INTEGRALE VERORDENING SOCIAAL DOMEIN GEMEENTE VEENENDAAL

Geldend van 01-04-2026 t/m heden

Intitulé

INTEGRALE VERORDENING SOCIAAL DOMEIN GEMEENTE VEENENDAAL

Algemene Bepalingen

Artikel 1.1.1 Algemene Definities

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

college:

college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veenendaal;

gemeente:

gemeente Veenendaal;

gesprek:

een of meerdere gesprekken in het kader van het onderzoek vanwege een ondersteuningsvraag, als bedoeld in:

  • artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo;

  • artikel 4 lid 1 Wgs;

ingezetene of inwoner:

een natuurlijke persoon die zijn woonstede heeft in Veenendaal;

maatschappelijk werk:

het bieden van individuele begeleiding als algemene voorziening aan een ingezetene met problemen in zijn dagelijks leven of zijn werk, zodat deze ingezetene (weer) op eigen kracht zijn problemen kan hanteren of oplossen;

mantelzorg:

mantelzorg als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo;

ondersteuningsvraag:

de behoefte aan ondersteuning op het gebied van:

  • maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo;

  • arbeidsinschakeling en de verlening van bijstand als bedoeld in de Pw; of

  • schuldhulpverlening als bedoeld in artikel 4 lid 1 Wgs;

pgb:

persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo dan wel artikel 8.1.1 van de Jw;

uitkering:

een uitkering op grond van de Pw, de IOAW en de IOAZ.

Artikel 1.1.2 college voor uniforme toegang en intake

  • 1.

    Het college zorgt er in ieder geval voor dat ingezetenen die daarom verzoeken:

    • a.

      kosteloos en op laagdrempelige wijze worden ondersteund bij het verhelderen van een mogelijke ondersteuningsbehoefte waarbij tevens maatschappelijke werk kan worden geboden;

    • b.

      kosteloos worden voorzien van relevante informatie in begrijpelijke vorm ten aanzien van:

      • i.

        het gemeentelijk beleid en de wijze waarop uitvoering wordt geven aan de wettelijke taken in het sociaal domein, en

      • ii.

        hoe de toegang tot de diverse voorzieningen is georganiseerd;

    • c.

      worden doorverwezen en -geleid naar de passende instanties voor verdere ondersteuning.

  • 2.

    Degene die een melding, aanvraag of verzoek indient wordt door het college gewezen op de mogelijkheid gebruik te maken van kosteloze onafhankelijke cliëntondersteuning als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo.

  • 3.

    In het kader van de uitvoering van het eerste en tweede lid vindt geen verwerking van persoonsgegevens plaats. Op verzoek van de betrokkene kunnen de relevante bevindingen op schrift worden gesteld en aan hem of haar ter beschikking worden gesteld.

2. MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING

2.1 Maatschappelijke ondersteuning

Artikel 2.1.1 Definities

In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

algemeen gebruikelijke voorziening:

een voorziening die:

i. niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking;

ii. daadwerkelijk beschikbaar is;

iii. een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot (meer) zelfredzaamheid of participatie in staat is; en

iv. betaald kan worden met een inkomen op minimumniveau;

andere voorziening:

een voorziening anders dan in het kader van de Wmo;

beschermd thuis:

een maatwerkvoorziening voor inwoners met complexe psychische of psychosociale problematiek die doorgaans hun ondersteuningsvraag kunnen uitstellen tot geplande momenten van begeleiding, maar wel moeten kunnen terugvallen op 24/7 bereikbaarheid of beschikbaarheid van een hulpverlener. Beschermd Thuis kan geleverd worden in een geclusterde woonvorm of in een situatie waarin de cliënt zelfstandig woont;

bijdrage:

bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4a van de Wmo;

budgethouder:

een persoon die pgb ontvangt;

budgetplan:

door cliënt of zijn vertegenwoordiger opgesteld plan, volgens het door de gemeente vastgestelde format, waarin is opgenomen hoe het persoonsgebonden budget wordt besteed;

eigen kracht:

het vermogen van de cliënt om zelf tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie of tot een oplossing voor zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang te komen;

melding:

melding aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo;

ondersteuningsplan:

door de aanbieder van individuele- en groepsondersteuning, in overleg met de cliënt, opgesteld document volgens het door de gemeente vastgestelde format, waarin de doelen en inhoud van de ondersteuning zijn vastgelegd;

participatie

deelnemen aan het maatschappelijke verkeer;

persoonlijk plan:

plan waarin de cliënt de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid van de Wmo, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest passend is;

sociaal netwerk:

personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt;

verslag:

schriftelijke weergave van het gesprek door middel van een format dat bestaat uit vaste stappen;

Wmo:

Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

zelfredzaamheid:

in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden.

Artikel 2.1.2 Melding ondersteuningsvraag

  • 1.

    Een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning kan door of namens een cliënt worden gemeld bij het college. Dit kan schriftelijk, digitaal, telefonisch of fysiek bij het college.

  • 2.

    Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk of digitaal binnen 3 werkdagen na ontvangst en wijst de cliënt of diens vertegenwoordiger op de mogelijkheid om binnen 7 dagen na de melding een persoonlijk plan te overhandigen.

  • 3.

    In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de Wmo verstrekt het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek.

Artikel 2.1.4 Informatie en identificatie

  • 1.

    De cliënt verstrekt het college de gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college nodig zijn voor het onderzoek en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

  • 2.

    Bij het onderzoek, bedoeld in artikel 2.1.5, stelt het college de identiteit van de cliënt vast aan de hand van een geldig identiteitsbewijs.

Artikel 2.1.5 Onderzoek

  • 1.

    Het college onderzoekt in samenspraak met de cliënt of diens vertegenwoordiger en waar mogelijk met mantelzorger(s) en desgewenst familie, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig:

    • a.

      de ondersteuningsbehoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt;

    • b.

      of het verzoek om ondersteuning betrekking heeft op zelfredzaamheid, participatie, opvang of beschermd wonen;

    • c.

      de mogelijkheden voor de cliënt om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp, mantelzorg of hulp van andere personen uit het sociaal netwerk, het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten, algemeen gebruikelijke voorzieningen of met algemene voorzieningen de zelfredzaamheid of de participatie te handhaven of te verbeteren;

    • d.

      de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;

    • e.

      de mogelijkheden om door middel van andere voorzieningen of door samen met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en andere partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te voorzien in de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning;

    • f.

      de wijze waarop de zelfredzaamheid en participatie, al dan niet door middel van het verstrekken van een maatwerkvoorziening, kan worden versterkt;

    • g.

      welke bijdragen in de kosten de cliënt, met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de Wmo, verschuldigd zal zijn;

    • h.

      de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt of diens vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van deze keuze.

  • 2.

    Als de cliënt of diens vertegenwoordiger een persoonlijk plan aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het gesprek, bedoeld in het eerste lid.

  • 3.

    Het college informeert de cliënt of diens vertegenwoordiger over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en over de vervolgprocedure.

  • 4.

    Als de ondersteuningsvraag genoegzaam bekend is, kan het college onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.2 van de Wmo, in goed overleg met de cliënt of diens vertegenwoordiger, afzien van een gesprek.

Artikel 2.1.6 Advisering

  • 1.

    Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen indien het college dit van belang acht voor de beoordeling van de ondersteuningsvraag.

Artikel 2.1.7 Verslag

  • 1.

    Het college is verantwoordelijk voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek.

  • 2.

    Na het gesprek verstrekt het college aan de cliënt of diens vertegenwoordiger een verslag van de uitkomsten van het onderzoek binnen de in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo gestelde termijn.

  • 3.

    Opmerkingen of aanvullingen van de cliënt of diens vertegenwoordiger op het verslag kunnen aan het verslag worden toegevoegd.

Artikel 2.1.8 [vervallen]

Artikel 2.1.9 Aanvraag

  • 1.

    Een aanvraag kan pas worden ingediend nadat het onderzoek, bedoeld in artikel 2.1.5, heeft plaatsgevonden, tenzij het onderzoek niet heeft plaatsgevonden binnen zes weken na melding.

  • 2.

    Een cliënt of diens vertegenwoordiger kan schriftelijk een aanvraag om een maatwerkvoorziening indienen bij het college door middel van een door het college vastgesteld aanvraagformulier.

Artikel 2.1.10 Criteria voor een maatwerkvoorziening

  • 1.

    Het college neemt het verslag als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening.

  • 2.

    Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening:

    • a.

      ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk, of door gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of algemene voorzieningen of andere voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.1.5 bedoelde onderzoek een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot een aanvaardbare mate van zelfredzaamheid of een aanvaardbare mate van participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven; of

    • b.

      ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen of andere voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het door het college ingesteld onderzoek zoals verwoord in artikel 2.3.2 van de Wmo, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

  • 3.

    Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate voorziening.

  • 4.

    Het college kan nadere regels stellen over de maatwerkvoorzieningen.

Artikel 2.1.10a Voorwaarden en weigeringsgronden voor een maatwerkvoorziening

  • 1.

    De maatwerkvoorziening wordt alleen verstrekt indien deze, gezien de beperking van de cliënt, naar het oordeel van het college veilig is voor de cliënt en zijn omgeving, geen gezondheidsrisico’s met zich meebrengt en niet anti-revaliderend werkt.

  • 2.

    Een maatwerkvoorziening ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt slechts verstrekt indien uit onderzoek blijkt dat vervanging noodzakelijk is en de maatwerkvoorziening verloren is gegaan door omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen of de cliënt de restwaarde van de voorziening die verloren is gegaan geheel of gedeeltelijk vergoedt.

  • 3.

    Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt indien:

    • a.

      voor de problematiek die aanleiding geeft tot de noodzaak van ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat;

    • b.

      de cliënt de gevraagde voorziening voor de melding heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij sprake is van een acute noodsituatie waardoor het voor de cliënt dringend noodzakelijk was de voorziening te treffen;

    • c.

      de cliënt de gevraagde voorziening na de melding en voor de datum van het besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven of de noodzaak, passendheid en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen;

    • d.

      voorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer de cliënt rekening had gehouden met zijn bestaande en bekende beperkingen en de te verwachten ontwikkeling daarvan;

    • e.

      de voorziening met name op therapeutische basis wordt aangevraagd of een therapeutisch doel dient;

    • f.

      de aanspraak niet kan worden vastgesteld doordat de cliënt niet of onvoldoende voldoet aan de inlichtingen- en medewerkingsverplichting, waaronder het verstrekken van informatie over zijn leefsituatie en de mogelijkheden van huisgenoten om gebruikelijke hulp te bieden.

  • 4.

    Geen maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie wordt verstrekt indien deze niet langdurig noodzakelijk is, tenzij het gaat om hulp bij het huishouden of begeleiding.

Artikel 2.1.10b Gebruikelijke hulp

  • 1.

    Bij het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid, onder b, van de Wmo, beoordeelt het college of er gebruikelijke hulp van huisgenoten als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wmo beschikbaar is.

  • 2.

    Het college maakt bij de beoordeling of van huisgenoten gebruikelijke hulp verwacht mag worden onderscheid tussen kortdurende en langdurige situaties. Van een kortdurende situatie is sprake als er uitzicht bestaat op herstel van het (gezondheids)probleem en de daarmee samenhangende beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie van de cliënt. Een kortdurende situatie betreft ten hoogste een periode van zes maanden in één jaar.

  • 3.

    In een kortdurende situatie valt een grotere inzet van huisgenoten binnen het begrip gebruikelijke hulp, zolang dat redelijk is en niet tot overbelasting leidt.

  • 4.

    Bij de beoordeling of van huisgenoten gebruikelijke hulp verwacht mag worden, houdt het college indien daartoe aanleiding bestaat, rekening met:

    • a.

      de samenstelling van de leefeenheid van de cliënt en diens huisgenoot of huisgenoten;

    • b.

      de aard van de relatie tussen de cliënt en diens huisgenoot of huisgenoten;

    • c.

      de inhoudelijke aard, de omvang, de duur en de complexiteit van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt;

    • d.

      de beschikbaarheid en de praktische, lichamelijke en geestelijke mogelijkheden van de huisgenoot of huisgenoten;

    • e.

      de mate waarin en de wijze waarop de cliënt voorafgaand aan de melding is ondersteund door diens huisgenoot of huisgenoten;

    • f.

      overige relevante omstandigheden van de huisgenoot of huisgenoten die redelijkerwijs van invloed kunnen zijn op de mogelijkheid om de cliënt hulp te bieden.

Artikel 2.1.10c Aanvullende voorwaarden en weigeringsgronden voor woonvoorzieningen

  • 1.

    In aanvulling op de artikelen 2.1.10 en 2.1.10a kan een cliënt in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een woonvoorziening, indien sprake is van een aantoonbare beperking bij het normale gebruik van de noodzakelijke gebruiksruimten in de woning.

  • 2.

    Een woonvoorziening kan worden geweigerd:

    • a.

      als de beperkingen voortkomen uit de aard van de in de woning gebruikte materialen, de slechte staat van het onderhoud of de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen;

    • b.

      als de cliënt zijn hoofdverblijf niet heeft of niet zal hebben in de woning waarvoor de voorziening gevraagd wordt;

    • c.

      ten behoeve van woonruimten die niet geschikt zijn voor permanente bewoning;

    • d.

      als het om voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten gaat, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte;

    • e.

      als de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding was op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor de verhuizing is;

    • f.

      als de cliënt is verhuisd, maar dit niet naar de voor zijn beperkingen meest geschikte beschikbare woning is, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is gegeven door het college;

    • g.

      als de voorziening in het geval van nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kan worden.

Artikel 2.1.10d Bezoekbaar of logeerbaar maken van een woning

  • 1.

    Het college kan een woonvoorziening treffen voor het bezoekbaar of logeerbaar maken van één woning indien de cliënt verblijft in een instelling op grond van de Wet langdurige zorg.

    • a.

      Onder het bezoekbaar maken van een woning wordt verstaan het realiseren van de mogelijkheid voor de cliënt om de woning van naasten te bezoeken door toegang te verschaffen tot ten minste de woonkamer en één toilet.

    • b.

      Onder het logeerbaar maken van een woning wordt verstaan het realiseren van de mogelijkheid voor de cliënt om tijdelijk in de woning van naasten te verblijven door toegang te verschaffen tot ten minste een slaapkamer, een toilet en de woonkamer.

  • 2.

    Een voorziening kan worden geweigerd indien de totale kosten voor de woonaanpassing meer bedragen dan:

    • a.

      € 2.800,- voor het bezoekbaar maken van een woning;

    • b.

      € 5.600,- voor het logeerbaar maken van een woning.

Artikel 2.1.10e Aanvullende voorwaarden vervoersvoorziening

  • 1.

    In aanvulling op de artikelen 2.1.10 en 2.1.10a kan een client in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening in de vorm van collectief vraagafhankelijk vervoer indien hij door zijn beperkingen niet of onvoldoende gebruik kan maken van het openbaar vervoer.

  • 2.

    Het college hanteert hierbij een maximum van 2.500 kilometer per kalenderjaar.

  • 3.

    De medische begeleider, waar de cliënt naar het oordeel van het college bij het vervoer op is aangewezen, reist gratis mee. De sociaal begeleider, waar de cliënt naar het oordeel van het college bij het vervoer op is aangewezen, reist mee op de kortingspas collectief vraagafhankelijk vervoer van de cliënt.

  • 4.

    In aanvulling op het eerste lid kan een cliënt in aanmerking komen voor een individuele vervoersvoorziening, indien deze langdurig noodzakelijk is en het collectief vervoer niet toereikend is.

  • 5.

    Bij de beoordeling van de vervoersbehoefte in het kader van participatie wordt uitsluitend rekening gehouden met verplaatsingen binnen de woon- en leefomgeving, niet zijnde woon-werkverkeer, vervoer naar dagbesteding of vervoer in het kader van school of opleiding.

  • 6.

    Voor een individuele vervoersvoorziening geldt dat de cliënt in staat moet zijn de voorziening veilig te gebruiken en dat er een stallingsmogelijkheid beschikbaar is of gerealiseerd kan worden.

Artikel 2.1.10f Aanvullende voorwaarden begeleiding individueel

  • 1.

    In aanvulling op de artikelen 2.1.10 en 2.1.10a kan een cliënt in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening in de vorm van begeleiding individueel indien de cliënt door beperkingen niet in staat is zonder ondersteuning zijn zelfredzaamheid of participatie te behouden of te vergroten. Dit kan zich voordoen bij de volgende ondersteuningsbehoeften:

    • a.

      het aanleren, behouden of herstellen van praktische vaardigheden;

    • b.

      het aanbrengen van structuur of het voeren van regie over het dagelijks leven;

    • c.

      het vergroten of behouden van de zelfredzaamheid;

    • d.

      het vergroten of behouden van maatschappelijke participatie en het voorkomen van sociaal isolement.

  • 2.

    Het college maakt bij de toekenning van begeleiding individueel onderscheid naar de mate van complexiteit en regieverlies van de situatie van de cliënt:

    • a.

      Regulier: indien de problematiek niet dermate complex is dat een hoge graad van deskundigheid nodig is in de omgang met de cliënt of om escalaties te voorkomen;

    • b.

      Specialistisch: indien sprake is van complexe of onvoorspelbare situaties die specifieke deskundigheid vereisen;

    • c.

      Casusregie: indien sprake is van meervoudige problematiek waarbij coördinatie tussen meerdere betrokken partijen noodzakelijk is;

    • d.

      Specialistisch persoonsgericht maatwerk: indien sprake is van zeer complexe problematiek in combinatie met veiligheidsvraagstukken of maatschappelijke onrust, die een hoog niveau van deskundigheid en intensieve begeleiding vraagt. Een persoonsgerichte aanpak is noodzakelijk.

Artikel 2.1.10g Aanvullende voorwaarden dagbesteding

  • 1.

    In aanvulling op de artikelen 2.1.10 en 2.1.10a kan een cliënt in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening in de vorm van dagbesteding indien de cliënt door beperkingen ondersteuning nodig heeft bij een of meer van de volgende ondersteuningsbehoeften:

    • a.

      het verkrijgen of behouden van een passende en zinvolle daginvulling en dagstructuur;

    • b.

      het vergroten of behouden van de zelfredzaamheid;

    • c.

      het onderhouden of aangaan van sociale contacten;

    • d.

      het ontlasten van mantelzorgers.

  • 2.

    Dagbesteding betreft groepsgerichte begeleiding, uitgevoerd door een professional. Daarbij wordt onderscheid gemaakt naar doelstelling:

    • a.

      Dagbesteding langer thuis: gericht op het behouden van structuur, stabiliteit en vaardigheden;

    • b.

      Dagbesteding perspectief: gericht op het ontwikkelen van vaardigheden en het vergroten van maatschappelijke participatie, waaronder indien van toepassing toeleiding naar werk of opleiding.

  • 3.

    Onder dagbesteding wordt tevens verstaan het noodzakelijke vervoer van en naar de dagbestedingslocatie voor zover dit nodig is om van de voorziening gebruik te kunnen maken.

Artikel 2.1.10h Aanvullende voorwaarden kortdurend verblijf

  • 1.

    In aanvulling op de artikelen 2.1.10 en 2.10a kan het college een maatwerkvoorziening in de vorm van kortdurend verblijf verlenen indien:

    • a.

      dit noodzakelijk is om de mantelzorger tijdelijk te ontlasten en daarmee overbelasting te voorkomen; en

    • b.

      de cliënt aangewezen is op permanent toezicht of begeleiding in de nabijheid.

  • 2.

    Kortdurend verblijf omvat altijd ten minste een etmaal inclusief overnachting in een instelling of andere geschikte locatie waar toezicht aanwezig is.

  • 3.

    Het kortdurend verblijf bevat niet de benodigde geneeskundige zorg of behandeling die onder de Zorgverzekeringswet of de Wet langdurige zorg valt.

Artikel 2.1.10i Aanvullende voorwaarden hulp bij het huishouden

  • 1.

    In aanvulling op de artikelen 2.1.10 en 2.1.10a kan het college een maatwerkvoorziening in de vorm van hulp bij het huishouden verlenen indien de cliënt door een beperking de ruimten die noodzakelijk zijn voor het normale gebruik van de woning niet schoon en leefbaar kan houden.

  • 2.

    Hulp bij het huishouden is gericht op:

    • a.

      het uitvoeren en overnemen van huishoudelijke taken of het samen met de cliënt organiseren en uitvoeren daarvan;

    • b.

      de beschikking hebben over schone kleding en textiel;

    • c.

      het aanleren van vaardigheden die bijdragen aan het zelfstandig uitvoeren van huishoudelijke taken.

Artikel 2.1.10j Aanvullende voorwaarden beschermd wonen, beschermd thuis, safehouse en tijdelijk verblijf

  • 1.

    In aanvulling op de artikelen 2.1.10 en 2.1.10a, verleent het college de maatwerkvoorziening beschermd wonen als:

    • a.

      de cliënt is aangewezen op een beschermende woonomgeving, gelet op complexe psychische of psychosociale problematiek;

    • b.

      de cliënt, indien aan de orde, een intramurale behandeling voor zijn psychiatrische aandoening heeft afgerond; en

    • c.

      de cliënt (op termijn) een herstel- of ontwikkeltraject accepteert dat met inachtneming van zijn mogelijkheden gericht is op het realiseren van een situatie waarin hij in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

  • 2.

    Een beschermende woonomgeving gaat gepaard met noodzakelijk verblijf in een accommodatie van een instelling waar toezicht en aangewezen ondersteuning wordt geboden. Hiertoe is personeel 24 uur per dag fysiek aanwezig op de locatie van de instelling.

  • 3.

    In aanvulling op de artikelen 2.1.10 en 2.1.10a verleent het college de maatwerkvoorziening beschermd thuis als:

    • a.

      de cliënt is aangewezen op bescherming en toezicht in de nabijheid gelet op complexe psychische of psychosociale problematiek;

    • b.

      de cliënt zelfstandig of in een geclusterde woonvorm kan wonen;

    • c.

      de cliënt zelfstandig een ondersteuningsvraag kan stellen en zo mogelijk kan uitstellen, maar wel de zekerheid nodig heeft dat begeleiding oproepbaar en indien nodig beschikbaar is; en

    • d.

      de cliënt (op termijn) een herstel- ofontwikkeltraject accepteert dat met inachtneming van zijn mogelijkheden gericht is op het realiseren van een situatie waarin hij in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

  • 4.

    In aanvulling op de artikelen2.1.10 en 2.1.10a verleent het college de maatwerkvoorzieningen safehouse of tijdelijk verblijf als de cliënt door een terugval of dreigende terugval in het ziekteproces, waar verslavingsproblematiek, psychiatrische of gedragsproblematiek onderdeel van uitmaakt, (tijdelijk) is aangewezen op ondersteuning in een beschermde setting.

