Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Zuidplas houdende regels omtrent de fysieke leefomgeving (Verordening fysieke leefomgeving Zuidplas)

Geldend van 08-04-2021 t/m heden

Intitulé

Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Zuidplas houdende regels omtrent de fysieke leefomgeving (Verordening fysieke leefomgeving Zuidplas)

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

Adres

Door het bevoegde gemeentelijke orgaan aan een verblijfsobject, een standplaats of een ligplaats toegekende benaming, bestaande uit een combinatie van de naam van een openbare ruimte, een nummeraanduiding en de naam van een woonplaats;

Adresseerbaar object

Een verblijfsobject, een ligplaats of een standplaats, gelegen binnen de gemeentegrenzen;

Adviseur

De door het college aan te wijzen persoon als bedoeld in artikel 6.1.1.1, onder c, Besluit ruimtelijke ordening;

Anciënniteitlijst

De lijst van vergunninghouders van een vaste plaats;

Archeologisch onderzoek

Onderzoek verricht door of namens een dienst of instelling die over een opgravingsvergunning beschikt;

Archeologische waarde

De aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende overblijfselen uit oude tijden;

Autodate

Het herhaald en opeenvolgend gezamenlijk gebruik van motorvoertuigen op grond van een overeenkomst tussen natuurlijke personen en een aanbieder of tussen natuurlijke personen uit meer dan één huishouden;

Avondperiode

De periode gelegen tussen 19.00 uur en 23.00 uur;

Bebouwde kom

De bebouwde kom of kommen weergegeven op de kaart in bijlage 1 bij deze verordening;

Beeldbepalend erfgoed

Erfgoed dat vanwege zijn cultuur- en/of architectuurhistorische, stedenbouwkundige en/of landschappelijke waarde bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit van de fysieke leefomgeving.

Belanghebbendenplaats

Een parkeerplaats die

  • a.

    is aangeduid met bord E9 uit bijlage 1 van het RVV 1990, of;

  • b.

    gelegen is binnen een zone aangeduid met bord E9 uit bijlage 1 van het RVV 1990 met het opschrift zone, voor zover deze plaats niet is uitgezonderd, of;

  • c.

    is aangeduid met bord E4 uit bijlage 1 van het RVV 1990 plus een onderbord met daarop een specificatie van het voertuig of de voertuigen die gebruik mag/mogen maken van de parkeerplaats;

Beschermd monument

Beschermd monument als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

Bevoegd gezag

Bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning;

Boom

Een houtachtig, overblijvend gewas met een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 10 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam;

Boomtechnisch deskundige

Een deskundige die ten minste beschikt over het European Tree Technician (ETT) certificaat;

Bouwwerk

Constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren, met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bouwwerkgebonden installaties;

Bromfiets

Hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994;

Collectieve festiviteit

Festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;

College

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zuidplas;

Commissie Ruimtelijke Kwaliteit

Door het college ingestelde adviescommissie met als taak het college conform het Reglement van Orde Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK) te adviseren over de aanwijzing van monumenten en de toepassing van de Erfgoedwet, deze verordening, het monumentenbeleid en Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

Cultureel erfgoed

Monumenten, archeologische monumenten, dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de erfgoedwet;

Cultuurhistorische waarde

De aan een object, element of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het architectuurbeeld en het beeld dat is ontstaan door de wijze waarop de mensen in de loop van de geschiedenis gebruik heeft gemaakt van dat object, element of gebied. Dat kan ondermeer tot uitdrukking komen in de beplanting, het reliëf, de verkaveling, het sloten- of wegenpatroon en/of de architectuur;

Dagperiode

De periode gelegen tussen 7.00 uur en 19.00 uur;

Dagplaats

De marktstandplaats die op een markt voor onbepaalde tijd ter beschikking wordt gesteld aan de vergunninghouder;

Elektrisch voertuig

Een equivalent van een personen-, bestelauto of een vrachtauto met vier of meer wielen die volgens fabrieksopgave minimaal 60 kilometer volledig elektrisch wordt aangedreven;

Gebouw

Elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

Gemeentelijk erfgoedregister

De lijst waarop zijn geregistreerd de overeenkomstig deze verordening als gemeentelijk monument, beeldbepalend erfgoed, rijksmonumenten of als gemeentelijk of rijksbeschermd dorpsgezicht aangewezen zaken of terreinen;

Gemeentelijk monument

Een overeenkomstig deze verordening als beschermd gemeentelijk monument aangewezen:

  • a.

    zaak, die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde;

  • b.

    terrein dat van algemeen belang is wegens een daar aanwezige zaak als bedoeld onder a;

Gemeentelijk dorpsgezicht

Een groep van gebouwen en/of een landschap dat vanwege de onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang, hun/zijn wetenschappelijke, landschappelijke of cultuurhistorische waarde op grond van deze verordening is aangewezen als een beschermd dorpsgezicht;

Handelsreclame

Iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;

Herplantwaarde

De financiële waarde van een herplant op basis van de actuele richtlijnen van de Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen;

Houder van een inrichting

Degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;

Houtopstand

Zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend;

Iepziekte

De aantasting van iepen door de schimmel Ophiostoma ulmi (Buism.) Nannf. (syn. Ceratocystis ulmi (Buism.) C. Moreau);

Incidentele asverstrooiing

Het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein;

Incidentele festiviteit

Festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;

Inrichting

Inrichting type A, type B of type C als bedoeld in het Activiteitenbesluit;

Interferentiegebied

Een of meerdere gebieden binnen de gemeente Zuidplas waarin ordening van bodemenergiesystemen wenselijk is met het oog op het voorkomen van negatieve onderlinge beïnvloeding van meerdere bodemenergiesystemen of anderszins ter bevordering van het doelmatig gebruik van bodemenergie;

Kampeermiddel

Een tent een tentwagen een kampeerauto een caravan of een stacaravan dan wel enig ander daarmee vergelijkbaar voertuig of onderkomen dat geheel of ten dele is bestemd of opgericht dan wel wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf

Knotten

Het periodiek terugzetten van de gehele kroon middels het verwijderen van opnieuw uitgelopen loten, twijgen en takken met als doelstelling het terugzetten van de kroon tot op het meerjarige hout;

Landschap

Het samenstel van natuurlijke elementen die een rol hebben gespeeld bij het ontstaan van een gebied, zoals waterlopen, en/of door mensenhanden gemaakte cultuurelementen om het gebied in gebruik te nemen, zoals bijvoorbeeld dijken, weteringen en verkaveling, en zich door het samenstel van elementen dat zich binnen dat gebied bevindt als een zelfstandig geheel onderscheidt van aangrenzende gebieden.

Landschappelijke waarde

De waarde die aan een landschap wordt toegekend als gevolg van de aanwezige natuurlijke en/of cultuurlandschappelijke elementen;

Levenspartner

De persoon met wie de vergunninghouder met het oogmerk duurzaam samen te wonen een gemeenschappelijke huishouding voert, hetgeen blijkt uit een schriftelijke verklaring ingericht volgens door het college te stellen regels;

Ligplaats

Een door het college als zodanig aangewezen plaats in het water al dan niet aangevuld met een op de oever aanwezig terrein of een gedeelte daarvan, die bestemd is voor het permanent afmeren van een voor woon-, bedrijfsmatige of recreatieve doeleinden geschikt vaartuig;

Markt

De warenmarkt die plaatsvindt op de, bij of krachtens artikel 3.58 van deze verordening vastgestelde dag, tijd en plaats;

Marktmeester

De persoon, die als zodanig is aangewezen door het college;

Marktstandplaats

De ruimte die voor de duur van de markt op het marktterrein is aangewezen voor het uitoefenen van de markthandel;

Marktterrein

De gehele openbare of voor het publiek toegankelijke oppervlakte grond, die bij of krachtens artikel 3.57 van deze verordening is aangewezen voor het uitoefenen van de markthandel;

Motorvoertuig

Motorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van het reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

Nachtperiode

De periode gelegen tussen 23.00 uur en 7.00 uur;

NEN

Norm die door de Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie Instituut is uitgegeven;

Object

Een gebouw, complex, afgebakend terrein, ligplaats of standplaats;

Omgevingsvergunning parkeren

Een door burgemeester en wethouders verleende vergunning, krachtens welke het is toegestaan een motorvoertuig te parkeren op daartoe aangewezen belanghebbendenplaatsen;

Omgevingsvergunning voor het bouwen

Vergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

Onversterkte muziek

Muziek die niet elektronisch is versterkt;

Openbaar water

Wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;

Openbare plaats

Een voor het publiek toegankelijke plaats, waaronder begrepen de weg;

Openbare ruimte

Een door burgemeester en wethouders als zodanig aangewezen gedeelte van het openbaar gebied binnen de woonplaats waaraan een naam is toegekend;

Parkeren

Parkeren als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990);

Plan van aanpak

Plan dat weergeeft hoe een archeologische uitvoerder de kaders die gesteld worden in het programma van eisen denkt te gaan beantwoorden;

Planologische maatregel

Oorzaak als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, Wet ruimtelijke ordening;

Planschade

Schade als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, Wet ruimtelijke ordening;

Programma van eisen

Programma waarmee kaders worden gesteld voor het ontwerp en de uitvoering van archeologisch onderzoek;

Rechthebbende

Degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht;

Rijksmonument

Rijksmonument als bedoeld in artikel 1.1 van de erfgoedwet;

Standplaats

Het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.

Onder standplaats wordt niet verstaan:

  • a.

    een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet;

  • b.

    een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24 van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Zuidplas."

Standwerkerplaats

De marktstandplaats die per marktdag ter beschikking wordt gesteld om te standwerken;

Straatreclame

Elke aanduiding van commerciële en niet-commerciële aard in de vorm van een opschrift, aankondiging en/of mededeling, voor zover deze op een openbare plaats geplaatst is;

Taxateur van bomen

Een boomtaxateur, officieel als zodanig geregistreerd bij de beroepsvereniging Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen;

Uitvoeringsvoorschriften

Nadere bepalingen van technische en administratieve aard;

Vaste plaats

De marktstandplaats die op een markt voor onbepaalde tijd ter beschikking wordt gesteld aan de vergunninghouder;

Vellen

Rooien of verrichten van andere handelingen die de dood of ernstige beschadiging van een houtopstand tot gevolg kunnen hebben;

Vergunninghouder

Een omgevingsvergunning geldt voor degene die de activiteit verricht waarop zij betrekking heeft. Diegene is vergunninghouder en draagt zorg voor de naleving van de vergunningvoorschriften;

Voertuig

Voertuigen als bedoeld in artikel 1 het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990) met uitzondering van kleine wagens zoals: kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen;

Voorziening Groen

Een gemeentelijke financiële voorziening voor de uitbreiding en handhaving van het in de gemeente aanwezige openbare groen, waaronder houtopstanden;

Weg

Weg met inbegrip van de daarin gelegen kunstwerken en wat verder naar zijn aard daartoe behoort;

Woonplaats

Een door het college aangewezen gebied waaraan een woonplaatsnaam is toegekend;

Artikel 1.2 Bevoegd gezag

Het bevoegd gezag tot het nemen van besluiten op basis van deze verordening is, tenzij anders bepaald in deze verordening, het college.

Artikel 1.3 Doel Verordening fysieke leefomgeving
  • 1. Het doel van deze verordening is het samenbrengen van regels over de fysieke leefomgeving vanuit diverse gemeentelijke verordeningen in één verordening.

  • 2. Binnen het toepassingsbereik van deze verordening is het doel van de regels:

    • a.

      een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en;

    • b.

      een doelmatig beheer en gebruik van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.

Artikel 1.4 Oogmerken

De regels in deze verordening zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het belang van de fysieke leefomgeving;

  • b.

    het belang van de volksgezondheid;

  • c.

    het belang van het milieu;

  • d.

    het belang van de openbare orde;

  • e.

    het belang van de openbare veiligheid.

Artikel 1.5 Toepassingsbereik

Deze verordening geeft regels over aanwijzingen van beschermd erfgoed en regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving van het grondgebied van de gemeente Zuidplas die gaan vallen onder de reikwijdte van de toekomstige Omgevingswet en die niet mogen worden opgenomen in een bestemmingsplan.

Hoofdstuk 2 Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving

Afdeling 2.1 Aanwijzing en registratie van cultureel erfgoed

§ 2.1.1

Aanwijzing als gemeentelijk monument, beeldbepalend erfgoed of beeldbepalende structuur

Artikel 2.1 (Voornemen tot) Aanwijzing als gemeentelijk (archeologisch) monument
  • 1. Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een monument of archeologisch monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aanwijzen als gemeentelijk monument of als gemeentelijk archeologisch monument.

  • 2. Het college zendt het voornemen tot aanwijzing voor advies aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit als bedoeld in artikel 6.11. Artikel 6.11 is van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Het college maakt een voornemen tot aanwijzing schriftelijk bekend aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak voor zover die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8 van de Kadasterwet.

  • 4. Onverminderd het bepaalde in lid 2 en 3 wordt bij een monument over het voornemen tot aanwijzing overleg gevoerd met de eigenaar.

  • 5. De aanwijzing bevat in ieder geval het adres van het gemeentelijke monument, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijke monument.

  • 6. Dit artikel is niet van toepassing op:

    • a.

      Rijksmonumenten, en rijks archeologische monumenten, die zijn aangewezen op grond van artikel 3.1 van de Erfgoedwet; en

    • b.

      provinciale monumenten, en provinciale archeologische monumenten, die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17 van de Erfgoedwet.

Artikel 2.2 Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit
  • 1. Op een aanvraag om aanwijzing dient te worden besloten binnen zesentwintig weken na ontvangst van de aanvraag.

  • 2. In afwijking van het eerste lid het college kan, met kennisgeving aan de eigenaar en alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak voor zover die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8 van de Kadasterwet, de beslistermijn met een redelijke termijn verlengen.

  • 3. De aanwijzing bevat in ieder geval het adres van het gemeentelijke monument, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijke monument.

Artikel 2.3 Bekendmaking aanwijzingsbesluit en inschrijving erfgoedregister
  • 1. Het college maakt de aanwijzing schriftelijk bekend aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Kadasterwet.

  • 2. Zodra de aanwijzing onherroepelijk is geworden, wordt deze opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister.

Artikel 2.4 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk monument
  • 1. Het college kan de aanwijzing als bedoeld in het artikel 2.1 wijzigen.

  • 2. Het college kan de aanwijzing intrekken indien het monument of archeologisch monument, waarop de aanwijzing betrekking heeft, teniet is gegaan.

  • 3. Artikel 2.1 is van overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit, tenzij de wijziging naar het oordeel van het college van ondergeschikte betekenis is.

  • 4. Het wijzigen en intrekken van de aanwijzing wordt verwerkt in het gemeentelijk erfgoedregister.

  • 5. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument of archeologisch monument, waarop de aanwijzing betrekking heeft, wordt aangewezen als rijks (archeologisch) monument of provinciaal (archeologisch) monument. Het vervallen wordt verwerkt in het gemeentelijk erfgoedregister zodra de gemeente hiervan de afschriften heeft ontvangen.

§ 2.1.2

Aanwijzing als gemeentelijk dorpsgezicht

Artikel 2.5 Aanwijzing als beschermd gemeentelijk dorpsgezicht
  • 1. De gemeenteraad kan op voorstel van het college een dorpsgezicht aanwijzen als beschermd gemeentelijk dorpsgezicht, wanneer een groep van onroerende zaken of een landschap van algemeen belang zijn/is wegens hun/zijn schoonheid, onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang, hun/zijn wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en zich in deze groep of in dit landschap één of meer monumenten bevinden.

  • 2. Het college zendt het voorstel voor advies aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit, als bedoeld in artikel 6.11. Artikel 611 is van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Zodra de aanwijzing onherroepelijk is geworden, wordt deze opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister.

  • 4. De gemeenteraad stelt ter bescherming van een aangewezen beschermd dorpsgezicht een bestemmingsplan vast als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening. Bij de aanwijzing van een beschermd dorpsgezicht kan daarvoor een termijn worden gesteld.

  • 5. Bij de aanwijzing van een beschermd dorpsgezicht wordt bepaald of een geldend bestemmingsplan als beschermend plan in de zin van het vorige lid kunnen worden aangemerkt of dat een beheersverordening als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening moet worden vastgesteld.

  • 6. Als een bestemmingsplan opnieuw moet worden vastgesteld als gevolg van artikel 3.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening, kan de gemeenteraad in afwijking van artikel 3.1, eerste lid, van die wet, voor het desbetreffende gebied een beheersverordening als bedoeld in deze wet vaststellen.

  • 7. Dit artikel is niet van toepassing op:

    • a.

      een door het Rijk aangewezen beschermd dorpsgezicht dat is aangewezen op grond van artikel 9.1 van de Erfgoedwet.

    • b.

      een door de provincie aangewezen beschermd dorpsgezicht dat is aangewezen op grond van een provinciale verordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Artikel 2.6 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijk dorpsgezicht
  • 1. De gemeenteraad kan de aanwijzing als bedoeld in artikel 2.5 wijzigen of intrekken. Artikel 2.5, tweede en derde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft teniet is gegaan.

  • 2. Het wijzigen en intrekken van de aanwijzing wordt verwerkt in het gemeentelijk erfgoedregister.

  • 3. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft, wordt aangewezen als beschermd rijks dorpsgezicht of als beschermd provinciaal dorpsgezicht. Het vervallen wordt verwerkt in het gemeentelijk erfgoedregister zodra de gemeente hiervan de afschriften heeft ontvangen.

§ 2.1.3

Aanwijzing als beeldbepalend erfgoed

Artikel 2.7 Registratie beeldbepalend erfgoed
  • 1. Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een monument dat de erfgoedwaarden binnen de gemeente versterkt vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde als beeldbepalend erfgoed registreren in het erfgoedregister.

  • 2. Het college zendt het voornemen voor advies aan de adviescommissie als bedoeld in artikel 6.11. Artikel 6.11 is van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Het college maakt een voornemen tot registratie schriftelijk bekend aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak voor zover die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8 van de Kadasterwet.

  • 4. Onverminderd het bepaalde in lid 2 en 3 wordt bij een monument over het voornemen tot registratie overleg gevoerd met de eigenaar.

  • 5. De aanwijzing bevat in ieder geval het adres van het beeldbepalende erfgoed, de datum van registratie, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van de beeldbepalende waarden.

  • 6. Dit artikel is niet van toepassing op:

    • a.

      rijksmonumenten, die zijn aangewezen op grond van artikel 3.1 van de Erfgoedwet; en

    • b.

      provinciale monumenten, die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17 van de Erfgoedwet;

    • c.

      Gemeentelijke monumenten, die conform deze verordening reeds zijn aangewezen.

Artikel 2.8 Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit beeldbepalend erfgoed

Op een aanvraag om registratie dient te worden besloten binnen zesentwintig weken na ontvangst van de aanvraag.

Artikel 2.9 Bekendmaking aanwijzingsbesluit en inschrijving erfgoedregister

Het college maakt de registratie schriftelijk bekend aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Kadasterwet.

Artikel 2.10 Wijziging, intrekking en vervallen van de registratie als beeldbepalend erfgoed
  • 1. Het college kan de registratie als bedoeld in artikel 2.7 wijzigen.

  • 2. Het college kan de registratie intrekken indien het beeldbepalende erfgoed waarop de aanwijzing betrekking heeft, teniet is gegaan.

  • 3. Het wijzigen en intrekken van de registratie wordt verwerkt in het gemeentelijk erfgoedregister.

  • 4. Een registratie vervalt met ingang van de dag waarop het beeldbepalende erfgoed waarop de registratie betrekking heeft, wordt aangewezen als rijksmonument of provinciaal monument of gemeentelijk monument. Het vervallen wordt verwerkt in het gemeentelijk erfgoedregister zodra de gemeente hiervan de afschriften heeft ontvangen.

Afdeling 2.2 Overige aanwijzingen in de fysieke leefomgeving

§ 2.2.1

Interferentiegebieden bodemenergiesystemen

Artikel 2.11 Aanwijzing interferentiegebieden

De op de bij deze verordening behorende kaart (zie bijlage 2) omkaderde gebieden worden aangewezen als interferentiegebieden in de zin van artikel 2.2b van het Besluit omgevingsrecht.

§ 2.2.2

Aanwijzing van namen en nummers in de openbare ruimte

Artikel 2.12 Naamgeving van woonplaatsen en van delen van de openbare ruimte
  • 1. Het college stelt voor het totale grondgebied van de gemeente ten minste een woonplaats vast en kan een woonplaats in wijken of buurten verdelen, zonodig daaraan namen, letters of nummers toekennen.

  • 2. Het college kent voor het totale grondgebied van de gemeente namen toe aan te onderscheiden delen van de openbare ruimte en zonodig aan bouwwerken.

  • 3. Voor het vaststellen, verdelen en toekennen, zoals bedoeld in het eerste en tweede lid kan het college nadere beleidsregels vaststellen.

  • 4. Onder vaststellen, verdelen en toekennen, zoals bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt tevens begrepen het wijzigen en intrekken van de vaststelling, verdeling en toekenning.

Artikel 2.13 Nummering van adresseerbare objecten
  • 1. Het college kent aan elk adresseerbaar object een adres toe.

  • 2. Onder toekennen, zoals bedoeld in het eerste lid, wordt tevens begrepen het wijzigen en intrekken van de toekenning.

§ 2.2.3

Houtopstanden

Artikel 2.14 Aanwijzing bebouwde kom

De bebouwde kom in de zin van artikel 4.1 onder a van de Wet natuurbescherming is vastgesteld in de Bebouwde kom kaart, opgenomen in bijlage 1.

§ 2.2.4

Ligplaatsen

Artikel 2.15 Aanwijzingen ligplaatsen

Het college kan gedeelten van openbaar water aanwijzen voor het innemen van ligplaatsen voor vaartuigen.

§ 2.2.5

Parkeren

Artikel 2.16 Aanwijzingen belanghebbenden parkeren
  • 1. Het college kan weggedeelten aanwijzen als belanghebbendenplaats.

  • 2. Het college kan de tijdstippen vaststellen waarop het parkeren op een belanghebbendenplaats alleen aan vergunninghouders is toegestaan.

§ 2.2.6

Crossterreinen en natuurgebieden

Artikel 2.17 Aanwijzingen crossterreinen

Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het verbod als bedoeld in artikel 3.34 lid 1 niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen voor het gebruik van deze terreinen:

  • a.

    in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;

  • b.

    in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van de fysieke leefomgeving;

  • c.

    in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.

Artikel 2.18 Aanwijzingen natuurgebieden

Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het verbod als bedoeld in artikel 3.34 lid 1 niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen voor het gebruik van deze terreinen:

  • a.

    in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;

  • b.

    in het belang van de bescherming van de fysieke leefomgeving;

  • c.

    in het belang van de veiligheid van het publiek.

§ 2.2.7

Vervoer gevaarlijke stoffen

Artikel 2.19 Aanwijzingen route vervoer gevaarlijke stoffen

Het college wijst routes aan ter uitvoering van artikel 3.84 lid 1:

  • a.

    een route of routes voor doorvoer door de gemeente;

  • b.

    een route of routes van en naar de laad , los en overslagplaatsen in de gemeente.

§ 2.2.8

Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz.

Artikel 2.20 Aanwijzingen plaatsen buiten inrichtingen

Het college kan plaatsen aanwijzen buiten de inrichting, in de openlucht en buiten de weg waarvoor het verbod als bedoeld in artikel 3.83 lid 1 niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen voor het gebruik van deze plaatsen:

  • a.

    in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;

  • b.

    in het belang van de bescherming van de fysieke leefomgeving;

  • c.

    in het belang van de veiligheid van het publiek.

Hoofdstuk 3 Activiteiten

Afdeling 3.1 Activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed

§ 3.1.1

Algemene bepalingen

Artikel 3.1 Oogmerken
  • 1. Het doel van de regels in deze paragraaf is het behouden en beschermen van erfgoed dat van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis of van uitzonderlijke schoonheid is en onvervangbaar is.

  • 2. Deze paragraaf berust op artikel 3.16 en 9.1 van de Erfgoedwet.

Artikel 3.2 Toepassingsbereik gemeentelijk monument, beeldbepalend erfgoed, beeldbepalende structuur en dorpsgezicht
  • 1. Deze afdeling is van toepassing op een beschermd gemeentelijk monument, beeldbepalend erfgoed of beeldbepalende structuur waarover:

    • a.

      een besluit tot aanwijzing als zodanig heeft plaatsgevonden; of

    • b.

      een voornemen als bedoeld in artikel 2.1 is bekendgemaakt;

  • 2. Het eerste lid onder b geldt niet voor een monument, archeologisch monument, beeldbepalend erfgoed of beeldbepalende structuur waarvan het aanwijzingsbesluit is herroepen of vernietigd of waarover de aanwijzing definitief wordt, door inschrijving in het gemeentelijke erfgoedregister.

  • 3. Afdeling 3.1 is van overeenkomstige toepassing op een voorlopig beschermd gemeentelijke beeldbepalend erfgoed, een voorlopig gemeentelijk beeldbepalende structuur vanaf het moment dat het voornemen tot aanwijzing als zodanig aan belanghebbenden is bekendgemaakt.

  • 4. Afdeling 3.1 is van overeenkomstige toepassing op een gemeentelijk dorpsgezicht waarover een besluit tot aanwijzing als zodanig heeft plaatsgevonden.

Artikel 3.3 Zorgplicht voor onroerend gemeentelijk cultureel erfgoed.
  • 1. Het is verboden (gemeentelijk) onroerend cultureel erfgoed te beschadigen of te vernielen.

  • 2. De eigenaar en huurder van een beschermd gemeentelijk, provinciaal of rijksmonument zijn verplicht het onderhoud te verrichten dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is.

  • 3. Degene die een activiteit verricht aan of bij een (gemeentelijk) onroerend cultureel erfgoed dan wel binnen de directe omgeving van een beschermd monument, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevraagd om beschadiging van het beschermde monument te voorkomen.

§ 3.1.2.

Instandhouden, vernielen, slopen, ontsieren van cultureel erfgoed

Artikel 3.4 Omgevingsvergunning gemeentelijk monument
  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college:

    • a.

      een gemeentelijk monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;

    • b.

      een gemeentelijk monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a.

      de uitvoering van normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt; of

    • b.

      inpandige veranderingen van het monument, voor zover het een onderdeel daarvan betreft dat vanuit het oogpunt van monumentenzorg zonder betekenis is.

  • 3. Het college kan in het belang van de monumentenzorg nader onderzoek eisen ter onderbouwing van een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder b van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. De eigenaar is desgevraagd verplicht het onderzoek te laten uitvoeren.

  • 4. Het college kan in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. Deze regels kunnen mede inhouden een omgevingsvergunning voor afwijken van het verbod, bedoeld in het eerste lid, of een plicht tot het melden van handelingen als bedoeld in het tweede lid.

Artikel 3.5 Termijnen advies
  • 1. Het college zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een gemeentelijk monument aan de Commissie Ruimtelijke kwaliteit voor advies.

  • 2. Binnen drie weken na de datum van verzending van het afschrift brengt de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit schriftelijk advies uit aan het college.

