Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Medemblik houdende regels omtrent beschermd erfgoed en regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving (Verordening fysieke leefomgeving Medemblik 1ste tranche)

Geldend van 15-05-2021 t/m heden

Intitulé

Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Medemblik houdende regels omtrent beschermd erfgoed en regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving (Verordening fysieke leefomgeving Medemblik 1ste tranche)

De raad van de gemeente Medemblik;

gelezen het bijbehorend voorstel van het College van burgemeester en wethouders van Medemblik d.d. 9 februari 2021;

gelet op:

  • -

    artikelen 108, 147 en 149 van de Gemeentewet;

  • -

    artikel 2 en 8 van de Woningwet;

  • -

    artikel 3.16 en 9.1 van de Erfgoedwet;

  • -

    artikel 12 en 15 van de Monumentenwet;

  • -

    de Wet wijziging Monumentenwet 1988 en Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken;

  • -

    artikel 5.4 van de Telecommunicatiewet;

  • -

    artikel 35 van de Wet op de lijkbezorging;

  • -

    artikel 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

overwegende:

de Omgevingswet in werking treedt op 1 januari 2022;

op grond van die Wet de regels die toezien op de fysieke leefomgeving opgenomen worden in het definitieve Omgevingsplan;

de regels die toezien op de fysieke leefomgeving niet worden opgenomen in het tijdelijke omgevingsplan bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

de gemeente op 1 januari 2022 conform de Omgevingswet dient te werken;

gelet op de gemeentelijke praktijk vanaf 1 januari 2022 het wenselijk is de regels, die toezien op de fysieke leefomgeving in diverse gemeentelijke verordeningen in één verordening bijeen te brengen en deze in tranches vast te stellen;

b e s l u i t :

  • 1.

    kennis te nemen van de toelichting bij de Verordening fysieke leefomgeving (verder VFL) Medemblik 1ste tranche;

  • 2.

    vast te stellen de VFL Medemblik 1ste tranche;

  • 3.

    de volgende verordeningen gelijktijdig met de inwerkingtreding van de VFL vast te stellen:

    • -

      de Algemene plaatselijke verordening Medemblik 2021;

    • -

      de Beheersverordening begraafplaatsen gemeente Medemblik 2021;

  • 4.

    de volgende verordeningen gelijktijdig met de inwerkingtreding van de VFL in te trekken:

    • -

      de Algemene plaatselijke verordening Medemblik 2020;

    • -

      de Beheersverordening gemeentelijke begraafplaatsen Medemblik 2015

    • -

      de Algemene verordening ondergrondse infrastructuren 2014;

    • -

      de Erfgoedverordening Medemblik 2012;

    • -

      de Bouwverordening Medemblik 2011;

    • -

      de Marktverordening gemeente Medemblik 2012;

      de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Medemblik 2014;

    • -

      de Brandbeveiligingsverordening Medemblik.

Deze besluiten treden inwerking op 1 april 2021.

Voorwoord met betrekking tot de verordening

De gemeente Medemblik bereidt zich voor op de Omgevingswet. Daartoe worden de regels over de fysieke leefomgeving uit diverse Medemblikse verordeningen samengebracht in één nieuwe verordening als tussenstap naar het toekomstige omgevingsplan. Dit gebeurt stapsgewijs en in tranches.

In deze 1ste tranche zijn de relevante regels uit 8 verordeningen opgenomen. De regels in deze verordeningen kunnen onder de huidige wetgeving niet worden opgenomen in bestemmingsplannen, omdat de regels niet de ruimtelijke ordening betreffen. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet zal deze verordening en de bestemmingsplannen (gefaseerd) worden verwerkt tot het omgevingsplan van de gemeente Medemblik.

Een gemeentelijke verordening is een op gemeentelijk niveau vastgesteld algemeen verbindend voorschrift. Met andere woorden plaatselijke (juridische) regels die voor iedereen gelden. De belangrijkste en meest omvattende gemeentelijke verordening is de Algemene plaatselijke verordening.

Daar komt nu de Verordening fysieke leefomgeving bij, maar doordat er artikelen uit de Algemene plaatselijke verordening en de Beheersverordening begraafplaatsen worden gehaald en opgenomen in de Verordening fysieke leefomgeving en daarnaast 6 verordeningen in zijn geheel worden opgenomen in de Verordening fysieke leefomgeving, wordt deze verordening de meest omvattende verordening van de gemeente.

Dit komt de leesbaarheid niet ten goede en daarom is er een uitgebreide toelichting toegevoegd ter verduidelijking van de vele artikelen die in de Verordening fysieke leefomgeving zijn opgenomen.

Het is aan te raden om eerst de toelichting bij de Verordening fysieke leefomgeving Medemblik 1ste tranche te lezen en dan de verordening zelf, zodat er een goed beeld kan worden gevormd hoe de Verordening fysieke leefomgeving Medemblik 1ste tranche is opgebouwd en tot stand is gekomen.

Wat zijn de (afwegings)kaders?

Bij het invoegen van activiteiten uit de Algemene plaatselijke verordening in de Verordening fysieke leefomgeving wordt als eerste de vraag beantwoord of deze activiteiten ook thuishoren in deze verordening.

In de Verordening fysieke leefomgeving moeten in ieder geval de regels worden opgenomen over activiteiten ten gevolge waarvan onderdelen van de fysieke leefomgeving worden gewijzigd. Een aantal regels mogen niet worden opgenomen in de Verordening fysieke leefomgeving.

In het Omgevingsbesluit is een lijst opgenomen met voorschriften op grond van de Gemeentewet die hoofdzakelijk worden gesteld met het oog op de handhaving van de openbare orde en (openbare) veiligheid en over financiële regels.

Met artikel 2.1 van het Omgevingsbesluit is de “moet” en “mag niet” lijst vastgesteld. De derde categorie betreft onderwerpen die geregeld mogen worden in de Verordening fysieke leefomgeving, dat zijn de onderwerpen die bijvoorbeeld over het gebruik van de fysieke leefomgeving gaan.

Ook artikel 1.2, 1.4 en 2.4 van de Omgevingswet geven kaders over datgene wat in een Verordening fysieke leefomgeving kan worden opgenomen. Artikel 1.4 van de Omgevingswet heeft tot gevolg dat onderwerpen die in een andere wet uitputtend zijn geregeld, niet in de Verordening fysieke leefomgeving kunnen worden opgenomen.

Denk bijvoorbeeld aan het reguleren van parkeervakken, de grondslag hiervoor is te vinden in de Wegenverkeerswet (en is daarmee uitputtend).

De Verordening fysieke leefomgeving 2de tranche wordt vóór 1 januari 2022 vastgesteld.

Juridische regels worden toepasbaar gemaakt

In 2de tranche van de Verordening fysieke leefomgeving worden deze juridische regels vereenvoudigd en toepasbaar gemaakt om de vragenbomen in de DSO te vullen. Het toepasbaar maken van juridische regels zijn begrijpelijke vertalingen van juridische regels voor zowel de gebruiker als voor de software.

Het toepasbaar maken van juridische regels lijkt op het spel Wie is het? Daarbij komt men aan de hand van een aantal vragen – Moet ik een vergunning aanvragen als ik een boom ga kappen? Welke informatie moet ik aanleveren als ik een vergunning wil vragen? Welke maatregelen moet ik treffen? _ aan de juiste relevante informatie van de initiatiefnemer om een vergunningscheck te doen, het juiste aanvraagformulier af te geven en de te nemen maatregelen te kunnen benoemen.

Dereguleringsslag

In de tweede tranche en volgende van de VFL worden, zoals hierboven is vermeld, de regels zoveel mogelijk vereenvoudigd en toepasbaar gemaakt voor de vragenbomen in het DSO.

Van de VNG verschijnen er tot eind 2023 modelverordeningen die zijn opgenomen in de VFL en waarvan de regels vereenvoudigd en toepaspaar zijn gemaakt en die de huidige juridische regels in de VFL gaan vervangen.

Vanaf de tweede tranche van de verordening kan er een dereguleringsslag worden gemaakt door regels te schrappen en te laten vallen onder de algemene zorgplicht of onder de specifieke zorgplichten in de Verordening fysieke leefomgeving. Door dit in de 1ste tranche niet te doen blijft de Verordening fysieke leefomgeving herkenbaar, leesbaar en behapbaar.

De Verordening fysieke leefomgeving 2de tranche wordt vóór 1 januari 2022 vastgesteld.

Om een beeld te geven van de complexiteit van de implementatie van de Omgevingswet is bijlage 4 toegevoegd.

HOOFDSTUK 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

Bijlage 1 bij deze verordening bevat begripsbepalingen voor de toepassing van deze verordening en de daarop berustende bepalingen.

Artikel 1.2 Toepassingsbereik

Deze verordening geeft regels over aanwijzingen van beschermd erfgoed en regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving die gaan vallen onder de reikwijdte van de Omgevingswet en die niet mogen worden opgenomen in een bestemmingsplan.

Artikel 1.3 Doel van de verordening
  • 1. Het doel van deze verordening is het samenbrengen van regels over de fysieke leefomgeving vanuit diverse gemeentelijke verordeningen en andere gemeentelijke regelingen in één verordening. Deze regels worden in tranches opgenomen in deze verordening.

  • 2. Binnen het toepassingsbereik van deze verordening is het doel van de regels:

    • a.

      een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en

    • b.

      een doelmatig beheer en gebruik van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.

Artikel 1.4 (Beslis)termijnen
  • 1. Op een aanvraag om omgevingsvergunning is, tenzij de wet anders bepaalt, de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing, waarbij de beslistermijn(en) in de zin van afdeling 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (verder Awb) gelden.

  • 2. Een omgevingsvergunning geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de omgevingsvergunning anders is bepaald of de aard van de omgevingsvergunning zich daartegen verzet.

  • 3. De aard van de omgevingsvergunning verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal beschikbare omgevingsvergunningen beperkt is en het aantal mogelijke aanvragen het aantal beschikbare omgevingsvergunningen overtreft (schaarse vergunning).

Artikel 1.5 Voorschriften
  • 1. Het bevoegd gezag kan aan een omgevingsvergunning voorschriften verbinden. Deze voorschriften strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband met de fysieke leefomgeving.

  • 2. Degene aan wie krachtens deze verordening een omgevingsvergunning is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften in acht te nemen.

Artikel 1.6 Algemene weigeringsgronden
  • 1. Het bevoegd gezag weigert een aanvraag om omgevingsvergunning in ieder geval:

    • a.

      indien de te vergunnen activiteit in strijd is met het bepaalde in deze verordening of een andere wettelijke regelgeving;

    • b.

      in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (verder Wet Bibob).

  • 2. Het bevoegd gezag kan een aanvraag om omgevingsvergunning weigeren indien:

    • a.

      dat naar hun oordeel nodig is in het belang van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving of de bescherming van het milieu;

    • b.

      dat naar hun oordeel nodig is met het oog op het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften;

    • c.

      niet wordt voldaan aan, bij of krachtens deze verordening gestelde vereisten om voor een omgevingsvergunning in aanmerking te komen;

    • d.

      de aanvraag om een omgevingsvergunning te kort voor de beoogde activiteit is ingediend en daardoor redelijkerwijs een behoorlijke behandeling en beoordeling van de aanvraag niet mogelijk is.

