Subsidieregeling monumenten Fryslân

Geldend van 19-05-2022 t/m heden

Intitulé

Subsidieregeling monumenten Fryslân

Gedeputeerde staten van Fryslân,

gelet op

Verordening (EU) Nr. 702/2014 van de Commissie van 25 juni 2014 (PbEU, L 193), in het bijzonder artikel 29, waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard,

Verordening (EU) Nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 (PbEU, L187) in het bijzonder artikel 53, waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard;

de Algemene subsidieverordening provincie Fryslân 2013,

overwegende dat het op grond van het Uitvoeringsprogramma Nij Poadium 2021-2024 wenselijk is door middel van subsidies een stimulans te geven aan het restaureren, herbestemmen en onderhouden van Friese monumenten,

besluiten:

vast te stellen de Subsidieregeling monumenten Fryslân:

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In deze uitvoeringsregeling wordt verstaan onder:

  • a.

    Aanvang: begin van de feitelijke werkzaamheden, zoals omschreven in het bestek;

  • b.

    Architect: persoon die is ingeschreven in het architectenregister als bedoeld in de Wet op de architectentitel;

  • c.

    Asv: Algemene subsidieverordening provincie Fryslân 2013;

  • d.

    Bestek: volledige en nauwkeurige beschrijving van voorwaarden waaronder, en eisen ten aanzien van de wijze waarop werkzaamheden aan een bouwwerk worden uitgevoerd, bestaande uit algemene voor het werk geldende juridische en administratieve voorwaarden en bepalingen, met voorschriften betreffende bouwplaats voorzieningen, de nauwkeurige beschrijvingen van toe te passen constructies en per onderdeel benodigde kwaliteit en hoeveelheid van te gebruiken materialen en eisen die worden gesteld aan de wijze van verwerken, alsmede de afwerking van kleuren;

  • e.

    Boerderij: ensemble van hoofdgebouw met bijgebouwen dat oorspronkelijk uitsluitend of voor het overwegende deel is vervaardigd voor het uitoefenen van een agrarisch bedrijf;

  • f.

    Boerderij in agrarisch gebruik: boerderij met een complex van economische activiteiten gericht op winst door de uitoefening van de landbouw, ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder een van de SBI-codes 011 t/m 015;

  • g.

    Bouwhistorisch onderzoek: in een schriftelijke rapportage vastgelegde opname of verkenning naar gegevens betreffende de bouw-, verbouwings- en gebruiksgeschiedenis van één of meer gebouwen of zelfstandige onderdelen daarvan, of naar een door mensen gemaakte structuur, aan de hand van archief- en literatuuronderzoek en waarnemingen aan de vorm, de constructie, de gebruikte materialen en de afwerking ervan. In overeenstemming is met de Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek, lezen en analyseren van cultuurhistorisch erfgoed, L. Hendriks en J. van der Hoeve (2009);

  • h.

    Buitenplaats: complex van dat een historisch en architectonisch geheel vormt in nuttig gebruik, bestaande uit een versterkt huis, buitenhof of landhuis met bijgebouwen, bouwwerken en tuinornamenten met omliggende terreinen die bestaan uit grachten, waterpartijen, lanen, boomgroepen, parkbossen, weiden, siertuinen of moestuinen;

  • i.

    Casco: de dragende onderdelen en het omhulsel, bestaande uit dak, kappen met spantconstructies, balklagen en vloeren, dragende muren met wandopeningen, funderingen, kelders en gewelven. Tot het casco wordt ook gerekend het binnenpleisterwerk van de muren die er deel van uitmaken, alsmede de buitenafwerking, de kozijnen, ramen en deuren;

  • j.

    Deelrestauratie: instandhoudingswerkzaamheden aan één onderdeel van het casco dat in slechte of matige staat verkeert en voor de instandhouding van het gehele monument noodzakelijk zijn;

  • k.

    Deskundige: onafhankelijke partij die op grond van opleiding en ervaring gekwalificeerd moet worden geacht om een opdracht uit te voeren in het kader van een op grond van deze regeling gesubsidieerde activiteit;

  • l.

    Directievoering: begeleiding van de uitvoering door een architect of andere deskundige instelling die in ieder geval de volgende werkzaamheden betreft: afstemmingsoverleg; minimaal 1 maal per week locatiebezoek tijdens de werkzaamheden om de voortgang en kwaliteit van de werkzaamheden te toetsen; minimaal één maal per maand bouw- voortgang verslagen en oplevering met proces verbaal;

  • m.

    Gemeentelijk monument: onroerende zaak die op grond van een gemeentelijke verordening is geplaatst op de gemeentelijke monumentenlijst;

  • n.

    Herbestemming: wijziging naar een andere dan de bestaande functie van een monument of zelfstandig onderdeel daarvan, waarbij door de wijziging de bestaande functie van het monument in overwegende mate wijzigt naar en geschikt gemaakt wordt voor een nieuwe functie door middel van voor de wijziging noodzakelijke bouwkundige ingrepen;

  • o.

    Herbouwwaarde: kosten om een beschermd monument of zelfstandig onderdeel in zijn geheel opnieuw te vervaardigen, met dezelfde constructie, materiaalsoorten en detaillering;

  • p.

    Instandhoudingsplan: plan met een overzicht van de aard en de omvang van de jaarlijks voorgenomen werkzaamheden bestaande uit restauratie en onderhoud, alsmede een omschrijving van de daarmee beoogde resultaten, voor een periode van ten hoogste zes kalenderjaren. Het instandhoudingsplan omvat tevens een meerjarige werkomschrijving en een meerjarenbegroting;

  • q.

    Instellingen van bijzonder provinciaal belang: organisaties met de status Professionele Organisatie voor Monumentenbehoud (POM) die tevens provinciale boekjaarsubsidie ontvangen;

  • r.

    Karakteristiek bouwwerk: bouwwerk van vóór 1965 dat als zodanig is genoemd in een gemeentelijk bestemmingsplan, of de kaartlaag “karakteristieke bouwwerken” van de Cultuurhistorische Kaart van de provincie Fryslân waarvan de cultuurhistorische waarde op grond waarvan het bouwwerk is geïnventariseerd nog steeds aanwezig is, niet zijnde een rijksmonument;

  • s.

    Kerk: gebouw of zelfstandig onderdeel daarvan, dat oorspronkelijk uitsluitend of voor het overwegend deel is vervaardigd voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging;

  • t.

    Klinkende monumenten: uurwerken, orgels of luidklokken;

  • u.

    Leerbedrijf: bedrijf dat met een specifieke kwalificatie voor restauratie is erkend door het Stichting Certificering Restauratie om scholings- en werkgelegenheidstrajecten uit te voeren in de restauratiebouw;

  • v.

    Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten: zoals deze is opgenomen in artikel 4 van de regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 19 september 2012, nr. WJZ/387165 (10152), houdende regels voor de verstrekking van subsidie voor de instandhouding van rijksmonumenten (Subsidieregeling instandhouding monumenten geldend van 25-12-2019);

  • w.

    Molen: bouwwerk dat wind, water of spierkracht omzet in bewegende machines of pompen;

  • x.

    Monument: bouwwerk, zelfstandige onderdeel daarvan of aangelegde onroerende zaak welke een tastbaar product van menselijk handelen is, en welke op zich of in verband met zijn omgeving van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, zijn betekenis voor de wetenschap of zijn cultuurhistorische waarde;

  • y.

    Museum: pand dat is opgenomen in het Museumregister Nederland;

  • z.

    Nevengebruik: vestiging van een andere dan de bestaande functie of verbreding van de bestaande functie maar waarbij door deze vestiging of verbreding, de bestaande functie in overwegende mate blijft bestaan;

  • aa.

    Onafhankelijke deskundige: deskundige die op grond van opleiding en ervaring gekwalificeerd is om de opdracht uit te voeren en waarvoor geldt dat er geen sprake is van zodanig nauwe relatie in familiaire of in zakelijk verband tussen de ingeschakelde deskundige en diens opdrachtgever dat daardoor sprake kan zijn van belangenverstrengeling dan wel de schijn van belangenverstrengeling bij het verkrijgen van de opdracht tot uitvoering van de restauratie;

  • bb.

    Onderhoud: reguliere werkzaamheden die noodzakelijk zijn voor de instandhouding van het beschermde monument of onderdelen ervan;

  • cc.

    Ontwerpopgave: planvorming waarbij sprake is van het wijzigen van het casco, buitengevels, binnenwanden, vloeren of plafonds van het bouwwerk of een zelfstandig onderdeel daarvan;

  • dd.

    Periodiek instandhoudingsplan: een instandhoudingsplan als bedoeld in artikel 10 van de Subsidieregeling instandhouding monumenten, zoals dit artikel luidde op 25 december 2019;

  • ee.

    Reconstructie: werkzaamheden die nodig zijn voor het opnieuw maken en terugbrengen van verloren gegane onderdelen van monumenten in een vroegere gedaante;

  • ff.

    Restauratie: het verrichten van die werkzaamheden, die het normale onderhoud te boven gaan en die voor het herstel van een monument noodzakelijk zijn;

  • gg.

    Restauratieplan: instandhoudingsplan dat is opgesteld door een architect bestaande uit een rapportage van de technische staat, tekeningen van de bestaande toestand, tekeningen van herstellingen en toevoegingen, alsmede een bestek ter opheffing van gebreken en ten behoeve van de wijzigingen, conform leidraad subsidiabele instandhoudingskosten en bijbehorende sluitende begroting;

  • hh.

    Rijksmonument: beschermd monument als bedoeld in de Erfgoedwet;

  • ii.

    Subsidieregeling Instandhouding Monumenten (Sim): de Subsidieregeling instandhouding monumenten (Sim) is gebaseerd op het Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten 2013;

  • jj.

    Technisch urgent: noodzaak tot restauratie van het monument, het zelfstandig onderdeel dan wel van de zelfstandig bouwkundige eenheid, omdat het casco van het monument, het zelfstandig onderdeel of zelfstandig bouwkundige eenheid in slechte of matige staat verkeert op grond van de criteria die door de Monumentenwacht gehanteerd worden in het Inspectie Handboek;

  • kk.

    Tuin-historisch onderzoek: onderzoek naar de aanleg, veranderings- en gebruiksgeschiedenis van aanleggen van tuinen, (stads)parken, boerenerven, begraafplaatsen, vestingwerken en andere groenstructuren die een begrenzing hebben, in hun ruimtelijke samenhang, aan de hand van de vorm (ontwerp), onderliggende structuren en ideeën, de gebruikte materialen en beplanting en de afwerking. Het onderzoek brengt in kaart en beschrijft hoe de oorspronkelijke situatie was en welke veranderingen er in de loop der tijd zijn aangebracht en beschrijft de bestaande situatie als uitkomst van die eerdere processen;

  • ll.

    Woonhuis: bouwwerk of zelfstandig bouwkundige eenheid van het monument dat in oorsprong voor wonen is gebouwd zoals geregistreerd in het monumentenregister van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed onder subcategorie Woonhuizen of dat thans voor meer dan de helft van de oppervlakte voor wonen is bestemd of in overwegende mate voor bewoning wordt gebruikt, met dien verstande dat niet als woonhuizen worden aangemerkt: gebouwen die deel uitmaken van een museum, kastelen, paleizen, kerkgebouwen, kerkelijke dienstgebouwen in kerkelijk gebruik, het hoofdhuis van buitenplaatsen, landhuizen, gebouwen van liefdadigheid, molens, gemalen, watertorens, agrarische gebouwen of industrieel erfgoed;

  • mm.

