Verordening parkeerregulering en parkeerbelastingen Rijswijk

Geldend van 01-01-2022 t/m heden

Intitulé

Verordening parkeerregulering en parkeerbelastingen Rijswijk

De gemeenteraad;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 25 mei 2021;

gelet op artikel 149 en 225 van de Gemeentewet, artikel 2a van de Wegenverkeerswet 1994 en de Omgevingswet;

gezien het advies van de afdeling Stad & Samenleving sectie Mobiliteit, Duurzaamheid, Groenvoorzieningen en Vergunningen;

BESLUIT:

vast te stellen de:

Verordening Parkeerregulering en parkeerbelastingen Rijswijk 2016

Hoofdstuk 1. Definities en begripsomschrijvingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

Voor de toepassing van deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a.

    aanbieder: natuurlijke persoon of rechtspersoon die is aangesloten bij de Stichting voor Gedeeld Autogebruik of die gecertificeerd is door de brancheorganisatie en die een of meer motorvoertuigen voor autodate ter beschikking stelt;

  • b.

    autodate: het herhaald en opeenvolgend gezamenlijk gebruik van motorvoertuigen op grond van een overeenkomst tussen natuurlijke personen en een aanbieder of tussen natuurlijke personen uit meer dan één huishouden;

  • c.

    autodateplaats: een parkeerplaats aangewezen voor een motorvoertuig bestemd voor autodate en die nader aangeduid is met het onderbord met het opschrift: “Alleen voor autodate”;

  • d.

    belanghebbendenplaats: een parkeerplaats die

    • -

      is aangeduid met bord E9 uit bijlage 1 van het RVV 1990, of

    • -

      gelegen is binnen een zone aangeduid met bord E9 uit bijlage 1 van het RVV 1990 met het opschrift zone, voor zover deze plaats niet is uitgezonderd;

  • e.

    centrale computer: computer van het bedrijf c.q. de bedrijven waarmee de gemeente Rijswijk een overeenkomst heeft gesloten, bestemd voor de registratie van parkeerbewegingen in het kader van het verlenen van diensten op het gebied van betaald parkeren met gebruik van een telefoon, internet, andere communicatiemiddel of pas;

  • f.

    college: het college van Burgemeester en Wethouders van Rijswijk;

  • g.

    dag: kalenderdag, een periode van vierentwintig uren, welke aanvangt om 0.00 uur;

  • h.

    dagdeel: het gedeelte van een dag vóór 13.00 uur, dan wel tussen 13.00 en 18.00 uur of nà 18.00 uur;

  • i.

    gehandicaptenparkeerkaart: parkeerkaart als bedoeld in artikel 49 Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer, een ingevolge de Regeling Gehandicaptenparkeerkaart daarmee gelijkgestelde parkeerkaart of de Stadsgewestelijke gehandicapten-parkeerkaart;

  • j.

    houder: degene die naar de omstandigheden als houder van een voertuig moet worden beschouwd, met dien verstande dat voor een motorvoertuig dat is ingeschreven in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens als houder wordt aangemerkt degene op wiens naam het voor het motorvoertuig opgegeven kenteken ten tijde van het parkeren was ingeschreven.

    Als houder van een motorvoertuig wordt mede beschouwd:

    • -

      degene die gebruik maakt van een leaseauto, zoals blijkt uit een verklaring ter zake van de kentekenhouder (leasemaatschappij);

    • -

      de werknemer die (nagenoeg) permanent ten behoeve van zijn werkzaamheden de beschikking heeft over een voertuig van zijn werkgever, zoals blijkt uit een verklaring ter zake van de werkgever;

  • k.

    jaar: kalenderjaar / het tijdvak van 1 januari 00.00 uur tot 31 december 24.00 uur;

  • l.

    maand: een aaneengesloten periode van zoveel dagen als de kalendermaand, waarin de ingangsdatum valt, telt;

  • m.

    motorvoertuigen: hetgeen daaronder wordt verstaan in het RVV 1990 met inbegrip van brommobielen, zoals bedoeld in artikel 1 onder ia van het RVV 1990;met uitzondering van motorfiets zoals bedoeld in artikel 1 van het RVV 1990 en de geldigheid van het kenteken van het motorvoertuig niet door de Rijksdienst Wegverkeer is geschorst;

  • n.

    parkeerapparatuur: parkeerautomaten, centrale computer en hetgeen naar maatschappelijke opvatting overigens onder parkeerapparatuur wordt verstaan;

  • o.

    parkeerapparatuurplaats: een parkeerplaats ten aanzien waarvan het parkeren geregeld wordt door parkeerapparatuur;

  • p.

    parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990: het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen;

  • q.

    RVV 1990: het Reglement verkeersregels en verkeerstekens1990;

  • r.

    vergunning: een door het college verleende vergunning, krachtens welke het is toegestaan een motorvoertuig te parkeren op daartoe aangewezen parkeerapparatuur- of belanghebbendenplaatsen;

  • s.

    vergunninghouder: de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie een vergunning is verleend;

  • t.

    week: periode van 7 kalenderdagen.

Hoofdstuk 2. Plaatsen voor vergunninghouders, vergunningen en vergunningbewijzen

Artikel 2. Plaatsen en tijdstippen

  • 1. Het college kan, bij openbaar te maken besluit, weggedeelten aanwijzen die bestemd zijn voor het parkeren door vergunninghouders. Het college kan hierbij onderscheid maken in de categorieën als bedoeld in artikel 3, derde lid.

  • 2. Het college kan, bij openbaar te maken besluit, de tijdstippen vaststellen waarop het parkeren alleen aan vergunninghouders is toegestaan.

Artikel 3. Vergunningverlening

  • 1. Het college kan op een daartoe strekkende aanvraag een vergunning verlenen voor het parkeren op belanghebbendenplaatsen en/of parkeerapparatuurplaatsen.

  • 2. Het college kan regels stellen voor het aanvragen en verlenen van een vergunning.

  • 3. Een vergunning kan worden verleend aan:

    • a.

      een eigenaar of houder van een motorvoertuig die woont in een gebied waar het bij besluit van het college aan houders van een vergunning is toegestaan om onder gebruikmaking van een vergunning te parkeren op belanghebbendenplaatsen of mede door vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuurplaatsen, te noemen bewonersvergunning.

    • b.

      een eigenaar of houder van een motorvoertuig die een beroep of bedrijf uitoefent in een gebied waar het bij besluit van het college aan houders van een vergunning is toegestaan om onder gebruikmaking van een vergunning te parkeren op belanghebbendenplaatsen of mede door vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuurplaatsen, te noemen bedrijfsvergunning;

    • c.

      degene, die woont in een gebied waar het bij besluit van het college aan houders van een vergunning is toegestaan aan degene die hem of haar bezoekt, om onder gebruikmaking van een vergunning te parkeren op belanghebbendenplaatsen of mede door vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuurplaatsen, te noemen bezoekersvergunning;

    • d.

      een eigenaar of houder van een motorvoertuig van (onder andere) hulpdiensten, eerstelijns hulpverlening, mantelzorg, tijdelijk gebruik, evenementen, maatschappelijke instellingen, autodate en gemeentelijke diensten om onder gebruikmaking van een vergunning te parkeren op belanghebbendenplaatsen of mede door vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuurplaatsen, te noemen functionele vergunning;

  • 4. De eigenaar of houder van een voertuig die voldoet aan zowel de onder a als de onder b van het derde lid gestelde voorwaarde wordt, voor wat betreft de eerste aangevraagde vergunning, geacht te beantwoorden aan de onder a genoemde voorwaarde.

  • 5. Het college kan in bijzondere gevallen een vergunning ook verlenen aan een eigenaar of houder van een motorvoertuig die niet voldoet aan één van de in het derde lid genoemde vereisten.

