Besluit van burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld tot vaststelling van de Beleidsregels Bijzondere bijstand en minimaregelingen Barneveld

Geldend van 01-09-2021 t/m heden

Intitulé

Besluit van burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld tot vaststelling van de Beleidsregels Bijzondere bijstand en minimaregelingen Barneveld

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld;

gelet op artikel 35 en 36(b) van de Participatiewet;

besluit:

vast te stellen de Beleidsregels bijzondere bijstand en minimaregelingen Barneveld

HOOFDSTUK 1 ALGEMEEN

Artikel 1 Begripsomschrijvingen
  • 1. Alle begrippen die in deze beleidsregels gebruikt worden en die niet nader omschreven zijn, hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet en de Algemene wet bestuursrecht.

  • 2. In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

    • a.

      bijstandsnorm: de norm als bedoeld in artikel 5 onder c van de wet;

    • b.

      college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld;

    • c.

      duurzame gebruiksgoederen: witgoed en zwartgoed;

    • d.

      huurtoeslag: de tegemoetkoming als genoemd in artikel 1 sub e van de Wet op de huurtoeslag;

    • e.

      huurtoeslaggrens: de rekenhuur, waarboven geen huurtoeslag wordt toegekend, zoals genoemd in artikel 13 van de Wet op de huurtoeslag;

    • f.

      koopwoning: woning in eigendom van de cliënt;

    • g.

      kostendelersnorm: de verlaging van de norm, zoals bedoeld in artikel 22a van de wet;

    • h.

      rekenhuur: de rekenhuur als omschreven in artikel 5 van de Wet op de huurtoeslag;

    • i.

      de wet: de Participatiewet;

    • j.

      woonkosten koopwoning: opgeteld en naar maand omgerekend bedrag van hypotheekrente, (eventuele) erfpachtcanon, onroerendezaakbelasting, watersysteemheffing ingezetenen en opstalverzekering, verminderd met de inkomstenbelastingteruggave die volgt uit aftrekposten uit de koopwoning;

    • k.

      woninginrichting: meubels, lampen.

Artikel 2 Algemene bepalingen
  • 1. Om in aanmerking te komen voor bijzondere bijstand en/of de minimaregelingen dient:

    • a.

      de cliënt rechthebbende te zijn, zoals in artikel 11 van de wet; én

    • b.

      er geen sprake te zijn van uitsluitingsgronden zoals opgenomen in artikel 13 van de wet.

  • 2. De cliënt is verplicht alle informatie te verstrekken die redelijkerwijs van invloed kan zijn op zijn aanspraak op de bijzondere bijstand en/of de minimaregelingen. Deze verplichting heeft de cliënt bij het doen van een aanvraag, maar ook gedurende de periode waarop de cliënt gebruik maakt van de bijzondere bijstand en/of minimaregelingen. Ook als het college niet specifiek naar de informatie vraagt, is de cliënt verplicht de informatie uit eigen beweging te verstrekken.

Artikel 3 Inkomen en vermogen
  • 1. Het inkomen en vermogen van de cliënt wordt vastgesteld zoals bepaald in paragraaf 3.4 van de wet.

  • 2. In afwijking van het eerste lid worden, bij de vaststelling van het inkomen, de individuele inkomenstoeslag en de individuele studietoeslag niet als inkomen meegerekend.

  • 3. In afwijking van het eerste lid wordt, bij de vaststelling van het inkomen, geen bedrag aan pensioen vrijgelaten, als genoemd in artikel 33 vijfde lid van de wet.

  • 4. De laatste uitbetaling van het inkomen, dat cliënt heeft ontvangen voor het indienen van de aanvraag, wordt gebruikt om het inkomen vast te stellen. Bij een betalingsperiode anders dan een maand, wordt het inkomen omgerekend naar een maandinkomen.

  • 5. Als er sprake is van inkomen, dat wisselend in hoogte is, wordt het inkomen vastgesteld op het gemiddelde maandinkomen, over de drie maanden voorafgaand aan de aanvraag.

  • 6. Voor de vaststelling van het inkomen van de cliënt, die is toegelaten tot een minnelijk of wettelijk schuldhulptraject, wordt alleen het inkomen gebruikt, waarover de cliënt daadwerkelijk de beschikking heeft.

  • 7. Voor de vaststelling van het inkomen van de cliënt die in een inrichting verblijft, wordt alleen het inkomen gebruikt waarover de cliënt daadwerkelijk de beschikking heeft, na betaling van de inkomensafhankelijke eigen bijdrage die cliënt voor het verblijf verschuldigd is.

Artikel 4 Zelfstandige
  • 1. Het inkomen van een zelfstandige wordt voorlopig vastgesteld aan de hand van de jaarcijfers over het aan de aanvraag voorafgaande kalenderjaar.

  • 2. Het daadwerkelijke inkomen wordt definitief vastgesteld aan de hand van de jaarcijfers over het kalenderjaar waarin de zelfstandige bijzondere bijstand heeft ontvangen.

  • 3. Na afloop van het kalenderjaar, waarin de zelfstandige bijzondere bijstand heeft ontvangen, is de zelfstandige verplicht om de jaarcijfers over dat kalenderjaar, vóór 1 juli van het daaropvolgende jaar, te verstrekken.

  • 4. In afwijking van het derde lid, kan het college de termijn voor het verstrekken van de jaarcijfers verlengen, als de individuele omstandigheden daartoe aanleiding geven.

  • 5. De bijzondere bijstand die, op basis van het voorlopig vastgestelde inkomen, wordt toegekend, wordt verstrekt in de vorm van een lening.

  • 6. Met het vastgestelde definitieve inkomen wordt beoordeeld voor welk bedrag de bijzondere bijstand zou zijn toegekend, als het definitieve inkomen voorafgaand aan de toekenning bekend zou zijn geweest. De daadwerkelijk verstrekte lening wordt omgezet in een verstrekking om niet, ter hoogte van het bedrag aan bijzondere bijstand, dat met het definitieve inkomen zou zijn verstrekt. Voor het overige wordt de lening teruggevorderd.

  • 7. De bijzondere bijstand die verstrekt is in de vorm van een lening, wordt in het geheel teruggevorderd, als de zelfstandige de jaarcijfers niet tijdig verstrekt.

Artikel 5 Inkomenspercentage
  • 1. Het concrete inkomen per maand wordt vastgesteld op een percentage ten opzichte van de bijstandsnorm, die op cliënt van toepassing is.

  • 2. Bij de vaststelling in het eerste lid, blijft de kostendelersnorm buiten beschouwing.

  • 3. Het inkomenspercentage wordt vastgesteld voor de duur van:

    • a.

      vijf jaar, voor een cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt;

    • b.

      de volledige uitkeringsduur, met een maximum van vijf jaar, voor een cliënt met een uitkering op grond van de wet; óf

    • c.

      één jaar, voor overige cliënten.

  • 4. De periode van vaststelling start vanaf de eerste dag van de maand waarin de aanvraag is ontvangen.

  • 5. Het inkomenspercentage kan tussentijds worden herzien als zich wijzigingen voordoen, die leiden tot een toe- of afname van het vastgestelde inkomenspercentage en het inkomenspercentage daardoor de 100% of 110% overschrijdt.

  • 6. Het inkomenspercentage wordt tussentijds in ieder geval herzien, als de draagkracht (opnieuw) wordt vastgesteld of herzien.

HOOFDSTUK 2 BIJZONDERE BIJSTAND

2.1

Algemene bepalingen

Artikel 6 Algemeen
  • 1. Tenzij in de wet of in deze beleidsregels anders is bepaald, wordt de bijzondere bijstand om niet verstrekt.

  • 2. Een aanvraag voor bijzondere bijstand moet worden ingediend voordat, of in ieder geval binnen een maand nadat, de kosten zich hebben voorgedaan.

  • 3. Geen bijzondere bijstand wordt verstrekt voor de kosten die voldaan kunnen worden uit de draagkracht.

  • 4. Geen bijzondere bijstand wordt verstrekt als de cliënt gebruik kan maken van een voorliggende voorziening, zoals bedoeld in artikel 15 van de wet.

Artikel 7 Draagkracht
  • 1. De draagkracht wordt vastgesteld op een bedrag per jaar.

  • 2. In geval van periodieke bijzondere bijstand wordt de draagkracht per jaar omgerekend naar een bedrag per maand.

  • 3. Voor de berekening van de draagkracht wordt het (volgens artikel 3 of 4) vastgestelde inkomen gebruikt.

  • 4. Over het gedeelte van het inkomen dat meer is dan 100%, maar minder dan 110% van de toepasselijke bijstandsnorm, wordt 50% aangemerkt als draagkracht. Over het gedeelte van het inkomen dat meer is dan 110% van de toepasselijke bijstandsnorm, wordt 100% aangemerkt als draagkracht.

  • 5. De kostendelersnorm is niet van toepassing bij de vaststelling van de draagkracht.

  • 6. Het bedrag, waarmee het vermogen de toepasselijke vermogensgrens van artikel 34 vierde lid van de wet overschrijdt, wordt voor 100% aangemerkt als draagkracht.

Artikel 8 Draagkrachtperiode
  • 1. De draagkracht wordt vastgesteld voor de duur van:

    • a.

      vijf jaar, voor een cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt;

    • b.

      de volledige uitkeringsduur, met een maximum van vijf jaar, voor een cliënt met een uitkering op grond van de wet; óf

    • c.

      één jaar, voor overige cliënten.