Artikel 3.6 Omgevingsvergunning binnen gemeentelijk beschermd dorpsgezicht
  • 1. Het is in een beschermd gemeentelijk dorpsgezicht verboden om zonder omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, een bouwwerk te beschadigen of te vernielen, te slopen, te verstoren, te verplaatsen, in enig opzicht te wijzigen, te herstellen of te laten gebruiken op een wijze waardoor het dorpsgezicht wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

  • 2. De omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd als naar het oordeel van het college het niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.

  • 3. De artikelen 6.6 en 6.8 zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 4. Het college kan in het belang van de zorg voor het gemeentelijk beschermde dorpsgezicht nader onderzoek eisen ter onderbouwing van een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. De eigenaar is desgevraagd verplicht het onderzoek te laten uitvoeren.

  • 5. Het college kan in het belang van de zorg voor het gemeentelijk beschermd dorpsgezicht nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden binnen een gemeentelijk beschermd dorpsgezicht. Deze regels kunnen mede inhouden een omgevingsvergunning voor afwijken van het verbod, bedoeld in het eerste lid, of de weigeringsgrond als bedoeld in het tweede lid.

  • 6. Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen ingevolge een verplichting als bedoeld in de artikelen 13, 13a of 13b van de Woningwet.

§ 3.1.3

Bescherming beeldbepalend erfgoed

Artikel 3.7 Omgevingsvergunning beeldbepalend erfgoed

Het is verboden zonder omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, een beeldbepalend erfgoed te wijzigen op dusdanige wijze dat dit negatieve effecten heeft op de fysieke leefomgeving of de kenmerken van het betreffende erfgoed.

Artikel 3.8 Termijnen advies beeldbepalend erfgoed
  • 1. Het college zendt een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een beeldbepalend erfgoed aan de Commissie Ruimtelijke kwaliteit voor advies.

  • 2. Binnen drie weken na de datum van verzending van het afschrift brengt de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit schriftelijk advies uit aan het college.

Artikel 3.9 Weigeringsgronden

Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.7 kan slechts worden verleend als karakteristieken zoals opgenomen in de redengevende beschrijving van het beeldbepalende erfgoed zich daartegen niet verzetten.

§ 3.1.4

Bescherming van archeologische monumenten en terreinen

Artikel 3.10 Instandhouding van archeologische gebieden
  • 1. De raad neemt in een bestemmingsplan bepalingen op met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden die leiden tot een verstoring van een gebied met archeologische waarden of verwachtingen als aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleidskaart.

  • 2. Het college kan bepalen dat archeologisch onderzoek moet worden verricht. De eigenaar is desgevraagd verplicht het onderzoek te laten uitvoeren.

Artikel 3.11 Vangnet archeologie
  • 1. Het is verboden de bodem dieper dan 30 cm beneden het maaiveld te verstoren in een gemeentelijk archeologisch monument of een gebied waar archeologische vondsten worden verwacht als in het bestemmingsplan niet is voorzien in een regeling om het archeologisch erfgoed te beschermen.

  • 2. Het verbod is niet van toepassing indien;

    • a.

      voor de activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste of tweede lid onder c, van de Wet algemene bepalingen een omgevingsrecht is verleend, of;

    • b.

      de activiteit geen strijd oplevert met het gemeentelijk archeologiebeleid, of;

    • c.

      een rapport is overgelegd waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat:

      • i.

        het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd; of

      • ii.

        de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad; of

      • iii.

        in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn.

  • 3. Het college kan nadere regels stellen waarmee kaders worden gesteld aan de activiteit en de uitvoering van archeologisch onderzoek.

Artikel 3.12 Archeologisch onderzoek
  • 1. Onverminderd het bepaalde in de Erfgoedwet worden bij onderzoek in de vorm van opgravingen de volgende regels in acht genomen:

    • a.

      het college stelt een programma van eisen vast als bedoeld in artikel 1 van deze verordening, waarbij nadere regels worden gesteld ten aanzien van het onderzoek. De nadere regels bevatten in ieder geval bepalingen met betrekking tot het toezicht op de feitelijke uitvoering van het programma van eisen;

    • b.

      de initiatiefnemer overlegt, voorafgaande aan het onderzoek, een plan van aanpak als bedoeld in artikel 1.1 van deze verordening ter goedkeuring aan het bevoegd gezag.

    • c.

      In de gemeentelijke richtlijnen voor archeologisch veldonderzoek als bedoeld in artikel 1.1 neemt het college bepalingen op met betrekking tot het toezicht op de feitelijke uitvoering van het plan van aanpak.

    • d.

      Tijdens het onderzoek dienen aanwijzingen van het college in acht te worden genomen.

  • 2. Het college kan nadere regels opstellen over het verrichten van archeologisch onderzoek.

Artikel 3.13 Advisering

Bij toepassing van artikel 3.11 en 3.12 vraagt het college advies aan een ter zake deskundige.

Afdeling 3.2 Activiteiten in de openbare ruimte

§ 3.2.1.

Gebruik van een openbare plaats

Artikel 3.14 Het plaatsen van voorwerpen
  • 1. Het is verboden een openbare plaats of een gedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als:

    • a.

      het gebruik schade toebrengt aan een openbare plaats, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van een openbare plaats of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van een openbare plaats;

    • b.

      het gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand.

  • 2. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van terrassen en uitstallingen.

  • 3. Het college kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het in het eerste lid gestelde verbod.

  • 4. Het college kan een omgevingsvergunning verlenen voor het in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j . of onder k. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

  • 5. Het verbod in het eerste lid van dit artikel geldt niet voor:

    • a.

      evenementen als bedoeld in artikel 2:24 van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Zuidplas;

    • b.

      standplaatsen als bedoeld in artikel 3.70;

    • c.

      terrassen behorend bij een openbare horecagelegenheid waarbij een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2:28 van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Zuidplas is verleend;

    • d.

      overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een omgevingsvergunning;

    • e.

      voor het gebruik van een openbare plaats is verleend.

  • 6. Het verbod in het eerste lid van dit artikel geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, of de omgevingsverordening Zuid-Holland.

  • 7. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing op dit artikel.

Artikel 3.15 Verbod objecten onder hoogspanningslijn
  • 1. Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen opgaand houtgewas of objecten die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben.

  • 2. Het verbod is niet van toepassing op objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn.

  • 3. Het college kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijken van dit verbod indien de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat. Over de mogelijkheid voor een omgevingsvergunning wordt overleg gevoerd met de netbeheerder.

  • 4. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing op dit artikel.

  • 5. Dit artikel is niet van toepassing voor zover in dit onderwerp is voorzien in het bestemmingsplan.

Artikel 3.16 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren
  • 1. Het college kan buiten een inrichting plaatsen aanwijzen waar het ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid verboden is daarbij aangeduide dieren:

    • a.

      aanwezig te hebben, of

    • b.

      aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen gestelde regels, of

    • c.

      aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven.

  • 2. Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen plaats daarbij aangeduide dieren aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels, dan wel aanwezig te hebben in een groter aantal dan door het college is aangegeven.

  • 3. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de gemeente een omgevingsvergunning verlenen voor afwijken van het in het tweede lid gestelde verbod.

Artikel 3.17 Bijen
  • 1. Het is verboden bijen te houden:

    • a.

      binnen een afstand van dertig meter van woningen of andere gebouwen waar overdag mensen verblijven;

    • b.

      binnen een afstand van dertig meter van de weg.

  • 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit en invliegen van de bijen te voorkomen.

  • 3. Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod geldt niet voorzover de bijenhouder rechthebbende is op de woningen of gebouwen als bedoeld in dat lid.

  • 4. Het in het eerste lid, aanhef en onder b, gestelde verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de omgevingsverordening Zuid-Holland.

  • 5. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod een omgevingsvergunning verlenen voor afwijken.

  • 6. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing op dit artikel.

Artikel 3.18 Verstrooiing van as
  • 1. Incidentele asverstrooiing is verboden op:

    • a.

      verharde delen van de weg;

    • b.

      gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.

  • 2. Het college kan een besluit nemen waarin voor een bepaalde termijn wordt verboden dat op andere plaatsen dan genoemd in het eerste lid asverstrooiing plaatsvindt.

  • 3. Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorgdraagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden een omgevingsvergunning verlenen voor afwijken van het verbod uit het eerste lid, behoudens de gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.

  • 4. Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden.

Artikel 3.19 Straatvegen

Het is verboden op een door het college ten behoeve van de werkzaamheden van de gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode.

Artikel 3.20 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen
  • 1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten kampeerterreinen dat als zodanig in het bestemmingsplan is bestemd of mede bestemd.

  • 2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddel voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.

  • 3. Het college kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijken van het verbod als bedoeld in het eerste lid.

  • 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 6.8. kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van:

    • a.

      de bescherming van natuur en landschap;

    • b.

      de bescherming van een dorpsgezicht.

  • 5. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing op dit artikel.

Artikel 3.21 Oplaten van ballonnen

Het is verboden ballonnen op te laten. Onder ballonnen wordt verstaan alle soorten ballonnen en wenslantaarns en soortgelijke objecten die zonder sturing wegdrijven.

§ 3.2.2.

Veranderen van een openbare plaats

Artikel 3.22 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg
  • 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.

  • 2. De omgevingsvergunning kan, in aanvulling op artikel 6.8, worden geweigerd in het belang van:

    • a.

      de bruikbaarheid van de weg;

    • b.

      het veilig en doelmatig gebruik van de weg;

    • c.

      de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;

    • d.

      de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.

  • 3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam publieke taken worden verricht.

  • 4. Het verbod geldt voorts niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Omgevingsverordening Zuid-Holland, de Waterschapskeur, de Waterschapsverordening, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening.

Artikel 3.23 Maken, veranderen van een uitweg
  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college:

    • a.

      een uitweg te maken naar de weg;

    • b.

      van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg;

    • c.

      verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg;

    • d.

      Het gebruik van een uitweg te veranderen.

  • 2. De omgevingsvergunning kan, in aanvulling op artikel 6.6, worden geweigerd in het belang van:

    • a.

      de bruikbaarheid van de weg;

    • b.

      het veilig en doelmatig gebruik van de weg;

    • c.

      de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;

    • d.

      de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.

  • 3. het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur, de Waterschapsverordening, of de Omgevingsverordening Zuid-Holland.

§ 3.2.3.

Activiteiten ten aanzien van bomen en houtopstanden

Artikel 3.24 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op bomen en houtopstanden:

  • a.

    die gelegen zijn binnen de bebouwde kom als bedoeld in artikel 2.14, en:

  • b.

    die niet gelegen zijn binnen de bebouwde kom als bedoeld in artikel 2.14, voor zover het gaat om houtopstanden als bedoeld in artikel 4.1, onderdelen b en f van de Wet Natuurbescherming.

Artikel 3.25 Verbod vellen waardevolle houtopstanden
  • 1. Het is verboden een waardevolle houtopstand te vellen of te doen vellen;

  • 2. Het is verboden de houtopstanden te vellen of te doen vellen die staan vermeld op de Monumentale- en waardevolle bomen - Zuidplas lijst.

  • 3. Het in het eerste en tweede lid opgenomen verbod geldt niet voor:

  • a. het vellen van een houtopstand krachtens de Plantenziektewet;

  • b. het vellen van een houtopstand op grond van een door het college op basis van deze verordening opgelegde verplichting dan wel in verband met een voornemen daartoe, of:

  • c. het knotten als noodzakelijke beheermaatregel bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen;

  • d. een houtopstand, gelegen in een gebied met ernstige bodemdaling;

  • e. het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het reguliere onderhoud;

  • 4. Een omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand als bedoeld in lid 1 wordt geweigerd indien de belangen van verlening niet opwegen tegen de belangen van behoud van de houtopstand op basis van één of meer van de volgende waarden:

    • a.

      de natuurwaarde van de houtopstand;

    • b.

      de landschappelijke waarde van de houtopstand;

    • c.

      de waarde van de houtopstand voor dorpsschoon;

    • d.

      de beeldbepalende waarde van de houtopstand;

    • e.

      de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;

    • f.

      de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand.

  • 5. Het college kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijken van het in het eerste lid opgenomen verbod indien sprake is van:

    • a.

      instandhouding die niet langer verantwoord is;

    • b.

      het verplanten van een houtopstand dat geen bedreiging vormt voor het duurzaam behoud van de houtopstand, of:

    • c.

      een zwaarwegende maatschappelijke reden.

  • 6. Voordat het college een omgevingsvergunning verleent voor afwijken wegens grond a of b van het vijfde lid, dient door de aanvrager van de ontheffing een advies te worden overgelegd van een boomtechnisch deskundige.

Artikel 3.26 Verval

Een op grond van deze paragraaf verleende omgevingsvergunning vervalt, indien daarvan niet binnen één jaar na het in rechte onaantastbaar worden daarvan, voor alle houtopstanden waarop de omgevingsvergunning betrekking heeft, gebruik is gemaakt.

Artikel 3.27 Herplantplicht en overige voorschriften
  • 1. Het college kan aan een omgevingsvergunning in ieder geval als voorschrift verbinden dat binnen een door het college te bepalen termijn en overeenkomstig door het college te geven aanwijzingen wordt herplant, tenzij zwaarwegende redenen zich daartegen verzetten.

  • 2. Het college kan bepalen dat herplant geschiedt met een houtopstand die vergelijkbaar is met de gevelde houtopstand.

  • 3. Indien herplant niet in redelijkheid op hetzelfde perceel of in de directe omgeving kan geschieden, wordt in plaats van het in het eerste lid bedoelde voorschrift als voorschrift opgenomen dat de houtopstand niet mag worden geveld voordat een door het college te bepalen bedrag, dat gelijk is aan de herplantwaarde, in de Voorziening Groen is gestort. Voordat het college een dergelijk voorschrift opneemt, dient door de aanvrager van de omgevingsvergunning een taxatie van de herplantwaarde door een taxateur van bomen te worden overgelegd.

  • 4. Tot aan de omgevingsvergunning te verbinden voorschriften kunnen behoren aanwijzingen ter bescherming van in, op en rond de houtopstand voorkomende flora en fauna.

Artikel 3.28 Herplantplicht bij overtreding verbod
  • 1. Indien een houtopstand in strijd met een in deze verordening opgenomen verbod zonder omgevingsvergunning is geveld, kan het college de verplichting opleggen dat binnen een door het college te bepalen termijn en overeenkomstig door het college te geven aanwijzingen, wordt herplant. Deze verplichting wordt opgelegd aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de houtopstand bevond, danwel aan degene die de houtopstand heeft geveld dan wel heeft doen vellen.

  • 2. Indien herplant niet in redelijkheid op hetzelfde perceel of in de directe omgeving kan geschieden, kan in plaats van de in het eerste lid bedoelde verplichting worden opgelegd dat een door het college te bepalen een bedrag, dat gelijk is aan de herplantwaarde in de Voorziening Groen wordt gestort.

Artikel 3.29 Bestrijding van boomziekten
  • 1. Indien zich op een terrein één of meer bomen of andere houtopstand bevinden, die naar het oordeel het college gevaar opleveren van verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van de insecten, die boomziekten verspreiden, is de eigenaar of de publiekrechtelijke bevoegde op aanschrijving van het college en binnen de door haar daarbij te stellen termijn verplicht:

    • a.

      de houtopstand te vellen;

    • b.

      de houtopstand ter plaatse te ontbasten en de bast te vernietigen;

    • c.

      de niet ontbaste bomen of delen daarvan te vernietigen of zodanig te behandelen, dat verspreiding van boomziekten wordt voorkomen;

    • d.

      in geval van iepziekte alle onder hierboven a, b en c genoemde maatregelen te treffen;

    • e.

      alle andere maatregelen te treffen ter voorkoming van boomziekten behoudens beperkingen bij of krachtens de Plantenziektenwet gesteld.

    • f.

      tot herbeplanting over te gaan overeenkomstig de daarbij gegeven aanwijzingen.

  • 2. Het is verboden gevelde door boomziekte aangetaste bomen, of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren, tenzij het betreft geheel ontbast hout of hout met een doorsnede kleiner dan 4 cm.

  • 3. Het college kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijken van het verbod als bedoeld in het tweede lid.

§ 3.2.4.

Openbaar water

Artikel 3.30 Voorwerpen op, in of boven openbaar water
  • 1. Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.

  • 2. Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren melding aan het college.

  • 3. De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp.

  • 4. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de omgevingsverordening Zuid-Holland, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening.

Artikel 3.31 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen
  • 1. Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water of in strijd met het in krachtens het tweede lid bepaalde.

  • 2. Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water:

    • a.

      nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente;

    • b.

      beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.

  • 3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of de Omgevingsverordening Zuid-Holland.

Artikel 3.32 Beschadigen van waterstaatswerken
  • 1. Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen.

  • 2. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van strafrecht, Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of de omgevingsverordening Zuid-Holland.

Artikel 3.33 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen

Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.

§ 3.2.5.

Schade aan groenvoorzieningen

Artikel 3.34 Crossterreinen
  • 1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig en een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.

  • 2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt dat onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.

  • 3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, of het Besluit geluidproductie sportmotoren

Artikel 3.35 Beperking verkeer in natuurgebieden
  • 1. Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets of met een fiets of een paard.

  • 2. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van paarden:

    • a.

      ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen hulpverleningsdiensten;

    • b.

      die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld;

    • c.

      die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;

    • d.

      van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld;

    • e.

      voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen.

  • 3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet:

    • a.

      op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994;

    • b.

      binnen de bij of krachtens de omgevingsverordening Zuid-Holland 'Stiltegebieden' aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als 'toestel'.

  • 4. Het college kan middels een omgevingsvergunning ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

  • 5. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing op dit artikel.

Artikel 3.36 Rookverbod in bossen en natuurgebieden
  • 1. Het is verboden te roken in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan gedurende een door het college aangewezen periode.

  • 2. Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van honderd meter daarvan, voorzover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.

  • 3. Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht.

  • 4. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voorzover het roken plaatsvindt in gebouw en aangrenzende erven.

§ 3.2.6.

Parkeren

Artikel 3.37 Belanghebbendenplaatsen
  • 1. Het college kan op een daartoe strekkende aanvraag een omgevingsvergunning parkeren verlenen voor het parkeren op belanghebbendenplaatsen.

  • 2. Een omgevingsvergunning parkeren kan worden verleend aan:

    • a.

      een eigenaar of houder van een motorvoertuig die:

      • -

        (huis)arts is in een gebied waar belanghebbendenplaatsen aanwezig zijn, en

      • -

        die aantoont dat het in het belang van diens beroep- of bedrijfsuitoefening noodzakelijk is, en

      • -

        dat hij dagelijks en frequent op niet altijd voorspelbare tijdstippen gebruik moet kunnen maken van een motorvoertuig, en

      • -

        dat hij een motorvoertuig op korte afstand van een bij hem in gebruik zijnd pand in dat gebied moet kunnen parkeren, en

      • -

        dat hij niet beschikt over een parkeerplaats op eigen terrein of bij derden (categorie I);

    • b.

      een openbare dienstverlener in een gebied waar belanghebbendenplaatsen aanwezig zijn en die:

      • -

        aantoont dat het in het belang van diens beroep- of bedrijfsuitoefening noodzakelijk is, en

      • -

        dat hij dagelijks en frequent op niet altijd voorspelbare tijdstippen gebruik moet kunnen maken van een motorvoertuig, en

      • -

        dat hij een motorvoertuig op korte afstand van een bij hem in gebruik zijn pand in dat gebied moet kunnen parkeren, en

      • -

        dat hij niet beschikt over een parkeerplaats op eigen terrein of bij derden (categorie II);

    • c.

      een openbare dienstverlener in een gebied waar belanghebbendenplaatsen aanwezig zijn en die aantoont dat het in belang van diens dienstverlening noodzakelijk is dat bezoekers hun motorvoertuig in dat gebied parkeren (categorie III)

    • d.

      een eigenaar of houder van een motorvoertuig bestemd voor autodate, waarvan de belanghebbendestandplaats is gelegen in een gebied waar belanghebbendenplaatsen aanwezig zijn (categorie IV);

    • e.

      een eigenaar of houder van een elektrisch voertuig die:

      • aantoont dat hij niet beschikt over een parkeerplaats op eigen terrein of bij derden, en

      • waarvan het elektrisch voertuig niet gebruikt wordt in het belang van diens beroep- of bedrijfsuitoefening. (categorie V).

  • 3. Het college kan aan een omgevingsvergunning parkeren voorschriften en beperkingen verbinden die strekken tot bescherming van het belang van een goede verdeling van de beschikbare parkeerruimte. Aan een omgevingsvergunning parkeren voor categorie III kan het college voorschriften en beperkingen verbinden die strekken tot bescherming van het belang van het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer, waaronder mede wordt begrepen het stimuleren van selectief autogebruik.

  • 4. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing op dit artikel.

Artikel 3.38 Beslistermijn
  • 1. Het college beslist binnen 8 weken na ontvangst van een aanvraag voor een omgevingsvergunning parkeren.

  • 2. Het college kan de in het eerste lid genoemde termijn met ten hoogste 4 weken verlengen. Van een verlenging van deze termijn wordt de aanvrager schriftelijk in kennis gesteld.

Artikel 3.39 Geldigheidsduur
  • 1. Een omgevingsvergunning parkeren wordt tot wederopzegging verleend.

  • 2. De omgevingsvergunning parkeren bevat in ieder geval de volgende gegevens:

    • a.

      het gebied waarvoor de omgevingsvergunning parkeren geldt;

    • b.

      de naam van de vergunninghouder of het kenteken van het motorvoertuig waarvoor de omgevingsvergunning parkeren is verleend.

Artikel 3.40 Intrekking omgevingsvergunning parkeren

Het college kan een omgevingsvergunning parkeren intrekken of wijzigen:

  • a.

    op verzoek van de vergunninghouder;

  • b.

    wanneer de vergunninghouder het gebied, waarvoor de omgevingsvergunning parkeren is verleend, verlaat of het daar uitgeoefende beroep of bedrijf beëindigt;

  • c.

    wanneer er zich een wijziging voordoet in een van de voorwaarden die relevant waren voor het verlenen van de omgevingsvergunning parkeren;

  • d.

    wanneer voor het betreffende gebied het stelsel van omgevingsvergunningen parkeren komt te vervallen;

  • e.

    wanneer de vergunninghouder handelt in strijd met de aan de omgevingsvergunning parkeren verbonden voorschriften;

  • f.

    wanneer blijkt dat bij de aanvraag van de omgevingsvergunning parkeren onjuiste gegevens zijn verstrekt;

  • g.

    om redenen van openbaar belang.

Artikel 3.41 Verbodsbepaling
  • 1. Het is verboden gedurende de tijden waarop het parkeren op een belanghebbendenplaats slechts aan vergunninghouders is toegestaan aldaar een motorvoertuig te parkeren of geparkeerd te houden:

    • a.

      zonder omgevingsvergunning parkeren;

    • b.

      zonder dat het motorvoertuig duidelijk zichtbaar is voorzien van de omgevingsvergunning parkeren;

    • c.

      in strijd met de aan de omgevingsvergunning parkeren verbonden voorschriften.

  • 2. Het is verboden om enig voorwerp, niet zijnde een motorvoertuig te plaatsen of te laten staan op een belanghebbendenplaats.

  • 3. Het college kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijken van het bepaalde in het eerste en tweede lid van dit artikel.

§ 3.2.7.

Reclame

Artikel 3.42 Straatreclame
  • 1. Artikel 3.14 is niet van toepassing op straatreclame.

  • 2. Straatreclame mag alleen worden aangebracht op de door burgemeesters en wethouders aangewezen plekken door middel van de door het college beschikbaar gestelde middelen.

  • 3. Het gebod in het tweede lid geldt niet voor spandoeken, deze mogen alleen worden aangebracht op de door het college aangewezen plekken.

  • 4. Het college kan nadere regels stellen omtrent straatreclame.

Artikel 3.43 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame
  • 1. Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving.

  • 2. Het college kan nadere regels stellen in het belang van de verkeersveiligheid en het uiterlijk aanzien van de gemeente.

  • 3. Dit artikel is niet van toepassing op bouwwerken.

§ 3.2.8.

Ambulante handel

Artikel 3.44 Omgevingsvergunning voor innemen van marktstandplaats
  • 1. Het is verboden een marktstandplaats op een markt in te nemen zonder omgevingsvergunning van het college.

  • 2. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing op dit artikel.

Artikel 3.45 Toewijzing marktstandplaatsen

Een marktstandplaats wordt toegewezen als:

  • a.

    vaste plaats;

  • b.

    dagplaats; of

  • c.

    standwerkerplaats.

Artikel 3.46 Vereisten omgevingsvergunningaanvraag

Voor toewijzing van een marktstandplaats komt uitsluitend in aanmerking een handelingsbekwaam natuurlijk persoon die een (schriftelijke) aanvraag voor een omgevingsvergunning heeft ingediend bij het college en die daarbij tevens aantoont dat hij persoonlijk voldoet aan alle publiekrechtelijke verplichtingen op het gebied van bedrijfsuitoefening en bedrijfsorganisatie.

Artikel 3.47 Intrekking omgevingsvergunning
  • 1. De omgevingsvergunning voor het innemen van een vaste plaats wordt ingetrokken:

    • a.

      op schriftelijk verzoek van de vergunninghouder;

    • b.

      bij overlijden van de vergunninghouder, tenzij op grond van artikel 3.49 de omgevingsvergunning wordt overgeschreven.

  • 2. Het college kan een omgevingsvergunning intrekken:

    • a.

      indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt;

    • b.

      indien de vergunninghouder niet meer voldoet aan de in artikel 3.49 genoemde vereisten voor het toewijzen van een marktstandplaats;

    • c.

      indien de vergunninghouder niet het minimum aantal keren de marktstandplaats inneemt overeenkomstig artikel 3.46.

  • 3. Indien degene op wie een omgevingsvergunning ingevolge artikel 3.49 is overgeschreven, reeds een omgevingsvergunning heeft voor een andere vaste plaats op dezelfde markt, wordt deze omgevingsvergunning ingetrokken.

Artikel 3.48 Opzeggen omgevingsvergunning

Indien de vergunninghouder zijn inname van een vaste marktstandplaats wil beëindigen, dient hij dit, twee maanden voor de datum dat hij de inname van de vaste marktstandplaats wil beëindigen, aan te geven bij de marktmeester.

Artikel 3.49 Overschrijven omgevingsvergunning
  • 1. In geval van overlijden dan wel blijvende (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid van de vergunninghouder kan de omgevingsvergunning voor de vaste plaats worden overgeschreven op de achterblijvende echtgenoot, de geregistreerde partner of de levenspartner van de vergunninghouder.

  • 2. Indien de omgevingsvergunning niet kan worden overgeschreven op grond van het eerste lid, kan een kind van de vergunninghouder vergunning voor een vaste plaats krijgen indien hij ten minste drie jaar in loondienst van het marktbedrijf van de vergunninghouder heeft gewerkt of gedurende eenzelfde periode als mede-eigenaar in dit bedrijf heeft gefunctioneerd.