Artikel 1.7 Algemene wijzigings- en intrekkingsgronden
  • 1. Burgemeester en wethouders kunnen de vergunning of ontheffing in ieder geval wijzigen of intrekken indien:

    • a.

      de vergunning of ontheffing ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend;

    • b.

      veranderde omstandigheden, feiten of inzichten met betrekking tot de activiteit waarvoor de vergunning of ontheffing is verleend, zich tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van die activiteit verzetten;

    • c.

      de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nageleefd;

    • d.

      de voor de houder van de vergunning of ontheffing geldende algemene regels niet zijn of worden nageleefd;

    • e.

      van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn of bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn;

    • f.

      aannemelijk is dat de werkelijke situatie afwijkt van de vergunde situatie of

    • g.

      de vergunninghouder dit verzoekt.

  • 2. Burgemeester en wethouders kunnen de vergunning of ontheffing in ieder geval intrekken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob.

Artikel 1.8 Gemeentelijke Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit
  • 1. De Adviescommissie voor de Ruimtelijke Kwaliteit, verder de Adviescommissie, is de gemeentelijke adviescommissie als bedoeld in artikel 8 van de Woningwet en als bedoeld in paragraaf 4.2 van de Erfgoedwet.

  • 2. De advisering over redelijke eisen van welstand en over erfgoed is opgedragen aan de stichting Mooi Noord-Holland die uit haar midden personen voordraagt als lid van de Adviescommissie.

  • 3. De Adviescommissie adviseert over de welstands- en erfgoedaspecten van aanvragen voor een omgevingsvergunning.

  • 4. De Adviescommissie baseert haar welstandsadvies op de in de welstandsnota genoemde welstandscriteria.

  • 5. De bepalingen over de samenstelling, taakstelling, werkwijze en verantwoording van de Adviescommissie zijn vastgelegd in een door de raad vastgesteld Reglement van Orde.

Artikel 1.9 Nadere regels en aanwijzingsbesluiten

Het college van burgemeester en wethouders kan ter uitvoering van deze verordening aanwijzingsbesluiten en nadere regels vaststellen.

Hoofdstuk 2 Algemene regels voor de instandhouding, bescherming, onderhoud en beheer fysieke leefomgeving

Artikel 2.1 Doel van de regels

Het doel van dit hoofdstuk is om algemene regels te redigeren voor de instandhouding, het behoud en de bescherming van de fysieke leefomgeving.

Iedereen dient bij zijn activiteiten voldoende zorg voor de fysieke leefomgeving in acht te nemen en toe te staan dat maatregelen getroffen worden om de fysieke leefomgeving te beschermen en te behouden.

Artikel 2.2 Algemene zorgplicht voor de fysieke leefomgeving
  • 1. Eenieder draagt voldoende zorg voor de fysieke leefomgeving.

  • 2. Eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving is verplicht:

    • a.

      alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

    • b.

      voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken;

    • c.

      als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden gevraagd.

  • 3. Eenieder die schade toebrengt aan de fysieke leefomgeving is verplicht dit te melden bij het bevoegd gezag.

Artikel 2.3 (Specifieke) zorgplicht voor toestand object op openbare plaats

Degene die een object heeft geplaatst op een openbare plaats, houdt het in goede staat en ruimt het op zodra de activiteit waarvoor het geplaatst is wordt gestaakt.

Artikel 2.4 (Specifieke) zorgplicht staat bestaande gebouwen

Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het bouwwerk tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden of ernstige afbreuk kan doen aan de kwaliteit van de leefomgeving, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.

Artikel 2.5 (Specifieke) zorgplicht gebruik gebouwen
  • 1. Degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden of ernstige afbreuk kan doen aan de kwaliteit van de leefomgeving, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.

  • 2. Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door:

    • a.

      het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal;

    • b.

      het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging en

    • c.

      het nalaten van het normale onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een zindelijke staat bevindt.

Artikel 2.6 (Specifieke) zorgplicht bouw- en sloopwerkzaamheden

Degene die een bouw- of sloopactiviteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de werkzaamheden kunnen leiden tot beschadiging of belemmering van wegen, van in de weg gelegen werken en van andere al dan niet roerende zaken op een aangrenzend perceel of op een aan het bouw- of sloopterrein grenzende openbare weg, openbaar water of openbaar groen, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om de beschadiging of belemmering te voorkomen of niet te laten voortduren.

Artikel 2.7 (Specifieke) zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen
  • 1. De eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het heffen van voorzieningen aan het open erf of terrein en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het open erf of terrein tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden of ernstige afbreuk kan doen aan de kwaliteit van de leefomgeving, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.

  • 2. Degene die een open erf of terrein gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden of ernstige afbreuk kan doen aan de kwaliteit van de leefomgeving, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.

  • 3. Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten op een open erf of terrein overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om de overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door:

    • a.

      het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal;

    • b.

      het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging en

    • c.

      het nalaten van het normale onderhoud van het open erf of terrein waardoor het open erf of terrein zich niet in zindelijke staat bevindt.

Artikel 2.8 (Specifieke) zorgplicht erfgoed (monumenten en archeologie)

Degene die een rijksmonument of een andere activiteit die een rijksmonument of een voor beschermd rijksmonument betreft, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit kan leiden tot het beschadigen of vernielen van een rijksmonument of een voor beschermd rijksmonument is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om deze beschadiging of vernieling te voorkomen.

Artikel 2.9 (Specifieke) zorgplicht voor toestand onroerend cultureel erfgoed
  • 1. Het is verboden (gemeentelijk) onroerend cultureel erfgoed te beschadigen of te vernielen.

  • 2. De eigenaar en huurder van een (gemeentelijk) monument zijn verplicht het onderhoud te verrichten dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is.

  • 3. Degene die een activiteit verricht aan of bij een (gemeentelijk) onroerend cultureel erfgoed is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevraagd om beschadiging te voorkomen.

Artikel 2.10 (Specifieke) zorgplicht voor toestand van sloten en wateren

De eigenaar van een perceel draagt er voldoende zorg voor dat de sloten en andere wateren op het perceel geen gevaar, nadeel voor de gezondheid of hinder oplevert voor derden.

Artikel 2.11 (Specifieke) zorgplicht voor toestand niet openbare riolen en putten buiten gebouwen.

De eigenaar van een gebouw draagt voldoende zorg voor de niet openbare riolen en putten buiten gebouwen. Deze mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor derden.

Artikel 2.12 (Specifieke) zorgplicht brandveilig gebruik van bouwwerken

Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat als gevolg van het gebruik één van de volgende situaties kan ontstaan, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om te voorkomen dat:

  • 1.

    Brandgevaar wordt veroorzaakt.

  • 2.

    Bij brand een gevaarlijke situatie wordt veroorzaakt.

  • 3.

    De melding van, alarmering bij of bestrijding van brand wordt belemmerd.

  • 4.

    Het gebruik van vluchtmogelijkheden bij brand wordt belemmerd.

  • 5.

    Het redden van personen of dieren bij brand wordt belemmerd.

  • 6.

    Er op een andere manier gevaar voor de brandveiligheid ontstaat of voortduurt.

Artikel 2.13 (Specifieke) zorgplicht voorkomen van de verspreiding van moeilijk te bestrijden planten

De eigenaren, pachters, gebruikers en beheerders van de rechthebbenden en toezichthouders op de binnen de gemeente gelegen openbare plaatsen zijn verplicht die zich op die gronden bevindende akkermelkdistels, akkerdistels, brandnetels, fluitenkruid, krulzuring, Jacobs Kruiskruid en reuzenberenklauwen voordat deze gaan bloeien te bestrijden.

Artikel 2.14 Meldplicht bij brand of broei

Eenieder die brand of broei ontdekt of deze vermoedt is verplicht dit onmiddellijk aan de brandweer te melden.

Artikel 2.15 Gedoogplicht voorzieningen voor verkeer en verlichting
  • 1. De zakelijke of persoonlijke rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk objecten, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing voor zover in het onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet of de Belemmeringenwet privaatrecht.

Artikel 2.16 Algemeen verbod oplaten van ballonnen

Het is verboden ballonnen op te laten. Onder ballonnen wordt verstaan alle soorten ballonnen en wenslantaarns en soortgelijke objecten die zonder sturing wegdrijven.

Artikel 2.17 Verbod plaatsen objecten onder hoogspanningslijn
  • 1. Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen opgaand houtgewas of objecten die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben.

  • 2. Het verbod is niet van toepassing op objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn.

  • 3. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van dit verbod indien de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat. Over de mogelijkheid voor ontheffing wordt overleg gevoerd met de netbeheerder.

  • 4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Hoofdstuk 3 (Gereserveerd)

Hoofdstuk 4 Aanwijzing van gemeentelijk monument, gemeentelijk archeologisch monument, beschermd stads- of dorpsgezicht

Artikel 4.1 Doel van aanwijzen gemeentelijk cultureel erfgoed
  • 1. Het doel van de regels in dit hoofdstuk van deze verordening is het behouden en beschermen van (onroerend) cultureel erfgoed dat van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis of van uitzonderlijke schoonheid is en dat onvervangbaar is. Door de aanwijzing als gemeentelijk monument, archeologisch monument of beschermd stads- of dorpsgezicht krijgt het betreffende erfgoed een beschermde status.

  • 2. Dit artikel heeft als juridische grondslag artikel 3.16 en 9.1 van de Erfgoedwet.

Artikel 4.2 (Voornemen tot) aanwijzing als gemeentelijk monument
  • 1. Burgemeester en wethouders kunnen een monument of archeologisch monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aanwijzen als gemeentelijk monument of als gemeentelijk archeologisch monument.

  • 2. Burgemeester en wethouders zenden het voornemen tot aanwijzing voor advies aan de Adviescommissie als bedoeld in artikel 1.8 van deze verordening.

  • 3. Burgemeester en wethouders maken een voornemen tot aanwijzing schriftelijk bekend aan alle zakelijke gerechtigden op de onroerende zaak voor zover die vermeld staan in de openbare registers als bedoeld in artikel 8 van de Kadasterwet.

  • 4. Onverminderd het bepaalde in lid 2 en 3 wordt bij een kerkelijk monument over het voornemen tot aanwijzing overleg gevoerd met de eigenaar.

  • 5. De aanwijzing bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijke monument, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijke monument.

  • 6. Dit artikel is niet van toepassing op:

    • a.

      rijksmonumenten en rijks archeologische monumenten, die zijn aangewezen op grond van artikel 3.1 van de Erfgoedwet en

    • b.

      provinciale monumenten en provinciale archeologische monumenten, die zijn aangewezen op grond van de Omgevingsverordening NH2020.

Artikel 4.3 Voorbescherming
  • 1. Artikel 2.8 van deze verordening is van overeenkomstige toepassing op het monument of archeologisch monument ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 4.2 van deze verordening is bekendgemaakt.

  • 2. De voorbescherming vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister of op het moment waarop het aanwijzingsbesluit wordt herroepen of door de bestuursrechter wordt vernietigd.

Artikel 4.4 Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit
  • 1. Op een aanvraag om aanwijzing dient te worden besloten binnen 26 weken na ontvangst van de aanvraag.

