Verordening Maatschappelijke Ondersteuning en Jeugdhulp Gemeente Epe

Geldend van 18-06-2021 t/m heden

Intitulé

Verordening Maatschappelijke Ondersteuning en Jeugdhulp Gemeente Epe

Raadsbesluit 2021 zaaknummer: 233566

DE RAAD DER GEMEENTE EPE

Overwegende dat inwoners een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven; dat van inwoners verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan; dat inwoners die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning door de gemeente, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen; dat het noodzakelijk is om regels vast te stellen ter uitvoering van het beleidsplan als bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet Wmo 2015 met betrekking tot de ondersteuning bij de versterking van de zelfredzaamheid en participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen, beschermd wonen en opvang, en dat het noodzakelijk is om de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking te bevorderen en daarmee bij te dragen aan het realiseren van een inclusieve samenleving;

Overwegende dat de Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor het organiseren van goede en toegankelijke jeugdhulp bij de gemeente heeft belegd, waarbij het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt; en dat het noodzakelijk is om regels vast te stellen over de door het college te verlenen individuele maatwerkvoorzieningen en overige voorzieningen, met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele maatwerkvoorziening, over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele maatwerkvoorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen, de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld, voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget alsmede misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet, en regels ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan;

overwegende dat het voorts wenselijk is te bepalen onder welke voorwaarden degene aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot diens sociale netwerk;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders, zaaknr. 233556 d.d. 13 april 2021;

gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, 2.1.5, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6 en 2.6.6 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en artikelen 3.8, en 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1 van de Jeugdwet. 

BESLUIT

vast te stellen de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Epe

Artikel 1 Begripsbepalingen

  • 1.

    In deze verordening en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:

Algemeen gebruikelijke voorziening: Voorziening die niet speciaal bedoeld is voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is en die naar geldende maatschappelijke normen tot het gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van de belanghebbende behoort.

Algemene voorziening: Aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp. Met het begrip algemene voorziening wordt in het kader van deze verordening ook het begrip overige voorziening bedoeld (artikel 2.1 Jeugdwet).

Cliënt: Persoon die in de aanvraagprocedure is voor een voorziening of gebruik maakt van een algemene voorziening of aan wie een individuele maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget is verstrekt of door of namens wie een melding is gedaan als bedoeld in artikel 2.3.2 Wmo.

Een jeugdige zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, kan ook een cliënt in de zin van deze verordening zijn.

Eigen bijdrage: Bijdrage als bedoeld in de artikelen 2.1.4 en 2.1.4a van de Wmo.

Gebruikelijke hulp: Hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten zoals bedoeld in artikel 1.1.1, lid 1 van de Wmo.

Het gesprek: Gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid van de Wmo.

Hulpvraag: Behoefte van een cliënt of diens vertegenwoordiger aan ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo en als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet.

Individuele maatwerkvoorziening: Aanbod van diensten, hulpmiddelen of activiteiten dat, alleen na zorgvuldig onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, middels een beschikking toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp. Met het begrip individuele maatwerkvoorziening wordt in het kader van deze verordening ook bedoeld de begrippen maatwerkvoorziening (artikel 1.1.1 lid 1 Wmo) en individuele voorziening (artikel 2.9 Jeugdwet).

Jeugdige: Persoon zoals bedoeld in de artikel 1.1 van de Jeugdwet.

Mantelzorg: Hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep.

Melding: Melding van een hulpvraag aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo.

Ondersteuningsplan: Een document waarin een beschrijving staat van de situatie van de cliënt, het huishouden en het netwerk; een beschrijving van de krachten, de zorgen, de wensen en behoeften van de cliënt, het huishouden en het netwerk; de te behalen doelen (resultaten) op alle leefgebieden van de cliënt en het huishouden; en welke ondersteuning, zorg en jeugdhulp daarbij nodig is. Met het begrip ondersteuningsplan wordt in het kader van deze verordening ook bedoeld de begrippen gezinsplan en hulpverleningsplan en bijbehorende vereisten zoals bedoeld in de Jeugdwet.

Overige voorziening: Overige voorziening als bedoeld in artikel 2, eerste lid van de Jeugdwet. Een overige voorziening is vrij toegankelijk.

Persoonlijk plan: Een beschrijving van de cliënt of diens vertegenwoordiger van zijn omstandigheden en welke ondersteuning naar zijn mening het meest aangewezen is, zoals bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de Wmo en in artikel 4.1.2 van de Jeugdwet. Met het begrip persoonlijk plan wordt in het kader van deze verordening ook bedoeld het begrip familiegroepsplan en bijbehorende vereisten zoals bedoeld in de Jeugdwet.

Pgb: Persoonsgebonden budget is een door het college verstrekt budget aan een cliënt of diens vertegenwoordiger, waarmee de cliënt in staat wordt gesteld de maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp die tot de op het individu toegesneden voorziening behoort, van derden te betrekken (artikel 1.1.1 en 2.3.6 van de Wmo en artikel 8.1.1 van de Jeugdwet).

Schoon en leefbaar huis: Een huis is schoon en leefbaar indien het normaal bewoond en gebruikt kan worden en voldoet aan basale hygiëne-eisen. Schoon staat voor: een basishygiëne borgen, waarbij vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s van bewoners worden voorkomen. Leefbaar staat voor: opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen.

Vertegenwoordiger: Ouder in geval van jeugdige (zoals bedoeld artikel 1.1 jeugdwet) of de wettelijk vertegenwoordiger (zoals bedoeld in Wmo, artikel 1.1.1 lid 2) of gemachtigde.

Wettelijk voorliggende voorziening: Een voorziening anders dan in het kader van de Jeugdwet (in de Jeugdwet ook wel ‘andere voorziening’ genoemd) of de Wmo, op het gebied van zorg, onderwijs of werk en inkomen, die passend is ter ondersteuning in de zelfredzaamheid en participatie.

Wmo: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

  • 2.

    Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wmo 2015, de Jeugdwet en de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 2 Van melding tot beschikking

Artikel 2.1 Melding

  • 1.

    Een hulpvraag kan door of namens de cliënt bij het college worden gemeld.

  • 2.

    Met het indienen van een hulpvraag ontstaat er een melding. Indien mogelijk wordt de melding van de cliënt of diens vertegenwoordiger directbeantwoord of wordt er doorverwezen. Als directe beantwoording of doorverwijzing niet mogelijk is, wordt een afspraak gemaakt voor het voeren van een gesprek.

  • 3.

    Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk of digitaal.

  • 4.

    In spoedeisende gevallen kan het college na de melding directeen tijdelijke individuele maatwerkvoorziening in zorg in natura treffen, voordat een beschikking wordt afgegeven.

Artikel 2.2 Cliëntondersteuning en vertrouwenspersoon

Algemeen

  • 1.

    Het college wijst erop dat cliënt of diens vertegenwoordiger een beroep kan doen op kosteloze onafhankelijke cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is.

Specifiek jeugd

  • 2.

    Het college wijst jeugdigen en hun vertegenwoordigers erop dat zij zich desgewenst kunnen laten bijstaan door een onafhankelijke vertrouwenspersoon, als bedoeld in artikel 2.6, lid 1, sub f van de Jeugdwet.

Artikel 2.3 Vooronderzoek

  • 1.

    Het college brengt de cliënt of diens vertegenwoordiger op de hoogte van de mogelijkheid om een persoonlijk plan op te stellen en stelt hen tot het gesprek in de gelegenheid het plan te overhandigen.

  • 2.

    Als de cliënt of diens vertegenwoordiger een persoonlijk plan aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het vooronderzoek.

  • 3.

    Voor, tijdens of na het gesprek verschaft de cliënt of diens vertegenwoordiger aan het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen. De cliënt verstrekt in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage.

Artikel 2.4 Gesprek

  • 1.

    Het college onderzoekt in een gesprek met deskundigen en degene door of namens wie de melding is gedaan, dan wel diens vertegenwoordiger of onafhankelijke cliëntondersteuneren waar mogelijk met de mantelzorger(s) en desgewenst familie, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig:

    • a.

      de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de cliënt en de hulpvraag;

    • b.

      het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning;

    • c.

      de mogelijkheden om zelf of met hulp van personen uit zijn sociale netwerk een oplossing te vinden voor de hulpvraag van de cliënt of handhaving en verbetering van de zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;

    • d.

      de mogelijkheden om gebruik te maken van een algemene, algemeen gebruikelijke of een wettelijk voorliggende voorziening;

    • e.

      de mogelijkheden om door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van de zelfredzaamheid of participatie;

    • f.

      de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang;

    • g.

      de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;

    • h.

      de mogelijkheid om een individuele maatwerkvoorziening te verstrekken;

    • i.

      welke bijdragen in de kosten van toepassing zijn en cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de Wmo verschuldigd zal zijn, en;

    • j.

      de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze.

  • 2.

    Het college informeert de cliënt of diens vertegenwoordigers over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt toestemming om de persoonsgegevens te verwerken. Het uitgangspunt is dat de aanbieder van de individuele maatwerkvoorziening niet bij dit gesprek aanwezig is.

  • 3.

    Het college kan in overleg met de cliënt of diens vertegenwoordiger, afzien van een gesprek.

Artikel 2.5 Verslag en aanvraag

  • 1.

    Het college maakt op basis van het vooronderzoek en gesprek een gespreksverslag met ondersteuningsplan en deze worden aan de cliënt verstrekt. Indien nodig wordt nadere informatie gevraagd.

  • 2.

    De cliënt, of diens gemachtigde ondertekent het verslag of aanvraagformulier binnen 5 werkdagen na dagtekening voor akkoord of voor niet akkoord, al dan niet voorzien van een zienswijze. Met de ondertekening van het verslag voor gezien of akkoord en met de ondertekening van het aanvraagformulier ontstaat een aanvraag voor een voorziening, waarop een beschikking volgt.

  • 3.

    Het college kan in overleg met de cliënt of diens vertegenwoordiger afzien van een gespreksverslag of ondertekening van het verslag.

Artikel 2.6 Criteria voor een individuele maatwerkvoorziening

Algemeen

  • 1.

    Een cliënt komt in aanmerking voor een individuele maatwerkvoorziening:

  • a.

    ter bevordering van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van de cliënt;

  • b.

    ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt;

  • c.

    ter ondersteuning van jeugdigen en hun vertegenwoordigers bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptie gerelateerde problemen; 

  • d.

    ter ondersteuning bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt;

  • e.

    ter ondersteuning van de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten al dan niet in verband met risico’s voor zijn gezondheid of veiligheid.

    Dit voor zover de cliënt de hulpvraag naar het oordeel van het college geheel of gedeeltelijk kan oplossen:

    • a.

      op eigen kracht;

    • b.

      met gebruikelijke hulp of met mantelzorg;

    • c.

      met andere personen uit zijn/haar sociale netwerk;

    • d.

      door algemeen gebruikelijke voorzieningen;

    • e.

      door wettelijk voorliggende voorzieningen;

    • f.

      door een algemene voorziening;

    • g.

      door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten;

    • h.

      door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen om te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening.

  • 2.

    Als een individuele maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate voorziening.

Specifiek Wmo

  • 3.

    Ten aanzien van een individuele maatwerkvoorziening geldt dat een cliënt alleen hiervoor in aanmerking komt als:

  • a.

    de noodzaak tot ondersteuning voor de cliënt redelijkerwijs niet vermijdbaar was;

  • b.

    de voorziening voorzienbaar was, maar van de cliënt redelijkerwijs niet verwacht kon worden maatregelen te hebben getroffen die de hulpvraag overbodig had gemaakt;

  • c.

    er geen sprake is van een indicatie voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg of er redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt daarvoor in aanmerking komt, maar weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit hierover, tenzij artikel 8.6a van de wet van toepassing is.

Specifiek Huishoudelijke Ondersteuning

  • 4.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 2.6 voor de individuele maatwerkvoorziening huishoudelijke Ondersteuning geldt dat:

    • a.

      voor het vaststellen van het aantal uren professionele inzet dat nodig is gebruik gemaakt wordt van het ‘Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2019 – Bureau HHM, juni 2019’ (bijlage 3);

    • b.

      de inwoner gebruik moet kunnen maken van een schone woonkamer, slaapvertrek(ken), de keuken, sanitaire ruimtes en gang/trap;

    • c.

      het schoon en leefbaar houden van de woning uitsluitend betrekking heeft op woonruimten binnen de woning. Het schoonmaken van de buitenruimte bij het huis (ramen, tuin, balkon, etc.) maken geen onderdeel uit van huishoudelijke ondersteuning.

Specifiek Maatschappelijke Opvang en Beschermd Wonen

  • 5.

    Ten aanzien van maatschappelijke opvang geldt dat een cliënt alleen hiervoor in aanmerking komt als hij:

    • a.

      feitelijk dakloos is;

    • b.

      beperkt redzaam is op meerdere door het college aan te wijzen leefgebieden;

    • c.

      niet beschikt over alternatieven die de situatie van feitelijke dakloosheid op kunnen heffen.

 

  • 6.

    Ten aanzien van beschermd wonen kan een cliënt alleen hiervoor in aanmerking komen als:

    • a.

      hij een psychische of psychosociale problematiek heeft;

    • b.

      er voor hem sprake is van een noodzaak tot bescherming van zichzelf of zijn omgeving, waarbij die noodzaak direct voortkomt uit de psychische of psychosociale problematiek;

    • c.

      hij niet beschikt over alternatieven die de noodzaak voor beschermd wonen op kunnen heffen.

  • 7.

    Het college kan nadere regels stellen inzake toelating naar aanleiding van afspraken met andere gemeenten over wederzijdse overdracht van cliënten en inzake prioritering van doelgroepen bij de toegang tot Beschermd Wonen en Maatschappelijke Opvang.

Artikel 2.7 Advisering

Het college kan extern advies vragen als het dit van belang acht voor het maken van een zorgvuldige afweging over passende hulp.

Artikel 2.8 Beschikking

  • 1.

    Op basis van de aanvraag neemt het college een besluit in de vorm van een beschikking.

  • 2.

    In de beschikking tot verstrekking van een individuele maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt.

  • 3.

    Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de beschikking tevens vastgelegd:

a. welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is;

b. wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;

c. hoe de voorziening wordt verstrekt, en indien van toepassing;

d. welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn.

  • 4.

    Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking tevens vastgelegd:

a. voor welk resultaat het pgb kan worden aangewend;

b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;

c. wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;

d. wat de ingangsdatum en duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld, en;

e. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.

  • 5

    Als sprake is van een te betalen eigen bijdrage, wordt de cliënt daarover in de beschikking geïnformeerd.

Artikel 2.9 Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts

  • 1.

    Het college zorgt tevens voor de inzet van een individuele maatwerkvoorziening voor een jeugdige na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover genoemde jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van deze voorziening nodig is.

