Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Katwijk houdende regels omtrent jeugdhulp (Verordening Jeugdhulp Katwijk 2021)

Geldend van 02-07-2021 t/m 31-12-2021

Intitulé

Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Katwijk houdende regels omtrent jeugdhulp (Verordening Jeugdhulp Katwijk 2021)

De raad van de gemeente Katwijk;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van Katwijk van 11 mei 2021;

gelet op;

  • Jeugdwet artikel 2.9, 2.10, 2.12

  • Gemeentewet artikel 147 lid 1

Besluit vast te stellen:

De Verordening Jeugdhulp Gemeente Katwijk 2021 vast te stellen

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepaling

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt (mede) verstaan onder:

  • a.

    Andere voorziening: voorziening niet vallend onder de Jeugdwet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen;

  • b.

    Het college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Katwijk;

  • c.

    Ondersteuningsvraag: behoefte van een jeugdige of een ouder aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperkingen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet;

  • d.

    Ondersteuningsplan: familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet;

  • e.

    Pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de Jeugdwet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige of zijn ouders, dat hen in staat stelt de jeugdhulp die in de vorm van een individuele voorziening is toegekend van derden te betrekken;

  • f.

    Wijkteam: Multidisciplinair team bestaande uit sociaal professionals die zorg en ondersteuning bieden aan alle inwoners van Katwijk en die de toeleiding verzorgen naar algemene en individuele voorzieningen.

Artikel 2 Wijkteam

  • 1. Het college draagt zorg voor een wijkteam.

  • 2. Het wijkteam biedt ondersteuning en zorg aan jeugdigen en volwassenen door zo nodig professionals uit verschillende leefdomeinen in een gezamenlijke aanpak bij elkaar te brengen die werken volgens het principe één gezin, één plan en één regisseur.

  • 3. Ten aanzien van jeugdhulpvragen biedt het wijkteam consultatie en advies, basisdiagnostiek en zorgcoördinatie. Ambulante jeugdhulp en preventieve groepsgerichte trainingsaanbod wordt verricht door de jeugdhulpverlener van het wijkteam.

Hoofdstuk 2. Vormen van jeugdhulp

Artikel 3 Algemene voorzieningen

  • 1. Een algemene voorziening is een voorziening die rechtstreeks toegankelijk is zonder toegangsbeoordeling, of op basis van een beperkte toegangsbeoordeling.

  • 2. De volgende vormen van algemene voorzieningen zijn beschikbaar:

    • a.

      Jeugdgezondheidszorg;

    • b.

      Informatie, training en opvoedadvies;

    • c.

      Kortdurende pedagogische ondersteuning;

    • d.

      Jeugd- en Jongerenwerk;

    • e.

      Jeugd- en gezinsondersteuning vanuit het wijkteam;

    • f.

      Praktijkondersteuner Huisartsen GGZ Jeugd (POH GGZ Jeugd).

Artikel 4 Individuele jeugdhulpvoorzieningen

  • 1. Een individuele jeugdhulpvoorzieningen is een specialistische jeugdhulpvoorziening die door het college wordt toegekend en verstrekt aan de in de gemeente Katwijk woonachtige jeugdige en/of ouder. Een individuele jeugdhulpvoorziening kan in natura of als persoonsgebonden budget (pgb) worden verstrekt.

  • 2. Als individuele jeugdhulpvoorziening wordt overeenkomstig de Dienstomschrijvingen Jeugdhulp Holland Rijnland aangemerkt:

    • a.

      Generalistische Basis GGZ Jeugd;

    • b.

      Specialistische GGZ Jeugd;

    • c.

      Gespecialiseerde jeugdhulp jeugdigen met een beperking;

    • d.

      Dagbehandeling en dagbesteding

    • e.

      Ambulante jeugdhulp;

    • f.

      Ernstige enkelvoudige dyslexie;

    • g.

      24-uurs zorg Jeugd- en Opvoedhulp;

    • h.

      Gesloten jeugdhulp;

    • i.

      Jeugdbescherming;

    • j.

      Jeugdreclassering;

    • k.

      Vervoer van en naar een locatie waar jeugdhulp door een jeugdhulpaanbieder wordt geboden.

  • 3. Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de duur en maximaal aantal uur waarop aanspraak kan worden gemaakt.

  • 4. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op kosteloze, onafhankelijke cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is en wijst de jeugdige en/ of ouders op de mogelijkheid gebruik te maken van kosteloze, onafhankelijke cliëntondersteuning.

Hoofdstuk 3. Behandeling Jeugdhulpvraag

Artikel 5 Ondersteuningsvraag

  • 1. Iedere jeugdige en/of ouder woonachtig in de gemeente Katwijk met een ondersteuningsvraag kan zich wenden tot:

    • a.

      Het wijkteam, of

    • b.

      Een bevoegde professional zoals een huisarts, medisch specialist of jeugdarts.

  • 2. In het geval dat de ondersteuningsvraag is gesteld aan het wijkteam, vindt in navolging daarvan zo spoedig mogelijk een gesprek plaats tussen de jeugdige en/of zijn ouders en het wijkteam.

  • 3. De jeugdige of zijn ouders verstrekken desgevraagd aan het wijkteam voorafgaand aan of tijdens het gesprek alle gegevens, die naar het oordeel van het wijkteam voor het onderzoek nodig zijn.

  • 4. Het wijkteam verzamelt in overleg met de jeugdige en/of de ouders de noodzakelijke en toegankelijke gegevens over de jeugdige en zijn situatie.

  • 5. Het wijkteam informeert de jeugdige en/of de ouders over de gang van zaken bij het gesprek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure.