  • 3. Indien de omgevingsvergunning niet kan worden overgeschreven op de personen genoemd in lid 1 en 2 van dit artikel dan kan een medewerker van de vergunninghouder omgevingsvergunning voor een vaste plaats krijgen indien hij tenminste drie jaar in loondienst van het marktbedrijf van de vergunninghouder heeft gewerkt of gedurende eenzelfde periode als mede-eigenaar in dit bedrijf heeft gefunctioneerd.

  • 4. Een aanvraag tot overschrijving wordt ingediend binnen twee maanden na het overlijden van de vergunninghouder danwel binnen vier weken nadat de blijvende arbeidsongeschiktheid is vastgesteld.

  • 5. Het college is bevoegd in bijzondere omstandigheden af te wijken van het bepaalde in dit artikel.

Artikel 3.50 Persoonlijk innemen marktstandplaats
  • 1. De vergunninghouder neemt de marktstandplaats die hem is toegewezen persoonlijk in. Hij mag de marktstandplaats niet aan een ander afstaan of in gebruik geven.

  • 2. De vergunninghouder mag zich op de marktstandplaats doen bijstaan.

  • 3. De standwerker mag zich alleen doen bijstaan door degene die hij overeenkomstig artikel 3.64, tweede lid bij de marktmeester heeft aangemeld.

Artikel 3.51 Aantal keren innemen marktstandplaats

De vergunninghouder van een vaste plaats neemt ten minste eenmaal per twee weken en ten minste tienmaal per dertien weken zijn plaats op de markt in, dit met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 3.52 en 3.53.

Artikel 3.52 Afwezigheid wegens ziekte, vakantie of bijzondere omstandigheden
  • 1. De vergunninghouder van een vaste plaats die wegens ziekte, vakantie of bijzondere omstandigheden verhinderd is zijn vaste plaats in te nemen, deelt dit schriftelijk mee aan de marktmeester. Bij vakantie geeft de vergunninghouder aan hoe lang zijn afwezigheid duurt.

  • 2. De schriftelijke mededeling wordt tijdig voor de betreffende marktdag gedaan. Plotselinge verhindering wordt mondeling of telefonisch aan de marktmeester gemeld, gevolgd door een schriftelijke bevestiging daarvan aan de marktmeester.

  • 3. Bij langdurige afwezigheid wegens ziekte overlegt de vergunninghouder als bewijs van ziekte iedere drie maanden een geneeskundige verklaring aan het college, tenzij het college hiervan ontheffing heeft verleend

  • 4. Indien de in het vorige lid bedoelde verklaring niet wordt overlegd of indien naar het oordeel van het college behoefte bestaat aan nadere informatie, dient de vergunninghouder een keuring te ondergaan bij een door het college aan te wijzen geneeskundige.

  • 5. Het college is bevoegd in bijzondere omstandigheden af te wijken van het bepaalde in dit artikel.

Artikel 3.53 Ontheffing en vervanging
  • 1. In geval van ziekte, vakantie of bijzondere omstandigheden kan het college op aanvraag van de vergunninghouder van een vaste plaats hem tijdelijk ontheffing verlenen van de verplichting om ten minste eenmaal per twee weken en tienmaal per dertien weken de plaats op de markt in te nemen.

  • 2. Het college kan op aanvraag van de vergunninghouder hem omgevingsvergunning verlenen zich op zijn marktstandplaats te laten vervangen door een met name genoemde persoon.

Artikel 3.54 Intrekken en vervallen marktstandplaatsvergunning

Het college kan een omgevingsvergunning voor een vaste plaats, al dan niet voorwaardelijk, intrekken dan wel telkens voor ten hoogste vier achtereenvolgende marktdagen schorsen, indien de vergunninghouder of degene die hem bijstaat:

  • a.

    het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de voorschriften van de omgevingsvergunning overtreedt; zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog;

  • b.

    niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet.

Artikel 3.55 Uitsluiting dagplaatshouder of standwerker

Het college kan een vergunninghouder van een dagplaats of een standwerkerplaats van de toewijzing van een dagplaats of een standwerkerplaats uitsluiten voor ten hoogste vier marktdagen, gelegen binnen een periode van twee jaar na de bekendmaking van het besluit tot uitsluiting, indien deze:

  • a.

    het bepaalde bij of krachtens deze verordening overtreedt;

  • b.

    zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog;

  • c.

    niet als standwerker actief is op een hem toegewezen standwerkerplaats;

  • d.

    niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet.

Artikel 3.56 Onmiddellijke verwijdering

Onverminderd het bepaalde in artikel 125 van de Gemeentewet kan het college, indien hij dit noodzakelijk acht, een vergunninghouder gelasten zich onmiddellijk van de markt te verwijderen, indien hij:

  • a.

    het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de voorschriften van de omgevingsvergunning overtreedt;

  • b.

    zich op de markt schuldig maakt aan wangedrag of bedrog;

  • c.

    niet als standwerker actief is op een hem toegewezen standwerkerplaats;

  • d.

    niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet.

Artikel 3.57 Tijdstip innemen marktstandplaats/aan- en afvoer goederen
  • 1. Het is verboden voor vergunninghouders op het marktterrein meer dan 1,5 uur voor aanvang en meer dan 1 uur na afloop van de markt met een voertuig, goederen of anderszins ruimte in te nemen dan wel goederen aan of af te voeren.

  • 2. De vergunninghouder is verplicht zijn marktstandplaats tot de sluitingstijd van de markt te blijven innemen. Het college kan van deze verplichting ontheffing verlenen.

  • 3. Indien de vergunninghouder zijn vaste plaats niet uiterlijk om 08.30 uur heeft ingenomen, wordt de betreffende plaats voor die dag als dagplaats aangemerkt.

  • 4. Het bepaalde in het derde lid is niet van toepassing indien de vergunninghouder de marktmeester vóór dit tijdstip, onder opgave van een geldige reden die hem belet tijdig aanwezig te zijn, heeft verzocht de plaats vrij te houden.

Artikel 3.58 Dag, tijd en plaats van de markt
  • 1. De markten vinden plaats op door het college vastgestelde plaatsen en tijden.

  • 2. Het college kan op grond van dringende redenen en voor bijzondere evenementen, in afwijking van het eerste lid, in overleg met de marktcommissie, bepalen dat de markt tijdelijk zal plaatsvinden:

    • a.

      op een andere dag;

    • b.

      op een andere tijd;

    • c.

      op een andere plaats.

  • 3. Het college is bevoegd te bepalen dat de markt tijdelijk zal plaatsvinden op een andere dag, indien de in het eerste lid bedoelde dag samenvalt met een van de in artikel 2, eerste lid, onder b van de Winkeltijdenwet genoemde dagen of een andere door het college op grond van bijzondere gelegenheden aangewezen dag.

Artikel 3.59 Indeling van de markt; branche-indeling
  • 1. Het college besluit ten aanzien van de markt:

    • a.

      de standaardafmetingen van de marktstandplaatsen;

    • b.

      de opstelling en indeling van de markt;

    • c.

      welke marktstandplaatsen worden toegewezen als vaste plaats en als standwerkerplaats;

    • d.

      welke gedeelten van het marktterrein bestemd zijn voor het verhandelen van bepaalde artikelen;

    • e.

      welk gedeelte van de markt eventueel bestemd wordt voor het plaatsen van verkoopwagens.

  • 2. Het college kan voor de markt vaststellen:

    • a.

      een lijst met artikelengroepen (branches) en;

    • b.

      een maximumaantal standplaatsen per branche.

  • 3. Het college kan vaste plaatsen toewijzen met grotere afmetingen dan de ruimte die standaard door een vaste plaats wordt ingenomen.

Artikel 3.60 De marktcommissie
  • 1. Het college kan een commissie van advies instellen die tot taak heeft het college te adviseren inzake marktaangelegenheden.

  • 2. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de samenstelling en werkwijze van deze marktcommissie.

Artikel 3.61 Inhoud marktstandplaatsvergunningen

Indien een vaste plaats kan worden toegewezen, verleent het college een omgevingsvergunning waarin in ieder geval is bepaald:

  • a.

    de naam en voorletters, de geboortedatum en -plaats, het adres en de woonplaats van de vergunninghouder;

  • b.

    een duidelijke omschrijving van de toegewezen vaste plaats met vermelding van het nummer en de afmetingen daarvan;

  • c.

    de verkoopmaterialen die de vergunninghouder bij het innemen van de plaats mag gebruiken;

  • d.

    de artikelen (branche) die de vergunninghouder mag verhandelen;

  • e.

    de datum waarop aan de vergunninghouder voor het eerst omgevingsvergunning is verleend en zijn volgnummer op de Anciënniteitlijst;

  • f.

    dat de vergunninghouder zelf zorg draagt voor inzameling en afvoer van zijn afval en dat hij zijn marktstandplaats schoon oplevert;

  • g.

    van wie de vergunninghouder zijn elektriciteit betrekt;

  • h.

    welke geluidsapparatuur op de marktstandplaats is toegestaan;

  • i.

    welke kook-, bak- en verwarmingsapparatuur zijn toegestaan.

Artikel 3.62 Inschrijving op de anciënniteitlijst

Vergunninghouders van vaste marktstandplaatsen worden met vermelding van en in volgorde van de datum, waarop aan hen voor het eerst een vaste marktstandplaats is toegewezen, op een doorlopend te nummeren lijst ingeschreven. Bij deze inschrijving wordt tevens vermeld welke artikelen de vergunninghouder mag verhandelen.

Artikel 3.63 Volgorde toewijzing vaste plaatsen

Vrijkomende vaste marktstandplaatsen worden achtereenvolgens toegewezen aan:

  • a.

    de vergunninghouder van een vaste marktstandplaats die aan het college schriftelijk de wens te kennen heeft gegeven van marktstandplaats te willen veranderen, in volgorde van plaatsing op de anciënniteitlijst;

  • b.

    aan degene die in aanmerking komt voor een opengevallen vaste marktstandplaats op de markt, op voordracht van de selectiecommissie.

Artikel 3.64 Selectie door marktcommisie
  • 1. De marktcommissie draagt zorg voor werving van kandidaten, rekening houdend met het branchepatroon op de markt en maakt uit de aanmeldingen een beredeneerde voordracht van een gegadigde voor de opengevallen marktstandplaats;

  • 2. Indien een lid van de marktcommissie werkzaam is in de branche waarvoor een nieuwe kandidaat wordt gezocht of indien er sprake is van familie of zakelijke relaties met een kandidaat, wordt zijn plaats ingenomen door een plaatsvervangend lid;

  • 3. Het college kan bepalen dat van de voordracht van de marktcommissie wordt afgeweken.

Artikel 3.65 Toewijzing dagplaats
  • 1. Toewijzing van een dagplaats geschiedt door afgifte van een omgevingsvergunning door het college op het moment dat de marktstandplaats niet als vaste plaats wordt ingenomen.

  • 2. De plaats wordt toegewezen aan degene die zich als eerste aanmeld, voor 08:30 uur. Dit met inachtneming van het branchepatroon. Indien meerdere gegadigden zich melden gaat toewijzing door middel van loting uitgevoerd door de marktmeester en een ambtenaar.

Artikel 3.66 Toewijzing standwerkplaats
  • 1. Het college wijst een standwerkplaats toe aan de degene die zich als eerste aanmeldt, met inachtneming van het branchepatroon. Indien er meerdere gegadigde zich melden gaat toewijzing door middel van loting uitgevoerd door de marktmeester en een ambtenaar.

  • 2. Indien een standwerker zich wil doen bijstaan, meldt hij dit vooraf aan de marktmeester onder vermelding van de naam van degene die hem zal bijstaan. Degene die hem zal bijstaan, mag niet op eigen naam deelnemen aan de loting.

Artikel 3.67 Plaats voertuigen
  • 1. Het is verboden rij- en voertuigen, waarmee de goederen of waren ter markt worden of zijn aangevoerd, op de markt aanwezig te hebben op een andere plaats dan die, welke door de marktmeester is aangewezen.

  • 2. Behoudens het bepaalde in het eerste lid, is het verboden voor en gedurende markt zich met een voertuig op het marktterrein te bevinden of een Voertuig op het Marktterrein aanwezig te hebben.

Artikel 3.68 Verzorging marktstandplaats

De vergunninghouder dient:

  • a.

    ervoor te zorgen dat zijn marktstandplaats steeds een goed verzorgd aanzien biedt;

  • b.

    tijdens de markt zelf zijn afval, verpakkingsmaterialen en dergelijke in te zamelen; en

  • c.

    voordat hij het marktterrein verlaat zijn marktstandplaats en de onmiddellijke omgeving daarvan achter te laten en het afval in de daarvoor bestemde afvalbakken te deponeren.

Artikel 3.69 Afvalbakken

De vergunninghouder aan wie omgevingsvergunning is verleend om geringe eet-en drinkwaren voor consumptie gereed te maken en te verkopen, dient aan de voorzijde van zijn marktstandplaats voldoende afvalbakken te plaatsen.

Artikel 3.70 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden
  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.

  • 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 6.8 weigert het college de omgevingsvergunning:

    • a.

      indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan eisen van redelijke welstand;

    • b.

      indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de omgevingsvergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt;

    • c.

      het maximaal aantal standplaatsen is ingenomen zoals bepaald in artikel 3.70 lid 1.

  • 3. Het college weigert de omgevingsvergunning wegens strijd met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.

  • 4. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing op dit artikel.

  • 5. Aan een aanvrager kan één standplaatsvergunning per dag worden verleend.

Artikel 3.71 Locaties en tijden
  • 1. Standplaatsen kunnen op gemeentegrond worden ingenomen op de onderstaande locaties en zoals aangegeven op de bij deze verordening gevoegde plattegronden:

    Locatie

    Dorpskern

    Aantal standplaatsen

    J.A. Beijerinkstraat 53

    Nieuwekerk aan den IJssel

    2 (waarvan één met geurverspreidende waren)

    Raadhuisplein

    Moerkapelle

    1

    Burgemeester Boerstraat (ter hoogte van het Bosgrachtpad)

    Zevenhuizen

    1

    Parkeerterrein bij oude begraafplaats aan de Kerklaan nabij de hoek van Kon. Julianastraat

    Moordrecht

    1

  • 2. Indien onvoorziene omstandigheden van tijdelijke aard zulks noodzakelijk maken, kan het college wijziging aanbrengen in de situering van de vaste standplaatsen en elders in de gemeente een andere locatie aanwijzen.

  • 3. Het college kan als naar haar oordeel bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven afwijken van het in het eerste lid bepaalde.

  • 4. De omgevingsvergunning voor een standplaats wordt niet verleend op de dag dat de weekmarkt plaats vindt in het betreffende dorp.

  • 5. De standplaats moet worden ingenomen met een verplaatsbare verkoopwagen/kraam die buiten de verkoopuren van de standplaats verwijderd wordt.

Artikel 3.72 Standplaatsen in winkelcentra

Geen omgevingsvergunning is vereist voor een standplaats in een winkelcentrum, dat 's nachts is afgesloten, indien de standplaatshouder binnen 10 werkdagen voorafgaand aan de inname van de standplaats melding heeft gedaan aan het college en de inname van de standplaats voldoet aan de brandveiligheidseisen.

Artikel 3.73 Gronden voor intrekking
  • 1. De verleende omgevingsvergunning voor een standplaats kan worden ingetrokken:

    • a.

      wanneer de ingeschreven niet langer handelingsbekwaam is of niet langer voldoet aan alle overige voorgeschreven publiekrechtelijke verplichtingen op het gebied van de bedrijfsuitoefening en bedrijfsorganisaties;

    • b.

      bij overlijden van de standplaatshouder, tenzij het college overschrijving toestaat;

    • c.

      als gebleken is dat een ander dan de vergunninghouder de standplaats in gebruik heeft genomen zonder dat daarvoor vergunning is verleend;

    • d.

      als een vergunninghouder gedurende 3 achtereenvolgende dagen of gedurende 5 dagen binnen een tijdvak van 13 weken geen gebruik heeft gemaakt van de standplaats zonder een naar het oordeel van het college geldige reden;

  • 2. Het college kan, indien zij onverwijld optreden noodzakelijk acht, de vergunninghouder in afwachting van de besluitvorming het recht ontzeggen om de standplaats gedurende een periode van maximaal vier weken daadwerkelijk te gebruiken.

Artikel 3.74 Rechtsopvolging
  • 1. Bij overlijden van de houder van een omgevingsvergunning voor een standplaats wordt de vergunning overgeschreven op de overblijvende echtgeno(o)t(e), dan wel duurzaam samenwonende partner, of een kind dat bij voortduring zijn ouder op diens standplaats heeft bijgestaan, mits een schriftelijk verzoek daartoe binnen vier weken na het overlijden wordt ingediend.

  • 2. De omgevingsvergunning voor een standplaats kan analoog aan het in lid 1 bepaalde ook overgeschreven worden bij blijvende arbeidsongeschiktheid of pensioen van de vergunninghouder, mits daartoe een schriftelijk verzoek wordt gedaan binnen vier weken na het bekend worden van de blijvende arbeidsongeschiktheid, dan wel vier weken voor aanvang van het pensioen.

§ 3.2.9.

Naamgeving en nummering

Artikel 3.75 Namen en nummerdragers aanbrengen
  • 1. De door het college aan delen van de openbare ruimte toegekende namen worden zichtbaar en in voldoende aantallen ter plaatse aangebracht.

  • 2. Aan een adresseerbaar object dat een nummer heeft gekregen, moet het nummer door de rechthebbende op een doeltreffende wijze en duidelijk zichtbaar vanaf de openbare weg zijn aangebracht.

  • 3. Het is eenieder, die daartoe niet bevoegd is, verboden naamborden in de openbare ruimte aan te brengen.

  • 4. Het is eenieder, die daartoe niet bevoegd is, verboden aan adresseerbare objecten zonder de daar aan ten grondslag liggende collegebesluiten nummerdragers aan te brengen.

Artikel 3.76 Nummerdragers aanbrengen
  • 1. De rechthebbende is verplicht het nummer, zoals bedoeld in artikel 3.75, tweede lid, binnen vier weken na kennisgeving van het besluit van het college aan te brengen.

  • 2. Tenzij door het college anders is besloten, is de rechthebbende van een object verplicht het in het eerste lid genoemde nummer, alsmede daarmee verband houdende verwijs- en verzamelborden aan te brengen op een wijze zoals krachtens artikel 3.75, tweede lid is bepaald.

  • 3. Indien een object nog niet is voltooid, wordt het nummer binnen vier weken na voltooiing aangebracht.

  • 4. Het college kan de in het eerste en derde lid genoemde termijn verlengen.

Artikel 3.77 Uitvoeringsvoorschriften
  • 1. De wijze van toekennen, het plaatsen van de nummerdragers alsmede de voorschriften voor de afmetingen, vormgeving en materiaalkeuze van de nummerdragers dienen te geschieden conform de in bijlage 3 (technische uitvoeringsvoorschriften) benoemde NEN-normen.

  • 2. Het college is bevoegd nadere uitvoeringsvoorschriften vast te stellen betreffende het bepaalde in deze paragraaf.

Afdeling 3.3 Milieubelastende activiteiten

§ 3.3.1.

Festiviteiten

Artikel 3.78 Collectieve festiviteiten
  • 1. De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit en artikel 3.80 van deze verordening gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten, in het bebouwde deel van de inrichting, gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

  • 2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. Hierbij geldt dat uiterlijk om 00.00 uur op zondag tot en met donderdag en 1.00 uur op vrijdag en zaterdag de lichten moeten zijn gedoofd, tenzij in de aanwijzing van de collectieve festiviteiten anders is aangegeven.

  • 3. Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.

  • 4. Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.

  • 5. Op dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore brengen van muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit, en artikel 3.80 van deze verordening, uiterlijk om 00:00 uur beëindigd als dag valt op een zondag tot en met donderdag en uiterlijk om 01:00 uur als de dag valt op een vrijdag en zaterdag.

  • 6. De equivalente geluidsniveaus LAeq en LCeq veroorzaakt door de inrichting, bedragen niet meer dan 65 dB(A) en 80 dB(C) in de dagperiode, 60 dB(A) en 75 dB(C) in de avondperiode en 55 dB(A) en 70 dB(C) in de nachtperiode, gemeten op de gevel van gevoelige gebouw op een hoogte van 1,5 meter.

  • 7. De geluidswaarden als bedoeld in het zesde lid zijn inclusief onversterkte muziek. De toeslag voor muziekgeluid van 10 dB(A) en de bedrijfsduurcorrectie wordt hierbij buiten beschouwing gelaten.

Artikel 3.79 Incidentele festiviteiten
  • 1. Het is een inrichting toegestaan maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden in het bebouwde gedeelte van de inrichting, waarvan ten hoogste 4 maal inclusief de buitenruimte, waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit en artikel 3.80 van deze verordening niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.

  • 2. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid van het Activiteitenbesluit niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. Hierbij geldt dat uiterlijk in 00.00 uur op zondag tot en met donderdag of 1.00 uur op vrijdag en zaterdag de lichten moeten zijn gedoofd.

  • 3. Het college stelt een formulier vast voor het doen van een kennisgeving;

  • 4. De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats die op dat formulier is vermeld.

  • 5. De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.

  • 6. De equivalente geluidsniveaus LAeq en LCeq veroorzaakt door de inrichting, bedragen niet meer dan 65 dB(A) en 80 dB(C) in de dagperiode, 60 dB(A) en 75 dB(C) in de avondperiode en 55 dB(A) en 70 dB(C) in de nachtperiode, gemeten op de gevel van gevoelige gebouw op een hoogte van 1,5 meter.

  • 7. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het, in het bebouwde gedeelte van de inrichting, ten gehore brengen van extra muziek – hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit – uiterlijk 00.00 uur op zondag tot en met donderdag en 1.00 uur op vrijdag en zaterdag beëindigd.

  • 8. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het, op het buitenterrein van de inrichting, ten gehore brengen van extra muziek – hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit – uiterlijk om 00.00 uur beëindigd.

  • 9. De geluidswaarden als bedoeld in het zesde lid zijn inclusief onversterkte muziek. De toeslag voor muziekgeluid van 10 dB(A) en de bedrijfsduurcorrectie wordt hierbij buiten beschouwing gelaten.

  • 10. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid in het bebouwde gedeelte van de inrichting blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

§ 3.3.2.

Geluidhinder

Artikel 3.80 onversterkte muziek
  • 1. Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek, zoals bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onder f en vijfde lid van het Activiteitenbesluit binnen inrichtingen is de onder e. opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat:

    • a.

      de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden indien de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen;

    • b.

      de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein;

    • c.

      de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten;

    • d.

      bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast.

    • e.

      Tabel

       

      Dagperiode

      Avondperiode

      Nachtperiode

      LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen

      50 dB(A)

      45 dB(A)

      40 dB(A)

      LAr,LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen

      35 dB(A)

      30 dB(A)

      25 dB(A)

      LAmax op de gevel van gevoelige

      gebouwen

      70 dB(A)

      65 dB(A)

      60 dB(A)

      LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen

      55 dB(A)

      50 dB(A)

      45 dB(A)

  • 3. Voor de duur van 4 uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende de dagperiode en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid. Indien versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Activiteitenbesluit van toepassing.

  • 4. Het eerste lid geldt niet indien artikel 3.75 of artikel 3.76 van toepassing is.

Artikel 3.81 Geluidhinder door geluidsapparaat, machine of handelingen in de openlucht
  • 1. Het is verboden buiten een inrichting toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

  • 2. Het college kan voor het afwijken van het verbod een omgevingsvergunning verlenen.

  • 3. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Omgevingsverordening Zuid-Holland.

  • 4. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing op dit artikel.

§ 3.3.3.

Overige milieubelaste activiteiten

Artikel 3.82 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken
  • 1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.

  • 2. Het verbod geldt niet voorzover het betreft:

    • a.

      verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;

    • b.

      sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen worden verbrand;

    • c.

      vuur voor koken, bakken en braden, voorzover dat geen gevaar, overlast of hinder voor de omgeving oplevert.

  • 3. Het college kan voor het afwijken van dit verbod een omgevingsvergunning verlenen.

  • 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 6.8 kan de omgevingsvergunning worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.

  • 5. Het verbod geldt niet voorzover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Omgevingsverordening Zuid-Holland.

  • 6. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing op dit artikel.

Artikel 3.83 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz.
  • 1. Het is verboden op een door het college aangewezen plaats buiten een inrichting, in de openlucht en buiten de weg gelegen in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, de volgende voorwerpen op stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben:

    • a.

      onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voertuigen of vaartuigen of onderdelen daarvan;

    • b.

      bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;

    • c.

      kampeermiddelen of onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel;

    • d.

      mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.

  • 2. Het is verboden op een door het college aangewezen plaats een bepaald voorwerp of bepaalde stof: op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben.

  • 3. Het college kan bij de aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid nadere regels stellen.

  • 4. Het in dit artikel bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet ruimtelijke ordening of de Omgevingsverordening Zuid-Holland.

Artikel 3.84 Vervoer van gevaarlijke stoffen
  • 1. Het is verboden met transporteenheden ontplofbare stoffen en voorwerpen van klasse 1 in hoeveelheden als bedoeld in artikel 1 van bijlage 2, Hoofdstuk 2 van het Reglement vervoer over land van gevaarlijke stoffen alsmede gevaarlijke stoffen als bedoeld in dat artikel te vervoeren over andere wegen of weggedeelten dan die, welke voor dat transport door het college is aangewezen en als zodanig zijn aangeduid met borden overeenkomstig model K 14 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.

  • 2. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod omgevingsvergunning verlenen. Het verleent deze omgevingsvergunning slechts op een schriftelijke aanvraag, waarbij ten minste is vermeld ten behoeve van wie en naar welk adres het vervoer dient te geschieden.

Afdeling 3.4 Bouwactiviteiten

§ 3.4.1.

Algemene bepalingen

Artikel 3.85 Status

Het bepaalde in Afdeling 3.4 wordt mede aangemerkt als Bouwverordening in de zin van artikel 8 van de Woningwet.

§ 3.4.3.

Bodemverontreiniging

Artikel 3.86 Bodemonderzoek
  • 1.

    Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit:

    • a.

      de resultaten van een recent en standaard vooronderzoek verricht volgens de vigerende NEN 5725;

    • b.

      indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat er een bodemverontreiniging aanwezig is, worden tevens ingediend de resultaten van een recent milieuhygiënisch verkennend bodemonderzoek verricht volgens de vigerende NEN 5740;

    • c.

      indien op basis van het milieuhygiënisch verkennend bodemonderzoek een vermoeden bestaat dat er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging, worden tevens ingediend de resultaten van een nader onderzoek, verricht volgens de vigerende NTA 5755

    • d.

      indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in de vigerende NEN 5707.

  • 2.

    De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht geldt niet indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit omgevingsrecht, bijlage II, artikelen 2 en 3. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit omgevingsrecht, bijlage II, artikelen 2 en 3.

  • 3.

    Het college staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht toe, indien voor toepassing van artikel 2.4.1 bij het college reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.