    Zelfstandig bouwkundige eenheid: een zelfstandig bouwkundige eenheid is een bouwwerk dat in zowel constructief als functioneel opzicht te onderscheiden is van de naastgelegen bouwwerken en is opgenomen als onderdeel van het monument in het Monumentenregister;

  • nn.

    Zelfstandig onderdeel van het monument: monumentale kerktoren, kerkdak, kerktorendak (bijvoorbeeld: spits, ui- of zadeldak), uurwerk, orgel, luidklok, klokkenstoel al dan niet in een toren, ringmuur of hekwerk rond een kerk, roeden of waterwerken van een molen, daken van boerderijen.

Artikel 1.2 Doelgroep

Subsidie wordt uitsluitend verstrekt aan natuurlijke personen en privaatrechtelijke rechtspersonen die eigenaar of zakelijk gebruiksgerechtigde zijn van een monument.

Artikel 1.3 Aanvraagperiode

Gedeputeerde staten stellen een openstellingsbesluit vast.

  • 1.

    Een openstellingsbesluit bevat ten minste een aanvraagperiode en een subsidieplafond.

  • 2.

    Gedeputeerde staten kunnen in het openstellingsbesluit nadere regels stellen met betrekking tot

    • a.

      het indienen van een aanvraag;

    • b.

      de kring van subsidieontvangers;

Artikel 1.4 Aanvraag

  • 1. Een aanvraag voor subsidie wordt ingediend door middel van een door gedeputeerde staten vastgesteld aanvraagformulier en gaat vergezeld van de in het aanvraagformulier verplichte bijlagen.

  • 2. Een aanvraag kan elektronisch of op papier worden ingediend. Elektronische aanvragen worden ingediend via de internetsite www.fryslan.frl door middel van de daar beschikbare aanvraagmodule. Aanvragen op papier worden ingediend bij de provincie Fryslân te Leeuwarden.

Artikel 1.5 Verdeelsystematiek

  • 1. Subsidie wordt verdeeld op volgorde van datum van binnenkomst van de subsidieaanvragen, waarbij de datum waarop de aanvraag volledig is, geldt als datum van binnenkomst.

  • 2. Voor zover door verstrekking van subsidie voor volledige aanvragen, die op dezelfde dag zijn ontvangen, het subsidieplafond wordt overschreden, wordt de onderlinge rangschikking van die aanvragen vastgesteld door middel van loting.

  • 3. Gedeputeerde staten stellen een subsidieplafond zoals genoemd in het tweede lid, vast voor alle subsidieaanvragen die vallen onder de doelgroep zoals gesteld in artikel 1.2 van de regeling.

  • 4. Gedeputeerde staten stellen afzonderlijke plafonds vast voor subsidieaanvragen voor:

    • a.

      restauratie en herbestemming van rijksmonumenten;

    • b.

      restauratie en herbestemming van rijksmonumenten die worden ingediend door instellingen van bijzonder provinciaal belang;

    • c.

      restauratie en herbestemming van rijksmonumentale boerderijen in agrarisch gebruik;

    • d.

      onderhoud rijksmonumentale molens;

    • e.

      deelrestauraties van rijksmonumenten;

    • f.

      restauratie en herbestemming van gemeentelijke monumenten;

    • g.

      herbestemming van karakteristieke panden;

    • h.

      plankosten.

Artikel 1.6 Staatssteun

  • 1. Subsidie aan ondernemingen op grond van deze paragraaf wordt verstrekt met toepassing van Verordening (EU) Nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 (PbEU, L187) in het bijzonder artikel 53, waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden.

  • 2. Subsidie ten behoeve van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (kmo's) die actief zijn in de landbouwsector, met name de primaire landbouwproductie wordt slechts verstrekt met toepassing van artikel 29 Verordening (EU) Nr. 702/2014van de Commissie van 25 juni 2014 (PbEU, L 193) , waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard.

Artikel 1.7 Bevoorschotting en betaling

  • 1. Het voorschot voor subsidies van € 25.000 en hoger bedraagt maximaal 80% van het verleende bedrag.

  • 2. Een voorschot wordt slechts éénmaal verstrekt.

Artikel 1.8 Vaststelling -prestatieverantwoording

  • 1. De ontvanger van een subsidie tot € 25.000 toont desgevraagd aan dat de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt volgens plan zijn verricht en dat aan de opgelegde verplichtingen is voldaan. Bij beschikking wordt aangegeven op welke wijze dit wordt aangetoond.

  • 2. De ontvanger van een subsidie van € 25.000 tot € 125.000 toont bij het verzoek om vaststelling met behulp van een activiteitenverslag, facturen van de werkzaamheden en beeldmateriaal of een goedkeurende controleverklaring aan dat de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt volgens plan zijn verricht en dat aan de opgelegde verplichtingen is voldaan. Bij beschikking wordt aangegeven op welke wijze dit wordt aangetoond. Er wordt afgerekend op de daadwerkelijk gemaakte kosten (op basis van facturen).

  • 3. De ontvanger van een subsidie vanaf € 125.000 toont bij het verzoek om vaststelling met behulp van een activiteitenverslag, facturen en betaalwijzen van de werkzaamheden, beeldmateriaal of een goedkeurende controleverklaring van een accountant aan dat de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt volgens plan zijn verricht en dat aan de opgelegde verplichtingen is voldaan. Bij beschikking wordt aangegeven op welke wijze dit moet worden aangetoond. Er wordt afgerekend op daadwerkelijk gemaakte kosten (op basis van facturen).

  • 4. Onverminderd artikel 4:46 van de Algemene wet bestuursrecht wordt de subsidie in ieder geval lager dan de verlening vastgesteld indien de werkzaamheden waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht in strijd met het bij of krachtens de wet bepaalde. Het bepaalde in artikel 5.3 van de Beleidsregel M&O beleid 2017 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 1.9 Eigendomsoverdracht

  • 1. Indien de subsidieontvanger de eigendom of een ander zakelijk recht van een monument of een zelfstandig onderdeel overdraagt aan een derde, dient de subsidieontvanger binnen drie maanden na de overdracht, een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in bij gedeputeerde staten. Artikel 1.8 is van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Na de vaststelling, bedoeld in het eerste lid, kunnen gedeputeerde staten op verzoek van de eigenaar aan wie de eigendom of het zakelijk recht is overgedragen, aan die eigenaar subsidie verstrekken ten behoeve van de afronding van het restauratieplan. Artikel 1.5 en 1.7 zijn niet van toepassing.

Artikel 1.10 Terugvordering

  • 1. De subsidieontvanger is na de subsidievaststelling verplicht een teveel aan ontvangen voorschot onverwijld terug te betalen, tenzij gedeputeerde staten tot verrekening op andere wijze heeft besloten.

  • 2. Bij terugvordering van onverschuldigd betaalde subsidiebedragen of voorschotten kunnen gedeputeerde staten de subsidieontvanger verplichten de met de terugvordering verband houdende kosten te voldoen. Tevens kunnen gedeputeerde staten in dat geval de wettelijke rente vorderen.

Artikel 1.11 Omzetbelasting

In afwijking van het bepaalde in artikel 1.10 lid 1 sub d van de Algemene subsidieverordening 2013, is verschuldigde omzetbelasting subsidiabel voorzover deze niet compensabel is voor de aanvrager.

Hoofdstuk 2 Subsidiabele onderdelen

Paragraaf 2.1 Restauratie rijksmonumenten en restauratie bij herbestemming van Rijksmonumenten

Artikel 2.1.1 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor:

  • a.

    de restauratie bij herbestemming van een rijksmonument;

  • b.

    de restauratie van een rijksmonument, niet zijnde een boerderij in agrarisch gebruik;

  • c.

    de restauratie van een rijksmonumentale boerderij in agrarisch gebruik;

  • d.

    een deelrestauratie van een rijksmonument.

Artikel 2.1.2 Weigeringsgronden

  • 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.7 van de Asv wordt de subsidieaanvraag geweigerd indien:

    • a.

      voor het rijksmonument, een zelfstandig bouwkundige eenheid of een zelfstandig onderdeel daarvan in de afgelopen 15 jaar reeds subsidie is verleend op grond van provinciale regelingen voor het restaureren van monumenten;

    • b.

      de werkzaamheden in overwegende mate gericht zijn op reconstructie, behoudens indien dit als restauratie van een groen monument is aangemerkt in de Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten;

    • c.

      het monument een terrein is dat vanwege de daar boven- of ondergronds aanwezige zaken bevat die op zichzelf of in verband met zijn omgeving van algemeen belang zijn wegens schoonheid, de betekenis voor de wetenschap of de cultuurhistorische waarde (archeologisch monument);

    • d.

      de technische urgentie voor de activiteiten als bedoeld in artikel 2.1.1, onderdeel b, c of d, ontbreekt;

    • e.

      de aanvraag betrekking heeft op activiteiten die vergunningplichtig zijn bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht waarvoor geen vergunning is aangevraagd op het moment van indiening van de subsidieaanvraag;

    • f.

      het restauratieplan, waarbij sprake is van een ontwerpopgave, niet is opgesteld door een architect;

    • g.

      niet wordt voldaan aan de toetsingscriteria van artikel 2.1.3;

    • h.

      de aanvraag is ontvangen of ingediend buiten het tijdvak waarvoor gedeputeerde staten het subsidieplafond hebben vastgesteld;

    • i.

      de werkzaamheden betrekking hebben op een monument dat in eigendom is van een overheid of door een overheid gebruikt wordt voor haar publieke taken;

    • j.

      het te verstrekken subsidiebedrag minder dan € 5.000 bedraagt;

    • k.

      de activiteiten betrekking hebben op een woonhuis.

  • 2. Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing op subsidieverstrekkingen die betrekking hadden op een zelfstandig bouwkundige eenheid van het monument waarbij dit zelfstandig onderdeel/ zelfstandige bouwkundige eenheid geen deel uitmaakt van de huidige aanvraag en dus de huidige subsidieaanvraag betrekking heeft op een nog niet gerestaureerd:

    • a.

      zelfstandig bouwkundige eenheid;

    • b.

      zelfstandig onderdeel van het monument of

    • c.

      voormalig woon- of werkgedeelte van een boerderij, fundering of interieur,

Artikel 2.1.3 Toetsingscriteria

  • 1. Om voor subsidie voor de activiteiten in de zin van artikel 2.1.1, onderdeel a, in aanmerking te komen, wordt

  • 2. voldaan aan de volgende criteria:

    • a.

      de aanvraag heeft betrekking op de restauratie bij herbestemming van een rijksmonument;

    • b.

      de cultuurhistorische waarde wordt door de herbestemming niet geschaad;

    • c.

      voorafgaande aan de planvorming tot herbestemming is een bouwhistorische opname verricht die in overeenstemming is met de Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek, lezen en analyseren van cultuurhistorisch erfgoed, L. Hendriks en J. van der Hoeve (2009) en het resultaat hiervan heeft aantoonbaar onderdeel uitgemaakt van de planvorming tot herbestemming;

    • d.

      indien de aanvraag betrekking heeft op een herbestemming naar wonen worden ten minste twee woningen gerealiseerd;

  • 3. Om voor subsidie voor de activiteiten in de zin van artikel 2.1.1, onderdeel b of c in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende criteria:

    • a.

      de aanvraag heeft betrekking op de restauratie van een rijksmonument;

    • b.

      de cultuurhistorische waarde wordt door de restauratie niet geschaad;

    • c.

      de restauratie dient technisch urgent te zijn omdat het casco van het monument in slechte of matige staat verkeert;

    • d.

      de restauratie dient technisch urgent te zijn omdat één van de volgende onderdelen van het monument in slechte of matige staat verkeert:

      • zelfstandig bouwkundige eenheid;

      • zelfstandig onderdeel;

      • voormalig woon- of werkgedeelte van een boerderij, fundering, interieur en de aanvraag alleen betrekking heeft op dit onderdeel.