  • 6. Het college kan, bij openbaar te maken besluit, een maximum aantal uit te geven vergunningen per aaneengesloten gebied en per categorie vaststellen.

  • 7. Het college kan, bij openbaar te maken besluit, aan de vergunning beperkingen verbinden met betrekking tot de te gebruiken parkeerplaatsen en/of de tijdstippen waarop de vergunning van kracht is.

  • 8. Het college kan aan een vergunning ook andere voorschriften en beperkingen verbinden die strekken tot bescherming van het belang van een goede verdeling van de beschikbare parkeerruimte, tot bescherming van het belang van het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer, waaronder mede wordt begrepen het stimuleren van selectief autogebruik.

Artikel 4. beslistermijn

  • 1. Het college beslist binnen vier weken na ontvangst van een aanvraag voor een vergunning.

  • 2. Het college kan de in het eerste lid genoemde termijn met ten hoogste vier weken verlengen. Van een verlenging van deze termijn wordt de aanvrager schriftelijk in kennis gesteld.

Artikel 5. Voorwaarden aan de vergunning

  • 1. Een vergunning wordt voor ten hoogste een jaar verleend.

  • 2. De vergunning bevat in ieder geval de volgende gegevens:

    • a.

      de periode waarvoor de vergunning geldt;

    • b.

      het gebied waarvoor de vergunning geldt;

    • c.

      het kenteken van het motorvoertuig waarvoor de vergunning is verleend.

Artikel 6. Intrekken en weigeren vergunning

  • 1. Het college kan nadere voorschriften vaststellen met betrekking tot het intrekken en weigeren van vergunningen. Het college kan een vergunning intrekken of weigeren:

    • a.

      op verzoek van de vergunninghouder;

    • b.

      wanneer de vergunninghouder niet meer woonachtig is of geen beroep of bedrijf meer uitoefent in het gebied, waarvoor de vergunning is verleend;

    • c.

      wanneer er zich een wijziging voordoet in een van de omstandigheden die relevant waren voor het verlenen van de vergunning;

    • d.

      wanneer voor het betreffende gebied het stelsel van vergunningen komt te vervallen;

    • e.

      wanneer de vergunninghouder niet of niet tijdig aan zijn betalingsverplichting voor zijn vergunning heeft voldaan;

    • f.

      wanneer de vergunninghouder handelt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften;

    • g.

      wanneer blijkt dat bij de aanvraag van de vergunning onjuiste gegevens zijn verstrekt;

    • h.

      om redenen van openbaar belang.

  • 2. Op een aanvraag om een vergunning wordt afwijzend beschikt, indien één jaar voorafgaand aan de aanvraag de aanvrager vergunninghouder was en zijn vergunning is ingetrokken wegens overtreding van de bij of krachtens deze verordening vastgestelde voorschriften als bedoeld in artikel 6. Tevens wordt afwijzend beschikt indien de vergunninghouder heeft gefraudeerd met zijn vergunning door deze uit te lenen, te verkopen, te kopiëren dan wel na te maken.

Hoofdstuk 3. Verbodsbepalingen

Artikel 7. Gebruik vergunninghoudersplaatsen

  • 1. Het is verboden gedurende de tijden waarop het parkeren op een belanghebbendenplaats of een autodateplaats slechts aan vergunninghouders is toegestaan aldaar een motorvoertuig te parkeren of geparkeerd te houden:

    • a.

      zonder vergunning;

    • b.

      in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften.

  • 2. Het college kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel.

Artikel 8. In werking stelling parkeerapparatuur

Het is verboden parkeerapparatuur op andere wijze of met andere middelen dan die welke in de kennisgeving op de parkeerapparatuur staan aangegeven in werking te stellen.

Hoofdstuk 4. Strafbepaling

Artikel 9. Strafbepaling

Overtreding van het bepaalde in afdeling III van deze verordening wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de eerste categorie.

Hoofdstuk 5. Parkeerbelasting

Artikel 10. Belastbaar feit

Onder de naam 'parkeerbelasting' worden de volgende belastingen geheven:

  • a.

    een belasting ter zake van het parkeren van een motorvoertuig op een bij, dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door het college te bepalen plaats, tijdstip en wijze;

  • b.

    een belasting ter zake van een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren van een motorvoertuig op de in die vergunning aangegeven plaats en wijze.

Artikel 11. Belastingplicht

  • 1. De belasting bedoeld in artikel 10, onderdeel a, wordt geheven van degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd;

  • 2. De belasting bedoeld in artikel 10, onderdeel b, wordt geheven van degene die de vergunning heeft aangevraagd;

  • 3. Als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd wordt mede aangemerkt:

    • a.

      degene die de belasting voldoet, dan wel te kennen geeft of heeft gegeven de belasting te willen voldoen;

    • b.

      zolang geen voldoening van de belasting genoemd in artikel 10, onderdeel a, heeft plaatsgevonden: de houder van het motorvoertuig, met dien verstande dat:

    • c.

      als een voor ten hoogste drie maanden aangegane huurovereenkomst wordt overgelegd waaruit blijkt wie ten tijde van het parkeren ingevolge deze overeenkomst de huurder van het motorvoertuig was, niet de houder maar de huurder wordt aangemerkt als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd;

    • d.

      als blijkt dat een ander in het kentekenregister had moeten staan ingeschreven, die ander wordt aangemerkt als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd.

  • 4. De belasting bedoeld in artikel 10, onderdeel a, wordt niet geheven van degene die op de voet van het tweede lid, onderdeel b, als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd wordt aangemerkt, als deze aannemelijk maakt dat ten tijde van het parkeren een ander tegen zijn wil van het motorvoertuig heeft gebruik gemaakt en dat hij dit gebruik redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen.

  • 5. De belastingen genoemd in artikel 10, onderdeel a, zijn niet verschuldigd indien het voertuig is voorzien van een geldige gehandicaptenparkeerkaart, mits het voertuig geparkeerd is op een algemene gehandicaptenparkeerplaats en mits de gehandicaptenparkeerkaart zodanig in of aan het motorvoertuig is geplaatst, dat deze met het oog op toezicht en controle van buitenaf goed zicht- en leesbaar is.

  • 6. De vrijstelling geldt niet voor reguliere parkeerapparatuurplaatsen en individuele gehandicaptenparkeerplaatsen op individueel kenteken.

Artikel 12. Maatstaf van heffing, belastingtarief en belastingtijdvak

De maatstaf van heffing, het belastingtarief en het belastingtijdvak zijn vermeld in de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende tarieventabel.

Artikel 13. Wijze van heffing

  • 1. De belasting bedoeld in artikel 10, onderdeel a, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte, en wel door middel van het, bij aanvang van het parkeren, op de door het college van burgemeester en wethouders voorgeschreven wijze betalen van geld met behulp van parkeerapparatuur en/of door middel van het al dan niet elektronisch in werking stellen van parkeerapparatuur. Van de verschuldigde belasting per tijdseenheid wordt op of via de parkeerapparatuur of in de daarbij geleverde gebruiksaanwijzing kennisgegeven. Ten aanzien van het hier voorafgaande bepaalde moet de belasting overeenkomstig de aangifte worden betaald binnen één maand na het einde van het parkeren, indien het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door het via een telefoon of ander communicatiemiddel inloggen op de centrale computer.

  • 2. De belasting bedoeld in artikel 10, onderdeel b, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte en moet worden betaald op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend. Voldoening via een daartoe afgegeven machtiging tot automatische incasso wordt met betalen gelijkgesteld.