  • 2.

    Als de jeugdige of zijn ouders hierom verzoeken, legt het college de te verlenen individuele maatwerkvoorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking als bedoeld in artikel 2.8 van deze verordening.

Artikel 3 Regels voor een pgb

  • 1.

    Het college verstrekt een pgb met in achtneming van artikel 2.3.6 Wmo en artikel 8.1.1 Jeugdwet.

  • 2.

    Onverminderd artikel 2.3.6 Wmo en artikel 8.1.1 Jeugdwet, verstrekt het college geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was.

  • 3.

    Binnen het beschikbare budget dienen de gestelde doelen uit het ondersteuningsplan binnen de afgesproken budgetperiode te worden behaald, tenzij er zich nieuwe omstandigheden voordoen die van invloed zijn op de persoonlijke situatie en de doelen.

    • 4

      Een pgb is niet mogelijk:

    • a

      als er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, als bedoeld in artikel 2.3.3 van de Wmo en als bedoeld in artikel 2.6 eerste lid onder b van de Jeugdwet; crisishulp/crisisopvang/spoedhulp/spoedopvang; 

    • b

      voor zover het pgb wordt besteed in het buitenland langer dan 13 weken per jaar of een aaneengesloten periode langer dan zes weken, tenzij hiervoor expliciet vooraf toestemming is gegeven door het college;

    • c

      voor bemiddelings- of administratiekosten, coördinatie of voortgezette diagnostiek;

    • d

      voor het inkopen van wettelijk voorliggende, algemene en algemeen gebruikelijke diensten of voorzieningen;

    • e

      voor besteding aan voorzieningen jeugdhulp die zijn uitgesloten door het college.

Artikel 4 Pgb maatwerkvoorziening in de vorm van een dienst

  • 1.

    Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een dienst wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp.

  • 2.

    Er is sprake van formele hulp in de volgende situaties:

    • a

      Een aanbieder die voor de gemeente Epe voor zorg in natura is gecontracteerd voor de betreffende ondersteuning;

    • b

      Een aanbieder die voldoet aan de volgende criteria:

      • i.

        heeft een inschrijving in de Kamer van Koophandel (KvK);

      • ii

        richt zich, blijkens de doelstellingen uit dit register primair op de benodigde ondersteuning zoals is vastgelegd in het ondersteuningsplan;

      • iii

        biedt een dienstverband aan minimaal 2 medewerkers;

      • iv

        de medewerkers voldoen aan de kwaliteitseisen die voor de betreffende ondersteuning worden gesteld en ontvangen een salaris dat daarmee overeenkomstig is;

      • v

        degene die de daadwerkelijke ondersteuning biedt aan de cliënt is geen partner, eerste of tweedegraadsfamilie van degene aan wie de hulp wordt verleend;

    • c

      Een zzp’er of freelancer die blijkens de handelsbenaming uit de KvK zich primair richt op de benodigde ondersteuning, zoals vastgelegd in het ondersteuningsplanen werkt conform de beroepscode van de beroepsgroep, waarbij het werken conform een geldende methodiek onderdeel is.

  • 3.

    Voor formele hulp geldt dat de zelfstandige zonder personeel of freelancer of degene die hij inhuurt voor het leveren van de daadwerkelijke ondersteuning geen partner, eerste of tweedegraadsfamilie van de hulpvrager is.

  • 4.

    Er is sprake van informele hulp wanneer niet voldaan wordt aan de criteria voor formele hulp zoals hierboven beschreven.

  • 5.

    Bij de beoordeling van de mogelijkheid tot het inzetten van informele hulp middels een pgb wordt het volgende bij de afweging betrokken:

  • a

    de informele hulp is in staat om de hulp te bieden die conform de beoogde doelstellingen in het ondersteuningsplan benodigd is;

  • b

    de belastbaarheid van de informele hulp; er mag geen sprake zijn van (dreigende) overbelasting;

  • c

    de cliënt en of diens vertegenwoordiger kan instaan voor de kwaliteit van de geboden hulp;

  • d

    het type hulp, de frequentie van de geboden hulp, de duur van de hulp (tijdelijk of langere periode) en de benodigde continuïteit;

  • e

    de mogelijkheid om vervangende ondersteuning in te kopen of passende ondersteuning in natura in te zetten.

  • 6.

    De hoogte van een pgb:

    • a

      wordt vastgesteld tijdens het onderzoek en aan de hand van een door de cliënt opgesteld plan over hoe hij het pgb gaat besteden;

    • b

      wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de individuele maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken; de benodigde ondersteuning moet tenminste bij één aanbieder in te kopen zijn;

    • c

      wordt voor formele hulp vastgesteld op basis van de goedkoopst compenserende oplossing voor de benodigde ondersteuning met een maximum van 85% van de geldende gemeentelijke inkooptarieven voor ondersteuning in natura;

    • d

      wordt voor de informele hulp van 22 jaar en ouder vastgesteld conform de maximumtarieven zoals opgenomen in bijlage 1;

    • e

      wordt voor de informele hulp jonger dan 22 jaar gelijk gesteld aan het wettelijk minimumjeugduurloon inclusief vakantietoeslag.

  • 7

    In afwijking van het gestelde in het zesde lid, onder b, wordt de kostprijs van de goedkoopst compenserende maatwerkvoorziening vergoed als uit het onderzoek is gebleken dat de cliënt een andere vorm van ondersteuning nodig heeft dan het college in natura heeft ingekocht.

Artikel 5 Pgb maatwerkvoorziening niet zijnde een dienst

  • 1.

    De maximale hoogte van een pgb voor maatwerkvoorzieningen niet zijnde een dienst wordt vastgesteld op basis van de aanschafprijs van de goedkoopst compenserende voorziening die het college in natura zou verstrekken.

  • 2.

    De hoogte van een pgb voor een maatwerkvoorziening niet zijnde een dienst wordt vastgesteld voor:

  • a

    vervoer van en naar de dagbesteding: op basis van de -op het moment van aanvraag- geldende gangbare kilometervergoeding of het in de regio gangbare toepasselijke tarief, uitgaande van de dichtst bij de woning van de cliënt gelegen passende dagbestedingslocatie en rekening houdende met eventuele beperkingen die het reizen met bepaalde vormen van het openbaar vervoer door de cliënt belemmeren;

  • b

    taxi- en rolstoeltaxivervoer: op basis van het in de regio gangbare toepasselijke tarief;

  • c

    een autoaanpassing: op basis van de laagste kostprijs van de noodzakelijke aanpassingen die hiervoor zou worden gehanteerd door het college vastgestelde leverancier(s);

  • d

    een woonvoorziening: op basis van een door het college geaccepteerde offerte of een bouwkundig calculatiebureau;

  • e

    verhuiskosten en herinrichtingskosten: hiervoor geldt een maximumbedrag zie bijlage 1;

  • f

    aanschaf en onderhoud van een rolstoel voor incidenteel gebruik: op basis van de laagste prijs die hiervoor zou worden gehanteerd door een door het college vastgestelde offerte. Hiervoor geldt een maximumbedrag zie bijlage 1;

  • g

    aanschaf en onderhoud van een sportrolstoel: op basis van de laagste prijs die hiervoor zou worden gehanteerd door een door het college vastgestelde offerte. Hierbij geldt een maximumbedrag zie bijlage 1;

  • h

    het bezoekbaar maken van een woning voor een persoon die verblijft in een instelling op grond van de Wet langdurige zorg: op basis van de laagste kostprijs van de noodzakelijke aanpassingen die hiervoor zou worden gehanteerd door een door het college geaccepteerde offerte en rekening houdende met de keuze van de cliënt om al dan niet gebruik te maken van een erkende aannemer. Voor het bedrag zie bijlage 1;

  • i

    onderhoud en reparatie (zijnde instandhoudingkosten) van materiële voorzieningen: hiervoor dient de cliënt een onderhoudscontract af te sluiten voor de duur van 7 jaar. Het bedrag voor onderhoud en reparaties is gebaseerd op maximaal de kosten van een door het college geaccepteerde offerte, rekening houdend met een bedrag voor de wettelijk verplichte verzekering indien deze verplicht is. 

  • 3

    Indien de cliënt een met het pgb aangeschafte voorziening binnen de afschrijvingstermijn niet meer gebruikt, omdat deze niet meer adequaat is:

  • a

    wordt de restwaarde van de voorziening verrekend met een nieuw toe te kennen pgb;

  • b

    wordt bij een eventueel nieuw toe te kennen pgb, het pgb voor onderhoud, reparatie en indien verplicht een WA-verzekering voor de nog niet verstreken termijn verrekend met het nieuw toe te kennen bedrag.

Artikel 6 Eigen bijdragen Wmo

Artikel 6.1 Bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen, met uitzondering van de bij verordening aangewezen algemene voorzieningen

  • 1.

    Een cliënt is een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik van een algemene voorziening te weten:

    • a.

      de was- en strijkservice, ter hoogte van € 2,25 per kg was en € 1,25 per stuk strijken tot maximaal € 40,- per huishouden per maand;

    • b.

      Voor cliënten met een inkomen tot 120% van de bijstandsnorm is de eigen bijdrage voor de was- en strijkservice maximaal € 15,- voor een eenpersoonshuishouden en € 25,- voor een twee- of meerpersoonshuishouden per maand;

    • c.

      De onder a en b genoemde bedragen in dit artikel zijn uitgedrukt in het meest actuele prijspeil en wordt ieder opvolgend kalenderjaar gewijzigd aan de hand van ontwikkeling van de consumentenprijsindex die gepubliceerd wordt door het Centraal Planbureau. De berekende bedragen worden naar beneden afgerond op een veelvoud van € 0,20.

    • d.

      Als toepassing is gegeven aan het vorige lid, draagt het college zorg voor de kenbaarheid van de laatstelijk in de plaats gestelde bedragen;

    • e.

      Eventueel onkosten voor het nuttigen van consumptieve goederen en het gebruik van materiaal. Deze kosten mogen niet hoger zijn dan de redelijkerwijs vastgestelde kostprijs van het desbetreffende product. Daarnaast mag afname van deze producten niet verplicht worden gesteld aan de inwoner die van een desbetreffende algemene voorziening gebruik maakt om zo gedwongen winkelnering te voorkomen.

Artikel 6.2 Bijdrage in de kosten van individuele maatwerkvoorzieningen of pgb’s en bij verordening aangewezen algemene voorzieningen

  • 1.

    Een cliënt ouder dan 18 jaar, die geen voorziening toegewezen heeft gekregen op basis van de Jeugdwet, is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een individuele maatwerkvoorziening dan wel pgb.

  • 2.

    De cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd, zolang de cliënt gebruik maakt van de individuele maatwerkvoorziening of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt.

  • 3.

    Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een bij verordening aangewezen algemene voorziening zolang de cliënt van deze voorziening gebruik maakt. Deze zijn vernoemd in artikel 6.1, lid 1.

  • 4.

    De bijdragen voor individuele maatwerkvoorzieningen of pgb’s en voor bij verordening aangewezen algemene voorzieningen, zijn gelijk aan de kostprijs, tot aan ten hoogste € 19,00 per maand voor de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënten tezamen, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.4a, vijfde lid, van de wet of hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 of het volgende lid geen of een lagere bijdrage is verschuldigd.

  • 5.

    In de gevallen, bedoeld in artikel 2.1.4b, tweede lid, van de wet, worden de bijdragen voor een maatwerkvoorziening of pgb door het CAK vastgesteld en geïnd.

  • 6.

    Ingeval van een materiële voorziening wordt de looptijd waarover de eigen bijdrage verschuldigd is, bepaald door de afschrijvingstermijn genoemd in bijlage 2 of de hoogte van de kosten.

  • 7.

    Indien een individuele maatwerkvoorziening wordt verstrekt ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt en er een eigen bijdrage wordt opgelegd, dan is deze verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijkwetboek gegrond verzoek is toegewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt.

  • 8.

    In afwijking van het eerste en tweede lid is geen eigen bijdrage verschuldigd voor de volgende voorzieningen:

  • a.

    voor een rolstoel of sportrolstoel;

  • b.

    voor een cliënt die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, met uitzondering van woningaanpassingen;

  • c.

    voor maatschappelijke opvang;

  • d.

    voor collectief vervoer (het pgb is niet uitgezonderd);

  • e.

    voor cliëntondersteuning.

Artikel 6.3 Criteria bepaling kostprijs

  • 1.

    De bijdrage in de kosten voor een individuele maatwerkvoorziening of pgb wordt vastgesteld conform het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. De hoogte van de bijdrage overstijgt niet de kostprijs van de voorziening.

  • 2.

    De kostprijs voor een individuele maatwerkvoorziening of pgb wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder.

  • 3.

    Voor de bepaling van de kostprijs van een materiële voorziening (artikel 6.2, lid 6 van de verordening) en voor de bepaling van hoogte van de terugvordering wordt bij een gebruikte materiële voorziening rekening gehouden met de afschrijving conform de schema’s in bijlage 2.

Artikel 6.4 Ritbijdrage en voorwaarden collectief vervoer en individueel (rolstoel)taxivervoer

Reizen op afroep (Wmo-taxi)

  • 1.

    Reizen op afroep is alleen bedoeld voor sociaal recreatieve bestemmingen.

  • 2.

    Reizen op afroep is alleen mogelijk met een door het college geïndiceerde Wmo-vervoerspas.

  • 3.

    Het tarief voor deze Wmo-vervoerspas staat in bijlage 1.

  • 4.

    Voor het reizen op afroep wordt een ritbijdrage gevraagd welke bestaat uit een opstaptarief en een kilometertarief. De tarieven voor 2021 staan in bijlage 1.

    • a.

      Jaarlijks indexeert het college de tarieven in bijlage 1 middels toepassing van de Landelijke Tarieven Index.

    • b.

      De tarieven voor het nieuwe jaar worden uiterlijk in december van het jaar daaraan voorafgaand gepubliceerd op www.plusov.nl.

  • 5.

    Er wordt een onderscheid gemaakt in tarief voor lokaal verplaatsen en in bovenlokaal verplaatsen.

    • a.

      Lokaal verplaatsen: in het vervoergebied tot maximaal 20 kilometer om de woonadres van de reiziger is het kilometertarief en het opstaptarief gelijk aan het gemiddelde OV-chipkaart kilometertarief en opstaptarief van de openbaar vervoer concessies die liggen in de gemeenten Apeldoorn, Brummen, Deventer, Epe, Hattem, Heerde, Lochem, Voorst en Zutphen.

    • b.

      Bovenlokaal verplaatsen: in het vervoergebied 20 tot en met 40 kilometer om het woonadres van de reiziger is het opstaptarief gelijk aan het gemiddelde OV-chipkaart opstaptarief en het kilometertarief is gebaseerd op het commercieel tarief.