  • 4. Om voor subsidie voor de activiteiten in de zin van artikel 2.1.1, onderdeel d in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende criteria:

    • a.

      de aanvraag heeft betrekking op de restauratie van een rijksmonument;

    • b.

      de cultuurhistorische waarde wordt door de restauratie niet geschaad;

    • c.

      de restauratie dient technisch urgent te zijn omdat een deel van het casco van het monument in slechte of matige staat verkeert.

  • 5. De technische urgentie dient middels een recent inspectierapport, dat wil zeggen niet ouder dan twee jaar, van een onafhankelijke terzake deskundige aangetoond te worden. Voor de onafhankelijkheid bij klinkende monumenten geldt als uitzondering dat de opsteller dezelfde deskundige mag zijn als degene die bij de aanvraag betrokken is.

  • 6. De uitvoering is technisch noodzakelijk, sober en doelmatig; een en ander zoals bedoeld in de Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten.

Artikel 2.1.4 Subsidiabele kosten

  • 1. De subsidiabele kosten voor de activiteiten genoemd in artikel 2.1.1, onderdelen a, b, c en d, zijn de kosten genoemd in artikel 4 van de Subsidieregeling instandhouding monumenten die zijn gespecificeerd in de bijbehorende Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten.

  • 2. Wanneer er sprake is van een klinkend monument is bij de bepaling van de subsidiabele kosten, zoals genoemd in het eerste lid, eveneens de Nota Klinkende Monumenten van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (2007) van toepassing.

  • 3. Een bijdrage uit de subsidieregeling instandhouding monumenten (SIM) leidt tot een verlaging van de subsidiabele kosten met eenzelfde bedrag.

  • 4. De kosten voor werkzaamheden waarmee al een aanvang is gemaakt voordat een beslissing op de aanvraag is genomen komen slechts voor subsidie in aanmerking indien gedeputeerde staten positief hebben beslist op een nadrukkelijk schriftelijk verzoek daartoe.

Artikel 2.1.5 Subsidiehoogte

  • 1. De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1.1, onderdeel a, bedraagt maximaal 65% van de subsidiabele restauratiekosten met een maximum van € 200.000.

  • 2. De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1.1, onderdeel b, bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele restauratiekosten met een maximum van € 200.000.

  • 3. De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1.1, onderdeel b, die betrekking hebben op molens bedraagt maximaal 60% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 200.000.

  • 4. De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1.1, onderdeel c, bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele restauratiekosten met een maximum van € 200.000.

  • 5. De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1.1, onderdeel d, bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele restauratiekosten met een maximum van € 100.000

  • 6. De genoemde maximum subsidiepercentages en subsidiehoogtes gelden indien de werkzaamheden worden uitgevoerd door een gecertificeerd restauratiebedrijf dat geregistreerd staat in het Register van Stichting Certificering Restauratie. Wordt gebruik gemaakt van een niet gecertificeerd restauratiebedrijf dan worden zowel de subsidiepercentages als de maximale subsidiehoogtes verlaagd met 3% procent.

Artikel 2.1.6 Verplichtingen van de subsidieontvanger

  • 1. Bij de subsidieverlening gelden de volgende verplichtingen:

    • a.

      onverminderd artikel 2.13 van de Asv doet de subsidieontvanger onverwijld schriftelijk melding aan gedeputeerde staten, zodra aannemelijk is dat de werkelijke kosten die met de activiteiten zijn gemoeid in totaal 20% lager zullen uitvallen dan de begrote kosten, zoals deze in de aanvraag waren opgenomen;

    • b.

      de activiteiten worden uitgevoerd onder directievoering van een architect; het niet voldoen aan deze verplichting kan leiden tot een lagere vaststelling of vaststelling op nihil van het subsidiebedrag;

    • c.

      de subsidieontvanger laat controle toe op de uitvoering van een project door rijk, provincie en gemeente;

    • d.

      de activiteiten vangen binnen een jaar na de datum van subsidieverlening aan en worden voltooid binnen twee jaar na de startdatum;

    • e.

      de startdatum van de activiteiten zoals bepaald in artikel 2.1.6, eerste lid onder d kan met maximaal één jaar worden verlengd als blijkt dat door de activiteiten verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming aangaande beschermde soorten geschonden worden en een ontheffing vereist is.

    • f.

      de periode tussen de datum van subsidieverlening en de voltooiing van de activiteiten kan met maximaal één jaar worden verlengd door het indienen van een gemotiveerd verzoek aan Gedeputeerde Staten

    • g.

      de subsidieontvanger bewaart en onderhoudt het monument na het verrichten van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend voor de duur van vijf jaar in de staat waarin het door die activiteiten is gebracht;

    • h.

      de werkzaamheden worden uitgevoerd volgens in de beroepsgroep van restauratiebedrijven geldende normen;

    • i.

      de werkzaamheden worden aangemeld bij het Restauratie Opleiding Project voor indiening van het start-werk-formulier om uitgevoerd te worden als scholingstraject voor leerlingen.

    • j.

      of dient te worden aangemeld als werkgelegenheidstraject bij de vergunningverlenende gemeente voor indiening van het start-werk-formulier ;

    • k.

      de subsidieontvanger zorgt na het verrichten van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend dat het monument voor de duur van tenminste vijf jaar ten minste drie dagen per jaar openbaar toegankelijk is. Indien het monument voor wonen of een bedrijf wordt gebruikt geldt in plaats van deze verplichting dat subsidieontvanger het monument voor de duur van tenminste vijf jaar het monument aanmeldt en openstelt voor de jaarlijkse Open Monumentendag;

    • l.

      het niet of niet volledig uitvoeren van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, kan leiden tot een lagere vaststelling van het subsidiebedrag;

  • 2. Gedeputeerde staten kunnen toestemming verlenen af te wijken van het in het eerste lid, onderdeel b, bepaalde, indien naar hun oordeel blijkt dat de restauratie onder begeleiding van een organisatie plaatsvindt, waarvan de deskundigheid op dit terrein genoegzaam is gebleken. Toestemming behoeft niet te worden aangevraagd indien:

    • a.

      deze toestemming al eerder is verleend, maar niet ouder is dan 1 januari 2005 of

    • b.

      de directie voerende organisatie hiervoor is gecertificeerd door de stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg op grond van de Beoordelingsrichtlijn Erkend Monumenten Adviesbureau.

  • 3. Verlenging van de termijnen zoals genoemd in het eerste lid, onderdeel d en e is alleen mogelijk als vooraf een schriftelijk verzoek wordt ingediend met een toelichting over de voortgang van de activiteit en de reden van de opgelopen vertraging en de verwachte duur van de vertraging. De verlenging bedraagt maximaal één jaar.

  • 4. Gedeputeerde staten kunnen toestemming verlenen af te wijken van het in het eerste lid, onderdeel i, bepaalde, indien naar hun oordeel blijkt dat de activiteiten niet geschikt zijn voor deze verplichting of wanneer uit een verklaring van het opleidingsinstituut blijkt dat er geen leerlingen kunnen worden geleverd voor de activiteiten.

  • 5. Gedeputeerde staten kunnen toestemming verlenen af te wijken van het in het eerste lid, onderdeel j bepaalde, indien naar hun oordeel blijkt dat het monument niet geschikt is voor deze verplichting.

  • 6. Gedeputeerde staten kunnen de subsidieontvanger de verplichting opleggen om:

    • a.

      mee te werken aan een onderzoek naar de ontstaans-, bouw- en bewoningsgeschiedenis van het monument;

    • b.

      tussentijds te berichten over de voortgang van de werkzaamheden;

    • c.

      voorafgaande aan de uitvoering een afstemmingsoverleg met de provinciale dienst te voeren.

  • 7. Het niet voldoen aan de verplichtingen in dit artikel kan leiden tot vaststelling van de subsidie op nihil.

Paragraaf 2.2 Restauratie niet-Rijksmonumenten en restauratie bij herbestemming van niet-Rijksmonumenten

Artikel 2.2.1 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor:

  • a.

    de restauratie bij herbestemming van een gemeentelijke monument of karakteristiek bouwwerk;

  • b.

    de restauratie van één of meerdere gemeentelijke monumenten.

Artikel 2.2.2 Weigeringsgronden

  • 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.7 van de Asv wordt de subsidieaanvraag geweigerd indien:

    • a.

      voor het monument, zelfstandig bouwkundige eenheid of een zelfstandig onderdeel van het monument daarvan in de afgelopen 15 jaar reeds subsidie is verleend op grond van provinciale regelingen voor het restaureren van monumenten.

    • b.

      de werkzaamheden in overwegende mate gericht zijn op reconstructie;

    • c.

      het monument een terrein is dat, vanwege de daar boven- of ondergronds aanwezige zaken, op zichzelf, of in verband met zijn omgeving van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, de betekenis voor de wetenschap of de cultuurhistorische waarde (archeologisch monument);

    • d.

      de technische urgentie voor de activiteiten als bedoeld in artikel 2.2.1, onderdeel b, ontbreekt;

    • e.

      de aanvraag betrekking heeft op activiteiten die vergunningplichtig zijn bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of een gemeentelijke monumentenverordening waarvoor geen vergunning aangevraagd of verleend is op het moment van indiening van de subsidieaanvraag;

    • f.

      het restauratieplan, waarbij ook sprake is van een ontwerpwerpopgave, niet is opgesteld door een architect;

    • g.

      niet wordt voldaan aan de toetsingscriteria zoals bedoeld in artikel 2.2.3;

    • h.

      de aanvraag is ontvangen of ingediend buiten het tijdvak waarvoor gedeputeerde staten het subsidieplafond hebben vastgesteld;

    • i.

      de werkzaamheden betrekking hebben op een monument dat eigendom is van een overheid of door een overheid gebruikt wordt voor haar publieke taken;

    • j.

      het te verstrekken subsidiebedrag minder dan € 10.000 bedraagt;

    • k.

      de activiteiten betrekking hebben op een woonhuis.

  • 2. Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing op subsidieverstrekkingen die betrekking hadden op een onderdeel van het gemeentelijke monument of karakteristieke bouwwerk, dat geen deel uitmaakt van de aanvraag in het kader van deze regeling en:

    • a.

      is aan te merken als een zelfstandige bouwkundige eenheid;

    • b.

      is aan te merken als een zelfstandig onderdeel van het monument;

    • c.

      voormalig woon- of werkgedeelte van een boerderij, fundering of interieur.

Artikel 2.2.3 Toetsingscriteria

  • 1. Om voor subsidie voor de activiteiten zoals bedoeld in artikel 2.2.1, onderdeel a, in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende criteria:

    • a.

      de werkzaamheden hebben betrekking op een gemeentelijk monument of karakteristiek bouwwerk;

    • b.

      er is sprake van een herbestemming;

    • c.

      de cultuurhistorische waarde wordt door de herbestemming niet geschaad;

    • d.

      voorafgaande aan de planvorming tot herbestemming is een bouwhistorische opname verricht die in overeenstemming is met de Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek, lezen en analyseren van cultuurhistorisch erfgoed, L. Hendriks en J. van der Hoeve (2009) en het resultaat hiervan heeft aantoonbaar onderdeel uitgemaakt van de planvorming tot herbestemming;

    • e.

      indien de aanvraag betrekking heeft op een herbestemming naar wonen worden ten minste drie woningen gerealiseerd.