Artikel 2.1.10k Aanvullende criteria voor een financiële tegemoetkoming

  • 1.

    In aanvulling op het gestelde in de artikelen 2.1.10 en 2.1.10a komt een cliënt in aanmerking voor een financiële tegemoetkoming voor de kosten van:

    • a.

      de aanschaf, aanpassing en het onderhoud van een sportvoorziening als uit het in artikel 2.1.4 bedoelde onderzoek blijkt dat de cliënt ondersteuning nodig heeft voor sporten in het kader van zelfredzaamheid en participatie, waarbij geldt dat:

      • i.

        de gebruiksduur van de sportvoorziening minimaal drie jaar is en bij technische keuring moet blijken dat deze technisch niet meer functioneel is; en

      • ii.

        de hoogte van de financiële tegemoetkoming voor een sportvoorziening maximaal € 3.000,- bedraagt.

    • b.

      een verhuizing en herinrichting als uit het in artikel 2.1.4. bedoelde onderzoek blijkt dat verhuizing naar een aangepaste of eenvoudig aan te passen woning, gelet op de beperkingen van de cliënt, een goedkoopst passende bijdrage levert aan zijn zelfredzaamheid en participatie, waarbij geldt dat de hoogte van de financiële tegemoetkoming maximaal € 3.250,- bedraagt.

  • 2.

    Het college kan in afwijking van het eerste lid een hogere financiële tegemoetkoming toekennen indien de in het eerste lid opgenomen bedragen zo ver afstaan van de werkelijke kosten van de compenserende maatregel, dat de financiële tegemoetkoming geen passende bijdrage meer levert aan het verminderen of wegnemen van de gevolgen van de beperkingen.

Artikel 2.1.11 Inhoud beschikking

  • 1.

    In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt opgenomen of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en of de voorziening in eigendom of in bruikleen wordt verstrekt.

  • 2.

    Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in aanvulling op het eerste lid in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      welke voorziening wordt verstrekt en wat de beoogde doelen daarvan zijn;

    • b.

      wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; en

    • c.

      of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten.

  • 3.

    Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt in aanvulling op het eerste lid in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      voor welk doel het pgb moet worden aangewend;

    • b.

      welke (kwaliteits-)eisen gelden voor de besteding van het pgb;

    • c.

      wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;

    • d.

      welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn;

    • e.

      wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld;

    • f.

      de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb; en

    • g.

      of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten.

  • 4.

    De cliënt meldt zich, binnen zes maanden na de beschikkingsdatum bij de aanbieder van de maatwerkvoorziening of gebruikt het pgb binnen zes maanden voor het resultaat waarvoor het is verstrekt.

Artikel 2.1.11a Voorschrift bruikleen

  • 1.

    Indien het college een voorziening in bruikleen verstrekt wordt daaraan het voorschrift verbonden dat de cliënt:

    • a.

      de voorziening zorgvuldig gebruikt; en

    • b.

      de bruikleenovereenkomst ondertekent en zich houdt aan de daarin opgenomen verplichtingen.

Artikel 2.1.12 Soorten pgb

  • 1.

    Indien de cliënt voldoet aan de voorwaarden die zijn opgenomen in artikel 2.3.6. lid 2 van de Wmo en aan de nader door het college te stellen criteria, kan een persoonsgebonden budget worden verstrekt.

  • 2.

    Er zijn twee soorten persoonsgebonden budget te onderscheiden, te weten:

    • a.

      pgb voor de aanschaf van een hulpmiddel, aanpassing van een hulpmiddel, dan wel woningaanpassing;

    • b.

      pgb ten behoeve van de inkoop van diensten.

Artikel 2.1.12a Onderscheid professionele en niet-professionele zorgverlener

  • 1.

    Bij het vaststellen van de hoogte van het persoonsgebonden budget maakt het college onderscheid tussen professionele en niet-professionele zorg.

  • 2.

    Van professionele zorg is sprake indien de ondersteuning wordt verleend door personen die:

    • a.

      werkzaam zijn bij een instelling die ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007), beschikken over een passende kwalificatie of diploma dat aansluit bij de aard van de ondersteuning, en niet behoren tot het sociaal netwerk van de cliënt; of

    • b.

      werkzaam zijn als zelfstandige zonder personeel (zzp’er), ingeschreven staan in het Handelsregister, beschikken over een passende kwalificatie of diploma dat aansluit bij de aard van de ondersteuning, en niet behoren tot het sociaal netwerk van de cliënt.

  • 3.

    Voor professionele zorg gelden de kwaliteitseisen zoals opgenomen in artikel 2.1.23a.

  • 4.

    Van niet-professionele zorg is sprake indien:

    • a.

      de ondersteuning wordt geboden door personen die niet voldoen aan de criteria genoemd in het tweede lid; of

    • b.

      de ondersteuning wordt geboden door personen die wel voldoen aan de criteria genoemd in het tweede lid, maar behoren tot het sociaal netwerk van de cliënt.

  • 5.

    Voor niet-professionele zorg gelden de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 2.1.23.

Artikel 2.1.13 Regels voor een pgb

  • 1.

    De cliënt of diens vertegenwoordiger dient een budgetplan in waarin in ieder geval is opgenomen:

    • a.

      welke voorziening met het pgb wordt ingekocht en bij welke uitvoerder;

    • b.

      de motivatie om de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb te ontvangen;

    • c.

      hoe de cliënt zelf, of met hulp van een vertegenwoordiger of iemand uit het sociale netwerk, de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze zal uitvoeren;

    • d.

      hoe de kwaliteit van de voorziening is gewaarborgd en op welke wijze wordt vastgesteld dat de voorziening geschikt is voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt;

    • e.

      de kosten van de voorziening, uitgedrukt in eenheden en tarief.

  • 2.

    Indien met een pgb begeleiding of dagbesteding wordt ingekocht, wordt tevens een ondersteuningsplan toegevoegd.

  • 3.

    Indien de cliënt ondersteuning wenst in te kopen bij een persoon uit het sociale netwerk, motiveert de cliënt of diens vertegenwoordiger dat deze ondersteuning ten minste een gelijkwaardig resultaat oplevert als ondersteuning door een professionele aanbieder.

  • 4.

    Het college kan door een onafhankelijke en daartoe deskundige derde laten toetsen of de persoon, bedoeld in het derde lid, verantwoorde ondersteuning kan leveren.

  • 5.

    Indien de cliënt gebruik maakt van een vertegenwoordiger bij het beheer van het pgb wordt het pgb slechts verstrekt indien naar oordeel van het college:

    • a.

      de vertegenwoordiger in staat is tot een redelijke waardering van de belangen van de cliënt; en

    • b.

      de vertegenwoordiger in staat is de aan het pgb verbonden taken op een verantwoorde wijze uit te voeren.

  • 6.

    De vertegenwoordiger van de cliënt, bedoeld in het vijfde lid, die tevens de zorgverlener is wordt geacht niet in staat te zijn de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren.

  • 7.

    Het persoonsgebonden budget kan in ieder geval niet worden besteed aan:

    • a.

      kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers;

    • b.

      kosten voor het voeren van een administratie voor het pgb;

    • c.

      kosten voor ondersteuning bij het aanvragen of beheren van een pgb;

    • d.

      kosten voor een feestdagenuitkering of een eenmalige uitkering;

    • e.

      kosten voor het aanvragen van een VOG.

  • 8.

    Het pgb bevat geen vrij-besteedbaar bedrag.

Artikel 2.1.14 Hoogte pgb

  • 1.

    De hoogte van een pgb wordt:

    • a.

      vastgesteld aan de hand van een door de cliënt of diens vertegenwoordiger opgesteld budgetplan als bedoeld in artikel 2.1.13, eerste lid

    • b.

      berekend op basis van een prijs of tarief:

      • i.

        waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om tijdig veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten of andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van een professionele zorgverlener te betrekken;

      • ii.

        waarbij rekening is gehouden met redelijke overheadkosten en het gestelde onder iv, v en vi;

      • iii.

        waarmee indien van toepassing, het pgb toereikend is om diensten of andere maatregelen van een niet-professionele zorgverlener of persoon die behoort tot het sociale netwerk te betrekken, rekening houdend met het onder vii en viii gestelde tarief,

      • iv.

        voor een hulpmiddel, woningaanpassing of aanpassing van de eigen auto: op maximaal 100% van de kostprijs van de goedkoopste adequate in de gemeente tijdig beschikbare maatwerkvoorziening in natura en indien van toepassing inclusief een vergoeding voor onderhoud en verzekeringen;

      • v.

        voor beschermd wonen of een dienst, geleverd door een professionele zorgverlener: op maximaal 85% van de in de betreffende situatie goedkoopste adequate in de gemeente tijdig beschikbare maatwerkvoorziening in natura, of zoveel meer, tot ten hoogste de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopste adequate in de gemeente tijdig beschikbare maatwerkvoorziening in natura;

      • vi.

        voor beschermd thuis maximaal 90% van de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopste adequate en tijdig beschikbare voorziening in natura;

      • vii.

        voor een dienst, geleverd door een niet-professionele zorgverlener of iemand uit het sociaal netwerk: een tarief dat aansluit bij de hoogste periodiek voor de benodigde hulp in de desbetreffende CAO, vermeerderd met de vakantiebijslag en tegenwaarde van de verlofuren;

      • viii.

        voor kortdurend verblijf binnen het sociaal netwerk: op basis van een onkostenvergoeding voor een vast bedrag van € 52,- per etmaal.

      • ix.

        De hoogte van het pgb voor vervoer bedraagt de netto kilometerprijs die de gemeente betaalt voor het collectief vervoer vermenigvuldigd met het aantal benodigde kilometers, waarbij het uitgangspunt geldt dat 2500 kilometer op jaarbasis binnen de eigen leef- en woonomgeving moet kunnen worden gereisd.

      • x.

        De hoogte van het pgb voor vervoer dat wordt uitgevoerd door iemand uit het sociaal netwerk betreft een vergoeding van € 0,23 per kilometer vermenigvuldigd met het aantal benodigde kilometers, waarbij het uitgangspunt geldt dat 2500 kilometer op jaarbasis binnen de eigen leef- en woonomgeving moet kunnen worden gereisd.

  • 2.

    Voor een aantal voorzieningen geldt in aanvulling op bovenstaande lid voor het pgb het volgende:

    • a.

      voor een woonvoorziening wordt in het geval het pgb verstrekt wordt aan een huurder, de eigenaar van de woning geïnformeerd over de aanpassing.

    • b.

      voor onderhoud, reparatie en aanpassingen aan een voorziening is de vergoeding voor instandhoudingskosten, waaronder onderhoud en reparatie, gelijk aan de kosten in natura wanneer deze voorziening ook in natura te verkrijgen is.

  • 3.

    Als voor een bepaalde voorziening geen adequate voorziening in natura is ingekocht wordt ter bepaling van de hoogte van de kostprijs:

    • a.

      een of meerdere offertes opgevraagd;

    • b.

      eventueel een nader gesprek gevoerd met de aanbieder van de voorziening

Artikel 2.1.15 Aanvullende voorwaarden pgb beschermd wonen en beschermd thuis

  • 1.

    De leveringsvorm pgb voor beschermd wonen en geclusterd beschermd thuis is in beginsel alleen mogelijk indien sprake is van een kleinschalige woonvorm (de accommodatie) die bestaat uit minimaal 3 en maximaal 26 bewoners en waarbij aan de volgende cumulatieve eisen wordt voldaan:

    • a.

      de bewoners staan bij de gemeente ingeschreven op één adres, op aaneengesloten adressen of adressen die dichtbij elkaar liggen (binnen een straal van 100 meter) waar het beschermd wonen wordt geboden; en

    • b.

      de bewoners hebben in de accommodatie een gemeenschappelijke ruimte voor gezamenlijke activiteiten.

  • 2.

    De leveringsvorm pgb voor beschermd thuis is in beginsel ook mogelijk bij zelfstandig wonen in de wijk zonder dat er een kleinschalige woonvorm bij betrokken is.

  • 3.

    Verblijf bij ouders of wettelijke vertegenwoordigers valt niet onder een kleinschalige woonvorm of zelfstandig wonen in de wijk.

Artikel 2.1.16 Weigeringsgronden voor een pgb

Het college kan een pgb weigeren wanneer naar het oordeel van het college:

  • a.

    uit het budgetplan onvoldoende blijkt dat het hulpmiddel, aanpassing van een hulpmiddel, dan wel woningaanpassing, of de dienst die de cliënt inkoopt met het pgb adequaat, veilig, cliëntgericht en kwalitatief verantwoord is;

  • b.

    het ernstige vermoeden bestaat dat de cliënt of de pgb-vertegenwoordiger, problemen heeft bij het omgaan met een pgb.

Artikel 2.1.17 Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wmo

  • 1.

    Het college informeert cliënten of hun vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de Wmo.

  • 2.

    Onverminderd artikel 2.3.8 van de Wmo doet een cliënt aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de Wmo.

  • 3.

    Onverminderd artikel 2.3.10 van de Wmo kan het college een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de Wmo herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat:

    • a.

      de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

    • b.

      de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het pgb is aangewezen;

    • c.

      de maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten;

    • d.

      de cliënt langer dan twee maanden verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet;

    • e.

      de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het pgb verbonden voorwaarden; of

    • f.

      de cliënt de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt.

  • 4.

    Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na toekenning niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.

  • 5.

    Als het college een beslissing op grond van het derde lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten pgb.

  • 6.

    Als het recht op een in eigendom of in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.

  • 7.

    Het college kan in de uitoefening van zijn centrale rol gehouden zijn om een voorziening te (doen) treffen waarvoor een derde voor de kosten aansprakelijk kan zijn. Het college neemt regres op die aansprakelijke derde op grond van artikel 2.4.3 van de Wmo.

Artikel 2.1.18 Opschorting betaling uit het pgb

  • 1.

    Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de Wmo.

  • 2.

    Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.1.17, derde lid, onder d.

  • 3.

    Het college stelt de persoon aan wie het pgb is verstrekt schriftelijk op de hoogte van een verzoek als bedoeld in het eerste of tweede lid.

Artikel 2.1.19 Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen

Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan.

Artikel 2.1.20 Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen

  • 1.

    Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget, zolang de cliënt van de voorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het wordt verstrekt.

  • 2.

    De hoogte van de bijdrage voor het gebruik van een of meerdere van de voorzieningen in het vorige lid genoemd tezamen bedraagt ten hoogste het in 2.1.4a, vierde lid van de Wmo genoemde bedrag.

  • 3.

    De bijdrage in de kosten overstijgt niet de kostprijs van de voorziening.

  • 4.

    De kostprijs van een:

    • a.

      voorziening in natura is gelijk aan de kosten die het college voor de betreffende voorziening zelf maakt;

    • b.

      voorziening in de vorm van een pgb is gelijk aan de hoogte van dat budget.

  • 5.

    In afwijking van het eerste lid is geen bijdrage verschuldigd voor de volgende maatwerkvoorzieningen, producten of diensten

    • a.

      rolstoelen;

    • b.

      tijdelijke huisvesting;

    • c.

      het verwijderen van een woonvoorziening;

    • d.

      voorzieningen in algemene ruimten waaronder galerijophoging of deurautomaat op centrale toegangsdeur;

    • e.

      een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt;

    • f.

      het product specialistisch persoonsgericht maatwerk;

    • g.

      het product kortdurend verblijf;

  • 6.

    In afwijking van artikel 2.1.4a, vierde lid, van de Wmo is de cliënt met een indicatie voor het collectief vraagafhankelijk vervoer een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik daarvan en de paskosten. Deze bijdrage bedraagt maximaal het tarief, zoals dit geldt voor het openbaar vervoer.

Artikel 2.1.20a Bijdrage in de kosten voor beschermd wonen

  • 1.

    De cliënt is een bijdrage verschuldigd in de kosten voor de maatwerkvoorziening beschermd wonen, zolang de cliënt van deze maatwerkvoorziening gebruik maakt. De eigen bijdrage is afhankelijk van het inkomen en eventueel vermogen.

  • 2.

    Het college hanteert voor beschermd wonen de bedragen en percentages zoals vastgelegd in de Regeling vaststelling bedragen ex Besluit langdurige zorg en Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.

Artikel 2.1.21 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning

  • 1.

    Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen en stellen eisen aan de deskundigheid van beroepskrachten door:

    • a.

      het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt;

    • b.

      het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg; en

    • c.

      erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard.

  • 2.

    Het college kan in nadere regels bepalen welke verdere eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.

  • 3.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.

Artikel 2.1.22 - Kwaliteitseisen gesteld aan hulpmiddelen en aanpassingen ingekocht met een persoonsgebonden budget

De kwaliteitseisen gesteld aan met het pgb ingekochte hulpmiddelen en aanpassingen zijn gelijk aan de kwaliteitseisen die worden gesteld aan de gecontracteerde leveranciers.

Artikel 2.1.23 Kwaliteitseisen niet-professionele zorgverlener ingekocht via pgb

  • 1.

    Indien een cliënt of diens vertegenwoordiger een pgb wenst in te zetten voor diensten van niet-professionele zorgverlener worden hieraan de volgende voorwaarden gesteld:

    • a.

      de zorg aan de ontvanger van het pgb leidt niet tot overbelasting of dreigende overbelasting van de niet-professional;

    • b.

      de client heeft in vrijheid gekozen voor ondersteuning door de niet-professionele zorgverlener en er is geen druk uitgeoefend bij de besluitvorming;

    • c.

      de ondersteuning draagt aantoonbaar bij aan het bereiken van de in het onderzoeksverslag vastgestelde doelen;

    • d.

      de ondersteuning is van goede kwaliteit, waaronder wordt verstaan, veilig, doeltreffend en cliëntgericht.

  • 2.

    Het college kan de inzet van niet professionele zorg weigeren of beëindigen indien niet aan de in het eerste lid genoemde voorwaarden is voldaan.

Artikel 2.1.23a Kwaliteitseisen gesteld aan diensten van professionele zorgverleners ingekocht met een pgb

  • 1.

    Indien een cliënt of diens vertegenwoordiger een pgb wenst in te zetten voor diensten van professionele dienstverleners worden hieraan de volgende kwaliteitseisen gesteld:

    • a.

      ingekochte ondersteuning is veilig, doeltreffend en cliëntgericht;

    • b.

      de professionele dienstverlener handelt in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor die dienstverlener geldende professionele standaard; en

    • c.

      de ingekochte ondersteuning is afgestemd op de behoefte van de cliënt en op andere vormen van zorg en ondersteuning die de cliënt ontvangt;

    • d.

      de professionele zorgverlener beschikt over een geldige Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG, screeningsprofiel 45) conform artikel 28 Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens;

    • e.

      de professionele zorgverlener past de verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling toe.

  • 2.

    Het college kan nadere regels stellen over verdere eisen aan de kwaliteit van met een pgb ingekochte diensten van professionele dienstverleners.

Artikel 2.1.24 Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden

  • 1.

    Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de Wmo en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast:

    • a.

      een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met een derde; of

    • b.

      een reële prijs die geldt als ondergrens voor:

      • i.

        een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde;

      • ii.

        en de vaste prijs, bedoeld onder a van dit lid

  • 2.

    Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast:

    • a.

      overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de Wmo; en

    • b.

      rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de Wmo, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners.

  • 3.

    Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen:

    • a.

      de kosten van de beroepskracht;

    • b.

      redelijke overheadkosten;

    • c.

      kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg;

    • d.

      reis en opleidingskosten;

    • e.

      indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; en

    • f.

      overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen aan aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.

  • 4.

    Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad.

Artikel 2.1.25 Calamiteiten en geweld

  • 1.

    Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder.

  • 2.

    Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar.

  • 3.

    De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de Wmo, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.

  • 4.

    Aanbieders houden zich aan de geldende wetgeving.

  • 5.

    Aanbieders informeren cliënten over de wijze waarop zij calamiteiten en geweldincidenten kunnen melden en hoe de procedure van het verwerken van meldingen van calamiteiten en geweldincidenten eruitziet in overeenstemming met de Wet klachtrecht cliënten zorgsector (Wkcz).

Artikel 2.1.26 Jaarlijkse waardering mantelzorgers

Mantelzorgers van cliënten in de gemeente kunnen door middel van een melding bij het college voor het ontvangen van een jaarlijkse blijk van waardering in aanmerking worden gebracht.

  • 1.

    De jaarlijkse waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente bestaat uit het uitreiken van het mantelzorgcompliment.

  • 2.

    Deze blijk van waardering bestaat uit een cadeaubon.

  • 3.

    Het college kan bij nadere regels vaststellen op welke wijze zorg wordt gedragen voor de jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente.

Artikel 2.1.27 Klachtenregeling

  • 1.

    Het college handelt klachten van cliënten, die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen en aanvragen als bedoeld in dit hoofdstuk, af conform ‘Klachtenregeling gemeente Veenendaal’.

  • 2.

    Alle aanbieders van algemene en maatwerkvoorzieningen dienen te beschikken over een effectieve en laagdrempelige klachtenregeling voor de afhandeling van klachten van cliënten, conform de Wet klachtrecht cliënten zorgsector (WKCZ) en zij dienen dit onder de aandacht te brengen van hun cliënten.

  • 3.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders, en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

Artikel 2.1.28 Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning

  • 1.

    Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van alle voorzieningen.

  • 2.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

Artikel 2.1.29 Betrekken van ingezetenen bij het beleid

  • 1.

    Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.

  • 2.

    Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.

  • 3.

    Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.

  • 4.

    De adviesraden worden gezien als belangenbehartigers van de belangen van ingezetenen die een beroep doen op Wmo-ondersteuning.

  • 5.

    Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van het tweede en derde lid.

3. JEUGDHULP

3.1 Toeleiding en toegang Jeugdhulp

Artikel 3.1.1 Definities

In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

algemeen toegankelijke voorzieningen: overige voorzieningen als bedoeld in artikel 2.9, onder a, van de wet, waarvoor geen verleningsbeschikking van het college is vereist;

andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de wet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen, welzijn, sport en cultuur;

eigen kracht: eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de wet;

familiegroepsplan: het familiegroepsplan, bedoeld in artikel 1.1 van de wet; 

hulpvraag: behoefte van een jeugdige of zijn ouders aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de wet;

individuele voorziening: via een verleningsbeschikking toegankelijke op de jeugdige of zijn ouders toegesneden jeugdhulpvoorziening die door het college in natura of bij pgb wordt verstrekt;

sociaal netwerk: andere personen binnen de kring van familie, vrienden, kennissen en bekenden die van betekenis zijn voor- en bijdragen aan het welzijn en welbevinden van de jeugdige of zijn ouders;

wet: Jeugdwet.