  • 6. Het wijkteam stelt in een of meerdere gesprek(ken) samen met de jeugdige en/of zijn ouders vast:

    • a.

      Wat de ondersteuningsvraag is met daarbij specifiek aandacht voor de gezinssituatie op de verschillende leefgebieden, dit vormt de basis van de integrale werkwijze;

    • b.

      Wat de opgroei- en opvoedingsproblemen stoornissen en psychische problematiek zijn met daarbij specifiek aandacht voor de beoogde resultaten van de ondersteuning;

    • c.

      Of en welke ondersteuning nodig is rekening houdend met leeftijd en ontwikkelingsniveau, met daarbij specifiek aandacht voor de aard en omvang van de ondersteuning.

    • d.

      Op welke wijze de ondersteuningsvraag opgelost kan worden, met daarbij specifiek aandacht voor:

      • i.

        Wat de jeugdige, zijn ouders en het sociale netwerk met de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen zelf kunnen doen en wat naar algemene maatstaven van hen verwacht magen worden (gebruikelijke hulp). Als kader wordt hierbij gebruik gemaakt van hoofdstuk 4 van de CIZ indicatiewijzer versie 7.1 van juli 2014 (toelichting op de beleidsregels indicatiestelling AWBZ 2014);

      • ii.

        Of en welke ondersteuning nodig is vanuit de algemene voorzieningen;

      • iii.

        Of en welke ondersteuning nodig is in de vorm van een individuele voorziening;

      • iv.

        Op welke wijze de ondersteuning wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, wonen of werk en inkomen;

      • v.

        Welke andere voorzieningen (deels) voorliggend zijn;

      • vi.

        Of er sprake is van de wens voor een pgb en

      • vii.

        Of een pgb passend is voor de situatie en of het beheren en of uitvoeren ervan niet tot overbelasting leidt.

    • e.

      Wanneer en op welke wijze wordt geëvalueerd of aan de ondersteuningsvraag is voldaan of dat het ingezette ondersteuningsbeleid gewijzigd dient te worden.

  • 7. Het wijkteam en de jeugdige en/of zijn ouders leggen de zaken genoemd in het zesde lid vast in een ondersteuningsplan dat door het wijkteam en de jeugdige en/of zijn ouders ondertekend wordt.

Artikel 6 Toekennen individuele jeugdhulpvoorziening

  • 1. Het college besluit over toekenning van een individuele jeugdhulpvoorziening. Als aanvraag wordt enkel aangemerkt een door het wijkteam en de jeugdige en/of diens ouders ondertekend ondersteuningsplan.

  • 2. In afwijking van het eerste lid blijft een ondersteuningsplan achterwege na verwijzing door een bevoegd professional zoals de huisarts, medisch specialist of jeugdarts, als en voor zover de jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is.

  • 3. Wanneer het oordeel van de jeugdhulpaanbieder is dat de inzet van jeugdhulp die benodigd is de grenzen van de verordening of de door het college gestelde nadere regels overschrijdt, besluit het college niet over toekenning van een individuele jeugdhulpvoorziening voordat de jeugdhulpaanbieder de overschrijding nader heeft gemotiveerd.

  • 4. Het college legt haar besluit als bedoeld in voorgaande leden vast in een beschikking in ieder geval:

    • a.

      Bij de verstrekking van een pgb;

    • b.

      Bij de afwijzing van een aanvraag;

    • c.

      Bij een verzoek van de jeugdige of zijn ouders om een beschikking te ontvangen.

  • 5. Een jeugdige die de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt en die de jeugdhulp heeft aangevraagd ontvangt een beschikking aan zijn persoon gericht.

Artikel 7 Individuele jeugdhulpvoorziening via pgb

  • 1. Pgb-vaardigheid aanvrager

  • Het pgb brengt voor de budgetverantwoordelijke verantwoordelijkheden en verplichtingen met zich mee. Het wijkteam bepaalt de pgb-vaardigheid van de aanvrager. Deze vaardigheid wordt getoetst op de volgende onderdelen.

    • a.

      Kwaliteit van het persoonlijk budgetplan (pgb-plan)

    • b.

      Financieel beheer

    • c.

      Zorginhoudelijk beheer

    • d.

      Werkgeverschap

  • 2. Persoonlijk budgetplan

  • In afwijking van artikel zes, eerste lid, wordt pgb aangevraagd middels een door het colleg vastgesteld pgb-plan. In het pgb-plan staat in ieder geval:

    • a.

      Welke soort en de mate van jeugdhulp de jeugdige of zijn ouders gezien de ondersteuningsvraag willen inkopen met het pgb en wat het beoogde resultaat is;

    • b.

      Hoe het beoogde resultaat bijdraagt aan de doelen in het ondersteuningsplan;

    • c.

      Hoe de jeugdige of zijn ouders de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uitvoeren, of wie hiervoor is gemachtigd;

    • d.

      Waarom de jeugdige of zijn ouders de jeugdhulp “in natura” niet passend vinden;

    • e.

      Hoe de kwaliteit van de zelf in te kopen jeugdhulp is gewaarborgd;

    • f.

      Hoe er wordt omgegaan met uitval door ziekte van de zorgverlener;

  • 3. Het tarief voor een pgb:

    • a.

      Is gebaseerd op een door de jeugdige en/of zijn ouders opgesteld ondersteuningsplan over hoe zij het pgb gaan besteden;

    • b.

      Bedraagt niet meer dan het voor zorg in natura overeengekomen tarief van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate individuele voorziening in natura;

    • c.

      Is toereikend om effectieve en kwalitatief goede zorg in te kopen.

  • 4. Bij toekenning van afzonderlijke budgetten heeft de cliënt binnen deze afzonderlijke budgetten bestedingsvrijheid ten aanzien van de keuze van zorgaanbieder.