  • 3. Indien de belastingplicht met betrekking tot de belasting als bedoeld in artikel 10, onderdeel b, in de loop van het jaar waarvoor de vergunning is verleend, eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing over zoveel volle kalendermaanden als er in die periode na het tijdstip van de beëindiging van de belastingplicht nog resteren.

  • 4. Een naheffingsaanslag moet terstond worden betaald, inclusief de kosten van de naheffingsaanslag zoals bedoeld in art. 18, en voor zover van toepassing verhoogd met de andere kosten zoals bedoeld in art. 18.

  • 5. De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste tot en met het vierde lid gestelde termijn.

  • 6. Bij de voldoening op aangifte moet het kenteken van het motorvoertuig waarmee wordt geparkeerd of waarvoor de vergunning geldt worden opgegeven.

Artikel 14. Ontstaan van de belastingschuld

  • 1. De belasting bedoeld in artikel 10, onderdeel a, is verschuldigd bij de aanvang van het parkeren, tenzij het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door het via een mobiele telefoon of ander communicatiemiddel inloggen op de centrale computer.

  • 2. De belasting bedoeld in artikel 10, onderdeel b, is verschuldigd op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend.

Artikel 15. Termijn van betaling

  • 1. De belasting bedoeld in artikel 10, onderdeel a, moet overeenkomstig de aangifte worden betaald bij de aanvang van het parkeren.

  • 2. In afwijking van het bepaalde in het vorige lid moet de belasting overeenkomstig de aangifte worden betaald binnen een maand na het einde van het parkeren, als het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door het via een mobiele telefoon of ander communicatiemiddel inloggen op de centrale computer.

  • 3. De belasting bedoeld in artikel 10, onderdeel b, moet overeenkomstig de aangifte worden betaald op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend.

  • 4. Een naheffingsaanslag moet terstond worden betaald.

Artikel 16. Bevoegdheid tot aanwijzing parkeerplaatsen

De aanwijzing van de plaats waar, het tijdstip en de wijze waarop tegen betaling van de belasting bedoeld in artikel 10, onderdeel a, mag worden geparkeerd geschiedt in alle gevallen door het college bij openbaar te maken besluit.

Artikel 17. Bevoegdheid tot gebruik wielklem en wegsleepregeling

  • 1. Tot zekerheid van de betaling van een naheffingsaanslag ter zake van de belasting bedoeld in artikel 10, onderdeel a, kan aan het motorvoertuig een wielklem worden aangebracht, waardoor wordt verhinderd dat het motorvoertuig wordt weggereden.

  • 2. Het college wijst bij openbaar te maken besluit in alle gevallen de terreinen en weggedeelten aan waar de wielklem wordt toegepast.

  • 3. Als na het aanbrengen van de wielklem 24 uren zijn verstreken kan het motorvoertuig naar een door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aangewezen plaats worden overgebracht en in bewaring worden gesteld.

Artikel 18. Kosten

  • 1. De kosten van de naheffingsaanslag ter zake van de belasting bedoeld in artikel 10, onderdeel a, worden vermeld in de bij deze verordening behorende tarieventabel;

  • 2. De kosten voor het aanbrengen, respectievelijk het verwijderen van de wielklem en voor het overbrengen en bewaren worden vermeld in de bij deze verordening behorende tarieventabel;

  • 3. Het bedrag van de ingevolge het tweede lid in rekening te brengen kosten, wordt in een voor bezwaar vatbare beschikking vastgesteld.

Artikel 19. Kwijtschelding

Bij de invordering van de parkeerbelastingen wordt geen kwijtschelding verleend.

Artikel 20. Nadere regels door het college van Burgemeester en wethouders

Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de heffing en de invordering van de parkeerbelasting.

AFDELING 6. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 21. Toezicht op naleving

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de door het college aangewezen personen.

Artikel 22. Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening parkeerregulering en parkeerbelastingen Rijswijk.

Artikel 23. Inwerkingtreding en overgangsbepaling

  • 1. De Verordening Parkeerregulering en parkeerbelastingen Rijswijk 2016 wordt ingetrokken.

  • 2. Deze verordening treedt in werking op de dag na die waarop zij is bekend gemaakt.

  • 3. Vergunningen die zijn verleend krachtens de Verordening Parkeerregulering en parkeerbelastingen Rijswijk 2016 worden geacht te zijn verleend krachtens deze verordening.

  • 4. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2021, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

Ondertekening

Aldus besloten door de Raad van de gemeente Rijswijk, in zijn openbare vergadering van 15 juni 2021

Hoogachtend,

de gemeenteraad,

de griffier,

J.A. Massaar, bpa

de voorzitter

mr. drs. G.A.A. Verkerk

Bijlage 1 Tarieventabel parkeren 2021 behorende bij de Verordening parkeerregulering en parkeerbelastingen Rijswijk

  • 1.

    Het tarief voor het parkeren bij parkeerapparatuur als bedoeld in artikel 11, onderdeel a, bedraagt:

    • 1.1

      Voor parkeergebieden In de Bogaard en omgeving per uur €2,25

    • 1.2

      Voor parkeergebieden met een (buurt)winkelfunctie, maatschappelijke- of sportfunctie per uur in het eerste uur €0,00

      voor elk volgend uur €1,50

    • 1.3

      Voor alle overige parkeergebieden die niet worden benoemd onder 1.1, 1.2 en van deze tarieventabel per uur €1,50

  • 2.

    Het tarief voor een parkeervergunning als bedoeld in artikel 11, onderdeel b, bedraagt:

    Voor vergunningen waarin bepaalde tijden en/of gebieden zijn aangewezen:

    • 2.1

      voor een eerste bewonersvergunning, per jaar €45,-

    • 2.2

      voor een volgende bewonersvergunning, per jaar €45,-

    • 2.3

      voor een bewonersvergunning mantelzorg, per jaar €45,-

    • 2.4

      voor een bedrijfsvergunning, per maand / per jaar €30,- / €300,-

    • 2.5

      voor een bedrijfsvergunning gereduceerd tarief, per jaar €45,-

    • 2.6

      voor een bezoekersvergunning bewoners, per 50 uur (max. 400 uur per adres) €12,50

    • 2.7

      voor een bezoekersvergunning hotel,

      per 100 uur (max. 1200 uur/jaar per vergunning in gebieden dagregulering) €30,-

      per 100 uur (max. 900 uur/jaar per vergunning in gebieden avondregulering) €30,-

    • 2.8

      voor een vergunning voor aangewezen maatschappelijke- en sportvoorzieningen €45,-

    • 2.9

      voor een vergunning evenementen, voor de duur van het evenement (maximaal twee weken) €15,-

  • Voor vergunningen geldig in heel Rijswijk (tenzij anders bepaald in de vergunningsvoorwaarden)

    • 2.10

      voor een bewonersvergunning gehandicapten €0,00

    • 2.11

      voor een bedrijfsvergunning voor de hele gemeente met onbeperkte parkeerduur, per maand / per jaar €45,- / €450,-

      voor een functionele vergunning autodate, per maand / per jaar €45,- / €450,-

    • 2.12

      voor een functionele vergunning (onderhouds-) werkzaamheden, per week/ per maand/ per jaar €15,- / €45,- / €450,-

    • 2.13

      voor een functionele vergunning maatschappelijke instellingen – vaste kentekens per jaar €45,-

    • 2.14

      voor een functionele vergunning maatschappelijke instellingen – parkeeruren per 1200 uur €45,-

    • 2.15

      voor een functionele vergunning eerstelijns hulpverlening per jaar €150,-

    • 2.16

      voor een functionele vergunning hulpdiensten per jaar €0,00

    • 2.17

      voor een functionele vergunning gemeentelijke diensten per jaar €0,00

  • 3.