Artikel 3.1.2 Vormen van jeugdhulp

  • 1.

    De volgende vormen van algemeen toegankelijke voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar:

    • a.

      ondersteuning door Veens Welzijn;

    • b.

      vrijwilligerscircuit;

    • c.

      zelfhulpgroepen;

    • d.

      themabijeenkomsten;

    • e.

      jongerenwerk;

    • f.

      informatie, advies en lichte ondersteuning rondom opgroeien en opvoeden;

    • g.

      algemene trainingen gericht op weerbaarheid, sociale vaardigheden en opvoedvaardigheden;

    • h.

      praktijkondersteuning huisarts – Jeugd;

    • i.

      onafhankelijke cliëntondersteuning;

    • j.

      jeugdgezondheidszorg;

    • k.

      toeleiding door Centrum Jeugd en Gezin naar een passende algemeen toegankelijke voorziening;

    • l.

      ambulante begeleiding door Centrum Jeugd en Gezin.

  • 2.

    De volgende vormen van individuele voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar:

    • a.

      ambulant:

      • i.

        diagnostiek;

      • ii.

        dagbehandeling;

      • iii.

        dagbesteding;

      • iv.

        individuele of groepsbegeleiding;

      • v.

        crisishulp;

      • vi.

        vervoer van de jeugdige naar en van de jeugdhulplocatie.

    • b.

      verblijf;

      • i.

        woonvormen;

      • ii.

        residentieel;

      • iii.

        gesloten verblijf;

      • iv.

        kortdurend verblijf;

      • v.

        crisisverblijf.

Artikel 3.1.3 Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts

  • 1.

    Het college draagt zorg, overeenkomstig artikel 2.6, eerste lid, aanhef en onder e, van de wet, voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder.

  • 2.

    Het college maakt afspraken met de huisarts, medisch specialist en jeugdarts over samenwerking om de jeugdige zo goed mogelijk te kunnen helpen, ieder vanuit zijn eigen rol.

  • 3.

    Jeugdhulp die na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts aan een jeugdige of zijn ouders wordt verleend door een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, komt niet voor vergoeding door de gemeente in aanmerking als het college soortgelijke jeugdhulp kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee de gemeente wel een contract- of subsidierelatie heeft.

  • 4.

    De jeugdhulpaanbieder houdt zich na een verwijzing, bij het beoordelen welke jeugdhulp nodig is in vorm, duur en frequentie aan de regels in deze verordening en de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie.

  • 5.

    Het college kan afwijken van het oordeel van de jeugdhulpaanbieder indien dit oordeel niet tot stand is gekomen conform de stappen, bedoeld in artikel 3.1.5, vierde lid, of niet voldoet aan de professionele standaard.

Artikel 3.1.4 Toegang jeugdhulp via de gemeente

  • 1.

    Jeugdigen of ouders met een hulpvraag kunnen terecht bij het college.

  • 2.

    Een aanvraag kan bij het college worden ingediend nadat de jeugdige of zijn ouders zich met een hulpvraag hebben gewend tot het Centrum Jeugd en Gezin en er met het Centrum Jeugd en Gezin een gesprek over de hulpvraag heeft plaatsgevonden.

  • 3.

    Tijdens het gesprek met het Centrum Jeugd en Gezin wordt de hulpvraag onderzocht. Indien blijkt dat de hulpvraag ondervangen kan worden met een algemeen toegankelijke voorziening als bedoeld in artikel 3.1.2, eerste lid, volgt geen aanvraag en nader onderzoek, tenzij hierom uitdrukkelijk wordt verzocht door de jeugdige of zijn ouders.

  • 4.

    Indien uit het gesprek blijkt dat nader onderzoek nodig is naar de hulpvraag en welke voorziening passend is, wordt een schriftelijke aanvraag ingediend middels een door de jeugdige of zijn ouders ondertekend aanvraagformulier.

  • 5.

    In afwijking van het tweede lid kan een aanvraag zonder voorafgaand gesprek met het Centrum Jeugd en Gezin bij het college worden ingediend als er sprake is van een veiligheidsrisico, bij uitzondering wanneer het een aanvraag betreft tot verlenging of herindicatie van een reeds toegekende voorziening of bij overige dringende redenen.

  • 6.

    Voor het indienen van de aanvraag maakt de jeugdige of zijn ouders gebruik van het door het college in de nadere regels vastgestelde formulier.

  • 7.

    Het college wijst de jeugdige en zijn ouders voor het onderzoek, bedoeld in artikel 3.1.5, op de mogelijkheid gebruik te maken van kosteloze cliëntondersteuning en op de mogelijkheid om binnen twee weken een familiegroepsplan te verstrekken.

  • 8.

    In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende voorziening. Het college legt de beslissing over de inzet van hulp in dat geval zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen vier weken na de start van de hulp, vast in een beschikking.

  • 9.

    Jeugdigen of ouders kunnen zich rechtstreeks wenden tot een algemeen toegankelijke voorziening.

Artikel 3.1.5 Onderzoek

  • 1.

    Na ontvangst van een aanvraag voert het college een onderzoek als bedoeld in artikel 2.3 van de wet uit.

  • 2.

    Het college verzamelt alle voor het onderzoek van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de jeugdige en zijn situatie en maakt zo spoedig mogelijk in overleg een afspraak voor een gesprek met de jeugdige of zijn ouders.

  • 3.

    Gedurende het onderzoek verschaffen de jeugdige of zijn ouders aan het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen. Indien het college daarom verzoekt, behoort hiertoe ook een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.

  • 4.

    Het college onderzoekt in een gesprek met de jeugdige of zijn ouders, het sociale netwerk en voor zover van toepassing de cliëntondersteuner, en voor zover nodig:

    • a.

      wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouders is en wat die hulpvraag heeft doen ontstaan;

    • b.

      de behoeften, persoonskenmerken, veiligheid, ontwikkeling en de gezinssituatie van de jeugdige;

    • c.

      of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen bij de jeugdige en om welke problemen het concreet gaat;

    • d.

      het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp;

    • e.

      welke hulp gelet op de vastgestelde problematiek naar aard en omvang nodig is om de jeugdige in staat te stellen om gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid of voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te kunnen participeren;

    • f.

      of en in hoeverre de eigen kracht van de jeugdige of ouders of ondersteuning van het sociale netwerk toereikend zijn de hulpvraag (geheel of gedeeltelijk) op te lossen;

    • g.

      voor zover de eigen kracht ontoereikend is, of het inzetten van een algemeen toegankelijke voorziening de hulpvraag geheel of gedeeltelijk kan oplossen;

    • h.

      of en welke ondersteuning aanvullend nodig is in de vorm van een individuele voorziening;

    • i.

      hoe bij de bepaling van de aangewezen vorm van jeugdhulp rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige of zijn ouders;

    • j.

      indien van toepassing, de manier waarop een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen, welzijn, sport en cultuur.

  • 5.

    Als de jeugdige of zijn ouders een familiegroepsplan hebben opgesteld, betrekt het college dat bij het onderzoek.

  • 6.

    Het college informeert de jeugdige of zijn ouders over de gang van zaken bij het onderzoek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure.

  • 7.

    Het college informeert de jeugdige en zijn ouders over de mogelijkheid om te kiezen voor de verstrekking van een pgb waarbij in begrijpelijke bewoordingen wordt uitgelegd wat de gevolgen zijn van die keuze.

  • 8.

    Het college kan, met instemming van de jeugdige of ouders, informatie opvragen bij andere instanties, zoals de huisarts, en met deze in gesprek gaan over de problemen en de meest passende hulp.

  • 9.

    Het college wint, met in achtneming van artikel 2.1, van het Besluit Jeugdwet, een specifiek deskundig oordeel en advies in, als het onderzoek of de beoordeling van een aanvraag dit vereist. Dit advies wordt uitgebracht door of onder verantwoordelijkheid van een adviseur die beschikt over een registratie als professional:

    • a.

      bij de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd in het kwaliteitsregister jeugd;

    • b.

      bij het Nederlands Instituut van Psychologen in het register Kinder- en Jeugdpsychologen; of

    • c.

      op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in het BIG-register.

  • 10.

    De jeugdige en zijn ouders zijn verplicht om, binnen de eigen mogelijkheden, mee te werken aan onderzoek.

  • 11.

    Als de jeugdige of zijn ouders naar het oordeel van het college niet of onvoldoende meewerkt of meewerken aan het onderzoek en de benodigde jeugdhulp hierdoor niet kan worden vastgesteld, kan door het college de aanvraag worden afgewezen.

Artikel 3.1.6 Gesprek en onderzoek

Dit artikel is komen te vervallen.

Artikel 3.1.7 Onderzoeksverslag

  • 1.

    Het college zorgt voor een schriftelijke verslaglegging van het onderzoek, bedoeld in artikel 3.1.5, in een onderzoeksverslag. In dit onderzoeksverslag wordt ook het oordeel van het college over de noodzaak van een individuele voorziening vastgelegd.

  • 2.

    Binnen tien werkdagen na afronding van het onderzoek verstrekt het college aan de jeugdige of zijn ouders het onderzoeksverslag.

  • 3.

    De jeugdige of zijn ouders kunnen binnen een termijn van twee weken reageren op het verslag. Het college kan deze opmerkingen of aanvullingen toevoegen aan het verslag.

Artikel 3.1.8 Aanvraag

Dit artikel is komen te vervallen.

Artikel 3.1.9 Verstrekking individuele voorziening

  • 1.

    Het college neemt het onderzoeksverslag als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een individuele voorziening.

  • 2.

    Een jeugdige of zijn ouders komen slechts in aanmerking voor een individuele voorziening wanneer het college of een andere verwijzer vaststelt dat:

    a. sprake is van concrete opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen bij de jeugdige;

    b. inzet noodzakelijk is om de jeugdige gelet op deze problemen in staat te stellen:

    i. gezond en veilig op te groeien;

    ii. te groeien naar zelfstandigheid;

    iii. voldoende redzaam te zijn en maatschappelijk te participeren; en

    c. de eigen kracht van de jeugdige of zijn ouders onvoldoende is om zelf of met behulp van hun sociale netwerk binnen afzienbare tijd een passende oplossing voor de hulpvraag te vinden.

  • 4.

    Een andere of voorliggende voorziening kan de noodzaak tot jeugdhulp wegnemen of verminderen indien deze:

    a. daadwerkelijk beschikbaar is; en

    b. passend en toereikend is voor de hulpvraag.

  • 5.

    De inzet van een individuele voorziening is in beginsel tijdelijk en gericht op herstel en versterking van de eigen kracht van de jeugdige of diens ouders. Bij het verstrekken van een individuele voorziening wordt altijd uitgegaan van de goedkoopst adequate voorziening.

  • 6.

    Een individuele voorziening jeugdhulp wordt toegekend als de inzet van de voorziening doeltreffend geacht kan worden. De doeltreffendheid beoordeelt het college door vast te stellen of de individuele voorziening wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag en waar beschikbaar er wordt gewerkt met een bewezen effectieve interventie en nooit met een bewezen niet effectieve interventie.

  • 7.

    Er is sprake van een bewezen effectieve voorziening als de effectiviteit is vastgesteld in wetenschappelijk onderzoek en de interventie is opgenomen als zijnde ‘erkend’ in:

    a. de Databank Effectieve Jeugdinterventie van het Nederlands Jeugdinstituut;

    b. de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden;

    c. de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking.

  • 8.

    Als een deel van de oorzaak van de hulpvraag is gelegen in problematiek bij de ouder dan hoort de ondersteuning van de ouder die voor dat gedeelte van de hulpvraag nodig is in beginsel onder de daarvoor geldende wettelijke voorziening voor volwassenen, ongeacht of de jeugdige zelf een beperking heeft. De hulp die daarnaast nodig is voor de jeugdige is wel jeugdhulp, of noodzakelijke opvoedondersteuning.

  • 9.

    Het college verstrekt alleen een voorziening als bedoeld in het tweede lid als de gemaakte kosten zien op een periode vanaf het moment van indienen van de aanvraag.

  • 10.

    Het college kan afwijken van het bepaalde in het achtste lid in spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 3.1.4, achtste lid.

Artikel 3.1.9a Beoordelingscriteria eigen kracht

  • 1.

    Onder de eigen mogelijkheden van de ouders, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de wet, verstaat het college de inzet die redelijkerwijs van ouders mag worden verwacht bij de verzorging, opvoeding en begeleiding van jeugdigen, gelet op hun wettelijke verantwoordelijkheid op grond van artikelen 1:82 en 1:247 van het Burgerlijk Wetboek. Hieronder valt in ieder geval: 

    a. het bieden van dagelijkse verzorging, opvoeding en toezicht, passend bij de leeftijd en ontwikkelingsfase van de jeugdige; 

    b. het aanleren van vaardigheden; 

    c. het inschakelen van beschikbare en bereikbare hulpbronnen binnen het gezin of het sociale netwerk; en 

    d. het bevorderen van de ontwikkelingskansen, zelfstandigheid en maatschappelijke participatie van de jeugdige.

  • 2.

    Onder het probleemoplossend vermogen van de ouders, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de wet, verstaat het college het vermogen van de ouders om op eigen initiatief, al dan niet met ondersteuning uit hun sociale netwerk, maatregelen te treffen die de hulpvraag oplossen of beperken. Hieronder valt in ieder geval:

    a. het benutten van beschikbare andere voorzieningen, waaronder in ieder geval begrepen: 

    i. opvangmogelijkheden op basis van de Wet kinderopvang, al dan niet met gebruikmaking van een tijdelijke tegemoetkoming in de kosten van de kinderopvangtoeslag op basis van een sociaal-medische indicatie; 

    ii. ondersteuning op grond van de Wmo;

    iii. aanspraak maken op de zorgverzekeringswet; 

    iv. het maken van aanspraak op de aanvullende zorgverzekering, indien aanwezig; 

    b. het benutten van beschikbare algemeen toegankelijke voorzieningen; 

    c. het herverdelen van zorgtaken of aanpassen van werk- of dagindeling; 

    d. het zoeken naar passende oplossingen binnen het bestaande netwerk.

  • 3.

    Bij de beoordeling van de eigen kracht van de ouders houdt het college rekening met de objectieve belemmeringen die de ouders ondervinden.

  • 4.

    Van objectieve belemmeringen als bedoeld in het derde lid is sprake wanneer ouders, ondanks aantoonbare en redelijke inspanningen om hun eigen kracht te benutten, niet in staat zijn de noodzakelijke hulp aan hun kinderen te bieden of te organiseren.

  • 5.

    Bij de beoordeling van de objectieve belemmeringen, bedoeld in het derde lid, betrekt het college in ieder geval: 

    a. lichamelijke of psychische beperkingen van de ouders die aantoonbaar invloed hebben op het bieden van de noodzakelijke hulp aan de jeugdige; 

    b. beperkingen in kennis en vaardigheden die niet binnen een redelijke termijn kunnen worden aangeleerd; 

    c. de mate waarin ouders gebruik kunnen maken van hun sociale netwerk; 

    d. financiële of maatschappelijke omstandigheden die een substantiële belemmering vormen voor het bieden of organiseren van de noodzakelijke hulp aan de jeugdige; 

    e. ernst, duur en complexiteit van de problematiek van de jeugdige en de aard en omvang van de hulpvraag die daaruit voortvloeit; 

    f. de gezinssituatie, waarbij meerdere jeugdigen met zorgvragen of alleenouderschap aantoonbaar een belemmering vormen voor het bieden of organiseren van de noodzakelijke hulp aan de jeugdige.

Artikel 3.1.9b Vervoer

  • 1.

    Uitgangspunt is dat ouders zelf verantwoordelijk zijn voor vervoer van de jeugdige van en naar de jeugdhulpaanbieder. Hierbij wordt het vervoer van en naar de jeugdhulplocatie binnen een straal van zes kilometer in beginsel beschouwd als behorend tot de eigen kracht van de jeugdige of zijn ouders. 2. Een vervoersvoorziening kan uitsluitend worden verstrekt indien dit aantoonbaar in het belang van de jeugdige is en:

    • a.

      sprake is van een medische noodzaak, waarbij de mate van zelfredzaamheid van de jeugdige bepalend is, of;

    • b.

      door de ouders ten behoeve van het college voldoende wordt aangetoond dat zij niet in staat zijn, ook niet met behulp van hun sociale netwerk, om het vervoer zelfstandig uit te voeren, dan wel dat dit tot ernstige benadeling van het gezin zou leiden, en er geen andere passende oplossing mogelijk is.

  • 2.

    Het college beoordeelt, overeenkomstig artikel 3.1.5 en 3.1.9a, in elke individuele situatie of er specifieke omstandigheden zijn waardoor de eigen kracht van de jeugdige of zijn ouders onvoldoende zijn om de eigen verantwoordelijkheid voor het vervoer op zich te nemen.

  • 3.

    Als naar het oordeel van het college een passende voorziening beschikbaar is waarvoor geen vervoer geïndiceerd hoeft te worden, wordt aangesloten bij het bepaalde in artikel 3.1.9, vierde lid. Hierbij geldt dat de kosten worden bepaald op basis van de voorziening en vervoersindicatie tezamen.

Artikel 3.1.9c Dyslexie

  • 1.

    De zorg voor kinderen van 4 tot 13 jaar met ernstige dyslexie (ED), dyslexiezorg, valt onder de wet.

  • 2.

    Voor dyslexiezorg geldt dat deze alleen toegankelijk is voor de jeugdige nadat de ED-specialist van het Centrum Jeugd en Gezin op basis van het Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling 3.0 van oordeel is dat diagnostiek dan wel de behandeling van Ernstige Dyslexie noodzakelijk is.

Artikel 3.1.9d Vaktherapie

  • 1.

    Vaktherapie is een non-verbale behandelvorm die uitgaat van doen en ervaren. Vaktherapie is de overkoepelende naam voor de volgende vaktherapeutische disciplines:

    • a.

      beeldende therapie;

    • b.

      danstherapie;

    • c.

      dramatherapie;

    • d.

      muziektherapie;

    • e.

      psychomotorische therapie;

    • f.

      psychomotorische kindertherapie, en

    • g.

      speltherapie.

  • 2.

    Vaktherapie wordt uitgevoerd door een vaktherapeut. Dat is een professional die een erkende opleiding op HBO- of master niveau voor vaktherapie heeft volbracht. Een erkende opleiding is een door de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie geaccrediteerde opleiding.

  • 3.

    Vaktherapie kan alleen worden ingezet als jeugdhulp als deze naar het oordeel van het college een noodzakelijk onderdeel uitmaakt van de totale behandeling en als er geen passend alternatief beschikbaar is.

  • 4.

    Vaktherapie kan alleen worden ingezet onder verantwoordelijkheid van een professional die is ingeschreven in het Register Vaktherapie.

  • 5.

    Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op dierondersteunende interventies.

Artikel 3.1.9e. Afstemming met voorliggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning

  • 1.

    Het college stemt de jeugdhulp waaraan een jeugdige of een ouder behoefte heeft, ten minste af op het aanbod van activiteiten, diensten of middelen op grond van:

    • a.

      de Leerplichtwet;

    • b.

      de Participatiewet;

    • c.

      de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening;

    • d.

      de Wet Inburgering 2021;

    • e.

      de Wet kinderopvang;

    • f.

      de Wet langdurige zorg;

    • g.

      de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

    • h.

      de Wet passend onderwijs;

    • i.

      de Wet publieke gezondheid;

    • j.

      de Wet tijdelijk huisverbod;

    • k.

      de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg; en

    • l.

      de Zorgverzekeringswet,

      zodat deze zoveel mogelijk op elkaar aansluiten en ondersteunt de jeugdige en zijn ouder(s) actief bij het verkrijgen van toegang tot de andere voorziening(en) of bij behoud van de continuïteit van de zorg op grond van de benodigde zorg.

  • 2.

    Het college weegt bij de afstemming van de jeugdhulp de volgende aspecten mee:

    • a.

      de behoefte aan hulp en ondersteuning van een jeugdige of een ouder;

    • b.

      de eigen kracht van een jeugdige of een ouder, bedoeld in artikel 3.1.9a, en de mogelijkheden van het sociale netwerk;

    • c.

      welke volgorde van inzet van hulp en ondersteuning naar verwachting het meeste effect sorteert en in hoeverre hulp en ondersteuning gelijktijdig kan of moet worden ingezet;

    • d.

      welke hulp en ondersteuning leidt tot de minste maatschappelijke kosten op lange termijn.

  • 3.

    Het college onderzoekt tijdig welke andere voorziening nodig is, vanaf de achttiende verjaardag van de jeugdige die hulp ontvangt op grond van de wet. Daarbij wordt beoordeeld op welke wijze en vanuit welke andere voorzieningen (Wet maatschappelijke ondersteuning, Wet langdurige zorg, of de Zorgverzekeringswet) de benodigde ondersteuning kan worden ingezet, met als doel de continuïteit van de ondersteuning zo goed mogelijk te waarborgen.

Artikel 3.1.10 Beslistermijn

  • 1.

    Het college beslist binnen 8 weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.

  • 2.

    Het college kan deze termijn met ten hoogste 8 weken verlengen.

Artikel 3.1.11 Inhoud beschikking

  • 1.

    Het college legt de beslissing over het toekennen of afwijzen van een individuele voorziening vast in een beschikking.

  • 2.

    Bij het verstrekken van een voorziening in natura worden in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      de met de jeugdige of zijn ouders gemaakte afspraken;

    • b.

      de te treffen voorziening;

    • c.

      de omvang van de voorziening;

    • d.

      wat de gestelde doelen zijn;

    • e.

      wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;

    • f.

      hoe de voorziening wordt verstrekt; en

    • g.

      indien van toepassing, welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn.

  • 3.

    Bij het verstrekken van een voorziening als pgb wordt in de beschikking vastgelegd:

    • a.

      de met de jeugdige of zijn ouders gemaakte afspraken;

    • b.

      wat de gestelde doelen zijn;

    • c.

      voor welke individuele voorziening het pgb kan worden aangewend;

    • d.

      welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;

    • e.

      welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn;

    • f.

      wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;

    • g.

      wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld; en

    • h.

      de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.

  • 4.

    Het onderzoeksverslag, bedoeld in artikel 3.1.7, maakt deel uit van de beschikking.

Artikel 3.1.12 Regels voor pgb

  • 1.

    Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 8.1.1 van de wet.

  • 2.