  • 2. De aanwijzing bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijk monument, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijk monument.

Artikel 4.5 Bekendmaking aanwijzingsbesluit en inschrijving erfgoedregister
  • 1. Burgemeester en wethouders maken de aanwijzing schriftelijk bekend aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers als bedoeld in artikel 8 eerste lid van de Kadasterwet.

  • 2. Zodra de aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt deze opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister.

Artikel 4.6 Voorlopige aanwijzing als gemeentelijk monument
  • 1. In een spoedeisend geval kunnen burgemeester en wethouders een monument of archeologisch monument voorlopig aanwijzen als gemeentelijk monument of als gemeentelijk archeologisch monument. In afwijking van artikel 4.2 wordt in dat geval aan de adviescommissie als bedoeld in artikel 1.8 van deze verordening advies gevraagd over de vastgestelde voorlopige aanwijzing als gemeentelijk monument of gemeentelijk archeologisch monument.

  • 2. De voorlopige aanwijzing vervalt als burgemeester en wethouders een besluit hebben genomen over de definitieve aanwijzing.

  • 3. De artikelen 4.3 tot en met 4.5 van deze verordening zijn van overeenkomstige toepassing op deze aanwijzing.

  • 4. Artikel 2.8 van deze verordening is van overeenkomstige toepassing vanaf het moment dat belanghebbenden schriftelijk in kennis zijn gesteld over de voorlopige aanwijzing.

Artikel 4.7 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk monument
  • 1. Burgemeester en wethouders kunnen de aanwijzing als bedoeld in de artikelen 4.2 en 4.6 van deze verordening wijzigen.

  • 2. Burgemeester en wethouders zenden het voornemen tot wijziging van de aanwijzing voor advies aan de Adviescommissie als bedoeld in artikel 1.8 van deze verordening.

  • 3. Burgemeester en wethouders kunnen de aanwijzing intrekken indien het monument waarop de aanwijzing betrekking heeft, teniet is gegaan.

  • 4. Artikel 4.2 is van overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit, tenzij de wijziging naar het oordeel van burgemeester en wethouders van ondergeschikte betekenis is.

  • 5. Het wijzigen en intrekken van de aanwijzing wordt verwerkt in het gemeentelijk erfgoedregister.

  • 6. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het (archeologisch) monument waarop de aanwijzing betrekking heeft, wordt aangewezen als rijks (archeologisch) monument of provinciaal (archeologisch) monument. Het vervallen wordt verwerkt in het gemeentelijk erfgoedregister, zodra de gemeente hiervan de afschriften heeft ontvangen.

Artikel 4.8 Aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- en/of dorpsgezicht
  • 1. De gemeenteraad kan een stads- en/of dorpsgezicht aanwijzen als beschermd gemeentelijk stads- en/of dorpsgezicht, wanneer een groep van onroerende zaken van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang, hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en zich in deze groep één of meer monumenten bevinden.

  • 2. Burgemeester en wethouders zenden het voorstel voor advies aan de Adviescommissie als bedoeld in artikel 1.8 van deze verordening.

  • 3. Op een aanvraag om aanwijzing dient te worden besloten binnen 26 weken na ontvangst van de aanvraag.

  • 4. Zodra de aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt deze opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister.

  • 5. De gemeenteraad stelt ter bescherming van een aangewezen beschermd stads- en/of dorpsgezicht een bestemmingsplan vast als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening. Bij de aanwijzing van een beschermd stads- en/of dorpsgezicht kan daarvoor een termijn worden gesteld.

  • 6. Bij de aanwijzing van een beschermd stads- en/of dorpsgezicht wordt bepaald of een geldend bestemmingsplan als beschermend plan in de zin van het vorige lid kunnen worden aangemerkt of dat een beheersverordening als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening moet worden vastgesteld.

  • 7. Als een bestemmingsplan opnieuw moet worden vastgesteld als gevolg van artikel 3.1 tweede lid van de Wet ruimtelijke ordening, kan de gemeenteraad in afwijking van artikel 3.1 eerste lid van die Wet voor het desbetreffende gebied een beheersverordening als bedoeld in deze Wet vaststellen.

  • 8. Dit artikel is niet van toepassing op:

    • a.

      een door het Rijk aangewezen beschermd stads- en/of dorpsgezicht dat is aangewezen op grond van artikel 35 eerste lid van de Monumentenwet 1988;

    • b.

      een door de provincie aangewezen beschermd stads- en/of dorpsgezicht dat is aangewezen op grond van een provinciale verordening als bedoeld in artikel 2.2 eerste lid, aanhef en onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht a(verder Wabo).

Artikel 4.9 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- en/of dorpsgezicht
  • 1. De gemeenteraad kan de aanwijzing als bedoeld in artikel 4.8 wijzigen of intrekken Artikel 4.8 tweede lid en derde lid is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het stads- en/of dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft teniet is gegaan.

  • 2. Het wijzigen en intrekken van de aanwijzing wordt verwerkt in het gemeentelijk erfgoedregister.

  • 3. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop de aanwijzing betrekking heeft en wordt aangewezen als beschermd rijks stads- en/of dorpsgezicht of als beschermd provinciaal stads- en/of dorpsgezicht. Het vervallen wordt verwerkt in het gemeentelijk erfgoedregister zodra de gemeente hiervan de afschriften heeft ontvangen.

Hoofdstuk 5 Regels voor activiteiten

Afdeling 5.1 Omgevingsvergunning voor het bouwen

Artikel 5.1 Op wie van toepassing

Dit hoofdstuk is van toepassing op degene die de betrokken activiteit verricht of laat verrichten, tenzij anders is bepaald.

Afdeling 5.2 Bodem

-

Artikel 5.2 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem
  • 1. Het is verboden een bouwwerk te bouwen op een bodem die zodanig verontreinigd is dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers als:

    • a.

      daarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven;

    • b.

      dat het bouwwerk de grond raakt en voor dat bouwen een omgevingsvergunning vereist is of

    • c.

      het bestaande rechtmatige gebruik van het bouwwerk wijzigt en voor dat bouwen een omgevingsvergunning vereist is.

  • 2. Het verbod is niet van toepassing als burgemeester en wethouders aan de omgevingsvergunning voor het bouwen van het betrokken bouwwerk voorschriften en beperkingen verbinden waarmee naar hun oordeel uit het bodemonderzoeksrapport, als bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht, uit andere onderzoeksresultaten of uit het goedgekeurde bodemsaneringsplan, als bedoeld in artikel 39 van de Wet bodembescherming blijkt dat daarmee de bodem geschikt kan worden gemaakt voor het bouwen van een bouwwerk.

Artikel 5.3 Onderzoek
  • 1. Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit:

    • a.

      de resultaten van een recent milieu hygiënisch bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740, vigerende uitgave 2009, in overeenstemming met de van toepassing zijnde onderzoekstrategie;

    • b.

      indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707, vigerende uitgave.

  • 2. De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4, onder d van de Regeling omgevingsrecht, geldt niet indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit omgevingsrecht artikelen 2 en 3 van bijlage II.

  • 3. Het college van burgemeester en wethouders staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport bedoeld in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht toe, indien voor toepassing van artikel 2.4.1 bij het college van burgemeester en wethouders reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.

  • 4. Het college van burgemeester en wethouders kan gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.5, onder d van de Regeling omgevingsrecht toestaan voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingstermijn, als bedoeld in artikel 2.23 Wabo en van het Besluit omgevingsrecht, indien uit het in NEN 5725, vigerende uitgave, bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740, vigerende uitgave, niet rechtvaardigen.

  • 5. Het bodemonderzoek wordt uitgevoerd voorafgaand aan eventuele sloop van gebouwen. Indien het bodemonderzoek pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt maar voordat met de bouw wordt begonnen.

Artikel 5.4 Vangnet archeologie
  • 1. Het is verboden de bodem te verstoren in een archeologisch monument of een gebied waar archeologische vondsten worden verwacht als in het daar vigerende bestemmingsplan niet is voldaan aan artikel 3.1.6, vijfde lid, van het Besluit ruimtelijke ordening, tenzij:

    • a.

      voor de activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste of tweede lid, van de Wabo is verleend;

    • b.

      het de verstoring betreft van een archeologisch monument of verwachtingsgebied dat is aangegeven op de gemeentelijke archeologische waarden- en verwachtingenkaart, de provinciale archeologische monumentenkaart of de landelijke indicatieve kaart van archeologische waarden en het verrichten van de activiteiten geen strijd oplevert met door het college van burgemeester en wethouders vastgestelde regels over de toegestane mate van verstoring;

    • c.

      de activiteit plaatsvindt op basis van een deugdelijke beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden en onevenredige schade voor archeologische waarden wordt voorkomen, of een vooronderzoek is overlegd waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat:

      • I.

        het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd;

      • II.

        de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad of

      • III.

        in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn.

  • 2. Bij een opgravend onderzoek moet het daarvoor op te stellen Programma van Eisen altijd vooraf worden goedgekeurd door het college van burgemeester en wethouders.

  • 3. Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels stellen over het verrichten van archeologisch onderzoek.

Artikel 5.5 Aanwijsbevoegdheid Interferentiegebieden

Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd interferentiegebieden aan te wijzen en vast te stellen. Ook is het college van burgemeester en wethouders bevoegd de grenzen van een interferentiegebied te wijzigen en opnieuw vast te stellen. Dit ter voorkoming van interferentie tussen gesloten of open bodemenergiesystemen onderling of anderszins ter bevordering van een doelmatig gebruik van bodemenergie.

Afdeling 5.3 Ondergrondse infrastructuur

Artikel 5.6 Toepasselijkheid kabels en leidingen
  • 1. Deze afdeling is van toepassing op werkzaamheden die door of namens een netbeheerder plaatsvinden binnen de gemeente Medemblik

  • 2. Het bepaalde in deze afdeling geldt niet voor zover hierin reeds is voorzien in de Telecommunicatiewet of privaatrechtelijke overeenkomsten.

Artikel 5.7 Nadere regels
  • 1. Het college van burgemeester en wethouders kan ter uitvoering van deze afdeling nadere regels vaststellen.

  • 2. Deze nadere regels hebben in ieder geval betrekking op:

    • a.

      openbare orde en veiligheid;

    • b.

      het tijdstip, de plaats en de wijze van uitvoering van werkzaamheden;

    • c.

      het bevorderen van het medegebruik van voorzieningen;

    • d.

      ondergrondse ordening, planning en coördinatie van werkzaamheden;

    • e.

      nadeelcompensatie in geval van het nemen van maatregelen ten aanzien van kabels en leidingen;

    • f.

      de te verstrekken gegevens alsmede over de wijze waarop die moeten worden verstrekt;

    • g.

      de verrekening van herstel-, beheer- en degeneratiekosten;

    • h.

      het al dan niet toestaan van de aanleg van een netwerk dat niet valt onder het begrip openbaar netwerk.

Artikel 5.8 Instemmingsvereiste
  • 1. Het is verboden werkzaamheden te verrichten zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders genomen instemmingsbesluit.