    • c.

      Voor bijzondere bestemmingen die liggen in het bovenlokale vervoergebied zoals bedoeld in sub b, geldt het tarief dat van toepassing is voor het lokale vervoergebied zoals bedoeld in sub a. Deze bijzondere bestemmingen staan vermeld in bijlage 1.

  • 6.

    Minderjarigen tot 4 jaar met een Wmo-vervoerspas betalen geen opstaptarief en kilometerbijdrage zoals bedoeld in lid 4. Zie bijlage 1.

  • 7.

    Minderjarigen van 4 jaar tot 12 jaar met een Wmo-vervoerpas krijgen op de bij lid 4 genoemde ritbijdragen een procentuele korting. Zie bijlage 1.

  • 8.

    Een begeleider die op medische of sociale indicatie meereist betaalt geen ritbijdrage. Deze reist gratis mee.

  • 9.

    Een assistentiehond reist gratis mee.

  • 10.

    Voor reizen met het individueel (rolstoel)taxi- kilometerbudget geldt een ritbijdrage, zoals vermeld in lid 4.

  • 11

    Met ingang van 2022 geldt er per jaar geldt een reisbudget van maximaal 1500 kilometer voor (boven)lokale verplaatsingen als bedoeld in lid 5.

    • 1.

      Wanneer het jaarlijkse reisbudget is verbruikt, kan nog steeds (boven)lokaal worden gereisd, maar dan tegen de tarieven van het aanvullend openbaar vervoer van de provincie Gelderland.

    • 2.

      In uitzonderlijke gevallen kan het college besluiten dit reisbudget te verhogen, afhankelijk van de beperkingen in combinatie met de individuele vervoersbehoefte en vervoersmogelijkheden.

Collectief trajectvervoer (routegebonden vervoer)

  • 12.

    Ten behoeve van het collectief traject vervoer worden de volgende ritbijdragen gerekend:

    • a.

      Voor het vervoer naar een geïndiceerde maatwerkvoorziening of buurtpunt betaalt de reiziger geen kilometertarief en geen opstaptarief.

    • b.

      Voor andere dan bij sub a geïndiceerde trajecten geldt een kilometertarief en een opstaptarief dat gelijk is aan de tarieven, zoals genoemd in lid 4.

  • 13.

    Voor het reizen naar een geïndiceerde maatwerkvoorziening is het hebben van een Wmo-vervoerpas niet verplicht.

Artikel 7 Kwaliteitseisen

  • 1.

    Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, daaronder begrepen eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten, door:

  • a.

    het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt;

  • b.

    het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg en ondersteuning;

  • c.

    erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard.

  • 2.

    De aanbieder die ondersteuning biedt, in natura of op basis van een pgb voor formele hulpverlening, voldoet kwalitatief aan hetgeen daarover is bepaald in de wet en in de meest recente voorwaarden voor de inkoop, zoals door het college vastgesteld.

  • 3.

    Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.

  • 4.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde individuele

maatwerkvoorzieningen.

Artikel 8 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering

Algemeen

  • 1.

    Het college informeert cliënten of hun vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele maatwerkvoorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.

  • 2.

    Het college kan op grond van artikel 2.3.10 lid 1 Wmo of artikel 8.1.4 lid 1 Jeugdwet een beslissing intrekken of herzien.

  • 3.

    Een beslissing tot verlening van een pgb kan na onderzoek door het college worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na toekenning niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. 

  • 4.

    Het college kan uit het oogpunt van kwaliteit van de geleverde zorg, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van pgb’s onderzoeken.

  • 5.

    Het college wijst een toezichthouder aan die belast is met het houden van toezicht op de algemene voorwaarden voor de inkoop Jeugd, Wmo en Maatschappelijke Opvang/Beschermd Wonen, conform artikel 6.1 (Wmo), en de naleving van rechtmatige uitvoering hiervan, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van de voorziening.

  • 6.

    Het college kan nadere regels vast stellen over de bevoegdheden van de toezichthouder.

Specifiek Wmo

  • 7.

    Als het college een besluit tot verstrekking van een voorziening geheel of gedeeltelijk heeft ingetrokken of herzien, kan deze voorziening worden teruggevorderd.

  • 8.

    Zodra de cliënt aan zijn betalingsverplichting ten aanzien van de terugvordering heeft voldaan, meldt het college dit, wanneer dit van toepassing is, bij het CAK, zodat deze de grondslag van de verschuldigde eigen bijdrage kan corrigeren.

Artikel 9 Waardering mantelzorger

  • 1.

    Mantelzorgers van cliënten in de gemeente kunnen door middel van een melding bij het college voor het ontvangen van een jaarlijkse blijk van waardering in aanmerking komen.

  • 2.

    De jaarlijkse blijk van waardering heeft een waarde van ten hoogste € 100,- per cliënt.

  • 3.

    Het college kan bij nadere regeling vaststellen op welke wijze zorg wordt gedragen voor de jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente.

Artikel 10 Verhouding prijs en kwaliteit

  • 1.

    Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert door derden te leveren individuele maatwerkvoorzieningen, rekening met:

  • a.

    een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde; of

  • b.

    een reële prijs die geldt als ondergrens voor:

1°. een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en

2°. de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a.

  • 2.

    Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast:

  • a.

    overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, Wmo en 2.12 Jeugdwet.

  • b.

    rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, Wmo en artikel 12.4 Jeugdwet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners.

  • 3.

    Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen:

  • a.

    de aard en omvang van de te verrichten taken;

  • b.

    de kosten van de beroepskracht;

  • c.

    redelijke overheadkosten;

  • d.

    kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg;

  • e.

    reis- en opleidingskosten;

  • f.

    indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst;

  • g.

    overige kosten als gevolg van door het college gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.

  • 4.

    Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad.

  • 5.

    Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat. 

Artikel 11 Klachtregeling

  • 1.

    Het college stelt een regeling vast voor afhandeling van klachten van cliënten die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen en aanvragen als bedoeld in deze verordening.

  • 2.

    Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van alle individuele maatwerkvoorzieningen.

  • 3.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders, een cliëntervaringsonderzoek en inzage in de klachten en klachtenafhandeling.

Artikel 12 Medezeggenschap bij aanbieders

  • 1.

    Aanbieders van de individuele maatwerkvoorzieningen stellen een regeling vast voor de medezeggenschap over voorgenomen besluiten die voor de gebruikers van belang zijn.

  • 2.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

Artikel 13 Betrekken van ingezetenen bij beleid

  • 1.

    Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding en uitvoering van het beleid met betrekking tot de taken die in de Participatiewet, Jeugdwet en Wmo aan het college zijn opgedragen, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.

  • 2.

    Het college stelt ingezetenen, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, in de gelegenheid voorstellen voor het beleid met betrekking tot de taken die in de Participatiewet, Jeugdwet en Wmo aan het college zijn opgedragen, te doen, vroegtijdig gevraagd en ongevraagd advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.

  • 3.

    Het college zorgt ervoor dat ingezetenen, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie.

  • 4.

    Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede en derde lid.

Artikel 14 Hardheidsclausule

Het college kan in individuele gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen in deze verordening, als toepassing van deze verordening, tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 15 Intrekking en inwerkingtreding

  • 1.

    Gelijktijdig met het inwerking treden van deze verordening wordt de Verordening Maatschappelijk Ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Epe 2020 ingetrokken.

  • 2.

    Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening Maatschappelijke Ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Epe 2020, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken.

  • 3.

    Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening Maatschappelijke Ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Epe 2020 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening.

  • 4.

    Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening Maatschappelijke Ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Epe 2020, wordt beslist met inachtneming van die verordeningen.

Artikel 16 Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na bekendmaking.

  • 2.

    Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Maatschappelijke Ondersteuning en Jeugdhulp Gemeente Epe.

Ondertekening

Epe, 27 mei 2021 De raad voornoemd,

dhr. dr. T.C.M. Horn, de voorzitter

de griffier, mw. J. Kattenberg

Bijlage 1 Tarieven Wmo/Jeugd en gemaximeerde bedragen

Algemene voorziening

 

Was en strijkservice

zie hoogte eigen bijdrage in verordening

PGB formeel

Maximaal 85% van de voorziening in zorg in natura

 

PGB informeel waarbij hulp is 22 jaar of ouder

Dagbesteding, licht, basis of complex

Minimumloon en 8% vakantiebijslag

Huishoudelijke ondersteuning

€ 14,80 per uur

Persoonlijke verzorging

€ 20,00 per uur

Regie op een gestructureerd huishouden

€ 16,00 per uur

Individuele begeleiding, licht, basis of complex

€ 20,00 per uur

Logeeropvang/respijtopvang incl. hulpverlening

€ 30,00 per dag

Vervoer van en naar dagbesteding

€ 0,19 per km

 

PGB informeel waarbij hulp jonger is dan 22 jaar

Hulp op basis van schriftelijke overeenkomst

Minimumloon en 8% vakantiebijslag

 
 

Alleen Jeugd: Behandeling en groep hulpverlening

Voor informele hulp geen PGB mogelijk

Overige maatwerkvoorzieningen

Vervoersvoorzieningen en rolstoelvoorzieningen

Gebaseerd op de goedkoopst adequate voorziening, indien nodig verhoogd met een bedrag voor onderhoud, reparatie en indien van toepassing WA verzekering

Woningaanpassingen

Gebaseerd op het bedrag zoals vermeld in de limitatieve lijst of in de door het college geaccepteerde offerte, indien nodig verhoogd met instandhoudingskosten, kosten van depotbeheer en indien van toepassing verzekering

Gemaximeerde bedragen

Sportrolstoel tbv aanschaf onderhoud en reparatie

€ 2.500 voor 3 jaar

Tegemoetkoming verhuis- en inrichtingskosten

€ 2.500

Bezoekbaar maken woning

€ 2.500 eenmalig

Rolstoel voor incidenteel gebruik t.b.v. aanschaf onderhoud en reparatie

€ 300 voor 5 jaar

Bijdrage collectief vervoer en individueel (rolstoel)taxivervoer

(tarieven 2021)

 

Reizen op afroep (Wmo-taxi)

 

Aanschaf vervoerspas

€ 8,00

Tot 1500 kilometer

0-20 km (regulier OV)

21-40 km (commercieel tarief)*

Opstaptarief € 0,99

Bijdrage per kilometer € 0,18

Bijdrage per kilometer € 1,86

Wmo kind tot 4 jaar

gratis

Wmo kind 4-12 jaar

34% korting

Begeleider met medische of sociale indicatie

Gratis

Begeleider zonder medische of sociale indicatie

Opstaptarief € 0,99

0-20 km: Bijdrage per kilometer € 0,18

21-40 km*: Bijdrage per kilometer € 1,86

Vanaf 1500 kilometer

Geen OV-alternatief (OV-laag)

0-20 km

21-40 km*

Wel OV-alternatief (OV-hoog)

0-20 km

21-40 km*

Opstaptarief € 3,25

Bijdrage per kilometer € 0,51

Bijdrage per kilometer € 1,86

Opstaptarief € 6,07

Bijdrage per kilometer € 0,95

Bijdrage per kilometer € 1,86

Wmo kind tot 4 jaar

gratis

Wmo kind 4-12 jaar

34% korting

Begeleider met medische of sociale indicatie

Gratis

Begeleider zonder medische of sociale indicatie

Geen OV-alternatief (OV-laag)

Opstaptarief € 3,25

0-20 km: Bijdrage per kilometer € 0,51

21-40 km*: Bijdrage per kilometer € 1,86

Wel OV-alternatief (OV-hoog)

Opstaptarief € 6,07

0-20 km: Bijdrage per kilometer € 0,95

21-40 km*: Bijdrage per kilometer € 1,86

Collectief trajectvervoer (routegebonden vervoer)

Vervoer van en naar dagbesteding

Vervoer van en naar buurtpunten met indicatie vervoer

Vervoer van en naar geïndiceerde maatwerkvoorziening met indicatie vervoer

Vervoer van en naar geïndiceerde maatwerkvoorziening zonder indicatie vervoer

gratis

gratis

gratis

tariefstelling reizen op afroep (Wmo-taxi)

*Voor puntbestemmingen geldt het tarief voor 0-20 km, voor puntbestemmingen zie beleidsregels.

Bijlage 2 Afschrijvingsschema terugbetaling kosten en looptijd Wmo

Bij een afschrijvingstermijn van 7 jaar wordt onderstaand schema gehanteerd om de restwaarde te bepalen omgerekend per maand.

  • -

    eerste jaar afschrijving 30% van de kostprijs

  • -

    tweede jaar afschrijving 25% van de kostprijs

  • -

    derde jaar afschrijving 20% van de kostprijs

  • -

    vierde jaar tot en met 8e jaar 2,5% van de kostprijs

Bij een afschrijvingstermijn van 10 jaar wordt onderstaand schema gehanteerd om de restwaarde te bepalen berekend per jaar.

  • -

    eerste jaar na gereedmelding 10% van de kostprijs

  • -

    tweede jaar na gereedmelding 20% van de kostprijs

  • -

    derde jaar na gereedmelding 30% van de kostprijs

  • -

    vierde jaar na gereedmelding 40% van de kostprijs

  • -

    vijfde jaar na gereedmelding 50% van de kostprijs

  • -

    zesde jaar na gereedmelding 60% van de kostprijs

  • -

    zevende jaar na gereedmelding 70% van de kostprijs

  • -

    achtste jaar na gereedmelding 80% van de kostprijs

  • -

    negende jaar na gereedmelding  90% van de kostprijs

  • -

    tiende jaar na gereedmelding 100% van de kostprijs

De afschrijvingstermijn gaat in op de datum van de gereedmelding van de aanpassing.

De afschrijvingstermijn voor een hulpmiddel, autoaanpassing, of een bouwkundige of woontechnische aanpassing inclusief schroef- en nagelvaste voorzieningen aan een woning en een traplift lager dan

€ 5.000,- bedraagt 7 jaar.

De afschrijvingstermijn voor een bouwkundige of woontechnische aanpassing inclusief schroef- en nagelvaste voorzieningen aan een woning en een traplift hoger dan € 5.000,- en verhuiskosten en herinrichtingskosten en het bezoekbaar maken van een woning bedraagt 10 jaar.

Bijlage 3 Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2019 – Bureau HHM, juni 2019

foto

Toelichting

Algemeen

Deze verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015) en de Jeugdwet en is een integratie van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Epe 2015 en de Verordening jeugdhulp gemeente Epe 2015.