    De kosten van de naheffingsaanslag als bedoeld in artikel 19 van de verordening bedragen € 61,- plus de voor betreffende parkeerplaats geldende kosten van de parkeerbelasting voor één uur.

Toelichting Verordening parkeerregulering en parkeerbelasting Rijswijk

Parkeren is een belangrijk onderdeel van het gemeentelijk mobiliteitsbeleid. Om parkeren te reguleren kan de gemeente gebruik maken van diverse instrumenten. In de Kadernota Parkeren Rijswijk 2015-2025 (15.103844) is vastgesteld dat het parkeerinstrumentarium in Rijswijk aan vernieuwing toe is. De verordening parkeerregulering en parkeerbelasting is hiervan een uitvloeisel.

Op basis van de Gemeentewet worden de kaders voor (fiscaal) parkeren door de gemeenteraad traditioneel vastgesteld in de Verordening Parkeerbelasting en de Parkeerverordening. Op basis van verordeningen van andere gemeenten in Nederland is besloten één geïntegreerde verordening op te stellen.

In het eerste deel van de verordening (artikel 2 t/m 9) worden de kaders voor het parkeerbeleid gegeven, het verlenen van verschillende soorten parkeervergunningen en verbodsbepalingen. Dit deel van de verordening vervangt de huidige Parkeerverordening. De kaders worden door het college nader ingevuld in openbare besluiten. De onderwerpen die in de nadere regelingen dienen te worden geregeld of kunnen worden geregeld, zijn genoemd in de artikelen 2, 3 en 6.

Parkeerbelasting kan worden voldaan door middel van het betalen voor een parkeervergunning of door middel van het in werking stellen van de parkeerapparatuur. Bij wijze van uitzondering kan, ten behoeve van maatwerk en onder voorwaarden, een aantal bijzondere regelingen worden toegepast.

Dit betreft met name vrijstelling van parkeerbelasting. De kaders (belastingplicht, maatstaf en wijze van heffing, betaling en naheffingsaanslag) omtrent parkeerbelasting zijn opgenomen in de artikelen 10 t/m 20. Dit deel van de verordening vervangt de Verordening parkeerbelasting. Het college kan op basis hiervan bij openbaar besluit nadere regels stellen zoals genoemd in artikelen 15, 17 en 20.

De tarieven van de parkeervergunningen en parkeerrechten worden geregeld in de bij de verordening horende tarieventabel.

De regelingen als bedoeld in artikelen 2, 3, 6 en 20 worden door het college vastgesteld in ‘beleidsregels’. De regelingen of aanwijzingen zoals benoemd in artikel 10, 13, 16 en 17 worden door het college vastgesteld in ‘uitvoerings-/aanwijzingsbesluiten'.

Vanaf 1 januari 2017 wordt de verlening en registratie van de parkeervergunningen en andere parkeerrechten gedigitaliseerd. Daardoor hoeft een parkeervergunning of parkeerkaartje niet fysiek in het voertuig aanwezig te zijn. In plaats daarvan wordt gecontroleerd of parkeerbelasting is voldaan door het kenteken van een geparkeerd voertuig te vergelijken met kentekens die zijn geregistreerd in een digitaal parkeerbelastingbestand. Daarin is vermeld voor welke kentekens voor welke plaatsen en periode de verschuldigde parkeerbelasting is voldaan.

FISCALISERING EN BELANGHEBBENDENPARKEREN

Alleen het parkeren bij parkeerapparatuur (parkeermeters, parkeerautomaten en verder alles wat hieronder kan worden verstaan) kan worden gefiscaliseerd. Bij deze apparatuur wordt een parkeerbelasting geheven. Het college van burgemeester en wethouders wijst de gebieden aan waar het betaald parkeren wordt ingevoerd. Bij niet-, niet geheel of niet tijdige betaling van de parkeerbelasting wordt het verschuldigde parkeergeld nageheven en worden ook de kosten van de naheffingsaanslag doorberekend.

Bij belanghebbenden parkeren wordt ook een parkeerbelasting betaald voor het verkrijgen van een parkeervergunning, waarmee in een bepaald gebied mag worden geparkeerd. Het college van burgemeester en wethouders wijst de gebieden aan waar belanghebbenden parkeren wordt ingevoerd. Wanneer iemand zijn auto zonder vergunning parkeert in een belanghebbendengebied (aangeduid met bord E9 uit bijlage 1 van het RVV 1990), kan geen naheffingsaanslag worden opgelegd. Het zonder vergunning parkeren is strafbaar gesteld in artikel 7 van de Parkeerverordening en komt in principe alleen voor strafrechtelijke handhaving via de ‘Wet Mulder’ in aanmerking.

Gemeenten hebben de mogelijkheid om de handhaving binnen belanghebbendengebieden toch te fiscaliseren. Zij kunnen dit doen door in het belanghebbendengebied ook parkeerapparatuur neer te zetten nadat dit gebied door het college ook als betaald parkeergebied is aangewezen. In feite is dan sprake van een gecombineerd gebied voor betaald parkeren én belanghebbenden parkeren.

Wanneer iemand in zo’n gebied parkeert zonder vergunning én zonder betaling van de parkeerbelasting, kan alsnog een naheffingsaanslag worden opgelegd. Dit betekent wel dat op de parkeerplaatsen, die voor belanghebbenden parkeren bestemd waren, ook andere parkeerders geduld moeten worden. Om te voorkomen dat het belanghebbendengebied geheel door de losse parkeerders wordt bezet, kan een hoog (dag)tarief worden gehanteerd waardoor het parkeren door anderen dan vergunninghouders wordt ontmoedigd.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1. Begripsbepalingen

c. motorvoertuigen

Onder motorvoertuigen wordt verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in het RVV 1990 met inbegrip van brommobielen. Het begrip motorvoertuigen omvat ‘alle gemotoriseerde voertuigen behalve bromfietsen, fietsen met trapondersteuning en gehandicaptenvoertuigen, bestemd om anders dan langs rails te worden voortbewogen. Een brommobiel is in het RVV 1990 (art. 1 onder ia) gedefinieerd als een bromfiets op meer dan twee wielen, die is voorzien van een carrosserie.

Brommobielen vallen dus niet onder de definitie van motorvoertuigen. In artikel 2a van het RVV 1990 is echter bepaald dat de regels voor motorvoertuigen ook van toepassing zijn op brommobielen en de bestuurders en passagiers van brommobielen. Bestuurders van brommobielen moeten zich in het verkeer dus gedragen als een ‘gewone’ automobilist. Dit geldt ook voor het parkeren met een brommobiel. Daarom is ervoor gekozen de Parkeerverordening en de Verordening parkeerbelastingen ook van toepassing te verklaren op brommobielen.

Het begrip motorvoertuig is enger dan het begrip voertuig. Zo vallen bijvoorbeeld caravans, aanhangwagens en opleggers niet onder het begrip motorvoertuig. Deze zijn dus niet zelfstandig te belasten en voor deze voertuigen hoeft geen vergunning te worden aangevraagd. Op basis van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) mogen deze voertuigen niet langer dan drie aaneengesloten dagen op de weg staan.

Voor het parkeren van andere voorwerpen dan motorvoertuigen is de heffing van parkeerbelastingen niet aan de orde. In die situatie kan mogelijk precariobelasting geheven worden, mits er in de gemeente een precarioverordening geldt die daarin voorziet.