    Als een jeugdige of zijn ouders in aanmerking komen voor een individuele voorziening, maar de jeugdhulp zelf wensen in te kopen door middel van een pgb, dienen de jeugdige of zijn ouders daartoe een budgetplan in. In het budgetplan is opgenomen:

    • a.

      de motivatie om de jeugdhulp in de vorm van een pgb te ontvangen;

    • b.

      bij welke aanbieder zij de jeugdhulp willen inkopen en hoe de jeugdhulp is georganiseerd;

    • c.

      hoe de kwaliteit van de jeugdhulpvoorziening is gewaarborgd en op welke wijze wordt vastgesteld dat de voorziening geschikt is voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt;

    • d.

      hoe de jeugdige of diens ouders, met hulp van een vertegenwoordiger of iemand uit het sociale netwerk, de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze zal uitvoeren;

    • e.

      wat de kosten voor de jeugdhulp zijn uitgedrukt in eenheden en tarief.

  • 3.

    Een jeugdige of zijn ouders kunnen gebruikmaken van een vertegenwoordiger bij het beheer van het pgb. Indien gebruik wordt gemaakt van een vertegenwoordiger gelden de volgende voorwaarden:

    • a.

      de vertegenwoordiger mag niet tevens de zorgverlener zijn;

    • b.

      de vertegenwoordiger heeft geen directe familiaire of zakelijke relatie met de zorgverlener of met de organisatie waar de zorg wordt ingekocht;

    • c.

      de vertegenwoordiger is in staat de belangen van de jeugdige onafhankelijk te behartigen en het pgb op verantwoorde wijze te beheren.

  • 4.

    De persoon aan wie een pgb wordt verstrekt kan de jeugdhulp onder de volgende voorwaarden betrekken van een persoon die behoort tot het eigen sociale netwerk:

    • a.

      de jeugdhulp betreft persoonlijke verzorging of permanent toezicht;

    • b.

      deze persoon heeft aangegeven dat het leveren van de jeugdhulp voor hem niet tot overbelasting leidt.

  • 5.

    Het college kan, indien nodig, laten toetsen of de persoon, bedoeld in het vierde lid, verantwoorde jeugdhulp kan leveren.

  • 6.

    Indien de ouder van de jeugdige zelf optreedt als zorgverlener, treedt deze niet op als beheerder van het pgb. In dat geval wordt een afzonderlijke vertegenwoordiger aangewezen die voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in het derde lid.

  • 7.

    Het college kan afwijken van het zesde lid indien:

    • a.

      dit aantoonbaar in het belang is van de jeugdige;

    • b.

      de kwaliteit van de zorgverlening gewaarborgd blijft, en;

    • c.

      er geen reëel alternatief beschikbaar is in de vorm van een andere geschikte vertegenwoordiger of zorgverlener.

  • 8.

    Het pgb wordt in ieder geval niet gebruikt voor:

    • a.

      kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers;

    • b.

      kosten voor het voeren van een pgb-administratie;

    • c.

      kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb;

    • d.

      kosten voor feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering;

    • e.

      reiskosten;

    • f.

      kosten voor de aanvraag van een Verklaring Omtrent Gedrag.

  • 9.

    Het pgb bevat geen vrij-besteedbaar bedrag.

Artikel 3.1.12a Onderscheid formele en informele hulp

  • 1.

    Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen:

    • a.

      personen die werkzaam zijn bij een organisatie met een aanbod dat past bij de hulpvraag waarvoor de jeugdige of de ouders het pgb krijgen. De organisatie staat ingeschreven in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007). De personen beschikken over de relevante diploma’s om de werkzaamheden die nodig zijn uit te voeren of;

    • b.

      personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister conform artikel 5, van de Handelsregisterwet 2007 en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken.

    • c.

      personen die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG-registratie) of artikel 5.2.1 van het Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp (SKJ-registratie).

  • 2.

    Als de hulp wordt verleend door een andere persoon dan beschreven in het eerste lid gaat het altijd om informele hulp.

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid is er altijd sprake van informele hulp als de jeugdhulp geboden wordt door een persoon uit het sociale netwerk van de jeugdige of zijn ouders.

Artikel 3.1.12b Hoogte van het pgb

  • 1.

    De hoogte van een pgb wordt vastgesteld aan de hand van een door de jeugdige of zijn ouders opgesteld budgetplan als bedoeld in artikel 3.1.12, tweede lid.

  • 2.

    De hoogte van het pgb voor formele hulp bedraagt 85 % van het tarief voor gecontracteerde jeugdhulp in natura, tenzij op basis van het door de jeugdige of zijn ouders ingediende budgetplan passende en toereikende jeugdhulp voor een lager tarief kan worden ingekocht.

  • 3.

    Als het op basis van het eerste lid vastgestelde pgb in een individueel geval onvoldoende is om de passende jeugdhulp te kunnen inkopen, wordt het tarief zodanig aangepast dat de hulp hiermee bij tenminste één jeugdhulpaanbieder kan worden ingekocht.

  • 4.

    De hoogte van het pgb voor informele hulp is bij het bestaan van een arbeidsovereenkomst of overeenkomst van opdracht gelijk aan de hoogste periodiek van de benodigde hulp in de CAO VVT, vermeerderd met de vakantiebijslag en tegenwaarde van de verlofuren.

Artikel 3.1.12c Weigeringsgronden voor een pgb

Het college kan een pgb weigeren wanneer gebleken is dat:

  • a.

    er eerder een pgb is verleend op grond van de verordening dan wel aan een van de hieraan voorafgaande verordeningen en de jeugdige of zijn ouders zich niet heeft gehouden aan de bij de verlening van dat eerdere pgb opgelegde verplichtingen;

  • b.

    de jeugdige of zijn ouders geen budgetplan kan aanleveren;

  • c.

    naar het oordeel van het college uit het budgetplan onvoldoende blijkt dat de voorziening die de jeugdige of zijn ouders inkoopt met het pgb voldoet aan de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 3.1.12d;

  • d.

    er naar het oordeel van het college het ernstige vermoeden bestaat dat de jeugdige of zijn ouders of degene die de jeugdige of zijn ouders hierbij ondersteunt, problemen heeft bij het omgaan met een pgb;

  • e.

    de jeugdige of zijn ouders niet voldoet aan de overige aan het pgb verbonden voorwaarden, bedoeld in artikel 3.1.12.

Artikel 3.1.12d Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een pgb

  • 1.

    Ter waarborging van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen individuele voorziening voldoet de uitvoerder van de jeugdhulp aan de volgende eisen:

    • a.

      beschikt over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) die niet ouder is dan drie maanden bij aanvang van de zorgovereenkomst en gedurende de hulpverlening niet ouder dan drie jaar, waaruit blijkt dat er geen bezwaren zijn voor de uitoefening van diens functie. Ouders zijn uitgesloten van deze eis;

    • b.

      beschikt over de juiste vaardigheden en deskundigheid om verantwoorde hulp te bieden;

    • c.

      houdt een deugdelijke administratie bij met een registratie van de geleverde hulp;

    • d.

      is voldoende vaardig om in de Nederlandse taal te communiceren;

    • e.

      werkt volgens een plan waarin activiteiten en doelen zijn vastgelegd;

    • f.

      voert de hulp uit in overeenstemming met de beschikking van het college;

    • g.

      stemt de hulp af op de persoonlijke situatie van de jeugdige of zijn ouders;

    • h.

      stemt de hulp af op andere voorzieningen, overige voorzieningen en individuele voorzieningen waar de jeugdige of zijn ouders gebruik van maken;

    • i.

      respecteert de privacy van de jeugdige of zijn ouders en gaat vertrouwelijk om met informatie over de persoonlijke situatie;

    • j.

      neemt bij vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling in het huishouden van de jeugdige of zijn ouders voor advies of het doen van een melding contact op met Veilig Thuis;

    • k.

      meldt calamiteiten en geweldsincidenten bij de verlening van jeugdhulp aan het college;

    • l.

      werkt mee aan toezicht en aangekondigd en onaangekondigd onderzoek door het college of daartoe aangewezen derden op inhoudelijke kwaliteit en op rechtmatigheid; en

    • m.

      is of raakt door verlening van de jeugdhulp naar het oordeel van het college niet overbelast.

  • 2.

    Ter waarborging van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen individuele voorziening voldoet de uitvoerder van formele jeugdhulp aan de volgende aanvullende eisen:

    • a.

      hetgeen is bepaald in artikel 3.1.12a, eerste lid;

    • b.

      handelt in overeenstemming met de professionele standaard;

    • c.

      werkt op basis van een hulpverleningsplan;

    • d.

      werkt met een systeem voor kwaliteitsbewaking;

    • e.

      hanteert de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, de meldplicht calamiteiten en de meldplicht geweld bij de verlening van jeugdhulp; en

    • f.

      stelt een vertrouwenspersoon in staat zijn taak uit te voeren.

  • 3.

    Er wordt geen pgb voor informele jeugdhulp verstrekt als, conform het afwegingskader voor een verantwoorde werktoedeling op basis van het Kwaliteitskader Jeugd, formele jeugdhulp noodzakelijk is.

Artikel 3.1.13 Opschorting betaling uit het pgb

  • 1.

    Het college kan de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van de persoon aan wie het pgb is verstrekt een ernstig vermoeden is gerezen dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 8.1.4, eerste lid, onder a, d of e, van de wet.

  • 2.

    Het college kan de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 3.1.14, derde lid, onder f.

  • 3.

    Het college stelt de jeugdige of zijn ouders schriftelijk op de hoogte van het verzoek op grond van het eerste en tweede lid.

Artikel 3.1.14 Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen individuele voorzieningen in natura en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet

  • 1.

    Het college treft de nodige maatregelen om misbruik of het oneigenlijk gebruik van individuele voorzieningen tegen te gaan. Tot deze maatregelen behoren in ieder geval:

    • a.

      het zoeken naar mogelijke samenwerking met organisaties die zich ook bezighouden met het tegengaan van oneigenlijk gebruik en misbruik op het terrein van de zorg of aanverwante terreinen;

    • b.

      het maken van afspraken met jeugdhulpaanbieders over de facturatie, resultaatsturingen, accountantscontrole en productieverantwoordingen, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties;

    • c.

      het beperken van de looptijd van de indicaties of periodiek uitvoeren van controles bij langlopende indicaties;

    • d.

      het uitvoeren van een grondige toets aan de voorkant bij de verstrekking van een pgb op:

      • i.

        de regiemogelijkheden van de jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger;

      • ii.

        de kwaliteit van de invulling van de individuele voorziening door de pgb-aanbieder mede met het oog op de te bereiken resultaten, bedoeld in artikel 3.1.11, derde lid, onder b;

    • e.

      het monitoren van het gebruik van het pgb en de behaalde resultaten in relatie tot de gestelde doelen;

    • f.

      het informeren van de jeugdige of zijn ouders in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele voorziening in natura of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.

  • 2.

    Onverminderd artikel 8.1.2 van de wet doen een jeugdige en zijn ouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening in natura of pgb.

  • 3.

    Onverminderd artikel 8.1.4 van de wet kan het college een beslissing aangaande een individuele voorziening in natura of pgb herzien dan wel intrekken indien het college vaststelt dat:

    • a.

      de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid;

    • b.

      de jeugdige of zijn ouders niet langer op de individuele voorziening in natura of op het pgb zijn aangewezen;

    • c.

      de individuele voorziening in natura of het pgb niet meer toereikend is te achten;

    • d.

      de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van het pgb;

    • e.

      de jeugdige of zijn ouders de individuele voorziening in natura of het pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bestemd; of

    • f.

      de jeugdige langer dan twee maanden verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet.

  • 4.

    Indien het college een beslissing op grond van het derde lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten individuele voorziening in natura of het ten onrechte genoten pgb.

  • 5.

    Een besluit tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken indien blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.

Artikel 3.1.15 Onderzoek naar recht- en doelmatigheid individuele voorzieningen in natura en pgb’s

  • 1.

    Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van individuele voorzieningen in natura en pgb’s met het oog op de beoordeling van de recht- en doelmatigheid daarvan.

  • 2.

    Het college wijst ambtenaren aan die belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet en hoofdstuk 3 van deze verordening.

  • 3.

    Voor zover de toezichthoudende ambtenaar door inzage in bescheiden bij de vervulling van zijn taak dan wel door verstrekking van gegevens in het kader van een melding gegevens, daaronder begrepen bijzondere persoonsgegevens als bedoeld in de Algemene verordening gegevensbescherming, heeft verkregen, ter zake waarvan de beroepskracht uit hoofde van zijn beroep tot geheimhouding verplicht is, geldt gelijke verplichting voor de toezichthoudende ambtenaar.

  • 4.

    De aanvrager en ontvanger van de individuele voorziening en eventueel betrokken derden verstrekken aan het college alle medewerking en informatie die benodigd is voor het onderzoek als bedoeld in het eerste lid voor zover de medewerking redelijkerwijs gevorderd kan worden.

  • 5.

    Het college kan onderzoek doen naar de reden van de beëindiging van de aanspraak op een voorziening en op basis daarvan besluiten nemen met betrekking tot de rechtmatigheid van de voorziening en de wederzijds tussen het college en de jeugdige of zijn ouder resterende verplichtingen en de afhandeling daarvan.

  • 6.

    Het college kan ten aanzien van het bepaalde in dit artikel nadere regels stellen.

Artikel 3.1.15a Toezichthouder

  • 1.

    De toezichthouder, bedoeld in artikel 3.1.15, functioneert onafhankelijk.

  • 2.

    De toezichthouder is belast met:

    • a.

      de bevoegdheid om inlichtingen te vorderen, waaronder van de politie en de belastingdienst;

    • b.

      de bevoegdheid om de (cliënten)administratie te vorderen bij de jeugdhulpaanbieder;

    • c.

      de bevoegdheid om de administratie te vorderen van de jeugdige dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger;

    • d.

      het vorderen van identificatie;

    • e.

      de inzage van documenten en toegang tot gegevens;

    • f.

      het betreden van plaatsen, met uitzondering van woningen;

    • g.

      het controleren of de jeugdhulpaanbieder de verplichtingen uit de toekenningsbeschikking of de raamovereenkomst of uitvoeringsovereenkomst met het college naleeft;

    • h.

      het ondersteuningsinhoudelijk controleren van de overeenkomsten die de jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger heeft gesloten; voldoen deze aan bij de aanvraag geleverde gegevens en informatie;

    • i.

      het controleren of de voorziening veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt uitgevoerd;

    • j.

      het uitvoeren van formele controle, materiële controle, detailcontrole en fraudeonderzoek bij jeugdhulpaanbieders.

  • 3.

    De toezichthouder maakt zijn onderzoeksrapport actief openbaar en neemt daarbij de regels uit de Wet open overheid en de Algemene Verordening Gegevensbescherming in acht.

Artikel 3.1.15b Maatregelen bij onrechtmatigheid

  • 1.

    Als uit onderzoek van de toezichthouder blijkt dat de ondersteuning niet conform de gestelde (kwaliteits-) eisen is geleverd of onrechtmatig is gedeclareerd dan handelt het college conform een vastgestelde handhavingslijn.

  • 2.

    Bij de te nemen maatregelen worden de volgende uitgangspunten in acht genomen:

    • a.

      handhaven geschiedt op basis van risico’s;

    • b.

      maatregelen zijn doelgericht, proportioneel en subsidiair;

    • c.

      lichte maatregelen worden getroffen waar het kan en zware maatregelen waar nodig;

    • d.

      handhaving is maatwerk waarbij iedere situatie apart wordt afgewogen;

    • e.

      het belang van jeugdigen en zijn ouders staat voorop.

Artikel 3.1.16 Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering

  • 1.

    Het college baseert in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding de tarieven die het hanteert voor door jeugdhulpaanbieders te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, op ten minste de volgende kostprijselementen:

    • a.

      cliëntgebonden en niet-cliëntgebonden kosten van beroepskrachten;

    • b.

      cliëntgebonden kosten anders dan van beroepskrachten;

    • c.

      een redelijke toeslag voor overheadkosten;

    • d.

      kosten voor indexering.

  • 2.

    Het college bedingt bij de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieders van preventie, jeugdhulpaanbieders of gecertificeerde instellingen dat zij het verlenen van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering alleen aan derden uitbesteden als zij die derden daarvoor een reële prijs betalen, die tot stand is gekomen met gebruikmaking van de kostprijselementen bedoeld in het eerste lid.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid gelden voor subsidies slechts voor zover zij worden verstrekt voor de daadwerkelijke verlening van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering aan jeugdigen of hun ouders en de omvang van de subsidie direct of indirect wordt gebaseerd op de hoeveelheid verrichte diensten.

Artikel 3.1.17 Betrekken van inwoners bij het beleid

  • 1.

    Het college stelt jeugdigen of ouders, vertegenwoordigers van cliëntgroepen en adviesraden vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.

  • 2.

    Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.

Artikel 3.1.18 Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen in het voordeel van de jeugdige of ouders afwijken van de bepalingen van dit hoofdstuk als naar het oordeel van het college toepassing van de verordening in het concrete geval leidt tot onevenredig nadelige gevolgen voor jeugdige of ouders die niet in verhouding staan tot het doel van de verordening.

4. WERK EN INKOMEN

4.1 Re-integratie

Algemene bepalingen

Artikel 4.1.1 Definities

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    de doelgroep:

personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de Pw;

  • b.

    een grote afstand tot de arbeidsmarkt:

deelname aan de arbeidsmarkt van een persoon is redelijkerwijs niet mogelijk binnen één jaar;

  • c.

    een korte afstand tot de arbeidsmarkt:

deelname aan de arbeidsmarkt van een persoon is redelijkerwijs mogelijk binnen één jaar;

  • d.

    interne werkbegeleiding:

door een collega geboden dagelijkse werkbegeleiding op de werkvloer omdat de werknemer anders niet in staat is zijn werkzaamheden uit te voeren, waarbij sprake is van meer dan de gebruikelijke begeleiding van een werknemer op een werkplek;

  • e.

    jobcoaching:

door een erkende deskundige geboden methodische ondersteuning aan personen met een arbeidsbeperking en aan werkgevers, gericht op het vinden en behouden van werk;

  • f.

    langdurig werkloze:

een persoon die 12 maanden of langer geen reguliere betaalde betrekking heeft gevonden;

  • g.

    loonkosten:

het brutoloon inclusief vakantiegeld en wettelijke werkgeverslasten;

  • h.

    meeneembare voorziening:

een op een medewerker met een arbeidsbeperking toegesneden hulpmiddel dat noodzakelijk is om naar behoren de werkzaamheden te kunnen verrichten als het gaat om een voorziening die niet aard- en nagelvast is en waarover een werkgever normaliter niet beschikt.

  • i.

    overige voorzieningen:

voorzieningen als bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder f, van de Pw

  • j.

    persoonlijke ondersteuning bij werk:

ondersteuning als bedoeld in artikel 10, eerste en derde lid, van de Pw en begeleiding op de werkplek als bedoeld in artikel 10da van de Pw;

  • k.

    voorziening:

door het college noodzakelijk geachte voorziening, gericht op arbeidsinschakeling waaronder mede wordt begrepen persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van opgedragen taken;

  • l.

    werkgever:

degene die op basis van een arbeidsovereenkomst de bevoegdheid heeft om de arbeid van een werknemer gedurende een overeengekomen periode aan te wenden in zijn organisatie;

  • m.

    werknemer:

persoon die op basis van een arbeidsovereenkomst arbeid verricht bij de werkgever, daaronder begrepen een persoon als bedoeld in artikel 10d eerste of tweede lid van de Pw met wie de werkgever een arbeidsovereenkomst is aangegaan, dan wel dit van plan is;

Artikel 4.1.2a Re-integratievoorziening

  • 1.

    Het college kan de voorziening, bedoeld in artikel 4.1.6, aanbieden aan personen die behoren tot de doelgroep met een korte afstand tot de arbeidsmarkt.

  • 2.

    Het college kan de voorzieningen, bedoeld in de artikelen 4.1.4, 4.1.5, 4.1.7 en 4.1.8, aanbieden aan personen die behoren tot de doelgroep met een grote afstand tot de arbeidsmarkt.

  • 3.

    Bij het aanbieden van een re-integratievoorziening aan een niet-uitkeringsgerechtigde geldt het volgende:

    • a.

      er wordt bij voorkeur een groepsgerichte activiteit ingezet;

    • b.

      er wordt bij het inzetten van een andere voorziening een afweging gemaakt tussen kosten en baten.

  • 4.

    Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon waarbij:

    • a.

      de omstandigheden in ieder geval betrekking hebben op zorgtaken van die persoon, waaronder in ieder geval wordt verstaan:

      • i.

        de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar; of

      • ii.

        de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg; en

    • b.

      de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk.

Artikel 4.1.2b. Budget- en subsidieplafonds

  • 1.

    Het college kan een of meer subsidie- of budgetplafonds vaststellen voor de verschillende voorzieningen zoals genoemd in de hiernavolgende artikelen.

  • 2.

    Het bereiken van een door het college ingesteld subsidie- of budgetplafond, vormt een weigeringsgrond bij de aanspraak op een specifieke voorziening, onverlet artikel 7 van de Pw.

Artikel 4.1.3 Algemene bepalingen over voorzieningen

  • 1.

    Het college kan een voorziening toekennen als:

    • a.

      de persoon ten behoeve van wie de voorziening zou worden verstrekt behoort tot de doelgroep;

    • b.

      de persoon voldoende medewerking verleent aan het onderzoek dat nodig is voor het beoordelen van het recht op de voorziening;

    • c.

      de persoon geen beroep kan doen op een voorziening op basis van een andere wettelijke regeling, waardoor er sprake is van een voorliggende voorziening;

    • d.

      de voorziening naar het oordeel van het college voldoende bijdraagt aan de arbeidsinschakeling; of

    • e.

      er wordt voldaan aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening.

  • 2.

    Het college biedt uitsluitend een voorziening bij een werkgever aan als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.

  • 3.

    Het college kan een beslissing tot het aanbieden van een voorziening herzien of intrekken als:

    • a.

      de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de Pw, de artikelen 13 en 37 van de IOAW of de artikelen 13 en 37 van de IOAZ niet nakomt;

    • b.

      de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep;

    • c.

      de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in deze paragraaf genoemde voorzieningen, tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Pw;

    • d.

      naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling;

    • e.

      de voorziening naar het oordeel van het college niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de voorziening;

    • f.

      de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening;

    • g.

      de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze paragraaf worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening.

  • 4.

    Het college biedt de goedkoopst adequate voorziening aan, waarbij in het plan van aanpak, bedoeld in artikel 44a van de Pw, rekening wordt gehouden met andere voorzieningen die in het kader van het sociaal domein beschikbaar zijn en indien nodig daarmee wordt afgestemd, zodat het aanbod optimaal bijdraagt aan een integrale ondersteuning van de persoon

Voorzieningen

Artikel 4.1.4 Werkstage

  • 1.