  • 2. De periode van vaststelling start vanaf de eerste dag van de maand waarin de aanvraag is ontvangen.

  • 3. Als de gebruikelijke duur van een toekenning van periodieke bijzondere bijstand de nog resterende draagkrachtperiode overschrijdt, kan de draagkrachtperiode eenmalig verlengd worden met maximaal 3 maanden.

  • 4. De vastgestelde draagkracht kan tussentijds worden herzien als zich wijzigingen voordoen, die leiden tot een toe- of afname van de vastgestelde draagkracht met meer dan 1% van de toepasselijke bijstandsnorm.

2.2

Aanvullende bijzondere bijstand voor levensonderhoud

Artikel 9 Uitzondering draagkrachtbepaling

Voor de artikelen in deze paragraaf 2.2 geldt dat:

  • a.

    in afwijking van artikel 7, van het inkomen dat meer is dan de toepasselijke bijstandsnorm 100% aangemerkt wordt als draagkracht.

  • b.

    in afwijking van artikel 7 derde lid, bij het vaststellen van de draagkracht, de kostendelersnorm wel van toepassing is.

Artikel 10 Zelfstandig wonende of in een inrichting verblijvende jongere in de leeftijd 18, 19 en 20 jaar
  • 1. Bijzondere bijstand voor noodzakelijke kosten van bestaan van een zelfstandig wonende jongere van 18, 19 of 20 jaar, als genoemd in artikel 12 van de wet, wordt afgestemd op de feitelijke kosten van bestaan van de jongere. De bijzondere bijstand met de toepasselijke bijstandsnorm en het eventuele inkomen samen, bedragen maximaal de bijstandsnorm en/of kostendelersnorm van iemand van 21 jaar in een vergelijkbare situatie.

  • 2. Bijzondere bijstand voor noodzakelijke kosten van bestaan van een jongere van 18, 19 of 20 jaar, die in een inrichting verblijft, als genoemd in artikel 12 van de wet, wordt afgestemd op de feitelijke kosten van bestaan van de jongere. De bijzondere bijstand met het eventuele inkomen samen, bedragen maximaal de bijstandsnorm van iemand van 21 jaar in een vergelijkbare situatie.

  • 3. De jongere kan redelijkerwijs zijn onderhoudsrecht jegens zijn ouder(s) in ieder geval niet te gelde maken als:

    • a.

      de ouder(s) is (zijn) overleden;

    • b.

      de ouder(s) buiten de Europese Unie woont (wonen);

    • c.

      de relatie tussen ouder(s) en jongere ernstig verstoord is; of

    • d.

      de jongere een alleenstaande ouder, of gehuwd of samenwonend is.

Artikel 11 Woonkostentoeslag
  • 1. De cliënt heeft aanspraak op een woonkostentoeslag als hij zijn hoofdverblijf heeft in een

    • a.

      huurwoning en de rekenhuur

      • °1

        lager is dan de huurtoeslaggrens, maar de cliënt nog in afwachting is van een besluit op zijn aanvraag huurtoeslag. De woonkostentoeslag heeft de hoogte van het bedrag aan (nog niet ontvangen) huurtoeslag waarop de cliënt aanspraak maakt; óf

      • °2

        hoger is dan de huurtoeslaggrens. De woonkostentoeslag bedraagt het bedrag van de huurtoeslag als de huur gelijk zou zijn aan de huurtoeslaggrens en wordt verhoogd met het verschil tussen de daadwerkelijke rekenhuur en de huurtoeslaggrens;

    • b.

      koopwoning en de woonkosten

      • °1

        lager zijn dan de huurtoeslaggrens. De woonkostentoeslag heeft de hoogte van het bedrag van de huurtoeslag als de woonkosten gelijk gesteld zouden zijn aan huur;

      • °2

        hoger zijn dan de huurtoeslaggrens. De woonkostentoeslag heeft de hoogte van het bedrag van de huurtoeslag als de woonkosten gelijk gesteld zouden zijn aan huur en de woonkosten evenveel zouden bedragen als de huurtoeslaggrens. De woonkostentoeslag wordt vervolgens verhoogd met het verschil tussen de daadwerkelijke woonkosten en de huurtoeslaggrens.

  • 2. Woonkostentoeslag die aangevraagd wordt in afwachting van een besluit op de aanvraag huurtoeslag, wordt alleen verstrekt in de vorm van een lening.

  • 3. Zodra het toekenningsbesluit op de aanvraag huurtoeslag door de cliënt is ontvangen, wordt de woonkostentoeslag beëindigd en de lening geheel en ineens teruggevorderd.

  • 4. De cliënt aan wie een woonkostentoeslag om niet is verstrekt, heeft de inspanningsplicht om een goedkopere woning te verkrijgen.

  • 5. De woonkostentoeslag wordt verstrekt voor de periode van maximaal één jaar.

  • 6. Deze periode kan een maal worden verlengd met maximaal één jaar, onder voorwaarde dat de cliënt, naar het oordeel van het college, zich voldoende heeft ingespannen om een goedkopere woning te verkrijgen.

  • 7. Tijdens een verlenging, genoemd in het zesde lid, kan van cliënt verwacht worden dat de koopwoning verkocht wordt voor een lager bedrag dan de meest recente WOZ-waarde, ook als dat leidt tot een restschuld.

  • 8. De woonkostentoeslag kan worden beëindigd als de cliënt naar het oordeel van het college onvoldoende inspanningen verricht om een goedkopere woning te verkrijgen.

Artikel 12 Eerste maand huur, administratiekosten en waarborgsom
  • 1. De cliënt die, in geval van een noodzakelijke verhuizing, tot de eerste betaaldatum van zijn bijstandsuitkering over onvoldoende middelen beschikt om de eerste maand huur te voldoen, heeft aanspraak op bijzondere bijstand voor de eerste maand huur. De hoogte van de bijzondere bijstand wordt verminderd met de verwachte aanspraak op huurtoeslag.

  • 2. De cliënt heeft, in geval van een noodzakelijke verhuizing, aanspraak op bijzondere bijstand voor:

    • a.

      de bijbehorende eenmalige administratiekosten die de verhuurder in rekening brengt;

    • b.

      een halve maand huur, als de cliënt over dezelfde periode voor zowel het oude als het nieuwe hoofdverblijf huur verschuldigd is;

    • c.

      de waarborgsom, verstrekt in de vorm van een lening.

  • 3. Van een noodzakelijke verhuizing is in ieder geval sprake als de cliënt zich in een woning vestigt:

    • a.

      vanuit dakloosheid;

    • b.

      vanuit een AZC;

    • c.

      vanuit een Beschermd Wonen-instelling;

    • d.

      als rechtstreeks gevolg van echtscheiding/verbreking samenwoning;

    • e.

      als rechtstreeks gevolg van een medische beperking, die de vorige woning ongeschikt maakt;

    • f.

      om te voldoen aan de verplichting om te verhuizen naar een goedkopere woning.

Artikel 13 Woninginrichting en duurzame gebruiksgoederen
  • 1. De cliënt heeft aanspraak op bijzondere bijstand voor de aanschaf van woninginrichting en/of duurzame gebruiksgoederen als er sprake is van een noodzakelijke verhuizing als in artikel 12 derde lid, sub a, b, c of d van deze beleidsregels.

  • 2. De bijzondere bijstand voor aanschaf van woninginrichting en/of duurzame gebruiksgoederen wordt verstrekt in de vorm van een lening.

  • 3. Als cliënt is toegelaten tot (de stabilisatieperiode van) het wettelijke of minnelijke schuldhulpverleningstraject, wordt in afwijking van het tweede lid, de bijzondere bijstand verstrekt om niet.

  • 4. De maximale hoogte van de bijzondere bijstand voor de kosten van woninginrichting wordt afgestemd op de gezinssamenstelling. De normbedragen zijn opgenomen in het Normenblad.

  • 5. De hoogte van de bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen wordt afgestemd op de goedkoopst adequate noodzakelijke goederen.

  • 6. Als cliënt binnen 60 maanden nogmaals aanspraak maakt op bijzondere bijstand voor kosten van woninginrichting, wordt het eerder toegekende bedrag in mindering gebracht op de maximale bedragen die op het Normenblad vermeld zijn. Voor duurzame gebruiksgoederen, waarvoor binnen deze periode al eerder bijzondere bijstand is verstrekt, kan niet nogmaals bijzondere bijstand worden verstrekt.

2.3

Bijzondere omstandigheden

Artikel 14 Opknapkosten
  • 1. Als er sprake is van een noodzakelijke verhuizing als in artikel 12 derde lid van deze beleidsregels, heeft de cliënt aanspraak op bijzondere bijstand voor de kosten van het opknappen van de nieuwe woning.

  • 2. Onder kosten van het opknappen wordt verstaan, kosten voor verf(-benodigdheden), behang(-benodigdheden en raambekleding.

  • 3. Er wordt uitsluitend bijzondere bijstand verstrekt voor de kosten van vloerbedekking, zover deze ontbreekt in de nieuwe woning.

  • 4. De maximale hoogte van de bijzondere bijstand voor de kosten van opknappen van de woning wordt afgestemd op de grote van de nieuwe woning. De normbedragen zijn opgenomen in het Normenblad.

Artikel 15 Verhuiskosten
  • 1. Als er sprake is van een noodzakelijke verhuizing als in artikel 12 derde lid, sub d, e, of f van deze beleidsregels, heeft de cliënt aanspraak op bijzondere bijstand voor de kosten van transport van de inboedel, de inpakmiddelen en de huur van een verhuislift.