  • 5. Het is niet toegestaan het budget voor professionele begeleiding in te zetten voor niet-professionele hulpverlening.

  • 6. De cliënt stemt met de zorgaanbieder af op welke wijze de ondersteuning plaatsvindt.

  • 7. Het pgb mag uitsluitend worden gebruikt voor de inkoop van de in de beschikking genoemde voorzieningen en ten behoeve van de verwezenlijking van de bij die voorzieningen genoemde doelen. Het budget kan niet besteed worden aan bemiddelings- en administratiekosten en er is geen eenmalig vrij te besteden bedrag.

  • 8. De wijze waarop de hoogte van het pgb wordt vastgesteld, is als volgt:

    • a.

      Indien voor een bepaalde voorziening geen adequate individuele voorziening in natura is ingekocht, wordt ter bepaling van de hoogte van het pgb:

      • één of meerdere offertes opgevraagd;

      • eventueel een nader gesprek gevoerd met de jeugdhulpaanbieder;

      • voor jeugd wordt het Tarievenoverzicht Zorg in Natura Jeugdhulp regio Holland Rijnland gehanteerd, als basis voor het toe te kennen bedrag aan pgb. De geoffreerde prijs mag dus maximaal het bedrag zijn zoals genoemd in het Tarievenoverzicht Zorg in Natura Jeugdhulp regio Holland Rijnland.

    • b.

      Als een zorgaanbieder voldoet aan de eisen zoals gesteld in het Besluit nadere regels jeugdhulp gemeente Katwijk, bedraagt het pgb maximaal 100% van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate voorziening in natura. De zorgaanbieder wordt dan aangeduid als ‘professionele zorgaanbieder’.

    • c.

      Het pgb dat wordt ingezet voor diensten door ‘niet-professionele zorgaanbieder’ (bijvoorbeeld door iemand uit het sociale netwerk van de cliënt) bedraagt voor individuele ondersteuning en persoonlijke verzorging het vaste bedrag van € 17,- per uur. Voor groepsgerichte ondersteuning wordt rekening gehouden met groepscontacttijd; Totale tijd van aanwezige begeleider/ondersteuner, delen door het aantal aanwezige cliënten.

    • d.

      Indien jeugdhulp geboden wordt door bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad is er altijd sprake van informele hulp en geldt het tarief voor 'niet-professionele zorgaanbieder’.

Artikel 8 Jeugdhulp bij kinderbeschermingsmaatregel en jeugdreclassering

  • 1. Het college zorgt voor inzet van de jeugdhulp die:

    • a.

      De rechter of de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel, en/of

    • b.

      De rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële inrichting nodig achten bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing, of die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van jeugdreclassering.

Artikel 9 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering

  • 1. Onverminderd artikel 8.1.2 van de Jeugdwet doen een jeugdige en/of zijn ouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hen redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele jeugdhulpvoorziening.

  • 2. Onverminderd artikel 8.1.4 van de Jeugdwet kan het college een beslissing aangaande een individuele jeugdhulpvoorziening herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat:

    • a.

      De jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

    • b.

      De jeugdige of zijn ouders niet langer op de individuele jeugdhulpvoorziening of op het pgb zijn aangewezen;

    • c.

      De individuele jeugdhulpvoorziening of het pgb niet meer toereikend is om de doelen te behalen;

    • d.

      De jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van de individuele jeugdhulpvoorziening of het pgb;

    • e.

      De jeugdige of zijn ouders de individuele jeugdhulpvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bestemd en

    • f.

      De jeugdigen of zijn ouders het persoonsgebonden budget besteden aan een persoon die gebruikelijke hulp zou moeten bieden maar daartoe niet (meer) in staat is wegens overbelasting of dreigende overbelasting.

  • 3. Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van degene die opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens heeft verschaft geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten individuele jeugdhulpvoorziening of het ten onrechte genoten pgb.

  • 4. Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen een halfjaar na uitbetaling of binnen de termijn waarvoor het is toegekend niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.

Hoofdstuk 4 Overige bepalingen

Artikel 10 Bestrijding oneigenlijk gebruik, misbruik en niet-gebruik

  • 1. Het college informeert jeugdigen en ouders in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een jeugdhulpvoorziening zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.

  • 2. Het college kan een toezichthouder aanwijzen die belast is met het houden van toezicht op de naleving van rechtmatige uitvoering van de wet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van deze wet.

  • 3. Het college onderzoekt, al dan niet steekproefsgewijs, of de verstrekte voorzieningen worden besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze verstrekt zijn. Tevens beoordeelt het college of de cliënt nog voldoet aan de criteria om voor een pgb in aanmerking te komen.

Artikel 11 Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering

Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, in ieder geval rekening met:

  • a.

    De aard en omvang van de te verrichten taken;

  • b.

    De voor de sector toepasselijke Cao-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie.

Artikel 12 Vertrouwenspersoon

  • 1. Het college zorgt ervoor dat jeugdigen en/of ouders een beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon.

  • 2. Het college wijst jeugdigen en ouders erop dat zij zich desgewenst kunnen laten bijstaan door een onafhankelijke vertrouwenspersoon.

Artikel 13 Inspraak en medezeggenschap

  • 1. Het college betrekt de ingezetenen van de gemeente bij de voorbereiding van het beleid betreffende jeugdhulp overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.

  • 2. Het college legt periodiek ontwikkelingen en belangrijke te nemen besluiten op het gebied van jeugdhulp voor aan een vertegenwoordiging van ingezetenen, zoals een inwonersadviesraad, waarover zij advies kunnen uitbrengen. Waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aandragen, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.