  • 4.

    Het college kan gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht toestaan voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingstermijn, als bedoeld in artikel 2.23 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16 van het Besluit omgevingsrecht, indien uit het in NEN 5725 bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740 niet rechtvaardigen.

  • 5.

    Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen.

  • 6.

    Bodemonderzoeken dienen geheel overeenkomstig vastgestelde protocollen en NEN normen en overeenkomstig hoofdstuk 2 uit het Besluit bodemkwaliteit te worden uitgevoerd. De onderzoeksbureaus moeten in het bezit zijn van een erkenning op grond van het Besluit bodemkwaliteit. Niet van toepassing is het bepaalde in dit lid onderzoeken van voor 1 juli 2007. De rapportage moet als volgt worden ingediend:

    • a.

      een papieren rapportage

    • b.

      een digitaal exemplaar in pdf-bestand

    • c.

      een digitaal exemplaar in SIKB-0101 xml-bestand.

Artikel 3.87 Verbod op bouwen op verontreinigde grond

Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd voor zover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk:

  • a.

    waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven;

  • b.

    voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist, met uitzondering van bouwwerken die naar aard en omvang gelijk zijn aan een bouwwerk waarvoor op grond van artikel 2.1, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een dergelijke omgevingsvergunning niet is vereist, en

    • 1.

      dat de grond raakt, of

    • 2.

      ten aanzien waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd.

Artikel 3.88 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen

In afwijking van het bepaalde in artikel 3.80 en onverminderd het bepaalde in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht, kan het college voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen, in het geval hij op grond van het in het de Regeling omgevingsrecht bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig artikel 39, tweede lid, Wet bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, Wet bodembescherming van oordeel is, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt.

§ 3.4.4.

Actualisering van NEN- en andere normen.

Artikel 3.89 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften

Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in afdeling 3.4 wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd.

Hoofdstuk 4 Beheer en onderhoud

Afdeling 4.1 Instandhouding

§ 4.1.1

Instandhouding van waardevolle houtopstanden

Artikel 4.1 Instandhoudingsplicht waardevolle houtopstanden

Wordt een waardevolle houtopstand zoals opgenomen op de Monumentale- en waardevolle bomen - Zuidplas lijst in het voortbestaan ernstig bedreigd door menselijk handelen, dan kan het college aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de houtopstand bevindt, danwel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van maatregelen bevoegd is, de last opleggen om:

  • a.

    een advies op te laten stellen door een boomtechnisch deskundige, waarin de gevolgen van het menselijk handelen voor de houtopstand en mogelijke maatregelen worden weergegeven;

  • b.

    overeenkomstig de door het college te geven aanwijzingen en binnen een door het college te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen.

Afdeling 4.2 Gedoogplichten

Artikel 4.2 Voorzieningen voor verkeer en verlichting
  • 1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

  • 2. Het bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht.

Artikel 4.3 Gedoogplicht naamborden
  • 1. Indien het college het nodig oordeelt dat borden met een wijk- of buurtaanduiding, borden met straatnamen en verwijsborden aan een bouwwerk, gebouw, muur, paal, schutting of een andere soort terreinafscheiding worden aangebracht, is de rechthebbende verplicht toe te laten dat de hier bedoelde borden overeenkomstig de aanwijzingen van het college worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

  • 2. De rechthebbende dient er zorg voor te dragen dat de in het eerste lid genoemde borden vanaf de openbare weg duidelijk leesbaar blijven.

Hoofdstuk 5 Financiële bepalingen

Artikel 5.1 Tegemoetkoming erfgoed

Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, kent het bevoegd gezag hem op zijn aanvraag een naar billijkheid te bepalen tegemoetkoming toe, indien de schade in relatie staat tot:

  • a.

    de weigering van het bevoegd gezag een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.4, 3.6, 3.7 of 3.11 te verlenen;

  • b.

    de voorschriften door het bevoegd gezag verbonden aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.4, 3.6 of 3.11;

  • c.

    de door het bevoegd gezag nader te stellen regels als bedoeld in artikel 3.4 vierde lid, 3.7 vijfde lid of 3.11 derde lid;

  • d.

    een aanwijzing als bedoeld in artikel 3.12, eerste lid onder a;

Artikel 5.2 Voorziening Groen
  • 1. Het college voorziet in de Voorziening Groen.

  • 2. De aan bomen gelieerde gelden in de Voorziening Groen mogen worden gebruikt ten behoeve van de uitbreiding en handhaving van het in de gemeente aanwezige openbare groen, waaronder houtopstanden.

Hoofdstuk 6 Procesregels

Afdeling 6.1 Algemene procesregels

Artikel 6.1 Verhouding tot de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
  • 1. Wanneer volgens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht niet het college maar een ander bestuursorgaan het bevoegd gezag is voor het nemen van een besluit, wordt voor ‘het college’ gelezen ‘het bevoegd gezag volgens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht’.

  • 2. Artikel 6.3 tot en met artikel 6.8 zijn niet van toepassing voor zover in het onderwerp wordt voorzien door de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Artikel 6.2 Persoonlijk karakter van omgevingsvergunning of ontheffing

De omgevingsvergunning is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.

Artikel 6.3 Indienen aanvraag, melding of verzoek om omgevingsvergunning
  • 1.

    Indien een aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de omgevingsvergunning nodig heeft, kan het college besluiten de aanvraag niet te behandelen.

  • 2.

    Het eerste lid geldt niet voor zover in deze verordening andere indieningstermijnen zijn bepaald.

  • 3.

    Voor bepaalde, door het college aan te wijzen, omgevingsvergunningen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden verlengd tot ten hoogste dertien weken.

Artikel 6.4 Beslistermijn
  • 1. Het college beslist binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag, tenzij elders in deze verordening of in een andere wettelijke regeling een andere beslistermijn is gesteld of afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is verklaard.

  • 2. Het college kan de beslistermijnen eenmaal met ten hoogste zes weken verlengen. Dit besluit wordt bekendgemaakt binnen de beslistermijn.

  • 3. Tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking deelt het college het besluit mee op dezelfde wijze als het heeft kennisgegeven van de aanvraag.

Artikel 6.5 Voorschriften en beperkingen
  • 1. Aan een omgevingsvergunning kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de omgevingsvergunning is vereist.

  • 2. Een omgevingsvergunning geldt voor eenieder die het project uitvoert waarop zij betrekking heeft. De vergunninghouder draagt ervoor zorg dat de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften worden nageleefd.

Artikel 6.6 Algemene wijzigings- en intrekkingsgronden
  • 1. Het college kan de omgevingsvergunning in ieder geval wijzigen of intrekken indien:

    • a.

      de omgevingsvergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend;

    • b.

      veranderde omstandigheden, feiten of inzichten met betrekking tot de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, zich tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van die activiteit verzetten;

    • c.

      de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nageleefd;

    • d.

      de voor de houder van de omgevingsvergunning geldende algemene regels niet zijn of worden nageleefd;

    • e.

      van de omgevingsvergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn of, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn;

    • f.

      aannemelijk is dat de werkelijke situatie afwijkt van de vergunde situatie; of

    • g.

      de vergunninghouder dit verzoekt.

  • 2. Het college kan de omgevingsvergunning in ieder geval intrekken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

Artikel 6.7 Omgevingsvergunning voor onbepaalde tijd
  • 1. Een omgevingsvergunning als bedoeld in deze verordening geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de omgevingsvergunning anders is bepaald of de aard van de omgevingsvergunning of ontheffing zich daartegen verzet.

  • 2. De aard van de omgevingsvergunning verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal omgevingsvergunningen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare omgevingsvergunningen overtreft.

Artikel 6.8 Algemene weigeringsgronden
  • 1. Het college weigert een omgevingsvergunning in ieder geval:

    • a.

      Indien de te vergunnen activiteit in strijd zou zijn met het bepaalde in deze verordening of een andere wettelijke regeling;

    • b.

      In het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

  • 3. Het college kan een omgevingsvergunning in ieder geval weigeren indien:

    • a.

      dat naar hun oordeel nodig is in het belang van een veilige, gezonde fysieke leefomgeving, de bescherming van het milieu of het genoemde doel in de van toepassing zijnde paragraaf;

    • b.

      dat naar hun oordeel nodig is met het oog op het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften;

    • c.

      niet wordt voldaan aan bij of krachtens deze verordening gesteld vereisten om voor de omgevingsvergunning in aanmerking te komen;

    • d.

      de aanvraag te kort voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor redelijkerwijs een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is;

    • e.

      indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

    • f.

      het belang van de voorkoming of beperking van overlast of gevaar voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak zich hier tegen verzet.

Artikel 6.9 Inwerkingtreding omgevingsvergunning
  • 1. Een omgevingsvergunning treedt in werking met ingang van de dag na de dag waarop:

    • a.

      het besluit is bekendgemaakt, of

    • b.

      als het besluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht: het besluit overeenkomstig artikel 3:44, eerste lid, onder a, van die wet ter inzage is gelegd.

  • 2. In afwijking van het eerste lid bepaalt het college in de omgevingsvergunning dat die in werking treedt met ingang van de dag waarop vier weken zijn verstreken sinds de dag van bekendmaking of terinzagelegging als naar zijn oordeel:

    • a.

      het verrichten van de activiteit die de omgevingsvergunning mogelijk maakt binnen die vier weken kan leiden tot een wijziging van een bestaande toestand die niet kan worden hersteld, en

    • b.

      de regels over het verlenen van de omgevingsvergunning ertoe strekken die bestaande toestand te beschermen.

  • 3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen gevallen van activiteiten worden aangewezen, waarin het college in ieder geval toepassing geeft aan het tweede lid.

  • 4. Als binnen de termijn, bedoeld in het tweede lid, bij de bevoegde rechter een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, treedt de omgevingsvergunning niet in werking voordat op het verzoek is beslist. Belanghebbenden die door de opschorting rechtstreeks in hun belang worden getroffen, kunnen de voorzieningenrechter verzoeken de opschorting op te heffen of te wijzigen.

  • 5. Als het eerder in werking treden van een omgevingsvergunning volgens het college vanwege spoedeisende omstandigheden nodig is, kan het in afwijking van het tweede lid bepalen dat het besluit eerder in werking treedt en het vierde lid niet van toepassing is.

  • 6. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een besluit tot wijziging van de voorschriften van een omgevingsvergunning of tot intrekking van een omgevingsvergunning.

Afdeling 6.2 Voorbereiding van besluiten

Artikel 6.10 Voorbescherming
  • 1. De artikelen 3.3, 3.4, 3.5 en 3.10 tot en met 3.12 zijn van overeenkomstige toepassing op het monument of archeologisch monument ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 2.1 is bekendgemaakt.

  • 2. De voorbescherming, bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister of op het moment waarop het aanwijzingsbesluit wordt herroepen of door de bestuursrechter wordt vernietigd.

Afdeling 6.3 Adviescommissie

§ 6.3.1

Commissie Ruimtelijke Kwaliteit Zuidplas

Artikel 6.11 Advisering Commissie Ruimtelijke Kwaliteit Zuidplas
  • 1. De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit heeft als taak de raad en het college te adviseren bij de uitoefening van hun taken en bevoegdheden op grond van de Omgevingswet met het oog op het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit en al hetgeen daarmee verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn.

  • 2. De advisering over het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit is opgedragen aan de Stichting Dorp, Stad en Land, Adviseurs Ruimtelijke Kwaliteit (hierna te noemen Dorp, Stad & Land), die uit haar midden personen voordraagt als lid van de welstandscommissie, hierna te noemen: Commissie Ruimtelijke Kwaliteit.

  • 3. De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit adviseert over de welstandsaspecten van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen.

  • 4. De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit baseert haar advies op de in de gemeentelijke welstandsnota genoemde welstandscriteria.

  • 5. Ter uitvoering van haar taak:

    • a.

      adviseert de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit op verzoek van het college over een aanvraag om of een ontwerpbesluit voor een omgevingsvergunning voor:

      • 1.

        een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een monument;

      • 2.

        een activiteit die betrekking heeft op een voorbeschermd gemeentelijk monument of een gemeentelijk monument;

      • 3.

        een activiteit in geval de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit als adviseur is aangewezen;

      • 4.

        een activiteit die betrekking heeft op een beschermd dorpsgezicht;

      • 5.

        een andere activiteit in geval het college een advies nodig achten met het oog op het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit;

    • b.

      adviseert de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit op verzoek van het college over het door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aanwijzen van een onroerende zaak als rijksmonument ingevolge artikel 3.1, eerste lid, van de Erfgoedwet of over het aan een locatie geven van de functie-aanduiding gemeentelijk monument op grond van artikel 4.2, eerste lid, van de Omgevingswet;

    • c.

      adviseert de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit over de welstandsaspecten van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen.

    • d.

      de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit baseert haar advies op de in de gemeentelijke welstandsnota genoemde welstandscriteria.

    • e.

      adviseert de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit op verzoek van het college of uit eigen beweging over het ontwikkelen van beleid inclusief omgevingsvisie, omgevingsplan en maatwerkregels voor de omgevingskwaliteit;

    • f.

      adviseert de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit op verzoek van het college in een geval waarin het college een advies nodig achten in verband met een verkenning van een mogelijk bestaande of toekomstige opgave in de fysieke leefomgeving;

    • g.

      informeert en begeleidt de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit op verzoek van het college planindieners en ontwerpers gedurende het ontwerpproces;

    • h.

      voert de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit op verzoek van het college vooroverleg met planindieners over een in te dienen aanvraag om een omgevingsvergunning;

    • i.

      adviseert de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit op verzoek van het college over:

      • 1.

        het stellen van maatwerkvoorschriften in verband met het uiterlijk van bouwwerken, de zorg voor cultureel erfgoed en werelderfgoed en andere zaken die de omgevingskwaliteit betreffen;

    • j.

      adviseert de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit op verzoek van het college over het geven van beschikkingen op grond van regels in deze verordening en regels in verordeningen op grond van artikel 149 van de Gemeentewet die een eis ten aanzien van de omgevingskwaliteit bevatten.

§ 6.3.2

Aanwijzing van besluiten waarover verplicht advies moet worden gevraagd

Artikel 6.12 Verplichte advisering

Het college wint advies van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit in omtrent een te nemen beslissing als bedoeld in artikel 6.11, vijfde lid, onder a, onderdelen 1 ̊tot en met 3 ̊, en onder b.

§ 6.3.3

Samenstelling en inrichting

Artikel 6.13 Samenstelling van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit
  • 1. De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit bestaat ten minste uit vijf leden, waaronder een voorzitter en een secretaris.

  • 2. De leden en de plaatsvervangers worden benoemd op persoonlijke titel op grond van de professionele deskundigheid die nodig is voor de advisering, alsmede op grond van maatschappelijke kennis en ervaring.

  • 3. Indien een lid van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit verhinderd is, draagt Dorp, Stad & Land zorg voor een plaatsvervanger met vergelijkbare deskundigheid op het gebied van stedenbouw, architectuur, Landschap met historische kennis, restauratiearchitectuur, ruimtelijke kwaliteit dan wel cultuurhistorie. Indien een lid benoemd is dat niet verbonden is aan Dorp, Stad & Land, draagt het college zelf zorg voor plaatsvervanging.

  • 4. De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit telt enkele leden deskundig op het gebied van de monumentenzorg;

  • 5. De disciplines die de leden in gezamenlijkheid vertegenwoordigen zijn:

    • a.

      Stedenbouw;

    • b.

      Architectuur;

    • c.

      Landschap met kennis van de historie;

    • d.

      Restauratiearchitectuur;

    • e.

      Cultuurhistorie.

Artikel 6.14 Benoeming
  • 1. De leden en de plaatsvervangers kunnen voor een termijn van ten hoogste 3 jaar worden benoemd.

  • 2. Herbenoeming van leden kan eenmaal voor ten hoogste 3 jaar plaatsvinden. Dit is niet van toepassing op de plaatsvervangers.

  • 3. Afgetreden leden zijn 10 jaar na hun aftreden weer benoembaar.

  • 4. De leden worden op eigen aanvraag ontslagen. Zij kunnen voorts door het college wordt geschorst en door de raad worden ontslagen wegens ongeschiktheid, onbekwaamheid of op andere zwaarwegende gronden.

Artikel 6.15 Ondersteuning van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit
  • 1.

    De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit heeft een ambtelijk secretaris.

  • 2.

    De secretaris is voor zijn werkzaamheden voor de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit uitsluitend verantwoording schuldig aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit.

  • 3.

    De secretaris kan worden ondersteund door andere ambtelijke medewerkers of medewerkers van de Omgevingsdienst Midden-Holland, die voor hun werkzaamheden voor de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit uitsluitend verantwoording schuldig zijn aan de secretaris.

  • 4.

    De secretaris noch de medewerkers zijn lid van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit.

Artikel 6.16 Termijn van advisering
  • 1. De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit brengt het advies over de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen uit binnen twee weken nadat door of namens het college daarom is verzocht.

  • 2. De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit brengt het advies over de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen, indien deze omgevingsvergunning betrekking heeft op een deel van een project of wanneer het een gefaseerde aanvraag betreft, uit binnen twee weken nadat door of namens het college daarom is verzocht.

  • 3. Het college kan in hun verzoek om advies de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit een langere termijn dan genoemd in de bovengenoemde leden van dit artikel geven voor het uitbrengen van het advies. Een langere termijn kan door het college worden gegeven indien de termijn van afdoening van de aanvraag is verlengd met toepassing van artikel 3.9, tweede lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Artikel 6.17 Beraadslaging en standpuntbepaling
  • 1. De vergaderingen waarin een of meer adviezen over aanvragen om omgevingsvergunning door of namens de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit worden vastgesteld zijn openbaar. De agenda voor de vergadering van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit wordt tijdig op een geschikte wijze bekendgemaakt. Indien het college – al dan niet op verzoek van de aanvrager – een verzoek doet tot niet-openbare behandeling, dan dient het college daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen.

  • 2. De aanvrager van de omgevingsvergunning of zijn gemachtigde heeft de mogelijkheid tot toelichting van de aanvraag ten overstaan van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. Tijdens de beraadslagingen is er geen spreekrecht.

  • 3. Belanghebbenden hebben in toelichtende zin spreekrecht. Het reglement van orde van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit voorziet in een procedurele opzet, waarbij er een onderscheid wordt aangebracht in de toelichtende fase en de beraadslagingen.

  • 4. Over de uit te brengen adviezen wordt niet besloten dan in aanwezigheid van ten minste twee leden. Over een advies over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een monument wordt niet besloten dan in aanwezigheid van ten minste twee leden met deskundigheid op het gebied van de monumentenzorg.

  • 5. Leden die als opdrachtgever, ontwerper of anderszins betrokken zijn bij de uitvoering van een activiteit waarvoor een aanvraag is gedaan waarover de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit adviseert, onthouden zich van medewerking aan het desbetreffende advies en zijn tijdens de behandeling van en de besluitvorming over het advies niet in de vergadering aanwezig.

  • 6. De geheimhoudingsplicht als bedoeld in artikel 2:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit en de daarvoor werkzame personen.

Artikel 6.18 Afdoening onder verantwoordelijkheid van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit
  • 1. De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit kan onverminderd het bepaalde in artikel 6.11, derde lid, de advisering over een aanvraag om een omgevingsvergunning of over de voorbereiding van een andere beschikking onder verantwoordelijkheid van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit overlaten aan een of meer daartoe aangewezen leden.

  • 2. In geval van twijfel wordt het bouwplan alsnog voorgelegd aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit.

Artikel 6.19 Adviseurs
  • 1. De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit kan zich voor het inwinnen van inlichtingen wenden tot daartoe door het college aangewezen ambtenaren.

  • 2. De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit kan zich doen bijstaan door andere personen, voor zover dat voor de vervulling van haar taak nodig is.

  • 3. De in het eerste en tweede lid bedoelde personen kunnen op uitnodiging van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit als adviseur deelnemen aan de beraadslagingen.

Artikel 6.20 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht
  • 1. De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit adviseert en motiveert haar advies schriftelijk.

  • 2. Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens het college gevoegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen.

Artikel 6.21 Verwerking van het advies

In geval het college een beschikking geeft in afwijking van het door de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit uitgebrachte advies verzenden zij een afschrift van die beschikking aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit.

§ 6.3.4

Werkwijze

Artikel 6.22 Reglement van orde
  • 1. De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit stelt haar werkwijze binnen de kaders van deze verordening nader vast in een reglement van orde.

  • 2. In het reglement van orde komt ten minste aan de orde:

    • a.

      de werkwijze bij de advisering zoals genoemd in artikel 6.11, vijfde lid, onder b, respectievelijk onder c;

    • b.

      de inrichting van het vooroverleg zoals genoemd in artikel 6.11, vijfde lid, onder f;

    • c.

      de wijze waarop de agenda openbaar wordt gemaakt en belanghebbenden worden uitgenodigd;

    • d.

      het vereiste quorum voor een besluitvormende vergadering, de vergaderorde en orde van de beraadslaging, waarbij er een onderscheid wordt aangebracht tussen de toelichtende fase waarin het spreekrecht wordt uitgeoefend en de beraadslagingen;

    • e.

      de notulering en dossiervorming;

    • f.

      de wijze waarop de adviezen openbaar worden gemaakt;

    • g.

      de instelling van subcommissies;

    • h.

      de werkwijze bij afdoening onder verantwoordelijkheid van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit als bedoeld in artikel 6.18;

    • i.

      de selectie en voordracht van kandidaat-leden.

  • 3. Het college draagt zorg voor bekendmaking van het door de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit vastgestelde reglement van orde in het gemeenteblad.

Artikel 6.23 Relatie met andere adviseurs

Bij het aanstellen van een supervisor, een kwaliteitsteam of een andere adviseur op het gebied van de omgevingskwaliteit, niet zijnde een lid of een adviseur van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit draagt het college zorg voor een goede afstemming tussen de werkzaamheden van deze adviseur en de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit.

§ 6.3.5

Jaarverslag

Artikel 6.24 Jaarlijkse verantwoording
  • 1. De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin tenminste aan de orde komt:

    • a.

      op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de welstandsnota;

    • b.

      op welke wijze toepassing is gegeven de kaders als bedoeld in artikel 17.9, derde lid, van de Omgevingswet;

    • c.

      de werkwijze van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit;

    • d.

      op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van vergaderen;

    • e.

      de aard van de beoordeelde plannen;

    • f.

      de bijzondere projecten.

  • 2. De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en de aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het bijzonder.

Afdeling 6.4 Overige procesregels

§ 6.4.1

Beschermd rijksmonument

Artikel 6.25 Vergunning voor beschermd rijksmonument
  • 1. Het college zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een beschermd rijksmonument aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit.

  • 2. De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit adviseert schriftelijk over de aanvraag binnen zes weken na de datum van verzending van het afschrift.

§ 6.4.2

Gemeentelijk erfgoed

Artikel 6.26 Gemeentelijk erfgoedregister
  • 1. Het college houdt een door eenieder te raadplegen gemeentelijk erfgoedregister bij van krachtens deze verordening onherroepelijk aangewezen cultureel erfgoed.

  • 2. Het gemeentelijk erfgoedregister bevat:

    • a.

      gegevens over de inschrijving en kadastergegevens ter identificatie van aangewezen gemeentelijk monumenten, archeologische monumenten, beeldbepalend erfgoeden beschermde dorpsgezichten.

    • b.

      gegevens over door het college van de minister ontvangen afschriften van de inschrijving van een rijksmonument in het rijksmonumentenregister als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, van de Erfgoedwet.

§ 6.4.3

Bomen en houtopstanden

Artikel 6.27 Monumentale- en waardevolle bomen - Zuidplas lijst
  • 1. Het college stelt de aanwijsregels voor waardevolle bomen vast.

  • 2. De in lid 1 benoemde aanwijsregels worden gebruikt om de Monumentale- en waardevolle bomen - Zuidplas lijst op te stellen. Het college stelt elke negen jaar de Monumentale- en waardevolle bomen - Zuidplas lijst vast. Voor de op de lijst opgenomen houtopstanden worden ten minste een omschrijving, de standplaats, het kadastrale perceelnummer, de zakelijk gerechtigden en de reden voor plaatsing op de lijst vermeld.

Afdeling 6.5 Planschade

§ 6.5.1.

Aanvraag om tegemoetkoming in planschade

Artikel 6.28 Indiening van de aanvraag en de mededeling van ontvangst
  • 1. Een aanvraag om tegemoetkoming in schade als bedoeld in artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening wordt bij het college ingediend met gebruikmaking van een door het college vastgesteld formulier.

  • 2. Het college tekent de datum van ontvangst onverwijld aan op het formulier en zendt de aanvrager onverwijld een bewijs van ontvangst, waarin die datum is vermeld.

§ 6.5.2.

Adviescommissie Planschade

Artikel 6.29 Opdrachtverstrekking

Binnen twaalf weken na het verstrijken van de termijnen als bedoeld in artikel 6.1.3.1 van het Besluit ruimtelijke ordening verstrekt het college aan één of meerdere adviseurs gezamenlijk, opdracht om ter zake van een aanvraag advies uit te brengen, tenzij toepassing wordt gegeven aan artikel 6.1.3.1 van het Besluit ruimtelijke ordening of aan artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 6.30 Adviseur of adviescommissie
  • 1. Voor de advisering over de op de aanvraag te nemen beschikking wordt door het college een adviseur aangewezen die beschikt over voldoende deskundigheid inzake advisering op het gebied van planschade.

  • 2. Indien het college, na advies te hebben ingewonnen van de in het eerste lid bedoelde adviseur, van oordeel is dat de aanvraag betrekking heeft op planschade vanwege inkomensderving en er, gezien de complexiteit, aard en omvang van de aanvraag, behoefte bestaat aan extra deskundigheid wordt door het college een tweede adviseur aangewezen die deskundig is op het gebied van accountancy of van financieel economische bedrijfsvoering.

  • 3. Indien het college, na advies te hebben ingewonnen van de in het eerste lid bedoelde adviseur, van oordeel is dat de aanvraag betrekking heeft op planschade vanwege waardevermindering van een onroerende zaak en er, gezien de complexiteit, aard en omvang van de aanvraag, behoefte bestaat aan extra deskundigheid wordt door het college een tweede adviseur aangewezen die deskundig is ter zake van de waardering van onroerende zaken en van waardevermindering daarvan als gevolg van een planologische verslechtering.

  • 4. Indien naar het oordeel van het college het tweede en het derde lid van toepassing is, worden zowel de in het tweede als het derde lid bedoelde adviseurs aangewezen.

  • 5. Bij aanwijzing van meerdere adviseurs vormen deze een adviescommissie, waarvan de in het eerste lid bedoelde adviseur voorzitter is.

  • 6. De adviescommissie wijst uit haar midden een rapporteur aan.

Artikel 6.31 Deskundigheid en onafhankelijkheid
  • 1. Voordat een persoon als adviseur wordt aangewezen, kan het college verlangen dat deze aantoont op grond van opleiding en ervaring deskundig te zijn met betrekking tot de in artikel 6.30, eerste, tweede of derde lid, bedoelde aspecten waarop deze persoon de aanvraag moet beoordelen.