De Wmo 2015 maakt onderdeel uit van de bestuurlijke en – met toepassing van een budgetkorting – financiële decentralisatie naar gemeenten van een aantal taken uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ). Deze taken worden toegevoegd aan het takenpakket dat al bij gemeenten lag onder de ‘oude’ Wet maatschappelijke ondersteuning. Hierbij wordt deels voortgeborduurd op de weg die met die wet al was ingezet. Er wordt bekeken wat redelijkerwijs verwacht mag worden van de cliënt en zijn sociaal netwerk, vervolgens zal waar nodig het college in aanvulling hierop hem in staat stellen gebruik te maken van een algemene voorziening of – als dat niet volstaat – een individuele maatwerkvoorziening waarmee een bijdrage wordt geleverd aan zijn mogelijkheden om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en zelfstandig te functioneren in de maatschappij.

De Jeugdwet maakt eveneens onderdeel uit van de bestuurlijke en financiële decentralisatie naar gemeenten van de jeugdzorg, de jeugd-ggz, de zorg voor verstandelijk beperkte jeugdigen en de begeleiding en persoonlijke verzorging van jeugdigen. Daarnaast wordt met deze wet een omslag gemaakt van een stelsel gebaseerd op een wettelijk recht op zorg (aanspraak) naar een stelsel op basis van een voorzieningenplicht voor gemeenten (voorziening), op een wijze zoals eerder is gebeurd met de Wmo. Het wettelijke recht op jeugdzorg en individuele aanspraken op jeugdzorg worden hierbij vervangen door een voorzieningenplicht waarvan de aard en omvang in beginsel door het college worden bepaald (maatwerk). Het doel van het jeugdzorgstelsel blijft echter onverminderd overeind: jeugdigen en ouders krijgen waar nodig tijdig bij hun situatie passende hulp, met als beoogd doel ervoor te zorgen de eigen kracht van de jongere en het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin te versterken.

Wmo

Er dient telkens een zorgvuldige toegangsprocedure doorlopen te worden om de hulpvraag van de cliënt, zijn behoeften en de gewenste resultaten helder te krijgen, om te achterhalen wat de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, algemeen gebruikelijke voorzieningen, mantelzorg of met hulp van zijn sociaal netwerk dan wel door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten kan doen om zijn zelfredzaamheid en participatie te handhaven of verbeteren, om te bepalen of zo nodig met gebruikmaking van een algemene voorziening kan worden volstaan, of dat een individuele maatwerkvoorziening nodig is, en of sprake is van een andere voorziening die niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015 valt. De Wmo 2015 en deze verordening leggen deze toegangsprocedure daarom in hoofdlijnen vast. Want waar het recht op compensatie dat bestond onder de ‘oude’ Wet maatschappelijke ondersteuning is komen te vervallen, wordt een recht op een zorgvuldige, tweezijdige procedure daartegenover gesteld. Een dergelijke procedure die bovendien goed wordt uitgevoerd, zal telkens tot een juist eindoordeel moeten leiden; ondersteuning waar ondersteuning nodig is.

Indien de cliënt van mening is dat het college hem ten onrechte geen individuele maatwerkvoorziening verstrekt of dat deze voorziening onvoldoende bijdraagt aan de zelfredzaamheid of participatie, of dat hem opvang of beschermd wonen ten onrechte wordt onthouden, kan betrokkene daartegen vanzelfsprekend bezwaar maken en daarna eventueel in beroep gaan tegen de beslissing op zijn bezwaar. De rechter zal toetsen of het college zich heeft gehouden aan de voorgeschreven procedures, het onderzoek naar de omstandigheden van betrokkene op adequate wijze heeft verricht en of de ondersteuning een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.

De Wmo 2015 en deze verordening leggen veel bevoegdheden bij het college. De uitvoering hiervan zal echter in de regel namens het college gedaan worden (in mandaat) door deskundige consulenten, ambtenaren of bijvoorbeeld aanbieders. Waar in deze verordening en in de wet ‘het college’ staat, kan het college deze bevoegdheid namelijk mandateren aan ondergeschikten dan wel niet-ondergeschikten op grond van de algemene regels van de Awb. 

De Wmo 2015 schrijft in artikel 2.1.3, eerste lid, voor dat de gemeente per verordening de regels dient vast te stellen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het verplichte gemeentelijk beleidsplan met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning. In de verordening dient overeenkomstig de artikelen 2.1.3, tweede en derde lid, 2.1.4, derde en zevende lid, en 2.1.6 van de Wmo 2015 in ieder geval bepaald te worden:

  • 1.

    op welke wijze en op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een cliënt voor een individuele maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt;

  • 2.

    op welke wijze de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld;

  • 3.

    welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, inclusief eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten;

  • 4.

    ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten vereist is;

  • 5.

    ten aanzien welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn vereist is;

  • 6.

    op welke wijze ingezeten, waaronder cliënten of hun vertegenwoordigers, worden betrokken bij uitvoering van de wet, voorstellen voor beleid kunnen doen, gevraagd en ongevraagd advies kunnen uitbrengen over verordeningen en beleidsvoorstellen, worden voorzien van ondersteuning en deel kunnen nemen aan periodiek overleg;

  • 7.

    op welke wijze de kostprijs van een individuele maatwerkvoorziening wordt berekend; en

  • 8.

    op welke wijze het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente.

Ook dient de gemeente overeenkomstig de artikelen 2.1.3, vierde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wmo 2015 per verordening regels te stellen:

  • -

    voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget, en van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet;

  • -

    ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de voorziening, waar het college ten aanzien daarvan de uitvoering van de Wmo 2015 door derden laat verrichten. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden.

Daarnaast kan het college op grond van de artikelen 2.1.4, eerste en tweede lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.7 en 2.3.6, derde lid, van de Wmo 2015:

  • -

    bepalen dat cliënten voor algemene voorzieningen, niet zijnde cliëntondersteuning, en individuele maatwerkvoorzieningen een bijdrage verschuldigd zullen zijn;

  • -

    de hoogte van de bijdrage voor de verschillende soorten van voorzieningen, ook wanneer de cliënt de ondersteuning zelf inkoopt met een persoonsgebonden budget, in de verordening verschillend vaststellen. Hierbij kan tevens worden bepaald dat op de bijdrage een korting wordt gegeven voor personen die behoren tot daarbij aan te wijzen groepen en dat de bijdrage afhankelijk is van het inkomen en het vermogen van de cliënt en zijn echtgenoot;

  • -

    bepalen dat de bijdragen voor opvangvoorzieningen door een andere instantie dan het CAK wordt vastgesteld en geïnd;

  • -

    bepalen dat in geval van een minderjarige cliënt die niet zelf de eigenaar is van de woning, een bijdrage wordt opgelegd aan diens onderhoudsplichtige ouders en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag over de cliënt uitoefent;

  • -

    bepalen dat aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming wordt verstrekt ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie;

  • -

    bepalen onder welke voorwaarden betreffende het tarief de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de ondersteuning kan inkopen van een persoon die behoort tot het sociale netwerk.

Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan, dat de raad op grond van artikel 2.1.2 van de Wmo 2015 eveneens dient vast te stellen. In dit beleidsplan wordt het door het gemeentebestuur te voeren beleid met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning vastgelegd.

Jeugdhulp

De Jeugdwet schrijft in de artikelen 2.9, 2.10 en 2.12 voor dat de gemeenteraad per verordening in ieder geval regels opstelt:

  • -

    over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige (jeugdhulp)voorzieningen;

  • -

    met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening;

  • -

    over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen;

  • -

    over de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld;

  • -

    voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijke gebruik van de Jeugdwet;

  • -

    over de wijze waarop ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van de Jeugdwet, en

  • -

    ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, waar het college ten aanzien daarvan de uitvoering van de Jeugdwet door derden laat verrichten. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden.

Artikel 2.9 van de Jeugdwet biedt verder ruimte om met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Jeugdwet andere regels te stellen. Deze verordening maakt hier spaarzaam gebruik van om een meer compleet beeld te geven van de rechten en plichten van inwoners en de gemeente. Dit geldt bijvoorbeeld voor de bepalingen omtrent het familiegroepsplan, de vertrouwenspersoon en het klachtrecht. Daarnaast kan op grond van artikel 8.1.1, vierde lid, bij verordening bepaald worden onder welke voorwaarden de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk.

Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan, dat de raad op grond van artikel 2.2 van de Jeugdwet eveneens dient vast te stellen. In dit beleidsplan wordt het door het gemeentebestuur te voeren beleid vastgelegd met betrekking tot preventie en jeugdhulp, de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering.

Vrij toegankelijk

In de verordening is onderscheid gemaakt tussen overige (vrij-toegankelijke) en individuele (niet vrij-toegankelijke) voorzieningen op het gebied van jeugdhulp (zie artikel 2, eerste, respectievelijk tweede lid). Voor een deel van de hulpvragen zal volstaan kunnen worden met een vrij-toegankelijke voorziening. Hier kunnen de jeugdige en zijn ouders gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of een besluit van het college nodig hebben. De jeugdige en zijn ouders kunnen zich voor deze jeugdhulp dus rechtstreeks tot de jeugdhulpaanbieder wenden.

Toegang jeugdhulp via de gemeente

Ook kan een hulpvraag van een jeugdige of zijn ouder binnenkomen bij de gemeente. De beslissing door het college welke zorg een jeugdige of zijn ouder precies nodig heeft, komt vervolgens tot stand in overleg met die jeugdige en zijn ouders. In een gesprek tussen een door het college ingezette deskundige en de jeugdige en zijn ouders zal gekeken worden wat de jeugdige en zijn ouders eventueel zelf of met behulp van hun netwerk kunnen doen aan het probleem. Als aanvullend daarop een voorziening op het gebied van jeugdhulp nodig is, dan zal eerst gekeken worden of dit een vrij-toegankelijke voorziening is of een niet vrij-toegankelijke voorziening. Is het laatste het geval dan neemt deze deskundige, namens het college, een besluit en verwijst hij de jeugdige door naar de jeugdhulpaanbieder die volgens de deskundige de aangewezene is om de betreffende problematiek aan te pakken.

Toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist

De Jeugdwet regelt daarnaast dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist. Na een dergelijke verwijzing staat echter nog niet vast welke specifieke behandelvorm van jeugdhulp (dus bijvoorbeeld welke therapie) een jeugdige of zijn ouder precies nodig heeft. Een jeugdige kan op dat moment terecht bij de jeugdhulpaanbieders die de gemeente heeft ingekocht. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder zelf zijn die op basis van zijn professionele autonomie na de verwijzing beoordeelt welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur).

Bij deze beoordeling dient de jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie. Deze afspraken zien op hoe de gemeente haar regierol kan waarmaken en op de omvang van het pakket. Deze afspraken zullen verder ook ingaan op hoe de artsen en de gemeentelijke toegang goed van elkaar op de hoogte zijn van de doorverwijzing of behandeling van een kind, zodat de integrale benadering rond het kind en het principe van 1 gezin – 1 regisseur – 1 plan, met name bij multiproblematiek, kan worden geborgd en er geen nieuwe ‘verkokering’ zal plaatsvinden, waarbij professionals niet goed van elkaar weten dat zij bij het gezin betrokken zijn. Daarnaast zal de jeugdhulpaanbieder rekening moeten houden met de regels die de gemeente bij verordening heeft gesteld. Deze verordening regelt welk aanbod van de gemeente alleen via verwijzing of met een besluit van het college toegankelijk is (zie artikel 2). Omdat het college verder geen nadrukkelijke rol speelt in bij de toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist, regelt deze slechts een enkel aspect met betrekking tot het proces (zie artikel 3). Artikel 9 en verder zijn wel van overeenkomstige toepassing.

Toegang via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting

Een andere ingang tot de jeugdhulp is via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter (via een kinderbeschermingsmaatregel of een maatregel tot jeugdreclassering), het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting. De gecertificeerde instelling is verplicht om bij de bepaling van de in te zetten jeugdhulp in het kader van een door de rechter opgelegde kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering te overleggen met de gemeente. Uiteraard kan bij dit overleg een kostenafweging plaatsvinden. De gemeente is op haar beurt vervolgens gehouden de jeugdhulp in te zetten die deze partijen nodig achten ter uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of de jeugdreclassering. Deze leveringsplicht van de gemeente vloeit voort uit het feit dat uitspraken van rechters te allen tijde moeten worden uitgevoerd om rechtsgelijkheid en rechtszekerheid te kunnen garanderen. Ook hier geldt dat de gecertificeerde instelling in beginsel gebonden is aan de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Als de kinderrechter een ondertoezichtstelling of gezagsbeëindiging uitspreekt, wijst hij gelijktijdig in de beschikking de gecertificeerde instelling aan die de maatregel gaat uitvoeren. Dit kan de rechter juist omdat de raad voor de kinderbescherming in zijn verzoekschrift een concreet advies geeft over welke gecertificeerde instelling de maatregel zou moeten uitvoeren. De raad voor de kinderbescherming neemt een gecertificeerde instelling in zijn verzoekschrift op die na overleg met de gemeente en gezien de concrete omstandigheden van het geval hiervoor het meest geschikt lijkt. De raad voor de kinderbescherming is verplicht om hierover met de gemeente te overleggen. Deze toegang wordt al in de Jeugdwet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in deze verordening.

Toegang via het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling (AMHK)

Ten slotte vormt ook het AMHK, Veilig Thuis geheten, een toegang tot onder andere jeugdhulp. Veilig Thuis geeft advies over vermoedens en gevallen van huiselijk geweld en kindermishandeling, onderzoekt indien nodig op basis van een melding of er sprake is van kindermishandeling, motiveert zo nodig ouders tot accepteren van jeugdhulp en legt daartoe contacten met de hulpverlening. Deze toegang wordt al in de Jeugdwet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in deze verordening.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1 Begripsbepalingen

Het aantal definities van artikel 1 is beperkt aangezien de Wmo 2015 en de Jeugdwet al een flink aantal definities kennen die ook bindend zijn voor deze verordening. Deze wettelijke definities zijn dan ook niet nogmaals opgenomen in de verordening.

Algemeen gebruikelijke voorziening

Bij de beoordeling of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor de cliënt, draait het om het beantwoorden van de vraag of de cliënt ook over de voorziening kon beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Bij die beoordeling kan, zo blijkt uit de jurisprudentie, een aantal criteria een rol spelen, zoals:

  • 1.

    De voorziening is niet specifiek voor personen met een beperking bedoeld;

  • 2.

    De voorziening is daadwerkelijk beschikbaar;

  • 3.

    De voorziening levert een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid en participatie in staat is;

  • 4.

    De voorziening kan financieel worden gedragen met een inkomen op minimumniveau.

Daarnaast spelen de individuele omstandigheden van de cliënt, zoals leeftijd en inkomen, een rol. Bij de beoordeling van de vraag of een voorziening algemeen gebruikelijk is, moet het college daarom altijd onderzoeken of de voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de aanvrager.