Artikel 14 Klachtregeling

Het college behandelt klachten van jeugdigen en/of ouders die betrekking hebben op de wijze van afhandeling door of namens het college van jeugdhulpvragen en aanvragen als bedoeld in deze verordening, overeenkomstig de bepalingen van de vastgestelde regeling van klachtenbehandeling.

Artikel 15 Toepassen verordening en stellen nadere regels

  • 1. Indien bij het toepassen en uitvoeren van deze verordening onduidelijkheid ontstaat over het gebruik, dan zijn de in de Jeugdwet opgenomen begrippen en bepalingen leidend.

  • 2. Voor zover noodzakelijk voor de uitvoering van deze verordening, kan het college nadere regels stellen.

  • 3. Het college maakt nadere afspraken met de huisartsen, de medisch specialisten, de jeugdartsen en de zorgverzekeraars over de verwijzing.

Artikel 16 Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze verordening, als toepassing van deze verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 17. Intrekking oude verordening en overgangsrecht

  • 1. De Verordening jeugdhulp Katwijk 2015 wordt ingetrokken.

  • 2. Een jeugdige of ouders houdt(en) recht op een lopende voorziening, verstrekt op grond van de Verordening jeugdhulp Katwijk 2015 totdat het college een nieuw besluit heeft genomen.

  • 3. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening jeugdhulp Katwijk 2015 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening.

  • 4. Beslissing op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening jeugdhulp gemeente Katwijk 2015 geschiedt op grond van deze verordening, die ten aanzien van de betreffende zaak zijn rechtskracht behoudt.

Artikel 18 Inwerkingtreding

  • 1. De verordening treedt in werking op 2 juli 2021.

  • 2. De Verordening Jeugdhulp Katwijk 2015 vervalt op 2 juli 2021.

Artikel 19 Citeertitel

  • 1. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Jeugdhulp Katwijk 2021.

Ondertekening

Algemene toelichting aanpassing

Verordening jeugdhulp gemeente Katwijk

De voorliggende Verordening jeugdhulp 2021 is een actualisatie van de huidige verordening jeugdhulp daterende uit 2018. Deze verordening is geschreven vanuit de lokale realiteit van de gemeente Katwijk, echter behoudt deze op onderdelen de regionale accenten gezien de regionale inkoop van jeugdhulp met de 13 gemeenten in de Holland Rijnland. De Jeugdwet en het op 12 maart 2020 vastgestelde Programmaplan Jeugdhulpaanbod vanaf 2021 Duin- en Bollenstreek geven de kaders voor deze verordening.

Artikelsgewijze toelichting

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepaling

Het aantal definities van artikel 1 is beperkt, aangezien de wet al een flink aantal definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening. Deze wettelijke definities zijn dan ook niet nogmaals opgenomen in deze verordening. Dit zou overbodig zijn en bovendien voor verwarring kunnen zorgen als er bijvoorbeeld door een latere wetswijziging een verschil zou ontstaan tussen de omschrijving in de verordening en de wettelijke omschrijving.

Artikel 2 Wijkteam

In Katwijk vormen vanaf 2020 de wijkteams de spil in de toegang tot ondersteuning op het gebied van wonen, werk, welzijn en zorg. Deze wijkteams stellen samen met de inwoners een ondersteuningsarrangement op voor alle levensdomeinen. De werkwijze van het sociale wijkteam gaat primair uit van de eigen mogelijkheden van de burger en zijn sociale netwerk. Indien dit niet voldoende is, kan gebruik worden gemaakt van collectieve voorzieningen. Indien dit ook niet voldoende blijkt te zijn, wordt individuele (professionele) ondersteuning ingezet. Hiervoor hanteert de gemeente Katwijk het 1Gezin1Plan1Regisseur- model. Dit regisseursmodel houdt in dat leden van de wijkteams tijdens een gesprek, samen met de inwoner een resultaat formuleren. Hiermee zijn de teams niet zomaar een doorgeefluik. Op basis van hun specialistische kennis maken zij een inschatting van wat nodig is.

Dat kan ook betekenen dat de wijkteammedewerker zelf kortdurende herstelhulpverlening biedt. Daarvan kan sprake zijn als de inschatting is dat de ondersteuning niet meer dan drie maanden nodig is.

Hoofdstuk 2 Vormen van jeugdhulp

Hoofdstuk 2 is een nadere uitwerking van artikel 2.9, onder a, van de Jeugdwet, waarin is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen, in onze verordening de individuele jeugdhulpvoorzieningen en algemene voorzieningen genoemd. Uit de Memorie van Toelichting bij artikel 2.9 komt naar voren dat de burger recht heeft op een duidelijk beeld van het aanbod van de voorzieningen binnen de gemeente. In deze artikelen stelt de raad daarvoor de kaders, en noemt dat het college later voor uitvoering nadere regels kan opstellen.

Artikel 3 Algemene voorzieningen

Artikel 3 regelt de jeugdhulpvoorzieningen die vrij toegankelijk zijn. Dit betekent dat een jeugdige en/of de ouders hier gebruik van kunnen maken zonder dat hiervoor een toegangsbeslissing van de gemeente of verwijzing van een arts zoals genoemd in artikel 4 noodzakelijk is. De in deze verordening genoemde algemene voorzieningen worden in de Jeugdwet `overige voorzieningen` genoemd.

