebouw of het bij dat gebouw behorende erf als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid.

2.bekendmaking, wordt het bevel tot sluiting tevens bekend gemaakt door een schrijven waaruit van dat bevel tot sluiting blijkt, aan te brengen op of nabij de toegang tot het gebouw of het erf.

3. De rechthebbende laat toe dat een afschrift van het sluitingsbevel wordt aangebracht.

4.Het is de rechthebbende op het gebouw en/of erf verboden om, nadat het bevel tot sluiting bekend is gemaakt op de in het tweede lid aangegeven wijze, daarin bezoekers toe te laten of te verblijven.

5. Het is eenieder verboden om, nadat het bevel tot sluiting openbaar bekend is gemaakt op de in het tweede lid aangegeven wijze, in een bij dit bevel gesloten gebouw en/of erf als bezoeker te verblijven.

6.De burgemeester trekt het sluitingsbevel in als naar zijn oordeel de in het eerste lid genoemde belangen voortzetting van de sluiting niet langer vereisen.

7.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het onderwerp van de regeling van het eerste lid elders wordt voorzien in deze verordening of in artikel 13b van de Opiumwet.

Afdeling 8. Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade

Artikel 2.26 Betreden gesloten woning of lokaal

1.Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.

2.Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.

3. Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is.

Artikel 2.27 Plakken en kladden

1.Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die

plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.

2.Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare

plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:

a.een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen

aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;

b.met kalk, teer of een kleur of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te

brengen of te doen aanbrengen.

3.Het verbod bedoeld in het tweede lid is niet van toepassing voor zover gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.

4.De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.

5. Het college wijst aanplakborden aan voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.

6.Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.

7.Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan.

Artikel 2.28 Vervoer plakgereedschap en dergelijk

1.Het is verboden op de weg of openbaar water enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer,

kleur of verfstof of verfgereedschap te vervoeren of bij zich te hebben.

2.Dit verbod is niet van toepassing als de genoemde materialen of gereedschappen niet

zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2.27.

Artikel 2.29 Vervoer inbrekerswerktuigen

1.Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.

2.Dit verbod is niet van toepassing als de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te

vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.

Artikel 2.30 Vermommingen

Ieder die zich gemaskerd, vermomd of op andere wijze onherkenbaar gemaakt op of aan een openbare plaats of op een andere voor publiek al dan niet met enige beperking toegankelijke plaats bevindt, is op eerste vordering van een politieambtenaar verplicht zich onmiddellijk van zijn masker te ontdoen of zich op andere wijze duidelijk herkenbaar te maken.

Artikel 2.31 Betreden van plantsoenen en dergelijke

1.in of op bij de gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken of grasperken, buiten de daarin gelegen wegen of paden.

2. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht.

Artikel 2.32 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen

1.Het is verboden op een openbare plaats:

a.te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie,

openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair;

b.zich op te houden op een wijze die voor andere gebruikers of omwonenden onnodig overlast of hinder veroorzaakt.

2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 424,

426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2.33 Verboden drankgebruik

1.Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een

openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied,

alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met

alcoholhoudende drank bij zich te hebben.

2.Het verbod is niet van toepassing op:

a.een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet; en

b. een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.

Artikel 2.34 Verboden gedrag bij of in gebouwen

1.Het is verboden zich zonder redelijk doel:

a.in een portiek of poort op te houden;

b.in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.

2.Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is,

verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik

bestemde ruimte van dat gebouw.

Artikel 2.35 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten

Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval verstaan: portalen, telefooncellen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen.

Artikel 2.35A Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties

1.Het is verboden op openbare plaatsen of in voor het publiek toegankelijke openstaande gebouwen en daarbij behorende erven zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden zijn is verklaard of is ontbonden vanwege een werkzaamheid of doel in strijd met de openbare orde.

2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2.36 Neerzetten van fietsen en bromfietsen

Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek als dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek of als daardoor die ingang versperd wordt.

Artikel 2.37 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein en dergelijke

Het is verboden zich op door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen met een fiets of een bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid wordt gehouden die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.

Artikel 2.38 Loslopende honden

1.Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten

lopen:

a.op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;

b.binnen de bebouwde kom op een openbare plaats als de hond niet is aangelijnd;

c. buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats als de hond niet is aangelijnd; of

d. op de weg als die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.