    Het college kan een persoon een werkstage gericht op arbeidsinschakeling aanbieden als deze:

    • a.

      behoort tot de doelgroep; en

    • b.

      nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een afstand tot de arbeidsmarkt heeft door langdurige werkloosheid.

  • 2.

    Het doel van een werkstage is het opdoen van werkervaring of het leren functioneren in een arbeidsrelatie.

  • 3.

    Een werkstage wordt ingezet voor drie maanden met de mogelijkheid van een eenmalige verlenging van maximaal drie maanden.

  • 4.

    In een schriftelijke overeenkomst wordt in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      het doel van de werkstage; en

    • b.

      de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt.

Artikel 4.1.5 Sociale activering

  • 1.

    Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering voor zover er een reële kans bestaat dat deze op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen.

  • 2.

    Het college stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die persoon.

Artikel 4.1.6 Detacheringsbaan

  • 1.

    Het college kan door detachering zorgen voor toeleiding van een persoon die behoort tot de doelgroep naar een dienstverband met een werkgever, gericht op arbeidsinschakeling.

  • 2.

    De werknemer kan door deze werkgever door middel van een detacheringsconstructie te werk worden gesteld bij een inlener.

Artikel 4.1.7 Scholing

  • 1.

    Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een scholingstraject aanbieden.

  • 2.

    Een scholingstraject voldoet in ieder geval aan de volgende eisen:

    • a.

      het is gericht op arbeidsinschakeling;

    • b.

      het is gericht op het behalen van een startkwalificatie op de arbeidsmarkt;

    • c.

      de scholing is kortdurend en gericht op snelle arbeidsinschakeling; en

    • d.

      de meest doelmatige scholingsmogelijkheid wordt benut.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op personen als bedoeld in artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de Pw.

Artikel 4.1.8 Participatieplaats

  • 1.

    Het college kan een persoon van 27 jaar of ouder met recht op algemene bijstand overeenkomstig artikel 10a van de Pw onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten.

  • 2.

    Het college zorgt ervoor dat de te verrichten additionele werkzaamheden worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst die wordt ondertekend door het college, de werkgever en de persoon die de additionele werkzaamheden gaat verrichten.

  • 3.

    De premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de Pw bedraagt € 100,- per zes maanden, mits in die zes maanden voldoende is meegewerkt aan het vergroten van de kans op inschakeling in het arbeidsproces.

Artikel 4.1.9 Participatievoorziening beschut werk

  • 1.

    Het college verstrekt om de in artikel 10b, eerste lid, van de Pw, bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken de volgende voorzieningen:

    • a.

      fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving;

    • b.

      uitsplitsing van taken; of

    • c.

      aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur.

  • 2.

    Het college kan aan personen van wie is vastgesteld dat zij uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben, tot het moment van aanvang van de dienstbetrekking, bedoeld in artikel 10b, eerste lid, van de Pw, daarnaast de volgende voorzieningen aanbieden:

    • a.

      dagbesteding als maatwerkvoorziening als bedoeld in hoofdstuk 2;

    • b.

      sociale activering als bedoeld in artikel 4.1.5;

    • c.

      scholing als bedoeld in artikel 4.1.7;

    • d.

      persoonlijke ondersteuning als bedoel in artikel 4.1.11;

    • e.

      schuldhulpverlening als bedoeld in paragraaf 4.8.

Artikel 4.1.10 Ondersteuning bij leer-werktraject

Het college kan ondersteuning aanbieden aan een persoon uit de doelgroep als het college van oordeel is dat een leer-werktraject nodig is, voor zover deze ondersteuning nodig is voor het volgen van een leer-werktraject en het personen betreft:

  • a.

    van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd; of

  • b.

    van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald.

Artikel 4.1.11 Persoonlijke ondersteuning bij werk

  • 1.

    Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk aanbieden aan personen behorend tot de doelgroep.

  • 2.

    Persoonlijke ondersteuning bij werk als bedoeld in het eerste lid wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 4.1.3, verstrekt overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 4.1.16 tot en met 4.1.29.

Artikel 4.1.12 Loonkostensubsidie als re-integratievoorziening

  • 1.

    Het college kan een loonkostensubsidie, anders dan de loonkostensubsidie bedoeld in artikel 4.1.15, verstrekken aan een werkgever die een arbeidsovereenkomst sluit met een kwetsbare, of uiterst kwetsbare werknemer.

  • 2.

    De loonkostensubsidie, bedoeld in het eerste lid, bedraagt ten hoogste 50% van het brutoloon inclusief werkgeverslasten gedurende maximaal 24 maanden ten behoeve van de werknemer.

  • 3.

    Onder een kwetsbare werknemer wordt verstaan de persoon die:

    • a.

      voorafgaand aan de indienstneming gedurende 6 maanden geen reguliere betaalde betrekking heeft gevonden;

    • b.

      geen startkwalificatie bezit;

    • c.

      ouder is dan 50 jaar; of

    • d.

      alleenstaande ouder is.

  • 4.

    Onder een uiterst kwetsbare werknemer wordt verstaan de persoon die onmiddellijk voorafgaand aan de indiensttreding ten minste 24 maanden werkloos is geweest.

  • 5.

    Minimaal één maal per twaalf maanden beoordeelt het college of de loonkostensubsidie bedoelt in lid 1, nog steeds bijdraagt aan het verkleinen van de afstand tot de arbeidsmarkt van de werknemer als bedoeld in hetzelfde lid.

  • 6.

    De loonkostensubsidie wordt niet verstrekt als:

    • a.

      de werkgever in de afgelopen 3 jaar voor dezelfde medewerker loonkostensubsidie heeft ontvangen, met uitzondering van de situaties waarin het dienstverband voortijdig is beëindigd en de reden hiervan niet aan de werkgever verwijtbaar is;

    • b.

      de werkgever op grond van een andere regeling aanspraak maakt op financiële tegemoetkomingen in verband met de indiensttreding van de werknemer, met uitzondering van mogelijke belastingvoordelen.

Artikel 4.1.13 Uitstroompremie

Het college kan eenmalig een uitstroompremie toekennen aan een langdurig werkloze die duurzaam uitstroomt naar algemeen geaccepteerde arbeid.

Artikel 4.1.14 Proefplaats

  • 1.

    Het college kan een persoon toestemming voor een proefplaats aanbieden.

  • 2.

    Een proefplaats betreft het verrichten van reguliere werkzaamheden bij een werkgever met behoud van uitkering met als doel de inschakeling van een persoon die behoort tot de doelgroep in reguliere arbeid bij die werkgever te bevorderen.

  • 3.

    Voor een proefplaats wordt uitsluitend toestemming verleend als:

    • a.

      de persoon, gelet op zijn vaardigheden en capaciteiten, tot de werkzaamheden in staat is;

    • b.

      het college verwacht dat de plaatsing bijdraagt aan het vergroten van de kans op arbeidsinschakeling bij de werkgever met wie de proefplaats wordt overeengekomen.

    • c.

      als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt;

    • d.

      de werkzaamheden van de persoon niet al eerder onbeloond door hem bij die werkgever, of diens rechtsvoorganger, zijn verricht; en

    • e.

      de werkgever bij aanvang van de proefplaats schriftelijk de intentie heeft uitgesproken dat hij de persoon, bij gebleken geschiktheid, direct aansluitend aan zijn proefplaatsing, voor minimaal zes maanden, zonder proeftijd, in dienst zal nemen.

  • 4.

    De proefplaats wordt toegekend voor maximaal 2 maanden.

  • 5.

    De proefplaats kan met periodes van maximaal 2 maanden worden verlengd tot een maximumduur van in totaal 6 maanden als:

    • a.

      in de persoon gelegen factoren een langere periode noodzaken;

    • b.

      de persoon in deze periode langer dan een week ziek is geweest waarbij in dat geval ook geldt dat als de maximumduur van 6 maanden is bereikt deze kan worden verlengd met de periode van ziekte;

    • c.

      de werkgever aan kan tonen dat verlengen in dit specifieke geval noodzakelijk is; of

    • d.

      meer tijd nodig is om de loonwaarde te bepalen.

  • 6.

    Voorafgaand aan de proefplaats worden in een schriftelijke overeenkomst tussen college en de werkgever in ieder geval afspraken gemaakt over:

    • a.

      het doel van de proefplaats;

    • b.

      de duur van de proefplaats;

    • c.

      dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:160 Burgerlijk wetboek;

    • d.

      dat de werkgever tijdens de periode waarover de proefplaats wordt aangeboden geen salaris is verschuldigd;

    • e.

      de wijze van begeleiding;

    • f.

      een intentieverklaring dat de werkgever de persoon, bij gebleken geschiktheid, na de proefplaats een dienstverband van minimaal 6 maanden aanbiedt voor minimaal het aantal uren dat voor de proefplaats is overeengekomen, tenzij tijdens de proefplaats blijkt dat de uren in het belang van de persoon verlaagd moet worden;

    • g.

      dat de werkgever tijdens de proefplaats voor de persoon een ongevallen- en aansprakelijkheidsverzekering afsluit en de gemeente vrijwaart voor alle in- en buitengerechtelijke aanspraken op vergoeding van eventuele schades;

    • h.

      het feit dat door de proefplaatsing de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt; en

    • i.

      dat de persoon de werkzaamheden zal verrichten conform de voor de betreffende functie en werkzaamheden geldende voorschriften en wettelijke bepalingen.

Aanvraagprocedures en voorwaarden voorzieningen

Artikel 4.1.15 Specifiek aanvraagproces Loonkostensubsidie

  • 1.

    Het college verstrekt overeenkomstig artikel 10d van de Pw, ambtshalve of op aanvraag, loonkostensubsidie aan de werkgever die voornemens is een dienstbetrekking aan te gaan met een persoon die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. In geval van een aanvraag zijn het tweede tot en met het vijfde lid van dit artikel van toepassing.

  • 2.

    Het college bevestigt de ontvangst van de aanvraag schriftelijk aan de werkgever, of als de aanvraag wordt gedaan door de persoon, aan de werkgever en de persoon.

  • 3.

    Een aanvraag voor loonkostensubsidie wordt, als het een persoon betreft die nog niet behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, ook beschouwd als een aanvraag om vast te stellen of de persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, bedoeld in artikel 10c, eerste lid, onder a, van de Pw.

  • 4.

    Het college stelt binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag de loonwaarde vast, tenzij in overleg met de werkgever toepassing wordt gegeven aan artikel 10d, vijfde lid, van de Pw.

  • 5.

    Het college neemt bij het verstrekken van de loonkostensubsidie het preferente proces loonkostensubsidie in acht.

Artikel 4.1.16 Voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen

  • 1.

    Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen verstrekken voor een persoon met een arbeidsbeperking.

  • 2.

    Bij de toekenning van persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen gelden, onverminderd het bepaalde in artikel 4.1.3, de volgende voorwaarden:

    • a.

      de persoon behoort tot de doelgroep en is minimaal achttien jaar oud, tenzij hij VSO/PRO-onderwijs heeft genoten;

    • b.

      de persoon kan zonder deze vorm van ondersteuning niet aan het arbeidsproces deelnemen;

    • c.

      de werkgever biedt een dienstbetrekking aan van minimaal 6 maanden met een minimale arbeidsduur van 12 uur per week;

    • d.

      het betreft geen Arbo-taak waarvoor de werkgever verantwoordelijk is;

    • e.

      het betreft geen meeneembare voorziening die tot de standaarduitrusting van de werkgever behoort of algemeen gebruikelijk is in een organisatie;

    • f.

      er is naar het oordeel van het college geen sprake van een werkplekaanpassing die in zijn algemeenheid van de werkgever kan worden verlangd; en

    • g.

      de kosten van de voorziening(en) wegen naar het oordeel van het college op tegen de (maatschappelijke) opbrengsten van uitstroom naar werk en zijn daarmee proportioneel.

Artikel 4.1.17 Aanvraagprocedure persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen

  • 1.

    Een aanvraag om persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen kan bij het college worden ingediend door de persoon of zijn werkgever. Het college kan hiervoor een aanvraagformulier vaststellen.

  • 2.

    Het college bevestigt de ontvangst van de aanvraag.

  • 3.

    Het college onderzoekt, zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen 8 weken na de aanvraag, de mogelijkheden en ondersteuningsbehoefte van de persoon.

  • 4.

    Het college kan een deskundig oordeel en advies inwinnen, als de beoordeling van een aanvraag dit vereist.

  • 5.

    Het college bepaalt na overleg met de persoon, en indien van toepassing met de werkgever, welke ondersteuning of voorziening(en) het beste kunnen bijdragen aan de arbeidsinschakeling.

  • 6.

    Het college onderzoekt, voor zover nodig en gelet op de omstandigheden van de persoon, in daartoe voorkomende gevallen de mogelijkheden om door samenwerking met andere partijen, onder meer op het gebied van (publieke) gezondheid, jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, schuldhulpverlening, welzijn en wonen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde integrale dienstverlening met het oog op de arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 1, van de Pw of de wijze van voortgezette persoonlijke ondersteuning bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 2, van de Pw.

  • 7.

    Het college maakt binnen 15 werkdagen na afronding van het onderzoek, een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek dat wordt neergelegd in een onderzoeksverslag.

  • 8.

    Op basis van het onderzoeksverslag neemt het college een besluit en zendt dit aan de persoon of zijn gemachtigde en, indien van toepassing, aan de werkgever.

Artikel 4.1.18 Inhoud beschikking persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen

  • 1.

    Het college geeft in een beschikking tot toekenning van persoonlijke ondersteuning of een overige voorziening in ieder geval aan:

    • a.

      welke persoonlijke ondersteuning of overige voorziening wordt verstrekt;

    • b.

      als subsidie wordt verstrekt, wat de omvang is van het subsidiebedrag;

    • c.

      de duur en intensiteit van de ondersteuning;

    • d.

      de ingangsdatum van de ondersteuning of overige voorziening;

    • e.

      als de verstrekking afwijkt van wat is aangevraagd, wat de reden is van afwijking; en

    • f.

      voor zover van toepassing, welke andere ondersteuning of voorziening relevant is, of kan zijn, waaronder de wijze waarop de persoon integraal kan worden ondersteund.

  • 2.

    Het college geeft in een beschikking tot afwijzing van persoonlijke ondersteuning of een overige voorziening op grond van het feit dat er een voorliggende voorziening bestaat, in ieder geval aan welke voorziening dit betreft

Specifieke bepalingen persoonlijke ondersteuning bij werk

Artikel 4.1.19 Persoonlijke ondersteuning bij werk

  • 1.

    Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk in de vorm van jobcoaching in natura verstrekken door middel van een jobcoach die werkzaam is in een dienstverband bij of in opdracht van een derde, waarbij de gemeente de uitvoering van jobcoaching heeft ingekocht.

  • 2.

    Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk in de vorm van een subsidie toekennen aan de werkgever voor:

    • a.

      jobcoaching door een interne of externe jobcoach; of

    • b.

      interne werkbegeleiding door een interne werkbegeleider.

  • 3.

    De in het eerste of tweede lid genoemde ondersteuning kan ook worden aangeboden met het oog op het verrichten van werkzaamheden, anders dan in dienstverband, zoals bij een proefplaats of een leer-werktraject.

Artikel 4.1.20 Specifieke voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk

  • 1.

    De aanvraag voor persoonlijke ondersteuning bij werk wordt binnen 8 weken na de ingangsdatum van de dienstbetrekking ingediend, tenzij voorafgaand aan of op het moment van aanvang van het dienstverband de noodzaak voor die ondersteuning redelijkerwijs nog niet bekend kon zijn.

  • 2.

    Het college besluit op basis van individueel maatwerk, waarbij de aard, omvang, duur en intensiteit van de persoonlijke ondersteuning wordt gewogen

Artikel 4.1.21 Jobcoaching

  • 1.

    Een jobcoach die de persoonlijke ondersteuning bij werk verzorgt voldoet aan de kwaliteitseisen en voorwaarden zoals vermeld in bijlage 1.

  • 2.

    De in te zetten jobcoaching wordt door het college bepaald op basis van de specifieke werk- en persoonlijke omstandigheden, resulterend in vaststelling door het college van het noodzakelijke zwaarteregime en de te verwachten duur van de inzet van de coaching zoals opgenomen in bijlage 1.

Artikel 4.1.22 Jobcoaching in natura

  • 1.

    Het college kan ambtshalve of op aanvraag, jobcoaching in natura aanbieden.

  • 2.

    Bij aanvragen om jobcoaching in natura en de voorbereiding van een beschikking op de aanvraag is het bepaalde in de artikelen 4.1.16 tot en met 4.1.21 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.1.23 Subsidie voor het organiseren van jobcoaching

  • 1.

    Het college kan op aanvraag subsidie voor het organiseren van jobcoaching verlenen aan de werkgever.

  • 2.

    Subsidie voor het organiseren van jobcoaching kan, met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 4.1.16 tot en met 4.1.21, worden verleend als:

    • a.

      de jobcoaching bestaande uit een individueel trainings- of inwerkprogramma en een systematische begeleiding van de persoon behorend tot de doelgroep, gericht op het kunnen uitvoeren van de aan hem opgedragen taken, wordt geborgd door middel van een coachingsplan;

    • b.

      de omvang en de kwaliteit van de georganiseerde jobcoaching passend is;

    • c.

      de continuïteit van de jobcoaching geborgd is; en

    • d.

      de persoon voor wie de subsidie wordt gevraagd daarvan op de hoogte is en schriftelijk instemt met het organiseren van jobcoaching door de werkgever.

  • 3.

    Het college kan voor jobcoaching een maximumtarief per uur hanteren dat toereikend is voor de organisatie van jobcoaching, waarbij het college zorgdraagt voor de kenbaarheid van de voor het betreffende jaar van toepassing zijnde tarieven.

Artikel 4.1.24 Interne werkbegeleiding

  • 1.

    Als een persoon uit de doelgroep voor het kunnen verrichten van werk is aangewezen op begeleiding die de gebruikelijke begeleiding door de werkgever en andere werknemers aanzienlijk te boven gaat, kan het college een subsidie verlenen aan de werkgever voor de aangetoonde meerkosten die verbonden zijn aan het organiseren van de interne werkbegeleiding.

  • 2.

    Het college kan aan de werkgever ambtshalve of op aanvraag een training aanbieden voor een of meer medewerkers om hen in staat te stellen aan personen behorend tot de doelgroep interne werkbegeleiding te bieden.

Specifieke voorwaarden overige voorzieningen

Artikel 4.1.25 Specifieke voorwaarden vervoersvoorziening

  • 1.

    Het college kan een vervoersvoorziening toekennen aan een persoon die door zijn beperking niet zelfstandig naar zijn werkplek, proefplaats of opleidingslocatie kan reizen. Deze vervoersvoorziening kan zowel in natura als in de vorm van een vergoeding in geld worden verstrekt.

  • 2.

    Het college biedt een vervoersvoorziening aan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

    • a.

      de persoon kan door zijn beperking niet zelfstandig reizen of gebruik maken van het openbaar vervoer; en

    • b.

      het vervoer is beperkt tot woon-werkverkeer.

  • 3.

    De hoogte van de vergoeding in geld hangt af van het aantal dagen dat moet worden gewerkt en bedraagt het in de markt reguliere tarief voor een taxi of een andere vorm van vervoer.

  • 4.

    Het college brengt een eventueel bedrag voor een vervoersvoorziening van de werkgever aan de werknemer in mindering op de te verstrekken vervoersvoorziening.

Artikel 4.1.26 Specifieke voorwaarden noodzakelijke intermediaire activiteit bij visuele of motorische handicap

Het college kan een voorziening in de vorm van een intermediaire activiteit toekennen die gericht is op de vervanging of ondersteuning van een door ziekte of gebrek geheel of gedeeltelijk ontbrekende motorische lichaamsfunctie.

Artikel 4.1.27 Specifieke voorwaarden meeneembare voorzieningen

  • 1.

    Aan een werknemer met een arbeidsbeperking die een meeneembare voorziening nodig heeft, kan een meeneembare voorziening dan wel een vergoeding voor de aanschaf daarvan worden toegekend als aan onderstaande voorwaarden wordt voldaan:

    • a.

      de meeneembare voorziening is naar verwachting gedurende minimaal 6 maanden noodzakelijk om de medewerker zijn werk te kunnen laten uitvoeren;

    • b.

      er is sprake van een dienstverband voor de duur van tenminste 6 maanden en voor minimaal 12 uur per week;

    • c.

      er kan voor de meeneembare voorziening geen beroep worden gedaan op een voorliggende voorziening;

    • d.

      de meeneembare voorziening behoort niet tot de standaarduitrusting van de medewerker en is evenmin algemeen gebruikelijk binnen de betreffende branche; en

    • e.

      de kosten van de mee te nemen voorziening zijn proportioneel.

  • 2.

    In afwijking van lid 1 onder b. kan een meeneembare voorziening ook worden toegekend bij een proefplaats met behoud van uitkering.

  • 3.

    Een meeneembare voorziening die in natura wordt toegekend wordt in beginsel in bruikleen beschikbaar gesteld aan de medewerker tenzij sprake is van een individuele maatwerkvoorziening of dat bruikleen gezien de aard van de voorziening niet mogelijk of wenselijk is.

Artikel 4.1.28 Specifieke voorwaarden werkplekaanpassingen

Het college kan een aanpassing van de werkplek toekennen aan een persoon, als dit noodzakelijk is om zijn werk uit te voeren. In beginsel kan daarbij elk product als een werkplekaanpassing worden beschouwd als de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer aantoonbaar zijn.

Artikel 4.1.29 Nadere regels

Het college kan nadere regels vaststellen over:

  • 1.

    Onder welke voorwaarden, welke personen, bedoeld in artikel 7, eerste lid onderdeel a Pw, en werkgevers van deze personen in aanmerking komen voor de voorzieningen in deze paragraaf.

  • 2.

    Welke regels gelden voor het aanbod van scholing of opleiding.

  • 3.

    Beschut werk:

    • a.

      op welke wijze wordt bepaald welke personen in aanmerking komen voor de ambtshalve vaststelling, bedoeld in artikel 10b eerste lid van de Pw;

    • b.

      welke voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling worden aangeboden om de onder 10b eerste lid van de Pw bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken;

    • c.

      de wijze waarop de omvang van het aanbod van de voorziening, bedoeld in artikel 10b eerste lid van de Pw, wordt vastgesteld.

  • 4.

    De vergoedingssystematiek, waarin mede begrepen het hanteren van drempelbedragen, voor de in artikel 4.1.25 bedoelde vervoersvoorziening.