  • 2. Een adviseur mag niet werkzaam zijn onder verantwoordelijk van de raad of het college. Evenmin mag een adviseur betrokken zijn bij de planologische maatregel waarop de aanvraag betrekking heeft.

Artikel 6.32 Betrokkenheid aanvrager en andere belanghebbenden bij aanwijzing adviseur of adviescommissie
  • 1.

    Voordat het college de opdracht tot advisering zoals bedoeld in artikel 6.29 verstrekt, stelt het college de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen, alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening schriftelijk op de hoogte van de aanwijzing van:

    • a.

      een adviseur als bedoeld in artikel 6.30, eerste lid, of

    • b.

      meerdere adviseurs als bedoeld in artikel 6.30, vijfde lid.

  • 2.

    De aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen, alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening kunnen binnen twee weken na de mededeling als bedoeld in het eerste lid schriftelijk en voldoende gemotiveerd een verzoek tot wraking van één of meerdere adviseurs bij het college indienen.

  • 3.

    Het college beslist binnen twee weken na het verstrijken van de in het tweede lid bedoelde termijn over een ingediend verzoek tot wraking van één of meerdere adviseurs.

Artikel 6.33 Werkwijze adviseur of adviescommissie
  • 1. Het college stelt aan de adviseur of de adviescommissie alle op de aanvraag betrekking hebbende informatie, alsmede de voor de beoordeling daarvan naar het oordeel van de adviseur of van de adviescommissie noodzakelijke bescheiden ter beschikking.

  • 2. Het college wijst uit de ambtelijke organisatie één of meer personen aan die de adviseur of de adviescommissie bij de uitvoering van de adviesopdracht bijstaat.

  • 3. De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie organiseert één of meerdere hoorzittingen, waar de aanvrager en de in het tweede lid bedoelde ambtelijke vertegenwoordiger(s) in de gelegenheid worden gesteld de aanvraag toe te lichten, onderscheidenlijk de voor de advisering over de aanvraag relevante informatie te verschaffen, dan wel een standpunt van de gemeente over de aanvraag aan de adviseur of de adviescommissie kenbaar te maken. Eventuele andere betrokken bestuursorganen, alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening worden eveneens in de gelegenheid gesteld hun standpunt kenbaar te maken.

  • 4. De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie bepaalt het tijdstip waarop de adviseur of de adviescommissie de situatie ter plaatse zal bezichtigen en nodigt de aanvrager voor de plaatsopneming uit.

  • 5. Ten behoeve van een taxatie van een bij de aanvraag betrokken onroerende zaak, wordt door de adviseur of de voorzitter van de adviescommissie met de aanvrager een afspraak gemaakt.

  • 6. Van de in het derde lid bedoelde hoorzitting en van de in het vierde lid bedoelde bezichtiging wordt door, dan wel onder verantwoordelijkheid van, de adviseur of de voorzitter van de adviescommissie een verslag gemaakt, dat onderdeel vormt van het uit te brengen advies.

  • 7. Alvorens een advies uit te brengen zendt de adviseur of de adviescommissie binnen zestien weken na de dagtekening van de opdracht tot advisering een concept daarvan aan het college, aan de aanvrager, aan eventuele andere betrokken bestuursorganen en aan de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening. De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie kan deze termijn onder opgaaf van redenen met een daarbij aan te geven termijn met ten hoogste vier weken verlengen.

  • 8. De aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening worden in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na de toezending van het concept advies schriftelijk hierop te reageren.

  • 9. In het geval tijdig reacties zijn ingediend, brengt de adviseur of de adviescommissie binnen vier weken na het verstrijken van de in het achtste lid bedoelde termijn een advies uit aan het college, waarbij de betreffende reacties zijn betrokken.

  • 10. In het geval geen of niet tijdig reacties zijn ingediend, brengt de adviseur of de adviescommissie binnen twee weken na het verstrijken van de in het achtste lid bedoelde termijn een advies uit aan het college.

§ 6.5.3.

Beschikking advies planschade

Artikel 6.34 Beschikking van het college
  • 1. Het college beslist binnen acht weken na ontvangst van het advies op het verzoek en maakt dit besluit binnen deze termijn bekend aan de aanvrager.

  • 2. Het college kan de in het eerste lid bedoelde beslissing, onder opgaaf van redenen, eenmaal voor ten hoogste vier weken verdagen.

Hoofdstuk 7 Handhaving

Afdeling 7.1 Strafbepalingen

Artikel 7.1 Strafbepaling

Overtreding van de in deze verordening opgenomen artikelen en de op grond van artikel 1:9 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.

Afdeling 7.2 Aanwijzing toezichthouders

Artikel 7.2 Toezichthouders

Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde zijn belast:

  • a.

    de buitengewone opsporingsambtenaren als bedoeld in artikel 142 Wetboek van Strafvordering, die in dienst en/of werkzaam zijn in opdracht van de gemeente Zuidplas

  • b.

    de buitengewone opsporingsambtenaren van Staatsbosbeheer die werkzaam zijn binnen een territoriaal onderdeel dat (een deel van) de gemeente Zuidplas omvat

  • c.

    de politieambtenaren van de politie, voor zover zij werkzaam zijn binnen een territoriaal onderdeel dat (een deel van) de gemeente Zuidplas omvat;

  • d.

    de door het college aangewezen personen.

Artikel 7.3 Binnentreden van woningen
  • 1. Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven regels zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning, woonwagen, woonschip of bedrijfsvaartuig zonder toestemming van de bewoner, voor zover hen deze bevoegdheid in het besluit tot aanwijzing is toegekend.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde bevoegdheid wordt in een besluit tot aanwijzing alleen toegekend voor zover het toezicht op de naleving van een bij of krachtens deze verordening gesteld voorschrift dit vereist, gelet op de door dat voorschrift beschermde belangen.

Hoofdstuk 8 Overgangsrecht

Artikel 8.1 Overgangsbepalingen
  • 1. Besluiten genomen bij of krachtens de in artikel 9.1 genoemde verordeningen worden aangemerkt als omgevingsvergunningen krachtens deze verordening.

  • 2. Aanvragen voor omgevingsvergunningen en ontheffingen op het gebied van de fysieke leefomgeving waarop bij de inwerkingtreding van deze verordening nog niet is beslist worden afgehandeld krachtens deze verordening. Aanwijsbesluiten genomen op basis van de Erfgoedverordening worden eveneens aangemerkt als aanwijsbesluiten krachtens deze verordening.

  • 3. Handhavings- en gedoogbesluiten bij of krachtens de in artikel 9.1 genoemde verordeningen worden aangemerkt als handhavings- en gedoogbesluiten genomen krachtens deze verordeningen.

  • 4. Aanwijzingsbesluiten van toezichthouders bij of krachtens de in artikel 9.1 genoemde verordeningen worden aangemerkt als aanwijsbesluiten van toezichthouders genomen krachtens deze verordening.

  • 5. Op bezwaar- en beroepschriften tegen besluiten genomen bij of krachtens de in artikel 9.1 genoemde verordeningen wordt beslist met inachtneming van deze verordening.

  • 6. Indien het college van oordeel is dat een schriftelijke toestemming dan wel reeds verleende omgevingsvergunning als bedoeld in het vierde lid niet voldoet aan de voorschriften bij of krachtens deze verordening kan zij de leidingexploitant een termijn stellen waarbinnen hij het college nadere informatie over de leiding dient te verschaffen of een aanvraag voor een omgevingsvergunning moet indienen, bij gebreke waarvan de schriftelijke toestemming bij een door het college te bepalen tijdstip komt te vervallen.

Hoofdstuk 9 Slotbepalingen

Artikel 9.1 Intrekking verordeningen en vervallen bepalingen
  • 1. De volgende verordeningen worden ingetrokken:

    • a.

      Erfgoedverordening Zuidplas 2010;

    • b.

      Bouwverordening gemeente Zuidplas 2018;

    • c.

      Verordening naamgeving en nummering gemeente Zuidplas;

    • d.

      Parkeerverordening Zuidplas;

    • e.

      Verordening bodemenergiesystemen Zuidplas;

    • f.

      Marktverordening gemeente Zuidplas;

    • g.

      Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade gemeente Zuidplas.

  • 2. De volgende artikelen vervallen:

    • a.

      de artikelen 2:10, 2:10a, 2:11, 2:12, 2:21, 2:22, 2:60, 2:64, 4:2, 4:3, 4:5, 4:6, 4:7, 4:9, 4:13, 4:15, 4:18, 4:20, 5:18, 5:18a, 5:19, 5:20, 5:20a, 5:24, 5:25, 5:26, 5:28, 5:32, 5:33, 5:34, 5:35, 5:36 en 5:37 van de Algemene plaatselijke verordening Zuidplas.

Artikel 9.2 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt met ingang van de dag na de dag van bekendmaking in werking.

Artikel 9.3 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening fysieke leefomgeving Zuidplas.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 23 maart 2021.

de plv. griffier,

J.J.A. van Houwelingen

de voorzitter,

J.F. Weber

Bijlage 1 Bebouwde kom

foto

Bijlage 2 Interferentiegebieden bodemenergiesystemen

foto

Bijlage 3 Technische uitvoeringsaspecten

Technische uitvoeringsvoorschriften voor de nummering

Artikel 1 Wijze van toekenning van nummers

  • 1.

    De wijze van toekenning van de nummers gebeurt overeenkomstig systeem A uit de Nederlandse norm NEN 1773, uitgave 1983.

  • 2.

    De voor de onderscheiden wijken en buurten geldende systemen zijn aangegeven op de bij deze technische uitvoeringsvoorschriften behorende kaart (facultatief).

Artikel 2 Plaatsing van de nummerdragers

Nummerdragers worden aangebracht overeenkomstig het gestelde in de Nederlandse norm NEN

1773, uitgave 1983.

Artikel 3 Afmetingen en vormgeving nummerdragers

  • 1.

    Nummerdragers moeten voldoen aan het gestelde inzake afmetingen en vormgeving in de Nederlandse norm NEN 1774, uitgave 1959.

  • 2.

    Indien niet kan worden voldaan aan het voorschrift van het eerste lid, hebben de nummerdragers een mate van leesbaarheid die ten minste gelijkwaardig is aan wat wordt beoogd met het eerste lid.

Artikel 4 Materiaalkeuze voor de nummerdragers

Het materiaal dat wordt toegepast voor de vervaardiging van al dan niet te verlichten nummerdragers, is in overeenstemming met het over de uitvoering van de dragers gestelde in de Nederlandse norm

NEN 1774, uitgave 1959.

Artikel 5 Voeren oude en nieuwe nummers

Bij het gedurende een jaar naast elkaar gebruiken van de oude naam of het oude nummer naast de nieuwe naam of het nieuwe nummer wordt de oude naam met een streep en het oude nummer met een kruis doorgehaald (facultatief).

Artikel 6 Naamdragers

De naamdragers moeten voldoen aan de gestelde functionele eisen ten aanzien van de afmetingen, de uitvoering, de constructie, de kleursoorten en de lichttechnische eigenschappen van de toegepaste materialen en de plaatsing van naamborden en naamverwijsborden, zoals vervat in de Nederlandse norm NEN 1772, uitgave 1992.

Toelichting bijlage A: technische uitvoeringsvoorschriften

Artikel 1

Lid 1. Ook voor nieuwe wijken of buurten verdient het aanbeveling om een systeem van nummering te

kiezen dat zo veel mogelijk aansluit bij het systeem dat van oudsher in de gemeente gangbaar is. In

de Nederlandse norm 1773 (uitgave: Nederlands Normalisatie-instituut, Delft, herziene uitgave, 1983),

hoofdstuk 3, zijn de in gemeente gangbare systemen van nummering nader gedefinieerd:

  • Systeem A: de hoofdregel van dit systeem houdt in dat de nummers oplopen, gerekend vanuit het centrum van de gemeente (of vanaf het (oude) gemeentehuis),

  • Systeem B: de hoofdregel van dit systeem houdt in dat de nummers oplopen, gerekend van noord naar zuid en van west naar oost,

  • Systeem C: de nummering vindt in dit systeem plaats gerekend vanaf hoofdwegen naar het einde van (doodlopende) zijwegen of woonerven.

Voor elk systeem bevat de norm detailregels voor situaties waarin de hoofdregels niet onverkort toepasbaar zijn, alsmede nadere regels over etagewoningen en dergelijke. Tevens zijn toelichtende tekeningen opgenomen.

Lid 2. De in het onderhavige lid bedoelde plattegrond van de gemeente is slechts vereist indien in de gemeente meer dan één nummersysteem gangbaar is. In dat geval moet immers de aanwijzing van een van de omschreven systemen ten behoeve van een bepaalde wijk of buurt plaatsvinden. Tevens moeten dan de grenzen tussen die wijken of buurten worden gedefinieerd.

Artikel 2

Met het oog op de zichtbaarheid vanaf de openbare weg bevat de Nederlandse norm NEN 1773, hoofdstuk 4, maatvoorschriften voor de plaats van de nummerdragers, gerekend vanaf het maaiveld en de bijbehorende voordeur. Tevens worden regels gegeven voor de verzamel- en verwijsbordjes die nodig zijn bij de ligging van meer dan één woning (of bedrijf) in hetzelfde gebouw, respectievelijk bij de ligging binnen een complex of op grote afstand van de weg.

Lid 1. In de Nederlandse norm NEN 1774 zijn tekeningen voor nummerdragers opgenomen met volledige maatvoering. Uitgegaan is van een hoogte van de cijfers van 88 millimeter. De breedte van de nummerdragers varieert, afhankelijk van het aantal cijfers waaruit een bepaald nummer bestaat. Het opgenomen cijferontwerp is van een schreefloos, op grote afstand leesbaar type.

Lid 2. Bij de beoordeling van een gelijkwaardige leesbaarheid verdient het in elk geval aanbeveling om geen cijfers van een geringere hoogte dan circa 9 cm te accepteren.

Artikel 3

De overigens globaal omschreven uitvoeringseisen in de Nederlandse norm NEN 1774, uitgave 1959, zijn gericht op de keuze van materialen die duurzaam bestand zijn tegen weersinvloeden. Te verlichten nummerdragers bestaan in de regel uit zogenaamde transparanten, waarachter bij duisternis een lampje brandt.

(De bovenstaande tekst is een beschrijving gebaseerd op de in gemeente van oudsher gehanteerde werkwijze die later in NEN-normen zijn neergelegd. Gemeenten worden aangeraden uit te gaan van de genoemde NEN-normen, waarin de voornoemde werkwijze is gecodificeerd. De NEN-bladen zijn verkrijgbaar bij het NEN, Vlinderweg 6, postbus 5059, 2600 GB Delft, telefoon (015) 269 03 90)

Artikel 4

Dit artikel regelt de afmeting en vorm van nummerdragers. De inhoud van dit artikel spreekt voor zich.

Artikel 5

Met het met een streep doorhalen van de oude naam en met een kruis doorhalen van het oude nummer wordt voor eenieder die zoekt op de oude naam of het oude nummer duidelijk dat er een wijziging in de naam of nummer is opgetreden (facultatief).

Artikel 6

Dit artikel regelt de functionele eisen voor naamborden en naam verwijsborden.

Toelichting Verordening Fysieke Leefomgeving

Hoofdstuk 1 Inleiding

Doel Verordening fysieke leefomgeving (VFLO)

Op 1 januari 2022 treedt naar verwachting de Omgevingswet in werking. De Omgevingswet voegt een groot aantal wetten samen en biedt daarmee in de toekomstkansen om nog beter, efficiënter en sneller op alle nieuwe ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving te kunnen inspelen.

Vooruitlopend op de invoering van de Omgevingswet en om de implementatie van de Omgevingswet goed te laten verlopen anticipeert Zuidplas nu vast op de instrumenten van deze Omgevingswet.

De fysieke leefomgeving omvat in ieder geval bouwwerken, infrastructuur, water, watersystemen, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel erfgoed en werelderfgoed, zo blijkt uit de Omgevingswet.

De Omgevingswet heeft als doel het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en het gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Het belangrijkste juridische middel om dit te regelen is straks het omgevingsplan. De gemeente heeft tot en met 2029 de tijd om een omgevingsplan te maken, maar de wet treedt wel inwerking in januari 2022. In deze overgangsperiode (tussen 2022 en 2029 geldt er van rechtswege een ‘tijdelijk’ omgevingsplan.

Het tijdelijke omgevingsplan

Het tijdelijke omgevingsplan bestaat uit drie onderdelen. Ten eerste bruidsschatregels die vanuit het Rijk aan gemeenten worden overgedragen. Ten tweede ruimtelijke regels zoals de huidige bestemmingsplannen en de beheersverordeningen. Ten derde regels uit gemeentelijke verordeningen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving.

In Zuidplas staan deze regels nu verspreid over een aantal lokale verordeningen, zoals Algemene plaatselijke verordening, marktverordening, e.a. Daarom is besloten om één Verordening fysieke leefomgeving (VFLO) te maken waarin alle regels over de fysieke leefomgeving uit de huidige verordeningen worden gebundeld. Deze tussenstap stelt inwoners, bedrijven en medewerkers in staat om op één plek en dus sneller op te zoeken welke regels voor de fysieke leefomgeving gelden.

De regels uit deze verordening worden na de inwerkingtreding van de Omgevingswet verwerkt in het definitieve omgevingsplan.

De Omgevingswet gaat uit van het toedelen van functies aan locaties en het stellen van regels aan activiteiten. De structuur van de verordening is zo gekozen dat gebruikers de toepasbare regels bij inwerkingtreding gemakkelijk kunnen vinden en sluit aan op het casco omgevingsplan van de VNG. Daardoor kan deze verordening uiteindelijk eenvoudig worden verwerkt in het omgevingsplan.

Uitgangspunten opname VFLO

Om uit te maken welke onderwerpen zich lenen voor opname in de verordening voor de fysieke leefomgeving is een driedeling gevolgd waarvoor de volgende uitgangspunten zijn geformuleerd:

  • 1.

    Onderwerpen over de fysieke leefomgeving die plaatsgebonden activiteiten betreffen, moeten worden opgenomen. Denk aan onderwerpen zoals welstand, bouwverordening, erfgoedverordening, bomen en andere delen uit de Algemene plaatselijke verordening.

  • 2.

    Regels over onderwerpen die de (fysieke) leefomgeving betreffen, maar ook een ander motief kennen, kunnen worden opgenomen, maar dat is niet verplicht en waar dit inbreuk zou maken op de taken en bevoegdheden van de burgemeester zelfs niet toegestaan. Andere regels over de (fysieke) leefomgeving die geen plaatsgebonden karakter hebben of regels met een persoonsgebonden of (persoonlijk) gedrag gerelateerd karakter worden evenmin verplicht opgenomen. Maar dat kan in veel gevallen wel.

  • Voorbeelden hiervan zijn de variabele plaatsgebonden regels waarbij de burgemeester niet het bevoegd gezag is (opstelling marktkraam enz.), de persoonsgebonden regels (toewijzing marktplaats op basis van anciënniteit).

  • 3.

    Bij de onderwerpen die niet mogen worden geregeld, kan worden gedacht aan onderwerpen die niet de behartiging van de in de Omgevingswet geformuleerde doelen als motief hebben. Dit gaat om de volgende onderwerpen: regels over de openbare orde (burgemeestersbevoegdheid), feitelijke handelingen, persoonsgebonden regels, gedragsregels en legesbepalingen.

  • Onderwerpen die regulering van het gedrag van personen in de openbare ruimte betreft, die een sterk persoonsgebonden (en niet-zaaksgerelateerd) karakter hebben die mede een motief hebben de openbare orde en veiligheid te beschermen, komen in het algemeen niet in aanmerking om in het omgevingsplan te worden gereguleerd.

Uitgangspunt integratie van verordeningen

Het opnemen of verwerken van een integrale omgevingsverordening in het omgevingsplan is naar verwachting onder de Omgevingswet minder ingrijpend dan het integreren van de huidige sectorale verordeningen. Doel van de integratie is geweest om te komen tot een eenduidige opzet, een goede onderlinge samenhang.

Voordelen van de integratie

Het integreren van de verordeningen tot één verordening heeft ook voordelen. Bij het invoeren van de verschillende verordeningen is gekeken naar de leesbaarheid en toepasbaarheid van de artikelen. Dit omvat het herschrijven van slecht leesbare regels en het logisch ordenen van regels. Deze ordening vindt zijn basis in het casco omgevingsplan van de VNG. Hiermee is de Verordening Fysieke leefomgeving ook geschikt om straks makkelijk op te gaan in het omgevingsplan. Her en der zijn (ondergeschikte) inhoudelijke wijzigingen aangebracht.

De meeste verordeningen en afzonderlijke regels uit de Algemene plaatselijke verordening zijn nog goed te herkennen in de Verordening fysieke leefomgeving. De overige regels uit de Algemene plaatselijke verordening en uit andere verordeningen die geen betrekking hebben op de fysieke leefomgeving horen niet binnen deze verordening en zullen separaat blijven bestaan. Dit gaan om verordeningen en regels die een ander motief hebben zoals openbare orde en veiligheid. Dit is immers ook het criterium dat de Omgevingswet hanteert voor het opnemen van verordenende bepalingen in het omgevingsplan. Onder de Omgevingswet wordt aan de Burgemeester als bestuursorgaan ook geen bevoegdheden toegekend. Regels die burgemeester deze bevoegdheden geeft (bijvoorbeeld evenementen) zijn dan ook niet geïntegreerd in de Verordening fysieke leefomgeving.

Belangrijke gemaakte keuze

Onder de Omgevingswet komt het begrip inrichting als bedoeld in de Wetmilieubeheer en het Activiteitenbesluit te vervallen. Het wordt vervangen door een regulering per milieubelastende activiteit. De rijksregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). WE hebben ervoor gekozen het begrip ‘Inrichting’ in de VFLO nog niet te vervangen omdat de VFLO in werking treedt voor de Omgevingswet. Middels deze keuze zijn we gedurende de overgangsperiode ook juridisch afgedekt. Bij de overgang naar het omgevingsplan zullen we de betreffende artikelen omschrijven naar de juiste milieubelastende activiteiten.

Hoofdstuk 2 Eén verordening fysieke leefomgeving (VFLO)

Om gewenste orde en overzichtelijkheid te scheppen hebben we nu alvast geïnventariseerd welke verordeningen over de fysieke leefomgeving er gelden. De volgende stappen hebben we genomen:

  • inventariseren gemeentelijke verordeningen;

  • analyseren welke regels in het omgevingsplan thuishoren;

  • samenvoegen tot één actuele verordening met regels voor de fysieke leefomgeving.

foto

Bij nadere analyse van alle verordening bleek dat we feitelijk een tweedeling hebben overgehouden, namelijk regels die moeten en regels die niet mogen worden overgenomen.

De volgende verordeningen uit Zuidplas zijn (gedeeltelijk) opgenomen in de Verordening fysieke leefomgeving:

  • -

    Algemene plaatselijke verordening (gedeeltelijk)

  • -

    Markverordening

  • -

    Parkeerverordening

  • -

    Verordening Bodemenergiesystemen Zuidplas

  • -

    Bouwverordening

  • -

    Erfgoedverordening

  • -

    Verordening Naamgeving en nummering

  • -

    “Bomenverordening” 1

  • -

    Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade gemeente Zuidplas

  • -

    Verordening op de gemeentelijke adviescommissie 2

Uit de Algemene Plaatselijke verordening worden delen overgenomen in de Verordening fysieke leefomgeving. Alleen de artikelen die te maken betrekking hebben op de fysieke leefomgeving zijn overgenomen zoals bijvoorbeeld het aanleggen van een uitrit met vergunning.

De Marktverordening is in zijn geheel opgenomen. De artikelen betreffende de standplaatsen zijn samengevoegd met de artikelen over standplaatsen uit de Algemene plaatselijke verordening. Het hoofdstuk met betrekking tot maatregelen van orde op de markt is niet overgenomen, deze worden verplaatst naar het Marktreglement.

De Parkeerverordening gaat over het verlenen van vergunningen voor parkeren binnen een aangewezen gebied. De gebiedsbepaling zorgt ervoor dat dit opgenomen mag worden.

De Verordening Bodemenergiesystemen staan regels met betrekking tot de aanleg van bodemenergiesystemen. Daarbij is er een duidelijk afgekaderd werkingsgebied, extra reden om deze verordening op te nemen in de VFLO.

In de Bouwverordening staan momenteel alleen nog artikelen waarin geregeld wordt dat er getoetst kan worden aan de welstand en het bouwen op/gebruiken van verontreinigde grond. Beide onderwerpen vallen onder fysieke leefomgeving.

De Erfgoedverordening wordt opgenomen in de VFLO. De artikelen zijn gebaseerd op de erfgoedverordening 2010. De regels zijn tekstueel gemoderniseerd zodat deze meer aansluiting vinden bij de geest van de Erfgoedwet, zonder dat deze inhoudelijk zijn aangepast. Alle overige wijzigingen ten opzichte van de Erfgoedverordening 2010 zijn bij de betreffende artikelen aangegeven.

De “Bomenverordening” wordt opgenomen in de VFLO. Tijdens het vaststellen van het bomenbeleidsplan in 2016 is in het plan een voorstel opgenomen voor het aanpassen van de Algemene plaatselijke verordening ten aanzien van het bomenbeleid. Dit is ten onrechte nooit meegenomen tijdens de herziening van de Algemene plaatselijke verordening. De regels worden nu alsnog opgenomen in de VFLO. De huidige regels in de Algemene plaatselijke verordening ten aanzien van bomen voldeden niet meer. Hiermee is deze omissie uit het verleden hersteld.

De Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade gemeente Zuidplas wordt opgenomen in de VFLO. Deze wet gaat over naar de Omgevingswet. De planschadeverordening is een procedureverordening die indirect de fysieke omgeving treft. Om deze reden gaat deze verordening ook in zijn geheel over.

De Verordening op de gemeentelijke adviescommissie wordt opgenomen in de VFLO. In de bouwverordening hebben we reeds een adviescommissie voor Welstandsadvies. De grotere/bredere commissie zet zich in voor de gehele fysieke leefomgeving. De artikelen uit de bouwverordening zijn aangepast naar de bredere commissie.

Voor de volgende verordeningen geldt dat deze (op dit moment) niet worden opgenomen in de VFLO:

  • -

    Afvalstoffenverordening Gemeente Zuidplas

  • -

    Verordening Gemeentelijke Begraafplaatsen gemeente Zuidplas

  • -

    Gebiedsverordening Recreatieschap Rottemeren

  • -

    Algemene verordening Recreatieschap Hitland.

De Afvalstoffenverordening en de Verordening voor de gemeentelijke begraafplaatsen bevatten beiden enkele artikelen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving, maar voor het overgrote deel vooral artikelen die niet opgenomen mogen worden in de VFLO. De keuze is gemaakt om deze verordeningen op het moment nog intact te laten. Bij het maken van het omgevingsplan zal per verordening worden gekeken hoe de regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving op een goede manier in het omgevingsplan verwerkt kunnen worden.