  • 2. Voor het verrichten van spoedeisende werkzaamheden of werkzaamheden van niet ingrijpende aard is geen instemmingsbesluit, als bedoeld in het eerste lid, noodzakelijk, maar kan worden volstaan met een door burgemeester en wethouders goedgekeurde melding. De raad is bevoegd om redenen van veiligheid delen van het grondgebied aan te wijzen waarvoor het voorgaande niet van toepassing is.

  • 3. De werkzaamheden moeten binnen een jaar na de datum waarop het instemmingsbesluit onherroepelijk is geworden zijn voltooid.

  • 4. De werkzaamheden van niet ingrijpende aard moeten binnen het in de goedgekeurde melding bepaalde tijdvak zijn voltooid.

  • 5. Het in het eerste lid opgenomen verbod is niet van toepassing op werkzaamheden van de gemeente.

  • 6. Behoudens in geval van spoedeisende werkzaamheden zijn bij weersomstandigheden, waarbij de uitvoering van de werkzaamheden tot overlast of gevaar voor de bewoners en/of schade voor de gemeente kan leiden, burgemeester en wethouders bevoegd een breekverbod in te stellen. De vaststelling dat er sprake is van deze weersomstandigheden is een bevoegdheid van burgemeester en wethouders.

    Tijdens de door de gemeente vergunde evenementen geldt altijd een breekverbod. De termijnen zoals bedoeld in het derde en vierde lid worden automatisch verlengd met de periode van het breekverbod. Uiterlijk een dag voor beëindiging van het breekverbod, zullen burgemeester en wethouders de betrokken uitvoerende partij(en) hierover informeren.

Artikel 5.9 Aanvragen en melden
  • 1. Voor het uitvoeren van de werkzaamheden dient een instemmingsbesluit bij burgemeester en wethouders te worden aangevraagd.

  • 2. In verband met de voorgenomen werkzaamheden kan vooroverleg plaatsvinden met burgemeester en wethouders om de aanvraag, als bedoeld in het eerste lid, voor te bereiden.

  • 3. Als de werkzaamheden ook betrekking hebben op openbare gronden van een andere gedoogplichtige of grondeigenaar dan de gemeente en/of als er een aanvraag voor een vergunning al dan niet bij een ander bestuursorgaan op grond van een andere wet is ingediend, dan stelt de aanvrager burgemeester en wethouders hiervan op de hoogte.

  • 4. Werkzaamheden van niet ingrijpende aard of de aanvang van werkzaamheden moet(en) twee werkdagen voorafgaand aan de aanvang van de werkzaamheden gemeld worden bij burgemeester en wethouders.

  • 5. Spoedeisende werkzaamheden moeten voorafgaand aan de aanvang van de werkzaamheden gemeld worden bij burgemeester en wethouders of bij een daartoe door hen gemachtigd ambtenaar. Als een melding vooraf niet mogelijk is, moet de melding uiterlijk binnen een werkdag na de aanvang van de uitvoering gemotiveerd worden gedaan.

Artikel 5.10 Gegevensverstrekking
  • 1. Voor het aanvragen van een instemmingsbesluit dient gebruik te worden gemaakt van daartoe door het college van burgemeester en wethouders vastgestelde (digitale) formulieren en/of registratiesysteem.

  • 2. Bij een aanvraag voor een instemmingsbesluit dienen de volgende gegevens te worden verstrekt:

    • a.

      naam-, adres- en woonplaatsgegevens van de netbeheerder;

    • b.

      als het een aanvraag betreft voor het verrichten van werkzaamheden voor of namens een netbeheerder de naam-, adres- en woonplaatsgegevens van de gemachtigde en een schriftelijke machtiging bij de eerste aanvraag van enig kalenderjaar;

    • c.

      een opgave van het aantal, de soort, de aard en het beoogde gebruik van de kabels en/of leidingen;

    • d.

      vereiste vergunning(en), ontheffing(en) of toestemming(en) op grond van overige wetgeving, alsmede informatie over de afstemming met andere gedoogplichtigen, grondeigenaren en/of beheerders van openbare gronden;

    • e.

      een digitale tekening (PDF- en/of DWG-formaat) met BGT ondergrond legenda en eenduidige en volledige maatvoering (RD-coördinaten) met daarop aangegeven:

      • 1.

        een opgave van het gewenste tracé;

      • 2.

        een opgave van de tijdelijke en permanente voorzieningen;

      • 3.

        een opgave van de te plaatsen bovengrondse voorzieningen.

    • f.

      overtuigende gegevens en inzicht omtrent de uitvoerbaarheid van de voorgenomen werkzaamheden waaruit blijkt:

      • 1.

        binnen de beschikbare ruimte aangelegd wordt;

      • 2.

        dat de bereikbaarheid van de overige kabels en/of leidingen blijft gewaarborgd;

      • 3.

        dat de vereisten voor het passeren van groenvoorzieningen gewaarborgd blijven.

    • g.

      de tracélengte en de lengte en breedte van de te graven sleuf, alsmede de aard van de sleufbedekking die wordt opengebroken;

    • h.

      de voorgenomen datum van aanvang en beëindiging van de werkzaamheden;

    • i.

      een opgave van het aantal kabels en/of leidingen dat direct in gebruik wordt genomen en het aantal kabels en/of leidingen dat niet direct in gebruik wordt genomen;

    • j.

      indien de gemeente de coördinaten van de zich in het tracé bevindende (monumentale) bomen aanlevert, dan moet de netbeheerder deze (inclusief de kroonprojectie) op de instemmingstekening weergeven.

  • 3. Voor een melding, als bedoeld in artikel 5.8, tweede lid, dient gebruik te worden gemaakt van het door burgemeester en wethouders vastgestelde (digitale) formulieren en/of registratiesysteem. De volgende gegevens moeten daarbij in ieder geval worden verstrekt:

    • a.

      naam-, adres- en woonplaatsgegevens van de netbeheerder;

    • b.

      als het een melding betreft voor het verrichten van werkzaamheden voor of namens een netbeheerder de naam-, adres- en woonplaatsgegevens van de gemachtigde en een schriftelijke machtiging bij de eerste aanvraag van enig kalenderjaar;

    • c.

      de uitvoerende partij, het adres van de graaflocatie(s), inclusief een situatieschets;

    • d.

      de lengte en breedte van de sleuf of montagegat(en), alsmede de aard van de sleufbedekking die wordt opengebroken;

    • e.

      de datum van aanvang en beëindiging van de werkzaamheden;

  • In geval van spoedeisende werkzaamheden moeten tevens worden verstrekt:

    • f.

      de aanduiding van de spoedeisende aard van de werkzaamheden;

    • g.

      de omschrijving van de werkzaamheden die zijn uitgevoerd.

Artikel 5.11 Voorschriften bij instemmingsbesluit
  • 1. Burgemeester en wethouders kunnen in het instemmingsbesluit voorschriften opnemen in het belang van:

    • a.

      de openbare orde;

    • b.

      veiligheid, waaronder mede verstaan wordt de verkeersveiligheid;

    • c.

      het voorkomen of beperken van overlast, waaronder mede verstaan wordt het afstemmen met andere werkzaamheden, een goede doorstroming van het verkeer en de bescherming van groenvoorzieningen en van het uiterlijke aanzien van de omgeving;

    • d.

      de bereikbaarheid van gronden of gebouwen, waaronder mede verstaan wordt het veilig en doelmatig gebruik, beheer, en onderhoud van openbare gronden en gebouwen en het belang van evenementen;

    • e.

      de ondergrondse ordening, waaronder mede verstaan wordt het beschermen van reeds in de grond aanwezige werken en eventuele in de grond aanwezige objecten.

  • 2. De voorschriften, zoals genoemd in het eerste lid, kunnen slechts betrekking hebben op:

    • a.

      het tijdstip, de plaats en wijze van uitvoering van werkzaamheden;

    • b.

      het bevorderen van medegebruik van voorzieningen die door derden of de gemeente tegen marktconforme kosten ter beschikking worden gesteld;

    • c.

      afstemming met betrekking tot overige in de grond aanwezige werken.

  • 3. De belanghebbenden ter plaatse van de uit te voeren werkzaamheden moeten schriftelijk worden geïnformeerd over aanvang, duur, aard en plaats van de werkzaamheden.

  • 4. Het is verplicht na het einde van de werkzaamheden de grond, eventuele verhardingen en groenvoorzieningen terug te brengen in de oude staat, tenzij burgemeester en wethouders vooraf hebben aangegeven hier (gedeeltelijk) zelf zorg voor te willen dragen.

Artikel 5.12 (Mede)gebruik van voorzieningen
  • 1. Op verzoek van burgemeester en wethouders wordt bij de werkzaamheden zoveel mogelijk (mede)gebruik gemaakt van bestaande, hetzij door overige netbeheerders dan wel door of in opdracht van burgemeester en wethouders aangelegde, voorzieningen voor zover dit technisch en economisch haalbaar is en medegebruik geen belemmering vormt voor de veiligheid, toegankelijkheid en leveringszekerheid.

  • 2. Indien de voorziening in eigendom is van de gemeente dan is voor het medegebruik schriftelijk toestemming van de gemeente vereist.

  • 3. In het vooroverleg als bedoeld in artikel 5.15, tweede lid, wordt mede bepaald of en, zo ja, langs welke delen van het tracé gebruik kan worden gemaakt van bestaande voorzieningen als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 5.13 Termijnen
  • 1. De beslissing op een aanvraag voor een instemmingsbesluit wordt genomen uiterlijk acht weken na de dag van ontvangst van de aanvraag.

  • 2. Indien een instemmingsbesluit niet binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn kan worden genomen, delen burgemeester en wethouders dit aan de aanvrager mede en noemen daarbij een zo kort mogelijke termijn waarbinnen het instemmingsbesluit wel genomen kan worden.

  • 3. De goedkeuring op een melding voor werkzaamheden van niet ingrijpende aard wordt genomen binnen twee werkdagen.

  • 4. De goedkeuring op een melding voor spoedeisende werkzaamheden volgt, met in acht name van het bepaalde in artikel 5.18, tweede lid, uiterlijk twee werkdagen nadat de melding is gedaan.

  • 5. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

Artikel 5:14 Het nemen van maatregelen en nadeelcompensatie
  • 1. De netbeheerder is verplicht op verzoek van burgemeester en wethouders over te gaan tot het nemen van maatregelen, waaronder het verplaatsen, ten aanzien van kabels en/of leidingen ten dienste van zijn netwerk.

  • 2. Eventuele nadeelcompensatie in verband met het bepaalde in het eerste lid wordt verleend op basis van een publiekrechtelijke regeling.

  • 3. Burgemeester en wethouders en de netbeheerder zullen bij het nemen van maatregelen, waaronder het verplaatsen, ten aanzien van kabels en/of leidingen elkaars schade zo veel mogelijk beperken.

Artikel 5.15 Overleg
  • 1. Burgemeester en wethouders organiseren periodiek een overleg, waarvoor in elk geval de bij de gemeente bekende netbeheerders en andere betrokken partijen of belanghebbenden worden uitgenodigd.

  • 2. In dit overleg worden de plannen van de gemeente en van de diverse netbeheerders en andere betrokken partijen of belanghebbenden besproken en afgestemd in het kader van de bepalingen van deze verordening.

