Besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gilze en Rijen houdende regels omtrent maatschappelijke ondersteuning (Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning)

Geldend van 07-07-2021 t/m heden

Intitulé

Besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gilze en Rijen houdende regels omtrent maatschappelijke ondersteuning (Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning)

Hoofdstuk 1 Persoonsgebonden budget

Artikel 1.1 Regels rond verstrekking

  • 1. Verstrekking van een maatwerk voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget vindt plaats op verzoek van de aanvrager.

  • 2. Verstrekking in de vorm van een persoonsgebonden budget vindt niet plaats indien:

    • a.

      op grond van aanwijzingen die tijdens het onderzoek duidelijk zijn geworden het ernstige vermoeden bestaat dat de aanvrager problemen zal hebben bij het omgaan met een persoonsgebonden budget, dan wel als gevolg van zijn financiële situatie niet kan beschikken over (een deel van) het persoonsgebonden budget;

    • b.

      er sprake is van een aantoonbare schuldenlast waarbij het vermoeden bestaat dat het persoonsgebonden budget zal worden aangewend voor de afwenteling van de schuldenlast. Er wordt geen persoonsgeboden budget toegekend, maar er zal een voorziening in natura worden verstrekt.

  • 3. De voorziening voor een collectief systeem van aanvullend al dan niet openbaar vervoer wordt uitsluitend in natura verstrekt.

  • 4. Het persoonsgebonden budget wordt zo vastgesteld dat de aanvrager daarmee een voorziening kan kopen die gelijkwaardig is aan een voorziening in natura. Tenzij in dit Besluit anders is aangegeven, bedraagt het persoonsgebonden budget maximaal het bedrag dat het college aan de gecontracteerde leverancier betaalt voor de goedkoopst compenserende voorziening, inclusief onderhoud, keuring en reparatie en eventuele wettelijk verplichte verzekering.

  • 5. Het te verstrekken persoonsgebonden budget geldt voor de periode die gelijk is aan de technische levensduur van de voorziening;

  • 6. Wanneer een goedkopere voorziening wordt aangeschaft, wordt het persoonsgebonden budget beperkt tot aankoopprijs van de gekochte voorziening;

  • 7. Van de aanvrager wordt verwacht dat hij zorgvuldig met de voorziening omgaat en onnodige schade en slijtage voorkomt;

  • 8. De aanvrager moet zelf zorg dragen voor een aansprakelijkheidsverzekering voor schade die door het gebruik van de voorziening aan derden kan ontstaan;

Artikel 1.2 Regels rond verantwoording

De verantwoording van het persoonsgebonden budget door de budgethouder aan de Sociale Verzekeringsbank danwel de gemeente vindt plaats:

  • a.

    voor hulp bij het huishouden: jaarlijks achteraf, wordt gecontroleerd of de voorziening voldoende compenseert en op de juiste wijze wordt gebruikt;

  • b.

    voor woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen: na realisatie of aanschaf van de voorziening waarvoor het persoonsgebonden budget is verstrekt.

Artikel 1.3 Regels rond uitbetaling

De uitbetaling van het persoonsgebonden budget bij woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelvoorzieningen vindt vooraf plaats. Controle en eventuele terugvordering vinden plaats na het overleggen van de aankoopnota.

Artikel 1.4 Beheer PGB

  • 1. Als de cliënt onvoldoende in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen, kan iemand uit zijn sociale netwerk of zijn vertegenwoordiger namens hem de aan een pgb verbonden taken uitvoeren.

  • 2. Deze persoon uit het sociale netwerk of vertegenwoordiger van de cliënt mag niet degene zijn die de ondersteuning gaat bieden die met het pgb ingekocht wordt.

Hoofdstuk 2 Bijdrage in de kosten

Artikel 2.1 Bijdrage in de kosten

  • 1. De Gemeente Gilze en Rijen vraagt voor alle maatwerkvoorzieningen, waarvoor dit binnen het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning is toegestaan, een bijdrage in de kosten tot het maximum dat op grond van het Besluit maatschappelijke ondersteuning is toegestaan, tenzij in het vervolg van dit hoofdstuk hiervan wordt afgeweken.

  • 2. De Gemeente Gilze en Rijen kan voor algemene voorzieningen een bijdrage in de kosten vragen tot het maximum dat op grond van het Besluit maatschappelijke ondersteuning is toegestaan, tenzij in het vervolg van dit hoofdstuk hiervan wordt afgeweken

  • 3. Vaststelling van de bijdrage in de kosten vindt plaats door de gemeente, berekening en inning van de bijdrage in de kosten vindt plaats door het Centraal Administratiekantoor, zoals bedoeld in de wet.