De praktijk is dat er geen parkeervergunningen worden verstrekt aan motorfietsen. De verordening is op deze praktijk aangepast. Dit heeft te maken met een aantal factoren. Allereerst was voorgeschreven dat de parkeervergunning zichtbaar achter de voor- of achterruit van het motorvoertuig is bevestigd. Dit is voor motorfietsen praktisch onmogelijk. Met handhaven op kenteken komt deze reden te vervallen. Echter belangrijker is dat een motorfiets relatief weinig ruimte in beslag neemt en over het algemeen op eigen terrein of op de stoep (rekeninghoudend met andere gebruikers van de stoep) geparkeerd wordt. Het is niet wenselijk dat motoren gebruik maken van de regulier (schaarse) parkeerplaatsen, daar waar een redelijk alternatief aanwezig is. In geval van incidentele situaties dat er geen redelijk alternatief aanwezig is, zal een praktische oplossing worden gezocht samen met de motorfietshouder.

e. houder:

Voor de houder van motorvoertuigen wordt gekeken naar degene die, naar de omstandigheden beoordeeld, als houder van het motorvoertuig moet worden beschouwd. Alleen voor de houders van motorrijtuigen die zijn ingeschreven in het kentekenregister wordt gekeken naar degene op wiens naam het voor dat motorrijtuig afgegeven kenteken ten tijde van het parkeren was ingeschreven.

Als houder van een motorvoertuig wordt mede beschouwd degene die een leaseauto of een bedrijfsauto heeft. Als het kentekenbewijs niet op naam van de aanvrager staat, omdat het een bedrijfs- of een leaseauto betreft, dan wordt gevraagd extra documenten te overleggen. Voor een bedrijfsauto is een verklaring van de werkgever nodig (op officieel briefpapier en maximaal een maand oud) waarin staat dat de aanvrager de werknemer is van het bedrijf en in de auto mag rijden. Voor een leaseauto is dat (een kopie van) de leaseovereenkomst waarin staat dat de aanvrager de gebruiker is van de auto. Staat de leaseovereenkomst op naam van de werkgever dan is aanvullend een verklaring van de werkgever nodig (zoals boven beschreven).

Voor buitenlandse kentekens en “GN”, “BN” of “CD” kentekens (waarvan geen gegevens bij RDW kunnen worden opgevraagd) wordt een kopie kentekenbewijs of koopcontract gevraagd als bewijs van ‘houderschap’.

o t/m s, dag, dagdeel, week, maand, jaar

Deze begrippen zijn opgenomen om bij verlening van vergunningen (voor bepaalde tijd) en eventuele restitutie geen discussie te krijgen over wat een dag/dagdeel/week/maand/jaar is.

Artikel 2. Plaatsen en tijdstippen

Vergunningen voor het parkeren op parkeerapparatuur- en/of belanghebbendenplaatsen worden uitgegeven op basis van deze verordening. Het aanwijzen van de plaatsen waar met een dergelijke vergunning geparkeerd kan worden dient daarom bij of krachtens deze verordening te gebeuren.

Uit praktische overwegingen is de aanwijzingsbevoegdheid bij het college van burgemeester en wethouders neergelegd. Los daarvan staat het heffen van rechten voor het uitgeven van de vergunning. Dit gebeurt op basis van afdeling V van deze verordening. De aanwijzing van belanghebbendengebieden is in principe alleen mogelijk voor gebieden waar een redelijke mate van parkeerdruk aanwezig is.

Artikel 3. Vergunningverlening

In dit artikel wordt aangegeven welke bevoegdheden het college heeft ten aanzien van de parkeervergunningverlening. Deze kaders worden door het college vertaald in beleidsregels voor vergunningverlening waarin voor de 4 type vergunningen die zijn benoemd in lid drie nadere regels worden opgenomen. De uitwerking van voorwaarden en nadere regels is uit praktische overwegingen bij het college neergelegd. Het college van burgemeester en wethouders kan bepalen op welke wijze een aanvraag dient te geschieden. In de, bij openbaar besluit, bekend te maken beleidsregels wordt opgenomen welke gegevens dienen te worden ingevuld, aan welke voorwaarden dient te worden voldaan en welke aanvullende gegevens of extra bewijzen/documenten minimaal dienen te worden ingediend.

Het college besteedt in de beleidsregels aandacht aan de wijze waarop verschillende doelgroepen in Rijswijk bediend worden. Bij bewoners wordt ook aandacht besteed aan (nog) niet in de BRP ingeschreven inwoners, gehandicapten in bezit van een gehandicaptenparkeerkaart en veelvoorkomende ‘uitzonderingen’. Bij functionele vergunningen worden nadere regels gesteld die ook tot uitdrukking komen in bijvoorbeeld verschillende tarieven op basis van deze regels. De beleidsregels worden zo opgebouwd dat het toepassen van lid vijf waar mogelijk op voorhand wordt voorkomen.

Afspraak met de raad is dat het college de toepassing van lid zes niet zal uitoefenen zonder voorafgaande goedkeuring van de raad van de gemeente Rijswijk.

Lid zeven en acht worden zoveel mogelijk verwerkt in de beleidsregels. Daarin wordt in ieder geval opgenomen dat voor adressen bij bepaalde gebouwen/complexen, die vanwege de bouwvergunning beschikken over parkeren op eigen terrein, niet zonder meer een vergunning voor parkeren in de openbare ruimte verleend zal worden.

Artikel 4. Beslistermijn

De beginselen van behoorlijk bestuur eisen dat binnen een redelijke termijn een beslissing wordt genomen op een aanvraag voor een vergunning. Om op dit punt voor de aanvrager duidelijkheid te verschaffen, zijn de uiterste termijnen in de verordening opgenomen. In de beleidsregels wordt hieraan ook een nadere uitwerking gegeven. Een aanvraag op reguliere gronden zal digitaal per ommegaande worden verstrekt. Een definitief besluit zal onder normale omstandigheden binnen vier weken worden genomen. Het college streeft er naar om alleen in uitzonderlijke (niet voorziene) gevallen termijnen als bedoeld in dit artikel toe te passen.

Artikel 5. Voorwaarden aan de vergunning

Lid twee van het artikel bevat de minimaal op te nemen gegevens voor een vergunning. Aangezien geen sprake meer is van een fysieke vergunning maar van registratie op kenteken wordt hiervoor geen in het voertuig te leggen bewijs meer afgegeven.

Artikel 6. Intrekken en weigeren vergunning

In de aanhef van dit artikel wordt aangegeven dat het college een parkeervergunning 'kan’ intrekken of wijzigen. Bedoeld is hiermee aan te geven dat het ter beoordeling van het college van burgemeester en wethouders staat of een vergunning daadwerkelijk moet worden ingetrokken of gewijzigd, wanneer een van de opgesomde omstandigheden zich voordoet. De opsomming is limitatief bedoeld. Om andere redenen kan de vergunning dan ook niet worden ingetrokken of gewijzigd. Het college kan aangeven onder welke voorwaarden een vergunning dient te worden ngetrokken/ingeleverd.

Doordat een vergunning gekoppeld is aan een kenteken en digitaal geregistreerd staat (niet meer een document of pasje) kan bij intrekking ook geen misbruik meer gemaakt worden van een onterecht verkregen vergunning. In de beleidsregels zal aandacht besteed worden aan de procedures bij intrekken en ongeldig verklaren.

Lid twee is bovenop de bevoegdheid van burgemeester en wethouders zoals opgenomen in lid één als door de raad vast te stellen strafbepaling opgenomen.

Artikel 7. Gebruik vergunninghoudersplaatsen

Deze bepaling is opgenomen voor situaties waarin er sprake is van een gebied waarbinnen géén betaald parkeerregime geldt, maar waarbinnen alléén met een parkeervergunning mag worden geparkeerd. Zoals in de algemene toelichting is aangegeven kan géén fiscale naheffingsaanslag worden opgelegd bij het zonder vergunning parkeren in een belanghebbendengebied ‘sec’. De fiscale aanpak van het niet betalen van de parkeerbelasting is, gelet op artikel 234 van de Gemeentewet, alleen mogelijk bij parkeerapparatuurplaatsen. Daarom moet in de verordening een strafbepaling worden opgenomen, die alleen voor strafrechtelijke handhaving via de ‘Wet Mulder’ in aanmerking komt. Alleen indien sprake is van een gecombineerd gebied voor betaald parkeren én belanghebbendenparkeren, kan wél een naheffingsaanslag worden opgelegd, wanneer iemand parkeert zonder geldige vergunning én zonder te betalen in de parkeerapparatuur.