2.Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

3.Het eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond:

a.die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden; of

b.die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.

Artikel 2.39 Verontreiniging door honden

1.Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is verplicht ervoor te zorgen

dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd.

2.Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege

zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden.

3.Het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

Artikel 2.40 Gevaarlijke honden

1.ls de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.

2.De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd, is verplicht de hond kort aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.

3.De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn- en muilkorfgebod is opgelegd, is naast de verplichting bedoeld in het tweede lid verplicht de hond te voorzien te houden van een muilkorf die:

a.vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;

b.door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat

verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en

c.zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.

4.Onverminderd artikel 2.38, eerste lid, aanhef onder d, dient een hond als bedoeld in het

eerste lid voorzien te zijn van een door de minister die het aangaat op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.

Artikel 2.41 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren

1.Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan

de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet

milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren:

a.aanwezig te hebben;

b.aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het

aanwijzingsbesluit gestelde regels;

c.aanwezig te hebben in een groter aantal dan in het aanwijzingsbesluit is aangegeven; of

d.te voeren.

2. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens

het eerste lid aangewezen plaats, ontheffing verlenen van een of meer verboden als

bedoeld in het eerste lid.

Artikel 2.42 Loslopend vee

De rechthebbende op herkauwende of eenhoevige dieren of varkens die zich bevinden in een weiland of op een terrein dat niet van de weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken.

Afdeling 9. Bestrijding van heling van goederen

Artikel 2.43 Definitie

In deze afdeling wordt onder handelaar verstaan de handelaar aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2.44 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister

1.De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen

die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens

de burgemeester gewaarmerkt register, en daarin onverwijld op te nemen:

a.het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;

b.de datum van verkoop of overdracht van het goed;

c.een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voor zover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed;

d.de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; en

e.de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.

2.De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen.

3.Op de aanvraag om een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2.45 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht

De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:

a.de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen:

1.dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging;

2.van een verandering van de onder 1 bedoelde adressen;

3.dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent;

4.dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan;

b.de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven;

c.aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn;

d. een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.

Afdeling 1. Voorkomen of beperken van geluidhinder en hinder door verlichting

Artikel 4.1 Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder:

a.collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;

b.gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer;

c.gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer;

d.houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;

e.incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;

f.inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, met dien verstande dat de artikelen 4.2 tot en met 4.4 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer;

g. onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.

Artikel 4.2 Aanwijzing collectieve festiviteiten

1.De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a  en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4.4 van deze verordening gelden niet voor de volgende collectieve festiviteiten: Oudjaarsdag, Koningsdag, de vier dagen waarop carnaval wordt gevierd en de vier dagen waarop de kermis plaatsvindt.

2.De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden niet voor de collectieve festiviteiten, zoals benoemd in het eerste lid.

3.Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het college een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.

4.Het equivalente geluidsniveau LAr,LT veroorzaakt door de inrichting mag tussen 07.00 uur en 19.00 uur niet meer bedragen dan 70 dB(A), tussen 19.00 uur en 23.00 uur niet meer

dan 65 dB(A) en tussen 23.00 uur en 07.00 uur niet meer dan 60 dB(A), gemeten op de gevel van geluidsgevoelige gebouwen op een hoogte van 4,5 meter in de periode tussen 23.00 uur en 07.00 uur en op een hoogte van 1,5 meter in de periode tussen 07.00 uur en 23.00 uur.

5.De geluidsnormen als bedoeld in het vierde lid zijn inclusief onversterkte muziek en

exclusief 10 dB(A) aftrek vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.

6.Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 219a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4.4 van deze verordening, uiterlijk een half uur vóór de vastgestelde sluitingstijden te worden beëindigd.

7.De geluidsnormen als bedoeld in het vierde lid gelden voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de buitenruimte.

8.Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

Artikel 4.3 Melding incidentele festiviteiten

1.Het is een inrichting toegestaan op maximaal 6 dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4.4 niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college.

2.Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 6 dagen of dagdelen per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college.

3.Het college stelt een formulier vast voor het doen van een kennisgeving.

4.De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier, volledig en naar

waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.

5.De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.