Artikel 2.2 Omvang bijdrage in de kosten

De bijdrage in de kosten van een maatwerkvoorziening worden bepaald en jaarlijks aangepast aan de hand van het Uitvoeringsbesluit Wmo.

Artikel 2.3 Bedrag per periode van een maand

  • 1. Indien een voorziening bestaat uit het verschaffen van een bouwkundige of woontechnische aanpassing van een woning, dan wordt gedurende een periode van 36 maal een maand een bijdrage in de kosten in rekening gebracht. Het bedrag per periode wordt berekend door de kosten van de voorziening te delen door 36 perioden.

  • 2. Indien een voorziening bestaat uit het verschaffen van in bruikleen van een voorziening die eigendom is van de gemeente dan wordt gedurende een periode van 36 maal een maand een bijdrage in de kosten in rekening gebracht. Het bedrag per periode wordt berekend door de kosten van de voorziening te delen door 36 perioden.

  • 3. Indien een voorziening bestaat uit het verschaffen van een voorziening in bruikleen door een leverancier met wie de gemeente een contract heeft afgesloten, dan wordt per periode van een maand een bijdrage in rekening gebracht, zolang de verstrekking in bruikleen voortduurt. Het bedrag per periode is gelijk aan het bedrag dat de gemeente per periode van een maand aan de leverancier betaalt voor de voorziening.

  • 4. Indien een voorziening bestaat uit het verschaffen van een PGB voor de éénmalige aanschaf van een voorziening/hulpmiddel dan wordt gedurende een periode van 36 maal een maand een bijdrage in de kosten in rekening gebracht. Het bedrag per periode wordt berekend door de kosten van de voorziening te delen door 36.

  • 5. Indien een voorziening bestaat uit het verschaffen van een PGB voor dienstverlening (niet zijnde beschermd wonen of maatschappelijke opvang), dan wordt per periode van een maand een bijdrage in de kosten in rekening gebracht, zolang de verstrekking voortduurt. Het bedrag per periode is gelijk aan bedrag per maand zoals aangegeven in de beschikking. Aan het begin van het nieuw kalenderjaar volgt een verrekening op basis van het werkelijke verbruik van het PGB.

Artikel 2.4 Beperkingen

  • 1. De bijdrage mag nooit meer bedragen dan de kostprijs van de voorziening in natura, respectievelijk het bedrag van de PGB, de maandhuur die de gemeente voor de verstrekte voorziening betaalt.

    Er wordt geen bijdrage in de kosten meer gevraagd als degene aan wie de voorziening is verstrekt

    • a.

      is overleden;

    • b.

      is verhuisd en daardoor geen gebruik meer kan maken van de verstrekte woonvoorziening;

    • c.

      te kennen heeft gegeven geen gebruik meer te willen maken van een andere dan de onder b genoemde voorziening en er ook feitelijk geen gebruik van maakt.

  • 2. Een bijdrage in de kosten van een voorziening wordt niet opgelegd als de voorziening bestaat uit een algemene voorziening (bijvoorbeeld een maaltijdvoorziening of scootermobielpool).

  • 3. Een bijdrage in de kosten wordt niet opgelegd als de verstrekte voorziening bestaat uit Regiotaxi (collectief vraagafhankelijk vervoer).

  • 4. De bijdrage in de kosten wordt niet opgelegd:

    • voor reparatie-, onderhouds-, verzekerings- en keuringskosten die niet bij de eerste verstrekking in de kosten van de voorziening zijn inbegrepen;

    • over de jaarlijkse prijsverhoging (indexering) van de huurprijs die de gemeente betaalt voor hulpmiddelen;

    • als een cliënt geen vrije beschikking heeft over zijn middelen en daardoor geen betalingscapaciteit heeft om aan zijn verplichtingen te voldoen;

    • In situaties dat de verschuldigdheid van de bijdrage nadelig is voor een persoonsgerichte aanpak om bepaalde specifieke doelgroepen mee te laten doen in de samenleving.

Hoofdstuk 3 Hulp bij het huishouden

Artikel 3.1 Vormen van hulp bij het huishouden

De voorziening die de gemeente kan verstrekken voor de hulp bij het huishouden bestaat uit drie onderdelen:

  • 1.

    Voorziening in natura.

    Hierbij onderscheidt het college twee soorten dienstverlening:

    • a.

      Hbh 1: alleen schoonmaakwerkzaamheden.

    • b.