4.2 [vervallen]

4.3 Individuele inkomenstoeslag

Artikel 4.3.1 Definities

In deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a.

    inkomen:

totaal van het inkomen, bedoeld in artikel 32 van de Pw, en de algemene bijstand met dien verstande dat voor de zinsnede 'een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan' moet worden gelezen 'de referteperiode'. Een bijstandsuitkering wordt, in afwijking van artikel 32 van de Pw, voor de beoordeling van het recht op individuele inkomenstoeslag als inkomen gezien;

  • b.

    peildatum:

datum waartegen een persoon individuele inkomenstoeslag aanvraagt;

  • c.

    referteperiode:

periode van 36 maanden voorafgaand aan de peildatum.

Artikel 4.3.2 lndienen van een verzoek

Een verzoek als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Pw, wordt ingediend via een door het college vastgesteld formulier.

Artikel 4.3.3 Langdurig laag inkomen

Een persoon heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Pw als gedurende de referteperiode het in aanmerking te nemen inkomen in elke maand niet hoger is dan de 105% van de toepasselijke bijstandsnorm.

Artikel 4.3.4 Hoogte individuele inkomenstoeslag

  • 1.

    Een individuele inkomenstoeslag bedraagt per kalenderjaar:

    • a.

      € 467,00 voor een alleenstaande;

    • b.

      € 596,00 voor een alleenstaande ouder;

    • c.

      € 664,00 voor gehuwden.

  • 2.

    Als een van de gehuwden is uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag ingevolge de artikelen 11 of 13, eerste lid, van de Pw, komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden.

  • 3.

    Voor toepassing van het eerste en tweede lid is de situatie op de peildatum bepalend.

  • 4.

    De bedragen genoemd in het eerste lid worden jaarlijks met ingang van 1 januari geïndexeerd overeenkomstig de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek. De bedragen worden naar boven afgerond op hele euro's.

4.4 Tegenprestatie Participatiewet

Artikel 4.4.1 Definities

In deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a.

    vrijwilligerswerk:

werk dat in enig verband onverplicht en onbetaald wordt verricht, voor anderen of de samenleving;

  • b.

    tegenprestatie:

het verrichten van naar vermogen door het college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing van de arbeidsmarkt;

Artikel 4.4.2 Inhoud van een tegenprestatie

  • 1.

    Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor zover die werkzaamheden:

    • a.

      naar zijn aard niet zijn gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt;

    • b.

      niet zijn bedoeld als re-integratie instrument;

    • c.

      worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de organisatie waarin ze worden verricht; en

    • d.

      niet leiden tot verdringing van de arbeidsmarkt.

  • 2.

    Het college kan ter nadere uitvoering van deze verordening nadere regels vaststellen waarin wordt vastgelegd welke aanvullende voorwaarden gelden voor zover daarover in deze verordening geen bepalingen zijn opgenomen.

Artikel 4.4.3 Het opdragen van een tegenprestatie

  • 1.

    Het college kan personen die een uitkering ontvangen opdragen een tegenprestatie te verrichten.

  • 2.

    Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het college rekening met de volgende factoren:

    • a.

      de tegenprestatie moet naar vermogen kunnen worden verricht door een persoon;

    • b.

      de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van een persoon moeten in aanmerking worden genomen; en

    • c.

      de persoonlijke wensen en kwaliteiten van een persoon moeten in overweging worden genomen.

Artikel 4.4.4 Duur en omvang van een tegenprestatie

  • 1.

    De tegenprestatie kan maximaal voor de duur van één jaar worden opgedragen.

  • 2.

    De termijn van één jaar zoals bedoeld in het eerste lid, kan twee keer worden verlengd met één jaar zodat de maximale duur waarover een tegenprestatie kan worden opgelegd, drie jaar bedraagt. Dit hoeven geen aaneengesloten jaren te zijn.

  • 3.

    De tegenprestatie wordt opgedragen met een bandbreedte van vier tot acht uur per week.

Artikel 4.4.5 Vrijstelling

  • 1.

    Het college draagt geen tegenprestatie op indien:

    • a.

      de persoon ten tijde van de aanvraag voor een uitkering voor ten minste 8acht uur per week vrijwilligerswerk verricht, dat te beschouwen is als een maatschappelijk nuttige activiteit;

    • b.

      de persoon deelneemt aan activiteiten in het kader van een re- integratie- traject;

    • c.

      de persoon zorgtaken verricht als mantelzorger voor ten minste acht uur per week;

    • d.

      de persoon een parttimebaan heeft voor ten minste acht uur per week;

    • e.

      de persoon als een alleenstaande ouder, vrijstelling heeft van de arbeidsplicht in verband met de zorg voor (een) kind(eren) in de leeftijd tot 5 jaar.

4.5 Minimaregelingen

Artikel 4.5.1 Definities

In deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a.

    aanvrager:

de inwoner van de gemeente Veenendaal die ten behoeve van zichzelf, zijn partner of zijn kind(eren) een vergoeding op grond van deze verordening aanvraagt;

  • b.

    aanvraagperiode:

de periode waarin een aanvraag kan worden ingediend.

  • c.

    de doelgroep:

inwoners van de gemeente Veenendaal met een laag inkomen en de tot hun last komende kinderen;

  • d.

    huishouden:

een alleenstaande, een alleenstaande ouder of een gezin, als bedoeld in het eerste lid, sub c, van artikel 4 van de Pw;

  • e.

    inkomen:

het inkomen zoals dat geldt voor de algemene bijstand artikel 32 van de Pw exclusief vakantietoeslag;

  • f.

    kind:

een persoon jonger dan 18 jaar voor wie aan de alleenstaande ouder of gehuwde ouders, die ingeschreven staat in de gemeente Veenendaal in de Basisregistratie personen, kinderbijslag op grond van artikel 18 van de Algemene Kinderbijslagwet wordt betaald of zal worden betaald vanaf het eerstvolgende kwartaal of het pleegkind jonger dan 18 jaar waarvoor een pleegvergoeding wordt ontvangen op grond van artikel 5.3, lid 1, van de Jw;

  • g.

    norm:

de op de aanvrager van toepassing zijnde bijstandsnorm, bedoeld in artikel 5, onder c, van de Pw;

  • h.

    pasjaar:

periode waarop de toekenning betrekking heeft en die van 1 juli tot en met 30 juni loopt;

  • i.

    peildatum:

30 juni van de lopende aanvraagperiode;

  • j.

    uitvoerder:

de uitvoerende instantie die namens het college de minimaregelingen uit de Integrale Verordening uitvoert.

  • k.

    vermogen:

het vermogen als bedoeld in artikel 34 van de Pw waarbij in afwijking van het bepaalde in dit artikel het vermogen in de eigen woning buiten beschouwing wordt gelaten.

Artikel 4.5.2 Doelstelling

Deze minimaregelingen hebben tot doel:

  • a.

    het vergroten van de kansen van de doelgroep om de spiraal van armoede te doorbreken;

  • b.

    het bevorderen van sport en andere vormen van maatschappelijke participatie bij de doelgroep;

  • c.

    het voorkomen van sociale uitsluiting van de doelgroep;

  • d.

    het bevorderen dat schoolgaande kinderen zo min mogelijk belemmeringen ondervinden als gevolg van het feit dat hun ouders tot de doelgroep behoren;

  • e.

    het tegengaan van onderverzekering op het gebied van ziektekostendekking van de doelgroep.

Artikel 4.5.3 Doelgroep

  • 1.

    Tot de doelgroep voor de minimaregelingen behoren huishoudens bestaande uit personen van 18 jaar of ouder die:

    • a.

      op de datum van aanvraag hun woonplaats hebben in de gemeente Veenendaal;

    • b.

      over een inkomen beschikken lager of gelijk aan 120% van de norm; en

    • c.

      een vermogen, als bedoeld in artikel 4.5.1, onder k, hebben tot de geldende grenzen genoemd in het derde lid van artikel 34 van de Pw;

  • 2.

    In afwijking van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel, behoren personen van 18 jaar of ouder die in de schuldhulpverlening zitten ook tot de doelgroep, waarbij zij voor dezelfde vergoedingen in aanmerking komen als aanvrager met een inkomen tot 100% van de norm.

  • 3.

    Aanvrager heeft geen recht op deze minimaregelingen, indien:

    • a.

      die op het moment van aanvraag in detentie of een asielzoekerscentrum verblijft;

    • b.

      die recht heeft op studiefinanciering met uitzondering van (alleenstaande) ouder(s) met studiefinanciering; of

    • c.

      aan wie op grond van artikel 11 van de Pw geen bijstand kan worden verleend omdat deze persoon geen Nederlander dan wel een daar aan gelijkgestelde vreemdeling is.

Artikel 4.5.4 Reikwijdte en voorwaarden

  • 1.

    Er bestaat recht op een vergoeding als de aanvrager tot de doelgroep behoort en voldoet aan de voorwaarden die voor deze minimaregelingen geldt.

  • 2.

    Het recht op vergoedingen wordt vastgesteld voor de gehele aanvraagperiode. Dit recht kan enkel ten gunste van de aanvrager wijzigen indien zich wijzigingen voordoen in de huishoudsamenstelling of inkomen van de aanvrager.

  • 3.

    In afwijking van het tweede lid geldt dit onder toepassing van het vierde en vijfde lid van artikel 4.5.13 niet voor de deelname aan de collectieve zorgverzekering.

  • 4.

    Het inkomen wordt vastgesteld op basis van het gemiddelde inkomen van drie aaneengesloten maanden direct voorafgaand aan de aanvraag.

  • 5.

    In afwijking van het vierde lid wordt het inkomen van een uitkeringsgerechtigde vastgesteld aan de hand van de meest recente uitkeringsspecificatie.

  • 6.

    Vergoedingen worden verstrekt in natura behoudens bij de collectieve ziektekostenverzekering waarbij de vergoeding ziet op een korting op de ziektekostenverzekering.

  • 7.

    Bij een vergoeding mag altijd worden bijbetaald. Het betreft dan een tegemoetkoming in de kosten.

Artikel 4.5.5 Aanvragen

  • 1.

    Aanvragen voor vergoedingen op grond van deze minimaregelingen kunnen door middel van een papieren aanvraagformulier bij de uitvoerder of digitaal via het formulier op de website van de Veenendaalpas worden ingediend.

  • 2.

    Aanvragen voor een vergoeding kunnen worden ingediend van 1 juli tot en met 30 juni.

  • 3.

    In afwijking van het tweede lid worden aanvragen voor deelname aan de collectieve ziektekostenverzekering, zoals vermeld in artikel 4.5.13, voor een komend kalenderjaar voor 1 januari van dat komende kalenderjaar ingediend. In bijzondere gevallen kan het college besluiten af te wijken van deze datum.

  • 4.

    Indien de aanvrager voldoet aan de gestelde voorwaarden, dan wordt vastgesteld op welke vergoedingen de aanvrager recht heeft gedurende de gehele aanvraagperiode.

  • 5.

    In afwijking van het vierde lid wordt het recht op deelname aan de collectieve zorgverzekering vastgesteld voor het komende kalenderjaar.

  • 6.

    De aanvrager dient zelf aan te tonen dat hij een inkomen en vermogen heeft binnen de geldende normen.

Artikel 4.5.6 Inhoud vergoedingen

De vergoedingen, bedoeld in artikel 4.5.4, eerste lid, bestaan uit regelingen voor:

  • a.

    Doe mee-budget Volwassenen;

  • b.

    Doe mee-budget Kinderen;

  • c.

    Doe mee-budget Jongeren;

  • d.

    Vergoeding ID kaart;

  • e.

    Computer of tablet basisschool;

  • f.

    Computer middelbare school;

  • g.

    Collectieve ziektekostenverzekering;

  • h.

    Huiswerkbegeleiding;

  • i.

    Meerkosten chronisch zieken en gehandicapten.

Artikel 4.5.7 Doe mee-budget Volwassenen

  • 1.

    Het college kan een vergoeding aan de aanvrager verstrekken voor kosten van maatschappelijke participatie.

  • 2.

    Om in aanmerking te komen voor het Doe mee-budget Volwassenen dient de aanvrager op de peildatum 18 jaar of ouder te zijn

  • 3.

    Het tegoed kan worden besteed aan sport, hobby en vrije tijd, horeca, cultuur, kleding, witgoed en elektronica, fiets, bouwmarkt, gezonde voeding en aan het rijbewijs..

  • 4.

    Het maximale tegoed dat aan de aanvrager per periode toegekend kan worden is bij een inkomen:

    • -

      tot en met 100% van de norm: € 200,00;

    • -

      van meer dan 100% maar minder of gelijk aan 110% van de norm: € 150,00;

    • -

      van meer dan 110% maar minder of gelijk aan 120% van de norm, € 100,00.

  • 5.

    Het is een persoonlijke vergoeding welke voor elk lid van het huishouden toegekend kan worden.

  • 6.

    De vergoeding vervalt aan het einde van drie opeenvolgende aanvraagperioden. Ook als het inkomen stijgt boven de norm zoals bepaald in artikel 4.5.3.

Artikel 4.5.8 Doe mee-budget Kinderen

  • 1.

    Het college kan een vergoeding aan de aanvrager verstrekken voor kosten van maatschappelijke participatie.

  • 2.

    Om in aanmerking te komen voor het Doe mee-budget Kinderen wordt voldaan aan onderstaande voorwaarden:

    • -

      de aanvraag heeft betrekking op een kind dat op de peildatum 0 jaar of ouder is maar jonger dan 12 jaar.

  • 3.

    Het maximale tegoed dat aan de aanvrager per periode toegekend kan worden is bij een inkomen:

    • -

      tot en met 100% van de norm: € 300,-;

    • -

      van meer dan 100% maar minder of gelijk aan 110% van de norm: € 225,-;

    • -

      van meer dan 110% maar minder of gelijk aan 120% van de norm, € 150,-.

  • 4.

    Het is een persoonlijke vergoeding welke voor elk lid van het huishouden toegekend kan worden.

  • 5.

    De vergoeding vervalt aan het einde van drie opeenvolgende aanvraagperioden. Ook als het inkomen stijgt boven de norm zoals bepaald in artikel 4.5.3.

Artikel 4.5.9 Doe mee-budget Jongeren

  • 1.

    Het college kan een vergoeding aan de aanvrager verstrekken voor kosten van maatschappelijke participatie.

  • 2.

    Om in aanmerking te komen voor het Doe mee-budget Jongeren wordt voldaan aan onderstaande voorwaarden:

    • -

      de aanvraag heeft betrekking op een kind dat op de peildatum 12 jaar of ouder is maar jonger dan 18 jaar.

  • 3.

    Het maximale tegoed dat aan de aanvrager per periode toegekend kan worden is bij een inkomen:

    • -

      tot en met 100% van de norm: € 500,-;

    • -

      van meer dan 100% maar minder of gelijk aan 110% van de norm: € 390,-;

    • -

      van meer dan 110% maar minder of gelijk aan 120% van de norm, € 275,-.

  • 4.

    Het is een persoonlijke vergoeding welke voor elk lid van het huishouden toegekend kan worden.

  • 5.

    De vergoeding vervalt aan het einde van drie opeenvolgende aanvraagperioden. Ook als het inkomen stijgt boven de norm zoals bepaald in artikel 4.5.3.

Artikel 4.5.10 Identiteitsbewijs

  • 1.

    Het college kan een vergoeding aan de aanvrager verstrekken voor de kosten van een ID-kaart.

  • 2.

    De vergoeding betreft de werkelijke kosten voor het verlengen of aanvragen van een Nederlandse identiteitskaart.

  • 3.

    Onverminderd het bepaalde in het eerste en tweede lid kan een vergoeding aan de aanvrager worden verstrekt voor de kosten van een paspoort gelijk aan de kosten voor het verstrekken of verlengen van een ID-kaart.

  • 4.

    Onder verwijzing naar de artikelen 4.5.7, 4.5.8 of 4.5.9 kunnen aanvullende kosten worden voldaan vanuit het Doe mee-budget.

  • 5.

    Indien de aanvrager in het bezit is van een verblijfsdocument voor onbepaalde tijd of duurzaam verblijf dan kan hij een vergoeding krijgen voor de werkelijke kosten van de verlenging van het verblijfsdocument voor onbepaalde tijd of duurzaam verblijf.

  • 6.

    Een vergoeding van een ID-kaart wordt geweigerd, indien:

    • a.

      binnen vijf jaar voor het kind een ID-kaart is vergoed; of

    • b.

      binnen tien jaar voor de aanvrager die 18 jaar en ouder is en een ID-kaart is vergoed.

  • 7.

    De vergoeding aan een ID-kaart is een persoonlijke vergoeding welke voor elk lid van het huishouden dat voldoet aan de voorwaarden gesteld in het vijfde lid 5 toegekend kan worden.

Artikel 4.5.11 Computer/ tablet basisschool

  • 1.

    Het college kan een vergoeding aan de aanvrager verstrekken voor de kosten van de aanschaf van een computer, tablet of noodzakelijke benodigdheden zoals een printer, toetsenbord, beeldscherm, muis en headset.

  • 2.

    Om in aanmerking te komen voor een vergoeding van een computer of tablet wordt voldaan aan onderstaande voorwaarden:

    • a.

      de aanvraag betreft een huishouden met kinderen die op de peildatum 4 tot en met 11 jaar oud zijn; en

    • b.

      er is aan het huishouden de afgelopen vijf aanvraagperiodes geen vergoeding verstrekt voor een computer op grond van het eerste lid of een van zijn voorgaande regelingen.

  • 3.

    Het maximale bedrag waarvoor per periode van vijf aanvraagperiodes een vergoeding kan worden aangevraagd is € 500,00.

  • 4.

    Onverminderd het bepaalde in het derde lid kan de vergoeding gedurende de periode van vijf pasjaren verspreid besteed worden. De vergoeding hoeft niet in één keer besteed te worden.

  • 5.

    De vergoeding voor een computer of tablet basisschool wordt verstrekt per huishouden, wat betekent dat de aanvrager die voldoet aan de voorwaarden genoemd in de voorgaande leden, recht heeft op één vergoeding, ongeacht het aantal kinderen in het huishouden.

Artikel 4.5.12 Computer/laptop jongere

  • 1.

    Het college kan een vergoeding verstrekken voor de kosten van de aanschaf van een computer of een laptop.

  • 2.

    Om in aanmerking te komen voor een vergoeding van een computer of laptop wordt voldaan aan onderstaande voorwaarden:

    • a.

      de aanvraag heeft betrekking op een kind dat op de peildatum 12 jaar of ouder is maar jonger dan 19 jaar; en

    • b.

      er is voor het kind in de voorgaande periode, geen vergoeding verstrekt op grond van het eerste en tweede lid of een van zijn voorgaande regelingen met uitzondering van de kosten genoemd onder lid 4 sub b.

  • 3.

    De vergoeding voor een computer of laptop kan éénmalig worden aangevraagd per kind.

  • 4.

    Het maximale bedrag waarvoor de aanvrager een vergoeding kan aanvragen is voor een laptop of computer: € 500,-, tenzij de laptop stuk gaat, dan kan voor maximaal € 250,- aan kosten voor reparatie of eigen risico worden toegekend.

  • 5.

    De vergoeding hoeft niet in één keer besteed te worden.

  • 6.

    De vergoeding voor een computer of een laptop wordt toegekend per kind ongeacht het aantal kinderen in het huishouden.

Artikel 4.5.13 Collectieve ziektekostenverzekering voor minima

  • 1.

    Het college kan op aanvraag een tegemoetkoming in de kosten van de premie verstrekken zoals bedoeld in artikel 35 derde lid Pw via een collectieve ziektekostenverzekering van een zorgverzekeraar.

  • 2.

    Om hiervoor in aanmerking te komen wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      de aanvrager heeft geen achterstanden bij de huidige zorgverzekering; en

    • b.

      de aanvrager of diens partner sluit met de zorgverzekeraar, bedoeld in het eerste lid , een overeenkomst voor een zorgverzekering in het kader van de Zorgverzekeringswet.

  • 3.

    De aanvrager kan aan de collectieve zorgverzekering voor minima deelnemen vanaf de datum waarop de collectieve zorgverzekeraar hem accepteert.

  • 4.

    De deelname aan de collectieve zorgverzekering eindigt vanaf het moment dat aanvrager of diens partner:

    • a.

      de verzekering beëindigt per 1ste van het nieuwe kalenderjaar; of

    • b.

      niet meer ingeschreven staat in de gemeentelijke basisadministratie (BRP) van de gemeente Veenendaal.

  • 5.

    De deelname aan de collectieve zorgverzekering voor minima eindigt per 1 januari van het volgende kalenderjaar indien de aanvrager of diens partner:

    • a.

      een inkomen heeft dat hoger is dan 120% van de toepasselijke norm; of

    • b.

      een vermogen heeft boven de van toepassing zijnde vermogensgrens, bedoeld in het derde lid van artikel 34 van de Pw .

Artikel 4.5.14 [vervallen]

Artikel 4.5.14a Compensatie meerkosten chronisch zieken en gehandicapten

  • 1.

    Het college kan op aanvraag een vergoeding toekennen voor aannemelijke meerkosten van directe en indirecte zorgkosten die de inwoner met een chronische ziekte of handicap maken als:

    • a.

      de inwoner ten behoeve van wie de aanvraag wordt ingediend 18 jaar of ouder is en:

      • i.

        beschikt over een geldige indicatie op grond van de Wmo of de Wet langdurige zorg; of

      • ii.

        beschikt over een geldige gehandicaptenparkeerkaart;

    • b.

      de aanvrager een arbeidsongeschiktheidsuitkering, waaronder een WAO, WIA, WAZ of Wajong-uitkering ontvangt, of een uitkering op grond van de Pw, IOAW, of IOAZ met een ontheffing van de sollicitatieplicht op medische gronden; of

    • c.

      de aanvrager beschikt over een verklaring van een huisarts of specialist waaruit blijkt dat sprake is van een chronische ziekte of een handicap en meerkosten aannemelijk zijn.

  • 2.

    De vergoeding die aan de aanvrager per pasjaar kan worden toegekend bedraagt € 200,00.

  • 3.

    De vergoeding voor aannemelijke meerkosten van directe en indirecte zorgkosten is een persoonlijke vergoeding welke aan elk lid van het huishouden dat voldoet aan de voorwaarden gesteld in lid 1, toegekend kan worden.

Artikel 4.5.15 Onjuiste of onvolledige gegevens

  • 1.

    De aanvrager is verantwoordelijk voor de aanlevering van de juiste gegevens aan de uitvoerder.

  • 2.

    Het college kan onderzoeken of de vergoedingen rechtmatig zijn verstrekt.

  • 3.

