Beleidsregels bijzondere bijstand Bladel 2021

Geldend van 01-01-2021 t/m heden

Intitulé

Beleidsregels bijzondere bijstand Bladel 2021

Burgemeester en wethouders van de gemeente Bladel;

gelet op artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht, de artikelen 35, 36, 36b Participatiewet, artikel 1.13 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen;

overwegende dat het noodzakelijk is beleidsregels vast te stellen met betrekking tot de bijzondere bijstand, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag en de tegemoetkoming kinderopvang;

besluiten:

vast te stellen de volgende regeling:

Beleidsregels bijzondere bijstand Bladel 2021

Hoofdstuk 1 Algemeen

Artikel 1 Begrippen

  • 1.

    In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

    • a.

      het college: het college van burgemeester en wethouders;

    • b.

      de wet: de Participatiewet;

    • c.

      bijzondere bijstand: bijstand als bedoeld artikel 35 van de wet;

    • d.

      kinderopvangtoeslag: toeslag die aangevraagd wordt bij en uitgevoerd wordt door de Belastingdienst/Toeslagen;

    • e.

      tegemoetkoming: tegemoetkoming in de kosten voor kinderopvang die kan worden aangevraagd bij het college van de woongemeente;

    • f.

      inkomen: het inkomen zoals bedoeld in de artikelen 31 tot en met 33 van de wet;

    • g.

      voorliggende voorziening: een voorziening als bedoeld in artikel 5, onder e, van de wet;

    • h.

      draagkrachtinkomen: het inkomen, zoals dat geldt voor de algemene bijstand, dat hoger is dan 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm;

    • i.

      draagkrachtvermogen: het volgens artikel 34, lid 1, van de wet in aanmerking te nemen vermogen, voor zover dit meer bedraagt dan het vrij te laten vermogen als bedoeld in artikel 34, lid 3, van de wet én vermeerderd met het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf, voor zover tegeldemaking of (verdere) bezwaring hiervan in alle redelijkheid kan worden verlangd.

  • 2.

    Voor zover niet anders is bepaald worden begrippen in dit hoofdstuk gebruikt in dezelfde betekenis als in de wet.

Artikel 2 Moment indienen aanvraag bijzondere bijstand

  • 1.

    Een aanvraag voor bijzondere bijstand moet uiterlijk drie maanden vanaf de dag van het optreden van de kosten zijn ingediend.

  • 2.

    Een verlenging van een aanvraag bijzondere bijstand moet uiterlijk twee maanden voor het verstrijken van de looptijd van de originele aanvraag zijn ingediend.

Artikel 3 Draagkracht

  • 1.

    Bijzondere bijstand wordt verleend met inachtneming van de draagkracht van de belanghebbende en zijn gezin, tenzij deze beleidsregels anders bepalen.

  • 2.

    De draagkracht bedraagt 35% van het draagkrachtinkomen plus 100% van het draagkrachtvermogen.

  • 3.

    In afwijking van het tweede lid bedraagt de draagkracht 100% van het draagkrachtinkomen plus 100% van het draagkrachtvermogen bij bijzondere bijstand voor bepaalde periodieke kosten die betrekking hebben op algemeen noodzakelijke bestaanskosten.

  • 4.

    Bij de vaststelling van het draagkrachtvermogen blijft het vermogen in de eigen woning, die het hoofdverblijf is van de belanghebbende, buiten beschouwing. Vermogen in onroerend goed dat niet het hoofdverblijf is wordt volledig meegerekend.

  • 5.

    In afwijking van het tweede lid wordt bij personen die bijzondere bijstand in de vorm van woonkostentoeslag ontvangen aangenomen dat er geen draagkrachtvermogen aanwezig is.

Artikel 4 Draagkracht bij schulden

  • 1.

    In afwijking van artikel 5 wordt uitgegaan van geen draagkracht zolang de belanghebbende meewerkt aan:

    • -

      een traject in fase 2(schuldregeling/saneringsfase) waarbij de belanghebbende een schuld aflost

    • -

      een minnelijke schuldregeling bij de GRSK of een andere NVVK-gecertificeerde schuldhulpverlener

    • -

      een wettelijke schuldregeling ingevolge de WSNP

  • 2.

    Mocht in een van de gevallen als bedoeld in het eerste lid sprake zijn van een partner die niet onder een van de in het eerste lid genoemde schuldregelingen of WSNP valt, dan telt het inkomen van deze partner volledig mee en wordt, voor het bepalen van het draagkrachtinkomen, de bijstandsnorm voor een alleenstaande als de van toepassing zijnde bijstandsnorm gehanteerd. Waarbij rekening wordt gehouden met de mate waarin het inkomen van deze partner is verrekend bij de berekening van het vrij te laten bedrag van de partner in de schuldregeling.

  • 3.

    Inkomen waar beslag op ligt moet opgenomen worden in de draagkrachtbepaling.

Artikel 5 Draagkrachtverrekening

  • 1.

    Bij incidentele bijstand wordt de draagkracht in één keer met de bijzondere bijstand verrekend.

  • 2.

    Bij periodieke bijzondere bijstand wordt de draagkracht uit vermogen in één keer met de bijzondere bijstand verrekend en wordt de draagkracht uit inkomen verrekend naar rato van het aantal maanden van de periode waarop deze bijstand betrekking heeft.

Artikel 6 Draagkrachtperiode bijzondere bijstand

  • 1.

    De draagkracht wordt telkens voor een periode van één jaar vastgesteld, beginnende op de eerste dag van de maand waarin de kosten gemaakt zijn.

  • 2.

    De draagkracht kan voor een kortere of langere periode vastgesteld worden, indien de periode waarop de kosten betrekking hebben daartoe aanleiding geeft.

  • 3.

    De draagkracht wordt gedurende de in het eerste lid genoemde periode niet herberekend.

  • 4.