  • 3. Burgemeester en wethouders stemmen af met de betrokken netbeheerders indien gronden verkocht worden waar (mogelijk) kabels en leidingen in liggen.

Artikel 5.16 Niet openbaar netwerk
  • 1. Deze afdeling houdt geen gedoogplicht in voor de gemeente met betrekking tot een netwerk dat niet valt onder het begrip openbaar netwerk.

  • 2. Bij werkzaamheden aan een netwerk dat niet valt onder het begrip openbaar netwerk, is het bepaalde in deze afdeling van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5.17 Informatieplicht
  • 1. De netbeheerder stelt burgemeester en wethouders onverwijld en schriftelijk in kennis van het in of uit gebruik nemen van een kabel en/of leiding. Dit geldt ook als een kabel en/of leiding niet langer ten dienste staat van een netwerk in of op openbare gronden. Burgemeester en wethouders kunnen hiervoor een overzicht van alle (niet) in gebruik zijnde kabels en/of leidingen verlangen.

  • 2. De netbeheerder stelt burgemeester en wethouders in kennis van het feit dat het eigendom, de exploitatie of het beheer van de kabel of leiding verandert.

Artikel 5.18 Toezicht en handhaving
  • 1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de bij besluit van burgemeester en wethouders aangewezen personen.

  • 2. Indien burgemeester en wethouders vaststellen dat de verplichtingen van deze verordening niet zijn nagekomen, kunnen burgemeester en wethouders besluiten handhavend op te treden dan wel legalisatie achteraf van de ontstane situatie verlangen met inachtneming van de bepalingen zoals vastgelegd in de Algemene wet bestuursrecht. Indien blijkt dat de uitgevoerde werkzaamheden zijn gemeld maar dat hiervoor een instemmingsbesluit is vereist, is dit artikel van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid en hun overige wettelijke bevoegdheden zijn burgemeester en wethouders bevoegd, met kennisgeving vooraf aan de netbeheerder, het instemmingsbesluit in te trekken of de werkzaamheden stil te leggen indien:

    • a.

      er wordt gewerkt in afwijking van de voorschriften van het instemmingsbesluit;

    • b.

      het instemmingsbesluit is verleend ten gevolge van onjuiste of onvolledige gegevens;

    • c.

      het instemmingsbesluit in strijd met enig wettelijk voorschrift is verleend;

    • d.

      er wordt gewerkt in afwijking van de nadere regels;

    • e.

      er wordt gewerkt in strijd met het geldende breekverbod.

Afdeling 5.4 Hemel- en grondwater

Artikel 5.19 Plicht tot afkoppelen
  • 1. Bij het oprichten van een nieuw hoofdgebouw op een perceel geldt:

    • a.

      indien het betreffende perceel grenst aan het oppervlaktewater, het hemelwater hierop moet worden geloosd;

    • b.

      het hemel- en grondwater gescheiden van het overige water moet worden aangeleverd aan de perceelgrens, als het niet op eigen terrein kan worden verwerkt.

  • 2. Bij het veranderen van een bestaand hoofdgebouw op een perceel geldt:

    • a.

      het college kan een gebied aanwijzen waarbinnen het verboden is een hemelwaterafvoerleiding aan te sluiten of aangesloten te houden op het openbaarvuilwaterriool. Eenzelfde gebiedsaanwijzing kan door het college worden gedaan ten aanzien van het vrijkomende grondwater bij drainage, oppompen of andere vormen van onttrekkingen

  • 3. Indien het college een gebied als bedoeld in het tweede lid onder a aanwijst geldt:

    • a.

      het college kan de wijze bepalen waarop het afkoppelen plaatsvindt;

    • b.

      bij het vaststellen van de gebiedsaanwijzing houdt het college rekening met het gemeentelijk rioleringsplan;

    • c.

      de gebiedsaanwijzing treedt in werking met ingang van de 12de week na de dag waarop zij bekend is gemaakt;

    • d.

      het college kan ontheffing verlenen van de verplichting tot afkoppelen die voortvloeit uit de gebiedswijziging, indien van de eigenaar van het bouwwerk,   open erf of terrein redelijkerwijs geen andere wijze van afvoer van het   hemelwater kan worden gevergd;

    • e.

      op de voorbereiding van de gebiedsaanwijzing is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing.

  • 4. Op een drukriool mag geen hemelwater en/of drainagewater worden aangesloten. Drukriolering kan daarmee worden beschouwd als een aangewezen gebied als bedoeld in het  tweede lid onder a.

Hoofdstuk 6 Omgevingshinder

Afdeling 6.1 Geurhinder (veehouderijen)

Artikel 6.1 Aanwijzing gebieden
  • 1. Als deelgebied A van het grondgebied als bedoeld in artikel 6, tweede en derde lid van de Wet geurhinder en veehouderij (verder Wgv) wordt aangewezen de gebieden binnen de bebouwde kom, gesplitst in een deelgebied A1 (woongebieden met een stedelijk karakter) en een deelgebied A2 (woongebieden met een landelijk karakter).

  • 2. Als deelgebied B van het grondgebied als bedoeld in artikel 6, derde lid van de Wgv wordt aangewezen het gehele gebied buiten de bebouwde kom binnen de gemeente Medemblik.

  • 3. Voor de aangewezen gebieden zoals aangegeven in het eerste en tweede lid, wordt verwezen naar de kaart in bijlage 2 behorende bij deze verordening.

Artikel 6.2 Andere waarden voor de afstand
  • 1. In afwijking van artikel 4, eerste lid, van de Wgv bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object:

    in het deelgebied A2 ten minste 50 meter, mits:

    • a.

      het rundvee ten minste 120 dagen en minimaal zes uur per dag weidegang krijgt, of het rundvee wordt gehuisvest in een emissiearm dierenverblijf, dat voldoet aan de maximale emissiewaarde als bedoeld in het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij;

    • b.

      niet meer dan 200 stuks rundvee, exclusief bijbehorend jongvee, of 50 overige landbouwhuisdieren worden gehouden.

  • in het deelgebied B ten minste 25 meter, mits:

    • a.

      bij een uitbreiding van het bestaand huisvestingssysteem het aantal dierplaatsen voor melkrundvee als gevolg van de uitbreiding met niet meer dan 20 toeneemt ten opzichte van het aantal dat aanwezig was vóór 1 januari 2007;

    • b.

      in de inrichting uitsluitend rundvee in een bestaand huisvestingssysteem wordt gehouden of ten hoogste 50 overige landbouwhuisdieren.

  • 2. Onverminderd bestaande rechten krachtens de milieuwetgeving geldt in afwijking van artikel 4.1 van de Wgv een afstand tussen een rundveehouderij met meer dan 200 stuks rundvee en een geurgevoelig object zoals weergegeven in onderstaande tabel:

    Aantal stuks rundvee (exclusief bijbehorend jongvee)

    201 - 250

    251 - 300

    301 - 350

    Minimaal vereiste afstand tot geurgevoelig object in deelgebied A1

    125 m

    150 m

    175 m

    Minimaal vereiste afstand tot geurgevoelig object in deelgebied A2 indien voldaan wordt aan de eisen van artikel 6.2, lid 1 onder a van deze verordening

    75 m

    100 m

    125 m

    Minimaal vereiste afstand tot geurgevoelig object in deelgebied B als niet voldaan wordt aan de eisen van artikel 6.2, lid 1 onder a van deze verordening

    75 m

    100 m

    125 m

    Indien meer dan 350 stuks rundvee (exclusief bijbehorend jongvee) worden gehouden, moeten de afstanden in de laatste kolom voor iedere verhoging met maximaal 50 stuks rundvee met 25 meter worden vergroot.

Afdeling 6.2 Geluidhinder

Artikel 6.3 Aanwijzing collectieve festiviteiten
  • 1. De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19, 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 6.6 van deze verordening gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

  • 2. Het college kan voorwaarden stellen aan de festiviteiten ter voorkoming of beperking van geluidhinder.

  • 3. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

  • 4. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in één of meer kernen van de gemeente Medemblik.

  • 5. Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.

  • 6. Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.

  • 7a. Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr, LT veroorzaakt door de inrichting bedraagt tot 01.00 uur niet meer dan 60 dB(A) en na 01.00 uur niet meer dan 40 dB(A) gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.

  • 7b. Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr, LT veroorzaakt door de inrichting bedraagt tot 01.00 uur niet meer dan 45 dB(A)en na 01.00 uur niet meer dan 25 dB(A), gemeten binnen woningen.

  • 8a. Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LCr, LC veroorzaakt door de inrichting, bedraagt tot 01.00 uur niet meer dan 70 dB(C) en na 01.00 uur niet meer dan 50 dB(C), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.

  • 8b Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LCr, LC veroorzaakt door de inrichting bedraagt tot 01.00 uur niet meer dan 55 dB(C) en na 01.00 uur niet meer dan 35 dB(C), gemeten binnen woningen.

  • 9. De geluidswaarde als bedoeld in lid 7a, 7b, 8a en 8b is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.

  • 9a. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid, dient het ten gehore brengen van extra muziek, hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 6.6 van deze verordening, uiterlijk om 00.00 uur beëindigt dan wel het tijdstip zoals opgenomen in de ontheffingsvoorschriften op grond van artikel 2:29, lid 3 van de Algemene plaatselijke verordening, te worden beëindigd.

  • 10. Bij het ten gehore brengen van muziekgebruik blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen en goederen.

Artikel 6.4 Aanwijzing incidentele festiviteiten
  • 1. Het is een inrichting in de kern Medemblik toegestaan op maximaal 6 dagen of dagdelen incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden, waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 6.6 van deze verordening niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.

  • 2. Voor de overige kernen in de gemeente Medemblik geldt een maximum van 12 dagen of dagdelen individuele festiviteiten per kalenderjaar.

  • 3. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 12 dagen of dagdelen incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit daarvan het college in kennis heeft gesteld.

  • 4. De directeur van de Omgevingsdienst Noord-Holland-Noord stelt een formulier vast voor het doen van de melding.

  • 5. Aan de kennisgeving wordt voldaan, wanneer het formulier, volledig en naar waarheid is ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats die aangegeven staat op het formulier.

  • 6. Aan de kennisgeving wordt tevens geacht te zijn voldaan, wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die rederlijkwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.

  • 7a. Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr, LT veroorzaakt door de inrichting bedraagt tot 01.00 uur niet meer dan 60 dB(A) en na 01.00 uur niet meer dan 40 dB(A), gemeten op de gevel van geluidgevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.

  • 7b. Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr, LT veroorzaakt door de inrichting bedraagt tot 01.00 uur niet meer dan 45 dB(A) en na 01.00 uur niet meer dan 25 dB(A) gemeten binnen woningen.

  • 8a. Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LCr, LC veroorzaakt door de inrichting, bedraagt tot 01.00 uur niet meer dan 70 dB(C) en na 01.00 uur niet meer dan 50 dB(C), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.

  • 8b. Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LCr, LC veroorzaakt door de inrichting bedraagt tot 01.00 uur niet meer dan 35 dB(C) en na 01.00 uur niet meer dan 55 dB(C).

  • 9. De geluidswaarde als bedoeld in lid 7a, 7b, 8a en 8b is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.