  • 2. De maximale hoogte van de bijzondere bijstand voor de kosten van verhuizing wordt afgestemd op de gezinssamenstelling. De normbedragen zijn opgenomen in het Normenblad.

Artikel 16 Baby-uitzet
  • 1. Bijzondere bijstand voor de kosten van een baby-uitzet wordt verstrekt aan de cliënt die:

    • a.

      nog niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt; of

    • b.

      korter dan 5 maanden voor de vermoedelijke bevallingsdatum het AZC heeft verlaten

  • 2. Bijzondere bijstand voor de kosten van een baby-uitzet wordt verstrekt in de vorm van een lening.

  • 3. De maximale hoogte van de bijzondere leenbijstand is opgenomen in het Normenblad.

Artikel 17 Chronisch zieken en gehandicapten
  • 1. De cliënt die als gevolg van een chronische ziekte of handicap hogere kosten heeft dan gebruikelijk voor:

    • a.

      bewassing en kleding als gevolg van slijtage; of

    • b.

      stookkosten,

      heeft aanspraak op bijzondere bijstand voor deze meerkosten.

  • 2. De maximale hoogte van de bijzondere bijstand is opgenomen in het Normenblad.

  • 3. De bijzondere bijstand wordt voor een jaar toegekend en per maand uitbetaald.

Artikel 18 Zelfzorgmiddelen
  • 1. De cliënt die aangewezen is op chronisch gebruik van zelfzorgmiddelen heeft aanspraak op bijzondere bijstand voor de kosten van deze middelen, voor zover de meest uitgebreide collectieve zorgverzekering genoemd in artikel 25 geen vergoeding voor deze kosten verstrekt.

  • 2. Er is sprake van chronisch gebruik als de cliënt het middel gedurende langer dan 6 maanden gebruikt.

  • 3. De cliënt is aangewezen op het gebruik van zelfzorgmiddelen als deze zijn voorgeschreven door een arts.

Artikel 19 Reiskosten
  • 1. De cliënt die reiskosten maakt voor het ondergaan van een medische behandeling in het ziekenhuis in Ede, Harderwijk, Arnhem of Amersfoort, heeft aanspraak op bijzondere bijstand voor deze reiskosten. In geval van behandeling op een andere locatie is er ook aanspraak op bijzondere bijstand voor de reiskosten, als de noodzaak van behandeling in deze specifieke locatie is aangetoond door een verwijzing van een arts.

  • 2. De cliënt die reiskosten maakt voor een bezoek aan een gezinslid, heeft aanspraak op bijzondere bijstand, voor de kosten van:

    • a.

      7 retours per week als het gezinslid verblijft in een ziekenhuis;

    • b.

      4 retours per week als het gezinslid verblijft in een verzorgende/verplegende inrichting; of

    • c.

      één retour per week als het gezinslid verblijft in een penitentiaire inrichting.

  • 3. De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt:

    • a.

      bij gebruik van het OV, het tarief voor 2e klasse voor de kortste route; of

    • b.

      bij geen gebruik van het OV, het tarief per kilometer, opgenomen op het Normenblad, vermenigvuldigd met het aantal kilometers van de kortste route.

  • 4. In geval van de situaties genoemd in het eerste lid en tweede lid onder c, komen de eerste 4 retours niet in aanmerking voor bijzondere bijstand.

  • 5. Géén bijzondere bijstand wordt verstrekt als:

    • a.

      de afstand tussen het hoofdverblijf en de bestemming kleiner is dan 7 kilometer;

    • b.

      de bestemming gelegen is buiten Nederland; of

    • c.

      de bestemming gelegen is binnen de gemeente Barneveld.

Artikel 20 Uitvaartkosten
  • 1. Als de kosten van de uitvaart niet (volledig) uit de nalatenschap van de overledene voldaan kunnen worden, heeft de cliënt als nabestaande aanspraak op bijzondere bijstand voor (zijn aandeel in) deze kosten. Als nabestaande wordt beschouwd: de echtgenoot of echtgenote, de geregistreerd partner, de ouder of het kind.

  • 2. De maximale hoogte van de bijzondere bijstand is opgenomen in het Normenblad.

  • 3. Bijzondere bijstand wordt alleen verstrekt voor de uitvaartkosten van:

    • a.

      het opbaren van de overledene;

    • b.

      het vervoer van de overledene naar het rouwcentrum;

    • c.

      de lijkwagen en maximaal 2 volgauto’s;

    • d.

      een eenvoudige kist;

    • e.

      de dragers van de kist;

    • f.

      het delven van het graf en de grafrechten;

    • g.

      de crematiekosten;

    • h.

      het rouwdrukwerk (inclusief portokosten);

    • i.

      een eenvoudige advertentie in de lokale krant;

    • j.

      een eenvoudige kerkelijke ceremonie;

    • k.

      het gebruik van het rouwcentrum en/of aula;

    • l.

      een eenvoudige koffiemaaltijd na de uitvaart;

    • m.

      de legeskosten;

    • n.

      de schouw- en verzegelingskosten van de GGD;

    • o.

      een eenvoudige grafsteen;

    • p.

      een eenvoudige urn; en

    • q.

      een asbestemming.

Artikel 21 Kosten van griffie en rechtsbijstand

De cliënt, die door het Juridisch Loket is doorverwezen en aan wie toevoeging (op grond van de Wet op de rechtsbijstand) is verleend, heeft aanspraak op bijzondere bijstand voor de griffiekosten en de inkomensafhankelijke eigen bijdrage voor rechtsbijstand.

2.4

Kosten voor curator, bewindvoerder en/of mentor

Artikel 22 Kosten voor curator, bewindvoerder en/of mentor
  • 1. De cliënt, die onder curatele of bewind is gesteld en/of onder mentorschap staat, heeft aanspraak op bijzondere bijstand, als de rechter bij benoeming heeft bepaald dat de cliënt hiervoor een beloning verschuldigd is.

  • 2. De bijzondere bijstand bedraagt maximaal de tarieven opgenomen in de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren en nooit meer dan feitelijk door curator, bewindvoerder en/of mentor in rekening wordt gebracht.

  • 3. Voor de kosten voor een curator of bewindvoerder die is benoemd op grond van de Faillissementswet wordt geen bijzondere bijstand verstrekt.

  • 4. In afwijking van artikel 7 vierde lid wordt alleen het gedeelte van het inkomen, dat meer is dan 110% van de toepasselijke bijstandsnorm, voor 100% aangemerkt als draagkracht.

2.5

Ondersteunende bijzondere bijstand

Artikel 23 Draagkracht niet van toepassing

Voor de artikelen in deze paragraaf geldt dat, in afwijking van artikel 7, de eventuele draagkracht buiten beschouwing blijft.

Artikel 24 Overbruggingsuitkering voeding
  • 1. De cliënt die, in afwachting van een besluit op zijn bijstandsaanvraag, tot de eerste betaaldatum van zijn bijstandsuitkering over onvoldoende middelen beschikt, heeft aanspraak op bijzondere bijstand voor de kosten van voeding.

  • 2. De maximale hoogte van de bijzondere bijstand voor de kosten van voeding wordt afgestemd op de gezinssamenstelling en het aantal dagen tot de eerste betaaldatum van de bijstandsuitkering, maar bedraag in ieder geval niet meer dan 50% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm per maand. De normbedragen zijn opgenomen in het Normenblad.

  • 3. De bijzondere bijstand voor de kosten van voeding wordt verstrekt in de vorm van een lening.

Artikel 25 Collectieve zorgverzekering
  • 1. De cliënt, die een inkomen heeft dat minder bedraagt dan 130% van de toepasselijke bijstandsnorm, kan op aanvraag deelnemen aan de collectieve zorgverzekering die door de gemeente is afgesloten.

  • 2. Voor het bepalen van de toepasselijke bijstandsnorm, wordt de cliënt die jonger is dan 21 jaar gelijk gesteld met een 21-jarige. De kostendelersnorm is niet van toepassing.

  • 3. De collectieve verzekering wordt alleen per 1 januari, in vooraf vastgestelde verzekeringspakketten, aangeboden.

  • 4. Het college verstrekt een maandelijkse bijdrage in de premiekosten van de collectieve zorgverzekering, die rechtstreeks aan de zorgverzekeraar betaald wordt. De hoogte van deze bijdrage is opgenomen in het Normenblad.

  • 5. In afwijking van het tweede lid kan deelname aan de collectieve verzekering op een andere ingangsdatum starten als de cliënt:

    • a.

      al een zorgverzekering heeft bij de zorgverzekeraar waarmee de gemeente de collectieve zorgverzekering heeft afgesloten;

    • b.

      zich (her)vestigt in Nederland en zich in de gemeente Barneveld inschrijft; of

    • c.

      de leeftijd van18 jaar bereikt.

  • 6. Het college beëindigt per 1 januari de deelname aan de collectieve zorgverzekering nadat de cliënt:

    • a.

      niet (meer) aan de voorwaarden voldoet; of

    • b.

      de beëindiging verzoekt.

Artikel 26 Individuele inkomenstoeslag
  • 1. Het college verleent de cliënt op aanvraag individuele inkomenstoeslag indien hij voldoet aan de voorwaarden als opgenomen in artikel 36 van de Participatiewet en hoofdstuk 4 van de Participatieverordening.