  • 2. Om voor subsidie voor de activiteiten zoals bedoeld in artikel 2.2.1, onderdeel b, in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende criteria:

    • a.

      de aanvraag heeft betrekking op de restauratie van een gemeentelijk monument;

    • b.

      de cultuurhistorische waarde wordt door de restauratie niet geschaad;

    • c.

      de restauratie dient technisch urgent te zijn omdat het casco van het monument in slechte of matige staat verkeert;

    • d.

      de restauratie dient technisch urgent te zijn om dat één van de volgende onderdelen van het monument in slechte of matige staat verkeert:

      • zelfstandig bouwkundige eenheid;

      • zelfstandig onderdeel;

      • voormalig woon- of werkgedeelte van een boerderij, fundering of interieur; en de aanvraag alleen betrekking heeft op dit onderdeel.

    • e.

      de technische urgentie dient middels een recent inspectierapport, dat wil zeggen niet ouder dan twee jaar, van een onafhankelijke deskundige aangetoond te worden. Voor de onafhankelijkheid bij klinkende monumenten geldt als uitzondering dat de opsteller dezelfde deskundige mag zijn als degene die bij de aanvraag betrokken is;

    • f.

      Om voor subsidie voor de activiteiten zoals bedoeld in artikel 2.2.1, onderdeel b, voor meerdere restauraties in aanmerking te komen, dient er in aanvulling op het tweede lid sprake te zijn van ten minste twee restauraties van gelijke aard en omvang van gemeentelijke monumenten.

Artikel 2.2.4 Subsidiabele kosten

  • 1. De subsidiabele kosten voor de activiteiten zijn de kosten genoemd in artikel 4 van de Subsidieregeling instandhouding monumenten, die zijn gespecificeerd in de bijbehorende Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten.

  • 2. Wanneer er sprake is van een klinkend monument is bij de bepaling van de subsidiabele kosten, zoals genoemd in het eerste lid, eveneens de Nota Klinkende Monumenten van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (2007) van toepassing.

  • 3. De kosten voor werkzaamheden waarmee al een aanvang is gemaakt voordat een beslissing op de aanvraag is genomen komen slechts voor subsidie in aanmerking indien gedeputeerde staten positief hebben beslist op een uitdrukkelijk schriftelijk verzoek daartoe.

Artikel 2.2.5 Subsidiehoogte

  • 1. De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.2.1, onderdeel a, bedraagt maximaal 65% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 24.999,-.

  • 2. De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.2.1, onderdeel b, bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 24.999,-.

  • 3. De genoemde maximum subsidiepercentages en subsidiehoogtes gelden indien de werkzaamheden worden uitgevoerd door een gecertificeerd restauratiebedrijf dat geregistreerd staat in het Register van Stichting Certificering Restauratie. Wordt gebruik gemaakt van een niet gecertificeerd restauratiebedrijf dan worden zowel de subsidiepercentages als de maximale subsidiehoogtes verlaagd met 3% procent.

Artikel 2.2.6 Verplichtingen van de subsidieontvanger

  • 1. Bij de subsidieverlening worden de volgende verplichtingen opgelegd:

    • a.

      onverminderd artikel 2.13 van de Asv doet de subsidieontvanger onverwijld schriftelijk melding aan gedeputeerde staten, zodra aannemelijk is dat de werkelijke kosten die met de activiteiten zijn gemoeid in totaal 20% lager zullen uitvallen dan de begrote kosten, zoals deze in de aanvraag waren opgenomen;

    • b.

      de activiteiten worden uitgevoerd onder directievoering van een architect; het niet voldoen aan deze verplichting kan leiden tot een lagere vaststelling of vaststelling op nihil van het subsidiebedrag;

    • c.

      de subsidieontvanger laat controle toe op de uitvoering van een project door rijk, provincie en gemeente;

    • d.

      de activiteiten vangen aan binnen een jaar na de datum van de subsidieverlening;

    • e.

      de activiteiten worden voltooid binnen twee jaar na de datum van de subsidieverlening;

    • f.

      de subsidieontvanger bewaart en onderhoudt het monument na het verrichten van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend voor de duur van vijf jaar in de staat waarin het door die activiteiten is gebracht;

    • g.

      de werkzaamheden worden uitgevoerd volgens in de beroepsgroep van restauratiebedrijven geldende normen;

    • h.

      de werkzaamheden worden uitgevoerd als scholingstraject voor leerlingen of werkgelegenheidstraject door een erkend leerbedrijf in de restauratiebouw;

    • i.

      de subsidieontvanger zorgt na het verrichten van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, dat het monument ten minste drie dagen per jaar openbaar toegankelijk is. Indien het monument voor wonen of bedrijf wordt gebruikt dient het monument gedurende vijf jaar te worden aangemeld en opengesteld voor de jaarlijkse Open Monumentendag .

    • j.

      het niet of niet volledig uitvoeren van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, kan leiden tot een lagere vaststelling van het subsidiebedrag;

  • 2. Gedeputeerde staten kunnen toestemming verlenen af te wijken van het in het eerste lid, onderdeel b, bepaalde, indien naar hun oordeel blijkt dat de restauratie onder directievoering van een organisatie plaatsvindt, waarvan de deskundigheid op dit terrein genoegzaam is gebleken. Toestemming behoeft niet te worden aangevraagd indien:

    • a.

      deze toestemming al eerder is verleend, maar niet ouder is dan 1 januari 2005;

    • b.

      de directie voerende organisatie hiervoor is gecertificeerd door de Stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg op grond van de Beoordelingsrichtlijn Erkend Monumenten Adviesbureau.

  • 3. Verlenging van de termijnen zoals genoemd in het eerste lid, onderdeel d en e is alleen mogelijk als vooraf een schriftelijk verzoek wordt ingediend met een toelichting over de voortgang van de activiteit en de reden van de opgelopen vertraging en de verwachte duur van de vertraging. De verlenging bedraagt maximaal één jaar.

  • 4. Gedeputeerde staten kunnen toestemming verlenen af te wijken van het in het eerste lid, onderdeel h, bepaalde, indien naar hun oordeel blijkt dat de activiteiten niet geschikt zijn voor deze verplichting of wanneer uit een verklaring van het opleidingsinstituut blijkt dat er geen leerlingen kunnen worden geleverd voor de activiteiten.

  • 5. Gedeputeerde staten kunnen toestemming verlenen af te wijken van het in het eerste lid, onderdeel i bepaalde, indien naar hun oordeel blijkt dat het monumenten niet geschikt is voor deze verplichting.

  • 6. Gedeputeerde staten kunnen de subsidieontvanger de verplichting opleggen om:

    • a.

      mee te werken aan een onderzoek naar de ontstaans-, bouw- en bewoningsgeschiedenis van het monument;

    • b.

      tussentijds te berichten over de voortgang van de werkzaamheden;

    • c.

      voorafgaande aan de uitvoering een afstemmingsoverleg met de provinciale dienst te voeren.

  • 7. Het niet voldoen aan de verplichtingen in dit artikel kan leiden tot vaststelling van de subsidie op nihil.

Paragraaf 2.3 Onderhoud Rijksmonumentale molens

Artikel 2.3.1 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor het onderhoud van rijksmonumentale molens.

Artikel 2.3.2 Weigeringsgronden

Onverminderd het bepaalde in artikel 2.7 van de Asv wordt de subsidieaanvraag geweigerd indien:

  • a.

    de werkzaamheden in overwegende mate gericht zijn op reconstructie;

  • b.

    de werkzaamheden gericht zijn op de verplaatsing van molens;

  • c.

    de werkzaamheden gericht zijn op restauratie van molens;

  • d.

    de aanvraag is ontvangen of ingediend buiten het tijdvak waarvoor gedeputeerde staten het subsidieplafond hebben vastgesteld;

  • e.

    de werkzaamheden betrekking hebben op een monument dat eigendom is van een overheid of door een overheid gebruikt wordt voor haar publieke taken.

Artikel 2.3.3 Toetsingscriteria

Om voor subsidie in aanmerking te komen wordt voldaan aan de volgende criteria:

  • a.

    de molen is aangewezen als rijksmonument;

  • b.

    voor de molen is subsidie verleend op grond van een rijkssubsidieregeling voor de instandhouding van monumenten. waarvan de looptijd van de rijkssubsidie nog minimaal één jaar door loopt.

Artikel 2.3.4 Subsidiabele kosten

De subsidiabele kosten zijn de kosten die door het rijk subsidiabel worden geacht in de subsidieverleningsbeschikking in het kader van een rijkssubsidieregeling voor de instandhouding van monumenten, die betrekking heeft op de huidige periode.

Artikel 2.3.5 Subsidiehoogte

  • 1. De subsidie bedraagt 15% van de subsidiabele kosten, met een maximum van € 9.000.

  • 2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid worden subsidies van minder dan € 1.000 niet verstrekt.

Artikel 2.3.6 Verplichtingen van de subsidieontvanger

  • 1. Bij de subsidieverstrekking worden de volgende verplichtingen opgelegd:

    • a.

      de subsidieontvanger laat controle toe op de uitvoering van een project door rijk, provincie en gemeente;

    • b.

      de activiteiten worden voltooid binnen de termijn genoemd in de subsidiebeschikking op grond van de rijkssubsidieregeling voor de instandhouding van monumenten;

    • c.

      de subsidieontvanger bewaart en onderhoudt het monument na het verrichten van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend voor de duur van vijf jaar in de staat waarin het door die activiteiten is gebracht.

  • 2. Verlenging van de termijnen zoals genoemd in het eerste lid, onderdeel b is alleen mogelijk als vooraf een schriftelijk verzoek wordt ingediend met een toelichting over de voortgang van de activiteit en de reden van de opgelopen vertraging en de verwachte duur van de vertraging en het verlengingsbesluit van het Rijk. De verlenging bedraagt maximaal één jaar.

Paragraaf 2.4 Plankosten

Artikel 2.4.1 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor het opstellen van:

  • a.

    een restauratieplan voor een rijksmonument of gemeentelijk monument;

  • b.

    een gecombineerd plan, voor zowel de restauratie als de herbestemming, voor een rijksmonument; gemeentelijk monument of karakteristiek bouwwerk.

Artikel 2.4.2 Weigeringsgronden

Onverminderd het bepaalde in artikel 2.7 van de Asv wordt de subsidieaanvraag geweigerd indien:

  • a.

    het op te stellen herbestemmingsplan betrekking heeft op planvorming voor een herbestemming naar minder dan twee woonhuizen;

  • b.

    het op te stellen restauratie- of herbestemmingsplan niet zal worden opgesteld door een architect indien er sprake is van een ontwerpopgave;

  • c.

    voor het monument, zelfstandig bouwkundige eenheid of een zelfstandig onderdeel daarvan waarop het restauratie- of herbestemmingsplan betrekking heeft in de afgelopen 15 jaar reeds subsidie is verleend op grond van de eerdere provinciale regelingen voor het restaureren van monumenten

  • d.

    het op te stellen restauratie- of herbestemmingsplan in overwegende mate gericht is op reconstructie, behoudens bij groene monumenten indien het op te stellen restauratie- of herbestemmingsplan in de Leidraad als restauratie activiteit is aangeduid;

  • e.

    de aanvraag is ontvangen of ingediend buiten het tijdvak waarvoor gedeputeerde staten het subsidieplafond hebben vastgesteld;

  • f.

    het op te stellen restauratie- of herbestemmingsplan betrekking heeft op een monument dat eigendom is van een overheid of door een overheid gebruikt wordt voor haar publieke taken;

  • g.

    niet wordt voldaan aan de toetsingscriteria zoals bedoeld in artikel 2.4.3.

Artikel 2.4.3 Toetsingscriteria

  • 1. Om voor subsidie voor de activiteiten zoals bedoeld in artikel 2.4.1 onderdeel b in aanmerking te kunnen komen dient de aanvraag betrekking te hebben op een herbestemming van een rijksmonument, gemeentelijk monument of karakteristiek bouwwerk.