Voor de verordeningen betreffend de recreatieschappen Rottemeren en Hitland geldt dat deze beiden een gemengde regeling betreffen. Dit zijn namelijk verordeningen waarin de bevoegdheden gelegd worden bij het algemeen of dagelijks bestuur van de betreffende recreatieschap in plaats van bij “het college”. Daarnaast gelden deze verordenen voor het gehele gebied. Deze gebieden overstijgen de gemeentegrenzen. Voor Rottemeren zijn dat ook de gemeentes Rotterdam en Lansingerland. Voor Hitland is dat ook de gemeente Capelle aan de IJssel. Vanwege deze grensoverschrijding is het noodzakelijk om met de respectievelijke gemeenten te overleggen hoe we deze verordening gaan integreren in de Omgevingswet. Dit zal de komende maanden plaatsvinden. Hierbij komt de tussenstap van de VFLO te vroeg, en wordt deze opgenomen in het omgevingsplan.

Opzet Verordening fysieke leefomgeving (VFLO)

De Verordening fysieke leefomgeving is ingedeeld in 9 hoofdstukken, met daarbij behorende bijlagen.

Het eerste hoofdstuk bevat inleidende bepalingen. De daaropvolgende hoofdstukken bevatten regelingen voor diverse onderwerpen. Dit varieert van aanwijzingen in de fysieke leefomgeving en activiteiten in de openbare ruimte. Deze specifieke onderwerpen, zoals erfgoed, tot meer algemene regelingen, bijvoorbeeld voor 'omgevingshinder' in brede zin zijn gegroepeerd naar onderwerp, passend bij de opzet van de Omgevingswet en het omgevingsplan.

Het laatste hoofdstukken is algemeen en gelden in samenhang met elk afzonderlijk hoofdstuk. Deze hoofdstukken bevatten procedureregels en straf-, overgangs- en slotregels.

Uitgangspunt bij het opstellen van de verordening is om de regels die de te integreren verordeningen gemeen hebben (bijvoorbeeld regels over beslistermijnen en toezicht), te bundelen in één van de algemene hoofdstukken. Toch was het niet mogelijk om alle procedurele bepalingen bij elkaar te zetten. Sommige verordeningen bevatten regelingen die zo specifiek waren (bijvoorbeeld een afwijkende beslistermijn) dat ze zich niet leenden voor opname in de algemene regel. In die gevallen is de specifieke procedurele regel gehandhaafd in het inhoudelijke hoofdstuk.

Onderdeel van deze toelichting is een transpositietabel waarin wordt aangegeven wat de basis van het artikel is in de oorspronkelijke verordening.

Deze toelichting is zo opgebouwd dat bij de toelichting van een artikel eerst wordt ingegaan op de aanpassingen ten opzichte van de voormalige bepaling. Voor alle aanpassingen geldt dat deze geen inhoudelijke wijzigingen tot gevolg hebben. Per artikel volgt vervolgens de toelichting uit de oorspronkelijke verordening (mits beschikbaar). Bij nieuwe artikelen is tevens een toelichting op de werking van het artikel opgenomen.

Hoofdstuk 3 Artikelsgewijze Toelichting

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

In dit hoofdstuk zijn de algemene regels opgenomen ten aanzien van de werking van deze verordening. Waar mogelijk zijn van alle verordeningen de algemene regels samengevoegd daar waar de werking gelijk was. Uitzonderingen hierop zijn in deze verordening opgenomen bij de betreffende artikelen.

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

De begrippen uit de verschillende verordeningen zijn samengebracht in dit artikel. Voor zover dat nodig was zijnde verschillende begrippen op elkaar en de Omgevingswet afgestemd.

Onderstaande begrippen zijn aangepast of behoeven nog nadere uitleg:

Belanghebbendestandplaats

Toelichting

Het begrip standplaats kwam voor in de Algemene plaatselijke verordening, marktverordening en de parkeerverordening. Om het een en ander te verduidelijken zijn de begrippen hernoemd naar belanghebbendestandplaats en marktstandplaats.

Bouwwerk

Toelichting

Het begrip bouwwerk verwees naar de bouwverordening die komt te vervallen. Voor het nieuwe begrip is aangesloten bij de Omgevingswet in verband met de wettelijke verplichting straks voor het gebruiken van begrippen die gedefinieerd zijn binnen de Omgevingswet.

Gebouw

Toelichting

Het begrip gebouw verwees naar de woningwet die komt te vervallen. Voor het nieuwe begrip is aangesloten bij de Omgevingswet. Het begrip bouwwerk wordt gedefinieerd binnen het Besluit Bouwwerken Leefomgeving. Advies is om bij gebruik in het omgevingsplan een begrip uit de AMvB van overeenkomstige toepassing te verklaren op het omgevingsplan.

Inrichting

Toelichting

Het woord besluit is aangepast naar Activiteitenbesluit. Tevens is type C bedrijven toegevoegd.

Markt

Toelichting

De verwijzingen naar andere artikelen is geactualiseerd op basis van de VFLO.

Marktstandplaats

Toelichting

Het begrip standplaats kwam voor in de Algemene plaatselijke verordening, marktverordening en de parkeerverordening. Om het een en ander te verduidelijken zijn de begrippen hernoemd naar belanghebbendestandplaats en marktstandplaats.

Marktterrein

Toelichting

De verwijzingen naar andere artikelen is geactualiseerd op basis van de VFLO.

Omgevingsvergunning parkeren

Toelichting

Het begrip vergunning komt voor in alle verordeningen. De meeste vergunningen zijn conform de Omgevingswet hernoemd naar omgevingsvergunning. Voor het belanghebbenden parkeren is ter verduidelijking opgenomen dat het hier gaat om een omgevingsvergunning parkeren.

Rechthebbende

Toelichting

De definitie van rechthebbende kwam voor in de Algemene plaatselijke verordening en de Verordening Naamgeving en nummering. Omdat beide begrippen nagenoeg gelijk waren is voor de leesbaarheid gekozen om aan te sluiten bij het begrip uit de Algemene plaatselijke verordening

Standwerkerplaats

Toelichting

Het begrip standplaats kwam voor in de Algemene plaatselijke verordening, marktverordening en de parkeerverordening. Om het een en ander te verduidelijken zijn de begrippen hernoemd. Dit betekent dat standplaats in dit begrip hernoemd is naar marktstandplaats.

Vaste plaats

Toelichting

Het begrip standplaats kwam voor in de Algemene plaatselijke verordening, marktverordening en de parkeerverordening. Om het een en ander te verduidelijken zijn de begrippen hernoemd. Dit betekent dat standplaats in dit begrip hernoemd is naar marktstandplaats.

Vergunninghouder

Toelichting

Het begrip vergunninghouder komt voor in de Algemene plaatselijke verordening, de marktverordening en de Parkeerverordening. Alleen in de Marktverordening wordt het begrip daadwerkelijk gedefinieerd. Daarmee voldeed de definitie van de Marktverordening niet voor deze verordening. Er is gekozen voor een algemene definitie die past bij alle verordeningen.

Weg

Toelichting

Voor het nieuwe begrip is aangesloten bij de Omgevingswet in verband met de wettelijke verplichting straks voor het gebruiken van begrippen die gedefinieerd zijn binnen de Omgevingswet.

Artikel 1.2 Bevoegd gezag

Dit is een nieuw artikel, waarin voor alle besluiten op grond van deze verordening, zoals omgevingsvergunningen, wordt bepaald dat het college gezag is. Dit geldt bijvoorbeeld voor het verlenen van omgevingsvergunningen, maar ook voor het wijzigen en intrekken daarvan. In de oorspronkelijke verordeningen was het college ook bevoegd gezag.

Artikel 1.3 Doel Verordening fysieke leefomgeving

Dit is een nieuw artikel, waarin toegelicht wordt wat het doel van deze verordening is. Tevens wordt de relatie met de nieuwe Omgevingswet en het toepassingsbereik uitgelegd. Deze is hetzelfde als bij de Omgevingswet.

Artikel 1.4 Oogmerken

Dit is een nieuw artikel waarin de oogmerken van deze afdeling ter introductie worden benoemd. Oogmerken komen namelijk ook regelmatig terug in de Omgevingswet. De oogmerken zijn opgenomen als beoordelingsgronden voor het verlenen van de omgevingsvergunning. De verordening ziet daarmee dus ook op de bescherming van deze belangen.

Artikel 1.5 Toepassingsbereik

Dit is een nieuw artikel, waarin het toepassingsbereik van de verordening wordt vastgesteld. Hiermee wordt deze verordening van toepassing verklaard op het gehele grondgebied van de gemeente.

Hoofdstuk 2 Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving

Algemeen

In dit hoofdstuk zijn de regels betreffende aanwijzingen in de fysieke leefomgeving opgenomen uit de verordeningen waarop deze verordening is gebaseerd. Aanwijzingen op basis van dit hoofdstuk zorgen ervoor dat regels uit hoofdstuk 3 van kracht zijn op bepaalde gebieden.

Afdeling 2.1 Aanwijzing en registratie van cultureel erfgoed

§ 2.1.1 Aanwijzing als gemeentelijk monument, beeldbepalend erfgoed of beeldbepalende structuur

Artikel 2.1 (Voornemen tot) Aanwijzing als gemeentelijk (archeologisch) monument

Dit artikel is gebaseerd op artikel 3 van de Erfgoedverordening.

Toelichting

Vierde lid

In de Erfgoedverordening 2010 werd alleen overleg gepleegd met eigenaren van kerkelijke monumenten. Vanwege het belang van goede communicatie zal in de toekomst met alle eigenaren overleg worden gepleegd over het voornemen tot aanwijzing van een monument. Dit geldt naast de algemene regel van artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht op grond waarvan belanghebbenden zoals eigenaren moeten worden gehoord.

Oorspronkelijke toelichting

De aanwijzing tot gemeentelijk monument en het plaatsen op de monumentenlijst zijn twee zaken met verschillend rechtsgevolg. De aanwijzing heeft rechtsgevolg, het daarna registreren op de gemeentelijke monumentenlijst is slechts een administratieve handeling. Het besluit tot aanwijzing is een discretionaire bevoegdheid van het college. Na afweging van alle betrokken belangen kan tot aanwijzing worden besloten. De afweging van de belangen van de rechthebbende ten opzichte van de te beschermen monumentale waarden moet uitdrukkelijk gemotiveerd in het besluit naar voren komen (de redengeving). De aanwijzing geeft geen recht op schadevergoeding. De aanwijzing verandert immers over het algemeen niets aan het bestaande gebruik van het monument. Een aanwijzing heeft echter wel gevolgen voor de mogelijkheden wat betreft het toekomstige gebruik van een monumentaal object. Immers, de monumentaal aangewezen onderdelen mogen slechts met een vergunning (zie art. 10, tweede lid) of slechts op grond van de nadere regels (zie art. 10, derde lid) worden gewijzigd. Het wijzigen van niet-monumentale onderdelen is alleen vergunningvrij wanneer ook geen omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist. Om deze, weliswaar toekomstige, last voor de burger in te perken, dient bij de aanwijzing in de redengevende omschrijving zorgvuldig bekeken te worden wat wel en wat niet van het object tot monumentaal beschermingswaardig onderdeel wordt aangewezen en voor welk deel een vergunningplicht achterwege kan blijven. Mogelijke afweging kan zijn om alleen de vanuit openbare ruimten zichtbare bijzondere onderdelen tot monument aan te wijzen, zodat bijvoorbeeld voor wijzigingen aan de achterkant en het interieur in dat geval geen omgevingsvergunning voor monumenten is vereist maar bijvoorbeeld alleen een omgevingsvergunning voor het bouwen.

Artikel 2.2 Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit

Toelichting

Eerste lid

In dit lid is de termijn van 8 weken naar 26 weken opgerekt. Het betreft een termijn van orde In de praktijk blijkt dat een beslistermijn van 8 weken vaak niet haalbaar is omdat men zowel een goede inhoudelijke onderbouwing als overleg met de eigenaar wil plegen over het voornemen. Dit leidt tot een verkeerde verwachting bij eigenaren van toekomstige monumenten. De langere termijn doet recht aan een zorgvuldige procedure.

Tweede lid

Dit lid is ingevoegd om de termijn in geval van tegenvallers te kunnen verlengen. Uit jurisprudentie blijkt dat de beslistermijn in het geval van het aanwijzen van een gemeentelijk monument wordt gezien als een termijn van orde. Deze mag dus stilzwijgend verlengd worden zonder gevolgen voor de procedure. Echter om de betrokken eigenaar duidelijkheid te geven over de stand van zaken is dit lid ingevoegd, zodat de eigenaar geïnformeerd blijft en het college ook kan vragen inzage te geven in de proceduretermijnen.

Derde lid

Dit lid is toegevoegd om de omvang van de bescherming voor eigenaren inzichtelijk te maken. Dit artikel is gebaseerd op artikel 7.2 van de Erfgoedverordening 2010.

Oorspronkelijke toelichting

In dit artikel worden de termijnen genoemd waarbinnen de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit moet adviseren (lid 1) en het college een beslissing moet nemen (lid 2). Door de besluitvorming aan een termijn te binden, weten alle belanghebbenden waar ze aan toe zijn. In het kader van de vermindering van administratieve lasten dient goed nagedacht te worden over de specifieke invulling met betrekking tot de duur van de termijnen. Over het algemeen geldt hoe korter de termijnen zijn, des te minder zijn de administratieve lasten voor de burger. Het bepaalde in lid 2 heeft tot gevolg dat, wanneer de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit niet tijdig adviseert, het college de volgende keuze kan maken: zonder advies een beslissing nemen, of besluiten om een (te laat uitgebracht advies als bedoeld in het eerste lid) toch in hun overwegingen te betrekken. Als het college niet tijdig beslist, is op grond van de Algemene wet bestuursrecht sprake van een fictieve weigering. Ingevolge artikel 6:2 staat voor de aanvrager dan de mogelijkheid van bezwaar of administratief beroep open die ook tegen een reëel besluit open zou staan. Het artikel bevat geen bepalingen over bekendmaking van het besluit, omdat de Algemene wet bestuursrecht dat afdoende regelt (afdeling 3.6).

Artikel 2.3 Bekendmaking aanwijzingsbesluit en inschrijving erfgoedregister

Dit artikel betreft een samenvoeging van artikel 6 en 7 van de Erfgoedverordening 2010. Vanwege de samenhang tussen deze twee onderdelen is dat artikel samengevoegd.

Oorspronkelijke toelichting

De ontvangst van de (veelal aangetekende) mededeling (zijnde een afschrift van de inschrijving) van het college is voor alle aan het monumentale object verbonden zakelijk gerechtigden van essentieel belang. De kenbaarheid van de aanwijzing tot monumentaal object is ook te herleiden tot artikel 1, onder a, sub 1 juncto artikel 1, onder b, sub 6 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Daarmee zijn de voorschriften uit deze wet ook van toepassing op een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 6 van deze verordening. Dit artikel regelt overigens niet specifiek dat de aanwijzing wordt bekendgemaakt aan de eigenaar en de aanvrager, omdat de Algemene wet bestuursrecht dat al bepaalt (afdeling 3.6). Indien artikel 4:8 Algemene wet bestuursrecht is toegepast (horen van geadresseerde en derdebelanghebbenden) dan dienen de betrokkenen op grond van het bepaalde in artikel 3:43 Algemene wet bestuursrecht eveneens een mededeling te ontvangen.

De registratie van de aanwijzing is een administratieve handeling (en geen besluit). De bedoeling van de bij te houden monumentenlijst is om een ieder snel inzicht te geven in welke zaken als gemeentelijk monument zijn aangewezen en de redengeving daartoe. Wat betreft dit laatste aspect zij tevens verwezen naar de toelichting bij artikel 3, eerste lid (aanwijzing).

Artikel 2.4 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk monument

Dit artikel betreft een samenvoeging van artikel 8 en 9 van de Erfgoedverordening 2010. Vanwege de samenhang tussen deze twee onderdelen is dat artikel samengevoegd.

Oorspronkelijke toelichting

Op grond van dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van gemeentelijke monumenten te wijzigen. Hiervoor geldt dezelfde voorbereidingsprocedure als voor de aanwijzing zelf, tenzij de wijziging van ondergeschikte betekenis is. Wijzigingen van de aanwijzing worden doorgevoerd in het gemeentelijk erfgoedregister. Ook geeft dit artikel de mogelijkheid om de aanwijzing van gemeentelijke monumenten in te trekken. Voor intrekking van de aanwijzing is het advies van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit nodig. Monumenten op de gemeentelijke monumentenlijst waarvan de aanwijzing is ingetrokken (omdat ze zijn gesloopt of anderszins volledig teloor gegaan), wordt door het college van het erfgoedregister gehaald. Het kan zinvol zijn om voor een gebouw, waarvoor een aanvraag tot intrekking van de aanwijzing loopt een (uitvoerige) documentatie te eisen. Enerzijds kan deze voor een goede afweging van de aanvraag dienen, anderzijds wordt het gebouw voorafgaand aan de sloop voor de lokale geschiedenis gedocumenteerd.

§ 2.1.2 Aanwijzing als gemeentelijk dorpsgezicht

In de erfgoedverordening 2010 is er voor gekozen de gemeentelijke beschermde dorpsgezichten te laten vervallen omdat er geen gebruik van werd gemaakt. Sinds 2012 (modernisering monumentenzorg - MoMo) is het belang van erfgoed binnen de ruimtelijke ordening toegenomen en is het verplicht om binnen de ontwikkeling van de ruimtelijke plannen en bestemmingsplannen rekening te houden met de aanwezigheid van cultuurhistorische waarden.

Daarnaast anticipeert dit artikel op het Besluit fysieke leefomgeving waarin de rijksoverheid instructieregels voor de omgang met erfgoed geeft. Gemeenten worden verplicht om in het omgevingsplan rekening te houden met cultureel erfgoed. Daar vallen naast archeologische en gebouwde monumenten, ook dorpsgezichten en de cultuurlandschappen onder. Uit een brede inventarisatie van het gemeentelijk erfgoed, zoals deze nu is opgenomen in de (concept) Erfgoedvisie Verbinden Erfgoed, kan naar voren komen dat een gebied dat bestaat uit een combinatie van gebouwd erfgoed en stedenbouwkundig en/of (cultuur)landschappelijk erfgoed extra erkenning verdient van het bijzondere cultuurhistorische karakter van dat gebied in de vorm van een aanwijzing als gemeentelijk beschermd gezicht. Doorgaans bestaat dit karakter uit een samenspel van de stedenbouwkundige structuur, het aanzien van de bebouwing en de wijze waarop grond en gebouwen worden gebruikt. Veranderingen in de structuur en het gebruik blijven mogelijk, mits het bijzondere cultuurhistorische karakter niet wordt aangetast. De aanwijzing omvat een topografische kaart waarop de gebieden waarvoor de aanwijzing geldt, zijn aangegeven, alsmede een beschrijving die de aanwijzing motiveert.

Artikel 2.5 Aanwijzing als beschermd gemeentelijk dorpsgezicht

Toelichting

Eerste lid

In tegenstelling tot de aanwijzing van gemeentelijke monumenten en de registratie van beeldbepalend erfgoed, is de aanwijzing tot beschermd gemeentelijk dorpsgezicht niet gedelegeerd aan het college, maar een bevoegdheid van de raad. De reden hiervoor ligt in de uitwerking van de bescherming van dorpsgezichten. Dit wordt vertaald naar regels in het bestemmingsplan.

Artikel 2.6 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijk dorpsgezicht

Toelichting

Op grond van dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing als beschermd gemeentelijk dorpsgezicht te wijzigen, in te trekken of te laten vervallen.

§ 2.1.3 Aanwijzing als beeldbepalend erfgoed

Artikel 2.7 Registratie beeldbepalend erfgoed

Toelichting

In 2015 heeft de gemeente Zuidplas beeldbepalende panden aangewezen. Deze zijn van betekenis voor de ruimtelijke kwaliteit van de fysieke leefomgeving vanwege hun architectuur- en/of cultuurhistorische en/of stedenbouwkundig/landschappelijke waarde. Deze panden zijn opgenomen in het huidige gemeentelijke erfgoedregister. Daarnaast dient ook ander gemeentelijk erfgoed beschermd te worden voordat het een officiële monumentenstatus krijgt. Dit zijn ondermeer de historische begraafplaatsen en historische en bijzondere grafbedekkingen. In het toekomstige omgevingsplan zal dit erfgoed ook worden opgenomen. Om deze reden heeft het beeldbepalend erfgoed ook een plek gekregen in deze verordening. Deze regels geven inzicht in de betekenis en de rol van het beeldbepalend erfgoed in de gemeente. De artikelen 2.8 tot en met 2.10 regelen de registratie, de beslistermijnen, inhoud van de registratie en de mogelijkheden tot wijziging of intrekking van de registratie.

Artikel 2.8 Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit beeldbepalend erfgoed

Toelichting

Op grond van dit artikel wordt de beslistermijn bepaald en de inhoud van het aanwijzingsbesluit voor beeldbepalend erfgoed.

Artikel 2.9 Bekendmaking aanwijzingsbesluit en inschrijving erfgoedregister

Toelichting

Op grond van dit artikel wordt de bekendmaking bepaald en de inschrijving in het erfgoedregister.

Artikel 2.10 Wijziging, intrekking en vervallen van de registratie als beeldbepalend erfgoed

Toelichting

Op grond van dit artikel wordt geregeld hoe de registratie kan worden gewijzigd, ingetrokken of kan komen te vervallen.

Afdeling 2.2 Overige aanwijzingen in de fysieke leefomgeving

Algemeen

Daar waar de verschillende verordeningen aanwijzigingsregels in de fysieke leefomgeving bevatten binnen de losse artikelen, zijn deze samengebracht per onderwerp binnen deze afdeling conform de nieuwe denkwijze binnen de Omgevingswet.

§ 2.2.1 Interferentiegebieden bodemenergiesystemen

Artikel 2.11 Aanwijzing interferentiegebieden

Dit artikel is gebaseerd op artikel 2 van de verordening bodemenergiesystemen Zuidplas. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Oorspronkelijke toelichting

Interferentiegebieden kunnen zowel bij gemeentelijke als provinciale verordening worden aangewezen. In het Besluit bodemenergiesystemen is ervoor gekozen dat interferentiegebieden in beginsel worden aangewezen bij gemeentelijke verordening. Dit is geregeld in artikel 2.2b van het Besluit omgevingsrecht.

Een belangrijke reden waarom de gemeente in het Besluit bodemenergiesystemen het initiatief heeft bij de aanwijzing van interferentiegebieden, is dat de aanwijzing van een interferentiegebied vooral gevolgen voor de gemeente heeft. Hierdoor wordt namelijk voor de installatie van kleine gesloten bodemenergiesystemen met een vermogen van minder dan 70 kW een omgevingsvergunning krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht verplicht. Het college is hiervoor het bevoegd gezag. Daarnaast is de gemeente de lokale regisseur, zeker indien het gaat om de afstemming van lokaal gebruik van schaarse (onder)grond. De aanwijzing van een interferentiegebied leunt sterk aan tegen de taken van de gemeente in het kader van de ruimtelijke ordening, vooral het opstellen van een bestemmingsplan of een structuurvisie, en moet daarop worden afgestemd.

De in deze Verordening aangewezen gebieden hebben gemeen dat er de komende jaren een grote vraag naar bodemenergie bestaat of wordt verwacht en dat het daarom wenselijk is dat regie wordt gevoerd om vraag en aanbod van ruimte voor bodemenergie op elkaar af te stemmen.

Het rechtsgevolg van de aanwijzing van een interferentiegebied is dat voor het installeren van een klein gesloten bodemenergiesysteem toestemming is vereist. Dit is een omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Buiten interferentiegebieden geldt voor de plaatsing van een klein gesloten bodemenergiesysteem een meldingsplicht. Grote bodemenergiesystemen (70 kW) hebben ook buiten interferentiegebieden een vergunningplicht.

Buiten interferentiegebied

Vergunningplichtig (GS)

Kleiner dan 70 kW meldingsplichtig. Groter dan of gelijk aan 70 kW wel vergunningplichtig (B&W).

Binnen interferentiegebied

Vergunningplichtig (GS)

Vergunningplichtig (B&W).

§ 2.2.2 Aanwijzing van namen en nummers in de openbare ruimte

Artikel 2.12 Naamgeving van woonplaatsen en van delen van de openbare ruimte

Dit artikel is gebaseerd op artikel 2 van de verordening Naamgeving en nummering Zuidplas.