  • 2. In afwijking van het eerste lid komt de cliënt niet voor een inkomenstoeslag in aanmerking als de cliënt:

    • a.

      in het afgelopen kalenderjaar de verplichtingen, die aan de bijstand zijn verbonden, verwijtbaar niet is nagekomen;

    • b.

      een opleiding volgt als bedoeld in de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, of een studie volgt als genoemd in de Wet studiefinanciering 2000.

HOOFDSTUK 3 MINIMAREGELINGEN

Artikel 27 Geen aanspraak
  • 1. De cliënt die beschikt over een vermogen hoger dan de toepasselijke vermogensgrens van artikel 34 derde lid van de wet, heeft geen aanspraak op de regelingen in dit hoofdstuk.

  • 2. De cliënt met een inkomenspercentage hoger dan 110% heeft geen aanspraak op de regelingen in dit hoofdstuk.

Artikel 28 Computer
  • 1. De cliënt met inwonende ten laste komende schoolgaande kinderen in de leeftijd van 8 tot en met 17 jaar heeft aanspraak op een computer en een printer.

  • 2. De computer en printer worden uitsluitend in natura verstrekt.

  • 3. Aan de cliënt wordt maximaal eens per 60 maanden een computer en printer verstrekt.

  • 4. De maximale aanschafprijs van de computer en printer is opgenomen in het Normenblad.

Artikel 29 Schoolkostenregeling
  • 1. De cliënt met inwonende ten laste komende schoolgaande kinderen heeft aanspraak op een tegemoetkoming in de schoolkosten.

  • 2. In afwijking van artikel 27 tweede lid heeft de cliënt met een inkomenspercentage tussen 110 en 120% toch aanspraak op de tegemoetkoming in de schoolkosten.

  • 3. De hoogte van de tegemoetkoming wordt afgestemd op het basis-, voortgezet-, of middelbaar beroepsonderwijs en is opgenomen in het Normenblad.

  • 4. Geen tegemoetkoming wordt verstrekt in geval van een beroepsbegeleidende leerweg(BBL) of hoger beroepsonderwijs(hbo).

  • 5. Een aanvraag voor de tegemoetkoming in de schoolkosten moet worden ingediend in het lopende schooljaar, of maximaal één maand voorafgaand aan het schooljaar.

Artikel 30 Bibliotheek
  • 1. De cliënt heeft aanspraak op het ‘standaard’ jaarabonnement bij de Bibliotheek Barneveld.

  • 2. Het jaarabonnement wordt uitsluitend in natura verstrekt.

Artikel 31 Cultuur en sport
  • 1. De cliënt heeft voor zijn deelname aan culturele of sportactiviteiten, of voor de deelname van zijn inwonend ten laste komende kinderen in de leeftijd van 5 tot en met 17 jaar, aanspraak op een vergoeding van contributie van één activiteit per jaar.

  • 2. De maximale hoogte van de vergoeding is afgestemd op het soort activiteit en is opgenomen in het Normenblad.

  • 3. De vergoeding voor contributie wordt namens de cliënt rechtstreeks aan de vereniging, muziekschool of andere culturele/sportinstelling betaald.

  • 4. Een aanvraag voor de vergoeding van contributie voor culturele of sportactiviteiten moet worden ingediend voor, of in ieder geval binnen een maand na, aanvang van het betreffende verenigingsjaar. Een bewijs van inschrijving moet bij de aanvraag bijgevoegd zijn.

  • 5. De cliënt die lopende een verenigingsjaar start, heeft aanspraak op een vergoeding naar rato van het resterende verenigingsjaar.

  • 6. Voor activiteiten die geen verenigingsjaar kennen, wordt de start van deelname aan de activiteiten gezien als de fictieve start van het verenigingsjaar.

  • 7. Bij deelname aan de culturele of sportactiviteiten heeft de cliënt aanspraak op een vergoeding per jaar van attributen voor deze activiteiten. De cliënt kan bij aanvraag verzoeken de vergoeding voor attributen ineens tot maximaal drie jaar vooruit te ontvangen.

  • 8. De maximale hoogte van de vergoeding voor attributen is opgenomen in het Normenblad.

  • 9. Een aanvraag voor een vergoeding voor attributen moet worden ingediend voor, of in ieder geval binnen een maand na, aanschaf van de attributen.

Artikel 32 Zwemlessen
  • 1. De cliënt heeft voor zijn deelname aan zwemlessen voor het behalen van zwemdiploma A, of voor de deelname van zijn inwonend ten laste komende kinderen, aanspraak op een eenmalige vergoeding van de kosten van de zwemlessen bij het zwembad De Veluwehal of zwembad De Heuvelrand.

  • 2. De vergoeding voor de zwemlessen wordt rechtstreeks aan het zwembad betaald.

  • 3. Een aanvraag voor de vergoeding van zwemlessen moet worden ingediend voor aanvang van de deelname.

  • 4. Voor de borg van het toegangspasje van het zwembad wordt geen vergoeding verstrekt.

Artikel 33 Zomerzwemabonnement
  • 1. De cliënt heeft aanspraak op een zomerzwemabonnement voor het zwembad het Oosterbosbad voor zichzelf en/of zijn inwonende ten laste komende kinderen, tot maximaal de aanschafprijs in voorverkoop.

  • 2. Een aanvraag voor de vergoeding van een zomerzwemabonnement moet worden ingediend in de periode van 1 februari tot en met 31 augustus.

  • 3. Het zomerzwemabonnement wordt uitsluitend in natura verstrekt.

  • 4. De cliënt die een aanvraag indient, in de periode van 1 mei tot en met 31 augustus dient de meerprijs boven de voorverkoopprijs zelf bij te betalen aan het zwembad.

HOOFDSTUK 4 SLOTBEPALINGEN

Artikel 34 Normenblad

Het college kan de tarieven op het Normenblad afzonderlijk van deze beleidsregels wijzigen.

Artikel 35 Overgangsrecht
  • 1. De aanspraak op bijzondere bijstand en/of minimaregeling die is toegekend voor inwerkingtreding van deze beleidsregels, blijft ongewijzigd gedurende de periode waarvoor deze is toegekend.

  • 2. Een toekenning bijzondere bijstand voor de kosten van de eigen bijdrage voor medicatie die chronisch gebruikt wordt, kan na inwerkingtreding van deze beleidsregels, verlengd worden tot 1 januari 2022.

  • 3. De draagkracht die is vastgesteld voor inwerkingtreding van deze beleidsregels, blijft ongewijzigd gedurende de periode waarvoor deze is vastgesteld.

Artikel 36 Inwerkingtreding en citeertitel
  • 1. Deze beleidsregels treden in werking op 1 september 2021.

  • 2. Per 1 september 2021 worden de Beleidsregels bijzondere bijstand en minimaregelingen gemeente Barneveld, zoals vastgesteld op 1 februari 2018, en gewijzigd op 16 november 2018, ingetrokken.

  • 3. Deze beleidsregels worden aangehaald als Beleidsregels bijzondere bijstand en minimaregelingen gemeente Barneveld.

Ondertekening

Aldus vastgesteld op 13 juli 2021,

Burgemeester en wethouders voornoemd,

W. Wieringa

Secretaris

J.J. Luteijn

Burgemeester

Toelichting

In de Participatiewet (artikel 35) is een algemeen kader gegeven voor de bijzondere bijstand. Voor de individuele beoordeling van het recht op bijzondere bijstand is een uitgebreid onderzoek nodig. In een aantal situaties wordt er vaker een beroep gedaan op de bijzondere bijstand. Voor deze ‘standaardsituaties’ zijn standaardoplossingen en -voorwaarden opgesteld. In deze Beleidsregels bijzondere bijstand en minimaregelingen gemeente Barneveld zijn de specifieke situaties en bijbehorende oplossingen en voorwaarden vastgelegd.

Voor alle situaties die niet vallen onder de omschrijvingen in deze beleidsregels, kan nog steeds bijzondere bijstand mogelijk zijn. In deze beleidsregels zijn een aantal algemene bepalingen opgenomen die ook voor die gevallen van toepassing zijn. Daarnaast is de uitgebreide (wettelijke) individuele beoordeling van toepassing.

Naast de bijzondere bijstand verstrekt de gemeente Barneveld een aantal voorzieningen om inwoners met een laag inkomen tegemoet te komen, zodat zij, bijvoorbeeld, kunnen deelnemen aan verenigingsactiviteiten en een lidmaatschap bij de Bibliotheek Barneveld kunnen hebben. De beschikbare voorzieningen voor deze inwoners zijn opgenomen in deze Beleidsregels bijzondere bijstand en minimaregelingen gemeente Barneveld.

HOOFDSTUK 1 ALGEMEEN

De bepalingen opgenomen in hoofdstuk 1 zijn van toepassing het geheel van deze beleidsregels, dus zowel op de bijzondere bijstand (hoofdstuk 2) als op de minimaregelingen (hoofdstuk 3).

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Behoeft geen toelichting

Artikel 2 Algemene bepalingen

De verwijzing naar de artikelen 11 en 13 van de wet bepaalt dat het niet de bedoeling is om bijzondere bijstand en/of een minimaregeling te verstrekken aan een bredere doelgroep dan de wetgever bedoeld heeft. Door verwijzing naar de artikelen kan er geen verschil optreden tussen deze beleidsregels en de wet.

De inlichtingenplicht is apart opgenomen, omdat de wet in beginsel niet van toepassing is op de minimaregelingen. Het is uiteraard wel wenselijk dat de cliënt ook ten aanzien van de minimaregelingen de verplichting heeft om alle informatie te verstrekken die nodig is voor de beoordeling van het recht.