  • 9a. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2:17, 2:19 en 2:20 van het Besluit en artikel 6.6 van deze verordening uiterlijk om 00.00 uur dan wel het tijdstip zoals is opgenomen in de ontheffingsvoorschriften op grond van artikel 2:29 lid 3 van de Algemene plaatselijke verordening te worden beëindigd.

  • 10. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen en goederen.

Artikel 6.5 Geluidsplafond

Het college van burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen ter voorkoming of beperking van geluidshinder bij collectieve- of incidentele festiviteiten.

Artikel 6.6 Het ten gehore brengen van onversterkte muziek
  • 1. Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onder f, en vijfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer binnen inrichtingen is de onder e opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat:

    • a.

      de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden als de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen;

    • b.

      de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij geluidsgevoelige terreinen op de grens van het terrein;

    • c.

      de waarden in in- en aanpandige geluidsgevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder en verblijfsruimten als bedoeld in artikel 1.1, onder d, van het Besluit geluidhinder;

    • d.

      bij het bepalen van de geluidsniveaus als vermeld in onderstaande tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast.

    • e.

      Tabellen

      Lar LT

       

      7.00 - 19.00 uur

      19.00 - 23.00 uur

      23.00 - 7.00 uur

      LAr, LT op de gevel van gevoelige gebouwen

      50 dB(A)

      45 dB(A)

      40 dB(A)

      LAr, LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen

      35 dB(A)

      30 dB(A)

      25 dB(A)

      LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen

      70 dB(A)

      65 dB(A)

      60 dB(A)

      LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen

      55 dB(A)

      50 dB(A)

      45 dB(A)

      LCr LC

       

      7.00 - 19.00 uur

      19.00 - 23.00 uur

      23.00 - 7.00 uur

      LCr, LC op de gevel van gevoelige gebouwen

      60 dB(C)

      55 dB(C)

      50 dB(C)

      LCr, LC in in- en aanpandige gevoelige gebouwen

      45 dB(C)

      40 dB(C)

      35 dB(C)

      LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen

      80 dB(C)

      75 dB(C)

      70 dB(C)

      LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen

      65 dB(C)

      60 dB(C)

      55 dB(C)

  • 2. Voor de duur van 6 uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid.

  • 3. Als versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing.

  • 4. Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in de artikelen 6.3 en 6.4 van deze verordening.

Artikel 6.7 Geluidhinder door geluidsapparaat, machine of handelingen in de openlucht.
  • 1. Het is verboden in de openlucht een geluidsapparaat, of machine in werking te hebben of handelingen te verrichten die voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder veroorzaken.

  • 2. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod.

  • 3. Onverkort het gestelde in dit artikel of in de ontheffing, wordt bij het uitvoeren van bouw- of sloopwerkzaamheden gebruik gemaakt van de best beschikbare stille technieken.

  • 4. Het verbod is niet van toepassing op wegonderhoud of onderhoud aan spoorwegen onder de voorwaarden dat:

    • a.

      deze werkzaamheden niet langer dan vijf dagen duren;

    • b.

      de omwonenden tijdig op de hoogte zijn gebracht van de mogelijke geluidhinder en

    • c.

      de geluidimmissie op de gevel van het dichtstbijzijnde geluidsgevoelige gebouw tussen 19.00 uur en 07.00 uur niet meer bedraagt dan 75 Lar, LT in dB(A).

  • 5. Het verbod is niet van toepassing op inrichtingen, die daarvoor een vergunning hebben.

  • 6. Het verbod is niet van toepassing op de bedrijfsmatige bouw- of sloopwerkzaamheden.

  • 7. Het verbod is niet van toepassing voor zover in het onderwerp wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Bouwbesluit 2012 of bij een besluit waar specifieke regels zijn gesteld over de maximaal toegestane geluidsbelasting.

Artikel 6.7a Geluidhinder van knalapparaten
  • 1. Het is verboden om zonder voorafgaande melding aan het bevoegd gezag knalapparaten te gebruiken om vogels en wild te verjagen;

  • 2. Het college kan nadere regels vaststellen ten aanzien van de melding;

  • 3. Het college kan een ontheffing verlenen indien niet aan de vereisten van een melding kan worden voldaan.

Artikel 6.8 Geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen

Het is verboden buiten een inrichting zich met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te gedragen, dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder ontstaat.

Artikel 6.9 Overige geluidhinder
  • 1. Het is verboden buiten een inrichting in de openlucht een geluidsapparaat, toestel of machine in werking te hebben op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

  • 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  • 3. Het college kan terreinen of wateren aanwijzen waar het verbod niet van toepassing is op het in werking hebben van bepaalde in de aanwijzing aangewezen categorieën van geluidsapparaten, toestellen of machines, voor zover wordt voldaan aan de door het college vast te stellen voorschriften ter voorkoming of beperking van geluidhinder.

  • 4. De in het derde lid bedoelde voorschriften kunnen onder meer betrekking hebben op:

    • a.

      het maximale geluidsniveau;

    • b.

      de situering van geluidsbronnen en

    • c.

      de frequentie en tijden van gebruik.

  • 5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Bouwbesluit 2012 of de Omgevingsverordening NH2020.

Afdeling 6.3 Lichthinder (Gereserveerd)

Afdeling 6.4 Vuur(werk)

Artikel 6.10 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden.

Artikel 6.11 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling
  • 1. Het is enkel toegestaan om consumentenvuurwerk te gebruiken tussen 31 december 18:00 uur en 1 januari 02:00 uur van het daarop volgende jaar, tenzij het op een door het college in het belang van het voorkomen van gevaar, hinder en overlast aangewezen vuurwerkvrijezone plaatsvindt.

  • 2. Het is verboden om consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, hinder of schade kan veroorzaken.

  • 3. Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1º van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 6.12 Verbod carbidschieten
  • 1. Het schieten met carbid is verboden.

  • 2. Het college kan, ter voorkoming van gevaar, schade of overlast, of in het belang van de natuurbescherming, plaatsen in de gemeente aanwijzen waar het eerste lid niet van toepassing is.

Artikel 6.13 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken
  • 1. Ter bescherming van de gezondheid, veiligheid en natuur is het verboden om zonder omgevingsvergunning in de openlucht afvalstoffen te verbranden, buiten een milieubelastende activiteit in de zin van de Wet milieubeheer, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.

  • 2. Het verbod, als bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op:

    • a.

      verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;

    • b.

      sfeervuren zoals terrashaarden, vuurkorven en vuren ten behoeve van hottubs en/of

    • c.

      vuur voor koken, bakken en braden,

      mits, geen afvalstoffen worden verbrand en er geen sprake is van gevaar, hinder en/of overlast voor de omgeving.

  • 3. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid weigeren ter bescherming van de gezondheid, veiligheid en natuur.

  • 4. Het verbod, als bedoeld in het eerste lid is (ook) niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1º en 3º, van het Wetboek van Strafrecht of de Omgevingsverordening NH2020.

Afdeling 6.5 Ontsiering en stankoverlast

Artikel 6.14 Plakken en kladden
  • 1. Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.

  • 2. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:

    • a.

      een aanpakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen of

    • b.

      met kalk, teer of een kleur- of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.

  • 3. Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing als gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.

  • 4. Het college kan plaatsen aanwijzen waar aanplakborden mogen worden geplaatst voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, mits het betreft het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen én geen handelsreclame betreft.

  • 5. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan.

Artikel 6.15 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren
  • 1. Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een milieubelastende activiteit in de zin van de Wet milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren:

    • a.

      aanwezig te hebben;

    • b.

      aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels en/of

    • c.

      aanwezig te hebben in een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven.

  • 2. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een plaats die krachtens het eerste lid is aangewezen, ontheffing verlenen van een of meer verboden in het eerste lid.

Artikel 6.16 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor er ernstige hinder ontstaat voor de omgeving of waardoor het verkeer in gevaar komt.

Hoofdstuk 7 Buitenruimte

Afdeling 7.1 Wegen

Artikel 7.1 Voorwerpen op of aan een openbare plaats
  • 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders objecten te plaatsen op of aan een openbare plaats en daarmee de openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie en bescherming daarvan.

  • 2. De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door burgemeester en wethouders als het in het eerste lid bedoelde gebruik een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2 eerste lid, onder j en k van de Wabo.

  • 3. Het verbod is niet van toepassing op:

    • a.

      evenementen als bedoeld in artikel 2:24 van de Apv;

    • b.

      overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling het gebruik van een openbare plaats is toegestaan;

    • c.

      in het onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 of de Omgevingsverordening NH2020.

  • 4. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen voor categorieën van objecten, zoals uitstallingen, reclameborden, plantenbanken, banken en laadpalen. Het verbod is niet van toepassing wanneer wordt voldaan aan de gestelde nadere regels.

  • 5. Burgemeester en wethouders kunnen een openbare plaats aanwijzen als gebied waarin geen objecten geplaatst mogen worden.

  • 6. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 7.2 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat er een onveilige fysieke leefomgeving ontstaat, het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of dat er op een andere wijze voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.

Artikel 7.3 Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg
  • 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard en breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.

  • 2. Het verbod is niet van toepassing indien de werkzaamheden zijn opgedragen door een bestuursorgaan of openbaar lichaam.

  • 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Omgevingsverordening NH2020, de Wegenverordening Hoogheemraadschap Noorder Kwartier of de Telecommunicatiewet.

  • 4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 7.4 Maken of veranderen van een uitweg
  • 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgmeester en wethouders:

    • a.

      een uitweg te maken naar de weg;

    • b.

      van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg;

    • c.

      verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg of

    • d.

      het gebruik van een uitweg te veranderen.

  • 2. De vergunning kan worden geweigerd in het belang van:

    • a.

      de bruikbaarheid van de weg;

    • b.

      het veilig en doelmatig gebruik van de weg;

    • c.

      de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving of

    • d.

      de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.

  • 3. Het verbod is niet van toepassing voor zover in het onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, Wegenverordening Hoogheemraadschap Noorder Kwartier en de Omgevingsverordening NH2020.

  • 4. Het college van burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen voor het maken en veranderen van een uitweg.

Afdeling 7.2 Water

Artikel 7.5 Voorwerpen op, in of boven openbaar water
  • 1. Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, als dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.

  • 2. Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding aan het college.

  • 3. De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp.

  • 4. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de Omgevingsverordening NH2020 of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.

Artikel 7.6 Ligplaats voor vaartuigen, niet zijnde woonschepen
  • 1. Onverminderd het bepaalde in het Binnenvaartpolitiereglement is het de rechthebbende op een vaartuig, niet zijnde een woonschip, verboden hiermee een ligplaats in te nemen buiten een steiger of een aanmeervoorziening.

  • 2. Het is verboden bij het aanmeren bij een steiger of aanmeervoorziening, zoals bedoeld in het eerste lid, overlast te veroorzaken, de verkeersvrijheid of -veiligheid, de milieuhygiëne of de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente in gevaar te brengen of aan te tasten.

  • 3. Het is verboden een ligplaats in te nemen met een vaartuig dat in de lengte meer dan 1 meter uitsteekt buiten de steiger of aanmeervoorziening.