Artikel 2 Van melding tot beschikking

Artikel 2.1 Melding

Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan worden gezien als een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, onder a, van de Wmo. Daarbij is onder meer bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval bepaalt op welke wijze een cliënt in aanmerking komt voor een individuele maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang. Hoewel de Jeugdwet minder specifiek is over de melding, is in deze verordening gekozen voor eenzelfde procedure als voor Wmo. Dit om de procedures zoveel mogelijk gelijk te trekken.

Er is gekozen voor variant B uit de VNG model verordening WmoIn artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet Wmo 2015 wordt al bepaald dat indien bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, het college deze melding onderzoekt. Deze bepaling verankert ook in de verordening dat bij het college een melding kan worden gedaan en door wie. In artikel 2.3.2, negende lid, van de wet is bepaald dat een aanvraag niet kan worden gedaan dan nadat (naar aanleiding van de melding) onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen de termijn van zes weken.

Het eerste lid bevat regels voor de verplichte meldingsprocedure. De melding is vormvrij en kan schriftelijk, elektronisch, mondeling of telefonisch bij het college worden gedaan. Een hulpvraag kan door of namens de cliënt zowel schriftelijk of mondeling bij het college worden gemeld. Dit kan via de website van de gemeente Epe, bij een organisatie aan wie het college deze taak heeft opgedragen, zoals het Centrum Jeugd en Gezin (CJG), bij een publieksbalie van de gemeente Epe of via het algemeen telefoonnummer van de gemeente Epe. In artikel 2:15 van de Awb is bepaald dat een aanvraag elektronisch (onder meer per email) kan worden gedaan indien het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat deze weg geopend is. Dit is dus het geval in de gemeente Epe. De melding kan ‘door of namens de cliënt’ worden gedaan. Dit kan ruim worden opgevat. Naast de cliënt kan bijvoorbeeld diens vertegenwoordiger, mantelzorger, partner, familielid, buurman of andere betrokkene de melding doen.

In het tweede lid is met gebruik van het in artikel 1 gedefinieerde begrip ‘hulpvraag’ een afbakeningsbepaling gegeven. Een persoon met een hulpvraag die op grond van een andere wet kan worden beantwoord, kan direct en gericht worden doorverwezen. Te denken valt hier bijvoorbeeld aan de Zorgverzekeringswet, de Participatiewet en de Leerplichtwet.

In het derde lid is de verplichte ontvangstbevestiging verankerd (artikel 2.3.2, eerste lid, slotzin, van de wet Wmo 2015). Conform artikel 4:3a van de Awb is het bestuursorgaan gehouden een elektronisch ingediende aanvraag te bevestigen. Dat kan dan – en ligt voor de hand – ook elektronisch. Indien de melding mondeling of telefonisch is gedaan, zou dit ook kunnen worden afgesproken. In Epe is ervoor gekozen om de melding schriftelijk of digitaal te bevestigen. In geval van melding door een jeugdige of zijn ouders bij de huisarts o.i.d., geldt deze bevestiging overigens niet.

Aangezien het onderzoek na een melding maximaal zes weken mag beslaan (zie artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo), is registratie en ontvangstbevestiging van de melding ook in het kader van deze termijn van belang.

In het vierde lid is overeenkomstig artikel 2.3.3 van de wet Wmo 2015 een uitzondering vervat voor spoedeisende gevallen. Spoedeisende gevallen zijn situaties waarbij de hulp voor ondersteuning niet uitstelbaar is en veelal noodzakelijk is binnen een zo kort mogelijke termijn (binnen 24 uur).

Het college is op grond van de wet verplicht in dergelijke gevallen een passende tijdelijke individuele maatwerkvoorziening te verstrekken in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek dat volgt na de melding.

Artikel 2.2 Cliëntondersteuning en Vertrouwenspersoon

Eerste lid

In de begripsbepaling van de Wet Wmo 2015 staat cliëntondersteuning als volgt gedefinieerd: onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen.

Het eerste lid is een uitwerking van de wettelijke verplichting van het college in artikel 2.2.4, eerste lid, onder a, en tweede lid, van de Wmo. Hierbij is benadrukt dat de cliëntondersteuning op grond van de wet voor de cliënt kosteloos is. In de memorie van toelichting bij artikel 2.2.4 van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) is vermeld dat gemeenten hiermee de opdracht hebben in ieder geval een algemene voorziening voor cliëntondersteuning te realiseren, waar inwoners informatie en advies over vraagstukken van maatschappelijke ondersteuning en hulp bij het verkrijgen daarvan kunnen krijgen. Ook uitgebreide vraagverheldering alsmede kortdurende en kort-cyclische ondersteuning bij het maken van keuzes op diverse levensterreinen maken daarvan deel uit. 

Overeenkomstig artikel 2.3.2, derde lid, van de Wmo is bepaald dat het college de betrokkene na de melding van de hulpvraag inlicht over de mogelijkheid van gratis cliëntondersteuning.

Tweede lid

Het tweede lid legt de verplichting neergelegd in artikel 2.6, eerste lid, onder f, van de Jeugdwet vast, waarin is bepaald dat het college ervoor verantwoordelijk is dat jeugdigen, hun ouders of pleegouders een beroep kunnen doen op een vertrouwenspersoon. Met de vertrouwenspersoon wordt een functionaris bedoeld zoals deze nu al werkzaam is binnen de jeugdzorg. Onafhankelijkheid, beschikbaarheid en toegankelijkheid zijn belangrijke factoren (wettelijke vereisten) voor een goede invulling van deze functie.

Wmo en Jeugdwet adresseren het college rechtstreeks en vragen niet om hierover bij verordening een regeling op te stellen. De bepaling uit de wet is toch in de verordening opgenomen vanwege het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van cliënten en vertegenwoordigers te geven.

Artikel 2.3 Vooronderzoek

Deze bepaling is hier opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en de cliënt en diens vertegenwoordiger goed te informeren.

Eerste lid

In het eerste lid is de verplichting voor het college opgenomen om informatie te verschaffen over de mogelijkheid voor de cliënt om een persoonlijk plan (in het kader van deze verordening wordt hiermee ook bedoeld het begrip familiegroepsplan en bijbehorende vereisten zoals bedoeld in de Jeugdwet) op te stellen en deze aan het college te overhandigen. Het eerste lid dient ter ambtelijke voorbereiding van het gesprek op basis van de melding waarbij in samenspraak met de cliënt bekende gegevens in kaart worden gebracht en cliënten niet worden belast met vragen over zaken die bij de gemeente al bekend zijn. Tevens maakt het een goede afstemming mogelijk met eventuele andere voorzieningen. Dit vooronderzoek kan afhankelijk van de inhoud van de melding meer of minder uitgebreid zijn en omvat ook het in samenspraak met de belanghebbende afspreken van een datum, tijd en plaats voor het gesprek. Tijdens het gesprek kunnen op basis van dit vooronderzoek ook al wat concrete vragen worden gesteld of aan de cliënt worden verzocht om nog een aantal stukken over te leggen. De regels met betrekking tot de privacy van betrokkenen en gegevensuitwisseling die gelden op grond van de Jeugdwet en de Wet bescherming persoonsgegevens zijn hierop van overeenkomstige toepassing. Indien gegevens nodig zijn waartoe het college geen toegang heeft in verband met de privacyregels, kan het college de cliënt of diens vertegenwoordiger vragen om toestemming om deze op te vragen of in te zien. Het vooronderzoek kan afhankelijk van de inhoud van de melding meer of minder uitgebreid zijn en omvat ook de uitnodiging voor het gesprek.

Het persoonlijk plan moet binnen redelijke termijn opgesteld worden. Een vaste termijn stellen is niet mogelijk, aangezien dit ook mede afhangt van de mate waarin en de vorm van eventuele geboden ondersteuning. Omdat het onderwerp zal zijn van het onderzoek, ligt het voor de hand dat dit plan voorafgaand aan het begin van het onderzoek wordt opgesteld. Maar ook tijdens het onderzoek kan mogelijk nog de (gedeelde) wens ontstaan om de eigen kracht nader te onderzoeken en een persoonlijk plan op te stellen. Zo de situatie zich daarvoor leent, kan dan besloten worden hiermee aan de slag te gaan en het onderzoek daarna voort te zetten.

Zie verder de toelichting bij artikel 1 Begripsbepalingen.

Tweede lid

In lid 2 staat dat het college het persoonlijk plan betrekt in het vooronderzoek.

Uiteindelijk zal altijd het college moeten oordelen welke ondersteuning zij nodig acht en in welke mate de cliënt en vertegenwoordigers, zo nodig met hulp uit de naaste omgeving, op eigen kracht bepaalde problemen (deels) kunnen oplossen. Een deugdelijk plan, al dan niet opgesteld met ondersteuning van de gemeente, kan deze stap in het proces vergemakkelijken. Het college dient een persoonlijk plan als eerste te betrekken bij het onderzoek; het kan een deugdelijk persoonlijk plan niet zomaar naast zich neerleggen.

Dat jeugdigen en ouders niet gedwongen kunnen worden om een persoonlijk plan, ook wel familiegroepsplan, op te stellen spreekt voor zich, uiteraard kan het college het – in bepaalde gevallen waar dat meerwaarde zou kunnen hebben – wel aanraden en stimuleren. Bovendien, ook als er geen familiegroepsplan wordt opgesteld, zullen bepaalde zaken die ter sprake kunnen komen tijdens het opstellen van een familiegroepsplan óók ter sprake komen tijdens het onderzoek (een gesprek tussen deskundigen en de jeugdige of zijn ouders). Dan gaat het bijvoorbeeld om het vermogen van de jeugdige of zijn ouders om zelf of met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de hulpvraag te vinden.

De gemeente heeft in dezen de taak om haar beleid zo vorm te geven dat het gericht is op het tot stand brengen en uitvoeren van familiegroepsplannen (artikel 2.1, onder g, van de Jeugdwet). Het kan zijn dat het nodig is om enige vorm van ondersteuning te bieden bij het opstellen van een familiegroepsplan om hier effectief uitvoering aan te geven. Uiteraard kunnen de jeugdige of zijn ouders niet gedwongen worden om ondersteuning te accepteren, maar kan het college het – in bepaalde gevallen waar dat meerwaarde zou kunnen hebben – ook hier wel aanraden en stimuleren. Welke vorm deze ondersteuning heeft, is aan de gemeente, bovendien kan deze van geval tot geval verschillen

Derde lid

De verplichting tot het overleggen van stukken, zoals vermeld in het derde lid, is opgenomen overeenkomstig artikel 2.3.2, zevende lid, van de wet Wmo. Het is verplicht om de identiteit van de cliënt vast te stellen aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht en is de cliënt die een aanvraag doet voor een individuele maatwerkvoorziening ook verplicht dat document ter inzage te geven. Bij de gegevensverzameling op grond van het eerste en tweede lid zullen de grenzen van de Wet bescherming persoonsgegevens in acht genomen moeten worden.

Vierde lid

Op grond van het vierde lid kan worden afgezien van het vooronderzoek indien dat een onnodige herhaling van zetten zou betekenen. Als de gemeente bijvoorbeeld al een dossier heeft van cliënt en de cliënt of diens vertegenwoordigers toestemming geven om dit dossier te gebruiken, dan kan een vooronderzoek achterwege blijven. Een gesprek over de acute hulpvraag is dan in de regel nog wel nodig. Indien de hulpvraag ook al bekend is, en het bijvoorbeeld over een vervolgvraag gaat, dan kan in overleg met de cliënt ook van het gesprek worden afgezien.

Artikel 2.4 Gesprek

Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan worden gezien als een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, onder a, van de Wmo, waarbij onder meer is bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval regels vaststelt die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het in artikel 2.1.2 bedoelde plan en de door het college te nemen besluiten of te verrichten handelingen. Hoewel de Jeugdwet minder specifiek is over het gesprek, is in deze verordening gekozen voor eenzelfde procedure als voor Wmo. Dit om de procedures zoveel mogelijk gelijk te trekken.

Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle feiten en omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Daarbij is het van belang dat het onderzoek in samenspraak met de cliënt of diens vertegenwoordigers wordt verricht. Voor een zorgvuldig onderzoek is veelal persoonlijk contact nodig om een totaalbeeld van de cliënt en diens systeem te krijgen. Het ligt daarom ook voor de hand dat tijdens een gesprek het een en ander wordt besproken.

Of dit gesprek op een gemeentelocatie (wijkteam) plaatsvindt, op school, bij de cliënt thuis, of bij een andere deskundige zal afhankelijk van de concrete situatie worden besloten. Indien nodig voor het onderzoek, kan ook sprake zijn van meerdere (opeenvolgende) gesprekken. In geval van de Wmo vindt het gesprek zo mogelijk bij de cliënt thuis plaats. Indien woningaanpassingen nodig zijn, is dat zeker essentieel om de thuissituatie goed te kunnen beoordelen en doeltreffende oplossingen te vinden.

Eerste lid

De onderdelen van het eerste lid zijn overeenkomstig de opsomming in artikel 2.3.2, vierde lid, van de Wmo opgenomen. In artikel 2.3.2, eerste lid, wordt niet de aanduiding “het gesprek” gebruikt maar “een onderzoek in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger”. De memorie van toelichting op deze bepaling (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 143) verduidelijkt dat voor een zorgvuldig onderzoek veelal sprake zal zijn van enige vorm van persoonlijk contact met betrokkene of een vertegenwoordiger van betrokkene, aangezien daardoor een adequaat totaalbeeld van de betrokkene en zijn situatie verkregen kan worden. Het eerste lid bepaalt daarom dat het onderzoek moet plaatsvinden in samenspraak met betrokkene. De vorm van het onderzoek is vrij.

In het eerste lid is opgenomen dat het gesprek zo spoedig mogelijk moet plaatsvinden. Het hangt af van de situatie hoe snel dat kan of moet plaatsvinden.

In het eerste lid is verder benadrukt dat het gesprek met de cliënt wordt gevoerd door deskundigen (namens het college). Het onderdeel “het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning” is het belangrijk omdat in de woorden van de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34, blz. 183) “de ultieme toetssteen of de maatschappelijke ondersteuning effectief is geweest, ligt in de beantwoording van de vraag of de cliënt zelf vindt dat de verleende maatschappelijke ondersteuning heeft bijgedragen aan een verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie. In het wetsvoorstel Wmo 2015 staat het bereiken van dit resultaat centraal”.

In de onderdelen genoemd onder het eerste lid zijn de onderwerpen van het gesprek weergegeven. Het betreft uiteraard altijd maatwerk. Indien de cliënt al bij de gemeente bekend is, zullen een aantal gespreksonderwerpen niet meer uitgediept hoeven te worden en zal bijvoorbeeld alleen kunnen worden gevraagd of er nog nieuwe ontwikkelingen zijn. Komen een cliënt of diens vertegenwoordiger voor het eerst bij de gemeente, dan zal het gesprek dienen om een totaalbeeld van de cliënt en zijn situatie te krijgen. Als de cliënt of diens vertegenwoordiger een persoonlijk plan (ook wel familiegroepsplan) heeft opgesteld, dan wordt deze tijdens het gesprek besproken.