    In afwijking van het derde lid heeft een tussentijdse wijziging van het draagkrachtinkomen of draag-krachtvermogen tijdens het draagkrachtjaar invloed op de draagkracht en het recht op bijzondere bijstand indien:

    • a.

      het een zodanige wijziging van inkomen is dat de deze wijziging uit het oogpunt van bijstandsverlening niet buiten beschouwing gelaten kan worden; of

    • b.

      het een wijziging van de gezinssituatie betreft die een normwijziging (of beëindiging van de bijstand) tot gevolg heeft; of

    • c.

      er een wijziging in de vermogenssituatie is opgetreden, in zoverre dat de wijziging een overschrijding van de van toepassing zijnde vermogensgrens betekent.

    • d.

      er een wijziging in de vermogenssituatie is opgetreden, waardoor belanghebbende een vermogen heeft dat valt onder het vrij te laten vermogen

  • 5.

    De toepassing van het vierde lid levert geen wijziging op ten aanzien van eerder in het draagkrachtjaar verstrekte bijzondere bijstand, maar enkel voor de periodieke bijzondere bijstand die nog verstrekt zal worden na de draagkrachtwijziging.

Artikel 7 Vorm bijzondere bijstand

  • 1.

    De bijzondere bijstand wordt om niet verstrekt, tenzij deze beleidsregels anders bepalen.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid wordt de bijzondere bijstand in de vorm van een renteloze geldlening verstrekt in de gevallen die genoemd worden in artikel 48, tweede lid, van de Participatiewet en indien de bijzondere bijstand de kosten van duurzame gebruiksgoederen als bedoeld in artikel 51, van de Participatiewet betreft.

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid wordt de bijzondere bijstand verstrekt in de vorm van een geldlening aan personen die bijzondere bijstand in de vorm van woonkostentoeslag ontvangen én aan wie een krediethypotheek is verstrekt.

Artikel 8 Hoogte bijzondere bijstand

Onverminderd de draagkracht wordt de hoogte van de bijzondere bijstand, tenzij deze beleidsregels anders bepalen, individueel bepaald door de hoogte van de noodzakelijke kosten, waarbij als uitgangspunt geldt dat de bijzondere bijstand niet meer bedraagt dan de kosten van de goedkoopst adequate voorziening.

Artikel 9 Drempelbedrag

Het college hanteert geen drempelbedrag.

Hoofdstuk 2 Medische kosten

Artikel 10 Uitgangspunten

  • 1.

    De Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Wet langdurige zorg (Wlz) vormen een passende en toereikende voorliggende voorziening voor medische kosten, zodat voor medische kosten geen bijzondere bijstand wordt verstrekt, tenzij deze beleidsregels anders bepalen.

  • 2.

    Het college verstrekt geen bijzondere bijstand voor zover de collectieve zorgverzekering de medische kosten vergoedt of zou kunnen vergoeden, tenzij deze beleidsregels anders bepalen.

Artikel 11 Medisch advies

Het college kan voor de beoordeling van de noodzaak van de verstrekking van bijzondere bijstand voor medische kosten een extern medisch advies aanvragen. De belanghebbende dient hieraan zodanig medewerking te verlenen, dat de externe adviseur in staat is om tijdig en zorgvuldig een advies te geven aan het college.

Artikel 12 Collectieve zorgverzekering

1. De belanghebbende met een inkomen van maximaal 120% van de toepasselijke bijstandsnorm én een vermogen gelijk aan of lager dan het vrij te laten vermogen als bedoeld in artikel 34, derde lid, Participatiewet, kan deelnemen aan de Collectieve Zorgverzekering voor Minima (CZM).

2. Het college biedt de CZM aan haar inwoners in drie varianten aan:

- Beperkte dekking: Start

- Uitgebreide dekking: Extra

- Extra uitgebreide dekking: Extra uitgebreid

3. Het college verstrekt bijzondere bijstand voor de volledige premie van het aanvullende pakket met de beperkte dekking of het aanvullende pakket met de uitgebreide dekking.

4. Het college kan bijzondere bijstand verstrekken voor de volledige premie van het aanvullende pakket met de extra uitgebreide dekking, indien de belanghebbende aanspraak heeft op bijzondere bijstand voor noodzakelijke kosten die bij de CZM uitsluitend via het aanvullende pakket met de extra uitgebreide dekking worden vergoed.

Artikel 13 Brillen en contactlenzen

  • 1.

    Het college verstrekt bijzondere bijstand voor de kosten van een bril of contactlenzen, indien er sprake is van een medische noodzaak voor de bril of contactlenzen.

  • 2.

    De bijzondere bijstand als bedoeld in het eerste lid wordt eenmaal per drie jaar verstrekt, de aanvraagdatum wordt gezien als de peildatum, tenzij er dringende medische redenen zijn om hiervan af te wijken.

  • 3.

    De bijzondere bijstand als bedoeld in het eerste lid bedraagt voor een bril maximaal de laagste vergoeding vanuit de collectieve aanvullende verzekering Gemeente Extra.

Artikel 14 Eigen bijdrage hoortoestellen

  • 1.

    Het college verstrekt bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage voor een hoortoestel.

  • 2.

    De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt niet meer dan laagste vergoeding vanuit de collectieve aanvullende verzekering Gemeente Extra van CZ.

  • 3.

    Het college verstrekt geen bijzondere bijstand voor de met een hoortoestel samenhangende kosten, zoals de kosten voor batterijen.

Artikel 15 Vervoer naar ziekenhuis/medisch specialist in verband met een behandeling

  • 1.

    Het college verstrekt bijzondere bijstand voor de kosten van het vervoer aan personen die deze vervoerskosten hebben vanwege de noodzaak van medische behandelingen in een ziekenhuis of een andere behandelingsinstelling in Nederland, indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

    • a.

      De kosten van de behandeling waarvoor reiskosten worden gemaakt, dienen vergoed te worden op grond van de JW, Zvw of de Wlz.

    • b.