  • 2. Om voor subsidie voor de activiteiten zoals bedoeld in artikel 2.4.1 onderdeel a in aanmerking te kunnen komen wordt voldaan aan de volgende criteria:

    • a.

      de aanvraag heeft betrekking op een restauratieplan voor een rijksmonument;

    • b.

      de restauratie dient technisch urgent te zijn omdat het casco van het monument in slechte of matige staat verkeert;

    • c.

      de restauratie dient technisch urgent te zijn omdat één van de volgende onderdelen van het monument in slechte of matige staat verkeert:

      • zelfstandig bouwkundige eenheid;

      • zelfstandig onderdeel van het monument;

      • voormalig woon- of werkgedeelte van een boerderij, fundering of interieur en de aanvraag alleen betrekking heeft op dit onderdeel;

    • d.

      de technische urgentie dient middels een recent inspectierapport, dat wil zeggen, niet ouder dan twee jaar, van een onafhankelijke deskundige aangetoond te worden. Voor de onafhankelijkheid bij klinkende monumenten geldt als uitzondering dat de opsteller dezelfde deskundige mag zijn als degene die bij de aanvraag betrokken is.

Artikel 2.4.4 Subsidiabele kosten

De subsidiabele kosten voor het opstellen van een restauratieplan zijn de kosten genoemd in artikel 4 van de Subsidieregeling instandhouding monumenten, die zijn gespecificeerd in de bijbehorende Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten.

Artikel 2.4.5 Subsidiehoogte

De subsidie bedraagt 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 5.000.

Artikel 2.4.6 Verplichtingen van de subsidieontvanger

Bij de subsidieverlening gelden de volgende verplichtingen:

  • a.

    de activiteiten worden voltooid binnen een jaar na de datum van de subsidieverlening;

  • b.

    de subsidieontvanger bewaart het restauratie- of herbestemmingsplan na het verrichten van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend voor de duur van ten minste vijf jaar;

  • c.

    een bouwhistorisch onderzoek wordt alleen uitgevoerd door een onafhankelijk(e) ter zake deskundig onderzoeker of onderzoeksbureau;

  • d.

    een bouwhistorisch onderzoek voldoet aan de Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek, lezen en analyseren van cultuurhistorisch erfgoed, L. Hendriks en J. van der Hoeve (2009);

  • e.

    de subsidieontvanger stuurt een afschrift van het restauratie- of herbestemmingsplan na het verrichten van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend;

  • f.

    een tuinhistorisch onderzoek dat voldoet aan de Richtlijnen Tuinhistorisch onderzoek, voor waardenstelling van groen erfgoed, samengesteld door R. van Immerseel en L. Hendriks (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, 2012).

Hoofdstuk 3 Slotbepalingen

Artikel 3.1 overgangsrecht

  • 1. De subsidieregeling monumenten van voorgaande openstelling wordt ingetrokken.

  • 2. Subsidies uit voorgaande jaren die nog niet zijn vastgesteld, worden afgerekend conform de bepalingen uit de regelingen waaronder zij zijn toegekend.

Artikel 3.2 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 3.3 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling monumenten Fryslân.

Ondertekening

Toelichting Subsidieregeling monumenten Fryslân

Inleiding

Op basis van het Uitvoeringsprogramma Nij Poadium 2021-2024 wordt de subsidieregeling voor monumenten jaarlijks geactualiseerd. De regeling sluit aan op de huidige regelingen..

Algemeen:

  • -

    Prestatieverantwoording toetsing:

    Bij de afrekening wordt gekeken naar de subsidiabele kosten zoals die staan beschreven in de Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten zoals in de geldende sim regeling van het rijk. Tevens wordt gekeken of en hoe de werkzaamheden beschreven in de aanvraag daadwerkelijk tot uitvoering zijn gebracht. In alle gevallen dienen afwijkingen tijdens de uitvoering terstond te worden gemeld aan gedeputeerde staten. Als blijkt dat niet voldaan is aan de verplichtingen uit de regeling en of het subsidiebesluit kan dit er toe leiden dat het verleende subsidiebedrag lager wordt vastgesteld eventueel, afhankelijk van de mate van de afwijkingen, op nihil.

  • -

    Overdracht eigendom tijdens restauratie

    Regelmatig wordt tijdens de uitvoering van de restauratie het pand of het zakelijk recht overgedragen aan een opvolgend eigenaar. Als daarvan sprake is dient dat binnen 3 maanden na de overdracht door de oorspronkelijke eigenaar en subsidieontvanger aan gedeputeerde staten te worden gemeld. Deze melding dient gepaard te gaan met een afrekening voor het reeds uitgevoerde gedeelte van de werkzaamheden. Met de oude eigenaar wordt dan conform het bepaalde in de regeling afgerekend. De nieuwe eigenaar kan verzoeken om de uitvoering van de restauratie over te nemen en hiervoor subsidie te ontvangen. Bij instemming van gedeputeerde staten krijgt de nieuwe eigenaar een zelfstandig recht op het restant van de eerder toegekende subsidie. Er wordt evenwel geen nieuw voorschot uitgekeerd; de uitbetaling van de subsidie vindt plaats na afrekening.

Uitvoeringsaspecten 

  • a.

    Er wordt een openstellingsbesluit gepubliceerd met daarin het tijdvak van de openstellingen en de subsidieplafonds. De subsidieaanvragen dienen te zijn ontvangen in de in het openstellingsbesluit geformuleerde periode van indiening. Na sluiting van de openstellingstermijn wordt zo spoedig mogelijk besloten op de aanvragen. Uiterlijk in december van het jaar waarin de subsidieregeling opengesteld is wordt het besluit op de aanvraag genomen.

  • b.

    Toewijzing van subsidies vindt plaats op volgorde van binnenkomst van volledige ontvangen aanvragen. De datum van volledigheid is leidend voor de ontvangstdatum.

  • c.

    Indien meerdere volledige aanvragen die op dezelfde dag zijn binnengekomen leiden tot overschrijding van het subsidieplafond, wordt er geloot tussen de op die dag binnengekomen aanvragen.

  • d.

    Een aanvraag kan schriftelijk maar ook digitaal worden ingediend. Aanvraagformulieren zijn te vinden via www.fryslan.frl. Hiervoor is e-herkenning of digid noodzakelijk.

Woonhuizen niet subsidiabel

Op grond van deze regeling is het doen van een aanvraag voor subsidies voor een woonhuis niet mogelijk. Rijksmonumentale woonhuizen kunnen voor restauraties een laagrentende lening afsluiten bij het Nationaal Restauratiefonds. Daarnaast kan voor onderhoud subsidie aangevraagd worden bij het Rijk (voorheen fiscaal aftrekbaar). Gemeentelijke monumenten en karakteristieke panden binnen beschermde gezichten of op de provinciale cultuurhistorische kaart kunnen een laagrentende lening afsluiten via het Cultuurfonds voor Monumenten Fryslân. Onder het begrip woonhuis vallen panden die van oorsprong gebouwd zijn als woning. Woonboerderijen, woonkerken e.d. vallen hier niet onder en zijn wel subsidiabel, omdat deze panden destijds niet primair voor bewoning bedoeld zijn. Ook woningen die geregistreerd staan als museum vallen onder de uitzondering en zijn subsidiabel. Zie de begripsbepaling in de regeling en de toelichting daarbij.

Eigendommen van overheden

Voor monumenten die eigendom zijn van overheidsorganisaties, zoals gemeenten, waterschappen en zelfstandige bestuursorganen, is geen subsidie beschikbaar. Van overheden wordt verwacht dat zij hun monumentale gebouwen en bouwwerken binnen de reguliere exploitatie en onderhoudsplannen opnemen met voldoende waarborgen ten aanzien van het behoud van de monumentale kwaliteiten en financiële middelen. Ook uitgezonderd zijn monumenten die weliswaar niet in direct eigendom zijn van overheden maar van bijvoorbeeld een gemeentelijke stichting, maar wel in gebruik zijn bij de overheid of door een overheid gebruikt wordt voor haar publieke taken. Voorbeeld hiervan zijn bruggen van gemeenten of sluizen van een waterschap. Overheidseigendommen dienen door de desbetreffende organisatie onderhouden en gerestaureerd worden.

Erkenning Monumenten Adviesbureaus

Er bestaat in Nederland een diverse groep adviesbureaus die zijn sporen in de monumentenzorg verdiend heeft. Omdat helaas ook het aanbod van niet-deskundige plannenmakers op deze markt relatief groot bleek, hebben de kwaliteitsbewuste bureaus een professionaliseringsslag gemaakt.

Samen met Hobeon is in 2010 een erkenningsregeling ontwikkeld waarin kwaliteitsnormen omschreven worden. De Erkenningsregeling Monumenten Adviesbureaus (EMA). Tevens is een branchevereniging opgericht: de VAM, voluit de Vereniging Adviesbureaus Monumentenzorg. Een adviesbureau dat EMA-erkend is, heeft onder meer aangetoond veel kennis van restauratietechnieken en materialen te hebben en met de juiste ketenpartners in het proces samen te werken.

Niet eerder subsidie

Subsidieverzoeken die eerder zijn gehonoreerd in het kader van één van de voorgaande provinciale subsidieregelingen voor monumenten van de afgelopen 15 jaar worden geweigerd. Wij gaan er van uit dat het monument, zelfstandig bouwkundige eenheid of het zelfstandig onderdeel van het monument in zodanige staat is gebracht dat deze met onderhoud kan volstaan. Er wordt verder geen subsidie verstrekt voor zover voor dezelfde subsidiabele kosten een subsidie is verstrekt op grond van een andere subsidieregeling bij een ander overheid. Deze bepaling is opgenomen om stapeling van subsidies te voorkomen.

Restauratie bij herbestemming van rijksmonumenten

Als stimulans voor herbestemming kan een aanvrager voor een hoger subsidiepercentage voor restauratiekosten in aanmerking komen indien er eveneens herbestemd wordt. Indien er sprake is van een restauratie bij herbestemming is een hoger subsidiepercentage van toepassing van 65 % van de subsidiabele restauratiekosten. Indien de subsidieaanvraag enkel betrekking heeft op een restauratie is het subsidiepercentage 50% van de subsidiabele restauratiekosten.

Technische urgentie

Alleen subsidieaanvragen die betrekking hebben op zeer restauratiebehoeftige monumenten komen voor restauratiesubsidie in aanmerking. Hierbij is ervoor gekozen om prioriteit te geven aan monumenten die in matige of slechte staat verkeren blijkens een rapport van een onafhankelijke deskundige. Voor restauratie bij herbestemming geldt het technisch urgentie-criterium niet. Dit hangt samen met de provinciale doelstelling om herbestemming van panden mogelijk te maken.

Vergunningplicht

Op het moment van het indienen van een subsidieaanvraag op grond van onderhavige regeling, dient de omgevingsvergunning of, indien van toepassing een gemeentelijke monumentvergunning reeds aangevraagd te zijn.

Verder dient u na te gaan of u vergunningplichtig bent in het kader van de Wet Natuurbescherming (apart traject).

Staatssteun 

Voor zover subsidie op grond van deze regeling wordt verstrekt aan ondernemers is de subsidie staatssteunproof. Er wordt gebruik gemaakt van artikel 53 van verordening(EU) Nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard.

Voor subsidie toegekend aan ondernemingen in de primaire productie landbouw wordt gebruik gemaakt van artikel 29 van Verordening (EU) Nr. 702/2014 van de Commissie van 25 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden.