Oorspronkelijke toelichting

In de verordening is het geven van een naam aan de gemeente niet meegenomen, omdat dit is geregeld in de Gemeentewet. Verwezen wordt naar artikel 158 van de Gemeentewet dat onder andere bepaalt dat de raad de naam van de gemeente kan wijzigen. Over de woonplaats en woonplaatsgrens bestond veel onduidelijkheid. Woonplaatsbegrenzingen werden tot het invoeren van de BAG wetgeving niet formeel door gemeenteraden vastgesteld. Tot aan de invoering van de BAG werd hiervoor de komgrens, zoals vervat in de Wegenwet, en de TPG postcode grens gebruikt als woonplaatsgrens. De overeengekomen woonplaatsgrens heeft gevolgen voor de gemeente. Gemeenten moeten bij het toekennen van namen aan delen van de openbare ruimte en het toekennen van nummers aan objecten namelijk rekening houden met deze woonplaatsgrenzen. Indien een nummerbeschikking leidt tot wijziging van de postcoderegistratie – hiervan is sprake als de nummering van een ene woonplaats doorloopt op het gebied van een andere woonplaats – worden de kosten daarvan bij de gemeente in rekening gebracht. Er zijn overigens door TPG Post en de VNG afspraken gemaakt over wijzigingen waarop de kostenverrekening al dan niet van toepassing is (zie hiervoor het convenant tussen de VNG en PTT Post BV in hoofdstuk 6, paragraaf 9 van de VNG-publicatie ‘Benoemen, nummeren en begrenzen’). Het streven van de gemeente moet er op zijn gericht om wijzigingen van woonplaatsgrenzen waar mogelijk te voorkomen of tot een minimum te beperken. Het toekennen van namen aan woonplaatsen wijkt niet af van het proces van naamgeving van de openbare ruimte. Het is ook wenselijk om dezelfde procedure te volgen. Het benoemen van woonplaatsen komt relatief zeer weinig voor, maar juist hier geldt dat de naam met zorg moet worden gekozen. De naam moet veelal generaties lang mee. In het kader van de Volkstelling 1971 is tussen gemeenten, de provinciale planologische diensten en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) een gebiedsindeling overeengekomen, die wordt aangeduid met de term ‘CBS-wijk- en buurtindeling’. Deze indeling werd noodzakelijk geacht, omdat op provinciaal en landelijk niveau behoefte bestond aan inzicht in de onderverdeling van het gemeentelijk grondgebied. Sinds 1971 heeft het echter ontbroken aan systematisch interbestuurlijk overleg over dit onderwerp, waardoor onduidelijkheid kon ontstaan over de te hanteren wijk- en buurtindeling. Zo is gebleken dat tal van veranderingen in de wijk- en buurtindeling die door gemeenten zijn doorgevoerd, niet bekend zijn bij het CBS. Ook is gebleken dat veel van de veranderingen in de wijken buurtindeling wel bij het CBS bekend zijn, maar door het CBS zelf zijn afgeleid uit de sinds 1980 ingevoerde jaarlijkse opgave van gemeenten. Op provinciaal en landelijk niveau heeft een en ander geleid tot het ontstaan van onzekerheid over de actualiteitswaarde en vergelijkbaarheid van aan wijk- en buurtindelingen gerelateerde gegevens van verschillende gemeenten. Dit heeft het Interprovinciaal Overleg (IPO) voor de ruimtelijke ordening ertoe aangezet de minister van Economische Zaken te vragen om het CBS te verzoeken zijn coördinerende rol qua wijk- en buurtindeling te reactiveren. De minister heeft dit verzoek ingewilligd. Dit heeft echter tot op heden nog niet geleid tot nadere bijhoudingsregels voor de wijk- en buurtindeling. Ten behoeven van het nieuw vormen van de gemeente Zuidplas is een nieuwe geactualiseerde CBS wijk- en buurtindeling vervaardigd en aan het CBS aangeboden. In de verordening komt derhalve het benoemen van de wijken en buurten terug, wat tot de bevoegdheid van het college wordt gerekend. In het tweede lid is het benoemen van delen van de openbare ruimte geregeld. De openbare ruimte omvat meer dan alleen straten, plantsoenen en wegen. Zo worden bijvoorbeeld ook waterlopen, sierwateren, bruggen, viaducten, metrostations, dijken, meren en plassen veelal van een naam voorzien. Het benoemen van de openbare ruimte is een bevoegdheid van het college. Zij benoemt delen van de openbare ruimte indien dat naar haar oordeel nodig is, maar de meeste gemeenten streven ernaar om de totale openbare ruimte van namen te voorzien. De in het tweede lid gehanteerde formulering sluit niet uit dat burgers een aanvraag tot het benoemen van de openbare ruimte bij het college indienen. Zo’n aanvraag kan in de regel worden aangemerkt als een verzoek van een belanghebbende om een besluit te nemen in de zin van artikel 1:3, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht . Op de afwikkeling van de aanvraag zijn in ieder geval hoofdstuk 3 en 4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing (algemene en bijzondere bepalingen over besluiten). Het derde lid bepaalt dat onder vaststellen, toekennen en verdelen, zoals vervat in het eerste en tweede lid, tevens het wijzigen en intrekken wordt bedoeld. Naar de huidige opvattingen impliceert vaststellen, toekennen en verdelen dat men ook kan wijzigen en intrekken. Bij de behandeling van beroep- en bezwaarschriften is dat echter vaak een punt van discussie. Vandaar dat ervoor is gekozen om over de bevoegdheid tot wijzigen en intrekken een afzonderlijk lid op te nemen.

Artikel 2.13 Nummering van adresseerbare objecten

Dit artikel is gebaseerd op artikel 3 van de verordening Naamgeving en nummering Zuidplas. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Oorspronkelijke toelichting

Dit artikel regelt het toekennen van adressen aan adresseerbare objecten, zoals verblijfsobjecten en stand- of ligplaatsen door het college. Hier is niet voor de term ‘huisnummer’ gekozen omdat bij een ligplaatsen en standplaats niet kan worden gesproken van het nummeren van een huis. Veelal bestaat een gebouw uit verschillende zelfstandige delen. Voor een goede bereikbaarheid qua dienstverlening (postbezorging, brandbestrijding, politiehulp, ambulancediensten etc.) is het noodzakelijk deze zelfstandige delen van een afzonderlijk nummer te voorzien. De registratie van woonadressen in de GBA noodzaakt in de meeste gevallen al tot het afzonderlijk nummeren van deze delen. Uitgangspunt daarbij is wel dat achter de voordeur door de gemeente niet wordt genummerd. Kamers in verpleeghuizen, bejaardenhuizen, verpleegstershuizen en dergelijke worden in principe niet van gemeentewege genummerd. De in het eerste lid gehanteerde formulering sluit niet uit dat burgers een aanvraag tot nummertoekenning bij het college kunnen indienen. Ook deze aanvraag kan in de regel worden aangemerkt als een verzoek van een belanghebbende om een besluit te nemen in de zin van artikel 1:3, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht . Op de afwikkeling van de aanvraag zijn dan ook opnieuw in ieder geval hoofdstuk 3 en 4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing (algemene en bijzondere bepalingen over besluiten). Het derde lid bepaalt dat onder toekennen, zoals vervat in het eerste lid, tevens wijzigen en intrekken moet worden verstaan. Naar de huidige opvattingen impliceert toekennen dat men ook kan wijzigen en intrekken. Desondanks is dat bij de behandeling van beroep- en bezwaarschriften vaak een punt van discussie. Vandaar dat ervoor is gekozen om over de bevoegdheid tot wijzigen en intrekken een afzonderlijk lid op te nemen. Het wijzigen van de nummering wordt vaak aangeduid als ‘vernummering’. Uit jurisprudentie komt naar voren dat diverse rechters hebben uitgesproken dat het wijzigen van een (straat-)naam en/of (huis-) nummer moet worden beschouwd als een algemeen aanvaard maatschappelijk risico dat ten laste dient te komen van de betrokken bedrijven en burgers. Vanzelfsprekend moet bij wijzigingen zorgvuldig te werk worden gegaan.

§ 2.2.3 Houtopstanden

Artikel 2.14 Aanwijzing bebouwde kom

Dit is een nieuw artikel. Volgens artikel 4.1 onder a Wet natuurbescherming dient de raad de bebouwde kom vast te stellen. Een dergelijke bepaling ontbrak in de huidige Algemene plaatselijke verordening.

§ 2.2.4 Ligplaatsen

Artikel 2.15 Aanwijzingen ligplaatsen

Gebaseerd op artikel 5.25 lid 1 Algemene plaatselijke verordening en artikel 5.26 Algemene plaatselijke verordening. Voor de leesbaarheid zijn beide artikelen samengevoegd. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting 5.25

Op grond van het eerste lid kan het college gedeelten van het openbaar water aanbieden waar het verboden is een ligplaats in te nemen. Artikel 88 van de Huisvestingswet bepaalt dat de gemeenteraad geen regels stelt die leiden tot een algeheel verbod van het in gebruik nemen of geven van een woonschip op een ligplaats. Een algemeen verbod komt in strijd met bovengenoemde wet.

Toelichting 5.26

Naast de algemene regels die krachtens artikel 5:25, tweede lid, kunnen worden uitgevaardigd kan het wenselijk zijn, gelet op de omstandigheden, om aan een individuele booteigenaar nog nadere aanwijzingen te geven. Dit artikel biedt daarvoor de grondslag. Het ligt voor de hand deze aanwijzingen in de vorm van een schriftelijke beschikking te gieten. Voor de toelichting op de in het derde lid genoemde hogere regelingen en de relatie met een vastgestelde woonschepenverordening wordt verwezen naar de toelichting op artikel 5:26 van de Algemene plaatselijke verordening.

§ 2.2.5 Parkeren

Artikel 2.16 Aanwijzingen belanghebbenden parkeren

Dit artikel is gebaseerd op artikel 2 van de parkeerverordening Zuidplas. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast. We gaan altijd uit van de meest recente versie van de nota.

§ 2.2.6 Crossterreinen en natuurgebieden

Artikel 2.17 Aanwijzingen crossterreinen

Gebaseerd op artikel 5:32 lid 2 Algemene plaatselijke verordening. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Oorspronkelijke toelichting

Artikel 5:32 ziet op het gebruik van motorvoertuigen of een bromfiets als bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) in het kader van een wedstrijd op speciaal daarvoor aangewezen terreinen door het college. Kenmerkend voor het wedstrijdkarakter is dat er een beloning in de vorm van prijzen, medailles of iets dergelijks in het vooruitzicht worden gesteld. Indien artikel 5:32 van toepassing is, is een vergunning op basis van artikel 2:25 niet meer aan de orde.

Artikel 2.18 Aanwijzingen natuurgebieden

Gebaseerd op artikel 5:33 lid 2 Algemene plaatselijke verordening. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Oorspronkelijke toelichting

Wet milieubeheer en Algemene plaatselijke verordening Bij het reguleren van auto- en motorsportactiviteiten, crossen e.d. buiten de weg moet onderscheid worden gemaakt tussen (i) speciaal daarvoor ingerichte terreinen, zoals circuits, en (ii) overige terreinen, zoals natuurgebieden, parken, plantsoenen of andere voor recreatief gebruik beschikbare terreinen. De eerstbedoelde terreinen vallen doorgaans onder de Wet milieubeheer; voor de overige terreinen kan een gemeente zelf regels stellen, zoals in de artikelen 5:32 en 5:33 van deze Algemene plaatselijke verordening.

§ 2.2.7 Vervoer gevaarlijke stoffen

Artikel 2.19 Aanwijzingen route vervoer gevaarlijke stoffen

Gebaseerd op artikel 4:20 lid 2 Algemene plaatselijke verordening. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Oorspronkelijke toelichting

Het college wijst een route aan voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

§ 2.2.8 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz.

Artikel 2.20 Aanwijzingen plaatsen buiten inrichtingen

Gebaseerd op artikel 4.13 Algemene plaatselijke verordening. Inhoudelijk is het niet artikel niet aangepast.

Toelichting

Deze bepaling verschaft een basis voor het treffen van maatregelen tegen een uit oogpunt van welstand en bescherming van de openbare gezondheid ontoelaatbare opslag van bromfietsen en caravans e.d., en landbouwproducten . Het college is bevoegd bepaalde plaatsen aan te wijzen waar deze opslag verboden is c.q. aan bepaalde regels gebonden is.

Hoofdstuk 3 Activiteiten

Afdeling 3.1 Activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed

§ 3.1.1 Algemene bepalingen

Artikel 3.1 Oogmerken

Dit is een nieuw artikel waarin de oogmerken van deze afdeling ter introductie worden benoemd. Oogmerken komen namelijk ook regelmatig terug in de Omgevingswet. In de Erfgoedverordening waren deze oogmerken opgenomen als beoordelingsgronden voor de verlening van de omgevingsvergunning.

Dit artikel is toegevoegd om de intentie van deze afdeling kort samen te vatten. Alle navolgende regels zijn gericht op dit doel. Uit de Erfgoedwet blijkt dat cultureel erfgoed de overkoepelende term is voor al het onroerende en roerende cultuurgoed. Deze afdeling heeft echter alleen betrekking op onroerend cultureel erfgoed omdat alleen dit erfgoed als onderdeel van de fysieke leefomgeving onder de reikwijdte van de Omgevingswet valt.

De Erfgoedverordening en nu deze afdeling ziet daarmee dus ook op de bescherming van deze belangen.

Artikel 3.2 Toepassingsbereik gemeentelijk monument, beeldbepalend erfgoed, beeldbepalende structuur en dorpsgezicht

Dit is een nieuw artikel waarin wordt aangegeven wat het toepassingsbereik is van dit artikel. Het derde lid is afkomstig uit artikel 2.7 (vierde lid) van de Erfgoedverordening. Het eerste lid onder b en het tweede lid zijn gebaseerd op artikel 2.3 en 3.4 van de Erfgoedverordening. Deze artikelen zijn samengevoegd aangezien de artikelen inhoudelijk identiek waren. De verwijzingen naar andere artikelen zijn geactualiseerd op basis van de VFLO.

Artikel 3.3 Zorgplicht voor onroerend gemeentelijk cultureel erfgoed.

Dit is een nieuw artikel dat het toepassingsbereik van deze afdeling regelt voor archeologische waarden. Dit is gedaan om beter aan te sluiten op de VFLO en de Omgevingswet.

§ 3.1.2. Instandhouden, vernielen, slopen, ontsieren van cultureel erfgoed

Artikel 3.4 Omgevingsvergunning gemeentelijk monument

Dit artikel is gebaseerd op artikel 10 van de Erfgoedverordening 2010.

Toelichting

Tweede lid

Dit artikel is toegevoegd aan dit artikel om een uitzondering te maken voor de activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning nodig is. Dit betreft voornamelijk onderhoudswerkzaamheden en werkzaamheden aan niet monumentale waarden.

Zowel de betekenis van onderhoud als de inpandige wijzigingen van onderdelen zonder monumentale waarden worden in het BOR toegelicht:

‘met gewoon onderhoud worden werkzaamheden bedoeld die erop gericht zijn om te behouden wat er is’, ‘zoals het herstel van een beperkt deel van het voegwerk of het schilderen in dezelfde kleur’,

Inpandige wijzigingen van onderdelen zonder monumentale waarde: in veel gevallen gaat het hierbij om recente toevoegingen, zoals bijvoorbeeld onderdelen die ten tijde van de aanwijzing als beschermd monument nog niet bestonden in de vorm van recente badkamers en keuken of interieurafwerking uit de jaren 70 van de vorige eeuw. Indien er twijfel bestaat over de monumentale waarden van een onderdeel kan het college vragen om een onderzoek.

Voor al deze vergunningsvrije activiteiten geldt dat ze zonder hak- en breekwerk in het casco worden uitgevoerd. Anders is toch een omgevingsvergunning voor het wijzigen van een monument nodig.

Derde lid

Dit artikel regelt de mogelijkheid om aanvullend onderzoek uit te laten voeren door een eigenaar ten behoeve van het op juiste wijze kunnen beoordelen van een aanvraag om omgevingsvergunning. Hierbij valt te denken aan een bouwhistorisch onderzoek om de ouderdom, verschillende bouwfases en de waardering van de afzonderlijke gebouwonderdelen in beeld te krijgen. Maar het kan ook gaan om een cultuurhistorisch gebiedsonderzoek of een kleurhistorisch onderzoek. Dit artikel moet slechts gebruikt worden bij ingrijpender wijzigingen, zoals bijvoorbeeld het geheel verwijderen van elementen of een transformatie en als dit in het belang van de instandhouding van het erfgoed is. Het artikel is gebaseerd op de Erfgoedwet, waarin ook voor rijksmonumenten een dergelijke regeling is opgenomen.

Artikel 3.5 Termijnen advies

Dit artikel is gebaseerd op artikel 12 van de Erfgoedverordening 2010.

Toelichting

Tweede lid

De termijnen van advies zijn met een week verkort om de vergunningprocedure binnen de geldende zes weken termijn te kunnen doorlopen. Dit sluit aan op de vergaderfrequentie van de adviescommissie Ruimtelijk Kwaliteit.

Artikel 3.6 Omgevingsvergunning binnen gemeentelijk beschermd dorpsgezicht

Dit artikel is toegevoegd. Dit betreffende artikel is ingericht voor het in stand houden van de beeldkwaliteit van het gemeentelijk beschermde dorpsgezicht, waarbij aandacht is voor voorkomen van gaten in het beschermde gebied als gevolg van sloop en het zorgvuldig in kaart brengen van effecten van wijzigingen.

§ 3.1.3 Bescherming beeldbepalend erfgoed

Deze paragraaf is toegevoegd, zie voor de aanleiding toelichting bij artikel 6.18. Dit betreffende artikel is ingericht voor het in stand houden van de beeldkwaliteit van beeldbepalend erfgoed. Het beeldbepalend erfgoed heeft in tegenstelling tot de gemeentelijke monumenten nu geen aanvullende vergunninsgplicht ten opzichte van de ‘normale’ wettelijk geregelde omgevingsvergunningplicht. Artikel 3.7 tot en met 3.9 regelt de normale vergunningsplicht voor beeldbepalend erfgoed. Het doel van dit artikel is het helder stellen van de procedure bij omgevingsvergunningen voor dit type erfgoed.

Artikel 3.7 Omgevingsvergunning beeldbepalend erfgoed

Artikel 3.7 regelt de normale vergunningsplicht voor beeldbepalend erfgoed. Het doel van dit artikel is het helder stellen van de procedure bij omgevingsvergunningen voor dit type erfgoed.

Artikel 3.8 Termijnen advies beeldbepalend erfgoed

Artikel 3.8 regelt de termijnen van advies voor beeldbepalend erfgoed. Het doel van dit artikel is het helder stellen van de procedure bij omgevingsvergunningen voor dit type erfgoed.

Artikel 3.9 Weigeringsgronden

Artikel 3.9 regelt de weigeringsgronden voor beeldbepalend erfgoed. Het doel van dit artikel is het helder stellen van de procedure bij omgevingsvergunningen voor dit type erfgoed.

§ 3.1.4 Bescherming van archeologische monumenten en terreinen

Artikel 3.10 Instandhouding van archeologische gebieden

Dit artikel is toegevoegd om de procedure tot het benoemen van de archeologische bepalingen in het bestemmingsplan te regelen en het tevens de instandhouding van het archeologisch erfgoed, in- of ex-situ, binnen de regels op te nemen.

Artikel 3.11 Vangnet archeologie

Dit artikel is gebaseerd op artikel 16 van de Erfgoedverordening 2010.

Toelichting

Tweede lid

In het tweede lid van dit artikel worden drie uitzonderingsmogelijkheden gegeven op het eerste lid. In afwijking van de erfgoedverordening 2010 is hier niet meer specifiek aangegeven welke waarderingsgebieden welke uitzonderingen kennen. Deze wijziging is doorgevoerd omdat de regels zijn opgenomen in het vigerende paraplubestemmingsplan Archeologie. Wanneer er wijzigingen in het beleid en het bestemmingsplan zouden optreden, betekent dit dat deze verordening ook gewijzigd zal moeten worden. Aangezien het bestemmingsplan leidend is, is het niet noodzakelijk ook in deze verordening de regels op te nemen. Het volstaat hier te verwijzen naar de regels in het bestemmingsplan.

Artikel 3.12 Archeologisch onderzoek

Dit artikel is gebaseerd op artikel 17 lid 1 en 2 van de Erfgoedverordening 2010 en aangevuld.

Toelichting

De verplichtingen die in deze bepaling zijn opgenomen kunnen alleen goed functioneren, indien een gemeente hierover actief de archeologische onderzoekers informeert. Immers, indien een gemeente deze bepaling in haar verordening opneemt, wordt gekozen voor een uitgebreide regiefunctie bij archeologische opgravingen binnen het gemeentelijk grondgebied. Indien een dergelijk regierol niet uitdrukkelijk gewenst, dient deze bepaling niet overgenomen te worden. In dat geval bestaat nog steeds voldoende bescherming bij opgravingen, aangezien al in de Monumentenwet 1988 een aantal zaken uitputtend is geregeld. Zo bestaat een vergunningvereiste voor het doen van opgravingen; dient een rechthebbende van een terrein te dulden dat de opgravingbevoegde zijn terrein betreedt en eventueel opgravingen verricht; en is ook de eigendomskwestie van de archeologische vondsten uitputtend geregeld.

Om de bedoelde regierol goed te kunnen uitoefenen dient het college een programma van eisen op te stellen waarmee de kaders worden gesteld voor het ontwerp en de uitvoering van archeologisch onderzoek (lid 1, onder a). Vervolgens wordt van de opgraver verwacht dat hij in een plan van aanpak weergeeft hoe hij specifiek de gestelde kaders, zoals omschreven in het programma van eisen, denkt te gaan invullen (lid 1, onder b). Ook hier is sprake van een verkapt vergunningstelsel ten behoeve van de realisering van een fysiek project. Net als bij onderdeel e, van het tweede lid van artikel 16 is ervoor gekozen om deze bepaling onder de werking van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht te laten vallen. Op grond van de overige leden kunnen vervolgens nadere regels worden gesteld met betrekking tot de feitelijke uitvoering (en het toezicht daarop) en de beoordeling van het plan van aanpak.

Artikel 3.13 Advisering

Dit artikel komt voort uit artikel 17 derde lid van de Erfgoedverordening 2010. In deze verordening is dit lid tot een apart artikel gemaakt omdat deze niet alleen betrekking heeft op het archeologisch onderzoek, maar ook op het vangnet archeologie.

Afdeling 3.2 Activiteiten in de openbare ruimte

§ 3.2.1. Gebruik van een openbare plaats

Artikel 3.14 Het plaatsen van voorwerpen

Dit artikel is gebaseerd op artikel 2.10 van de Algemene plaatselijke verordening. Vergunning is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning. De verwijzingen naar andere artikelen zijn geactualiseerd op basis van de VFLO. Lid 7 is aangepast zodat alle artikelen met deze zinsnede gelijk luiden. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

Dit artikel geeft de burgemeester en het college de mogelijkheid greep te houden op situaties die hinder of gevaar kunnen opleveren of ontsierend kunnen zijn. Voor de toepassing kan worden gedacht aan het plaatsen van containers, billboards, reclame-uitingen of inboedels op de weg, maar ook materialen, machines en afzettingen ten behoeve van bouw-, verbouw-, onderhouds-, reinigings-, en herstelwerkzaamheden op de weg of op, aan of in gebouwen.

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Het gebruik van de weg anders dan overeenkomstig de publieke functie, als bedoeld in dit artikel, kan onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht vallen, namelijk wanneer dit gebruik bestaat uit de opslag van roerende zaken. Dat zal bijvoorbeeld het geval zijn als op of aan de weg een container wordt geplaatst voor de tijdelijke opslag van puin of bouwmaterialen tijdens een verbouwing. In andere gevallen zal het niet altijd op het eerste gezicht duidelijk zijn of het gaat om opslag van roerende zaken als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Het onderscheidend criterium is dat het plaatsen van zaken op de weg bij opslag een tijdelijk karakter heeft: het is de bedoeling dat de opgeslagen zaken ooit ergens anders een al dan niet definitieve bestemming krijgen en aldaar een functie gaan vervullen. Als dat aan de orde is valt die activiteit onder artikel 2.2, eerste lid onder j of onder k van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Een ontheffing wordt op grond van artikel 2.2, eerste lid, laatste zinsdeel, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht aangemerkt als een omgevingsgvergunning. Daarom is een nieuw vierde lid ingevoegd, waarin staat dat het bevoegd gezag (ingevolge de definitie in artikel 1 is dat dus het bestuursorgaan als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) in een dergelijk geval een omgevingsvergunning verleent.

Daarnaast blijft het derde lid gehandhaafd, waarin staat dat het bevoegde bestuursorgaan (i.e. het college of de burgemeester) ontheffing kan verlenen voor gebruik van de weg dat niet valt onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, namelijk wanneer het gaat om objecten die bedoeld zijn om ter plaatse blijvend te functioneren. Dat zijn bijvoorbeeld bloembakken, straatmeubilair, terrassen en dergelijke.

Het is niet ondenkbaar dat bij een en hetzelfde project - bijvoorbeeld een grootscheepse restauratie van monumentale panden - zowel een ontheffing van het bevoegd bestuursorgaan (derde lid) als een omgevingsvergunning (vierde lid) nodig is, waarbij dan de situatie kan ontstaan dat er twee bevoegde gezagen zijn. Het vijfde lid regelt dat het verbod niet geldt voor de volgende categorieën:

  • a.

    Evenementen Indien een evenement wordt gehouden, waarvoor een vergunning is verleend op basis van artikel 2:25 van de Algemene plaatselijke verordening, dan hoeft geen vergunning verleend te worden op basis van artikel 2:10 van de Algemene plaatselijke verordening. Deze bepaling voorkomt een samenloop van beide vergunningen. In de voorschriften bij een vergunning voor een evenement kan immers ook de bescherming van de met artikel 2:10 van de Algemene plaatselijke verordening te dienen belangen worden.

  • b.

    Standplaatsen Hier wordt een uitzondering gemaakt op standplaatsen waarop afdeling 5.4 van toepassing is.

  • c.

    Terrassen Het in artikel 2:10 van de Algemene plaatselijke verordening bedoelde verboden gebruik van de weg geldt niet voor terrassen behorend bij een inrichting, waarvoor de burgemeester op grond van artikel 2:28 van de Algemene plaatselijke verordening een exploitatievergunning heeft verleend. Voor de duidelijkheid: het gaat hierom een terras dat behoort bij een voor het publiek openstaand gebouw (openbare inrichting).

Artikel 2:10 van de Algemene plaatselijke verordening is niet van toepassing op straatreclame. Daarvoor kent de Algemene plaatselijke verordening een afzonderlijke bepaling artikel 2:10a.

Artikel 3.15 Verbod objecten onder hoogspanningslijn

Dit artikel is gebaseerd op artikel 2.22 van de Algemene plaatselijke verordening. Vergunning is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

Ten behoeve van de aanleg van hoogspanningslijnen wordt in bestemmingsplannen een strook grond als zodanig bestemd en worden tevens gebruiksvoorschriften opgesteld waarmee aantasting van deze bestemming voorkomen moet worden. Hierbij kan gedacht worden aan voorschriften over de hoogte van toe te laten gebouwen.

Ook sluit het desbetreffende elektriciteitsbedrijf overeenkomsten met de eigenaren van de gronden waarop en waarover de hoogspanningsmasten en leidingen staan of lopen. Deze overeenkomsten beperken, uiteraard tegen een schadevergoeding, de zakelijke rechten van de eigenaren. Zij bevatten dan ook altijd voorwaarden met betrekking tot het gebruik van de gronden onder de hoogspanningslijnen. In gemeenten waar dit op deze wijze is geregeld, kan het opnemen van dit artikel achterwege blijven.

Indien een bestemmingsplan ontbreekt, bijvoorbeeld voor de bebouwde kom, dan bevat artikel 2:22 een publiekrechtelijke basis om overtreding van deze bepaling, waardoor een zeer gevaarlijke situatie ontstaat, zo nodig met bestuursdwang recht te kunnen zetten. Wel moeten de voorschriften, bijvoorbeeld de hoogte van toe te laten gebouwen, i.e. twee meter, uit bestemmingsplan en Algemene plaatselijke verordening op elkaar afgestemd zijn.

Artikel 3.16 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren

Gebaseerd op artikel 2:60 van de Algemene plaatselijke verordening. Vergunning is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning. De zinsnede ‘in de zin van de Wet Milieubeheer’ na “inrichting” is geschrapt. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

Door in het eerste lid de zinsnede "buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer op ten nemen wordt de afbakening met de Wet milieubeheer direct vastgelegd.

Het kan voor de omgeving hinderlijk zijn, als iemand dieren houdt. Er moet kunnen worden ingegrepen als overlast of schade voor de openbare gezondheid dreigt. Dan moeten belangen worden afgewogen. Daarom is gekozen voor de constructie dat het college bevoegd wordt verklaard om de plaatsen aan te wijzen waar naar zijn oordeel het houden van bepaalde dieren overlast of schade voor de volksgezondheid veroorzaakt. Voor zover het college bij een aanwijzing die betrekking heeft op gedeelten van de gemeente bevoegd zijn verklaard daarbij nadere regels te geven inzake het houden van dieren, is er sprake van delegatie van verordenende bevoegdheid als bedoeld in artikel 156 Gemeentewet. Tevens wordt in dit verband nog gewezen worden op de Flora en Faunawet, waarin regels worden gegevens ter bescherming van dieren.