      Het ziekenhuis of de instelling waar de behandeling plaatsvindt, is de dichtstbijzijnde optie voor de behandeling.

    • c.

      Wanneer reiskosten voortkomen uit de behandeling van een ten lasten komend kind in het kader van de Jeugdwet, dient de noodzaak van eigen vervoer te worden onderbouwd.

  • 2.

    Het college verstrekt in principe alleen bijzondere bijstand voor reiskosten, indien de enkele reisafstand vanaf het woonadres naar de plaats van bestemming meer dan 10 kilometer bedraagt. Bij een medische behandeling kan hiervan om medische of sociale reden gemotiveerd van worden afgeweken.

  • 3.

    De hoogte van de bijzondere bijstand wordt bepaald op basis van het reguliere openbaar vervoer tarief 2e klas voor het goedkoopst mogelijke traject.

  • 4.

    In afwijking van het derde lid wordt de hoogte van de bijzondere bijstand bepaald op basis van de kortste route en een kilometervergoeding die gelijk is aan het in artikel 13a, lid 4, onder b Wet op de loonbelasting genoemde bedrag, indien de belanghebbende met de auto reist én het reizen met het openbaar vervoer niet goedkoper is.

Artikel 16 Dieetkosten

  • 1.

    Het college verstrekt bijzondere bijstand voor de meerkosten van een dieet, indien het volgen van het dieet medisch noodzakelijk is.

  • 2.

    De hoogte van de bijzondere bijstand wordt bepaald op basis van de Nibud Prijzengids.

Artikel 17 Tandheelkundige hulp

  • 1.

    Het college verstrekt bijzondere bijstand voor de ingevolge de Zorgverzekeringswet verschuldigde eigen bijdrage voor een uitneembare volledige prothetische voorziening voor de boven- of onderkaak.

  • 2.

    Indien de belanghebbende geen aanvullende (tand)verzekering heeft, verstrekt het college eenmalig bijzondere bijstand voor tandartskosten, waarbij enkel tandartskosten die vanuit de collectieve aanvullende verzekering van CZ zouden worden vergoed voor bijzondere bijstand in aanmerking komen. De bijzondere bijstand bedraagt niet meer dan de laagste vergoeding vanuit de collectieve aanvullende verzekering Gemeente Extra van CZ.

  • 3.

    De belanghebbende die door schulden geen gebruik kan maken van een aanvullende verzekering én die aantoonbaar bezig is met het aflossen van zijn schulden, komt in aanmerking voor bijzondere bijstand voor de noodzakelijke tandartskosten voor niet meer dan de laagste vergoeding vanuit de collectieve aanvullende verzekering Gemeente Extra van CZ.

  • 4.

    Onder noodzakelijke tandartskosten als bedoeld in het tweede en derde lid worden uitsluitend verstaan de tandartskosten die op grond van de collectieve aanvullende verzekering van CZ voor vergoeding in aanmerking komen.

Artikel 18 Bijdrage in de kosten Wmo 2015

Het college verstrekt bijzondere bijstand voor de bijdrage in de kosten op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, indien en voor zover deze bijdrage niet wordt vergoed vanuit een (collectieve) aanvullende zorgverzekering.

Artikel 19 Eigen risico

Het college verstrekt geen bijzondere bijstand voor het verplicht eigen risico in het kader van de Zorgverzekeringswet of voor de uit een vrijwillig gekozen hoger eigen risico voortkomende kosten.

Artikel 20 Maaltijdvoorziening

  • 1.

    Het college verstrekt bijzondere bijstand voor de maaltijdvoorziening die voorziet in een warme maaltijd, indien de belanghebbende niet in staat is zelf een warme maaltijd te bereiden.

  • 2.

    De bijzondere bijstand wordt verleend voor één warme maaltijd per dag, dus zeven warme maaltijden per week. Onder warme maaltijd worden alle gangen tezamen verstaan, dus de aparte gangen (zoals voorgerecht, hoofdgerecht en nagerecht) komen niet afzonderlijk voor bijzondere bijstand in aanmerking.

  • 3.

    De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt voor alleenstaanden maximaal € 80 per maand en gehuwden maximaal € 160 per maand, waarbij rekening is gehouden met het betalen van een eigen bijdrage per maaltijd.

Artikel 21 Sociale alarmering

  • 1.

    Het college verstrekt bijzondere bijstand voor de aansluitkosten en de abonnementskosten van personenalarmering, indien de personenalarmering om medische of sociale redenen noodzakelijk is.

  • 2.

    De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt niet meer dan de laagste vergoeding vanuit de collectieve zorgverzekering Gemeente Extra.

Artikel 22 Stookkosten

  • 1.

    Het college verstrekt bijzondere bijstand voor de energiekosten, indien de energiekosten hoger zijn dan de door het Nibud vastgestelde gemiddelde energiekosten en de belanghebbende als gevolg van een chronische ziekte of handicap extra energiekosten moet maken.

  • 2.

    De hoogte van de bijzondere bijstand wordt bepaald op de daadwerkelijke energiekosten minus de door het Nibud vastgestelde gemiddelde energiekosten.

Artikel 23 Bewassing en kledingslijtage

  • 1.

    Het college verstrekt bijzondere bijstand voor de extra kosten van het wassen van kleding en kledingslijtage, indien de belanghebbende deze extra kosten moet maken als gevolg van een chronische ziekte of handicap.

  • 2.

    De hoogte van de bijzondere bijstand wordt bepaald op de noodzakelijke extra kosten, voor zover deze hoger liggen dan de door het Nibud vastgestelde kosten voor bewassing en kleding.

Hoofdstuk 3 Reiskosten

Artikel 24 Algemene bepalingen reiskosten

Voor de in dit hoofdstuk genoemde reiskosten, en tevens voor reiskosten die buiten deze beleidsregels worden verstrekt, geldt:

  • 1.