Artikel 4 Individuele jeugdhulpvoorzieningen

Bij individuele jeugdhulpvoorzieningen gaat het om situaties waarin ernstige of complexe problemen zijn en waarvoor meer of andere hulp nodig is, dan waarin het wijkteam kan voorzien. In dit geval is het nodig dat de jeugdige en/of ouders een aanvraag indienen. Voor deze niet vrij toegankelijke vormen van hulp zal eerst beoordeeld moeten worden of de jeugdige of zijn ouders deze hulp daadwerkelijk nodig hebben. De gemeente bepaalt zelf welke hulp vrij toegankelijk is en welke niet.

Lid 3 bepaalt dat in afstemming met jeugdhulpaanbieders, onderwijs en andere specialisten in het krachtenveld rondom jeugdhulp (Wet langdurige zorg, Zorgverzekeringswet, Wet passend onderwijs) er nieuwe en duidelijkere kaders geformuleerd zijn voor specifieke vormen van jeugdhulp. De belangrijkste afspraken zijn op het gebied van inhoudelijke afbakening, maximale ureninzet en duur van de inzet. Voor wat betreft het jeugdhulpproduct begeleiding zijn deze afspraken opgenomen in de contracten voor de gecontracteerde aanbieders. Door de toevoeging van dit lid beperken deze afspraken zich niet enkel tot de gecontracteerde zorg.

Lid 4 bepaalt dat de Jeugdwet gemeenten verplicht tot het beschikbaar stellen van een onafhankelijke vertrouwenspersoon voor Jeugdwetcliënten. Dit is geborgd in artikel 12 van deze verordening. De Wet maatschappelijk ondersteuning (Wmo) verplicht gemeenten tot het inrichten van de functie onafhankelijk cliëntondersteuner voor het gehele sociale domein, dus ook voor cliënten van de Jeugdwet. In dit artikel wordt dit ook voor de jeugdwetcliënten vastgelegd.

Hoofdstuk 3 Behandeling Jeugdhulpvraag

In dit hoofdstuk wordt uitgewerkt hoe de gemeente de toeleiding naar jeugdhulp uitwerkt. In artikel 2.3 lid 1 van de Jeugdwet staat dat er deskundige toeleiding naar en advisering over jeugdhulpvoorzieningen beschikbaar moet zijn voor jeugdigen en ouders die jeugdhulpvragen hebben.

Artikel 5 Ondersteuningsvraag

Het wijkteam is een laagdrempelige toegang waar ouders en jongeren terecht kunnen met hun vragen over gezondheid, opgroeien en opvoeden. Het wijkteam biedt advies, ondersteuning en hulp op maat.

Lid 1 beschrijft dat de jeugdige en/of de ouder zich rechtstreeks bij het wijkteam kunnen melden. Dat kan in het fysieke wijkteam, via de website of bijvoorbeeld als de hulpverlener van het wijkteam aanwezig is op een school. Jeugdigen en ouders kunnen ook op andere manieren contact met het wijkteam hebben en stellen daar hun vragen over opgroeien en opvoeden. Het wijkteam bepaalt samen met de cliënt welke doelen/ resultaten bereikt moeten worden. In overleg met de cliënt en de jeugdhulpaanbieder wordt samen bepaald hoe deze resultaten behaald kunnen worden. Het wijkteam volgt en houdt regie en evalueert op de voortgang van de resultaten bij de cliënt. In artikel 2.6, eerste lid, onderdeel g, van de Jeugdwet is geregeld dat, naast de door de gemeente georganiseerde toegang tot jeugdhulp, ook de huisarts, medisch specialist en jeugdarts kunnen verwijzen naar de jeugdhulp. Dit laatste geldt zowel voor de vrij toegankelijke voorzieningen als de individuele (niet vrij toegankelijke) voorzieningen. In deze gevallen is het de jeugdhulpaanbieder die na de verwijzing beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is. De aanbieder bepaalt in overleg met de jeugdige of ouder daadwerkelijk de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp, met in achtneming van deze verordening en de nadere regels. De verwijzing van de huisarts, medisch specialist of jeugdarts geeft dus rechtstreeks toegang tot de jeugdhulp. Er zal in beginsel geen beschikking volgen van de gemeente. Als de jeugdige en/of ouders het niet eens kunnen worden, kan de jeugdhulpaanbieder de jeugdige en- of ouders erop wijzen dat zij een aanvraag voor jeugdhulp kunnen indienen bij het wijkteam. Het is van belang dat de verwijzing goed verloopt. De gemeente zal daarom afspraken maken met artsen en aanbieders over de verwijzing naar jeugdhulp.

Lid 2 bepaalt dat het maken van een afspraak zo snel als mogelijk gebeurt. Er wordt duidelijk gemaakt dat het wijkteam alert moet zijn op onnodige vertraging in de procedure. Lid 3 bepaalt het maken van een afspraak voor een gesprek tussen de jeugdige en/of de ouders en het wijkteam en de voorbereiding op het gesprek. Het gesprek vindt plaats met één of meer hulpverleners van het wijkteam. Lid 4 bepaalt dat het wijkteam in overleg met de jeugdige en zijn ouders alle voor het gesprek noodzakelijk en toegankelijke gegevens verzamelt. Deze gegevensverzameling kan ook tijdens het gesprek plaatsvinden als door vraagverheldering alle relevante informatie vergaard wordt om een volledig beeld van de ondersteuningsvraag te krijgen. Het wijkteam regelt separaat de verwerking van persoonsgegevens.

Lid 6 bepaalt wat de ondersteuningsvraag is, wat de opgroei- en opvoedingsproblemen zijn, of en welke ondersteuning nodig is en op welke wijze de ondersteuningsvraag kan worden opgelost. Een zorgvuldig onderzoek vereist het op enigerlei doorlopen van de volgende stappen. Dit volgt uit onder andere de uitspraak van de CRvB van 1 mei 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1477). Voor het onderzoek is in ieder geval het volgende van belang:

  • -

    Wat is de hulpvraag van jeugdige en/of ouders?