6.Het equivalente geluidsniveau LAr,LT veroorzaakt door de inrichting mag tussen

07.00 uur en 19.00 uur niet meer bedragen dan 70 dB(A), tussen 19.00 uur en 23.00 uur

niet meer dan 65 dB(A) en tussen 23.00 uur en 07.00 uur niet meer dan 60 dB(A), gemeten op de gevel van geluidsgevoelige gebouwen op een hoogte van 4,5 meter in de periode tussen 23.00 uur en 07.00 uur en op een hoogte van 1,5 meter in de periode tussen 07.00 uur en 23.00 uur.

7.De geluidsnormen, bedoeld in het zesde lid, zijn inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfs- duurcorrectie buiten beschouwen gelaten.

8.Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore brengen van extra muziek

hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4.4 van deze verordening, uiterlijk een half uur vóór de vastgestelde sluitingstijden beëindigd.

9.De geluidsnormen bedoeld in het zesde lid gelden voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de buitenruimte.

10. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

Artikel 4.4 Onversterkte muziek

1.Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid

onder f en vijfde lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer binnen inrichtingen is de in het tweede lid opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat:

a.de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden als de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen;

b.de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein;

c.de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder en verblijfsruimten als bedoeld in artikel 1.1, onder d, van het Besluit geluidhinder;

d.bij het bepalen van de geluidsniveaus als vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast.

2.Tabel:

 

7.00-19.00 uur

19.00-23.00 uur

23.00-7.00 uur

LAr.LT op de gevel van gevoelige gebouwen

50 dB(A)

45 dB(A)

40 dB(A)

LAr.LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen

35 dB(A)

30 dB(A)

25 dB(A)

LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen

70 dB(A)

65 dB(A)

60 dB(A)

LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen

55 dB(A)

50 dB(A)

45 dB(A)

3.Voor de duur van 5 uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door

muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting

gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het

eerste lid.

4.Als versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het

hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing.

5.Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in

artikel 4.2 en artikel 4.3.

Artikel 4.5 Traditioneel schieten

1.Bij traditioneel schieten als bedoeld in artikel 2:18, eerste lid onder g van het Activiteitenbesluit milieubeheer worden de volgende regels in acht genomen:

a.het schieten vindt plaats op ten hoogste 2 dagen per week en ten hoogste 3 uren per dag;

b.het schieten vindt uitsluitend plaats tussen 10.00 uur en 21.30 uur;

c.het aantal schoten per uur bedraagt ten hoogste 120;

d.de opvangvoorziening voor de kogels is voorzien van geluiddempend materiaal aan de buitenzijde.

2.Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor maximaal 8 schietevenementen per

kalenderjaar, mits de schietevenementen tenminste 14 dagen voorafgaand aan het

schietevenement schriftelijk aan het college zijn gemeld.

Artikel 4.6 Geluidhinder in de openlucht

1.Het is verboden buiten een inrichting in de openlucht een geluidsapparaat, een toestel of een machine in werking te hebben op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder wordt veroorzaakt.

2.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

3.Het college kan terreinen of wateren aanwijzen, waar het verbod niet van toepassing is op

het in werking hebben van bepaalde in de aanwijzing aangewezen categorieën van

geluidsapparaten, toestellen of machines, voor zover wordt voldaan aan de

door het college vast te stellen voorschriften ter voorkoming of beperking van

(geluid)hinder.

4.De in het derde lid bedoelde voorschriften kunnen onder meer betreffen:

a.het maximale geluidsniveau;

b.de situering van geluidsbronnen;

c.de frequentie en tijden van gebruik.

5. Het verbod is niet van toepassing op situatie waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Bouwbesluit 2012 of de Provinciale milieuverordening.

Artikel 4.7 Geluidhinder door dieren

Degene die buiten een inrichting de zorg heeft voor een dier, voorkomt dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder veroorzaakt.

Artikel 4.8 Geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen

Het is verboden buiten een inrichting zich met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te gedragen, dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder ontstaat.

Artikel 4.9 Geluidhinder door vrachtauto’s

1.Het is verboden buiten een inrichting een vrachtauto als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens op zodanige wijze te laden of te lossen dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

2.Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

Artikel 4.10 Overige geluidhinder

1.Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

2.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet

geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Bouwbesluit 2012 of de Provinciale milieuverordening.

Afdeling 2. Bodem-, weg- en milieuverontreiniging

Artikel 4.11 Natuurlijke behoefte doen

Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.