    Het college verstrekt alleen bijzondere bijstand voor reiskosten, indien de enkele reisafstand vanaf het woonadres naar de plaats van bestemming meer dan 10 kilometer bedraagt.

  • 2.

    De hoogte van de bijzondere bijstand voor reiskosten wordt bepaald op basis van het reguliere openbaar vervoer tarief 2e klas voor het goedkoopst mogelijke traject.

  • 3.

    In afwijking van het tweede lid wordt de hoogte van de bijzondere bijstand bepaald op basis van de kortste route en een kilometervergoeding die gelijk is aan het in artikel 13a, lid 4, onder b Wet op de loonbelasting genoemde bedrag, indien de belanghebbende met de auto reist én het reizen met het openbaar vervoer niet goedkoper is.

Artikel 25 Reiskosten bezoek zieke familieleden

  • 1.

    Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de reiskosten die de belanghebbende maakt voor het in Nederland bezoeken van een ziek gezinslid of familielid in de eerste graad.

  • 2.

    De bijzondere bijstand als bedoeld in het eerste lid wordt verleend vanaf het vijfde bezoek per kalenderjaar, met een maximum van twaalf bezoeken per kalenderjaar. De reiskosten voor de eerste vier bezoeken en vanaf het dertiende bezoek per kalenderjaar komen dus voor eigen rekening van de belanghebbende.

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid kan, indien dit op sociaal-medische gronden noodzakelijk wordt geacht, bij wijze van individualisering bijzondere bijstand worden verleend aan bloed- of aanverwanten tot en met de tweede graad.

Artikel 26 Reiskosten bezoek gedetineerde

  • 1.

    Het college verstrekt bijzondere bijstand voor de reiskosten voor het bezoek aan een gedetineerde indien de gedetineerde behoort tot het gezin van de belanghebbende, de gedetineerde geen recht op verlof heeft en de instelling buiten de gemeente is gelegen (maar binnen Nederland).

  • 2.

    De bijzondere bijstand als bedoeld in het eerste lid wordt verleend voor:

    • a.

      het eenmaal per maand bezoeken van de gedetineerde door de partner en de kinderen. De partner is de volwassen persoon met wie de gedetineerde een relatie onderhoudt en die is ingeschreven in de BRP op het (voormalige) adres van de gedetineerde, dan wel de ouder van de kinderen.

    • b.

      het eenmaal per maand bezoeken van het gedetineerde (pleeg)kind door de ouders.

  • 3.

    Het college kan individueel bezien of een eenmalig bezoek per maand aan een gedetineerde broer of zus (met wie in gezinsverband werd geleefd), als noodzakelijk kan worden aangemerkt.

Artikel 27 Reiskosten bezoek uit huis geplaatste kinderen

  • 1.

    Het college verstrekt bijzondere bijstand voor reiskosten voor het bezoek aan een uit huis geplaatst kind/kinderen met een frequentie van maximaal 2 maal per maand, tenzij het geldende behandelplan anders bepaald.

  • 2.

    Het college verstrekt bijzondere bijstand voor reiskosten die voortvloeien uit het halen/brengen van uit huis geplaatste kinderen met een frequentie van maximaal 2 maal per maand, tenzij het geldende behandelplan anders bepaald.

Artikel 28 Reiskosten schoolgaande kinderen

  • 1.

    Bijzondere bijstand kan worden verstrekt aan een ouder met een ten laste komend kind dat jonger is dan 18 jaar en tevens voldoet aan alle volgende voorwaarden;

    • a.

      het ten laste komende kind volgt onderwijs op een grote afstand van de woonplaats

    • b.

      het volgen van onderwijs op een grote afstand van de woonplaats is redelijkerwijs noodzakelijk

    • c.

      belanghebbende ontvangt een inkomen tot maximaal 120% van de van toepassing zijnde beleidsmatig minimum

    • d.

      belanghebbende bezit een vermogen dat niet hoger ligt dan het vrij te laten vermogen zoals gesteld in artikel 34 lid 3 van de Participatiewet

  • 2.

    Er bestaat geen recht op een vergoeding als belanghebbende aanspraak kan maken op een voorliggende voorziening. Ondersteuning in de vorm van vervoer of een vergoeding op basis van de verordening leerlingenvervoer wordt in ieder geval, maar niet uitsluitend, aangemerkt als een voorliggende voorziening.

  • 3.

    Onder een grote afstand wordt verstaan:

    • -

      voor kinderen van 5 jaar tot en met 12 jaar: een reisafstand van meer dan 5 kilometer

    • -

      voor kinderen van 13 jaar tot 18 jaar: een reisafstand van meer dan 15 kilometer

  • 4.

    De leeftijd van het ten laste komende kind op 1 september van het betreffende schooljaar is leidend voor het gestelde onder lid 3.

  • 5.

    Per ten laste komend kind zoals omschreven in lid 1 kan een vergoeding worden toegekend. De hoogte van de vergoeding wordt voor een schooljaar vastgesteld.

  • 6.

    In uitzondering op lid 5 wordt de vergoeding toegekend voor het deel van het schooljaar van 1 september tot en met de dag dat het ten laste komende kind 18 wordt.

  • 7.

    In het geval dat het ten laste komende kind gedurende het schooljaar 13 jaar oud wordt, blijft de hoogte van de vergoeding gedurende het schooljaar gelijk.

  • 8.

    De hoogte van de vergoeding wordt, met toepassing van bovenstaande, per maand berekend op basis van de goedkoopste wijze van reizen gedurende de periode 1 september tot 1 juli.

  • 9.

    Bijzondere bijstand voor reiskosten van schoolgaande kinderen kan worden aangevraagd middels een aanvraagformulier bijzondere bijstand.

Hoofdstuk 4 Individuele toeslagen

Artikel 29 Nadere regels individuele inkomenstoeslag

In aanvulling op hoofdstuk 2 van de Verordening Participatiewet 2015 geldt:

  • 1.