    Het college kan het besluit tot verstrekking van een vergoeding intrekken of ten nadele van de aanvrager wijzigen indien:

    • a.

      de aanvrager in het kader van de aanvraag onjuiste, verouderde of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van deze gegevens tot een onrechtmatige verstrekking van de vergoedingen heeft geleid;

    • b.

      op de aanvraag een ander besluit zou zijn genomen indien bij de beoordeling van die aanvraag de juiste gegevens bekend waren geweest; of

    • c.

      de zaak of activiteit waarvoor de vergoeding is verstrekt niet is aangeschaft of heeft plaatsgevonden.

  • 4.

    Het college kan de, op grond van deze paragraaf onverschuldigd betaalde vergoedingen, terugvorderen.

Artikel 4.5.16 Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager afwijken van de bepalingen van de minimaregelingen of de daarop gebaseerde regels voor zover dit naar het oordeel van het college onredelijke gevolgen heeft voor de aanvrager gezien de doelstelling van deze minimaregelingen.

Artikel 4.5.17 Verbinden van aanbieders

  • 1.

    Het college kan aanbieders van producten die vergoed kunnen worden op basis van deze minimaregelingen, op elk moment in het jaar, toestemming geven zich aan te sluiten bij de voor dit doel beschikbaar gestelde online omgeving om producten toe te voegen.

  • 2.

    Waar mogelijk zal zoveel mogelijk worden samengewerkt met lokale aanbieders.

  • 3.

    Producten van aanbieders die reeds aangesloten zijn kunnen direct online besteld worden door de aanvrager na ontvangst van het besluit tot verstrekking van een vergoeding.

4.6 Regionale Cliëntenparticipatie Werk en Inkomen

4.6.1 Definities

In deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a.

    aanverwante regelingen:

de IOAW, de IOAZ en het Bbz;

  • b.

    belangenorganisatie:

een organisatie te Veenendaal, Rhenen of Renswoude, die mede de belangen van de Pw doelgroep behartigen;

  • c.

    cliënt:

de persoon, die een uitkering ontvangt van de gemeente Veenendaal, Rhenen of Renswoude op grond van de Pw of de aanverwante regelingen, alsmede de persoon die behoort tot de personenkring als omschreven in artikel 7, eerste lid, onder a van de Pw;

  • d.

    Cliëntenraad:

de raad, bestaande uit personen, die al of niet namens organisaties worden geacht de belangen van cliënten te behartigen binnen de taken en bevoegdheden, zoals in deze paragraaf omschreven;

  • e.

    portefeuillehouder:

de wethouder met de verantwoordelijkheid voor de portefeuille Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Veenendaal;

  • f.

    team WI:

team Werk en Inkomen van de gemeente Veenendaal.

Artikel 4.6.2 Taak Cliëntenraad

  • 1.

    De taak van de Cliëntenraad bestaat uit het gevraagd en ongevraagd adviseren aan het college over beleid en uitvoering van:

    • a.

      de Pw en aanverwante regelingen;

    • b.

      de re-integratie en sociale activering van cliënten, waaronder ook niet-uitkeringsgerechtigden en personen met een nabestaanden of halfwezenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet en de doelgroep garantiebanen;

    • c.

      het gemeentelijk Minimabeleid;

    • d.

      nieuwe wetten en regelingen die tot het aandachtsgebied van de Cliëntenraad behoren.

  • 2.

    Tot de onder lid 1 genoemde onderwerpen behoren geen klachten, bezwaarschriften of andere zaken, die op individuele cliënten betrekking hebben, maar wel de hiervoor gehanteerde procedures, regelingen, richtlijnen en de wijze waarop deze worden uitgevoerd. Niet kan worden geadviseerd inzake het personeels- en organisatiebeleid van de gemeente.

  • 3.

    Het opstellen van het jaarverslag gebeurt door de Cliëntenraad voor 1 maart van enig jaar.

Artikel 4.6.3 Samenstelling Cliëntenraad

  • 1.

    De Cliëntenraad bestaat uit ten minste 9 en ten hoogste 11 stemgerechtigde leden, een voorzitter en een secretaris;

  • 2.

    De Cliëntenraad is zodanig samengesteld dat meer dan de helft van de stemgerechtigde leden bestaat uit cliënten en de rest uit vertegenwoordigers van belangenorganisaties.

  • 3.

    De individuele leden van de Cliëntenraad zijn inwoners van Veenendaal, Rhenen of Renswoude en vormen zoveel mogelijk een representatieve vertegenwoordiging van het cliëntenbestand van het team WI (inclusief beschut werk).

  • 4.

    De voorzitter van de Cliëntenraad is onafhankelijk en niet stemgerechtigd. De voorzitter mag geen cliënt zijn van het team WI, geen vertegenwoordiger zijn van een belangenorganisatie noch werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van het gemeentebestuur van Veenendaal, Rhenen of Renswoude.

  • 5.

    De secretaris is niet stemgerechtigd, tenzij hij naast secretaris ook lid is van de Cliëntenraad.

Artikel 4.6.4 Benoeming en zittingsduur leden Cliëntenraad

  • 1.

    Het college van Veenendaal benoemt en ontslaat de leden en de voorzitter.

  • 2.

    De benoeming van de leden vindt plaats op voordracht van de Cliëntenraad. Het college is niet gebonden aan de voordracht, maar kan slecht met redenen omkleed afwijken van de voordracht. De leden van de belangenorganisaties worden door die organisaties als kandidaat aangemeld.

  • 3.

    De voorzitter wordt via een sollicitatieprocedure voorgedragen. Het college kan ook een voorzitter voordragen.

  • 4.

    De Cliëntenraad kiest een secretaris, al dan niet uit haar midden.

  • 5.

    De zittingsduur van de voorzitter, de leden en secretaris is, behoudens tussentijds aftreden, vier jaar.

  • 6.

    De leden treden af volgens het rooster van aftreden, maar blijven in functie totdat de nieuwe leden zijn benoemd; de voorzitter, de secretaris en de leden van de belangenorganisaties zijn direct herbenoembaar.

Artikel 4.6.5 Werving en selectie individuele leden Cliëntenraad

  • 1.

    Alleen cliënten van de gemeente Veenendaal, Rhenen of Renswoude kunnen op individuele titel lid worden.

  • 2.

    Aftredende leden kunnen zich direct herbenoembaar stellen met een maximum zittingstermijn van 8 jaren aaneensluitend. Herbenoeming vindt plaats na voordracht door de Cliëntenraad.

  • 3.

    Na afloop van de reguliere zittingsperiode of als er geen geschikte reserve kandidaten voor een vacature beschikbaar zijn, worden alle cliënten van het team WI schriftelijk in de gelegenheid gesteld hun belangstelling kenbaar te maken voor de functie van lid van de Cliëntenraad.

  • 4.

    De benoeming ter voorziening in tussentijds opengevallen plaatsen vindt bij voorkeur plaats binnen twee maanden na het ontstaan van de vacature.

  • 5.

    De voorzitter en tenminste één lid van de Cliëntenraad voeren een kennismakingsgesprek met belangstellenden.

  • 6.

    Kandidaten voor de functie van lid worden aan het college voorgedragen, nadat het aspirant lid minimaal drie maanden heeft meegedraaid in de Cliëntenraad en deze kandidaat door de meerderheid van de Cliëntenraad geschikt is bevonden voor de functie.

  • 7.

    Bij disfunctioneren van een lid kan de Cliëntenraad bij meerderheidsbesluit en met redenen omkleed het college voorstellen het betreffende lid te ontslaan.

  • 8.

    Lidmaatschap eindigt binnen 3 maanden nadat betrokkene niet meer voldoet aan de voorwaarden onder lid 1.

Artikel 4.6.6 Budget en vergoeding

  • 1.

    Ten behoeve van de Cliëntenraad wordt jaarlijks een budget door het college beschikbaar gesteld, waartoe een begroting in overleg tussen de Cliëntenraad en het college wordt opgesteld.

  • 2.

    Ten laste hiervan komen vergoedingen en kosten die onder andere verband houden met deskundigheidsbevordering, het inwinnen van advies, achterbanraadpleging, kosten notulist en organisatiekosten.

  • 3.

    De voorzitter, de secretaris en de leden ontvangen een door het college vastgestelde vergoeding.

Artikel 4.6.7 Taken en bevoegdheden voorzitter en secretaris

  • 1.

    Tot de taak van de voorzitter behoort:

    • a.

      het vaststellen van de agenda;

    • b.

      het bepalen van dag en uur van de vergadering;

    • c.

      het leiden van de vergadering;

    • d.

      het handhaven van de orde;

    • e.

      het schorsen van de vergadering;

    • f.

      het peilen van meningen en het mededelen van de uitslagen van stemmingen;

    • g.

      het bewaken van het beschikbaar gestelde budget;

    • h.

      het aangaan van verplichtingen die noodzakelijk zijn voor de voortgang en uitvoering van de taken van de Cliëntenraad, indien en voor zover de daarmee gepaard gaande kosten blijven binnen de vastgestelde begroting.

    • i.

      vertegenwoordigen van de Cliëntenraad naar buiten.

  • 2.

    Tot de taak van de secretaris behoort:

    • a.

      het medeopstellen van de agenda;

    • b.

      het tijdig verzenden van de agenda met bijbehorende stukken;

    • c.

      het bijwonen van alle vergaderingen en het zorgdragen voor een verslag en besluitenlijst;

    • d.

      het opstellen van het jaarverslag;.

    • e.

      het mede zorgdragen voor de uitvoering van de besluiten;

    • f.

      het bewaken van de voortgang en afhandeling van de uitgebrachte adviezen;

  • 3.

    De secretaris kan ondersteund worden door een notulist. De notulist maakt geen onderdeel uit van de Cliëntenraad. Hij ontvangt een door het college vastgestelde vergoeding, welke uit het jaarbudget van de Cliëntenraad betaald wordt.

Artikel 4.6.8 Vergaderingen en vergaderorde

  • 1.

    De Cliëntenraad vergadert als regel elke maand, met uitzondering van de vakantieperiode. Minimaal tweemaal per jaar vindt een vergadering plaats waarbij de portefeuillehouder aanwezig is.

  • 2.

    De vergaderingen zijn als regel openbaar, maar de Cliëntenraad kan besluiten een besloten of een huishoudelijke vergadering te houden.

  • 3.

    De agenda wordt zo mogelijk een week voor de vergadering aan de leden toegezonden.

  • 4.

    Ieder lid heeft het recht schriftelijke voorstellen aan de Cliëntenraad te doen. Deze voorstellen worden bij de secretaris ingediend.

  • 5.

    Ieder lid heeft het recht agendapunten in te leveren bij de secretaris.

  • 6.

    Ieder lid heeft het recht een voorstel betreffende de orde van de vergadering te doen.

  • 7.

    Toehoorders bij een vergadering kunnen de voorzitter bij aanvang van de vergadering om spreektijd verzoeken. De voorzitter bepaalt of hieraan gevolg wordt gegeven.

  • 8.

    De Cliëntenraad kan één of meer (externe) deskundigen uitnodigen de vergadering bij te wonen voor het geven van toelichting of advies, voor zover het budget dat toelaat.

  • 9.

    Het verslag van de vergadering en de besluitenlijst worden ter vaststelling aan de Cliëntenraad aangeboden in de eerstvolgende vergadering.

  • 10.

    De Cliëntenraad mag niet beraadslagen of besluiten indien niet meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden aanwezig is.

  • 11.

    Alle adviezen worden bij meerderheid van stemmen uitgebracht.

Artikel 4.6.9 Advisering

  • 1.

    Het college vraagt de Cliëntenraad om advies over alle onderwerpen die vallen binnen het terrein van de Pw en aanverwante regelingen. Dit betreft in ieder geval:

    • a.

      de voorgenomen beleidskaders en verordeningen op de gebieden participatiebeleid, handhavingsbeleid, inkomensbeleid en minimabeleid;

    • b.

      het voorgenomen uitvoeringsbeleid, zoals verwoord in beleidsnota’s van het college.

  • 2.

    Het advies wordt op een zodanig tijdstip gevraagd dat het van invloed kan zijn op het te nemen besluit door het college.

  • 3.

    Uitgangspunt is dat de Cliëntenraad tenminste twee weken de tijd heeft om een advies op te stellen. Zoveel mogelijk houdt het college daarbij rekening met de vergaderingen van de Cliëntenraad, zodat toelichting kan worden gegeven op het voorgenomen besluit. De Cliëntenraad geeft in ieder geval binnen zes weken een reactie op een gevraagd advies van het college.

  • 4.

    De adviezen van de Cliëntenraad worden schriftelijk uitgebracht aan het college.

  • 5.

    Het college neemt binnen zes weken een beslissing op een gevraagd of ongevraagd advies van de Cliëntenraad en stelt de Cliëntenraad daarvan schriftelijk in kennis. Indien afgeweken wordt van een advies zal dit worden gemotiveerd.

  • 6.

    In het geval het advies van de Cliëntenraad een raadsvoorstel betreft wordt door het college het advies van de Cliëntenraad bij het raadsvoorstel gevoegd en vermeld hoe het college het advies van de Cliëntenraad heeft betrokken bij de totstandkoming van het raadsvoorstel.

Artikel 4.6.10 Ondersteuning

  • 1.

    Het college draagt er zorg voor dat de Cliëntenraad wordt ondersteund.

  • 2.

    Het college voorziet de Cliëntenraad onder andere van informatie opdat de Cliëntenraad naar behoren kan functioneren. Het betreft informatie die noodzakelijk is om beleid en uitvoering te kunnen begrijpen en om ontwikkelingen en wijzigingen te kunnen volgen.

  • 3.

    De teamleider van het team WI woont in de regel een gedeelte van de vergaderingen bij.

  • 4.

    Als daar behoefte aan is kunnen ambtenaren toelichting geven op college voorstellen of andere vragen die passen binnen de reikwijdte van het takenpakket van de Cliëntenraad.

Artikel 4.6.11 Regionale samenwerking

  • 1.

    De gemeenten Veenendaal, Rhenen en Renswoude werken op basis van een dienstverleningsovereenkomst samen. De dienstverleningsovereenkomst omvat de beleidsvoorbereiding en uitvoering van taken van de Pw en aanverwante regelingen. De gemeente Veenendaal is verantwoordelijk voor (algemene) beleidsvoorbereiding en uitvoering.

  • 2.

    De vaststelling van beleid en verordeningen behoort niet tot de reikwijdte van de dienstverleningsovereenkomst. Deze bevoegdheden zijn en blijven voorbehouden aan het college cq. de gemeenteraad van elk van de deelnemende gemeenten.

  • 3.

    De beleidsadviezen van de Cliëntenraad zullen door het college worden doorgeleid naar de colleges van Rhenen en Renswoude.

  • 4.

    Besluitvorming over de uitvoering ligt bij het college.

  • 5.

    De gemeenten Rhenen en Renswoude kunnen besluiten om relevante beleidsstukken ook aan te bieden aan andere inspraakorganen dan de Cliëntenraad.

4.7 Afstemming Participatiewet, IOAW, IOAZ en BBZ

Artikel 4.7.1 Definities

In deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a.

    benadelingsbedrag:

netto-uitkering waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan ten gevolge van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan;

  • b.

    bijstandsnorm:

1° toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de Pw; of

2° grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 van de IOAW of artikel 5 van de IOAZ voor zover sprake is van een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ;

Artikel 4.7.2 Het besluit tot opleggen van een verlaging

In het besluit tot het opleggen van een verlaging van de uitkering als bedoeld in artikel 9a, twaalfde lid en artikel 18, tweede, vierde, vijfde en zesde lid, van de Pw, de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de IOAW en de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de IOAZ worden in ieder geval vermeld:

a. de reden van de verlaging;

b. de duur van de verlaging;

c. het bedrag of percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd; en

d. indien van toepassing, de reden om af te wijken van de standaardverlaging.

Artikel 4.7.3 Horen van belanghebbende

  • 1.

    Voordat een maatregel wordt opgelegd wordt een belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.

  • 2.

    Het horen van een belanghebbende kan achterwege blijven als:

    • a.

      belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan;

    • b.

      belanghebbende aangeeft hiervan geen gebruik te willen maken.

Artikel 4.7.4 Afzien van verlaging

  • 1.

    Het college ziet af van een verlaging als:

    • a.

      elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt;

    • b.

      de gedraging meer dan één jaar voor constatering van die gedraging door het college heeft plaatsgevonden;

  • 2.

    Het college kan afzien van een verlaging als het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.

  • 3.

    Als het college afziet van een verlaging op grond van dringende redenen, wordt een belanghebbende hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld.

Artikel 4.7.5 Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging

  • 1.

    Een verlaging wordt toegepast op de uitkering of bijzondere bijstand die is verleend met toepassing van artikel 12 van de Pw over de kalendermaand volgend op de maand waarin het besluit tot het opleggen van de verlaging aan een belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de op dat tijdstip voor die belanghebbende geldende bijstandsnorm.

  • 2.

    Als een verlaging niet of niet geheel ten uitvoer kan worden gelegd als gevolg van de beëindiging of intrekking van de uitkering, wordt de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet is uitgevoerd, alsnog opgelegd als belanghebbende binnen de termijn, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, opnieuw een uitkering ontvangt.

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid wordt de verlaging toegepast ingaande de datum van aanvang van de uitkering voor zover deze nog niet is uitbetaald.

Artikel 4.7.6 Berekeningsgrondslag

  • 1.

    Een verlaging wordt berekend over de bijstandsnorm.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan een verlaging worden toegepast op de bijzondere bijstand als:

    • a.

      aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de Pw, of

    • b.

      de verwijtbare gedraging van belanghebbende in relatie met zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding geeft.

  • 3.

    Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel a, moet in de hoofdstukken 2, 3 en 4 ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘bijstandsnorm inclusief de op grond van artikel 12 van de Pw verleende bijzondere bijstand’.

  • 4.

    Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel b, moet in de hoofdstukken 2, 3 en 4 ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘de verleende bijzondere bijstand’.

Artikel 4.7.7 Gedragingen Participatiewet

Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting op grond van de artikelen 9 en 55 van de Pw niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:

  • a.

    eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie;

  • b.

    tweede categorie:1°. het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de Pw;2°. het onvoldoende nakomen van verplichtingen, voor zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na een melding als bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid, van de Pw, voor zover deze verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde lid, van de Pw;3°. het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de Pw niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Pw;4°. het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de Pw;5.derde categorie: het niet of onvoldoende nakomen van de medewerkingsplicht als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Pw.

  • c.

    derde categorie: het niet naar vermogen proberen geaccepteerde arbeid te verkrijgen voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid van de Pw.

Artikel 4.7.7a Niet meewerken aan taaltoets

Als een belanghebbende niet meewerkt aan het afleggen van de taaltoets als bedoeld in artikel 18b, tweede lid, van de Pw, wordt een verlaging opgelegd van:

  • a.

    20 procent van de bijstandsnorm gedurende 1 maand;

  • b.

    40 procent van de bijstandsnorm gedurende 1 maand als belanghebbende zich binnen 12 maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast, vanwege het niet meewerken aan het afleggen van de taaltoets opnieuw schuldig maakt aan dezelfde verwijtbare gedraging.

Artikel 4.7.8 Gedragingen IOAW en IOAZ

Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting op grond van de artikelen 37 en 38 van de IOAW of de artikelen 37 en 38 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:

  • a.

    eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie;

  • b.

    tweede categorie:

    • 1°.

      het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling;

    • 2°.

      het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW of de artikelen 36, eerste lid, en artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAZ, voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening;

    • 3°.

      het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW of artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAZ niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de IOAW of artikel 38, eerste lid, van de IOAZ;

    • 4°.

      het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de IOAW of artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de IOAZ;

  • c.

    derde categorie:

    • 1°.

      het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen;

    • 2°.

      het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid;

    • 3°.

      het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid als bedoeld in artikel 20, eerste lid, onder a of b, van de IOAW of artikel 20, tweede lid, onder a of b, van de IOAZ;

    • 4°.

      het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW en de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAZ, voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening.

Artikel 4.7.9 Hoogte en duur van de verlaging

De verlaging, bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 4.7.7 en 4.7.8, wordt vastgesteld op:

  • a.

    het geven van een schriftelijke waarschuwing bij gedragingen van de eerste categorie;

  • b.

    40 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de tweede categorie;

  • c.

    100 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de derde categorie.

Artikel 4.7.10 Duur verlaging bij schending geüniformeerde arbeidsverplichting

Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Pw niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de verlaging 100 procent van de bijstandsnorm gedurende:

  • a.

    één maand, bij gedragingen als bedoeld in artikel 18, vierde lid, onderdeel b, f, g, en h van de Pw;

  • b.

    twee maanden, bij gedragingen als bedoeld in artikel 18, vierde lid, onderdeel a, c, d, en e van de Pw.

Artikel 4.7.11 Verrekenen verlaging

  • 1.

    Bij een verlaging als bedoeld in artikel 4.7.10, onderdeel a, kan de verlaging worden toegepast over twee maanden waarbij zowel aan de maand van oplegging als aan de daaropvolgende maand de helft van de verlaging wordt toebedeeld.

  • 2.

    Bij een verlaging als bedoeld in artikel 4.7.10, onderdeel b, kan de verlaging worden toegepast over drie maanden waarbij zowel aan de maand van oplegging als aan de twee daaropvolgende maanden een derde van de verlaging wordt toebedeeld.

  • 3.

    Als sprake is van een verlaging op grond van artikel 18, vierde lid, onderdeel a, van de Pw, wordt de verlaging toegepast over de maand van oplegging en de daaropvolgende maand.

Artikel 4.7.11a Verrekening boete op grond van de Wet inburgering 2021

  • 1.

    Als een boete op grond van de Wi2021 wordt opgelegd, wordt de boete verrekend met de bijstandsuitkering.

  • 2.

    De boete wordt verrekend over de maand volgend op de maand waarop de beschikking is verzonden.

  • 3.

    Er wordt rekening gehouden met een fictieve draagkracht van 5% van de bijstandsnorm, inclusief vakantietoeslag.

Artikel 4.7.12 Herziening verlaging op verzoek belanghebbende

Het college kan op verzoek van belanghebbende de verlaging van de uitkering herzien zodra uit houding en gedragingen van belanghebbende ondubbelzinnig is gebleken dat hij de geüniformeerde arbeidsverplichtingen zoals bedoeld in artikel 18 lid 4 van de Pw nakomt.

Artikel 4.7.13 Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid

  • 1.

    Wanneer er sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de Pw wordt de uitkering verlaagd .

  • 2.