Artikel 3 inkomen en vermogen

In beginsel wordt voor het vaststellen van het inkomen en vermogen aangesloten bij de wet.

Daarop zijn enkele uitzonderingen gemaakt om de aanspraak op de bijzondere bijstand en minimaregelingen voor iedereen zo gelijk mogelijk toegankelijk te maken.

Lid 5

In beginsel wordt het laatste (maand)inkomen wordt gebruikt om het inkomen vast te stellen. Alleen als de cliënt wisselende inkomsten heeft, doordat er bijvoorbeeld een wisselend een aantal uren gewerkt wordt, wordt er gekeken naar het gemiddelde maandinkomen van de 3 voorafgaande maanden. Er is dus geen sprake van wisselende inkomen als de cliënt bijvoorbeeld net begonnen is in een nieuwe baan en daar voorafgaand een lager betaalde baan had. Dan moet uitgegaan worden van het nieuwe loon.

Lid 6

Een cliënt die is toegelaten tot het minnelijk of wettelijke schuldhulptraject is verplicht om al het inkomen boven het Vrij te Laten Bedrag(VTLB) af te dragen aan de zogeheten boedel. De boedel wordt opgespaard om af te dragen aan de schuldeisers. De cliënt heeft dus feitelijk alleen beschikking over het VTLB. Voor de vaststelling van het inkomen voor de toepassing van deze beleidsregels, wordt het VTBL in beginsel gehanteerd als het inkomen waarover de cliënt daadwerkelijk de beschikking heeft.

Het VTLB wordt berekend conform een landelijk vastgestelde rekenwijze (Recofa-richtlijnen) aan de hand van de beslagvrije voet en de feitelijke primaire lasten van de cliënt. Bij de berekening wordt het feitelijke inkomen van cliënt niet meegewogen. Dat betekent dat het VTLB in sommigen gevallen méér bedraagt dan het feitelijke inkomen. In die gevallen moet niet het VTLB gehanteerd worden, maar het feitelijke inkomen. Want de cliënt heeft dan alleen de beschikking over het feitelijke inkomen.

Lid 7

De cliënt die in een inrichting verblijft, moet een inkomensafhankelijke eigen bijdrage betalen. Deze eigen bijdrage zo afgestemd dat de cliënt alleen nog de inrichtingsnorm van artikel 23 van de wet overhoudt. Als bij het vaststellen van het inkomen van dergelijke cliënten geen rekening gehouden wordt met de verplichte afdracht van deze eigen bijdrage, komen zij niet/nauwelijks in aanmerking voor bijzondere bijstand en/of minimaregelingen, terwijl zij niet meer te besteden hebben dan een andere cliënt die een bijstandsnorm ontvangt. Om deze ongelijke situatie te voorkomen, moet bij het vaststellen van het inkomen van deze cliënt de eigen bijdrage die zijn aan het CAK betalen in mindering gebracht worden op hun inkomen.

Artikel 4 Zelfstandige

De zelfstandige ondernemer heeft geen inkomen dat vooraf duidelijk is. Pas achteraf, na afsluiting van het kalenderjaar, zal uit de jaarcijfers blijken wat een zelfstandige aan inkomen heeft ontvangen.

Om het mogelijk te maken dat ook zelfstandigen lopende een kalenderjaar gebruik kunnen maken van bijzondere bijstand en/of minimaregelingen, wordt het inkomen van de zelfstandige voorlopig vastgesteld aan de hand van de jaarcijfers van het vorige jaar. Mochten die nog niet beschikbaar zijn, dan kunnen de jaarcijfers van het daar daarvoor gebruikt worden. Het is wel raadzaam om de cliënt te vragen of deze jaarcijfers nog een reëel beeld geven van het inkomen, omdat achteraf nog wel het feitelijke inkomen vastgesteld moet worden. Als de cliënt dan veel meer verdiend heeft, zal de cliënt de verstrekte bijzondere bijstand alsnog terug moeten betalen.

Na afloop van het kalenderjaar is de cliënt verplicht vóór 1 juli van het daaropvolgende jaar, de jaarcijfers te overhandigen. Met deze jaarcijfers wordt vervolgens het inkomen definitief vastgesteld.

Omdat het inkomen wordt vastgesteld als een ‘voorlopig’ inkomen, wordt de bijzondere bijstand in beginsel verstrekt in de vorm van een lening.

Met het definitieve vastgestelde inkomen wordt vervolgens beoordeeld of de cliënt aanspraak zou hebben gehad op de bijzondere bijstand als het definitieve inkomen vooraf bekend geweest was. Voor het gedeelte dat in dat geval was toegekend, wordt de lening omgezet in bijstand ‘om niet’. Het gedeelte dat in dat geval niet zou zijn toegekend, moet door de cliënt worden terugbetaald.

Als de cliënt weigert de jaarcijfers tijdig te verstrekken, waardoor het niet mogelijk is om het inkomen definitief vast te stellen, wordt alle verstrekte bijzondere bijstand teruggevorderd.

Artikel 5 inkomenspercentage

Bij de aanvraag van bijzondere bijstand of minimaregelingen wordt het inkomen van de cliënt afgezet tegen de bijstandsnorm die op de cliënt van toepassing is. Dit wordt vastgelegd met het inkomenspercentage.

De berekening is als volgt:

(inkomen cliënt / toepasselijke bijstandsnorm) X 100 = inkomenspercentage

Het inkomenspercentage wordt vastgesteld voor een bepaalde periode.

Door het vastleggen van het inkomenspercentage is gedurende die periode gelijk duidelijk voor welke minimaregelingen de cliënt in aanmerking komt en in welke gevallen van bijzondere bijstand, de cliënt mogelijk nog draagkracht heeft, bij de verschillende (afwijkende) draagkrachtbepalingen.

Alleen in geval van noemenswaardige wijzigingen (in het inkomen of gezinssamenstelling) wordt het inkomenspercentage tussentijds opnieuw vastgesteld.

HOOFDSTUK 2 BIJZONDERE BIJSTAND

De artikelen in hoofdstuk 2 hebben alleen betrekking op bijzondere bijstand en zijn niet van toepassing op de minimaregelingen.

2.1 Algemene bepalingen

Voor alle situaties die niet vallen onder de standaardsituaties in deze beleidsregels, kan nog steeds bijzondere bijstand mogelijk zijn. In deze paragraaf zijn een aantal algemene bepalingen opgenomen die niet alleen van toepassing zijn op de genoemde standaardsituaties in deze beleidsregels, maar ook op alle niet-genoemde situaties.

Artikel 6 Algemeen

Lid 1

Bijzondere bijstand wordt alleen als lening verstrekt in die gevallen die benoemd zijn in deze beleidsregels en/of de wet.

Lid 2

De achtergrond van bijzondere bijstand is dat de cliënt niet in staat is, vanwege bijzondere omstandigheden, om de noodzakelijke kosten te betalen. Als de cliënt de kosten niet kan betalen, zal eerst de bijzondere bijstand aangevraagd moeten worden voordat de cliënt de kosten kan maken. In de praktijk worden de kosten nog wel eens gemaakt voordat de bijzondere bijstand is aangevraagd. Daarom wordt geaccepteerd dat de aanvraag wordt ingediend binnen een maand nadat de kosten zich voor doen. De factuurdatum wordt aangenomen als het moment dat de kosten zich voor doen.

Lid 3

De bijzondere bijstand wordt pas verstrekt als de cliënt zijn financiële draagkracht volledig heeft ingezet en daarmee nog niet alle kosten zijn voldaan.

Artikel 7 Draagkracht

Bij het vaststellen van de draagkracht bepaalt het college welke financiële ruimte de cliënt per jaar heeft om zelf de noodzakelijke kosten te betalen. Als alle noodzakelijke kosten in een jaar samen meer zijn dan de draagkracht, kan er bijzondere bijstand verstrekt worden voor het meerdere. Door over de eerste 10% boven de bijstandsnorm slechts 50% als draagkracht aan te merken ontstaat er geen harde grens waarboven er geen bijzondere bijstand meer mogelijk is.

Artikel 8 Draagkrachtperiode

De draagkrachtperiode is de periode waarin de vastgestelde draagkracht per jaar ‘geldig’ is. Zolang de draagkrachtperiode nog niet is verstreken, wordt de draagkracht niet opnieuw berekend.

De draagkrachtperiode start op de eerste dag van de maand waarin de aanvraag voor bijzondere bijstand is ontvangen. In uitzonderlijke gevallen kunnen dan de vergoedde kosten buiten draagkrachtperiode vallen (in maand voorafgaand). Bijvoorbeeld als de factuur van 6 februari is en aanvraag op 3 maart wordt ingediend. De draagkrachtperiode start dan op 1 maart, terwijl de kosten zich in februari hebben voorgedaan. Dit kan alleen als het een nieuwe draagkrachtperiode betreft. In dergelijke situaties, worden de kosten waarvoor bijzondere bijstand is aangevraagd wel meegenomen in het nieuw vastgestelde draagkrachtjaar.