      Hbh 2: schoonmaakwerkzaamheden met organisatie van het huishouden

  • De keuze voor een categorie wordt bepaald door de complexiteit van de gezinssituatie en de aan- of afwezigheid van iemand die regie kan voeren.

  • Voor de uitvoering van de diensten kan worden gekozen tussen de aanbieders waarmee de Gemeente Gilze en Rijen een overeenkomst heeft gesloten.

  • 2.

    Een persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden.

    De aanvrager kan in plaats van zorg in natura een persoonsgebonden budget ontvangen voor de inkoop van hulp bij het huishouden. De aanvrager is dan zelf verantwoordelijk voor de inkoop van hulp bij het huishouden en het laten uitvoeren van de taken waarvoor hij/zij geïndiceerd is. Ook dient de aanvrager een salarisadministratie bij te houden en de uitgegeven bedragen te verantwoorden wanneer de gemeente en/of SVB daarom vraagt.

Artikel 3.2 Gebruikelijke zorg

Om te bepalen of tot de leefeenheid waar een persoon deel van uitmaakt een of meer huisgenoten behoren die in staat zijn tot het verrichten van gebruikelijke zorg wordt gebruik gemaakt van de CIZ-protocollen.

Artikel 3.3 Indicering.

De hulp bij het huishouden wordt geïndiceerd in uren en minuten per week.

Artikel 3.4 Vaststelling bedrag persoonsgebonden budget hulp bij het huishouden

De hoogte van het persoonsgebonden budget bedraagt maximaal per uur:

€ 27,73

hbh1 door een daartoe opgeleid persoon in dienst bij een zorgaanbieder

€ 19,41

hbh1 door een persoon uit het sociale netwerk

€ 29,54

hbh2 door een daartoe opgeleid persoon in dienst bij een zorgaanbieder

€ 20,68

hbh2 door een persoon uit het sociale netwerk

Hoofdstuk 4 Woonvoorzieningen

Artikel 4.1 Vaststellen hoogte bedrag woonvoorzieningen en uitvoering

  • 1. Het bedrag voor bouwkundige- of woontechnische woonvoorzieningen wordt vastgesteld op basis van een door het college goedgekeurde offerte op basis van de kosten van de goedkoopst compenserende voorziening.

  • 2. Het persoonsgebonden budget voor een woonvoorziening bedraagt maximaal het bedrag dat het college aan de gecontracteerde leverancier betaalt voor de goedkoopst compenserende voorziening, inclusief onderhoud, keuring en reparatie.

  • 3. De hoogte van een door burgemeester en wethouders te verlenen bedrag voor een woonvoorziening in natura bedraagt 100% van de voor vergoeding in aanmerking komende werkelijk gemaakte kosten van de goedkoopste compenserende voorziening.

  • De hoogte van een door burgemeester en wethouders te verlenen persoonsgebonden budget in de kosten van een woningaanpassing, bedraagt 100% van de voor vergoeding in aanmerking komende kosten van de goedkoopste compenserende voorziening zoals opgenomen in de door het college geaccordeerde offerte.

  • 4. Bij het opstellen van de kostenberekening en bij de beoordeling van de offerte wordt naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid rekening gehouden met kostenposten voor woningaanpassingen en extra bouw en grondkosten.

  • 5. Het college van burgemeester en wethouders biedt de aanvrager van een woningaanpassing de keuze tussen een persoonsgebonden budget of het toekennen van een woonvoorziening in natura.

Artikel 4.2 Het primaat van verhuizing

In de verordening is het primaat van de verhuizing opgenomen. Het primaat van verhuizing in ieder geval niet van toepassing indien de kosten van woningaanpassing van de door de persoon met beperkingen bewoonde woning minder bedragen dan € 5.000,00.

Indien het primaat van de verhuizing niet van toepassing is, kan een woonvoorziening in de vorm van een woningaanpassing worden toegekend.

Artikel 4.3 Terugbetaling bij verkoop

  • 1. De eigenaar-bewoner, die een woonvoorziening heeft ontvangen die leidt tot waardestijging van de woning, dient bij verkoop van deze woning binnen een periode van 10 jaar na gereedmelding van de voorziening, deze verkoop van de woning onverwijld aan het college te melden. De meerwaarde van de woning dient volgens het door het college vastgelegde afschrijvingsschema te worden terugbetaald.

  • 2. Deze verplichting is van toepassing als de woonvoorziening gerealiseerd is in de vorm van uitbreiding van de woning door een aan- op- of bijbouw al dan niet gepaard gaande met verwerving van de voor de bouw benodigde grond.

  • 3. De vaststelling van de eventuele meerwaarde geschiedt door een beëdigd taxateur, aan te wijzen door de woningeigenaar.