    Wanneer sprake is van onverantwoord interen van vermogen dan wordt de verlaging als volgt afgestemd op het benadelingsbedrag:

    • a.

      bij een benadelingsbedrag tot € 1.000,00: geen verlaging;

    • b.

      bij een benadelingsbedrag van € 1.000,00 tot € 2.500,00: 20 procent van de bijstandsnorm gedurende 6 maanden;

    • c.

      bij een benadelingsbedrag van € 2.500,00 tot € 5000,00: 20 procent van de bijstandsnorm gedurende 9 maanden;

    • d.

      bij een benadelingsbedrag van € 5000,00 tot € 12.500,00: 20 procent van de bijstandsnorm gedurende 12 maanden;

    • e.

      bij een benadelingsbedrag van € 12.500,00 tot € 50.000,00: 20 procent van de bijstandsnorm gedurende 18 maanden;

    • f.

      bij een benadelingsbedrag van € 50.000,00 of meer: 20 procent van de bijstandsnorm gedurende 24 maanden.

  • 3.

    Een verlaging van 100 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand wordt opgelegd wanneer er sprake is van:

    • a.

      geen of te late aanvraag doen voor een voorliggende voorziening;

    • b.

      het niet nakomen van de verplichting tot het instellen van een alimentatievordering;

    • c.

      door eigen toedoen niet behouden van betaalde arbeid;

    • d.

      een loonsanctie.

  • 4.

    [vervallen].

Artikel 4.7.14 Verlaging bij verlies van een passende en toereikende voorliggende voorziening door toepassing van bestuurlijke boete

Indien belanghebbende(n) geen beroep meer kan doen op een passende en toereikende voorliggende voorziening, omdat deze volledig wordt verrekend met een bestuurlijke boete in het kader van het bij herhaling schenden van de inlichtingenplicht, wordt een verlaging opgelegd van 100 procent van de bijstandsnorm gedurende de eerste drie maanden gerekend vanaf de ingangsdatum van de uitkering.

Artikel 4.7.15 Zeer ernstige misdragingen

Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de Pw als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van die Pw, tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de IOAW als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder g, van die wet of tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de IOAZ als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder g, van die wet, wordt een verlaging opgelegd van:

  • a.

    100 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het uitoefenen van fysiek geweld, schriftelijke bedreigingen of een combinatie van agressieve gedragingen als genoemd in onderdeel b tegen de in de aanhef genoemde personen;

  • b.

    50 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het uitoefenen van fysiek geweld tegen materiële zaken, verbaal geweld, discriminatie en bij mondelinge bedreigingen gericht tegen de in de aanhef genoemde personen.

Artikel 4.7.16 Niet nakomen van overige verplichtingen

  • 1.

    Als een belanghebbende een door het college opgelegde verplichtingen als bedoeld in artikel 55 van de Pw niet of onvoldoende nakomt, wordt een verlaging toegepast. De verlaging wordt vastgesteld op:

    • a.

      20 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen genoemd in artikel 55 van de Pw die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand of vermindering van de bijstand;

    • b.

      40 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen genoemd in artikel 55 van de Pw die strekken tot de arbeidsinschakeling of beëindiging van de bijstand.

  • 2.

    Als een belanghebbende een door het college opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 56a, tweede lid, van de Pw niet of onvoldoende nakomt wordt een schriftelijke waarschuwing gegeven aan de belanghebbende.

  • 3.

    Als een belanghebbende zich binnen een maand na bekendmaking van een schriftelijke waarschuwing als bedoeld in lid 2, opnieuw een verplichting als bedoeld in artikel 56a, tweede lid, van de Pw niet nakomt, wordt een verlaging toegepast van 20 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand.

Artikel 4.7.17 Samenloop van gedragingen

  • 1.

    Als een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan twee of meer verwijtbare gedragingen welke tegelijkertijd worden geconstateerd en die het niet nakomen van een verplichting als genoemd in artikel 4.7.2 van deze paragraaf inhoudt, wordt voor het bepalen van de hoogte en duur van de verlaging uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld.

  • 2.

    Als het college voor dezelfde gedraging de bijstand op grond van artikel 18 of 18b Pw kan verlagen en een boete op grond van de Wi2021 kan opleggen, dan wordt de bijstand verlaagd en wordt geen boete opgelegd.

  • 3.

    In afwijking van lid 1 en 2 wordt een boete op grond van de Wi2021 opgelegd in plaats van een verlaging van de bijstand op grond van de Pw, als de verlaging van de bijstand tot een financieel nadeliger situatie leidt dan het opleggen van een boete en:

    • a.

      de belanghebbende nog wordt ontzorgd op grond van artikel 56a Pw; of

    • b.

      de verlaging van de bijstand er toe leidt dat het inburgeringsproces van de belanghebbende vertraging oploopt.

Artikel 4.7.18 Recidive

  • 1.

    Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in de artikelen 4.7.7, onderdeel b of onderdeel c, 4.7.7a, onderdeel a of onderdeel b, 4.7.8, onderdeel b of c, 4.7.13, eerste lid, of 4.7.15 en 4.7.16 opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging, wordt telkens de duur van de verlaging verdubbeld;

  • 2.

    Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Pw, zich schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in de artikelen 4.7.7, onderdeel b of onderdeel c, 4.7.7a, onderdeel a of b, 4.7.8, onderdeel b of c, 4.7.13, eerste lid, of 4.7.15 en 4.7.16 wordt telkens de duur van de verlaging verdubbeld;

  • 3.

    Als een belanghebbende binnen een periode van twaalf maanden te rekenen vanaf de datum waarop een schriftelijke waarschuwing is gegeven vanwege een gedraging als bedoeld in de artikelen 4.7.7, onderdeel bof c, 4.7.7a, onderdeel a of b, 4.7.8, onderdeel a, wederom niet tijdig de inschrijving als werkzoekende bij het UWV WERKbedrijf heeft verlengd, wordt een maatregel opgelegd van 10 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand;

  • 4.

    Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Pw, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Pw, bedraagt de verlaging honderd procent van de bijstandsnorm gedurende drie maanden.

  • 5.

    Wanneer belanghebbende zich schuldig heeft gemaakt aan drie of meer verwijtbare gedragingen in een periode van 24 maanden, kan door het college een verlaging voor ten hoogste drie maanden worden opgelegd. Dit geldt niet wanneer lid 4 van dit artikel van toepassing is. Deze periode vangt aan op de dag van bekendmaking van het besluit waarin de maatregel is opgelegd naar aanleiding van de eerste verwijtbare gedraging. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, als bedoeld in artikel 4.7.4 van deze verordening.

Artikel 4.7.19 Samenloop wij weigeren uitkering IOAW/IOAZ

Als het college de uitkering op grond van artikel 20, eerste lid, van de IOAW of artikel 20, tweede lid, van de IOAZ blijvend of tijdelijk weigert en de gedraging die tot deze weigering heeft geleid tevens op grond van deze paragraaf tot een verlaging zou kunnen leiden, blijft een verlaging ter zake van die gedraging achterwege.

4.8 Schuldhulpverlening

Artikel 4.8.1 Beslistermijn schuldhulpverlening

De beschikking tot schuldhulpverlening of de afwijzing ervan, bedoeld in artikel 4a, eerste lid, van de Wgs, wordt genomen binnen een termijn van 8 weken na de dag waarop het eerste gesprek, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wgs, heeft plaatsgevonden.

5. HANDHAVING

Artikel 5.1.1 Beleidsplan Handhaving

  • 1.

    Het college legt in een beleidsplan vast:

    • a.

      wat het college verstaat onder fraude;

    • b.

      hoe het college fraudebestrijding aanpakt en ervoor zorgt dat inwoners zich zo goed mogelijk aan de regels houden (handhaving).

  • 2.

    In het beleidsplan staat in ieder geval:

    • a.

      wat het college doet om fraude te voorkomen;

    • b.

      wanneer en hoe het college inwoners informeert over rechten en plichten (voorlichting);

    • c.

      welke onderzoeksmethoden wanneer kunnen worden ingezet; en

    • d.

      hoe het college samenwerkt met andere organisaties om fraude tegen te gaan.

  • 3.

    Het college stelt na afloop van de periode waarvoor het beleidsplan is bedoeld, een beleidsverslag vast. Daarin beschrijft het college of de gestelde doelen voor dat jaar zijn behaald en de redenen waarom dat wel of niet is gebeurd.

6. SLOTBEPALINGEN

Artikel 6.1.1 Nadere regels

Voor zover noodzakelijk voor de uitvoering van deze verordening, kan het college nadere regels stellen.

Artikel 6.1.2 Evaluatie

  • 1.

    Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt minimaal eenmaal per 4 jaar geëvalueerd.

  • 2.

    Het college zendt voor het eerst, 2 jaar na de inwerkingtreding van de verordening, aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk.

Artikel 6.1.3 Intrekken oude verordeningen

De volgende verordeningen worden ingetrokken:

  • a.

    Verordening maatschappelijke ondersteuning Veenendaal, laatstelijk gewijzigd op 23 januari 2020;

  • b.

    Verordening toegang en toeleiding jeugdhulp gemeente Veenendaal, laatstelijk gewijzigd op 23 januari 2020;

  • c.

    Re-integratieverordening Participatiewet Veenendaal 2015, laatstelijk gewijzigd op 19 september 2019;

  • d.

    Verordening loonkostensubsidie voor personen met een arbeidsbeperking Participatiewet Veenendaal 2015, laatstelijk gewijzigd op 22 juni 2017;

  • e.

    Verordening individuele inkomenstoeslag gemeente Veenendaal 2015, laatstelijk gewijzigd op 23 januari 2020;

  • f.

    Verordening Tegenprestatie Participatiewet gemeente Veenendaal 2015 vastgesteld op 19 maart 2015;

  • g.

    Verordening minimaregelingen Veenendaal vastgesteld op 23 januari 2020;

  • h.

    Verordening regionale cliëntenparticipatie Werk en Inkomen 2015 vastgesteld op 23 april 2015;

  • i.

    Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015, laatstelijk gewijzigd op 23 juni 2016.

Artikel 6.1.4 Overgangsbepaling

In afwijking van het bepaalde in artikel 4.5.2 lid 2 wordt gedurende de periode 1 januari 2021 tot 1 januari 2022 toegestaan om bonnetjes te declareren van zelf aangeschafte producten of diensten welke voldoen aan de in deze verordening gestelde vereisten.

Artikel 6.1.5 Inwerkingtreding

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op de dag na de bekendmaking.

  • 2.

    In afwijking van lid 1 treden onderstaande artikelen in werking op de dag na de bekendmaking en werken terug tot en met 1 januari 2021:

    • a.

      Artikel 4.5.5;

    • b.

      Artikel 4.5.6;

    • c.

      Artikel 4.5.7;

    • d.

      Artikel 4.5.14; en

    • e.

      Artikel 4.5.18 lid 1.

  • 3.

    In afwijking van lid 1 treedt artikel 4.5.7 lid 3 pas in werking per 1 december 2021.

  • 4.

    Het gestelde in artikel 4.5.9 lid 3 sub c., 4 sub c. en 6 sub b. wordt ingetrokken op 1 december 2021 vanwege de inwerkingtreding van de Wet van 31 augustus 2020, houdende het voorstel van wet van de leden Kwint en Westerveld tot wijziging van diverse onderwijswetten teneinde te verbieden dat leerlingen van ouders die geen vrijwillige geldelijke bijdrage hebben voldaan worden buitengesloten van activiteiten (Stb. 2020, 318).

  • 5.

    In afwijking van lid 4 blijven op aanvragen voor een ouderbijdrage die zien op de aanvraagperiode die loopt van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021, de bepalingen van lid 3 sub c., 4 sub c. en 6 sub b. van artikel 4.5.9 van toepassing.

Artikel 6.1.6 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Integrale verordening sociaal domein Veenendaal.

Ondertekening

Vastgesteld in de openbare vergadering van 22 april 2021.

mevrouw drs. F.A. van Hooijdonk

griffier

de heer K.J.G. Kats

voorzitter

Bijlage 1 Kwaliteitseisen, voorwaarden en regimes Externe Jobcoaching

ALGEMENE BESCHRIJVING

Om de doelgroepen van de Participatiewet goed te ondersteunen, is het voor gemeenten gewenst werkvoorzieningen in te kunnen inzetten. De gemeenten in de arbeidsmarktregio Foodvalley kunnen een jobcoachvoorziening inzetten als een inwoner zonder deze persoonlijke ondersteuning niet in staat is de aan hem opgedragen taken te verrichten.

Bij het inzetten van de externe jobcoachvoorziening is het leidend dat de primaire verantwoordelijkheid voor de begeleiding van een werknemer bij de werkgever ligt. Ondersteuning van de jobcoach is er steeds op gericht om –via de kortste weg- te bereiken dat de werknemer zonder deze begeleiding zelfstandig zijn taken bij de werkgever kan uitvoeren.

Doelgroep:

1 Werknemers die zonder persoonlijke ondersteuning niet in staat zijn de door de werkgever aan hen opgedragen taken te verrichten conform de eisen en verwachtingen (verder de werknemer).

2 Personen van wie is vastgesteld dat zij uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben, tot het moment van aanvang van de dienstbetrekking.

De geboden jobcoachvoorziening levert een bijdrage aan de arbeidsparticipatie en ontwikkeling van het arbeidsvermogen van de werknemer door het bieden van begeleiding en ondersteuning aan de werkgever én werknemer voor een toereikend aantal begeleidingsuren per week. De inzet van de begeleiding is gericht op:

1. de werkgever of de directe begeleider om de begeleiding zelfstandig uit te kunnen voeren (coach-de coach) én op

2. het begeleiden van de werknemer in het ontwikkelen en trainen van werknemersvaardigheden gericht op het zelfstandig uitvoeren van taken bij de werkgever.

Resultaat:

Het realiseren van de doelstelling(en) zoals beschreven in het door het college opgestelde plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de PW. Beoogde doelen kunnen onder andere zijn (niet limitatief):

  • stabiliseren van de situatie;

  • vergroten zelfredzaamheid op de verschillende leefgebieden;

  • signaleren en verduidelijken onderliggende hulpvragen; waar nodig passende hulpverlening inschakelen;

  • belemmeringen oplossen of hanteerbaar maken;

  • vergroten van het netwerk en sociale contacten;

  • inzicht geven in eigen handelen en coachen van sociale en communicatieve vaardigheden;

  • creëren van ruimte en beweging richting arbeidsmarkt en/of eventueel vrijwilligerswerk of traject;

  • ontdekken van talenten en kwaliteiten/competenties;

  • oriëntatie op de mogelijke beroepsrichting en of scholing;

  • verhogen van de loonwaarde.

A. Eisen aan de (inhoud van) de jobcoach

  • 1.

    Het college geeft voor de proeftijd een begeleidingsregime af.

  • 2.

    Het college betrekt werknemer (die jobcoaching nodig heeft) in de keuze voor een externe jobcoach.

  • 3.

    Het college kan de werkgever betrekken bij de keuze voor een externe jobcoach.

  • 4.

    Tijdens de proeftijd verzorgt de jobcoach de praktische begeleiding en inventariseert de jobcoach de ondersteuningsbehoefte van werkgever en werknemer.

  • 5.

    Het college stelt de ondersteuningsbehoefte/het begeleidingsregime na de proeftijd definitief vast in overleg met werkgever, werknemer en jobcoach.

  • 6.

    Aan het einde van de toegekende begeleidingsperiode, minimaal één keer per jaar, beoordeelt het college of continuering van de jobcoachvoorziening noodzakelijk is en onder welk (aangepast) regime.

  • 7.

    Een jobcoach wordt niet langer ingezet dan voor de duur van de arbeidsovereenkomst of werkervaringsplaats en voor maximaal 3 jaar.

  • 8.

    Werkgever en jobcoach kunnen tussentijds vragen om aanpassing van het begeleidingsregime; zowel voor urenuitbreiding als voor urenvermindering waar dat mogelijk is.

  • 9.

    De jobcoach geeft werkgerelateerde ondersteuning aan werkgever én werknemer bij het verrichten van reguliere arbeid.

  • 10.

    De werkzaamheden, werktijden en instructie sluiten zoveel mogelijk aan op de reguliere arbeidsmarkt en zijn afgestemd op de mogelijkheden van de werknemer.

  • 11

    De jobcoach stelt een coachingsplan op en deelt deze met het college. Het coachingsplan beschrijft de resultaten en doelen en de daarbij behorende werkzaamheden, begeleidingsbehoefte, begeleidingsuren, evaluatiemomenten (HR-cyclus) en ontwikkelperspectief. Het ontwikkelperspectief van de werknemer wordt minimaal halfjaarlijks of voorafgaande aan een contractverlenging bijgesteld en vastgelegd in het coachingsplan. Het coachingsplan wordt in overleg met werkgever en werknemer opgesteld en sluit aan bij het plan van aanpak dat door het college is opgesteld.

  • 12

    De jobcoach informeert de contactpersoon van de gemeente direct bij acute problemen die (grote) invloed kunnen hebben op het resultaat.

  • 13

    De jobcoach adviseert zo nodig de werkgever in het opdragen van taken en werkzaamheden die aansluiten bij de mogelijkheden van de werknemer.

  • 14

    De levering van de jobcoachvoorziening dient binnen 10 werkdagen na ontvangen van opdracht te starten.

  • 15

    Bij kortdurend verzuim (tot 4 weken) van de werknemer is de jobcoaching gericht op snelle werkhervatting. Dit wordt gemeld bij de contactpersoon van de gemeente.

  • 16

    Bij langdurig verzuim van de werknemer (na 4 weken) stopt de jobcoaching, tenzij de contactpersoon van de gemeente besluit te verlengen met het oog op terugkeer.

  • 17

    Bij einde van de arbeidsovereenkomst stopt de jobcoaching direct.

  • 18

    De jobcoach is binnen 24 uur oproepbaar.

  • 19

    De aanbieder garandeert de vervanging van de jobcoach in geval van ziekte en vakantie.

B. Eisen aan de jobcoach-medewerkers

  • 1.

    De jobcoach is ingeschreven in het Nationaal jobcoachregister of heeft aantoonbare vakinhoudelijke kennis, competenties en ervaring op het gebied van jobcoaching.

  • 2.

    De jobcoach werkt vanuit de lokale gemeentelijke uitgangspunten voor arbeidsparticipatie.

  • 3.

    De jobcoach heeft kennis van de lokale sociale kaart en die van aangrenzende gemeenten om de werkzaamheden goed te kunnen uitvoeren.

  • 4.

    De jobcoach communiceert met de werknemer op voor deze persoon verstaanbare en begrijpelijke wijze.

  • 5.

    De jobcoach meldt zo spoedig mogelijk bij de contactpersoon van de gemeente wanneer zich tussentijdse wijzigingen in de persoonlijke omstandigheden of de directe leefomgeving van de werknemer voordoen die invloed (kunnen) hebben op het welzijn van de werknemer of de voortgang van de ingezette dienstverlening.

  • 6.

    De jobcoach heeft een onafhankelijke rol ten opzichte van de werkgever van de werknemer.

  • 7.

    De jobcoach beschikt over de volgende competentie-eisen:

    • biedt methodische ondersteuning;

    • kan oplossingsgericht en vanuit de vraag en belevingswereld van de werknemer werken;

    • heeft actieve beheersing van de Nederlandse taal;

    • heeft een professionele houding en bejegening van werkgevers en werknemers;

    • handelt in alle gevallen integer;

    • werkt aan maatwerk-oplossingen.

C. Eisen aan de Jobcoach-onderneming /aanbieder

  • 1.

    Aanbieder heeft acceptatieplicht voor alle werknemers die door de gemeente worden begeleid en waarvoor het college jobcoaching geschikt heeft bevonden.

  • 2.

    Aanbieder draagt er zorg voor dat de betreffende werknemer geleverd krijgt wat is toegekend binnen de gestelde termijnen.

  • 3.

    Aanbieder draagt er zorg voor dat levering binnen gestelde termijnen geschiedt.

  • 4.

    Aanbieder neemt direct contact op met de contactpersoon van de gemeente als de gevraagde dienstverlening niet aangeboden kan worden (wachtlijsten zijn niet toegestaan).

  • 5.

    Aanbieder is van alle (betaalde en onbetaalde) medewerkers met contacten met werknemers in bezit van een verklaring omtrent gedrag (VOG) gericht op de uit te voeren werkzaamheden, als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Deze verklaring is niet ouder dan drie jaar.

  • 6.

    Aanbieder heeft een vastgestelde regeling voor de afhandeling van klachten van werknemer ten aanzien van gedragingen van de aanbieder jegens een werknemer.

  • 7.

    Aanbieder garandeert dossierinzage door of namens de gemeente met door aanbieder geregelde instemming van de werknemer conform de bepalingen van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). De inzage betreft dat deel van het dossier dat betrekking heeft op de wijze waarop aanbieder het in het plan van aanpak vastgestelde resultaat realiseert.

  • 8.

    Aanbieder is fysiek of telefonisch goed bereikbaar tenminste tijdens kantoortijden (werkdagen van 8.30-17.00 uur).

D. Het coachingsplan / begeleidingsregime

  • 1.

    de Jobcoach schrijft voor iedere werknemer binnen twee weken na aanmelding een coachingplan.

  • 2.

    Het coachingsplan bevat in ieder geval de volgende onderdelen:

    • -

      een beschrijving van de werkplek en de functie;

    • -

      een beschrijving van de competenties en beperkingen in relatie tot de functie;

    • -

      het aantal uren jobcoaching met de daarbij in te zetten activiteiten;

    • -

      een beschrijving van de (meetbare) coachingsdoelen/aandachtspunten voor coaching;

    • -

      op welke wijze wordt de jobcoaching afgebouwd.

  • 3.

    Minimaal 2 weken voor het einde van het dienstverband/coachingsplan rapporteert de jobcoach aan de gemeente over het behaalde resultaat, de ontplooide activiteiten, de mate van zelfstandigheid van de werknemer en het vervolg.

  • 4.

    Als het traject niet leidt tot baanbehoud moet de jobcoach inzichtelijk maken welke activiteiten ondernomen zijn om dit te realiseren en wat de oorzaak van het baanverlies is.

  • 5.

    Bij een verlenging van de jobcoaching levert de jobcoach opnieuw een coachingplan aan voor een vervolgtraject.

  • 6.

    De jobcoach rapporteert aan het college via de door hem aangegeven wijze.

Begeleidingsregimes bij jobcoaching, omgerekend naar uren 

 
 

Zwaarte

Proefplaatsing

Dienstverband

 
 
 

Max 3 Mnd

1e jaar

2e jaar

3e jaar

1 Geen

0

0

0

0

2 Zeer licht

10

40

40

40

3 Licht

20

75

40

40

4 Midden

30

120

60

40

5 Intensief

45

180

90

75