Indieningstermijn

Wanneer een aanvraag te vroeg of te laat is gedaan, zal deze worden geweigerd. Voor de volgorde van registratie en behandeling van de aanvragen wordt uitgegaan van de ontvangsttheorie. Dat wil zeggen dat de datum van ontvangst van de volledige aanvragen bepalend is voor de volgorde waarin de subsidies worden verdeeld. Aanvragen worden per datum en niet per tijdstip geregistreerd omdat het niet mogelijk is om gelijke behandeling te garanderen voor alle mogelijkheden waarop de aanvragen kunnen binnenkomen (elektronisch fax, post, persoonlijk afgeven). Elke aanvraag die op eenzelfde dag binnenkomt, wordt daarom zonder tijdstip geregistreerd. Let op dat de aanvraag de juiste handtekeningen bevat en dat deze alle handtekeningen bevat conform de statuten. Aanvragen waar handtekeningen ontbreken worden gezien als niet- volledige aanvragen.

Loting

Uitgegaan wordt van een stelsel waarin de beschikbare bedragen worden verdeeld naar volgorde van ontvangst. Niet uitgesloten is dat op dezelfde dag meerdere subsidieaanvragen binnenkomen en dat honorering van al deze aanvragen tot een overschrijding van het voor die categorie betreffende subsidieplafond zou leiden. Daarom is een voorziening opgenomen om voor die situatie een nadere rangorde aan te kunnen brengen in de aanvragen van de desbetreffende dag. Deze rangorde wordt bepaald door middel van loting van volledige aanvragen. De loting bepaalt de volgorde waarin de subsidieaanvragen worden behandeld; niet het tijdstip van indiening. Alle aanvragen die op dezelfde dag zijn ingediend, maken gelijke kans om voor subsidie in aanmerking te komen. Het maakt niet uit hoe snel de aanvraag is ingediend. Ook het indienen van meerdere aanvragen beïnvloedt de loting niet: per aanvrager wordt slechts één subsidieaanvraag in behandeling genomen. Indien een aanvraag dient te worden aangevuld wegens onvolledigheid, geldt voor de verdeelsystematiek de datum van ontvangst van de aanvulling, als datum van ontvangst van de aanvraag.

Niet vooraf beginnen 

Er wordt geen subsidie verstrekt voor kosten voor zover het werkzaamheden betreft waarmee is begonnen vóórdat aanvraag is ingediend. Deze kosten kunnen slechts subsidiabel worden geacht als men daartoe een uitdrukkelijk schriftelijk verzoek bij de aanvraag heeft ingediend bij gedeputeerde staten en nadat gedeputeerde staten daar positief op hebben besloten.

Uitvoeringstermijn 

Voor het restauratiegedeelte binnen de instandhoudingsopgave over een periode van zes (6) jaar geldt dat de restauratieactiviteit nooit langer dan een periode van drie (3) jaar mag beslaan, te rekenen vanaf de datum van de beschikking. Verder uitstel wordt niet verleend, omdat het onwenselijk wordt geacht dat subsidiegeld jarenlang wordt ‘opgespaard’. Uitgangspunt van de subsidieregeling monumenten is een uitvoeringstermijn van twee jaar en een termijn voor het begin van feitelijke werkzaamheid van één jaar. De verlenging van de genoemde termijnen met maximaal één jaar is alleen mogelijk op uitdrukkelijk en schriftelijk verzoek daartoe. Hiermee wordt beoogd (nagenoeg) obstakelvrije restauratieplannen te stimuleren. Dit wordt mede ingegeven door de wens van het stimuleren van de economie. Het karakter van een relatief kortdurende restauratie (ingrijpend herstel) verschilt ook van reguliere instandhouding over een periode van zes jaar. Denk daaraan als u nog geen omgevingsvergunning heeft. Soms is het beter om met het indienen van een subsidieaanvraag te wachten tot deze vergunning is verleend. Dat kan problemen in de uitvoeringstermijn voorkomen.

Gewijzigde omstandigheden: meldingsplicht 

Er kunnen zich omstandigheden na subsidieverlening voordoen, die – indien van tevoren bekend – de beslissing omtrent de subsidie anders hadden doen uitvallen. Te denken valt bijvoorbeeld aan de tegenvallende staat van de fundering, die vooraf niet bekend had kunnen zijn. Zodra zo’n omstandigheid zich na het indienen van de aanvraag of na de subsidieverlening voordoet, dient dit onverwijld aan gedeputeerde staten te worden bericht. Zo’n omstandigheid kan zich bijvoorbeeld ook voordoen indien de eigenaar bij nader inzien besluit de werkzaamheden waarvoor subsidie is verleend op een later tijdstip uit te voeren. Het is bovendien mogelijk dat aanvragers andere werkzaamheden dan waarvoor de subsidie is verleend uitvoeren, het monument is verwoest, sloop wordt overwogen of de eigenaar in surséance van betaling geraakt of diens faillissement wordt uitgesproken. Wanneer afwijking van het plan niet is gemeld, maar de afwijking toch van dien aard is dat het gevolgen moet hebben voor de subsidieverstrekking, kan dit tijdens de uitvoering van de werkzaamheden leiden tot intrekking van de verleende subsidie, dan wel bij de eindafrekening leiden tot een lagere vaststelling of tot intrekking van de verleende subsidie.

Naar aanleiding van een melding kan de subsidie lager worden vastgesteld of zullen nadere afspraken worden gemaakt over het aanpassen van de verplichtingen. Het is belangrijk om altijd te voldoen aan de meldingsplicht. Bij het niet voldoen aan deze plicht kan, indien dat achteraf mocht blijken, met toepassing van artikel 4:49 van de Algemene wet bestuursrecht alsnog de subsidie worden ingetrokken omdat de ontvanger wist en behoorde te weten dat de vaststelling onjuist was. De aard van de meldplicht is dat de subsidieontvanger zelf verantwoordelijk is voor de voor ons relevante gegevens. Volgens het voorschrift dient de ontvanger zo gauw concreet in zicht komt dat een belangrijke projectwijziging noodzakelijk is, dit gemeld wordt. De ontvanger heeft bijvoorbeeld een meldplicht indien blijkt dat de werkelijke kosten fors lager uitvallen. Indien sprake is van fors lagere kosten ( de regeling noemt een percentage van 20% of meer) zal er een herbeschikking plaatsvinden waarbij het oorspronkelijke subsidiebedrag neerwaarts wordt bijgesteld. Wellicht denkt u dat een afwijking niet hoeft te worden gemeld terwijl de provincie bij de vaststelling een andere mening toegedaan is. Vooraf melden kan daarmee teleurstellingen voorkomen en wordt u bij de vaststelling niet met een lagere subsidievaststelling geconfronteerd. Meld daarom de aanvang van het werk en laat weten wanneer u bouwvergaderingen heeft. Zoek bij twijfel contact.

Begripsbepalingen

Bestek: het bestek bevat als eerste een algemeen deel met de algemene omschrijving, algemene projectgegevens, bepalingen over werkzaamheden van derden, regelingen over de aanbesteding en inschrijving. Vervolgens wordt aangegeven welke voorwaarden en voorschriften van toepassing zijn, zoals bepalingen omtrent verzekeringen, bepalingen over verrekeningen van wijzigingen en meer- en minderwerk, bepalingen over tekeningen en berekeningen en regelingen omtrent de arbeidsomstandigheden en bouwplaatsvoorzieningen. Vervolgens wordt het werk in onderdelen beschreven: de toe te passen constructies, materialen met specificaties, afwerkingen en kleuren, alsmede de gestelde uitvoeringseisen. Bij wijzigingen aan het bouwwerk zijn aan het bestek tekeningen gekoppeld: de bestaande toestand, de gewijzigde toestand en/of de zogenaamde bestektekeningen, die samen met de technische omschrijving de basis vormen van het contract tussen opdrachtgever en aannemer (opdrachtnemer) en tevens het toetsingskader is voor de uitvoering. Tot het bestek behoren ook de tekeningen van de bestaande situatie en gewijzigde situatie en de tekeningen van details.

Boerderij: in deze definitie wordt uitgegaan van het bedrijfscomplex van hoofdgebouw en bijgebouwen op het boerenerf, zoals bijschuren, stookhut, wagenloodsen, kleinveestallen zoals is bepaald in de registeromschrijving van het gemeentelijke monument of rijksmonument. Ook het woonhuisgedeelte valt onder de definitie boerderij, waarbij het niet uitmaakt of het bedrijfsgebouw is vast gebouwd aan de woning of het vrij staat, ténzij dit gedeelte is uitgezonderd van de monumentenomschrijving.

Bouwhistorisch onderzoek: is maatwerk en specialistenwerk en kan drie gradaties van diepgang hebben: een bouwhistorische inventarisatie voor een stedenbouwkundig ensemble, of een bouwhistorische opname (variërend van een verkenning op hoofdlijnen tot een nauwkeurige analyse van bouwfasen en waardestelling). Een bouwhistorische ontleding is vaak pas mogelijk door destructief onderzoek. Voor de opzet van het bouwhistorisch onderzoek dient als leidraad te worden gehanteerd L. Hendriks en J. van der Hoeve, Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek, lezen en analyseren van cultuurhistorisch erfgoed, opgesteld onder auspiciën van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Stichting Bouwhistorie Nederland, Vereniging Nederlandse Gemeenten, Atelier Rijksbouwmeester en de Rijksgebouwendienst uit 2009. In vrijwel alle gevallen wordt gevraagd om een bouwhistorische opname. Het rapport van een bouwhistorische opname dient naast de algemene vereiste van de rapportages ook waardestellingspresentatietekeningen te bevatten.

Deelrestauratie: instandhoudingswerkzaamheden die het normale onderhoud te boven gaan en:

  • a.

    worden uitgevoerd aan één onderdeel van het casco,

  • b.

    het onderdeel verkeert in slechte of matige staat,

  • c.

    de werkzaamheden zijn voor de instandhouding van het gehele monument noodzakelijk.

Herbestemming: van een andere functie is in ieder geval sprake in het geval van een planologische functiewijziging. Planologische wijzigingen betreffen bijvoorbeeld wijzigingen van bedrijfs- naar woonbestemming, agrarische naar horeca bestemming, enzovoort.

Mocht er geen sprake zijn van een planologische wijziging of mocht de planologische wijziging op zichzelf onvoldoende duidelijk zijn om een herbestemmingssubsidie te verstrekken dan wordt voor de toepassing van het begrip herbestemming eveneens gekeken naar de feitelijke wijzigingen: aard en omvang van de bouwkundige ingrepen van de herbestemming spelen dan een rol. Het gaat er dan onder andere om dat omvangrijke bouwkundige maatregelen noodzakelijk zijn om een pand geschikt te maken voor de nieuwe bestemming. De bouwkundige ingrepen worden tot slot naast het feitelijk gebruik van het monument voor en na de wijzigingen van bouwkundige aard bekeken.

Een herbestemming van een monument, niet zijnde een woonhuis, naar wonen dient te bestaan uit functiewijziging die leidt tot minimaal drie woningen bij gemeentelijke monumenten en karakteristieke panden en twee woningen bij Rijkmonumenten. Het dient daarbij te gaan om permanente en zelfstandige woningen. Voor tenminste drie is gekozen om het beperkte budget met name te richten op de grotere bouwvolumes. Herbestemming naar een woning van bijvoorbeeld kleine kerken en boerderijen is veelal zonder subsidie goed te realiseren.