In het onderdeel dat gaat over de mogelijkheden om zelf of met hulp van personen uit zijn sociale netwerk een oplossing te vinden voor de hulpvraag van de cliënt of handhaving en verbetering van de zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang, wordt voorop gesteld overeenkomstig het in de considerans van de wet vermelde uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt. Een te verstrekken voorziening kan ook juist nodig zijn om de mate van probleemoplossend vermogen van de jeugdige en zijn ouders en die van de naaste omgeving te versterken.

In het gesprek zou duidelijk moeten worden hoe ook de meest complexe individuele maatwerkvoorzieningen kunnen worden getroffen. De wetgever omkleedt de procedure om te komen tot een individuele maatwerkvoorziening met allerlei waarborgen rond een deskundige beoordeling. Het kan zelfs gaan om diagnostiek om voor een psychiatrische behandeling in aanmerking te komen of voor een verblijf in 24-uursopvang. Dat zijn zwaarwegende beslissingen waaraan professioneel onderzoek en afweging aan ten grondslag ligt.

Tweede lid

Als uitgangspunt is opgenomen dat een zorgaanbieder in principe niet bij het gesprek aanwezig is. Dit voorkomt mogelijke belangenverstrengeling. Het gesprek is met de cliënt of diens vertegenwoordiger; niet met de aanbieder. Uitgaande van maatwerk kunnen er situaties zijn wanneer het wenselijk is, vanuit het belang van de cliënt, dat een aanbieder wel bij het gesprek aanwezig is. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij een herindicatie, waarbij de hulpvraag al eerder uitgebreid is besproken. Een ander voorbeeld is wanneer een gecertificeerde instelling betrokken is bij de jeugdige.

Derde lid

Het gesprek is hoofdregel en hoeft uiteraard niet plaats te vinden als dit niet nodig is. Het kan bijvoorbeeld om een cliënt gaan die al bekend is bij de gemeente en een eenvoudige ‘vervolgvraag’ heeft.

Artikel 2.5 Verslag en aanvraag

Deze bepaling is opgenomen in het belang van een zorgvuldige dossiervorming en een zorgvuldige procedure.

Eerste lid

Het eerste lid borgt dat altijd verslag wordt opgemaakt. De invulling van deze verslagplicht is vormvrij. Hierbij kan worden voortgeborduurd op de praktijk van de Wmo. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 32-33) staat dat de gemeente aan de cliënt een weergave van de uitkomsten van het onderzoek verstrekt om hem in staat te stellen een aanvraag te doen voor een individuele maatwerkvoorziening. Dat moet in beginsel schriftelijk. Een goede weergave maakt het voor de gemeente inzichtelijk om een juiste beslissing te nemen te nemen op een aanvraag en draagt bij aan een inzichtelijke communicatie met de cliënt. Uiteraard zal de weergave van de uitkomsten van het onderzoek variëren met de uitkomsten van het onderzoek. Zo zal de weergave van het onderzoek bijvoorbeeld heel beperkt kunnen zijn als de cliënt van mening is goed geholpen te zijn en de uitkomst is dat geen aanvraag van een individuele maatwerkvoorziening noodzakelijk is. Bij meer complexe onderzoeken zal uiteraard een uitgebreidere weergave noodzakelijk zijn. Desgewenst kan de gemeente de schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek ook gebruiken als een met de cliënt overeengekomen plan (arrangement) voor het bevorderen van zijn zelfredzaamheid en participatie waarin de gemaakte afspraken en de verplichtingen die daaruit voortvloeien, zijn vastgelegd. Het is in dat geval passend dat het college en de cliënt dit plan ondertekenen. Indien een persoonlijk plan is overhandigd, wordt dit plan ook opgenomen of toegevoegd aan het verslag.

Soms kan een verslag al direct worden meegegeven, maar vaak zal dit toch nog moeten worden uitgewerkt en gaat daar een paar dagen overheen.

Tweede lid

Het tweede lid is een uitwerking van artikel 2.1.3, eerste lid, en tweede lid, onder a, van de Wmo en een uitwerking van artikel 2.9 van de Jeugdwet, waarbij is bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval bepaalt op welke wijze wordt vastgesteld of een cliënt voor een individuele maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, behandeling, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. De Wmo bepaalt dat het college binnen twee weken na de ontvangst van de aanvraag de beschikking moet geven (artikel 2.3.5, tweede lid). In de Awb worden ook regels gegeven omtrent de aanvraag. Deze verordening wijkt daarvan niet af en is daarbij door termijnen vanuit de Wmo ook zoveel mogelijk van toepassing voor aanvragen van jeugdigen. In complexe situaties bij jeugdigen zal in de regel in het belang van een zorgvuldig onderzoek een langere termijn nodig zijn. Bijvoorbeeld, indien een langer durend diagnosetraject benodigd is, kan dit ook tot een wat langere afhandelingsduur van de aanvraag leiden. De beslistermijnen zoals genoemd in de Awb (artikelen 4:13 en 4:14) zijn dan van toepassing.

Op grond van artikel 4:1 van de Awb wordt een aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen (hier het college), tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.

Ter voorkoming van onnodige administratieve lasten is in het tweede lid opgenomen dat de gemeente Epe een door de cliënt ondertekend verslag als aanvraag aangemerkt. Ook een ingevuld en ondertekend aanvraagformulier wordt als aanvraag aangemerkt. Het later toevoegen van opmerkingen of het aanbrengen van wijzigingen of het herstellen van feitelijke onjuistheden is eveneens vormvrij.

Artikel 2.6 Criteria voor een individuele maatwerkvoorziening

In artikel 2.1.3, tweede lid, onder a, van de Wmo en in artikel 2.9 van de Jeugdwet is bepaald dat de raad bij verordening moet aangeven op basis van welke criteria (ook wel voorwaarden voor toekenning) het college kan vaststellen of een cliënt voor een individuele maatwerkvoorziening in aanmerking komt.

In de memorie van toelichting Wmo op deze bepaling (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 134) wordt aangegeven dat het bij het verstrekken van een individuele maatwerkvoorziening op maatwerk aankomt. Gemeentelijke vrijheid is nodig omdat de behoeften van inwoners per gemeente kunnen verschillen en de sociale en fysieke infrastructuur per gemeente anders is. Ook het aanbod van algemene en overige voorzieningen is niet in iedere gemeente gelijk. Het is daarom niet mogelijk of wenselijk dat in de verordening limitatief wordt geregeld welke individuele maatwerkvoorzieningen zullen worden verstrekt. De gemeente moet wel aan de hand van geschikte en toepasbare criteria meer in detail en concreet nader afbakenen in welke gevallen iemand een individuele maatwerkvoorziening kan krijgen. In dit artikel is deze verplichting uitgewerkt. Voorbeelden (niet limitatief) van wettelijk voorliggende voorzieningen zijn de Zorgverzekeringswet (Zvw) en Wet langdurige zorg (Wlz).

Vierde lid

Het vierde lid kan er bijvoorbeeld toe leiden dat als individuele maatwerkvoorziening niet een woningaanpassing wordt verstrekt maar een verhuiskostengoeding. De woningaanpassing kan dermate kostbaar zijn dat het college het primaat van verhuizing hanteert.

Artikel 2.7 Advisering

Het college kan extern advies inwinnen indien dat nodig is voor het maken van een zorgvuldige afweging over passende hulp is; als dat de enige mogelijkheid is om een zorgvuldig onderzoek naar de aanvraag te doen, is het zelfs in zekere zin verplicht.

Het is bij de adviesaanvraag van belang dat hierbij een heldere vraag of afgebakende opdracht wordt verstrekt, zodat duidelijk is voor de cliënt en de adviseur welk aanvullend onderzoek nog nodig is.

Artikel 2.8 Beschikking

Indien de cliënt een formele aanvraag bij het college indient of er overeenkomstig artikel 3, tweede lid van de Jeugdwet, een beschikking afgegeven wordt, dient het college een schriftelijke beschikking op te stellen, waartegen bezwaar en beroep op grond van de Awb kan worden ingediend. Uitgangspunt van de wet is dat de cliënt een voorziening in ‘natura’ krijgen. Indien gewenst door de cliënt bestaat echter de mogelijkheid van het toekennen van een pgb.

Derde lid

Derde lid, onder a: het beoogde resultaat is bijvoorbeeld ‘mobiliteit’ en niet ‘een scootmobiel’.

Derde lid, onder b: onder ‘duur’ valt ook de termijn waarop een voorziening technisch is afgeschreven.

Vijfde lid

Het vijfde lid dient uitsluitend ter informatie aan de cliënt. Het college neemt niet de hoogte van de bijdrage in de kosten in de beschikking op. Dat loopt immers via het CAK, evenals de mogelijkheid van bezwaar en beroep daartegen. Zie artikel 12 en artikel 2.14, zesde lid, van de wet Wmo, waarin is bepaald dat de bijdrage voor een individuele maatwerkvoorziening dan wel een persoonsgebonden budget, met uitzondering van die voor opvang, wordt vastgesteld en voor de gemeente geïnd door het CAK. De ouderbijdrage is begin 2017 definitief uit de Jeugdwet geschrapt. Voor een individuele voorziening die in het kader van de Jeugdwet wordt verstrekt, wordt dus geen meer ouderbijdrage geheven.

Artikel 2.9 Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts.

Eerste lid

In artikel 2.6, eerste lid, onderdeel g, van de Jeugdwet is geregeld dat, naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp, ook de directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar de jeugdhulp blijft bestaan. Dit laatste geldt zowel voor de vrij-toegankelijke (overige) voorzieningen als de niet vrij-toegankelijke (individuele) voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld de jeugdpsychiater, de gezinswerker of orthopedagoog) zijn die na de verwijzing (stap 1) beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is. Deze bepaalt in overleg met de jeugdige of ouder daadwerkelijk de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp. Deze aanbieder stelt dus feitelijk vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de benodigde voorziening dient te zijn en hij zal zijn oordeel mede baseren op de protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen vormen (stap 2).

Ingeval de huisarts, de medisch specialist of de jeugdarts verwijst naar een niet vrij-toegankelijke voorziening komen de kosten daarvan voor rekening van de gemeente. Om enig inzicht in de te verwachten kosten te hebben, is het melden van die verwijzingen gewenst. Over de wijze waarop de melding van de verwijzing plaatsvindt zullen met de beroepsgroep afspraken moeten worden gemaakt.

Tweede lid

Als de jeugdige of zijn ouders dit wensen òf in het uitzonderlijke geval dat het college een besluit neemt dat afwijkt van het oordeel van de jeugdhulpaanbieder, legt het college de te verlenen individuele voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking aan de jeugdige of zijn ouders. Op die manier wordt de jeugdige en zijn ouders de benodigde rechtsbescherming geboden en wordt voorkomen dat het college talloze beschikkingen moet afgeven die hetzelfde luiden als hetgeen de jeugdige of zijn ouders naar het oordeel van de jeugdhulpaanbieder nodig hebben.

Artikel 3 Regels voor een PGB

Eerste lid

Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de Wmo en artikel 8.1.1. van de Jeugdwet een pgb verstrekken. Als aan alle wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, kan zelfs van een verplichting van het college worden gesproken. Van belang is dat een pgb alleen wordt verstrekt indien de cliënt dit gemotiveerd vraagt (zie artikel 2.3.6, tweede lid, onder b Wmo). Met behoud van de motivering wordt geborgd dat duidelijk is dat het de beslissing van de aanvrager zelf is om een pgb aan te vragen (zie de toelichting op amendement Voortman c.s., Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 103). Voor jeugdigen of zijn ouders geldt dat een pgb slechts wordt verstrekt indien de jeugdige of zijn ouders gemotiveerd kunnen aantonen dat de individuele voorziening die door een aanbieder wordt geleverd, niet passend is (zie artikel 8.1.1 Jeugdwet, derde lid, onder b).

Tweede lid

Het tweede lid geeft aan dat het in beginsel niet mogelijk is om achteraf kosten te declareren.

Artikel 4 Pgb maatwerkvoorziening in de vorm van een dienst

Eerste t/m vijfde lid

De gemeente maakt onderscheid tussen welke persoon de ondersteuning levert, te weten formele en informele hulp. Beide vormen worden hier uitgelegd. Tevens wordt in het vijfde lid aangeven wanneer de mogelijkheid bestaat om informele hulp in te zetten.

Zesde lid

Het zesde lid berust op artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de Wmo en artikel 2.9 van de Jeugdwet. Hierin staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn. In de memorie van toelichting Wmo (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 39) is vermeld dat de gemeente bijvoorbeeld kan bepalen dat het pgb niet hoger mag zijn dan een percentage van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan het verlenen van adequate ondersteuning in natura. Gemeenten hebben daarmee ook de mogelijkheid om differentiatie aan te brengen in de hoogte van het pgb. Gemeenten kunnen verschillende tarieven hanteren voor verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners. Gemeenten kunnen bij het vaststellen van tarieven bijvoorbeeld onderscheid maken tussen ondersteuning die wordt geleverd door het sociale netwerk, door hulpverleners die werken volgens de kwaliteitsstandaarden en hulpverleners die dat niet doen (zoals werkstudenten, zzp’ers zonder diploma’s e.d.).

Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden voor zover de kosten van het pgb hoger zijn dan de kosten van de individuele maatwerkvoorziening (artikel 2.3.6, vijfde lid, onder a, van de Wmo en artikel 8.1.1, vierde lid, onderdeel a, van de Jeugdwet). De situatie waarin het door de cliënt beoogde aanbod duurder is dan het aanbod van het college betekent dus niet bij voorbaat dat het pgb om die reden geheel geweigerd kan worden. Cliënten kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Het college kan het pgb slechts weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod in natura. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen doordat de gemeente vanwege inkoopvoordelen individuele maatwerkvoorzieningen al snel goedkoper zal kunnen leveren dan wanneer iemand zelf ondersteuning inkoopt met een pgb. Daarbij kan gedacht worden aan vervoers- of opvangvoorzieningen.

Een pgb is gemiddeld genomen ook goedkoper dan zorg en ondersteuning in natura omdat er minder overheadkosten hoeven te worden meegerekend. De maximale hoogte van een pgb is in de verordening begrensd op de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate door het college ingekochte individuele maatwerkvoorziening in natura.