Voor het parkeren op parkeerplaatsen bij parkeerapparatuur zonder (geldige) vergunning is geen strafbaarstelling nodig. Op die plaatsen kan immers wel het fiscale regime gehanteerd worden.

Artikel 8. In werking stelling parkeerapparatuur

Ook dit artikel bevat een verbodsbepaling voor gedragingen die niet gefiscaliseerd kunnen worden.

Deze bepalingen moeten, ongeacht of tot fiscalisering wordt overgegaan of niet, in de verordening opgenomen worden.

Een 'bijvulverbod' is niet opgenomen, omdat dit in strijd zou zijn met het fiscale regime. Wanneer de parkeertijd, waarvoor een bestuurder heeft betaald, is verstreken moet hij (opnieuw) aangifte doen. Als hij niet aan die verplichting voldoet, wordt hem, in geval van constatering, een naheffingsaanslag opgelegd. Wanneer een bijvulverbod geldt, zou de parkeerder een strafbaar feit plegen, terwijl hij wél aan zijn belastingplicht voldoet. Een bijvulverbod is daarom onder een fiscaal regime niet mogelijk.

Artikel 9. Strafbepaling

Artikel 154 van de Gemeentewet bepaalt dat gemeenten op overtreding van hun verordeningen een hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie kunnen stellen. Openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak kan als bijkomende straf op een overtreding orden gesteld.

Gezien de ernst van een parkeerovertreding lijkt het minder gewenst om daarop de zwaarste strafsanctie te stellen. Er is daarom gekozen voor een hechtenis van maximaal een maand of een geldboete van de eerste categorie. Het openbaar maken van de rechterlijke uitspraak is een bijkomende straf waarvan bij parkeerovertredingen weinig effect te verwachten valt. Het opnemen daarvan in de Parkeerverordening is daarom achterwege gelaten.

Artikel 10. Belastbaar feit

In artikel 10 is omschreven welke parkeerbelastingen geheven kunnen worden. Het gaat dan om de belasting ter zake van het parkeren van een motorvoertuig op een bepaalde aangewezen plaats en om een belasting ter zake van het vergunningparkeren. Een ontheffing om bij een parkeerapparatuurplaats te ogen staan zonder dat voor de duur van het parkeren wordt betaald, wordt als een vergunning aangemerkt.

Artikel 11. Belastingplicht

In artikel 11 is vastgelegd wie belastingplichtig is voor de belastingen die zijn genoemd in artikel 10, onderdelen a en b. Hoofdregel is dat de belasting die wordt genoemd in artikel 10, onderdeel a, wordt geheven van degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd. De belasting genoemd in artikel 10, onderdeel b, wordt echter geheven van degene die de vergunning heeft aangevraagd.

In het derde lid van artikel 11 wordt aangegeven wie als degenen die het motorvoertuig hebben geparkeerd mede worden aangemerkt. Als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd wordt tevens aangemerkt degene die de belasting daadwerkelijk voldoet, dan wel degene die na de eerste aanmaning te kennen geeft of te kennen heeft gegeven de belasting te willen voldoen. Zolang die belasting echter niet is voldaan is de houder van het motorvoertuig tevens aangemerkt als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd en de houder is dan weer degene waarvan het kenteken staat ingeschreven in het kentekenregister. Een uitzondering op het aanmerken van de houder als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd is te vinden in het tweede lid, onderdeel b. Als namelijk een voor ten hoogste drie maanden aangegane huurovereenkomst wordt overgelegd waaruit kan blijken, en dat is een zware vorm van bewijs, wie ten tijde van het parkeren de huurder van het motorvoertuig was dan wordt niet de houder maar de huurder als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd aangemerkt. Zo is er ook nog een tweede uitzondering. Indien namelijk blijkt dat een ander in het kentekenregister had moeten staan ingeschreven dan wordt die ander als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd aangemerkt. Dit kan bijvoorbeeld blijken als de houder een zogenaamd vrijwaringsbewijs overlegt.

In het vierde lid van artikel 11 staat van wie de belasting niet wordt geheven. Iemand kan niet als degene die het voertuig heeft geparkeerd worden aangemerkt indien hij aannemelijk maakt dat ten tijde van het parkeren een ander tegen zijn wil van het voertuig gebruik heeft gemaakt. Er moet wel aannemelijk worden gemaakt dat hij dit gebruik redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen. Het is de bedoeling dat de houder niet als parkeerder wordt aangemerkt indien er met zijn voertuig joyriding heeft plaatsgevonden of als het voertuig op het moment van constateren als gestolen geregistreerd staat.

Het vijfde lid bevat de algemene vrijstelling van het betalen van belasting op algemene gehandicaptenparkeerplaatsen voor houders van een gehandicaptenparkeerkaart. Op andere gehandicaptenparkeerplaatsen en overige plaatsen dient belasting te worden voldaan dan wel een vergunning te zijn verleend. Voor inwoners van de gemeente Rijswijk in bezit van een gehandicaptenparkeerkaart wordt de mogelijkheid geboden een vergunning aan te vragen die binnen reguleringsgebied in Rijswijk gebruikt kan worden.

Artikel 12. Maatstaf van heffing, belastingtarief en belastingtijdvak

In artikel 12 wordt voor het tarief, het tijdvak en de maatstaf van heffing verwezen naar een bij de Parkeerverordening behorende tarieventabel. Ten aanzien van de mogelijke heffingsmaatstaven voor de parkeerbelastingen is in artikel 225, achtste lid, van de Gemeentewet een limitatieve opsomming weergegeven. Het tarief van de parkeerbelastingen kan slechts afhankelijk worden gesteld van de parkeerduur, van de parkeertijd, van de ingenomen oppervlakte en van de ligging van de terreinen of weggedeelten.

Artikel 13. Wijze van heffing

In het eerste lid is geregeld op welke wijze de belasting bedoeld in artikel 10, onderdeel a - dat is de belasting voor het parkeren op parkeerapparatuurplaatsen - wordt geheven. Deze wordt geheven door voldoening op aangifte.

Voor de volledigheid bepaalt de slotzin van het eerste lid dat als voldoening op aangifte wordt aangemerkt het in werking stellen van de parkeerapparatuur op de voorgeschreven wijze. Deze bepaling komt overeen met de in artikel 234, tweede lid, onderdeel a, van de Gemeentewet opgenomen mogelijkheid voor het voldoen op aangifte. Ook het inloggen bij de centrale computer van het bedrijf waarmee de gemeente een overeenkomst heeft gesloten (zie artikel 1, onderdelen f en g) wordt als het in werking stellen van parkeerapparatuur aangemerkt. In feite wordt de voldoening op aangifte gestart op het moment dat wordt ingelogd en voltooid op het moment dat wordt uitgelogd. Het tweede lid regelt de wijze van heffing voor de parkeerbelasting voor het parkeren krachtens een parkeervergunning. Deze belasting wordt ook geheven door voldoening op aangifte. Daarmee is de 'echte' voldoening op aangifte bedoeld en niet de voldoening op aangifte bij wetsduiding (het in werking stellen van de parkeerapparatuur).

Op grond van artikel 234, derde lid, van de Gemeentewet is geen bezwaar mogelijk tegen voldoening van parkeerbelasting op aangifte.