    Belanghebbende heeft uitzicht op inkomensverbetering indien in de periode van twaalf maanden na de peildatum naar verwachting algemeen geaccepteerde arbeid zal worden aangeboden of verworven met een hoger loon dan de toepasselijke bijstandsnorm.

  • 2.

    Bij de beoordeling van het criterium 'geen uitzicht op inkomensverbetering' moet het college rekening houden met de omstandigheden van de persoon, waartoe in ieder geval worden gerekend:

    • -

      de krachten en bekwaamheden van de persoon, en

    • -

      de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot inkomensverbetering te komen.

  • 3.

    Geen individuele inkomenstoeslag wordt verstrekt als belanghebbende gedurende de referteperiode geen of onvoldoende inspanningen heeft verricht.

  • 4.

    Geen recht op individuele inkomenstoeslag heeft:

    • a.

      de belanghebbende die twaalf maanden voorafgaand aan de peildatum, een maatregel heeft gekregen in verband met het niet of onvoldoende medewerking verlenen aan re-integratie en re-integratieactiviteiten of een maatregel heeft gekregen in verband met het niet verkrijgen en behouden van algemeen geaccepteerde arbeid.

    • b.

      de belanghebbende die gedurende de referteperiode uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs volgt of heeft gevolgd.

Artikel 30 Nadere regels individuele studietoeslag

In aanvulling op artikel 11 van de Re-integratieverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015 geldt:

  • 1.

    Belanghebbende kan in aanmerking komen voor een individuele studietoeslag als de belanghebbende voldoet aan de voorwaarden zoals gesteld in art. 36b lid 1 onder a, b, c en d van Participatiewet op de datum van de aanvraag.

  • 2.

    De hoogte van de individuele studietoeslag bedraagt 25% van het wettelijk bruto minimumloon dat voor de belanghebbende geldt.

  • 3.

    Belanghebbende kan slechts eenmaal per zes maanden in aanmerking komen voor een individuele studietoeslag.

  • 4.

    De individuele studietoeslag wordt maandelijks uitbetaald.

Hoofdstuk 5 Woonkosten

Artikel 31 Duurzame gebruiksgoederen en overige inrichtingskosten

  • 1.

    In dit artikel worden verstaan onder:

    • a.

      duurzame gebruiksgoederen: gebruiksgoederen die bestemd zijn voor een duurzaam gebruik, zoals een computer/laptop, diepvries, internetaansluiting, koelkast, televisie, wasdroger, wasmachine, bed, matras en bankstel.

    • b.

      overige inrichtingskosten: de kosten van inrichting, die geen betrekking hebben op duurzame gebruiksgoederen, zoals de kosten van behang, gordijnen, verf en vloerbedekking.

  • 2.

    Het college verstrekt geen bijzondere bijstand voor de kosten van duurzame gebruiksgoederen en overige inrichtingskosten, omdat deze kosten behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan.

  • 3.

    In afwijking van het tweede lid kan het college indien er sprake is van bijzondere omstandigheden bijzondere bijstand verlenen voor de kosten van duurzame gebruiksgoederen en overige inrichtingskosten. Het niet kunnen reserveren als gevolg van schulden is geen bijzondere omstandigheid.

  • 4.

    De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt maximaal in de op Schulinck opgenomen “maximale bedragen bijzondere bijstand” genoemde bedragen, waarbij bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen in de vorm van een lening wordt verstrekt en voor de overige inrichtingskosten om niet.

  • 5.

    De hoogte van het maandelijkse aflossingsbedrag wordt berekend vanuit het bedrag dat overblijft na vermindering van de beslag vrije voet tot een maximum van 10 procent van het maandinkomen.

  • 6.

    De aflostermijn is 36 maanden, wanneer alle termijnen zijn voldaan wordt het restant kwijtgescholden.

Artikel 32 Verhuiskosten

  • 1.

    Het college verstrekt geen bijzondere bijstand voor de kosten van een verhuizing, omdat deze kosten behoren tot de incidenteel noodzakelijke kosten van het bestaan.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan het college bijzondere bijstand verlenen voor de kosten van verhuizing indien er in het individuele geval sprake is van bijzondere omstandigheden.

  • 3.

    De werkelijke kosten worden vergoed waarbij als uitgangspunt geldt: verhuizen door het eigen netwerk. Als een eigen netwerk ontbreekt, kunnen de kosten van een erkende verhuizer worden vergoed. Alvorens tot vergoeding wordt overgegaan, moet belanghebbende een offerte opvragen bij twee verschillende verhuisbedrijven.

Artikel 33 Eerste maand huur en administratiekosten

Het college verstrekt bijzondere bijstand voor de kosten van de eerste maand huur en administratiekosten, indien de verhuizing noodzakelijk is.

Artikel 34 Bewoning van een recreatiewoning

  • 1.

    Bij bewoning van een recreatiewoning als bedoeld in artikel 1, onder c, ten tweede, van de Wet op de huurtoeslag bestaat geen recht op woonkostentoeslag, tenzij het college van de gemeente van de belanghebbende hem ontheffing heeft verleend voor bewoning van de recreatiewoning.

  • 2.

    De woonkostentoeslag wordt toegekend tot maximaal de duur van de ontheffing en de belanghebbende wordt de verplichting opgelegd om te zoeken naar goedkopere huisvesting waarvoor wel recht bestaat op huurtoeslag.

Artikel 35 Berekening woonkostentoeslag huurders

  • 1.

    Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de woonkosten van een huurwoning, voor zover de belanghebbende geen aanspraak kan maken op huurtoeslag op grond van de Wet op de huurtoeslag en de huur niet hoger is dan de maximale huurgrens in de Wet op de huurtoeslag.

  • 2.

    De hoogte van de woonkostentoeslag als bedoeld in het eerste lid wordt bepaald door de maximale woonkostentoeslag, berekend conform de systematiek van de Wet op de huurtoeslag, te verminderen met het bedrag dat aan huurtoeslag wordt ontvangen.

  • 3.