Ontwerpopgave: Van een ontwerpopgave is sprake wanneer er bouwkundige en of ruimtelijke wijzigingen plaatsvinden aan het monument zoals bijvoorbeeld het verplaatsen van binnenwanden, herindeling van de inrichting (verplaatsen van banken of deels verwijderen van banken, deuren,), het wijzigen van vloeren (daaronder ook begrepen het herschikken van monumentale vloerafwerking) of plafonds (niet het tijdelijk verwijderen en terugplaatsen; het maken of sluiten van doorgangen, het verplaatsen van stijgpunten (trappen e.d.). Het plaatsen van een keuken of een wc in een bestaande ruimte, waarbij geen wanden worden verplaatst en geen monumentale vloer- of wandafwerkingen worden verwijderd of verplaatst wordt niet beschouwd als een ontwerpopgave.

Reconstructie: het gaat hierbij om het, naar een vroegere gedaante, vervaardigen van onderdelen die niet meer in situ zijn aangetroffen in de bestaande toestand en die in de ontwikkelingsgeschiedenis van het bouwwerk zijn verdwenen. Met reconstructie wordt ook gelijkgesteld begrippen als voltooien, terugbrengen, completeren e.d., of dat nu is op basis van foto’s, deductie, historisch onderzoek, oude (bouw-)tekeningen, historische bestekken of vermoeden. Het gaat daarbij niet om onderdelen in situ die zijn versleten en opnieuw moeten worden gemaakt.

Subsidieregeling Instandhouding Monumenten (Sim): de Subsidieregeling instandhouding monumenten (Sim) is gebaseerd op het Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten 2013.

(Brim 2013). Het Brim 2013 is een ‘kapstok’-regeling met definities en uitgangspunten en de Sim bevat het grootste deel van de bepalingen over de verstrekking van meerjarige onderhoudssubsidie.

Tuinhistorisch onderzoek: De Richtlijnen Tuinhistorisch onderzoek hebben de dezelfde methodologische basis als de Richtlijnen Bouwhistorisch onderzoek (2009), maar zijn geen één-op-één vertaling hiervan. In het Plan van onderzoek wordt daarom doel, omvang en diepgang van het onderzoek bepaald.

Woonhuis: onder woonhuizen vallen in de eerste plaats beschermde monumenten die in oorsprong geheel of gedeeltelijk zijn vervaardigd voor bewoning. Gebouwen zoals pastorieën, kosterswoningen en dergelijke worden altijd aangemerkt als woonhuis, ook als ze met een kerk onder één monumentnummer staan geregistreerd. Dienstwoningen bij ensembles, zoals koetsierswoningen en tuinmanswoningen van buitenplaatsen of parken, of wachterswoningen bij bruggen of sluizen worden altijd aangemerkt als woonhuis, ook als ze met een buitenplaats, park, brug of sluis onder één monumentnummer staan geregistreerd. Het gaat bij deze categorie gebouwen dus, behalve om monumenten die geheel als woonhuis zijn vervaardigd, ook om monumenten met in oorsprong gemengde functies, zoals: wonen/horeca, wonen/kantoor, wonen/pakhuis, wonen/werken en wonen/winkel. Daarnaast vallen er beschermde monumenten onder, die oorspronkelijk een andere functie dan bewoning hadden, maar die nu voor meer dan de helft (in m²) voor bewoning in gebruik zijn. Kelders, zolders, bergingen en garages worden hierbij aangemerkt als ruimtes met een woonfunctie. Tot slot worden bepaalde beschermde monumenten nooit als woonhuis aangemerkt, ook niet als ze thans worden bewoond. Dit zijn woonhuizen die als museum zijn geregistreerd, kerkgebouwen, kastelen, paleizen, het hoofdhuis van buitenplaatsen, landhuizen, gebouwen van liefdadigheid, molens, gemalen, agrarische gebouwen en watertorens. Voor dergelijke monumenten is meestal sprake van een grotere instandhoudingsopgave in relatie tot de exploitatiemogelijkheden dan bij andere monumenten. Dit hangt samen met hun omvang, constructiewijze of de aanwezigheid van specifieke monumentale waarden die de gebruiksmogelijkheden beperken. Beschermde monumenten die in oorsprong als woonhuis zijn vervaardigd en die geregistreerd staan in het Nederlands Museumregister, worden niet aangemerkt als woonhuis. De eigenaren van deze monumenten – vaak stichtingen– hebben veelal geen recht op fiscale aftrek van onderhoudskosten, en bovendien beperkte inkomsten.

Zelfstandige bouwkundige eenheid: hierbij onder meer valt te denken aan baarhuis bij kerkhof, stokhutje of bakhuis, kas, hoenderhok, koetshuis.

Zelfstandig onderdeel van het monument: gebouwde monumenten kunnen bestaan uit één ondeelbaar geheel of uit meerdere zelfstandige onderdelen. Het komt regelmatig voor dat er wel zelfstandige onderdelen te onderscheiden zijn. In dergelijke gevallen kan de eigenaar ook voor één of meer van deze zelfstandige onderdelen een subsidie aanvragen. Onder het begrip worden de twee mogelijkheden aangeven waarbij sprake is van een zelfstandig onderdeel. Het begrip ‘monument’ betreft in de Stimuleringsregeling 2013 zowel het beschermde monument, als een of meer zelfstandige onderdelen daarvan.

Zelfstandige onderdelen naast het monumentale hoofdgebouw zijn bijvoorbeeld vrijstaande bijgebouwen bij een monument, een aangebouwde kerktoren of een aangebouwde kerkhofmuur.

2.1 Restauratie en herbestemming van Rijksmonumenten

A. Restauratie bij herbestemming

Het provinciebestuur wil de restauratie en het vernieuwend hergebruik van karakteristieke gebouwen stimuleren. Dit sluit ook aan op één van de pijlers uit de Modernisering Monumentenzorg door het Rijk. In de regeling wordt dit gestimuleerd door een hoger subsidiepercentage van 65% in plaats van 50% en behoeft niet te worden voldaan aan het criterium van technische urgentie.

Omdat het vertrekpunt van de rijksmiddelen restauratie is, dient het plan voor de herbestemming van een rijksmonument te zijn gecombineerd met een restauratie. De component restauratie dient tenminste 3% van de herbouwwaarde te overstijgen. Alleen in dat geval kan van een restauratie en niet regulier onderhoud worden gesproken.

Vooraf bouwhistorisch onderzoek

Bij een herbestemming is de kans groot dat er een behoorlijke bouwkundige ingreep plaatsvindt. Het is belangrijk dat er dan zorgvuldig met de monumentale waarden wordt omgegaan. Bij een herbestemming dient voorafgaande aan de planvorming een bouwhistorische onderzoek te worden uitgevoerd, met inbegrip van een waardestelling. Met deze bepaling wordt beoogd het bouwhistorisch onderzoek in een zo vroeg mogelijk stadium van de planvorming te stimuleren. Daarmee kunnen de monumentale waarden tijdig worden gesignaleerd en in de planvorming worden betrokken. Dit is van belang voor het ontwerpproces alsook voor de toetsing van plan in een eventuele vergunningprocedure. Voor de systematiek, de vorm, de omvang en de wijze van verslaglegging van bouwhistorisch onderzoek wordt als leidraad gehanteerd L. Hendriks en J. van der Hoeve, Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek, lezen en analyseren van cultuurhistorisch erfgoed, opgesteld onder auspiciën van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Stichting bouwhistorie Nederland, Vereniging Nederlandse Gemeenten, Atelier Rijksbouwmeester en de Rijksgebouwendienst uit 2009. Bouwhistorisch onderzoek is een specialisme dat belangenvrij dient te worden uitgevoerd. Om die reden dient het bouwhistorisch onderzoek te worden uitgevoerd door een onafhankelijk(e) ter zake deskundig onderzoeker of onderzoeksbureau. De bouwhistorisch onderzoeker mag dus geen rol hebben in de totstandkoming of toetsing van het ontwerp voor een beoogde verbouwing, wijziging, of bij de uitvoering van de beoogde instandhoudingswerkzaamheden. Dat betekent dat bouwhistorisch onderzoek dat wordt uitgevoerd door de architect / het architectenkantoor of een op grond van artikel 2.1.12, tweede lid, tweede lid daaraan gelijkstelde organisatie, de aannemer, of de opdrachtgever niet voor subsidie in aanmerking komt.

B. Enkel restauratie: Technische urgentie 

Om voor subsidie voor restauratie in aanmerking te komen dient de aanvrager aan te tonen dat er sprake is van technische urgentie voor de restauratie. Indien de technische urgentie ontbreekt, wordt de subsidieaanvraag geweigerd. Let op: Het vereiste van technische urgentie (casco of onderdelen in matige of slechte staat) is niet van toepassing op restauratie bij herbestemming.

De aanvrager dient door middel van een rapport van bijvoorbeeld de Monumentenwacht aan te tonen dat de staat van het casco van het monument, slecht of matig is. Ook mag de aanvraag betrekking hebben op en zelfstandig bouwkundig onderdeel of zelfstandig onderdeel van het monument dat slecht of matig is en expliciet in de registeromschrijving van het monument apart opgenomen onderdeel;

Voor het aantonen van een slechte of matige staat van het casco of een onderdeel dienen de criteria van de Monumentenwacht gehanteerd te worden. Het rapport dient te worden opgesteld door een onafhankelijke adviseur die niet de planvorming of de uitvoering van het projectplan op zich zal nemen. De deskundige dient dus geen belang (noch de schijn daarvan) te hebben bij de uiteindelijke uitwerking van het plan dat neergelegd is in de subsidieaanvraag.

Criteria monumentenwacht 

De criteria om de staat van het casco, zelfstandige bouwkundige eenheid of een zelfstandig onderdeel van het monument te kunnen bepalen staat in het Inspectie Handboek van de Monumentenwacht. In dit handboek wordt onder casco verstaan de dragende onderdelen en het omhulsel, bestaande uit dak, kappen met spantconstructies, balklagen en vloeren, dragende muren met wandopeningen, funderingen, kelders en gewelven. Tot het casco wordt ook gerekend het binnenpleisterwerk van de muren die er deel van uitmaken, alsmede de buitenafwerking, de kozijnen, ramen en deuren.

In het handboek zijn er kwaliteitsomschrijvingen per onderdeel van het monument beelden uit alle paragrafen 2.2 die per onderdeel van het monument zijn omschreven (in alle daarbij behorende paragrafen 2.2). Deze zijn ingedeeld in “goed”, “redelijk”, “matig” of “slecht” en richten zich op zowel onderhoud als restauratie. Aan de hand van deze kwaliteitomschrijvingen kan vervolgens, op grond van de onderstaande criteria een kwalificatie worden gegeven of de staat van het casco onder goed, redelijk matig of slecht valt.

De indeling van de staat van het casco in paragraaf 0.6.6. volgens de volgende richtlijnen:

Goed

Als met normaal onderhoud het monument bijgehouden kan worden.

Redelijk

Als op een beperkt aantal onderdelen zoals vensters/serres/goten/grote vlakken voegwerk grootonderhoud uitgevoerd moet worden.

Matig

Als een partiële restauratie noodzakelijk is, zoals balklagen/vloeren/kappen/daken en dakbedekking zoals leien/pannen.

Slecht

Als een totale restauratie binnen en buiten noodzakelijk is.

Voor meer informatie kan het InspectieHandboek gedownload worden. Hiervoor zijn inloggegevens nodig. Deze zijn op de volgende manieren te verkrijgen:

  • via de afdeling Financieringen & Subsidies van de provincie Fryslân:

  • via de website van de Monumentenwacht, via de hiervoor genoemde link.

Onafhankelijke deskundige

De deskundige dient op grond van opleiding en ervaring gekwalificeerd te zijn de opdracht uit te voeren. Voor het begrip deskundige wordt gekeken naar de bedrijfsactiviteiten van het bedrijf dat wordt ingehuurd en/of de aantoonbare kennis en ervaring van de persoon die de opdracht uitvoert.