Artikel 14. Ontstaan van de belastingschuld

In artikel 14 is geregeld op welk tijdstip de belastingschuld ontstaat. Voor de belasting genoemd in artikel 10, onderdeel a, is geregeld dat deze is verschuldigd bij de aanvang van het parkeren (eerste lid). De belasting genoemd in artikel 10, onderdeel b, is verschuldigd op het tijdstip dat de vergunning wordt verleend (tweede lid).

Voor het betaald parkeren met gebruik van een (mobiele) telefoon zal het college van burgemeester en wethouders nadere regels moeten stellen op grond van artikel 13 van de verordening.

Op het moment dat de parkeerder zijn voertuig parkeert, logt hij met behulp van zijn telefoon in op de centrale computer en geeft hij de code door van het gebied waar het voertuig staat. Op het moment dat hij wegrijdt, meldt hij zich telefonisch af. Omdat bij het betaald parkeren met gebruik van een mobiele telefoon wordt afgerekend over de werkelijk geparkeerde tijd, kan niet worden gesteld dat de belastingschuld ontstaat bij de aanvang van het parkeren. De belastingschuld groeit gedurende het parkeren voortdurend aan. De belasting wordt derhalve 'in een tijdvak verschuldigd' in de zin van artikel 19, eerste lid, AWR.

Naar wij menen kan voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een parkeervergunning een afzonderlijk bedrag aan leges worden gevraagd. Het gevorderde legesbedrag heeft betrekking op de kosten van afgifte van de vergunning. De belasting als bedoeld in artikel 225 van de Gemeentewet heeft betrekking op de parkeerbelasting die voor een verleende vergunning mag worden gevorderd.

Dit kan afwijken van de omschrijving van het belastbaar feit zoals die voorkomt in de modelverordening leges. In de legesverordening is omschreven dat de belastingschuld ontstaat bij het indienen van de aanvraag. Het belastbare feit is daar ook omschreven als het in behandeling nemen van een aanvraag om een vergunning.

Artikel 15. Termijn van betaling

Het eerste lid regelt het tijdstip van betaling voor de belasting bedoeld in artikel 10, onderdeel a, dat is de belasting voor het parkeren op parkeerapparatuurplaatsen. Zowel bij de heffing door voldoening op aangifte als bij de heffing op andere wijze, geschiedt de betaling door het inwerpen van geld in de parkeerapparatuur. Bij de fiscale afhandeling vallen aangifte en betaling dus samen. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 19 van de AWR moet overeenkomstig de aangifte worden betaald. Voor het tijdstip van betaling is met toepassing van artikel 238, tweede lid (bij de heffing bij wege van voldoening op aangifte) van de Gemeentewet een van artikel 19 van de AWR, onderscheidenlijk artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 afwijkende betalingsregeling getroffen.

Aangezien de belastingschuld ‘in het tijdvak van parkeren verschuldigd wordt’, kan deze pas na het einde van het parkeren worden betaald. De belasting moet binnen een maand na het einde van het parkeren worden betaald.

Als geen betaling heeft plaatsgevonden - of als niet via de telefoon is ingelogd op de centrale computer en ook geen betaling in de fysiek aanwezige parkeerapparatuur heeft plaatsgevonden – kan bij fiscale afhandeling een naheffingsaanslag worden opgelegd en eventueel een wielklem worden aangebracht. In die situatie vindt het traject zoals dat is vastgelegd in de artikelen 234 en 235 van de Gemeentewet toepassing. Een naheffingsaanslag moet ingevolge het laatste lid van artikel 15 onmiddellijk worden betaald. Dit is in overeenstemming met artikel 234, negende lid, van de Gemeentewet. De gemeente kan overigens ook een acceptgiro sturen die binnen een bepaalde termijn betaald moet worden.

Voor de belasting genoemd in artikel 10, onderdeel b, is in het derde lid bepaald dat deze overeenkomstig de aangifte moet worden betaald op het moment dat de vergunning wordt verleend (vergelijk artikel 13, tweede lid). Dit tijdstip zal meestal zijn gelegen vóór aanvang van het tijdvak waarvoor de vergunning geldt. Voor vervolgaangiften wordt doorgaans gebruik gemaakt van een optisch leesbare acceptgiro. Door ondertekening van de betalingsopdracht doet men aangifte voor het volgende tijdvak. Voor dat tijdvak wordt ook een nieuwe vergunning verleend. Dit laat onverlet dat bijvoorbeeld kan worden bepaald dat de vergunning (het strookje) alleen geldig is in combinatie met een 'stamkaart'.

Het parkeren zonder vergunning op plaatsen waar dat alleen met een vergunning mag, is een overtreding. In dat geval zal er geen naheffingsaanslag kunnen worden opgelegd, tenzij in hetzelfde gebied ook een parkeerbelasting als bedoeld in artikel 10, onderdeel a, wordt geheven. Is dat niet het geval, dan moet het parkeren zonder vergunning op een vergunningplaats gezien worden als een overtreding. Deze zal in beginsel strafrechtelijk worden vervolgd (artikel 7 en artikel 9 van de verordening). Het spreekt voor zich dat als de parkeerbelasting voor de vergunning zelf niet wordt betaald, deze belasting wel kan worden nageheven. Ook voor deze naheffingsaanslag geldt dat deze onmiddellijk moet worden betaald. Dit is op grond van artikel 250, eerste lid, van de Gemeentewet in afwijking van de termijn genoemd in artikel 9, tweede lid, van de Invorderingswet 1990.

Artikel 16. Bevoegdheid tot aanwijzing parkeerplaatsen

In artikel 16 is opgenomen dat het college de bevoegdheid heeft om aan te wijzen de plaats waar en het tijdstip en de wijze waarop tegen betaling van belasting mag worden geparkeerd. Op grond van artikel 225, eerste lid, van de Gemeentewet moet de verordening namelijk een regeling bevatten in welke gevallen het college die aanwijzing kan doen.

Het aanwijzingsbesluit completeert de verordening. Zonder aanwijzingsbesluit kunnen geen aanslagen worden opgelegd. Dit heeft in het verleden meerdere malen geleid tot vernietiging van de naheffingsaanslag, in die gevallen dat na intrekking van de verordening bij het vaststellen van de nieuwe verordening geen nieuw aanwijzingsbesluit was genomen. De Hoge Raad heeft echter bepaald dat men er in voorkomende gevallen vanuit kan gaan dat het de bedoeling is geweest dat het oude aanwijzingsbesluit na het vaststellen van de nieuwe verordening zou blijven gelden: "Het stond de gemeenteraad evenwel vrij om in de nieuwe verordening te bepalen dat het aanwijzingsbesluit geacht zou worden voortaan te berusten op de nieuwe verordening. Daar een besluit tot vaststelling van de plaatsen waar en de tijdstippen en wijzen waarop slechts tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd een verordening inzake parkeerbelastingen completeert, en de vaststelling van een nieuwe verordening niet noodzakelijkerwijs gepaard gaat met de behoefte om wijziging te brengen in de vaststelling van zulke plaatsen, tijdstippen en wijzen, zal doorgaans gerede aanleiding bestaan om te veronderstellen dat de gemeenteraad heeft beoogd gebruik te maken van de bevoegdheid die omschreven is aan het slot van de vorige volzin.". Voor de praktijk betekent dit dat de parkeerder aannemelijk zal moeten maken dat de gemeenteraad bij het intrekken van een oude verordening niet heeft beoogd om het aanwijzingsbesluit in tact te laten, wil aan het aanwijzingsbesluit verbindende kracht kunnen worden ontzegd.