  • -

    Wat kunnen de jeugdige en/of ouders zelf en met behulp van hun netwerk aan hun hulpvraag doen?

  • -

    Zijn er andere mogelijkheden bijvoorbeeld algemene voorzieningen of andere wetten (bijv. Wlz)?

  • -

    Wat is nodig vanuit de Jeugdwet?

Deze onderwerpen worden genoemd in de verordening om een beeld te scheppen van de inhoud van het gesprek en om aan te geven welke afwegingen spelen bij het in behandeling nemen van een jeugdhulpvraag.

Het wijkteam is deskundig en bepaalt met de jeugdige en/of de ouders de inhoud van het gesprek. Het gesprek kan niet altijd in één afspraak worden afgerond. Het is dus mogelijk dat er meerdere gesprekken worden gehouden. Bij het gesprek kunnen ook andere personen aanwezig zijn. Deze andere betrokkenen zijn personen die van belang zijn voor de jeugdige en/of de ouders en voor het bespreken van de jeugdhulpvraag. Dit kunnen bijvoorbeeld mensen zijn uit het sociale netwerk van de jeugdige of ouders, iemand van een specialistische jeugdhulpvoorziening of school. De jeugdige en/of ouders bepalen in overleg met de hulpverlener van het wijkteam of er andere personen uitgenodigd zullen worden.

Onder i van lid 6d wordt bepaald wat de jeugdige, zijn ouders en het sociale netwerk met de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen zelf kunnen doen en wat naar algemene maatstaven van hen verwacht magen worden (gebruikelijke hulp). Als kader wordt hierbij gebruik gemaakt van hoofdstuk 4 van de CIZ indicatiewijzer versie 7.1 van juli 2014 (toelichting op de beleidsregels indicatiestelling AWBZ 2014). Hierin worden kaders gegeven wat binnen de grenzen van gebruikelijke hulp valt. Ook wordt er bepaald dat alleen een individuele jeugdhulpvoorziening kan worden verstrekt als de jeugdige niet op eigen kracht of met hulp van zijn ouders of andere personen uit zijn naaste omgeving een oplossing voor zijn jeugdhulpvraag kan vinden.

Onder ii van lid 6d wordt verder bepaald dat alleen een individuele jeugdhulpvoorziening kan worden verstrekt als de jeugdige geen oplossing voor zijn jeugdhulpvraag kan vinden door gebruik te maken van een vrij toegankelijke jeugdhulpvoorziening. Daarmee worden individuele voorzieningen pas ingezet wanneer vrij toegankelijke voorzieningen niet toereikend zijn. Het wijkteam kan de jeugdige wijzen op en of toeleiden naar een passende vrij toegankelijke jeugdhulpvoorziening.

Lid 7 bepaalt de vastlegging van het ondersteuningsplan. Als tijdens het gesprek is afgesproken dat er een ondersteuningsplan wordt opgesteld, wordt dit plan samen met de jeugdige en/of de ouders en mogelijk andere betrokkenen door de hulpverlener van het wijkteam opgesteld. Het ondersteuningsplan wordt opgesteld aan de hand van de werkwijze één gezin - één plan. In het ondersteuningsplan staan in de eerste plaats de afspraken over wat de jeugdige en/of de ouders zelf gaan oppakken. Daarnaast wordt beschreven welke vrij toegankelijke jeugdhulpvoorzieningen en welke individuele jeugdhulpvoorzieningen nodig zijn. Het ondersteuningsplan vormt de verbinding met ondersteuning vanuit andere voorzieningen. Ook de eventuele wachtlijsten van jeugdhulpaanbieders en mogelijke tussenoplossingen om deze wachttijden te overbruggen worden in het ondersteuningsplan meegenomen. Het ondersteuningsplan is geen statisch document. Er kunnen afspraken aan toegevoegd worden, wanneer dat naar inzicht van de jeugdige en/of de ouders en het wijkteam van belang is of indien er meerdere vragen/problemen in een gezin zijn, waardoor deze niet allemaal tegelijkertijd kunnen worden opgepakt.

Artikel 6 Toekennen individuele jeugdhulpvoorziening

In artikel 2.9, onder a, van de Jeugdwet staat dat de gemeenteraad voor individuele voorzieningen in een verordening regels moet stellen over de voorwaarden voor toekenning, over de wijze van beoordeling van en over de afwegingsfactoren bij de verlening van een individuele jeugdhulpvoorziening. In hoofdstuk 3 wordt dit uitgewerkt.

Lid 3 bepaalt dat een aanbieder en/of budgethouder verantwoordelijk is om tijdig contact te leggen met het college indien er sprake is van mogelijke overschrijding van de grenzen van de verordening of de door het college gestelde nadere regels. Wanneer dit niet wordt gedaan, kan het college geen besluit nemen over de toekenning van deze individuele jeugdhulpvoorziening. Lid 4 bepaalt wanneer er een beschikking volgt. In artikel 2.9 onder a van de Jeugdwet is bepaald dat in de verordening regels moeten worden gesteld over de voorwaarden voor toekenning van een individuele jeugdhulpvoorziening, over de wijze van beoordeling van en de afwegingfactoren bij een individuele jeugdhulpvoorziening. Dit artikel is een uitwerking van deze opdracht. Bij de besluitvorming hanteert het college de wettelijke termijn (Awb) van maximaal 8 weken.