Als er lopende een draagkrachtperiode een aanvraag wordt gedaan van periodieke bijzondere bijstand, kan de lopende draagkrachtperiode verlengd worden met maximaal 3 maanden, als de gebruikelijke duur van de toekenning de draagkrachtperiode zou overschrijden. Wanneer periodieke bijzondere bijstand gebruikelijk voor een jaar toegekend wordt en de draagkrachtperiode is nog maar 10 maanden ‘geldig’, dan kan de draagkrachtperiode eenmalig verlengd worden met 2 maanden, zodat deze weer aansluit bij de periode waarvoor de periodieke bijzondere bijstand vertrekt wordt. De draagkracht hoeft dan niet opnieuw beoordeeld te worden.

Is de resterende draagkrachtperiode korter dan 9 maanden, maar langer dan 6 maanden, dan wordt geadviseerd om de verlenging toe te passen én de duur van de toekenning van de bijzondere bijstand aan te passen tot einde verlening van de draagkrachtperiode.

Is de resterende draagkrachtperiode korter dan 6 maanden, dan wordt geadviseerd om de draagkracht opnieuw vast te stellen en een nieuwe draagkrachtperiode vast te stellen.

2.2 Aanvullende bijzondere bijstand voor levensonderhoud

Artikel 9 Uitzondering draagkrachtbepaling

De situaties genoemd in paragraaf 2.2 hebben allen betrekking op kosten waarvoor een groot deel van de bijstandsnorm bedoeld is. In beginsel zou er geen reden zijn om nog extra (bijzondere) bijstand te verstrekken voor deze kosten. In de uitzonderlijke situaties waarin toch aanvullend bijzondere bijstand verstrekt wordt, gebeurt dat zo minimaal mogelijk. Dat betekent dat er een aangepaste, strengere draagkrachtbepaling van toepassing is, waarbij alles boven de bijstandsnorm voor 100% gezien wordt als draagkracht. Ook is de kostendelersnorm van toepassing, omdat het gaat om de situaties waarin in geval van medebewoners de kosten gedeeld kunnen worden.

Artikel 10 Zelfstandig wonende of in een inrichting verblijvende jongere in de leeftijd 18, 19 en 20 jaar

Voor jongeren van 18 tot en met 20 jaar zijn ouders nog onderhoudsplichtig. Als een jongere kosten heeft die de jongerennorm van de bijstand te boven gaat, dan worden de ouders geacht bij te dragen in de kosten van het onderhoud.

Wanneer de jongere zelfstandig woont of in een inrichting verblijft, is aannemelijk dat de noodzakelijke kosten van bestaan de jongerennorm overstijgen. Als de jongere dan zijn ouder niet kan aanspreken om een financiële bijdrage in zijn onderhoud te leveren, is aanvullende bijzondere bijstand mogelijk.

In het derde lid worden de omstandigheden opgesomd waarin wordt aangenomen dat de ouder niet aan te spreken is op zijn onderhoudsplicht. Beide ouders zijn hoofdelijk aansprakelijk, dus als er één ouder niet aan te spreken is, moet alsnog de andere ouder voldoen aan zijn onderhoudsplicht. Aanvullende bijzondere bijstand is pas mogelijk als beide ouders niet aan te spreken zijn.

Het inkomen van de jongere en de aanvullende bijzondere bijstand kunnen samen in ieder geval nooit meer zijn dan de bijstandsnorm van een 21-jarige. Daarbij maakt het niet uit of de jongere inkomen uit bijstand, loon of een andere uitkering ontvangt. Om de hoogte van de aanvullende bijzondere bijstand te bepalen wordt gekeken naar de feitelijke noodzakelijke kosten van de jongere. Er wordt dus niet automatisch aangevuld tot aan de bijstandsnorm van de 21-jarige.

Artikel 11 Woonkostentoeslag

De huur van een (nieuwe) woning moet vooruit betaald worden. Het is niet altijd mogelijk om al een toekenningsbesluit van de huurtoeslag te hebben voordat de huur betaald moet worden. Ter overbrugging tot het moment dat de huurtoeslag ontvangen wordt, kan er in de vorm van een lening, bijzondere bijstand verstrekt worden. De bijzondere bijstand mag maximaal de hoogte van de (te verwachten) huurtoeslag hebben, omdat de bijstand na ontvangst van de huurtoeslag direct terugbetaald moet worden.

Een cliënt die door verlies van inkomsten de huur boven de huurtoeslaggrens niet meer kan betalen, kan tijdelijk bijzondere bijstand verkrijgen, omdat de cliënt, ondanks het lage inkomen, door de te hoge huur geen huurtoeslag kan verkrijgen. De hoogte van de bijzondere bijstand is dan de maximale huurtoeslag die bij het inkomen van de cliënt hoort, verhoogd met het verschil tussen de huurtoeslaggrens en de feitelijke (hogere) huurprijs.

Ook als een cliënt de woonkosten van zijn koopwoning niet meer kan opbrengen, door verlies van inkomsten, kan er voor deze (meer)kosten tijdelijk bijzondere bijstand verstrekt worden. De cliënt kan ondanks zijn lage inkomen geen huurtoeslag verkrijgen, omdat hij geen huurwoning bewoont. De bijzondere bijstand bedraagt dan wat de cliënt aan huurtoeslag zou hebben ontvangen als het wel een huurwoning betrof.

Als de woonkosten hoger zijn dan de huurtoeslaggrens wordt de bijzondere bijstand nog verhoogd met het verschil tussen de huurtoeslaggrens en de feitelijke (hogere) woonkosten.

Wat onder woonkosten wordt verstaan is opgesomd in artikel 1 van deze beleidsregels.

De bijzondere bijstand wordt alleen tijdelijk verstrekt en de cliënt met kosten boven de huurtoeslaggrens heeft de plicht om er alles aan te doen om zo snel mogelijk een goedkopere woning te verkrijgen, zodat de bijzondere bijstand niet meer nodig is.

Artikel 12 Eerste maand huur, administratiekosten en waarborgsom

Lid 1

De bijstandsuitkering wordt na afloop van de maand uitbetaald en de huur moet voorafgaand aan de maand betaald worden. Cliënten die voor vestiging in de nieuwe woning geen inkomen hebben vallen hierdoor in een financieel gat, die niet meer in te halen is als hiervoor geen bijzondere bijstand wordt verstrekt.

Uiteraard is de huurtoeslag een voorliggende voorziening en wordt deze in mindering gebracht op de bijzondere bijstand. In afwachting van de eerste uitbetaling van de huurtoeslag, kan op grond van artikel 11 sub a onder 1 een lening verstrekt worden tot de huurtoeslag is uitbetaald.

Lid 2

Bij een noodzakelijke verhuizing kan cliënt bijzondere bijstand krijgen voor de administratiekosten, als de verhuurder deze in rekening brengt. De dubbele huur die iemand heeft door tijdens de verhuizing twee woningen te hebben, wordt voor een halve maand vergoed. In deze halve maand wordt de cliënt in de gelegenheid gesteld om de woning iets op te knappen en de inboedel te verhuizen naar de nieuwe woning. De cliënt moet er zelf zorg voor dragen dat de huur van de oude woning tijdig opgezegd wordt, zodat er niet meer overlap ontstaat dan een halve maand. Voor de waarborgsom wordt alleen een lening verstrekt, omdat dit bedrag uiteindelijk door de verhuurder aan de cliënt terugbetaald wordt.

Artikel 13 Woninginrichting en duurzame gebruiksgoederen

In artikel 1 is opgenomen dat woninginrichting meubels en lampen betreft en duurzame gebruiksgoederen zijn witgoed (koelkast, wasmachine enz) en zwartgoed (televisie).

Bijzondere bijstand voor woninginrichting en/of duurzame gebruiksgoederen is alleen mogelijk als er sprake is van een noodzakelijke verhuizing. In alle andere gevallen wordt de cliënt geacht zelf voor deze kosten te reserveren. Daarnaast is de toegang beperkt tot de noodzakelijke verhuizingen die genoemd zijn in artikel 12 derde lid sub a tot en met d, omdat dit de situaties zijn waarin de cliënt (nog) niet over een (volledige) inboedel beschikt. In de andere situaties kan de cliënt zijn inboedel gewoon meenemen uit de oude woning.

De bijzondere bijstand wordt verstrekt in de vorm van een lening. Enige uitzondering is als de cliënt al is toegelaten tot het minnelijke of wettelijke schuldhulptraject. Deze cliënten mogen geen nieuwe schulden maken tijden hun traject, dus geen bijstand in de vorm van een lening ontvangen. Om deze cliënte niet tussen wal en schip te laten vallen, is hiervoor een uitzondering gemaakt.

De bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen wordt afgestemd op de goedkoopste mogelijkheid om de goederen aan te schaffen. Dat betekent dat de cliënt moet benoemen welke goederen noodzakelijk zijn. van cliënt mag verwacht worden om ook het tweedehands aanbod te bekijken.

Van de woninginrichting en duurzame gebruiksgoederen mag verwacht worden dat deze minimaal 5 jaar gebruikt kunnen worden. mocht de cliënt binnen 60 maanden weer verhuizen, dan wordt ervan uitgegaan dat cliënt de woninginrichting en de duurzame gebruiksgoederen dus mee kan nemen naar de nieuwe woning. Bijzondere bijstand voor woninginrichting is dan alleen nog mogelijk voor het bedrag dat bij de eerste verhuizing niet is gebruikt.

2.3 Bijzondere omstandigheden

Artikel 14 Opknapkosten

In geval van een medische noodzaak voor de verhuizing kan Wmo een voorliggende voorziening zijn.