Het zesde lid geeft regels voor de wijze van berekening van de hoogte van de bedragen voor pgb’s voor afzonderlijke individuele maatwerkvoorzieningen. Daarbij maakt de gemeente onderscheid tussen welke persoon de ondersteuning levert. Voor een vrijwilliger of persoon die niet is opgeleid voor de betreffende werkzaamheden, wordt bij het vaststellen van de hoogte van het pgb een lager tarief gehanteerd dan voor een daarvoor opgeleid persoon. Waar bijzondere deskundigheid is vereist, wordt in sommige gevallen nog weer een ander tarief gehanteerd. Het tarief wordt daarbij telkens bepaald op basis het laagste tarief per uur, resultaat of dagdeel dat voor de te leveren hulp – rekening houdende met de kwalificaties van degenen die deze leveren – zou worden gehanteerd als deze door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder zou worden geleverd. Bij het bepalen van de hoogte van een pgb voor verhuishulp (onderdeel j) en voor het bezoekbaar maken van een woning (onderdeel i) wordt rekening gehouden of de cliënt al dan niet gebruik zal maken van een erkende verhuizer, respectievelijk erkende aannemer. In aanvulling hierop gelden op grond van het vijfde lid voorwaarden waaronder de ontvanger van een pgb een voorziening kan betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk.

De zaak ‘die de aanvrager zou hebben ontvangen als de zaak in natura zou worden verstrekt’ kan in bepaalde gevallen ook een tweedehands voorziening betreffen. Als dat zo is, dan worden de kostprijs en afschrijvingstermijn daarop gebaseerd.

Artikel 5 Pgb maatwerkvoorziening niet zijnde een dienst

Dit artikel geeft regels voor de wijze van berekening van de hoogte van de bedragen voor pgb’s voor maatwerkvoozieningen niet zijnde een dienst.

Artikel 6 Eigen bijdragen Wmo

De Wmo maakt een onderscheid tussen de bijdragen in de kosten van algemene voorzieningen en individuele maatwerkvoorzieningen.

Artikel 6.1 Bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen, met uitzondering van de bij verordening aangewezen algemene voorzieningen

In dit onderdeel wordt geregeld dat wanneer de gemeente ervoor kiest om een eigen bijdrage te heffen, voor maatwerkvoorzieningen en pgb’s en voor bij verordening aangewezen voorzieningen het abonnementstarief van maximaal € 19,00 geldt (artikel 6.1). Het CAK stelt de eigen bijdrage vast en int deze. Welke voorzieningen bij verordening worden aangewezen moet worden opgenomen in de verordening. De wet maakt een uitzondering voor het collectief vervoer, zowel in de vorm van een maatwerkvoorziening als in de vorm van algemene voorziening. Het collectief vervoer valt niet onder het abonnementstarief, maar de gemeente kan ervoor kiezen het wel onder te brengen onder het abonnementstarief. De gemeente kan ervoor kiezen om bepaalde maatwerkvoorzieningen en bij verordening aangewezen algemene voorzieningen vrij te stellen van een eigen bijdrage. Voorts kan de gemeente ervoor kiezen om bepaalde inkomenscategorieën vrij te stellen van een eigen bijdrage. Ook kan de gemeente ervoor kiezen om het maximale bedrag van € 19,00 per maand voor alle cliënten neerwaarts bij te stellen. De maximale bijdrage van € 19,00 per maand geldt niet voor niet AOW-gerechtigde meerpersoonshuishoudens. Voor die groep is de eigen bijdrage op nihil vastgesteld (zie het vierde lid van artikel 3.8 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015).

Uitgezonderd van het abonnementstarief zijn de maatwerkvoorzieningen beschermd wonen en maatschappelijke opvang. Hiervoor blijven de inkomensafhankelijke eigen bijdragen gelden die door het CAK worden vastgesteld. Sinds 1 januari 2019 is de vermogensinkomensbijtelling naar beneden bijgesteld van 8% naar 4%.

Artikel 4 geeft uitvoering aan artikel 2.1.4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wmo. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de in artikel 2.1.4, tweede lid, aanhef, van de Wmo geboden mogelijk om de hoogte van de bijdrage voor de verschillende soorten van voorzieningen verschillend vast te stellen (eerste lid). Ook wordt gebruik gemaakt van de in artikel 2.1.4, tweede lid, aanhef en onder a, van de wet geboden mogelijk om te bepalen dat voor bepaalde groepen een korting op de bijdrage van toepassing is (tweede lid). De hoogte van de bijdragen wordt jaarlijks geïndexeerd op basis van de Prijsontwikkeling BBP en prijsmutatie overheidsconsumptie lonen en salarissen die gepubliceerd worden door het Centraal Plan Bureau.

Verder ligt het voor de hand dat daarnaast met de aanbieders afgesproken wordt dat cliënten, voordat zij gebruik maken van een algemene voorziening, op de hoogte worden gesteld van de bijdrage die zij daarvoor verschuldigd zullen zijn.

Artikel 4 geeft uitvoering aan de artikelen 2.1.4, eerste lid, aanhef en onder b, tweede lid, aanhef en onder b, en het derde en zevende lid, en 2.1.5, eerste lid, van de Wmo.

Artikel 6.2 Bijdrage in de kosten van individuele maatwerkvoorzieningen of pgb’s en bij verordening aangewezen algemene voorzieningen

Voor een algemene voorziening waarbij geen sprake is van een duurzame hulpverleningsrelatie mag de gemeente de hoogte van de eigen bijdrage zelf bepalen tot maximaal de kostprijs (artikel 6.2). De gemeente moet van iedere algemene voorziening waarvoor een eigen bijdrage wordt gevraagd de hoogte van deze eigen bijdrage in de verordening opnemen.

De gemeente kan er ook voor kiezen om bepaalde algemene voorzieningen wel onder het abonnementstarief te laten vallen. Daarbij zal de afweging moeten worden gemaakt of de kosten van het abonnementstarief niet te hoog zijn als de cliënt alleen gebruik maakt van de algemene voorziening.

Ook bij algemene voorzieningen kan de gemeente ervoor kiezen om voor bepaalde inkomensgroepen een lagere eigen bijdrage te bepalen. Het is van belang dat voor het gebruik van algemene voorzieningen zo min mogelijk financiële drempels worden opgeworpen. De wet verplicht tot het vaststellen van de kostprijs van een maatwerkvoorziening (artikel 2.1.4a, zesde lid, van de wet), een bij verordening aangewezen algemene voorziening (artikel 2.1.4a, zesde lid, van de wet) en een algemene voorziening (artikel 2.1.4, zesde lid, van de wet). Dat kan op drie manieren en deze zijn vastgelegd in artikel 6.3 van de verordening.

In artikel 6.3 lid 2 van de verordening is opgenomen dat de kostprijs van een voorziening in de vorm van een hulpmiddel of woningaanpassing ook bepaald wordt door de wijze van verstrekken van de voorziening te weten bruikleen, huur of eigendom.

Het is van belang dat de eigen bijdrage van € 19,00 per maand de kostprijs van de voorziening niet te boven mag gaan. Dit zal zeker bij de voorzieningen waar een dienst wordt geleverd nooit het geval zijn. Het zou wel kunnen voorkomen bij een hulpmiddel of woningaanpassing. Wanneer deze in eigendom wordt verstrekt, kan er een moment komen dat de kostprijs is betaald. Het CAK ziet toe op het niet overschrijden van de kostprijs.

De gemeente mag voor die voorziening dan geen eigen bijdrage meer heffen.

Wanneer de voorziening in bruikleen of huur is verstrekt, kan de eigen bijdrage worden geheven zolang de cliënt van de voorziening gebruik maakt.

In artikel 6.2, lid 8, onderdeel d, wordt aangegeven dat er geen eigen bijdrage wordt geheven voor het collectief vervoer in zorg in natura. Hier geldt wel een ritbijdrage die wordt geïnd door de vervoerder.

Artikel 6.3 Criteria bepaling kostprijs

De hoogte van de bijdragen wordt jaarlijks geïndexeerd op basis van de ontwikkeling van de consumentenprijsindex die gepubliceerd wordt door het Centraal Planbureau. Het college draagt er zorg voor dat de nieuwe bedragen voor iedereen kenbaar kunnen zijn.

De wijze waarop is vrij, als de kenbaarheid maar in redelijkheid verzekerd is. Gedacht kan worden aan publicatie in het (elektronisch) gemeenteblad, op de gemeentelijke website en/of in een lokaal dagblad, via redactionele aanpassing van de verordening in de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (onderdeel van www.overheid.nl) en/of door het beschikbaar stellen van een flyer.

Artikel 6.4 Ritbijdrage en voorwaarden collectief vervoer en individueel (rolstoel)taxivervoer

De Wet maatschappelijke ondersteuning gaat er vanuit dat inwoners in eerste instantie zelf zaken in gang zet om in de verplaatsingsbehoefte te kunnen voorzien. Dat kunnen oplossingen zijn die een inwoner daadwerkelijk zelf kan uitvoeren (auto, fiets, lopen), of een andere oplossing tot welke een inwoner zich kan melden of zelf kan activeren. Denk bijvoorbeeld aan het openbaar vervoer, vrijwilligersinitiatieven of buren, vrienden en familie. Indien dit niet of niet altijd lukt als gevolg van een beperking of handicap, kunnen inwoners met een Wmo indicatie aanspraak maken op Wmo vervoer.

We maken hier een onderscheid tussen enerzijds reizen op afroep (Wmo-taxi) en anderzijds collectief trajectvervoer (routegebonden vervoer).

Reizen op afroep

  • -

    Het reizen op afroep is alleen bedoeld voor inwoners die hun eigen vervoer niet meer zelfstandig of met hulp van familie of vrienden kunnen organiseren. Daar is bijvoorbeeld sprake van als iemand vanwege een handicap, beperking of psychische aandoening niet meer kan reizen met het openbaar vervoer. Daarom kunnen inwoners alleen gebruik maken van reizen op afroep met een door de gemeente geïndiceerde Wmo-vervoerspas.

  • -

    Het reizen op afroep is bedoeld voor sociaalrecreatief vervoer, zoals het bezoek van familie/vrienden, winkelen of het reizen naar een vereniging. Reizen naar werk, school, het bezoek van een huisarts of ziekenhuis (anders dan ziekenbezoek) zijn niet toegestaan.

  • -

    Voor reizen op afroep wordt een ritbijdrage gevraagd dat bestaat uit een opstaptarief en een kilometerbijdrage. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen het lokale vervoer en het bovenlokale vervoer. In dit artikel worden hiervan de kaders weergegeven met daarbij de uitzonderingssituaties. In bijlage 1 staan de tarieven vermeld.

  • -

    Jaarlijks indexeert het college de tarieven voor het reizen op afroep op basis van de landelijke tarieven index (LTA) en publiceert deze op de gemeentelijke website en in het gemeentenieuws.

  • -

    Inwoners met een Wmo-vervoerspas kunnen vanaf 2022 maximaal 1500 kilometer per jaar met korting reizen. Uit jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep blijkt dat in beginsel 1500 kilometer op jaarbasis voldoende toereikend wordt geacht om Wmo pashouders in staat te stellen sociale contacten te onderhouden en deel te nemen aan het leven van alledag. In uitzonderlijke gevallen kan het college na onderzoek verricht te hebben dit kilometerbudget verhogen.

Collectief trajectvervoer

  • -

    Van het collectief trajectvervoer wordt gebruik gemaakt wanneer inwoners niet zelfstandig kunnen reizen naar geïndiceerde maatwerkvoorzieningen en als gevolg hiervan een indicatie hebben toegewezen voor vervoer van en naar een zorginstelling of behandelingslocatie. Het betreft hier bijvoorbeeld dagbesteding en vervoer vanuit de Jeugdwet.

Inwoners met een gemeentelijke indicatie voor vervoer van en naar een maatwerkvoorziening betalen geen ritbijdrage en kunnen reizen zonder Wmo-vervoerspas.

Artikel 7 Kwaliteitseisen

Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de Wmo, en artikel 2.12 van de Jeugdwet waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.

De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen bij de gemeente en de aanbieder. Om te voorkomen dat er alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te houden. Hiermee wordt bereikt dat er een beter beeld ontstaat van reële kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren. Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden.

De gemeente Epe stelt eisen aan de aanbieders. Deze worden in de verordening beschreven evenals in de raamovereenkomst (contract voor inkoop van zorg bij aanbieders). De regering benadrukt in de memorie van toelichting op artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de Wmo (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) dat de kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 e.v. van de wet en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij uitgangspunt zijn. De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte voor de gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning.

Eerste lid

In het eerste lid zijn een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen uitgewerkt.

Derde lid

Het in het derde lid genoemde jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek is verplicht op grond van artikel 2.5.1, eerste lid, van de Wmo. In artikel 2.10 van de Jeugdwet wordt artikel 2.5.1 van de Wmo 2015 van overeenkomstige toepassing verklaard.

Vierde lid

Met de aanwijzing van een toezichthoudend ambtenaar geeft het college invulling aan artikel 2.9 van de Jeugdwet. Deze toezichthouder ziet toe op de rechtmatige naleving van de Jeugdwet. In de Wmo is dit bij wet geregeld, de Jeugdwet kent deze bepaling niet, daarom deze bepaling in de verordening. Het zijn de inspecties Jeugdzorg, Gezondheidszorg en Veiligheid en Justitie die toezien op de kwaliteit van de geboden jeugdhulp door aanbieders. Het toezicht op jeugdhulp niet vallend onder het Rijkstoezicht wordt belegd bij de toezichthoudende ambtenaar. De toezichthoudend ambtenaar richt zich op de nadere eisen die door het college bij de inkoop (www.zorgregiomijov.nl) zijn gesteld, de rechtmatigheid van de jeugdhulp en fraudebestrijding.

Vijfde lid

Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de bevoegdheden van de toezichthoudend ambtenaar.

Artikel 8 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering.

Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, vierde lid, van de Wmo, en artikel 2.9 van de Jeugdwet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.De onderdelen van artikel 8.1.2 en artikel 8.1.3 en 8.1.4 van de Jeugdwet geven handen en voeten aan de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik en zijn opgenomen in deze verordening. De wettekst van de artikelen 8.1.2 tot en met 8.1.4 is veelal beperkt tot de pgb. Waar mogelijk en zinvol, is dit ter uitwerking van de delegatiebepaling in artikel 2.9, onder d, van de Jeugdwet, in de verordening uitgebreid tot de individuele maatwerkvoorziening in natura.