Artikel 7 Individuele jeugdhulpvoorziening via pgb

Een persoonsgebonden budget (pgb) is een geldbedrag waarmee een persoon zelf zorg, begeleiding, hulp, hulpmiddelen of voorzieningen in kan kopen. In 2015 wordt het pgb via trekkingsrecht geregeld. Bij trekkingsrechten komt het budget niet meer op de rekening van de budgethouder, maar bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB) op de bankrekening te staan. De budgethouder stuurt de rekeningen voor het betalen van zorgverleners naar de SVB en zij controleert vooraf of het om verzekerde zorg gaat. Lid 1 bepaalt de pgb-vaardigheid van de aanvrager. Het wijkteam toetst deze pgb-vaardigheid op de volgende onderdelen.

a. Kwaliteit van het persoonlijk budgetplan

Een budgethouder is in staat om de doelstellingen en de resultaten, uit het ondersteuningsplan te kunnen vertalen in een persoonlijk budgetplan. De budgethouder zal voordat het pgb wordt toegekend een persoonlijk budgetplan moeten overleggen inclusief een daarbij horende zorgovereenkomst. Het invullen van het persoonlijk budgetplan en zorgovereenkomst vereist bepaalde vaardigheden.

Deze vaardigheid brengt de volgende eisen mee die gesteld worden aan een budgethouder of beheerder:

  • -

    Kennis van het doel van de Jeugdwet.

  • -

    Kennis hebben van beperkingen en stoornissen/ de hulpvraag.

  • -

    Kennis hebben om de juiste ondersteunende activiteiten in te zetten en hun omvang om de geformuleerde doelstellingen/resultaten te kunnen behalen.

  • -

    Kennis hebben van kosten in relatie tot de inzet van activiteiten.

  • -

    Zelf het pgb-plan/budgetplan hebben opgesteld/ingevuld.

  • -

    Kennis over hoe de zorgverlening te organiseren om resultaatafspraken te behalen.

  • -

    Beheersen van de Nederlandse taal in woord en geschrift.

b. Financieel beheer

Een budgethouders moet in staat zijn een administratie te kunnen voeren. Deze vaardigheid brengt de volgende eisen mee:

  • -

    Kunnen ordenen

  • -

    Facturen/declaraties kunnen controleren (passend binnen de zorgovereenkomst), accorderen en insturen.

  • -

    Inzicht hebben in het beschikbare en benodigde budget.

  • -

    Het budget voor de juiste doeleinden kunnen inzetten.

  • -

    Acties kunnen uitzetten bij externen indien iets verandert of niet correct loopt.

  • -

    Digitaal vaardig zijn.

c. Zorginhoudelijk beheer

In staat zijn om de doelstellingen in het ondersteuningsplan te volgen en te bewaken. Deze vaardigheid brengt de volgende eisen mee:

  • -

    Inzicht hebben in de activiteiten/ondersteuning die worden geleverd.

  • -

    Opzetten van een werkrooster.

  • -

    Inzicht hebben hoe deze ondersteuningsactiviteiten bijdragen aan de doelstellingen.

  • -

    Acties kunnen uitzetten om bij te sturen dan wel in te grijpen.

  • -

    In staat zijn om evaluatiegesprekken te voeren en de effecten te volgen en bij te sturen indien nodig.

  • -

    In staat zijn om de juiste hulpverleners te kiezen passend bij de doelstellingen.

  • -

    In staat zijn om afspraken te maken met de hulpverlener(s) en zorgovereenkomsten correct te kunnen invullen en afsluiten.

  • -

    Aansturing en inwerken van de zorgverlener.

d. Werkgeverschap (3 dagen ondersteuning of meer)

De budgethouder moet in staat zijn de werkgeversverplichtingen voortkomend uit het pgb te kunnen vervullen (indien van toepassing). Deze vaardigheid brengt de volgende eisen mee:

  • -

    Het juiste type zorgovereenkomst kunnen kiezen.

  • -

    Het kunnen kiezen voor een arbeidsovereenkomst voor bepaalde dan wel onbepaalde tijd.

  • -

    Het kunnen hanteren van wel/geen proeftijd.

  • -

    Via het portaal SVB ziekmeldingen kunnen doen en de gemeente te informeren.

  • -

    Doorbetalen van de hulpverlener bij ziekte.

  • -

    Overeenkomen van een correct uurtarief conform het wettelijk minimumloon.

  • -

    Correct hanteren van de opzegtermijn.

In lid 2.onder e wordt geregeld dat cliënten die vallen onder de Jeugdwet, gemotiveerd dienen aan te geven waarom een voorziening in natura niet passend en toereikend is. In die zin is zorg in natura voor Jeugdhulp een voorliggende voorziening ten opzicht van een pgb

Artikel 8 Jeugdhulp bij kinderbeschermingsmaatregel en jeugdreclassering

Het artikel gaat over de verplichtingen die de gemeente heeft als er een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering is opgelegd door de rechter. Zowel de kinderbeschermingsmaatregel als de jeugdreclassering worden uitgevoerd door een gecertificeerde instelling. De jeugdbeschermer en jeugdreclassering mogen in het kader van de maatregel, besluiten tot inzet van jeugdhulp. Dat de jeugdbeschermer en de jeugdreclasseerder deze bevoegdheid hebben staat in artikel 3.5 van de Jeugdwet. In het eerste lid wordt verwoord dat de gemeente zorg draagt voor een toereikend aanbod van jeugdhulpvoorzieningen, zodat de uitspraak van de rechter (of een andere instantie) kan worden uitgevoerd. Hiervoor verstrekt het college geen beschikking als bedoeld in artikel 6.