    In afwijking van de vorige leden kan het college, indien de woonkosten hoger zijn dan de maximum huurgrens in de Wet op de huurtoeslag, op grond van individuele omstandigheden een (aanvullende) woonkostentoeslag verlenen, waarbij de hoogte hiervan wordt bepaald op de woonkosten minus de eigen bijdrage die verschuldigd zou zijn bij een huur gelijk aan de maximum huurgrens.

  • 4.

    De woonkostentoeslag als bedoeld in het derde lid wordt toegekend voor drie tot zes maanden, met de mogelijkheid tot verlenging tot maximaal 1 jaar en de belanghebbende wordt de verplichting opgelegd om te zoeken naar goedkopere huisvesting waarvoor wel recht bestaat op huurtoeslag.

Artikel 36 Berekening woonkostentoeslag eigenaren

  • 1.

    Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de woonkosten van een eigen woning, waarbij alleen de volgende woonkosten voor deze woonkostentoeslag in aanmerking komen:

    • a.

      de hypotheekrente

    • b.

      de zakelijke lasten in verband met het hebben van eigendom, zoals rioolrechten, het eigenaarsdeel waterschapslasten, het erfpachtcanon, de premies van verzekeringen tegen brand- en stormschade (alleen voor de opstallen) en het eigenaarsdeel onroerende zaakbelasting (dus niet het gebruikersdeel).

    • c.

      een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor groot onderhoud.

  • 2.

    De hoogte van de woonkostentoeslag als bedoeld in het eerste lid wordt bepaald op de maximale woonkostentoeslag, rekening houdend met de in het eerste lid genoemde woonkosten en berekend conform de systematiek van de Wet op de huurtoeslag.

  • 3.

    In afwijking van de vorige leden kan het college, indien de woonkosten hoger zijn dan de maximum huurgrens in de Wet op de huurtoeslag, op grond van individuele omstandigheden een (aanvullende) woonkostentoeslag verlenen, waarbij de hoogte hiervan wordt bepaald op de woonkosten minus de eigen bijdrage die verschuldigd zou zijn bij een huur gelijk aan de maximum huurgrens.

  • 4.

    De woonkostentoeslag als bedoeld in het derde lid wordt toegekend voor drie tot zes maanden, met de mogelijkheid tot verlenging tot maximaal 1 jaar en de belanghebbende wordt de verplichting opgelegd om te zoeken naar goedkopere huisvesting waarvoor wel recht bestaat op huurtoeslag.

Artikel 37 Doorbetaling vaste lasten bij opname inrichting

  • 1.

    Voor de kosten van het aanhouden van een woning bij tijdelijk verblijf in een inrichting kan bijzondere bijstand worden verleend.

  • 2.

    De hoogte van de bijzondere bijstand wordt bepaald aan de hand van de netto woonkosten. Hierbij wordt rekening worden gehouden met eventuele reserveringsmogelijkheden.

  • 3.

    Wanneer belanghebbende de intentie heeft terug te keren naar de woning, kunnen de vaste lasten gedurende een periode van maximaal 12 maanden doorbetaald worden. Deze periode kan nog eenmaal verlengd worden met een periode van 6 maanden wanneer daarvoor dringende redenen zijn.

  • 4.

    Als vooraf bekend is dat de opname langer duurt of de belanghebbende heeft niet de intentie terug te keren, kan bijstandsverlening plaatsvinden over de termijn van 3 maanden.

Hoofdstuk 6 Juridische kosten

Artikel 38 Kosten rechtsbijstand

  • 1.

    Het college verstrekt bijzondere bijstand voor de kosten van de eigen bijdrage voor een advocaat en het griffierecht, indien de belanghebbende een toevoeging van een advocaat door de Raad voor Rechtsbijstand heeft.

  • 2.

    De hoogte van de bijzondere bijstand is gelijk aan de werkelijk gemaakte kosten, met dien verstande dat, indien de belanghebbende niet de korting van het in artikel 2 lid 6 Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand genoemde bedrag verkrijgt, deze misgelopen korting niet voor bijzondere bijstand in aanmerking komt.

Artikel 39 Kosten bewindvoering

  • 1.

    Het college verstrekt bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering, indien de noodzaak tot beschermingsbewind is vastgesteld door de kantonrechter.

  • 2.

    In afwachting van de uitspraak van de kantonrechter verstrekt het college bijzondere bijstand voor de kosten van beschermingsbewind vanaf de datum van het aanvragen van bewindvoering bij de kantonrechter.

  • 3.

    De bijzondere bijstand is gelijk aan de werkelijke kosten, maar bedraagt nooit meer dan de in Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentors vastgestelde bedragen.

Artikel 40 Kosten curatele

  • 1.

    Het college verstrekt bijzondere bijstand voor de kosten van curatele, die door de kantonrechter afwijkend zijn vastgesteld van de hoofdregel van 5% van de netto opbrengst van de onder bewind staande goederen.

  • 2.

    De bijzondere bijstand is gelijk aan het bedrag waarop de kantonrechter de beloning voor de curator heeft vastgesteld.

Artikel 41 Kosten mentorschap

  • 1.

    Het college verstrekt bijzondere bijstand voor de kosten van een door de rechter benoemde mentor.

  • 2.

    De bijzondere bijstand is gelijk aan het bedrag waarop de rechter de beloning voor de mentor heeft vastgesteld.

Artikel 42 PGB Beheer

  • 1.

    Het college verstrekt geen bijzondere bijstand voor de kosten van PGB-beheer.

Hoofdstuk 7 Bijzondere bijstand jongeren

Artikel 43 Hoogte bijzondere bijstand 18 t/m 20–jarigen niet in inrichting

  • 1.

    Het college kan bijzondere bijstand verlenen aan de persoon van 18, 19 of 20 jaar indien deze persoon uitwonend is én:

    • a.

      de ouders zijn overleden, of

    • b.

      de ouders duurzaam in het buitenland verblijven of

    • c.

      er sprake is van een ernstig verstoorde relatie tussen de ouders en de jongere.