Hiervoor kan ook steun gevonden worden in de tekst van de toelichting op artikel 8.1.2, waarbij is vermeld dat de in het eerste lid geregelde inlichtingenverplichting als uitgangspunt heeft dat van de jeugdige en zijn ouders aan wie een individuele voorziening of een daaraan gekoppeld pgb is verstrekt, verlangd kan worden dat ze voldoende gegevens en inlichtingen verstrekken om het college in staat te stellen te beoordelen of het beroep op die individuele voorziening of het daaraan gekoppelde pgb terecht is gedaan. Indien het de jeugdige of zijn ouders redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat er feiten en omstandigheden, of daarin opgetreden wijzigingen, zijn die van invloed kunnen zijn op de toekenning van de individuele voorziening of het daaraan gekoppelde pgb, dienen zij dit onverwijld aan het college te melden. Verstrekken zij niet onverwijld uit eigen beweging of op verzoek van het college alle gevraagde inlichtingen en bewijsstukken, dan heeft dat gevolgen voor de toekenning van de voorziening of het daaraan gekoppelde pgb. Het college kan niet alleen bij een aanvraag, maar ook in andere stadia concrete informatie en bewijsstukken van de belanghebbende vragen.

Eerste lid

Aan het ‘bestrijden’ van ten onrechte ontvangen individuele maatwerkvoorzieningen en pgb’s gaat als het goed is een poging dit te ‘voorkomen’ vooraf. Duidelijke informatie over enerzijds de rechten en plichten van de cliënt en anderzijds de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik spelen hierbij een belangrijke rol. Daarom is in het eerste lid een ‘informatieplicht’ voor het college opgenomen.

Derde lid

Het derde lid is een ‘kan’-bepaling. Een pgb wordt verstrekt met de bedoeling dat men daarmee een voorziening treft. Als binnen zes maanden na de beslissing tot het verstrekken van het pgb nog geen voorziening is getroffen, heeft het college de bevoegdheid om de beslissing geheel of gedeeltelijk in te trekken.

In artikel 2.4.1 tot en met 2.4.4 van de Wmo zijn regels voor het verhaal van kosten opgenomen en is de bevoegdheid aan het college gegeven tot het (in geldswaarde) terugvorderen van een ten onrechte verstrekte individuele maatwerkvoorziening of pgb. Hierbij is tevens bepaald dat het college het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel kan invorderen. Uit de memorie van toelichting op artikel 2.4.1 (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 157) wordt duidelijk dat daarnaast de mogelijkheid blijft bestaan om individuele maatwerkvoorzieningen terug te vorderen; ‘omdat het niet in alle gevallen mogelijk is een al genoten individuele maatwerkvoorziening terug te vorderen, kan het college de waarde van de genoten individuele maatwerkvoorziening uitdrukken in een bedrag dat voor terugvordering in aanmerking komt.’

Vijfde lid

Er is een bepaling opgenomen die het college de bevoegdheid geeft tot terugvordering van in eigendom of in bruikleen verstrekte voorzieningen.

Met de aanwijzing van een toezichthoudend ambtenaar geeft het college invulling aan artikel 2.9 van de Jeugdwet. Deze toezichthouder ziet toe op de rechtmatige naleving van de Jeugdwet. In de Wmo is dit bij wet geregeld, de Jeugdwet kent deze bepaling niet, daarom deze bepaling in de verordening. Het zijn de inspecties Jeugdzorg, Gezondheidszorg en Veiligheid en Justitie die toezien op de kwaliteit van de geboden jeugdhulp door aanbieders. Het toezicht op jeugdhulp niet vallend onder het Rijkstoezicht wordt belegd bij de toezichthoudende ambtenaar. De toezichthoudend ambtenaar richt zich op de nadere eisen die door de gemeente bij de inkoop (www.zorgregiomijov.nl) zijn gesteld, de rechtmatigheid van de jeugdhulp en fraudebestrijding.

Zesde lid

Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de bevoegdheden van de toezichthoudend ambtenaar.

Artikel 9 Waardering mantelzorger

Deze bepaling betreft een uitwerking van artikel 2.1.6 van de Wmo. Hierin is opgenomen dat bij verordening wordt bepaald op welke wijze het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente. De verordening moet in ieder geval voorzien in een procedure die waarborgt dat alle mantelzorgers, die voldoen aan de voorwaarden, voor het ontvangen van een blijk van waardering in aanmerking kunnen worden gebracht. Het gaat om mantelzorgers van cliënten in de gemeente Epe. Artikel 1.1.1 van de wet definieert een cliënt als een persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening, individuele maatwerkvoorziening of pgb, of door of namens wie een melding is gedaan. Het gaat dus ook om mantelzorgers van cliënten die een hulpvraag hebben aangemeld, ook al is daar geen voorziening op basis van deze wet uitgekomen. Voorts is de woonplaats van de cliënt bepalend, zodat het dus ook mantelzorgers kan betreffen die in andere gemeenten wonen.

Eerste lid

Het komt erop neer dat – met inachtneming van het bovenstaande – mantelzorgers van cliënten in de gemeente via een melding bij het college in aanmerking kunnen worden gebracht voor de jaarlijkse blijk van waardering.

Tweede lid

Ten aanzien van de meldingsprocedure kan het college nadere regels stellen.

Artikel 10 Verhouding prijs en kwaliteit

Het college kan de uitvoering, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de cliënt, door derden (aanbieders) laten verrichten (artikel 2.6.4, eerste lid, van de Wmo en artikel 2.11, eerste lid, van de Jeugdwet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van een voorziening gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.6.6, eerste lid, van de Wmo, artikel 2.12 Jeugdwet). Daarbij dient in ieder rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden.

De regels hebben tot doel dat een vaste prijs of reële prijs wordt vastgesteld voor diensten die in opdracht van het college door derden worden verleend, zodat de kwaliteit en continuïteit van deze diensten kunnen worden gewaarborgd door het gemeentebestuur en de gecontracteerde aanbieders.

Een vaste prijs of reële prijs wordt onder andere gebaseerd op de kosten van de beroepskracht, waaronder de loonkosten en overige kosten voortvloeiend uit de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst, de kosten van wettelijke verplichtingen ter zake van de arbeid en de overige kosten van wettelijke verplichtingen verbonden aan het leveren van een dienst. Het gaat hierbij onder meer om wettelijke verplichtingen als werkgeverspremies, wettelijke sociale verzekeringen en pensioenpremies, wettelijk verlof, wettelijke verplichtingen op het gebied van arbeidsomstandigheden en overige wettelijke verplichtingen die het leveren van de dienst met zich mee brengt. Als uitgangspunt geldt dat een aanbieder beroepskrachten inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Het college zal zich dus een beeld moeten vormen van de vereiste activiteiten en de daaraan verbonden reële kosten. Het college baseert een reële prijs vervolgens op de collectieve arbeidsovereenkomsten die door de aanbieder in de betreffende sector moeten worden gehanteerd. In Nederland zijn immers bij veel aanbestedingen de algemeen verbindend verklaarde bepalingen van een collectieve arbeidsovereenkomsten van toepassing en daarmee gelden de bepalingen voor alle werknemers in de betreffende sector.

Als op een beroepskracht geen collectieve arbeidsovereenkomst van toepassing is, omdat het bijvoorbeeld gaat om een zelfstandige zonder personeel of een buitenlandse aanbieder (Europese aanbesteding), wordt van colleges evengoed verwacht een reële kostprijs te hanteren die qua arbeidsvoorwaarden gelijk is aan de positie van een werknemer (immers de gemeente is al gebonden aan één kwaliteitsniveau) en de wijze van kostprijsopbouw te motiveren. Bij een algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst kan bij een Europese aanbesteding hetzelfde niveau aan arbeidsvoorwaarden worden geëist. Immers via de Wet arbeidsvoorwaarden grensoverschrijdende arbeid (Waga) waarmee de Europese Detacheringsrichtijn is omgezet in Nederlandse wetgeving, zijn de kernbepalingen van deze algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomsten ook van toepassing op gedetacheerde werknemers van dienstverleners uit andere EU-lidstaten die hier (tijdelijk) werken. Indien er geen sprake is van een algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst en de werkgever geen partij is bij een afgesloten bedrijfstak-cao gelden de wettelijke minimumnormen zoals opgenomen in de Wet minimumloon en vakantiebijslag.

Eerste lid

In dit artikel wordt geregeld dat het college voor het leveren van een dienst door een derde, of een vaste prijs vaststelt of een reële prijs vaststelt die geldt als ondergrens voor een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde of die geldt als ondergrens voor de vaste prijs. In het geval het college een reële prijs vaststelt, is het mogelijk dat inschrijvers een hoger tarief dan de reële prijs neerleggen. Het is niet mogelijk een lagere prijs neer te leggen. Indien het college een vaste prijs vaststelt, dan zal het tarief voor de inschrijvers gelijk zijn aan de vaste prijs.

Tweede lid

Bij het vaststellen van de prijs dient het college rekening te houden met de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, en met de continuïteit in de hulpverlening, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. De invulling van de continuïteit van de hulpverleningsrelatie in financiële zin is nieuw voor de gemeenten. De aanbieder die de opdracht gegund krijgt moet overleggen met de aanbieder die de opdracht tot dan toe had uitgevoerd over de overname van personeel. De gedachte is dat overname van personeel gemakkelijker verloopt indien de gemeente een reële prijs betaalt voor de opdracht.

Derde lid

Het college moet de vaste prijs of de reële prijs minimaal baseren op de in dit artikel genoemde kostprijselementen. De opsomming in dit lid is niet uitputtend. De gemeente kan er elementen aan toevoegen.

Om te voorkomen dat er alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te houden. Hiermee wordt bereikt dat er een beter beeld ontstaat van reële kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren. Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden.

Vierde lid

Dit lid is opgenomen ter wille van de leesbaarheid en de samenhang van het hele artikel. Het vierde lid biedt het college de mogelijkheid om geen vaste of reële prijs te bepalen op basis van de genoemde kostprijselementen maar de bepaling van de hoogte van een reële prijs over te laten aan de inschrijvende partijen. Het college legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad.

Vijfde lid

Dit lid is hier opgenomen ter wille van de leesbaarheid en de samenhang van het hele artikel. Het college bepaalt met welke derde hij een overeenkomst aangaat. Hieronder wordt verstaan een aanbieder, te weten een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die jegens het college gehouden is een individuele maatwerkvoorziening te leveren. Het overeenkomen van contracten is het primaat van het college.

NB Het gewijzigde Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 is in werking getreden per 1 juni 2017. Het nieuwe artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 (artikel 8 van de verordening) is van toepassing op opdrachten die na de inwerkingtreding van het besluit zijn aangekondigd (zie hoofdstuk 2.2 van de Aanbestedingswet 2012) of gegund (gunningbeslissing).

Op bestaande overeenkomsten is het oude recht van toepassing, tenzij die overeenkomst eenzijdig wordt verlengd. Dit zal met name spelen bij een in de overeenkomst opgenomen beding tot eenzijdige en ongewijzigde verlenging. Na de inwerkingtreding van het besluit kunnen deze bestaande overeenkomsten alleen worden voortgezet indien zij passen binnen het kader van artikel 5.4.

Artikel 11 Klachtenregeling

Dit artikel regelt het gemeentelijke klachtrecht. De gemeente is al op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van bestuursorganen en personen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. Gelet op het van toepassing zijnde hoofdstuk 9 van de Awb, waarin een uitvoerige regeling omtrent klachtbehandeling is gegeven, en ook het recht is neergelegd om na de afhandeling van de klacht de bevoegde ombudsman te verzoeken een onderzoek in te stellen, kan in deze verordening met een enkele bepaling worden volstaan.

Eerste lid

In het eerste lid is een bepaling opgenomen over het gemeentelijke klachtrecht. Deze bepaling is niet verplicht op grond van deze wet en is hier opgenomen in het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van cliënten te geven. Gelet op het van toepassing zijnde hoofdstuk 9 van de Awb, waarin een uitvoerige regeling omtrent klachtbehandeling is gegeven, en ook het recht is neergelegd om na de afhandeling van de klacht de bevoegde ombudsman te verzoeken een onderzoek in te stellen, kan in deze verordening met de eenvoudige bepaling van het eerste lid worden volstaan.

De gemeente Epe heeft hiervoor een algemene Klachtenregeling Epe 2015 vastgesteld.

Op klachten over medewerkers van het Centrum Jeugd Gezin Epe is de klachtenregeling van de desbetreffende moederorganisatie van toepassing.

Tweede lid

In het tweede lid is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders opgenomen. Een dergelijke bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder e, van de Wmo en artikel 4.2.1 e.v. van de Jeugdwet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten is vereist. De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een klachtregeling op te stellen. Pas wanneer dit klachtrecht niet bevredigend is, of niet logisch, bijvoorbeeld bij gedragingen van gemeenteambtenaren, dan komt de gemeentelijke klachtmogelijkheid in zicht.

In de memorie van toelichting Wmo (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 57-58) staat dat cliënten in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen niet aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend voelen. De cliënt kan ontevreden zijn over het gedrag van een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de wijze waarop een gesprek is gevoerd of over diens (vermeende) gebrek aan deskundigheid. Is de cliënt niet tevreden over een gedraging van de aanbieder, dan kan het ook gaan om bijvoorbeeld de kwaliteit van de geleverde maatschappelijke ondersteuning (in verband met de deskundigheid van de medewerker of een bepaalde houding of uitlating, gebrekkige communicatie of (on)bereikbaarheid van de aanbieder).

Het ligt voor de hand dat cliënten die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de gemeente voor het indienen van de klacht open.

Derde lid

In het derde lid zijn een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te zorgen dat de klachtregelingen door aanbieders goed wordt uitgevoerd.

Artikel 12 Medezeggenschap bij aanbieders

Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder f, van de Wmo, waarin is bepaald dat in ieder geval moet worden bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn, vereist is.

Eerste lid

In dit artikel gaat het dus om medezeggenschap van cliënten tegenover de aanbieder. De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een medezeggenschapsregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder b, van Wmo, paragraaf 4.2.b van de Jeugdwet).

Tweede lid

In het tweede lid zijn een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt uitgevoerd.

Artikel 13 Betrekken van ingezeten bij beleid

Eerste lid

In het eerste lid is verwezen naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat eenzelfde inspraakprocedure geldt voor het jeugdhulp- of Wmo-beleid als op andere terreinen. De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning.

Tweede en derde lid

Regeling van de inspraak en medezeggenschap is verplicht op grond van artikel 2.10 van de Jeugdwet in samenhang met artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015. In artikel 2.10 (in de redactie van de Nota van wijziging op het wetsvoorstel Wmo 2015 van 12 maart 2014, kamerstukken II 22841, nr. 35) worden de artikelen 2.1.3, derde lid, en 2.5.1 (jaarlijks cliëntervaringsonderzoek) van de Wmo 2015 van overeenkomstige toepassing verklaard. Ingevolge artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015 dient bij verordening te worden bepaald op welke wijze ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van deze wet.

Vierde lid

Met het vierde lid wordt het aan het college overgelaten om de exacte invulling van de medezeggenschap vorm te geven.

Artikel 14 Hardheidsclausule

Dit artikel zal slechts in uitzonderlijke situaties worden getoetst , omdat de verordening het leveren van maatwerk als uitgangspunt heeft.