  • 4. Indien de in het voorgaande lid bedoelde aanmeervoorziening bestaat uit een meerpaal geldt het verbod op het innemen van een ligplaats voor vaartuigen die langer zijn dan 6 meter.

  • 5. Het college van burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen voor het gebruik van een door gemeentewege gerealiseerde passantensteiger.

Artikel 7.7 Recreatie in open water
  • 1. Het is verboden zich in openbare wateren in recreatiegebieden te bevinden met een gemotoriseerd vaartuig, met uitzondering van elektrisch aangedreven vaartuigen.

  • 2. Het verbod is niet van toepassing op door het college van burgemeester en wethouders aangewezen wateren of gedeelten daarvan.

  • 3. Het verbod is niet van toepassing op gemotoriseerde vaartuigen van hulpdiensten.

Artikel 7.8 Reddingsmiddelen

Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.

Artikel 7.9 Veiligheid op het water
  • 1. Het is aan eenieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.

  • 2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Omgevingsverordening NH2020.

Artikel 7.10 Motorboten, jetski’s en waterscooters
  • 1. In verband met de veiligheid van zeilers en surfers is het verboden zich met een motorboot, jetski en waterscooter te bevinden op de botenhelling, gelegen aan de Vooroever nabij het Internationaal Zeilwedstrijdcentrum in Medenblik.

  • 2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover het Algemeen reglement van politie voor rivieren en rijkskanalen van toepassing is.

  • 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

Artikel 7.11 Overlast van vaartuigen
  • 1. Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden.

  • 2. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken.

Afdeling 7.3 Het bewaren van houtopstanden

Artikel 7.12 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden
  • 1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag de volgende houtopstanden te vellen:

    • a.

      houtopstanden die vermeld staan op de lijst met waardevolle en monumentale bomen (bijlage 3 bomenlijst);

    • b.

      houtopstanden in de openbare ruimte van de gemeente Medemblik.

  • 2. Een vergunningsplicht zoals genoemd in lid 1 a en b van dit artikel geldt niet voor:

    • a.

      houtopstand(en) buiten de bebouwde kom die beschermd zijn op grond van Hoofdstuk 4, artikel 4.1 t/m 4.9 van de Wet Natuurbescherming;

    • b.

      houtopstanden die moeten worden geveld krachtens een aanschrijving van het bevoegd gezag;

    • c.

      periodiek knotten, kandelaberen of kandelaren als noodzakelijke beheermaatregel bij knotbomen, gekandelaberde bomen, gekandelaarde bomen of leibomen ter uitvoering van het reguliere onderhoud en

    • d.

      dunnen van een houtopstand.

  • 3. Een vergunning kan door het bevoegd gezag worden geweigerd op grond van onder andere:

    • a.

      alternatieven waarbij de houtopstand kan worden gespaard;

    • b.

      natuur- en milieuwaarde van de houtopstand;

    • c.

      landschappelijke waarde van de houtopstand;

    • d.

      waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;

    • e.

      beeldbepalende waarde van de houtopstand;

    • f.

      cultuurhistorische waarde van de houtopstand;

    • g.

      waarde van de houtopstand voor de recreatie en leefbaarheid en

    • h.

      concreetheid en haalbaarheid van het project.

  • 4. Onder belang van verlening kan vallen een situatie waarbij naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake is van ernstige overlast.

  • 5. De vergunning tot vellen vervalt 1 jaar na het onherroepelijk zijn van de omgevingsvergunning, tenzij het bevoegd gezag een langere termijn, tot een maximum van 3 jaar, noodzakelijk acht vanwege de voorzienbare langere uitvoeringstermijn.

Artikel 7.12a Acuut gevaar, spoedeisend belang

Het eerste lid van artikel 7.12 is niet van toepassing als het bevoegd gezag toestemming verleent voor het vellen van een houtopstand in verband met spoedeisend belang voor de openbare orde of een acuut gevaar voor personen of goederen.

Artikel 7.12b Bijzondere voorschriften
  • 1. Het bevoegd gezag kan aan de omgevingsvergunning het voorschrift verbinden dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het bevoegd gezag gegeven aanwijzingen moet worden herplant.

  • 2. Onder de in het eerste lid bedoelde aanwijzing behoort in ieder geval de verplichting dat niet aangeslagen herplant moet worden vervangen.

  • 3. Het bevoegd gezag kan aan de omgevingsvergunning voorschriften verbinden over het werken rondom de te handhaven houtopstanden.

Artikel 7.12c Herplant- en instandhoudingsplicht
  • 1. Indien een, op grond van artikel 7.12 van deze verordening, beschermde houtopstand zonder vergunning van het bevoegd gezag is geveld, dan wel op ernstige wijze is beschadigd waardoor deze in het voortbestaan wordt bedreigd kan het bevoegd gezag de verplichting tot herplant opleggen.

    Deze herplant moet uitgevoerd worden overeenkomstig de door hen te geven specificaties en aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn. Deze verplichting wordt opgelegd aan:

    • a.

      de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de beschermde houtopstand bevond dan wel aan;

    • b.

      degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is.

  • 2. Onder de in eerste lid bedoelde aanwijzing behoort in ieder geval de verplichting dat niet aangeslagen herplant moet worden vervangen.

Artikel 7.13 Bestrijding van boomziekten
  • 1. Indien zich op een terrein één of meer houtopstanden bevinden die naar het oordeel van het bevoegd gezag gevaar opleveren van verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van de ziekteverspreiders zoals bacteriën, schimmels en insecten, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het bevoegd gezag is aangeschreven, verplicht binnen de bij de aanschrijving vast te stellen termijn:

    • a.

      houtopstand(en) te vellen of te doen vellen;

    • b.

      conform richtlijnen van het bevoegd gezag de gevelde houtopstand direct zodanig te behandelen dat verspreiding van de boomziekte wordt voorkomen.

  • 2. Het is verboden gevelde houtopstand(en) of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren, indien het een boomsoort betreft die de desbetreffende boomziekte kan verspreiden. Indien er voor de betreffende boomziekte landelijke erkende protocollen zijn opgesteld moet volgens dit protocol worden gehandeld.

  • 3. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het onder het tweede lid gestelde verbod.

  • 4. Het niet voldoen aan de in het eerste lid bedoelde aanschrijving biedt een basis voor de toepassing van bestuursdwang, waarbij de noodzakelijke werkzaamheden, voor risico en rekening van de aangeschrevene, door of namens het bevoegd gezag kunnen worden verricht.

Artikel 7.13a Bescherming publieke houtopstand
  • 1. Het is verboden om houtopstanden, die publiek eigendom zijn:

    • a.

      te beschadigen, te bekladden of te beplakken;

    • b.

      daaraan snoeiwerk te verrichten, behoudens door het bevoegd gezag opgedragen boomverzorgende taken.

  • 2. Het is verboden om één of meer voorwerpen in of aan een publieke houtopstand aan te brengen of anderszins te bevestigen, behoudens een ontheffing van het college.

  • 3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 7.13b Afstand van de erfgrenslijn

De afstand als bedoeld in artikel 5:42, lid 2 van het Burgerlijk Wetboek wordt vastgesteld op 0,5 meter voor bomen en op nihil voor heggen en heesters indien het bomen, heggen en heesters betreft op of aan de openbare weg of een openbaar water, grenzende aan een ander erf.

Artikel 7.13c Toezicht
  • 1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde in de artikelen 7.12a en 7.12b zijn belast de medewerkers van de afdeling Buitendienst.

  • 2. Voorts is het bepaalde in artikel 9.2 van deze verordening van toepassing.

Afdeling 7.4 Evenementen (Gereserveerd)

Afdeling 7.5 Markten en standplaatsen

Artikel 7.14 Inrichting van de markt en de branche-indeling
  • 1. Het college bepaalt ten aanzien van de markt:

    • a.

      het aantal standplaatsen;

    • b.

      de afmetingen van de standplaatsen;

    • c.

      de opstelling en indeling van de markt;

    • d.

      welke standplaatsen worden toegewezen als vaste standplaats en als standwerker plaats.

  • 2. Het college kan voor de markt vaststellen:

    • a.

      een lijst met artikelengroepen of branches;

    • b.

      een maximumaantal standplaatsen per branche.

Artikel 7.15 Nadere regels
  • 1. Het college is bevoegd nadere regels te stellen betreffende het bepaalde in deze verordening over markten welke overeenkomstig de bepalingen van de Gemeentewet door het college zijn of worden vastgesteld.

Artikel 7.16 Standplaatsvergunning

Het is verboden een standplaats op een markt in te nemen zonder vergunning van het college.

Artikel 7.17 Vereisten

Voor de toewijzing van een standplaats komt uitsluitend in aanmerking een handelingsbekwaam natuurlijk persoon die de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt en een aanvraag voor een vergunning heeft ingediend bij het college.

Artikel 7.18 Intrekking vaste standplaatsvergunning
  • 1. Het college trekt een vaste standplaatsvergunning in:

    • a.

      op schriftelijk verzoek van de vergunninghouder;

    • b.

      bij overlijden van de vergunninghouder, tenzij op grond van artikel 7 van het marktreglement van de gemeente Medemblik de vergunning wordt overgeschreven.

  • 2. Het college kan een vaste standplaatsvergunning intrekken:

    • a.

      indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt;

    • b.

      indien de vergunninghouder niet meer voldoet aan de in artikel 7.17 genoemde vereisten.

  • 3. Indien degene op wie een vergunning ingevolge artikel 7 van het marktreglement van de gemeente Medemblik is overgeschreven, al vergunning heeft voor een andere vaste standplaats op dezelfde markt, wordt laatstgenoemde vergunning ingetrokken.

Artikel 7.19 Intrekking en schorsing vaste standplaatsvergunning

Onverminderd het bepaalde in artikel 7.18 kan het college een vergunning voor een vaste standplaats, al dan niet voorwaardelijk, intrekken dan wel telkens voor ten hoogste vier achtereenvolgende marktdagen schorsen, indien de vergunninghouder of een persoon die hem bijstaat:

  • a.

    het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de voorschriften van de vergunning overtreedt;

  • b.

    zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog; of

  • c.

    niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet.

Artikel 7.20 Uitsluiting dagplaatshouder of standwerker

Het college kan een vergunninghouder van een dagplaats of een standwerker plaats van de toewijzing van een dagplaats of een standwerker plaats uitsluiten voor ten hoogste vier marktdagen, indien deze:

  • a.

    het bepaalde bij of krachtens deze verordening overtreedt;

  • b.

    zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog;

  • c.

    niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet.

Artikel 7.21 Onmiddellijke verwijdering

Onverminderd het bepaalde in artikel 125 van de Gemeentewet kan het college een vergunninghouder gelasten zich onmiddellijk van de markt te verwijderen indien hij:

  • a.

    het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de voorschriften van de vergunning overtreedt;

  • b.

    zich op de markt schuldig maakt aan wangedrag of bedrog;

Artikel 7.22 Toezicht markt

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde van de artikelen over de markt zijn belast de marktmeester en de bij besluit van het college aangewezen personen.

Artikel 7.23 Voorschriften en beperkingen
  • 1. Het college kan voorschriften en beperkingen verbinden aan markt- en standplaatsvergunningen, ter bescherming van de belangen in verband waarmee de markt- en standplaatsvergunning is vereist.