  • 2.

    De hoogte van de bijzondere bijstand als bedoeld in het eerste lid is, indien de bijzondere bijstand ziet op de algemene noodzakelijke kosten van het bestaan, gelijk aan het verschil tussen de van toepassing zijnde jongerennorm en het bedrag dat een 21-jarige in dezelfde situatie zou krijgen.

  • 3.

    De hoogte van de bijzondere bijstand als bedoeld in het eerste lid wordt, indien de bijzondere bijstand ziet op bijzondere kosten, vastgesteld conform het elders in deze beleidsregels bepaalde.

Artikel 44 Hoogte bijzondere bijstand 18 t/m 20–jarigen in inrichting

1. Het college verstrekt, onverminderd het bepaalde in artikel 12 Participatiewet, bijzondere bijstand aan een persoon van 18, 19 of 20 jaar in een inrichting voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, indien:

a. de ouders zijn overleden, of

b. de ouders duurzaam in het buitenland verblijven, of

c. er sprake is van een ernstig verstoorde relatie tussen de ouders en de jongere.

2. De hoogte van de bijzondere bijstand als bedoeld in het eerste lid wordt bepaald aan de hand van de individuele situatie en bedraagt minimaal 75% van de norm van een alleenstaande van 21 jaar en ouder in een inrichting, doch maximaal 100% van de norm van een alleenstaande van 21 jaar en ouder in een inrichting, met dien verstande dat de door de ouders voor de persoon van 18 jaar ontvangen kinderbijslag in mindering wordt gebracht op de bijzondere bijstand.

Hoofdstuk 8 Kosten kinderopvang

Artikel 45 Doelgroep kinderopvang Sociaal medische indicatie (SMI)

Een aanvraag voor een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang op grond van deze beleidsregels kan uitsluitend gedaan worden door personen die voldoen aan de voorwaarden zoals gesteld in art. 1.6 lid 1 onder c, e, f, g, j, k of l van de Wet kinderopvang, met dien verstande dat de voorwaarden bedoeld in de onderdelen k en l pas gaan gelden na het in werking treden van deze onderdelen.

Artikel 46 Aanvraag (Kinderopvang SMI)

  • 1.

    Voordat het college beslist op de aanvraag wordt eerst beoordeeld in hoeverre het eigen netwerk en de eigen omgeving van de aanvrager, of voorliggende voorzieningen, kunnen bijdragen aan de opvang van het(de) kind(eren).

  • 2.

    Het college verstrekt bijzondere bijstand voor de kosten van kinderopvang indien de aanvraag betrekking heeft op kinderopvang in verband met een Sociaal Medische Indicatie.

  • 3.

    De Sociaal medische indicatie kan worden afgegeven indien;

    • a.

      Er sprake is van een tijdelijke situatie waarin als gevolg van één of meer lichamelijke, psychische of sociale beperkingen van het betreffende kind of de betrokken ouder opvang van het kind of kinderen noodzakelijk is.

    • b.

      Er geen recht op kinderopvangtoeslag bestaat.

    • c.

      De betreffende kinderen voor wie opvang nodig is, thuiswonend zijn en niet ouder zijn dan 12 jaar.

  • 4.

    De aanvraag kan worden gedaan voor een periode van maximaal 6 maanden en dient vergezeld te zijn van een indicatie van een professional waarin de minimale hoeveelheid uren kinderopvang is beschreven die noodzakelijk is. Dit betreft niet nooit meer dan zes dagdelen per week met daarbinnen een maximum van 10,5 uur op één dag. Voor buitenschoolse opvang geldt een maximum van drie dagen per week.

Artikel 47 Hoogte van de tegemoetkoming (Kinderopvang SMI)

  • 1.

    De draagkrachtregels, zoals geldend bij een aanvraag individuele bijzondere bijstand, zijn van toepassing.

  • 2.

    In afwijking van artikel 1 lid 1, onder h en onder i, wordt bij een aanvraag op grond van een Sociaal Medische Indicatie het draagkrachtinkomen gesteld op tweemaal de norm voor een echtpaar bedoeld in artikel 21, onder b, van de wet en wordt het draagkrachtvermogen gesteld op tweemaal de vermogensgrens bedoeld in artikel 34 lid 3 van de wet.

  • 3.

    Wanneer het draagkrachtinkomen de norm van tweemaal de norm voor een echtpaar bedoeld in artikel 21, onder b, van de wet overstijgt, wordt een bedrag dat gelijk is aan 100% van dit inkomen gezien als draagkracht.

  • 4.

    De tegemoetkoming op grond van een Sociaal Medische Indicatie is analoog aan de kinderopvangtoeslag van de Belastingdienst.

Artikel 48 Duur en wijze van uitbetaling van de tegemoetkoming (Kinderopvang SMI)

  • 1.

    De tegemoetkoming wordt toegekend voor de maximale looptijd, aangegeven in de Sociaal Medische Indicatie, met een maximum van 1 kalenderjaar.

  • 2.

    De tegemoetkoming wordt niet toegekend voor meer uren, dan waarvoor kinderopvangtoeslag van het rijk wordt ontvangen, wanneer er recht bestaat op kinderopvangtoeslag.

  • 3.

    Bij aanvragen op grond van een Sociaal Medische Indicatie worden niet meer uren vergoed dan het minimum dat noodzakelijk geacht wordt in de indicatie bedoeld in artikel 42 lid 2.

  • 4.

    De tegemoetkoming wordt uitbetaald na ontvangst van de factuur van het kinderopvangcentrum of het gastouderbureau en na controle van de aangevraagde kinderopvangtoeslag van het rijk.

Hoofdstuk 9 Schuldhulpverlening

Artikel 49 Borgstelling

  • 1.