De deskundige dient onafhankelijk de gegeven opdracht uit te kunnen voeren en er mag geen sprake zijn van enige vorm van belangenverstrengeling. Onder het begrip belangenverstrengeling wordt eveneens begrepen: de schijn van belangenverstrengeling.

In dat kader wordt onder andere in de volgende situaties geoordeeld dat er geen sprake is van onafhankelijkheid:

Zakelijke relatie:

  • Als de deskundige of het bedrijf of instelling waarvoor deze werkzaam is, een (financieel) belang bij de honorering van de subsidieaanvraag heeft. Een uitzondering voor de eis van onafhankelijkheid geldt voor “klinkende monumenten” (orgels, uurwerken, klok) omdat hiervan het aantal deskundigen heel dun gezaaid is.

  • Als de subsidieaanvrager een (financieel) belang heeft in de onderneming of de instelling van de deskundige.

  • Als de deskundige werkzaam is of binnen een periode van twee jaar voorafgaande aan de subsidieaanvraag werkzaam is geweest bij de subsidieaanvrager of de groep van ondernemingen of instellingen waartoe de aanvragende partij behoort.

  • Als de directeur van de aanvragende onderneming of instelling ook de directeur van het bedrijf of instelling van de deskundige is.

  • Als de subsidieaanvrager en de deskundige samen een ander bedrijf of instelling hebben, vennoten zijn in dat bedrijf, collega’s in een ander bedrijf zijn.

  • Als de aanvragende onderneming of instelling en de deskundige (het bedrijf of instelling dat is ingehuurd of de persoon die de opdracht uitvoert al langdurig of in meerdere projecten intensief samenwerken, waarbij de samenwerking anders is dan het inhuren van een derde voor het uitvoeren van een opdracht. In de hier genoemde situaties moet onder de subsidieaanvrager ook de partij worden verstaan die niet formeel de aanvraag heeft ingediend maar wel nauw bij de aanvraag betrokken is, bijvoorbeeld als planopsteller.

Familiaire relatie:

  • Als de subsidieaanvrager en de deskundige: getrouwd/levenspartners zijn en/of tegelijkertijd in een andere setting gelijkwaardige zakenpartners zijn.

  • In het geval er sprake is van familierelaties in de eerste en tweede graad (ouder/kind broer/zuster).

Second opinion

Indien een inspectierapport van een deskundige niet voldoet aan het onafhankelijkheidscritrium is een eventuele mogelijkheid om bij de aanvraag een second opinion over het inspectierapport van een andere deskundige, die wel aan het onafhankelijkheidscriterium voldoet, toe te voegen. Deze kan na bezoek ter plaatse, toetsen of de bevindingen in het inspectierapport over de technische urgentie juist zijn.

Subsidiabele kosten 

De Leidraad subsidiabele kosten van het Rijk wordt gebruikt voor restauraties en onderhoud. Voor het bepalen van de subsidiabele kosten zijn ook de uitgangspunten van toepassing zoals verwoord in Hoofdstuk 1.1 Algemene bepalingen subsidiabele kosten van de Leidraad subsidiabele instandhoudingkosten 2013, bijlage bij de Subsidieregeling instandhouding monumenten. Hierin is bepaald dat:

  • a.

    kosten uitsluitend subsidiabel zijn voor zover de werkzaamheden:

    • 1º.

      strekken tot instandhouding van het monument en zijn monumentale waarden;

    • 2º.

      sober en doelmatig zijn;

    • 3º.

      technisch noodzakelijk zijn; en

    • 4º.

      zijn gericht op maximaal behoud van aanwezige monumentale waarden, in het bijzonder historische materialen en constructies;

  • b.

    kosten voor werkzaamheden gericht op het voorkomen van verval of het voorkomen van vervolgschade subsidiabel zijn;

  • c.

    kosten voor werkzaamheden gericht op vervanging van materialen die hun functie niet meer kunnen vervullen subsidiabel zijn;

  • d.

    kosten voor werkzaamheden gericht op reconstructie niet subsidiabel zijn, tenzij deze in uitzonderlijke gevallen naar het oordeel van de minister ter versterking van de monumentale waarden gewenst zijn;

  • e.

    kosten voor werkzaamheden die voortvloeien uit veranderd gebruik, alsmede kosten voor werkzaamheden die zijn gericht op comfortverbetering of verfraaiing niet subsidiabel zijn; en

  • f.

    kosten voor werkzaamheden voor zover die reeds aangevangen of voltooid zijn voor de subsidieverlening niet subsidiabel zijn.

Bij de berekening van de subsidiabele kosten van klinkende monumenten wordt in aanvulling op de Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten 2013 het bepaalde in de Nota Klinkende Monumenten (RCA, 2007) toegepast.

Architect

Restauratieplan met ontwerpopgave

Ten behoeve van de kwaliteitsborging dient het restauratieplan en herbestemmingplan van monumenten en karakteristieke bouwwerken te worden opgesteld door een architect, indien er sprake is van een ontwerpopgave.

Uitvoering

Restauraties van monumenten en karakteristieke bouwwerken mogen alleen worden uitgevoerd onder directievoering van een architect. De veelal specialistische opgave van de restauratie al of niet in combinatie met herbestemming vergt de begeleiding van een architect. Daarbij dient de directievoering in de uitvoering als uitgangspunt en in één-en-dezelfde hand te blijven als de planopstelling, namelijk de architect. Doel daarvan is de bevordering van de continuïteit van ontwerp en uitvoering en de kwaliteit van de gebouwde omgeving. Ontheffing is mogelijk wanneer de restauratie wordt begeleid door een organisatie waarvan, naar het oordeel van GS, ‘de deskundigheid op dit terrein genoegzaam is gebleken’. In algemene zin wordt geen (structurele) ontheffing verleend van de bepaling dat restauraties moeten worden begeleid door architecten. De verzoeken worden van geval tot geval beoordeeld, omdat het restauratieplan / ontwerp voor de uit te voeren werkzaamheden (subsidiabele instandhoudingswerkzaamheden hoger dan 3% van de herbouwwaarde die wij beschouwen als restauratie, én restauraties in de zin van een ontwerpopgave) naar ons oordeel zoveel als mogelijk in één hand te blijven.

In enkele gevallen behoeft er geen toestemming te worden gevraagd, indien deze toestemming al eerder is verleend, maar niet ouder is dan 1 januari 2005. Ook is het hier niet nodig indien de begeleidende organisatie hiervoor is gecertificeerd door de Stichting Erkende restauratiekwaliteit Monumentenzorg op grond van de Beoordelingsrichtlijn Erkend Monumenten Adviesbureau.

Via de verplichtingen in de beschikking zal worden vastgelegd wat er tenminste wordt verstaan onder deze directievoering. Hieronder zal in ieder geval het volgende vallen:

  • Afstemmingsoverleg

  • Locatie bezoek minimaal 1x per week tijdens de werkzaamheden om de voortgang en kwaliteit van de werkzaamheden te toetsen

  • Bouw- voortgang verslagen (minimaal 1x p/maand)

  • Oplevering met proces verbaal.

Kwaliteitsnormen

Met betrekking tot deze verplichting inzake de kwaliteitsnormen wordt opgemerkt dat het stelsel van de kwaliteitszorg in de monumentenzorg nog volop in ontwikkeling is. De werkzaamheden zullen moeten worden uitgevoerd volgens de in de beroepsgroep geldende normen. Hieronder worden de zogenaamde Uitvoeringsrichtlijnen (URL) begrepen zoals die door de ERM in samenwerking met de beroepsgroep zijn opgesteld. Ook heeft de ERM een erkenningsregeling voor bedrijven werkzaam in de restauratiesector. Op de website van de stichting staan per branche bedrijven die erkend zijn op basis van een erkenningsrichtlijn. Meer info over de Uitvoeringsrichtlijn en erkenning is te vinden op http://www.stichtingerm.nl/index

Daarnaast is er met steun van het bedrijfsleven een onafhankelijke stichting tot stand gekomen die zich inzet voor restauratiekwaliteit en een openbaar register beheert waarin bedrijven zijn opgenomen die bewezen hebben om in de uitvoering kwaliteit te leveren voor restauratie van monumenten of op specifieke specialistische onderdelen daarvan. Dit is de Stichting Certificering Restauratie die op dit moment als werkgebied de provincies Groningen, Friesland, Drenthe en Overijssel heeft. Het register en informatie over de stichting is te vinden op: http://www.screstauratie.nl/

Rekenvoorbeelden

Voorbeeld 1: Aanvraag restauratie rijksmonument zonder herbestemming

Herbouwwaarde monument € 1.000.000,-- ofwel 3% is € 30.000,--

Uit aanvraag / bouwkundig inspectierapport moet blijken dat de technische toestand matig of slecht is.

De aangevraagde werkzaamheden zijn niet in een Brim/Sim aanvraag opgenomen. Als dat wel het geval is zullen die kosten in mindering worden gebracht.

Begroting met totaalbedrag restauratie van  € 200.000,--

Subsidiabele kosten vlg leidraad € 175.000,--

Aftrek onderhoud (SIM) € 0,-- (het betreft alleen restauratiewerk)

Subsidie 50% van € 175.000,-- ofwel € 87.500,--

Voorbeeld 2: Aanvraag restauratie rijksmonument met herbestemming

Herbouwwaarde monument € 1.000.000,-- ofwel 3% is € 30.000,--

Het rijksmonument hoeft niet technisch matig of slecht te zijn. In redelijke staat kan ook restauratie noodzakelijk zijn.

Begroting met totaalbedrag restauratie

en herbestemming van € 300.000,--

Subsidiabele kosten vlg leidraad € 175.000,-- (herbestemmingskosten zijn niet subsidiabel)

Aftrek onderhoudskosten SIM  € 30.000,-- (goedgekeurde SIM kosten)

Subsidiabele kosten volgens de regeling € 145.000,--

Subsidie 65% van € 145.000,-- ofwel € 94.250,--

De aftrek onderhoudskosten is maximaal 3% van de herbouwwaarde indien voor hetzelfde monument / bouwkundige eenheid de subsidiabele kosten in het kader van de Simregeling een subsidie is verleend of aangevraagd. Als de Sim kosten lager zijn vastgesteld, dan zal de aftrek ook lager zijn

2.3 Onderhoud rijksmonumentale molens

Als specifieke categorie binnen de rijksmonumenten geldt er voor molens een onderhoudssubsidie. Voorwaarde is dat er een instandhoudingssubsidie door het Rijk is verleend op basis van een zesjarig instandhoudingsplan. Op basis van deze rijksbeschikking kan er 15% van de subsidiabele kosten met een maximum van 9.000 euro worden beschikt.

2.4 Plankosten

Deze aparte subsidiabele activiteit is opgenomen om tegemoet te komen aan de drempel van de plankosten in verband met de voorwaarde van een verleende omgevingsvergunning op het moment van indiening van een aanvraag voor een restauratie al of niet gecombineerd met een herbestemming.

Een verleende subsidie voor plankosten zal dan later bij een definitieve aanvraag worden verrekend.

Als indieningsvereisten gelden dezelfde eisen als bij de Wabo/Bor (werkbeschrijving, tekeningen, begroting, “omgevingsvergunningklaar”)

Er kan niet tegelijk een plankostensubsidie en restauratiesubsidie worden aangevraagd.

Een verleende plankostensubsidie geeft geen voorrang bij de subsidieregeling het volgende jaar. Voor het bepalen van de subsidiabele kosten wordt eveneens de hiervoor genoemde Leidraad van het Rijk gehanteerd.

Een verleende plankostensubsidie geeft geen voorrang bij de subsidieregeling het volgende jaar. Voor het bepalen van de subsidiabele kosten wordt eveneens de hiervoor genoemde Leidraad van het Rijk gehanteerd.