  • 4. Het te restitueren bedrag bedraagt voor het eerste jaar na gereedmelding 100 procent van de meerwaarde;

    • -

      voor het tweede jaar 90% van de meerwaarde,

    • -

      voor het derde jaar 80% van de meerwaarde,

    • -

      voor het vierde jaar 70% van de meerwaarde,

    • -

      voor het vijfde jaar 60% van de meerwaarde,

    • -

      voor het zesde jaar 50% van de meerwaarde,

    • -

      voor het zevende jaar 40% van de meerwaarde,

    • -

      voor het achtste jaar 30% van de meerwaarde,

    • -

      voor het negende jaar 20% van de meerwaarde,

    • -

      voor het tiende jaar 10% van de meerwaarde.

  • maar nooit meer dan het bedrag dat ten laste van de gemeente is gekomen in verband met de getroffen voorzieningen. Op het te restitueren bedrag worden de kosten van de taxatie in mindering gebracht.

Hoofdstuk 5 Het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel

Artikel 5.1 Het primaat van het collectief vervoer

Een aanvrager kan slechts voor een andere vervoersvoorzieningen in aanmerking worden gebracht wanneer een collectief vervoerssysteem geen of onvoldoende compensatie biedt of niet beschikbaar is.

Artikel 5.2 Collectief aanvullend vervoer ('Regiotaxi')

  • 1. De Wmo-gerechtigde die in aanmerking komt voor het Collectief Vraagafhankelijk Vervoer (CVV), wordt een Wmo Regiotaxipas verstrekt, op vertoon waarvan hij gebruik kan maken van de Regiotaxi tegen 'betaling' van de voor de betreffende rit benodigde strippen.

  • 2. Voor de tarifering van het CVV wordt een zone indeling gehanteerd, zoals eerder bij het openbaar busvervoer gebruikelijk was, en een strippensysteem. De zone-indeling is gelijk aan de indeling in de OV-tariefzones.

  • 3. Op basis van de kortste afstand wordt berekend wat de kosten zijn voor de cliënten. Afstanden tot 25 kilometer zijn tegen Wmo-tarief, met een maximaal kilometerbudget van 2000km per jaar.

  • 4. Een cliënt is een bijdrage verschuldigd in de kosten van het gebruik van collectief vervoer (regiovervoer/regiotaxi) ter hoogte van;

    • a.

      Een instaptarief en een bijdrage per kilometer op het niveau van het in de regio geldende standaardtarief van openbaar vervoer, of in afwijking daarvan;

    • b.

      Een instaptarief en een bijdrage per kilometer met een hoger tarief zodra de cliënt zijn jaarlijks te gebruiken kilometerbudget heeft verbruikt;

    • c.

      De bedragen, zoals bedoeld onder a, worden jaarlijks vastgesteld door de Provincie Noord-Brabant en de Stuurgroep Regiovervoer Midden Brabant

    • d.

      De bedragen, zoals bedoeld onder b, worden jaarlijks vastgesteld door de Stuurgroep Regiovervoer Midden Brabant.

  • 5. Er is sprake van een instaptarief voor de Wmo-pashouder van € 0,98.

  • 6. Het Wmo-tarief bedraagt € 0,172 per kilometer. Het doorreistarief bedraagt € 1,43.

Artikel 5.3 Omvang en uitbetaling persoonsgebonden budget vervoersvoorziening

  • 1. Het persoonsgebonden budget te besteden aan een vervoersvoorziening bedraagt maximaal het bedrag dat het college aan de gecontracteerde leverancier betaalt voor de goedkoopst compenserende voorziening;

  • 2. Indien nodig wordt het persoonsgebonden budget verhoogd met een bedrag voor onderhoud, reparatie en eventueel verplichte verzekering;

  • 3. Het persoonsgebonden budget wordt verstrekt voor een periode van de economische/ technische levensduur van de voorziening. Binnen deze periode wordt voor dezelfde of soortgelijke voorziening slechts eenmaal een persoonsgebonden budget verstrekt;

  • 4. Uitbetaling van het persoonsgebonden budget vindt plaats voorafgaand aan de aankoop van de voorziening. Na het overleggen van de nota('s) waaruit blijkt dat een voorziening is gekocht, conform het programma van eisen, vindt controle en eventuele terugvordering plaats;

Hoofdstuk 6 Verplaatsen in en rond de woning

Artikel 6.1 Omvang en uitbetaling persoonsgebonden budget rolstoelvoorziening

  • 1. Het persoonsgebonden budget te besteden aan een rolstoelvoorziening bedraagt maximaal het bedrag dat het college aan de gecontracteerde leverancier betaalt voor de goedkoopst compenserende voorziening.