    Bijzondere bijstand voor schulden is op grond van artikel 13, eerste lid sub g van de wet, in combinatie met artikel 49 van de wet mogelijk in de vorm van een borgstelling.

  • 2.

    Deze borgstelling wordt slechts verleend als deze gericht is op kredietverstrekking door de Kredietbank Nederland ter sanering van de gehele schuldsituatie.

  • 3.

    Deze borgstelling vervalt wanneer de inwoner uit eigen beweging het traject beëindigd.

  • 4.

    Deze borgstelling vervalt wanneer het traject, om zeer dringende redenen genoemd in de beleidsregels schuldhulpverlening, wordt beëindigd door de schuldhulpverlener.

Artikel 50 Opstartkosten budgetbeheer

  • 1.

    In schrijnende gevallen, onderbouwd met een verzoekschrift vanuit de afdeling schuldhulpverlening, waaruit blijkt dat belanghebbende gemotiveerd is om het traject van schuldhulpverlening te doorlopen, verstrekt het college bijzondere bijstand om de kosten die nodig zijn voor het opstarten van budgetbeheer mogelijk te maken.

  • 2.

    De kosten zoals genoemd in lid 1 zijn bedoeld als basisbedrag, wanneer inwoner niet kan beschikken over liquide geldelijke middelen, om bijvoorbeeld lopende reserveringen in te vullen of eerste, kleine extra uitgaven te voldoen.

Hoofdstuk 10 Overige kosten

Artikel 51 Uitvaartkosten

  • 1.

    Het college verstrekt geen bijzondere bijstand voor uitvaartkosten voor zover voor deze kosten een beroep kan worden gedaan op een uitvaart-, levens- of ongevallenverzekering of deze kosten kunnen worden voldaan uit de nalatenschap.

  • 2.

    Onverminderd het bepaalde in het eerste lid kan het college bijzondere bijstand verlenen voor het deel van de kosten van een uitvaart dat voor rekening van de belanghebbende komt, waarbij alleen de volgende kosten voor vergoeding in aanmerking komen:

    • a.

      Legeskosten overlijdensakte

    • b.

      Rouwkaarten (100 stuks zonder porto)

    • c.

      Werkzaamheden uitvaartverzorger

    • d.

      Eenvoudige kist

    • e.

      Grafrechten algemeen graf voor maximaal 20 jaar

    • f.

      Rouwauto met maximaal 1 volgauto

    • g.

      Opbaren rouwcentrum op opbaren thuis

    • h.

      Dragers

    • i.

      Grafzerk of sierurn

    • j.

      As bewaren in urnenmuur of columbarium (5 jaar)

  • 3.

    De hoogte van de bijzondere bijstand als bedoeld in het eerste lid is gelijk aan het aandeel in de werkelijke kosten, maar bedraagt niet meer dan de bedragen genoemd in de op Schulinck opgenomen “maximale bedragen bijzondere bijstand”.

Artikel 52 Babyuitzet

  • 1.

    Het college kan in zeer uitzonderlijke gevallen bijzondere bijstand verlenen voor de noodzakelijke kosten van een babyuitzet. Bij zeer uitzonderlijke gevallen kan onder andere worden gedacht aan geboorte van een meerling (alleen de meerkosten komen voor bijzondere bijstand in aanmerking), een onvrijwillige zwangerschap ten gevolge van een zedenmisdrijf of hogere kosten ten gevolge van medische complicaties.

  • 2.

    Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de noodzakelijke kosten van een babyuitzet aan inwoners, indien het gaat om een eerste babyuitzet, waarvoor de inwoners niet hebben kunnen reserveren.

  • 3.

    Het college kan alleen bijzondere bijstand verlenen voor de noodzakelijke kosten van een eerste babyuitzet, wanneer belanghebbende gedurende de zwangerschap voor tenminste 6 maanden een besteedbaar inkomen heeft gehad dat lager ligt dan de beslagvrije voet.

  • 4.

    De hoogte van de bijzondere bijstand wordt bepaald op het bedrag voor het basispakket in de Nibud Prijzengids.

Artikel 53 Voormalig alleenstaande ouders

  • 1.

    Het college verstrekt de voormalig alleenstaande ouder waarvan het laatste ten laste komende kind een opleiding volgt waarvoor recht bestaat op Wet studiefinanciering (WSF) of Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (Wtos) bijzondere bijstand in de vorm van een aanvulling op de bijstandsnorm voor een alleenstaande vanaf de datum dat het kindgebonden budget eindigt tot de eerste dag van het kwartaal volgend op het kwartaal waarin het kind 18 jaar is geworden.

  • 2.

    De aanvulling zoals genoemd in het eerste lid bedraagt 20% van de bijstandsnorm voor gehuwden van 21 jaar tot de pensioengerechtigde leeftijd.

Hoofdstuk 11 Slotbepalingen

Artikel 54 Inwerkingtreding en intrekking

  • 1.

    Deze beleidsregels treden in werking op 1 januari 2021 onder intrekking van de Beleidsregels bijzondere bijstand 2019 en de richtlijnen bijzondere bijstand zoals opgenomen in het digitale handboek van Schulinck (Grip op Participatiewet).

  • 2.

    Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van deze beleidsregels, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen.

  • 3.

    Aanvragen die zijn ingediend onder de beleidsregels bijzondere bijstand 2019 Kempengemeenten en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze beleidsregels, worden afgehandeld conform deze beleidsregels.

  • 4.

    Het beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten op grond van de Beleidsregels bijzondere bijstand 2019 Kempengemeenten gebeurt op grond van die beleidsregels die daarvoor zijn  geldigheid behouden.

  • 5.

    Van lid 4 kan ten gunste van de cliënt worden afgeweken.

Artikel 55 Citeertitel

Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels bijzondere bijstand Kempengemeenten 2021.

Aldus vastgesteld in zijn vergadering van 19 januari 2021.

Het college voornoemd,

de secretaris, drs. E.L.C.M. Mol

de burgemeester, ir. R.P.G. Bosma