  • 2. Degene aan wie een markt- of standplaatsvergunning is verleend is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen in acht te nemen.

Artikel 7.24 Toestemming rechthebbende

Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen.

Afdeling 7.6 Begraafplaatsen

Artikel 7.25 Grafkelder
  • 1. De rechthebbende op een particulier graf kan van het college vergunning krijgen tot het daarin voor eigen rekening en risico doen aanbrengen van een grafkelder.

  • 2. Het college is bevoegd nadere regels te stellen betreffende het bepaalde in deze verordening over begraafplaatsen.

  • 3. Vergunning voor een grafkelder kan worden gewijzigd, ingetrokken of geweigerd indien:

    • a.

      de duurzaamheid van de gebruikte materialen onvoldoende is;

    • b.

      de fundering en constructie onvoldoende veilig is;

    • c.

      ter verkrijging van de vergunning onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt;

    • d.

      de aan de vergunning verbonden voorschriften niet worden nagekomen;

    • e.

      van de vergunning geen gebruik gemaakt wordt binnen de daarin gestelde termijn;

    • f.

      de houder van de vergunning dit verzoekt of

    • g.

      het college om redenen van beheer technische aard dit wenselijk of noodzakelijk acht.

Artikel 7.26 Vergunning grafbedekking
  • 1. Voor het hebben van een grafbedekking is een schriftelijke vergunning nodig van het college.

  • 2. De rechthebbende van een particulier graf vraagt de vergunning voor het hebben van een grafbedekking aan.

  • 3. Het college kan de vergunning weigeren indien:

    • a.

      niet voldaan wordt aan de vastgestelde nadere regels, genoemd in het tweede lid;

    • b.

      de grafbedekking afbreuk doet aan het aanzien van de begraafplaats;

    • c.

      de duurzaamheid van de materialen onvoldoende is of

    • d.

      de constructie van de grafbedekking ondeugdelijk is.

Artikel 7.27 Grafbeplanting
  • 1. Niet-blijvende beplanting op een graf die, naar het oordeel van de beheerder, in een verwaarloosde staat verkeert kan door de beheerder worden verwijderd zonder dat aanspraak kan worden gemaakt op schadevergoeding.

  • 2. Losse bloemen, planten, kransen en dergelijke kunnen, wanneer zij verwelkt zijn, door de beheerder worden verwijderd. Linten, siervazen en dergelijke voorwerpen worden gedurende dertien weken ter beschikking gehouden van de rechthebbende of, wanneer deze het een algemeen graf betreft, van de belanghebbende.

Artikel 7.28 Onderhoud door rechthebbende
  • 1. Het (doen) plaatsen, aanbrengen, herstellen, vernieuwen of verwijderen van de grafbedekking geschiedt door, voor rekening van en voor risico van de rechthebbende.

  • 2. De rechthebbende is verplicht de grafbedekking behoorlijk te onderhouden of te herstellen.

  • 3. Indien de rechthebbende nalaat de grafbedekking behoorlijk te onderhouden of te herstellen, kan het college de hiervoor in aanmerking komende voorwerpen of zo nodig de gehele grafbedekking doen verwijderen. Het verwijderde blijft gedurende dertien weken ter beschikking van de rechthebbende of de gebruiker en vervalt daarna aan de gemeente, zonder dat deze tot enige vergoeding verplicht is.

  • 4. De verwijdering vindt niet plaats dan nadat het college de rechthebbende door middel van een verklaring schriftelijk op de hoogte heeft gesteld van de toestand van de grafbedekking. Wanneer het adres van de rechthebbende niet bekend is maakt het college de verklaring bij de ingang van de begraafplaats op het mededelingenbord bekend. Bij hegraf wordt een verwijzing naar de mededeling aangebracht.

  • 5. Het college kan de rechthebbende per aanschrijving verplichten een beschadiging aan de grafbedekking te herstellen binnen de door het college gestelde termijn indien de beschadiging zodanig is dat deze naar het oordeel van het college het uiterlijk aanzien van de begraafplaats schaadt of indien de beschadiging van de grafbedekking gevaar op levert voor derden;

  • 6. Schade als gevolg van brand, vandalisme, vorst, storm, bliksem, wateroverlast en andere van buiten komende oorzaken, is voor rekening van de rechthebbende.

Afdeling 7.7 Kamperen

Artikel 7.29 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen
  • 1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan is bestemd of mede bestemd.

  • 2. Het verbod geldt niet voor:

    • a.

      het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein;

    • b.

      het plaatsen van een camper of kampeerauto op een door het college aangewezen camper overnachtingsplaats voor maximaal 72 uur, mits het op die plaats aangegeven aantal niet wordt overschreden.

  • 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid.

  • 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.6 van deze verordening kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van:

    • a.

      natuur en landschap of

    • b.

      een dorps- en/of stadsgezicht.

  • 5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 7.30 Slapen op openbare plaatsen

Het is verboden een openbare plaats als slaapplaats te gebruiken of op een openbare plaats in een voertuig te overnachten.

Artikel 7.31 Aanwijzing kampeerplaatsen
  • 1. Het verbod van artikel 7.29 eerste lid is niet van toepassing op de door het college aangewezen plaatsen.

  • 2. Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen genoemd in artikel 7.29, vierde lid van deze verordening.

Afdeling 7.8 Crossen

Artikel 7.32 Crossterreinen
  • 1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd of buiten wedstrijdverband een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.

  • 2. Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van:

    • a.

      het voorkomen of beperken van overlast;

    • b.

      de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden;

    • c.

      de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.

  • 3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, het Besluit omgevingsrecht, de Zondagswet of het Besluit geluidsproductie sportmotoren.

Artikel 7.33 Beperking verkeer in natuurgebieden
  • 1. Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard.

  • 2. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van:

    • a.

      het voorkomen van overlast;

    • b.

      de bescherming van natuur- of milieuwaarden;

    • c.

      de veiligheid van het publiek.

  • 3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden:

    • a.

      ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten;

    • b.

      die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen zoals bedoeld in het eerste lid;

    • c.

      die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;

    • d.

      van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen zoals bedoeld in het eerste lid;

    • e.

      voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen.

  • 4. Het verbod in het eerste lid is voorts niet van toepassing:

    • a.

      op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994;

    • b.

      binnen de bij of krachtens de Omgevingsverordening NH2020 aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens deze verordeningen zijn aangewezen als “toestel”.

  • 5. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

  • 6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 7.34 Loslopende honden
  • 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:

    • a.

      op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;

    • b.

      op openbare plaatsen binnen de bebouwde kom op de weg als de hond niet is aangelijnd;

    • c.

      op de weg als die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.

  • 2. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

  • 3. Het eerste lid, aanhef en onder a tot en met c is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond:

    • a.

      die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden;

    • b.

      die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.

Artikel 7.35 Verontreiniging door honden en paarden
  • 1. De eigenaar of houder van een hond of paard is verplicht er zorg voor te dragen dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd:

    • a.

      binnen de bebouwde kom op een openbare plaats;

    • b.

      buiten de bebouwde kom op een gedeelte van de weg dat bestemd is of mede bestemd voor het verkeer van voetgangers en op een voor het publiek toegankelijke en als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak, speelweide of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen of op een door het college aangewezen plaats.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden;

  • 3. De eigenaar of houder van een hond is verplicht, als hij zich met die hond bevindt op een in het eerste lid onder a of b genoemde openbare plaats, een doeltreffend hulpmiddel bij zich te hebben dat geschikt is voor het verwijderen van de uitwerpselen.

  • 4. De eigenaar of houder van een hond is verplicht, als hij zich met die hond bevindt op een in het eerste lid onder a of b genoemde openbare plaats, dit hulmiddel op eerste vordering van een toezichthoudend ambtenaar te tonen.

  • 5. Het bepaalde in het eerste lid onder a is niet van toepassing op de door het college aangewezen plaatsen.

Artikel 7.36 Bijen
  • 1. Het is verboden bijen te houden:

    • a.

      binnen een afstand van 30 meter van woningen of andere gebouwen waarin overdag mensen verblijven of

    • b.

      binnen een afstand van 30 meter van de weg.

  • 2. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing voor de bijenhouder die rechthebbende is op de woningen of gebouwen bedoeld in dat lid.

  • 3. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Provinciaal wegenreglement en/of op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding noodzakelijk is om het laag in- en uitvliegen van de bijen te voorkomen.

  • 4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  • 5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 7.37 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke
  • 1. Het is verboden op het door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben:

    • a.

      onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;

    • b.

      bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;

    • c.

      kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel of

    • d.

      mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.

  • 2. Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen.

  • 3. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door of krachtens de Wet ruimtelijke ordening.

Hoofdstuk 8 Overige bepalingen

Artikel 8.1 Herziening en vervanging van aangewezen normen, andere voorschriften en wet- en regelgeving

Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de Nen-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen, andere voorschriften en wet- en regelgeving waarnaar in deze verordening of in de bij deze verordening behorende bijlagen worden verwezen, indien de bevoegde instantie en/of orgaan de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn, het voorschrift of de wet- en regelgeving heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd.

Hoofdstuk 9 Sanctie-, overgangs- en slotbepalingen

Artikel 9.1 Sanctiebepaling
  • 1. Behoudens het bepaalde in de Wet economische delicten worden overtredingen van de artikelen van deze verordening en de op grond van artikel 1.5 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen gestraft met een hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak

  • 2. In afwijking van het eerste lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 7.1, 7.3, 7.4 en 7.12 van deze verordening.

  • 3. In geval van overtreding van de krachtens artikel 3, derde lid, van de Wet veiligheidsregio’s gestelde regels kan het college een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste de geldboete, bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s.

Artikel 9.2 Toezichthouders
  • 1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening bepaalde zijn belast (buitengewone) opsporingsambtenaren aangesteld voor de politieregio waaronder de gemeente Medemblik valt.

  • 2. Het college dan wel de burgemeester kan daarnaast andere personen met dit toezicht belasten.

Artikel 9.3 Binnentreden woningen

Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.

Artikel 9.4 Intrekking en vervallenverklaring oude verordeningen

De onderstaande verordeningen worden ingetrokken:

  • 1.

    Algemene plaatselijke verordening Medemblik 2020;

  • 2.

    Beheersverordening begraafplaatsen gemeente Medemblik 2015;

  • 3.

    Algemene verordening ondergrondse infrastructuren 2014;

  • 4.

    Erfgoedverordening Medemblik 2012;

  • 5.

    Bouwverordening Medemblik 2011;

  • 6.

    Marktverordening gemeente Medemblik 2012;

  • 7.

    Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Medemblik 2014;

  • 8.

    Brandbeveiligingsverordening Medemblik.

Artikel 9.5 Overgangsbepaling

Besluiten, genomen krachtens de verordeningen bedoeld in artikel 9.4 die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.

Artikel 9.6 Inwerkingtreding nieuwe verordening

Deze verordening treedt in werking op 1 april 2021.

Artikel 9.7 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening fysieke leefomgeving Medemblik 1ste tranche.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Medemblik, gehouden op 18 maart 2021

De griffier,

De voorzitter,