Afdeling 3. Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast

Artikel 4.12 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame

1.Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door

middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt

gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving.

2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Hoofdstuk 5 Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente

Afdeling 1. Collecteren

Artikel 5.1 Inzameling van geld of goederen of leden- of donateurswerving

1.Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of

goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden, dan wel in het openbaar leden of donateurs te werven als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.

2.Onder een inzameling als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan het aanvaarden van geld of goederen bij het aanbieden van diensten of goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.

3.Het verbod geldt niet voor een inzameling of werving die wordt gehouden:

a.in besloten kring, of

b.door een instelling met een CBF-keurmerk, of

c.door een andere, door het college aangewezen instelling.

4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Afdeling 2. Venten

Artikel 5.2 Definitie

1.In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van de ambulante

handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een

openbare en in de openlucht gelegen plaats of aan huis.

2.Onder venten wordt niet verstaan:

a.het aan huis afleveren van goederen in het kader van de exploitatie van een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;

b.het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet of artikel 5.5;

c. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats1 als bedoeld in hoofdstuk 1 van de Verordening Fysieke Leefomgeving (VFL) Bernheze 2021.

Artikel 5.3 Ventverbod

1.Het is verboden te venten als daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de

volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.

2Onverminderd het bepaalde in het eerste lid is het verboden te venten op zondagen en

maandag t/m zaterdag tussen 20.00 en 08.00 uur.

3Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op:

a.situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet.

b.het venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten of gevoelens worden geopenbaard.

Artikel 5.4 Vrijheid van meningsuiting

1.Het verbod bedoeld in artikel 5.3, eerste lid is niet van toepassing op het venten met

gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard als

bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.

2.In afwijking van het bepaalde in het eerste lid is het venten van gedrukte en geschreven

stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste

lid van de Grondwet verboden:

a.op door het college aangewezen openbare plaatsen; of

b.op door het college aangewezen dagen en uren.

3.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het tweede lid.

4.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve

beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Afdeling 3. Snuffelmarkten

Artikel 5.5 Definitie

1.In deze afdeling wordt onder snuffelmarkt verstaan een markt in een voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden vanaf standplaatsen.

2.Onder een snuffelmarkt wordt niet verstaan:

a.een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet;

b.een evenement als bedoeld in artikel 2.6.

Artikel 5.6 Organiseren van een snuffelmarkt

1.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een snuffelmarkt te organiseren.

2.Het verbod is niet toepassing op ruimten die uitsluitend dan wel nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet.

3. De burgemeester weigert de vergunning wegens strijd met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.

Afdeling 4. Openbaar water

Artikel 5.7 Beschadigen van waterstaatswerken

1.Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand

van openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen,

oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen,

stootpalen, bakens of sluizen die bij de gemeente in beheer zijn.

2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van

Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of de Provinciale vaarwegen-

verordening.

Artikel 5.8 Reddingsmiddelen

Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.

Artikel 5.9 Veiligheid op het water

1.Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt,

verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan

ondervinden.

2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het

Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of de Provinciale vaarwegenverordening.

Artikel 5.10 Overlast aan vaartuigen

1.Het is verboden zich zonder redelijk doel vast te houden aan een vaartuig in openbaar

water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden.

2. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een

openbaar water, los te maken.

Hoofdstuk 6 Sanctie-, overgangs- en slotbepalingen

Artikel 6.1 Sanctiebepaling

Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde en de op grond van artikel 1.4 gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechtelijke uitspraak.

Artikel 6.2 Toezichthouders

1.Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn

belast:

de ambtenaren aangewezen in de artikelen 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering;

(buitengewone) opsporingsambtenaren belast met toezicht en handhaving openbare ruimte.

2.Het college dan wel de burgemeester kan daarnaast andere personen met dit toezicht

belasten.

Artikel 6.3 Binnentreden woningen

Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.

Artikel 6.4 Intrekking oude verordening

De Algemene Plaatselijke Verordening Bernheze 2018 wordt ingetrokken.

Artikel 6.5 Overgangsbepaling

Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6.4, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.

Artikel 6.6 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op 1 november 2021.

Artikel 6.7 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene Plaatselijke Verordening Bernheze 2021 of APV Bernheze 2021.

Ondertekening