  • 2. Indien nodig wordt het persoonsgebonden budget verhoogd met een bedrag voor onderhoud, reparatie en eventueel verplichte verzekering.

  • 3. Het persoonsgebonden budget wordt verstrekt voor een periode van de economische/technische levensduur van de voorziening. Binnen deze periode wordt voor dezelfde of soortgelijke voorziening slechts eenmaal een persoonsgebonden budget verstrekt.

  • 4. Uitbetaling van het persoonsgebonden budget vindt plaats voorafgaand aan de aankoop van de voorziening. Na het overleggen van de nota('s) waaruit blijkt dat een voorziening is gekocht, conform het programma van eisen, vindt controle en eventuele terugvordering plaats.

Hoofdstuk 7 Begeleiding, opvang en beschermd wonen

Artikel 7.1 Omvang Begeleiding Individueel

De omvang van de indicatie voor individuele begeleiding (het aantal uren) is gebaseerd op de optelsom van de duur van de betreffende activiteiten.

Artikel 7.2 Omvang Begeleiding Groep

Begeleiding groep wordt vastgesteld in dagdelen. Een dagdeel staat gelijk aan maximaal 4 aaneengesloten uren. Het aantal dagdelen Begeleiding Groep dat wordt geïndiceerd is afhankelijk van:

  • De noodzaak;

  • de mogelijkheden van de cliënt;

  • Het doel dat begeleiding groep voor deze specifieke cliënt heeft;

  • De mogelijkheden van de specifieke dagbestedingsgroep.

Artikel 7.3 Vervoer bij Begeleiding Groep

Bij een indicatie voor Begeleiding Groep zal ook worden onderzocht of de cliënt in staat is om de locatie van de dagbesteding te bereiken. Wanneer dit niet mogelijk is kan vervoer van en naar de dagbesteding worden geïndiceerd.

Artikel 7.4 Kortdurend verblijf

  • 1. Als er sprake is van de combinatie van voortdurende zorg en toezicht van de cliënt en dreigende overbelasting van de mantelzorger en als andere voorliggende voorzieningen niet voldoen, kan kortdurend verblijf worden geïndiceerd. Een uitzondering hierop geldt wanneer het gaat om ouders die bovengebruikelijke zorg verlenen aan hun kinderen.

  • 2. De omvang van kortdurend verblijf is 1, 2 of 3 etmalen per week, afhankelijk van wat noodzakelijk is in de specifieke situatie van de cliënt.

  • 3. In de instelling waar de cliënt kortdurend verblijft wordt de dagelijkse zorg overgenomen. Wanneer verpleging nodig is moet hiervoor apart een indicatie op grond van de Wlz worden geïndiceerd.

  • 4. Bij een indicatie voor kortdurend verblijf zal ook worden onderzocht of de cliënt in staat is om de instelling voor kortdurend verblijf te bereiken. Wanneer dit niet mogelijk is, kan vervoer worden geïndiceerd.

Artikel 7.5 Vaststelling bedrag persoonsgebonden budget begeleiding

De hoogte van het persoonsgebonden budget voor begeleiding, wordt bepaald op basis van een door de cliënt op te stellen Pgb-plan Wmo. De hoogte bedraagt maximaal voor:

  • 1.

    begeleiding uitgevoerd door een daartoe opgeleid persoon in dienst bij een zorgaanbieder: op basis van het toepasselijke tarief per uur of resultaat dat hiervoor zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder;

  • 2.

    begeleiding uitgevoerd door een persoon uit het sociale netwerk: op basis van 70% van het toepasselijke tarief per uur of resultaat dat hiervoor zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder;

  • 3.

    vervoer van en naar de dagbesteding:

    op basis van het in de regio gangbare toepasselijke tarief, uitgaande van de dichtst bij de woning van de cliënt gelegen geschikte dagbestedingslocatie en rekening houdende met eventuele beperkingen die het reizen met bepaalde vormen van het openbaar vervoer door de cliënt belemmeren.

Hoofdstuk 8 Slotbepalingen

Artikel 8.1 Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen in het voordeel van de cliënt afwijken van de bepalingen in dit besluit als door toepassing ervan de cliënt duidelijk onrecht wordt aangedaan.

Artikel 8.2 Citeertitel en inwerkingtreding

  • 1. Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning.

  • 2. Dit besluit treedt in werking per 1 januari 2020 en vervangt het vorige gelijknamige besluit.

Ondertekening