Het college kan niet volstaan met het aanwijzen van de betaald-parkeren plaatsen, maar moet in het openbaar te maken besluit ook aangeven de tijd dat het betaald-parkeren voor de verschillende parkeerplaatsen geldt (bijvoorbeeld van 9.00-18.00 uur, de data en tijden van de vaste koopavonden én de extra koopavonden etc.) en de wijze waarop tegen betaling geparkeerd mag worden (bijvoorbeeld dat een kaartje zichtbaar achter de voorruit moet liggen etc.). Niet voldoende is dat dit op de parkeermeter zelf staat. Ontbreekt een dergelijk besluit van het college dan kan de naheffingsaanslag niet in stand blijven.

De aanwijzingsbevoegdheid gaat naar onze mening niet zover dat het college de begrenzing van de gebieden waar het regime van betaald parkeren geldt kan vaststellen. Die bevoegdheid is voorbehouden aan de gemeenteraad. Het college kan wel binnen deze gebieden een nadere verfijning geven. Wij hebben er daarom voor gekozen de begrenzing te regelen via de bij de verordening behorende tarieventabel of via een bij de verordening behorende kaart. De bevoegdheid de gebieden aan te wijzen waar tegen betaling wordt geparkeerd, moet niet zo worden uitgelegd dat het college gehouden zou zijn elke individuele parkeerplaats aan te wijzen. Voldoende is de parkeerplaatsen in ruime zin aan te wijzen. Hieronder kan worden verstaan dat het voldoende is de straten aan te wijzen waar parkeerbelasting verschuldigd is. Dit volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 9 juli 1999, nr. 34615, Belastingblad 1999, blz. 734, LJN: AA2821.

Sinds 4 juli 2001 kan het college bepalen dat het in werking stellen van een parkeermeter of parkeerautomaat uitsluitend langs elektronische weg kan geschieden. Voorwaarde daarvoor is dat er voldoende praktische middelen aan de parkeerder ten dienste staan om (uitsluitend) op die wijze de parkeerbelasting op aangifte te voldoen (tenminste keuze uit rekening gebonden chipkaart en nietrekeninggebonden chipkaart met landelijke dekking, voldoende oplaad- en verkooppunten in lokale situatie).

Kenbaarheid verschuldigdheid parkeerbelasting

In gerechtelijke procedures is geregeld in geschil of de verschuldigdheid van parkeerbelasting voldoende kenbaar is. Naar het oordeel van de belastingrechter mag er 'redelijkerwijs geen misverstand omtrent de verschuldigdheid van parkeerbelasting' bestaan. Van een gemeente mag worden gevergd dat zij, indien zij parkeerbelasting heft, het rijdende publiek duidelijk maakt waar parkeerbelasting is verschuldigd. Daar waar in gevallen als deze onduidelijkheid bestaat omtrent de belastingverplichting moet die onduidelijkheid voor rekening van het heffende bestuursorgaan blijven.'

Artikel 17. Bevoegdheid tot gebruik wielklem en wegsleepregeling

In artikel 17 is opgenomen de regeling voor de naheffingsaanslag en de wielklem die tot zekerheid voor de betaling van de naheffingsaanslag aan het motorvoertuig kan worden aangebracht. Het aanbrengen van een wielklem met het oogmerk om herhaling van het niet op aangifte voldoen van parkeerbelasting te bestraffen, is in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur.

In het tweede lid is opgenomen dat het college bij openbaar te maken besluit in alle gevallen de terreinen en weggedeelten kan aanwijzen waar de wielklem wordt toegepast. Zijn deze terreinen of weggedeelten niet aangewezen dan kan de wielklem daar ook niet worden toegepast. In het derde lid is opgenomen dat het motorvoertuig naar een door de heffingsambtenaar aan te wijzen plaats kan worden overgebracht als na het aanbrengen van de wielklem tenminste 24 uur zijn verstreken. Het aantal uren mag, mits met inachtneming van het minimumaantal, zelf door de gemeenteraad worden bepaald.

Met betrekking tot de tijd waarbinnen een aangebrachte wielklem moet worden verwijderd na betaling van de naheffingsaanslag en de kostenbeschikking, kan uit de wetsgeschiedenis worden opgemaakt dat de wetgever ervan is uitgegaan dat de gemeenten hun organisatie zodanig zouden inrichten dat verwijdering van de wielklem binnen een redelijke termijn mogelijk zou zijn en dat die termijn in de praktijk één uur zou zijn.

Artikel 18. Kosten

In artikel 18 worden alle in rekening te brengen kosten, indien niet op reguliere wijze wordt betaald, geregeld. In het eerste lid hebben de kosten van de naheffingsaanslag een plaats gekregen. De hoogte hiervan moet worden bepaald met inachtneming van het Besluit parkeerbelastingen. De gemeente kan alleen kosten in rekening brengen indien een naheffingsaanslag wordt opgelegd. Voor het aanbrengen en verwijderen van een wielklem wordt één bedrag berekend. Op grond van artikel 234, vijfde lid, van de Gemeentewet is het opnemen van een bestuurlijke boete niet toegestaan.

Het in rekening brengen van de kosten van een naheffingsaanslag is niet in strijd met artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De kosten van de naheffingsaanslag zijn niet aan te merken als een boete.

In het derde lid heeft de regeling over de kosten van de overbrenging van het voertuig en de bewaring daarvan een plaats gekregen. Hier wordt uitgegaan van een basisbedrag, verhoogd met een bedrag per gereden kilometer voor het overbrengen en van een basisbedrag voor het bewaren. In de tweede volzin van het derde lid is geregeld dat voor het overbrengen op werkdagen, maar buiten kantooruren het basisbedrag wordt verhoogd. Geschiedt het overbrengen op een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag dan wordt het bedrag ook verhoogd.

Tot slot is een regeling opgenomen dat in geval het overbrengen meer tijd in beslag neemt dan een te bepalen aantal uren, het bedrag voor het overbrengen bovendien wordt verhoogd met een bedrag per uur waarbij een gedeelte van een uur voor een vol uur wordt gerekend. In het vierde lid is opgenomen dat het bedrag van de in rekening te brengen kosten wordt geconcretiseerd in een beschikking. Dit is zo geregeld in verband met het bieden van een rechtsgang.

Het maximumbedrag dat voor een naheffingsaanslag aan kosten in rekening mag worden gebracht, wordt jaarlijkse geïndexeerd aan de hand van de procentuele wijziging van het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie over de maand april ten opzichte van de maand april van het jaar daarvoor.

Jaarlijks zal vóór 1 september het maximale kostenbedrag voor het volgende kalenderjaar worden vastgesteld, zodat aanpassing van de verordening parkeerbelastingen desgewenst meegenomen kan worden in de begrotingsvoorstellen.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 14 juni 2002, nr. 36855, LJN: AD6867, bepaald dat de kosten niet jaarlijks opnieuw door de raad behoeven te worden vastgesteld. Wel moet de gemeente desgevraagd kunnen aantonen dat de hoogte van het bedrag aan kosten in overeenstemming is met het bepaalde in het besluit.

Artikel 19. Kwijtschelding

Beleidsmatig zal het in weinig gevallen gewenst zijn om van parkeerbelastingen kwijtschelding te verlenen. Ook de heffing door voldoening op aangifte maakt het verlenen van kwijtschelding uitvoeringstechnisch moeilijk. Bovendien bevat de ministeriële regeling voor deze wijze van heffing geen duidelijke regeling.

Artikel 20. Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders

Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de heffing en de invordering van de parkeerbelasting.

Artikel 21. Toezicht op naleving

N.v.t.

Artikel 22. Citeertitel

N.v.t.

Artikel 23. Inwerkingtreding en overgangsbepaling

De vergunningen 2021 e.v. worden uitgegeven op basis van de nieuwe verordening.