Artikel 15 Verhuiskosten

De mogelijkheid van bijzondere bijstand voor de kosten van het transport van en de inpakmiddelen voor de inboedel, is beperkt tot de noodzakelijke verhuizingen genoemd in artikel 12 derde lid sub d tot en met f. Dit zijn de situaties waarin de cliënt beschikt over een volledige inboedel. In de andere gevallen is de inboedel beperkt.

In geval van een medische noodzaak voor de verhuizing kan Wmo een voorliggende voorziening zijn.

Overzicht artikel 12 tot en met 15

Situaties:

  • a.

    Eerste vestiging vanuit dakloosheid

  • b.

    Zelfstandige vestiging vanuit AZC

  • c.

    Uitstroom Beschermd Wonen

  • d.

    Echtscheiding /verbreking relatie

  • e.

    Medische noodzaak verhuizing

  • f.

    Verhuisverplichting naar goedkopere woning

Wat:

Situaties

Vorm

Drgkracht artikel

Woninginrichting

meubels, lampen

a, b, c, d

lening

9

Duurzame gebruiksgoed

wit- en zwartgoed

a, b, c, d

lening

9

Opknapkosten

verf/behang, raam-/vloer

a, b, c, d, e, f,

om niet

7

Verhuiskosten

transport

d, e, f

om niet

7

Artikel 16 Baby-uitzet

De cliënt wordt geacht zelf te reserveren voor deze kosten. Alleen de minderjarige, die vaak geen eigen inkomen hebben, en de statushouder, die korter dan 5 maanden voorafgaand aan de vermoedelijke bevallingsdatum het AZC heeft verlaten, hebben onvoldoende mogelijkheden gehad om voor deze kosten te reserveren. Daarom krijgen deze cliënt bijzondere bijstand in de vorm van een lening.

Artikel 17 Chronisch zieken en gehandicapten

De aandoening kan ervoor zorgen dat kleding en beddengoed eerder vervuild raakt of dat kleding eerder slijt. Ook kan de aandoening ervoor zorgen dat de cliënt meer behoefte heeft aan een warmere woonomgeving. Dit brengt extra kosten met zich mee. Om deze cliënten tegemoet te komen is bijzondere bijstand mogelijk.

Het bedrag aan bijzondere bijstand is afgeleid van de (geïndexeerde) GMD-lijst en de Nibud-prijzengids ‘20-’21. Het bedrag kan zo nodig jaarlijks aangepast worden op het Normenblad.

GMD staat voor Gemeenschappelijke Medische Dienst. De GMD is inmiddels opgeheven. Het bedrag wordt per jaar toegekend, en in maandelijkse termijnen uitbetaald.

Artikel 18 Zelfzorgmiddelen

In uitzonderlijke gevallen is de cliënt aangewezen op chronisch gebruik van medicatie die zonder recept bij apotheek of drogist verkrijgbaar is, bijvoorbeeld paracetamol. Dit moet dan voorgeschreven zijn door een arts. Doorgaans worden deze kosten niet vergoed door de zorgverzekering. Als de collectieve zorgverzekering van de gemeente deze kosten wel vergoedt, is géén bijzondere bijstand mogelijk.

Artikel 19 Reiskosten

In geval van het bezoeken van een gezinslid worden de kosten van de aangegeven aantal retours vergoed. Daarbij kiest de cliënt zelf of deze op verschillende dagen voor één persoon ingezet worden, of op (bijvoorbeeld) één dag met meerdere personen uit het gezin. De cliënt moet de reisbewijzen overhandigen voordat de bijzondere bijstand wordt uitbetaald.

Alleen de kosten voor de kortste route worden vergoed. Als de cliënt een snellere route wil reizen, zijn de meerkosten voor eigen rekening.

Een afstand kleiner dan 7 kilometer, of binnen de gemeente Barneveld kan de cliënt met de fiets afleggen.

Artikel 20 Uitvaartkosten

Nabestaanden kunnen onverwacht worden geconfronteerd met hoge kosten van een begrafenis of crematie van een naaste. Soms kunnen die kosten niet worden voldaan uit de nalatenschap, een daartoe strekkende verzekering en/of kon daarvoor onvoldoende worden gereserveerd of kon reservering daarvoor in redelijkheid niet verlangd worden. In dergelijke situaties kan bijzondere bijstand worden verleend voor de specifiek genoemde kosten tot een maximum totaalbedrag zoals is vermeld in het Normenblad.

Artikel 21 Kosten van griffie en rechtsbijstand

Degene die om rechtsbijstand verzoekt dient ingevolge de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) eerst een advies te vragen bij het Juridisch Loket. Pas bij een positief advies zal een toevoeging worden verleend door de Raad voor de Rechtsbijstand (RvR). Zonder advies, of bij een negatief advies, zal de toevoeging in de regel worden geweigerd: de RvR acht de procedure dan niet noodzakelijk.

In het geval van een toevoeging worden de kosten van de advocaat vergoed op grond van de Wrb.

De Wrb is voor die kosten dan ook een voorliggende voorziening in de zin van artikel 15 lid 1 PW.

De Wrb is voor de inkomensafhankelijke eigen bijdrage en voor de griffiekosten geen voorliggende voorziening. Voor die kosten kan eventueel bijzondere bijstand worden verleend als wordt voldaan aan de criteria van artikel 35 lid 1 PW.

Wanneer een toevoeging is verleend, wordt de noodzaak voor de procedure aanwezig geacht en kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor de griffiekosten en voor de inkomensafhankelijke eigen bijdrage.

2.4 Kosten voor curator, bewindvoerder en/of mentor

Artikel 22 Kosten voor curator, bewindvoerder en/of mentor

Let op, bij deze kosten is er een afwijkende draagkrachtbepaling. Zodra de cliënt inkomen boven 110% van de toepasselijke bijstandsnorm heeft, wordt dit meerinkomen volledig aangemerkt als draagkracht. Er is geen sprake van draagkracht over het inkomen tussen de 100% en 110% van de toepasselijke bijstandsnorm.

De reden hiervan is dat sprake is van periodieke bijzondere bijstand voor deze kosten. Daardoor zouden belanghebbenden met een inkomen tussen de 100%-110% van de toepasselijke bijstandsnorm langdurig op vrijwel het minimumniveau terecht komen. Het gevolg daarvan is dat de financiële ruimte, slagkracht en reserveringscapaciteit bij deze belanghebbenden relatief gezien fors en langdurig wordt ingeperkt. Daarnaast is bij een groot deel van de belanghebbenden met een inkomen op dit niveau geen sprake van mogelijkheden (meer) om de inkomenspositie te verbeteren.

Denk bijvoorbeeld aan belanghebbenden met een WAJONG-uitkering en pensioengerechtigden met een klein aanvullend pensioen.

Als de rechter de cliënt onder bewind of curatele heeft gesteld, en/of bepaald heeft dat de cliënt onder mentorschap staat, staat ook de noodzakelijkheid va deze kosten vast.

De kosten van een curator of bewindvoerder die door de rechter benoemd is ten behoeve van de afwikkeling van een faillissement en/of een wettelijk schuldsaneringstraject, komen niet voor bijzondere bijstand in aanmerking. Dat is alleen mogelijk als dit uit de uitgebreide (wettelijke) individuele beoordeling van bijzondere bijstand zou blijken.

2.5 Draagkracht nvt

Artikel 23 Draagkracht niet van toepassing

Vanwege de aard van de regelingen, opgenomen in deze paragraaf, wordt eventuele draagkracht buiten beschouwing gelaten.

Artikel 24 Overbruggingsuitkering voeding

Als iemand voorafgaand aan de bijstandsuitkering geen (toereikend) inkomen heeft, moet de maand tot uitbetaling van de (aangevraagde) bijstandsuitkering overbrugd worden. De bijstand wordt over een maand achteraf betaald, dus in de lopende maand heeft de cliënt dan geen inkomen om voedsel te kopen. Een voorschot van de uitkering biedt geen oplossing, omdat het voorschot weer in mindering gebracht wordt op de uitbetaling van de uitkering, waardoor de cliënt in de maand daarop weer tekort komt. Zo blijft de cliënt financieel achter de feiten aanlopen.

Voor de eventuele huur, zie artikel 11 en 12.

Als de cliënt wel inkomen en/of vermogen heeft, dan wordt dit in mindering gebracht op de overbruggingsuitkering. Is het inkomen en/of vermogen meer dan de hoogte van de berekende overbruggingsuitkering, dan beschikt de cliënt dus over voldoende eigen middelen en is er geen aanspraak op bijzondere bijstand.

Het Nibudprijzengids ‘20-’21 is bij vaststelling van deze beleidsregels als richtlijn genomen voor het bedrag per persoon, per dag. Het bedrag kan zo nodig jaarlijks aangepast worden op het Normenblad.

Artikel 25 Collectieve zorgverzekering

De jongerennormen en/of kostendelersnormen worden voor het bepalen van de toepasselijke norm niet toegepast, omdat de kosten van een zorgverzekering voor iedereen gelijk is, ongeacht de leeftijd of het aantal medebewoners.

De collectieve verzekering bestaat uit een Basisverzekering, een aanvullende verzekering en een verplichte tandartsverzekering. Er kan gekozen worden uit diverse pakketsamenstellingen met verschillende premies en verschillende (maximale) vergoedingen. Op het Normenblad is terug te vinden welke bijdrage de gemeente doet en in welk pakket de gemeente het wettelijke eigen risico vergoedt.