Artikel 9 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering

Volgens de wet is een jeugdige en/of de ouders verplicht mede te delen wanneer er zich nieuwe feiten en omstandigheden voordoen waarvan men redelijkerwijs kan verwachten dat die van invloed op de individuele jeugdhulpvoorziening kunnen zijn. Dit wordt benadrukt in lid 1. In lid 2 wordt aangegeven dat de gemeente ook zelf de situatie kan bekijken en kan besluiten om een beslissing over individuele jeugdhulpvoorziening te herzien, in te trekken of terug te vorderen en onder welke omstandigheden de gemeente dit mag doen. Lid 3 regelt dat als door de jeugdige en/of de ouders onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt die bij volledigheid en/of juistheid tot een andere beslissing hadden geleid, het pgb of de geldswaarde van de voorziening (de daadwerkelijke kosten van de voorziening) kunnen worden teruggevorderd. Lid 4 geeft aan dat als een pgb na een halfjaar nog niet is gebruikt voor het doel waarvoor het is verstrekt het besluit kan worden ingetrokken.

Hoofdstuk 4 Overige bepalingen

Artikel 10 Bestrijding oneigenlijk gebruik, misbruik en niet-gebruik

Artikel 10 bepaalt hoe de gemeente oneigenlijk gebruik, misbruik en niet-gebruik bestrijdt. Zoals in lid 2 beschreven, wijst het college een toezichthouder aan die belast is met het houden van toezicht op de naleving van rechtmatige uitvoering van de wet. Tot slot geeft lid 3 aan dat het college de besteding van het verstrekte voorzieningen en pgb kan controleren.

Artikel 11 Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerderskinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering

In artikel 2.12 van de Jeugdwet staat omschreven dat de gemeente in de verordening moet regelen dat het college hierover afspraken moet maken. Via dit artikel voldoet de gemeente hieraan en geeft de raad deze opdracht aan het college. Naast de in dit artikel genoemde aspecten kunnen ook andere zaken in overweging genomen worden, zoals de NZA-richtlijnen (Nederlandse Zorgautoriteit) voor prijzen van jeugdhulp.

Artikel 12 Vertrouwenspersoon

De vertrouwenspersoon wordt landelijk geregeld. Gemeenten hebben er gezamenlijk voor gekozen dat de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) dit namens alle gemeenten inkoopt bij het Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg (AKJ), een stichting die op dit moment ook het vertrouwenswerk voor de jeugdzorg uitvoert.

Artikel 13 Inspraak en medezeggenschap

In dit artikel zijn bepalingen opgenomen over inspraak en medezeggenschap bij de gemeente. Opgemerkt wordt dat regeling van de inspraak en medezeggenschap in artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015, op grond van artikel 2.10 van de Jeugdwet van overeenkomstige toepassing wordt verklaard. Dit leidt ertoe dat bij verordening moet worden bepaald op welke wijze ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van deze wet.

In lid 1 van dit artikel verwijst naar de regelgeving van artikel 150 van de Gemeentewet. Lid 2 waarborgt dat er wordt dat voor het jeugdhulpbeleid eenzelfde inspraakprocedure geldt als voor andere terreinen. De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning. In de nadere regels wordt het college de mogelijkheid geboden om de exacte invulling van de medezeggenschap vorm te geven.

Artikel 14 Klachtregeling

Deze bepaling is aanvullend op de klachtregeling uit artikel 4.2.1 van de Jeugdwet en hoofdstuk 9 Klachtenbehandeling van de Algemene wet bestuursrecht. Het is zo dat de aanbieder in eerste instantie zal (moeten) worden aangesproken bij klachten van jeugdigen en/of ouders over de behandeling. Het Programmaplan zegt daarover ‘Het effectief en laagdrempelig bemiddelen bij en afhandelen van klachten van cliënten is een verantwoordelijkheid van de jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen’.

Artikel 15 Toepassen verordening en stellen nadere regels

Omdat de interpretatie van de verordening tot misverstanden kan leiden is in lid 1 van dit artikel geregeld dat bij dergelijke misverstanden moet worden teruggegrepen naar de Jeugdwet (inclusief memorie van toelichting). Zo kan worden achterhaald wat er precies met een bepaald woord of bepaalde term wordt bedoeld. In lid 2 geeft de raad aan het college de bevoegdheid om nadere regels te stellen ten behoeve van de uitvoering van deze verordening. Lid 3 regelt dat het college met huisartsen, medisch specialisten en jeugdartsen afspraken zal maken over de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de verwijzing zoals bedoeld in artikel 5, eerste lid plaatsvindt. Dit komt overeen met artikel 2.7, lid 4 van de Jeugdwet. Waarschijnlijk zullen deze afspraken regionaal of op landelijk niveau worden gemaakt en worden daarna lokaal onder regie van de gemeente uitgewerkt.

Artikel 16 Hardheidsclausule

Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om van deze verordening af te wijken in zeer schrijnende gevallen waarvoor geen passende voorziening volgens de regelgeving mogelijk is. De hardheidsclausule kan dan door het college ingezet worden bij uitzonderingsgevallen.

Artikel 17 Intrekking oude verordening en overgangsrecht

De bedoeling daarvan is dat deze jeugdigen die recht hebben op een lopende voorziening een overgangsperiode krijgen waarin er voor hen niets verandert en zij zich kunnen instellen op de nieuwe situatie. De overgangsperiode verschilt naar gelang de resterende looptijd van het indicatiebesluit, maar eindigt in elk geval een jaar na inwerkingtreding van deze verordening.

Artikel 18 Inwerkingtreding

Dit artikel regelt de inwerkingtreding. De verordening zelf dient voor 2 juli 2021 te zijn vastgesteld door de raad.

Artikel 19 Citeertitel

Dit artikel geeft de officiële benaming weer. De verordening zal via deze naam zijn terug te vinden (conform de wet elektronische bekendmaking).