Deelname vangt in beginsel altijd aan per 1 januari van het komende jaar. Als de cliënt al een zorgverzekering heeft bij de zorgverzekeraar waarmee de gemeente een collectieve zorgverzekering heeft afgesloten, kan ook gedurende het kalenderjaar worden overgestapt. Het is niet mogelijk gedurende het jaar over te stappen naar het pakket Gezond Verzekerd 3, waarbij het eigen risico is meeverzekerd. Aanvang van deelname gedurende het kalenderjaar is ook mogelijk voor nieuwkomers in Nederland die een verblijfsvergunning hebben gekregen, of personen die, na emigratie vanuit Nederland, zich weer in Nederland vestigen. Uiteraard kunnen jongeren, die 18 jaar worden en zich voor het eerst een zorgverzekering moeten afsluiten, zich gedurende het jaar aanmelden.

Kosten die door het meest uitgebreide pakket van de collectieve verzekering vergoed worden, komen niet voor bijzondere bijstand in aanmerking. Ook niet als de cliënt voor een ander pakket en/of andere verzekeraar gekozen, die dezelfde kosten niet vergoedt.

Artikel 26 Individuele inkomenstoeslag

In deze beleidsregels zijn alleen de uitzonderingen opgenomen wanneer er géén aanspraak op de individuele inkomenstoeslag is. Voor de voorwaarden om wèl in aanmerking te komen wordt verwezen naar artikel 36 van de wet en hoofdstuk 4 van de Participatieverordening.

Bij de beoordeling van het criterium 'geen uitzicht op inkomensverbetering' moet het college rekening houden met de omstandigheden van de persoon. In artikel 36, tweede lid, van de Participatiewet is bepaald dat tot die omstandigheden in ieder geval worden gerekend:

  • -

    de krachten en bekwaamheden van de persoon, en

  • -

    de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot inkomensverbetering te komen

Als het de cliënt te verwijten is dat hij een verplichting niet is nagekomen, dan heeft de cliënt onvoldoende inspanningen verricht om tot een inkomensverbetering te komen. Het kan de cliënt alleen verweten worden als deze inspanningen bij de krachten en bekwaamheden van de cliënt passen.

Een cliënt die een opleiding volgt (als genoemd in WTOS en WStufi) heeft vaak wel langdurig een laag inkomen, maar valt niet in de doelgroep van de inkomenstoeslag en is daarom uitgesloten. In beginsel heeft een student ook uitzicht op een inkomensverbetering.

HOOFDSTUK 3 MINIMAREGELINGEN

De artikelen in hoofdstuk 3 hebben alleen betrekking op de minimaregelingen en zijn niet van toepassing op bijzondere bijstand.

Artikel 27 Geen aanspraak

De cliënt met een vermogen hoger dan de vermogensgrens uit artikel 34 van de wet, beschikt over voldoende middelen om zelf de kosten te dragen, waarvoor de minimaregelingen bedoeld zijn. Dat geldt ook voor de inwoner die een inkomen heeft van meer dan 110% van de toepasselijke bijstandsnorm.

Artikel 28 Computer

Een computer wordt onmisbaar geacht in het onderwijs en wordt met deze regeling beschikbaar gesteld voor gezinnen met kinderen in de leeftijd van 8 tot en met 17 jaar.

Bij toekenning wordt geen geld uitgekeerd maar een budget toegekend waarvoor de cliënt bij deelnemende lokale leveranciers een computer (desktop of laptop) en een printer kan bestellen die aan een aantal minimumspecificaties dient te voldoen. De betreffende leverancier krijgt na inzending van de factuur rechtstreeks betaald door de gemeente Barneveld.

Er kan slechts één computer met printer per gezin, per 60 maanden, worden toegekend. Het is niet toegestaan om een computer zonder printer te bestellen.

Artikel 29 Schoolkostenregeling

Deze regeling is iets breder toegankelijk, door ook de cliënt met een inkomen tussen 110 en 120% toegang te geven. Het is belangrijk dat kinderen voor hun onderwijs kunnen beschikken over de spullen die zij daarvoor nodig hebben en niet achtergesteld worden door een gebrek daaraan.

Kosten variëren afhankelijk van de fase van het onderwijs. Daarom zijn voor de verschillende fase verschillende bedragen in het Normenblad opgenomen.

Artikel 30 Bibliotheek

De cliënt verkrijgt bij de Bibliotheek Barneveld het lidmaatschapspasje nadat hij de toekenningsbeschikking heeft laten zien. Het lidmaatschap eindigt na een jaar automatisch, zonder opzegging.

Artikel 31 Cultuur en sport

Voor de vergoeding moet een keuze gemaakt worden tussen deelname aan sportieve of culturele activiteiten. Voor slechts één activiteit wordt een vergoeding verstrekt, tot het maximum dat in het Normenblad is opgenomen.

De contributie wordt rechtstreeks aan de organisatie betaald en dus niet aan de cliënt zelf.

Het is de bedoeling dat de betalingen gelijk lopen met de verenigingsjaren. Als de cliënt lopende het verenigingsjaar start, wordt alleen voor het resterende verenigingsjaar een vergoeding toegekend. De cliënt zal dan binnen een jaar wederom een vergoeding kunnen aanvragen, namelijk wanneer het nieuwe (aansluitende) verenigingsjaar begint.

Een lidmaatschap bij de sportschool zal geen verenigingsjaar kennen. Daarbij start het verenigingsjaar op het moment dat de cliënt lid wordt en loopt vervolgens een geheel kalenderjaar door. De cliënt heeft dan voor een heel jaar een vergoeding ontvangen en krijgt niet eerder een nieuwe toekenning dan na verloop van dat jaar.

Uitgangspunt is een keer per week minimaal 1 uur trainen (zoveel mogelijk in groepsverband), voor zover meer training meer kosten oplevert.

Voor de culturele activiteiten geldt hetzelfde systeem.

Onder culturele activiteiten wordt verstaan: beeldend, muzikaal en theater.

Dansen wordt bij de uitvoering van deze beleidsregels gezien als een sportactiviteit en niet als een culturele activiteit.

Voor de aanschaf van sportkleding of bijvoorbeeld een muziekinstrument is een vergoeding per jaar mogelijk. Als de cliënt daar specifiek om vraagt, mag tot maximaal 3 jaar vooruit de vergoeding voor attributen verstrekt worden. dat wil zeggen 3 maal het jaarbedrag. Dat betekent ook dat de cliënt vervolgens gedurende 3 jaar daarna geen vergoeding meer krijgt hiervoor.

Artikel 32 Zwemlessen

De gemeente Barneveld vindt het belangrijk dat de inwoners met een laag inkomen in de gelegenheid zijn om basis-zwemvaardigheden op te doen. Die gelegenheid wordt gegeven door een vergoeding te verstrekken voor het volgen van zwemlessen en het behalen van zwemdiploma A bij het zwembad De Veluwehal of het zwembad De Heuvelrand. De vergoeding wordt door de gemeente rechtstreeks aan het betreffende zwembad betaald.

Het zwembad garandeert dat de cliënt en/of het ten laste komend kind het zwemdiploma A haalt. Het zwembad bewaakt de voortgang maar bij veelvuldig verzuim worden de zwemlessen gestaakt en garandeert het zwembad het behalen van het diploma niet langer als:

  • bijzonderheden die van invloed kunnen zijn op deelname aan de zwemles niet tijdig, onvolledig of onjuist aan de kassamedewerkers wordt doorgegeven;

  • minder dan 90% van de zwemlessen gevolgd is.

Als sprake is van langere tijd afwezigheid wegens ziekte wordt apart op individuele basis door de gemeente een regeling getroffen.

Artikel 33 Zomerzwemabonnement

De periode waarin een aanvraag kan worden ingediend sluit in beginsel aan bij het begin van de voorverkoop en eindigt op het moment van sluiting van de buitenbaden.

Alleen voor het bedrag van de voorverkoop wordt een vergoeding verstrekt. De vergoeding wordt rechtstreeks aan het zwembad betaald. De cliënt krijgt bij het zwembad het abonnement op vertoon van de toekenningsbeschikking. Als de cliënt het abonnement afhaalt buiten de voorverkoopperiode, moet de cliënt zelf het resterend bedrag bij betalen.

De borg voor het pasje krijgt cliënt weer terug van het zwembad, zodra het pasje terug ingeleverd wordt, dus daarvoor ontvangt de cliënt geen vergoeding.

HOOFDSTUK 4 SLOTBEPALINGEN

Artikel 34 Normenblad

Het normenblad kan aangepast worden, zonder de overige beleidsregels aan te passen. Zo kunnen bedragen geactualiseerd of aangepast worden, zonder dat de essentie van de beleidsregel gewijzigd wordt.

Artikel 35 Overgangsrecht

Voor zover de cliënt een toekenning heeft die gebaseerd is op oude beleidsregels, blijft deze toekenning van kracht tot de periode van toekenning is verstreken. Pas als er een nieuwe aanvraag ingediend wordt, zijn de nieuwe beleidsregels van toepassing. Dat geldt ook voor de draagkrachtperiode.

Alleen in het geval de cliënt een toekenning heeft voor medische kosten, kan deze toekenning (ongewijzigd) worden verlengd tot 1 januari 2022. Deze overgangstermijn stelt de cliënt in de gelegenheid om over te stappen naar de collectieve zorgverzekering, waar deze medische kosten wel vergoed worden.

Artikel 36 Inwerkingtreding en citeertitel

De oude beleidsregels worden niet gewijzigd, maar vervallen in het geheel. Daarvoor in de plaats komen deze beleidsregels.