Artikel 3.17 Bijen

Gebaseerd op artikel 2:64 van de Algemene plaatselijke verordening. Vergunning is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning. Lid 6 is aangepast zodat alle artikelen met deze zinsnede gelijk luiden. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

Het vliegen van bijen kan, als de kasten of korven dicht aan de weg geplaatst zijn en op zodanige wijze dat de "aanvliegbanen" hiervan over de weg lopen, gevaar voor de veiligheid van de weg opleveren.

Dit gevaar kan meestal met eenvoudige middelen, zoals het verleggen van de aanvliegroute door het plaatsen van een afscheiding, worden teruggebracht. Het zal echter vaker voorkomen dat omwonenden op hun erf of zelfs in huis van de bijen overmatige overlast ondervinden, waartegen minder gemakkelijk maatregelen zijn te treffen. Vooral in de bebouwde kom van een gemeente kan in sommige gevallen het houden van bijen daarom onaanvaardbaar zijn.

Hoewel in dit geval geen gedraging of toestand "op de openbare weg of op een andere voor het publiek toegankelijke plaats" valt aan te wijzen, kan men toch van oordeel zijn dat de gewraakte situatie haar terugslag kan hebben op "openbare belangen".

Artikel 3.18 Verstrooiing van as

Gebaseerd op artikelen 5.36 en 5.37 van de Algemene plaatselijke verordening. Vergunning is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

Verboden plaatsen

Asverstrooiing is om uiteenlopende redenen niet op alle plaatsen even wenselijk. Dit geldt zeker voor plaatsen waar de as niet of nauwelijks in de bodem kan worden opgenomen en door de wind kan gaan dwarrelen. Dit speelt met name een rol op stoepen, straten, pleinen en dergelijke. Daarom is er een verbod opgenomen voor het verstrooien van as op de verharde delen van de weg. Gezien de mogelijke overlast die asverstrooiing op straten en dergelijke op kan leveren voor derden en de kans op het snelle verwaaien van de as, is het overigens niet waarschijnlijk dat nabestaanden de verharde delen van de weg zullen uitkiezen als plaats om de as te verstrooien. Het verbod zal dus naar verwachting geen wezenlijke beperking opleveren voor nabestaanden.

Als het college een vergunning heeft verleend voor een permanent voor asverstrooiing bestemd terrein, dan zal dat terrein vrijwel altijd op een begraafplaats of bij het crematorium liggen. Doorgaans is voor gemeentelijke begraafplaatsen en crematoria rond de mogelijkheden voor asverstrooiing het een en ander geregeld in beheersverordeningen. De regelingen daarin maken deel uit van het algehele beleid rond de begraafplaats. Het openstellen van de begraafplaats en het crematoriumterrein voor incidentele verstrooiing zou daarin verstorend kunnen werken.

Het is mogelijk dat het op bepaalde terreinen (vanwege daar te houden evenementen bijvoorbeeld) slechts tijdelijk onwenselijk is om as te verstrooien. Daarom is een mogelijkheid opgenomen voor het college om in die gevallen een terrein tijdelijk, in verband met die bijzondere omstandigheden, te onttrekken aan de mogelijkheid om er as op te verstrooien.

Artikel 5:37 Hinder of overlast

Het verstrooien van as is een emotionele gebeurtenis. Zowel voor nabestaanden als voor omstanders die ermee worden geconfronteerd. Het is daarom van belang dat omstanders geen hinder ondervinden van de activiteit op zich en van de as die na de activiteit wordt achtergelaten. Alvorens de nabestaanden tot asverstrooiing overgaan, zullen zij zich er daarom steeds van moeten vergewissen dat er door de asverstrooiing geen hinder of overlast ontstaat.

Een typerend voorbeeld is het verstrooien van as in de nabijheid van een groep mensen, terwijl er een stevige bries die kant uitwaait. Dit levert vanzelfsprekend een onwenselijke situatie op. Ook tot enige tijd na de verstrooiing kan as, bijvoorbeeld op de hiervoor aangegeven wijze, hinder opleveren voor omstanders. Daar moet tijdens het verstrooien rekening mee worden gehouden. Dit kan door de as bijvoorbeeld over een groter oppervlak te verspreiden, zodat deze eerder in de bodem wordt opgenomen. Een ander voorbeeld in dit geval is het verstrooien vanaf een gebouw of vanaf een balkon. Er zijn genoeg situaties denkbaar waarin dit hinder oplevert voor het publiek.

Overigens is uit de toelichting bij de wijziging van de Wet op de Lijkbezorging af te leiden dat het waarnemen door omstanders van de handeling op zich geen hinder oplevert. Door de wet op het punt van asverstrooiing te verruimen heeft de wetgever bewust aanvaard dat het publiek geconfronteerd kan worden met incidentele verstrooiing.

Artikel 3.19 Straatvegen

Gebaseerd op artikel 4:7 van de Algemene plaatselijke verordening. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

Deze verkeersbeperkende bepaling moet, gezien het verschil in motief, mogelijk worden geacht naast de wegenverkeerswetgeving. Artikel 2a Wegenverkeerswet 1994 handhaaft uitdrukkelijk de bevoegdheid tot het maken van aanvullende gemeentelijke verordeningen ten aanzien van het onderwerp waarin deze wet voorziet, voor zover deze verordeningen niet in strijd zijn met deze wet. Artikel 4:7 beoogt niet een verkeersbelang te dienen, maar heeft een milieumotief. In het bijzonder strekt het ter voorkoming van overlast voor de reinigingsdienst. Bovendien heeft het daarin vervatte verbod slechts betrekking op bepaalde, aangewezen weggedeelten en geldt slechts gedurende bepaalde aangeduide dagen en uren.

Het effectueren van de onderhavige maatregel zal plaatselijk verschillend al dan niet problematisch zijn, al naar gelang de beschikbare parkeerruimte schaars is of niet. Het kenbaar maken van het verbod zou, afgezien van de te geven publiciteit in de plaatselijke pers en een schriftelijke kennisgeving huis aan huis, via verplaatsbare borden kunnen geschieden. Een gemeente kan gebruik maken van eigen borden. Gebruikmaking van verkeersborden in de zin van bijlage II van het RVV lijkt ons voor dit doel dubieus.

Artikel 3.20 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen

Gebaseerd op artikel 4:18 van de Algemene plaatselijke verordening. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

Uitgangspunt is dat als het bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit niet expliciet toestaat dat een bepaald terrein als kampeerterrein mag worden gebruikt, het terrein niet structureel dan wel incidenteel zal worden gebruikt als kampeerterrein. Dit algemene verbod is de essentie van deze afdeling. Voor de gebieden die in het bestemmingsplan etc. zijn aangewezen als kampeerterrein kunnen algemeen geldende voorschriften worden opgesteld. Overtreding hiervan zal dan worden gesanctioneerd door het opleggen van een dwangsom of het toepassen van bestuursdwang. De woorden ‘eigen gebruik’ zijn niet nader ingevuld, maar het eigen gebruik zal wel redelijk moeten zijn. Het is bijvoorbeeld niet de bedoeling dat burgers overlast ondervinden van een structureel tentenkamp op het eigenterrein van een rechthebbende.

Het college kan, op grond van het derde lid, ontheffing van het verbod verlenen. De ontheffing kan geweigerd worden op grond van het bepaalde in artikel 1:8, maar ook in het belang van de bescherming van een dorpsgezicht of de bescherming van natuur en landschap Of de bescherming van natuur en landschap dan wel het dorpsgezicht in het geding is, ligt ter beoordeling van het college.

Artikel 3.21 Oplaten van ballonnen

Ballonnen komen na het oplaten ongecontroleerd neer op het aardoppervlak en veroorzaken op de bodem en in het water schade aan het milieu. Dieren kunnen verstrikt raken in (de resten van) neergekomen ballonnen en zien deze aan voor voedsel. Ballonnen veroorzaken zo sterfte onder dieren. Daarnaast leveren ballonnen die opgelaten worden met hete lucht door middel van een brandertje door de constructie en het open vuur, ook een risico op schade en brand op.

Het gaat hier dus zowel om met gas gevulde ballonnen als om ballonnen met een brandertje die onder allerlei fantasienamen in de handel zijn (herdenkingsballon, geluksballon, vuurballon, gelukslampion, Thaise wensballon enzovoorts).

§ 3.2.2. Veranderen van een openbare plaats

Artikel 3.22 ( Omgevings )vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

Gebaseerd op artikel 2:11 van Algemene plaatselijke verordening. De verwijzingen naar andere artikelen en andere regelgeving zijn geactualiseerd op basis van de VFLO. Vergunning is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

Op het aanleggen of veranderen van een weg is artikel 2.2, eerste lid onder d, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing als de activiteit verboden is in een bestemmingsplan, beheersverordening of voorbereidingsbesluit. Dat betekent dat de termijnen genoemd in artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing zijn op deze vergunning. De beslistermijn is 8 weken, de verdagingstermijn zes weken. Let wel: indien er meerdere activiteiten worden aangevraagd en er één onder artikel 3.10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht valt, dan is de uitgebreide procedure van toepassing (beslistermijn van 6 maanden met een mogelijkheid tot verdagen van zes weken).

De indieningsvereisten voor een aanvraag om een vergunning die onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht valt, staan in de Ministeriele regeling omgevingsrecht (Mor). Het gaat dan om de algemene indieningsvereisten uit artikel 1.3 van de Mor. Voor het aanleggen of veranderen van een weg zijn in de Mor geen aanvullende indieningsvereisten opgenomen.

In artikel 2:18 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is bepaald dat de vergunning alleen kan worden verleend of geweigerd op de gronden vermeld in deze verordening. De weigeringsgronden staan in artikel 1.8 van deze verordening.

Indien de activiteit niet is verboden in een bestemmingsplan, beheersverordening of voorbereidingsbesluit is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht niet van toepassing en is het college bevoegd. Wanneer het gaat om normaal onderhoud van de weg is er ingevolge het derde lid geen vergunning nodig: het college hoeft zichzelf geen vergunning te verlenen. Zie verder de toelichting aldaar.

Eerste lid

Aan artikel 2:11 ligt als motief ten grondslag de behoefte om de aanleg, beschadiging en verandering van wegen te binden aan voorschriften met het oog op de bruikbaarheid van die weg.

Naast het opleggen van min of meer technische voorschriften kan het ook gewenst zijn het tempo van wegenaanleg in de hand te houden. Het is natuurlijk hoogst onwenselijk dat wegen voortijdig aangelegd worden waardoor - door de latere aanleg van zogenaamde complementaire openbare voorzieningen, zoals riolering, water en gasvoorziening en verlichting - de bruikbaarheid van die weg gedurende lange tijd sterk verminderd zal zijn, nog daargelaten dat het veel extra kosten meebrengt.

Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet uiteraard ook privaatrechtelijke toestemming worden gegeven. Een afgegeven vergunning mag niet worden gefrustreerd door privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders. Het college kan in dat geval de aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming behoeft.

Tweede lid

Omdat voor de toepassing van dit artikel o.a. het begrip "weg" uit de Wegenverkeerswet 1994 gebruikt wordt, is een vergunning vereist voor de aanleg, verandering enz. van wegen die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Dit betekent dat in beginsel de vergunningsplicht ook geldt voor de zogenaamde "eigen wegen" die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Ook voor deze wegen is het namelijk wenselijk dat ten behoeve van de bruikbaarheid daarvan voor brandweer, ambulance e.d. voorschriften gesteld kunnen worden over de wijze van verharding, breedte e.d.

Die wenselijkheid is ook aanwezig voor wegen die bijvoorbeeld aangelegd worden op grote bedrijfsterreinen. Daarvoor is in het tweede lid dan ook de toevoeging "alsmede alle niet openbare ontsluitingswegen van gebouwen" opgenomen. De plicht om gebouwen door middel van een verbindingsweg op het openbaar wegennet aan te sluiten, staat in artikel 37 model Bouwverordening.

Derde lid

Van de vergunningplicht zijn uitgezonden de overheden die in de uitvoering van hun publiekrechtelijke taak wegen aanleggen of veranderen. Er mag van uitgegaan worden dat zij hun werkzaamheden afstemmen op de bruikbaarheid van de weg.

Vierde lid

Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel 122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de Algemene plaatselijke verordening van rechtswege vervallen als in het onderwerp door een wet, algemene maatregel van bestuur of een provinciale verordening wordt voorzien. De term ''onderwerp'' in artikel 122 betekent dat het om dezelfde materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het vierde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. Het nutsbedrijf zal op grond van artikel 2:11 een vergunning nodig hebben voor het leggen van leidingen e.d. in een weg. Dat is niet zo voor telecommunicatiebedrijven en kabeltelevisiebedrijven en de door hen beheerde telecommunicatiekabels met een openbare status (telecommunicatie- en omroepnetwerken). Voor deze werken wordt een regeling getroffen in de Telecommunicatiewet en de daarop gebaseerde (gemeentelijke) Telecommunicatieverordening.

Artikel 3.23 Maken, veranderen van een uitweg

Gebaseerd op artikel 2:12 van Algemene plaatselijke verordening. De verwijzingen naar andere artikelen en regelgeving zijn geactualiseerd op basis van de VFLO. Vergunning is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

Uit de jurisprudentie over artikel 14 Wegenwet blijkt dat de eigenaar van een weg het uitwegen daarop moet gedogen. Voorts blijkt uit de jurisprudentie dat regels in een verordening mogen worden gesteld, bijvoorbeeld in het kader van de vrijheid van het verkeer, veiligheid op de weg of de instandhouding van de bruikbaarheid van de weg.

Artikel 2:12 beoogt de aanleg van uitwegen zoveel mogelijk vrij te laten, maar te voorkomen dat er gevaarlijke of hinderlijke situaties voor het verkeer ontstaan, dat een uitrit op onaanvaardbare manier ten koste gaat van openbaar groen, en desgewenst ook dat een uitweg feitelijk opheffing betekent van soms (zeer) schaarse parkeerruimte. Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet ook privaatrechtelijke toestemming worden gegeven. Een publiekrechtelijk toelaatbare uitweg mag niet worden gefrustreerd door privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders. Het college kan in dat geval de aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming behoeft.

De indiener van een aanvraag moet bij zijn aanvraag een situatieschets van de gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie ter plaatse voegen. Aan de hand van deze gegevens kan het college sneller de afweging maken over het maken van de gewenste uitweg kan worden vergund.

De grond bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente kan bijvoorbeeld gebruikt worden om het maken van een uitweg te verbieden als dat op een onaanvaardbare manier ten koste gaat van het openbaar groen. Een verbod dat in het belang van de verkeersveiligheid wordt gesteld, strijdt evenmin met artikel 14 Wegenwet.

§ 3.2.3. Activiteiten ten aanzien van bomen en houtopstanden

Artikel 3.24 Toepassingsbereik

Gebaseerd op artikel 2 bijlage B van het Bomenbeleidsplan. Hiermee wordt deze afdeling van toepassing verklaard op activiteiten ten aanzien van bomen en houtopstanden binnen en buiten de bebouwde kom. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

In artikel 2 is voor wat betreft de toepassing aangesloten bij de definitie van bebouwde kom uit de Wet Natuurbescherming. In dit verband geldt dat de Wet Natuurbescherming hoger recht betreft en deze wet is gelet daarop van belang voor de reikwijdte van de verordening. De Wet Natuurbescherming, hoofdstuk 4, heeft tot doel om bossen te beschermen. Onder de Wet Natuurbescherming vallen bossen die gelegen zijn buiten de bebouwde kom, zoals vastgesteld op grond van de Wet Natuurbescherming. Daarbij gaat het om alle beplantingen van bomen die als geheel groter zijn dan 10 are en bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan twintig bomen bestaat. Op grond van artikel 4.6 is de gemeenteraad niet bevoegd regels te stellen ter bewaring van bossen en andere houtopstanden buiten de bebouwde kom, tenzij het gaat om de bewaring van houtopstanden op erven en in tuinen en beplantingen van bomen die als geheel kleiner zijn dan 10 are en bomen in een rijbeplanting, minder dan twintig bomen, of bestaand uit populieren of wilgen.

Voor de laatste houtopstanden kunnen in beginsel dus wel regels worden gesteld. Dat doet de gemeenteraad van Zuidplas via artikel 2, lid 1, onderdeel b van deze verordening.

Artikel 3.25 Verbod vellen waardevolle houtopstanden

Gebaseerd op artikel 4 bijlage B van het Bomenbeleidsplan. De verwijzingen naar andere artikelen zijn geactualiseerd op basis van de VFLO. Vergunning is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

Voor de houtopstanden die zijn opgenomen op de lijst met waardevolle houtopstanden geldt dat een ontheffing van het college noodzakelijk is voor het kandelaberen, kappen, knotten, rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of beschadiging of ontsiering van de houtopstand tot gevolg kunnen hebben. Alleen in uitzonderlijke gevallen Omdat er sprake is van een ‘nee, tenzij’-regime voor wat betreft het vellen van beschermingswaardige houtopstanden, is gekozen voor een ontheffingsstelsel. Slechts in uitzonderlijke gevallen geldt dat het mogelijk is om een waardevolle houtopstand te kappen. Hierbij geldt dat sprake moet zijn van een zwaarwegende maatschappelijke reden of een situatie dat instandhouding niet langer verantwoord is. 46 Bomenbeleidsplan 2016 Voor waardevolle houtopstanden geldt dus dat voor kappen niet zomaar toestemming wordt gegeven en dat een bepaalde mate van overlast dient te worden geaccepteerd. Overlast door vruchten en luizen of opdrukkende wortels kunnen in beginsel geen reden zijn voor het verlenen van een ontheffing. Indien plannen voor nieuwbouw of de aanleg van infrastructuur ter plaatse van een beschermde houtopstand reden is tot een ontheffingsaanvraag is, moet allereerst duidelijk zijn dat met de realisatie een zwaarwegend maatschappelijk belang is gemoeid. Individuele particuliere belangen of kleine maatschappelijke belangen kunnen dus niet tot velling van een waardevolle houtopstand leiden. Wel zou verplanting hoe dan ook een mogelijkheid kunnen zijn. Advies boomtechnisch deskundige Om te beoordelen of instandhouding niet langer verantwoord is danwel dat verplaatsing van een houtopstand mag plaatsvinden, dient de aanvrager van de ontheffing een advies te overleggen van een boomtechnisch deskundige.

Artikel 3.26 Verval

Gebaseerd op artikel 5 bijlage B van het Bomenbeleidsplan. Vergunning is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

Een verleende omgevingsvergunning vervalt indien hier niet binnen een jaar gebruik van is gemaakt.

Artikel 3.27 Herplantplicht en overige voorschriften

Gebaseerd op artikel 6 bijlage B van het Bomenbeleidsplan. Vergunning is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

In de artikelen 6 en 7 is onder meer een herplantplicht opgenomen om ervoor te zorgen dat het vellen “in natura” wordt gecompenseerd. Een herplantplicht wordt in beginsel altijd als voorschrift aan een ontheffing verbonden. Alleen als herplant niet in redelijkheid op hetzelfde perceel of in de directe omgeving kan geschieden, kan ervan worden afgezien een herplantplicht op te leggen. Met het tweede lid van de genoemde artikelen wordt beoogd om bij herplant zo veel mogelijk te streven naar herplant met vergelijkbare bomen voor wat betreft leeftijd, soort en dikte. Herplant dient zoveel mogelijk ter plaatse te gebeuren en indien dat niet mogelijk is, moet worden gezocht naar mogelijkheden om bomen in de directe omgeving te herplanten. Heeft dit laatste geen resultaat, dan bepaalt het derde lid dat een bedrag gelijk aan de waarde van de herplant in de Voorziening Groen gestort dient te worden. Deze voorziening wordt door het college in het leven geroepen en bevat gelden ten behoeve van zowel bomen als ander openbaar groen van gemeente Zuidplas. Artikel 8 lid 2 bevat de regel dat de aan bomen gelieerde gelden in de Voorziening Groen mogen worden gebruikt ten behoeve van de uitbreiding en handhaving van de in de gemeente bestaande houtopstanden, maar investering in ander gemeentelijk groen is dus ook mogelijk.

Artikel 3.28 Herplantplicht bij overtreding verbod

Gebaseerd op artikel 7 bijlage B van het Bomenbeleidsplan. Vergunning is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

In de artikelen 6 en 7 is onder meer een herplantplicht opgenomen om ervoor te zorgen dat het vellen “in natura” wordt gecompenseerd. Een herplantplicht wordt in beginsel altijd als voorschrift aan een ontheffing verbonden. Alleen als herplant niet in redelijkheid op hetzelfde perceel of in de directe omgeving kan geschieden, kan ervan worden afgezien een herplantplicht op te leggen. Met het tweede lid van de genoemde artikelen wordt beoogd om bij herplant zo veel mogelijk te streven naar herplant met vergelijkbare bomen voor wat betreft leeftijd, soort en dikte. Herplant dient zoveel mogelijk ter plaatse te gebeuren en indien dat niet mogelijk is, moet worden gezocht naar mogelijkheden om bomen in de directe omgeving te herplanten. Heeft dit laatste geen resultaat, dan bepaalt het derde lid dat een bedrag gelijk aan de waarde van de herplant in de Voorziening Groen gestort dient te worden. Deze voorziening wordt door het college in het leven geroepen en bevat gelden ten behoeve van zowel bomen als ander openbaar groen van gemeente Zuidplas. Artikel 8 lid 2 bevat de regel dat de aan bomen gelieerde gelden in de Voorziening Groen mogen worden gebruikt ten behoeve van de uitbreiding en handhaving van de in de gemeente bestaande houtopstanden, maar investering in ander gemeentelijk groen is dus ook mogelijk.

Artikel 3.29 Bestrijding van boomziekten

Deels gebaseerd op artikel 10 bijlage B van het Bomenbeleidsplan. Omdat er meerdere boomziekten kunnen voorkomen is het artikel aangepast naar een algemeen artikel over boomziekten in plaats van alleen iepziekte. Vergunning is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning.

Toelichting

De gemeenteraad neemt geen bevoegdheid op voor het college om toestemming te geven tot direct vellen in het belang van de openbare orde of veiligheid. De burgemeester beschikt terzake over toereikende bevoegdheden. Het algemene kapverbod geldt bij gebruikmaking daarvan op grond van de verordening niet.

§ 3.2.4. Openbaar water

Artikel 3.30 Voorwerpen op, in of boven openbaar water

Gebaseerd op artikel 5:24 Algemene plaatselijke verordening. Vergunning is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning. De verwijzingen naar andere wetten en verordeningen zijn aangepast naar de huidige, geldende versies. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

Artikel 5:24 is, ter aanvulling van een aantal andere regelingen, bedoeld om de overige openbare wateren te vrijwaren van activiteiten die het gebruik op enigerlei wijze nadelig zouden kunnen beïnvloeden. De veiligheid op het water heeft reeds een afdoende regeling gevonden in een aantal bepalingen van het Wetboek van Strafrecht, te weten de artikelen 162, 163 en 427, sub 6, en het Binnenvaartpolitiereglement (zie bij voorbeeld artikel 1.15 van dit reglement).

Dit artikel is in een aantal opzichten vergelijkbaar met artikel 2:10 van de Algemene plaatselijke verordening, het plaatsen van voorwerpen op de weg. Ook bij dit artikel is een vergunning vervangen door een breed gestelde algemene regel. Daarmee legt de gemeente nadrukkelijk een deel van de verantwoordelijkheid bij de burger. In eerste instantie moet deze zelf de afweging maken of een steiger of een meerpaal gevaar of hinder oplevert voor het vaarverkeer, of een probleem voor het beheer en onderhoud. Omdat er hierbij, eerder dan in artikel 2:10, waar het veelal gaat om tijdelijke en verplaatsbare objecten, gaat om permanent bedoelde zaken, is aan dit artikel anders dan bij artikel 2:10 een meldingsplicht verbonden. Op die manier kan de gemeente vooraf toetsen en met de melder overleggen of bijvoorbeeld het onderhoud van de oevers niet in het geding is. Zo kan worden voorkomen dat een al geplaatst object weer moet worden verwijderd, met alle financiële gevolgen van dien.

Artikel 3.31 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen

Gebaseerd op artikel 5:25 Algemene plaatselijke verordening. Vergunning is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning. De verwijzingen naar andere wetten en verordeningen zijn aangepast naar de huidige, geldende versies. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

Op grond van het eerste lid kan het college gedeelten van het openbaar water aanbieden waar het verboden is een ligplaats in te nemen. Artikel 88 van de Huisvestingswet bepaalt dat de gemeenteraad geen regels stelt die leiden tot een algeheel verbod van het in gebruik nemen of geven van een woonschip op een ligplaats. Een algemeen verbod komt in strijd met bovengenoemde wet.

Tweede lid

Het tweede lid, onder a, van artikel 5:25 van de Algemene plaatselijke verordening biedt het college de mogelijkheid om nadere regels te stellen aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats. Via deze algemeen werkende voorschriften is het mogelijk om bijvoorbeeld aan woonschepen die een vaste ligplaats willen innemen of hebben, eisen te stellen met betrekking tot de afvoer van het afvalwater, de drinkwatervoorziening etc. Zelfs zou aansluiting op de riolering, het drinkwater- en elektriciteitsnet voorgeschreven kunnen worden, indien de mogelijkheden daartoe redelijkerwijs aanwezig zijn.

Het bepaalde in dit lid vormt voor woonschepen een handzaam alternatief van de bouwverordening. Deze verplicht namelijk dat bouwwerken, zijnde een woning, over een deugdelijke afvalwaterafvoer dienen te beschikken en in beginsel aangesloten moeten zijn op het drinkwater- en elektriciteitsnet. Woonschepen die eveneens als woning gebruikt worden, vallen vanwege het feit dat het geen bouwwerken zijn, niet onder de werking van de bouwverordening. Ook kunnen krachtens dit lid “welstandseisen” aan woonschepen worden gesteld.

Krachtens het tweede lid, onder b, van artikel 5:26 heeft het college ook de mogelijkheid om een differentiatie naar soort en aantal vaartuigen aan te brengen. Zo kunnen aparte ligplaatsen voor woonschepen en ligplaatsen voor uitsluitend pleziervaartuigen aangewezen worden. Bovendien kan het aantal gelimiteerd worden.

Pleziervaartuigen

Uit artikel 5:25 volgt bovendien dat ook het innemen van een ligplaats met een “pleziervaartuig” slechts toegestaan is op die plaatsen die niet door het college krachtens het eerste lid zijn aangewezen. Ook hier kan het aantal vaartuigen dat ligplaats mag innemen op de niet-aangewezen gedeelten van openbaar water gelimiteerd worden.

Artikel 3.32 Beschadigen van waterstaatswerken

Gebaseerd op artikel 5:28 Algemene plaatselijke verordening. De verwijzingen naar andere wetten en verordeningen zijn aangepast naar de huidige, geldende versies. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

De Vaarwegenverordening Zuid-Holland kent dergelijke bepalingen voor waterstaatswerken die bij de provincie in beheer zijn. Artikel 5:28 vormt dan het sluitstuk, namelijk voor de waterstaatswerken die in beheer zijn bij de gemeenten. Artikel 1.14 van het Binnenvaartpolitiereglement legt aan degene die een kunstwerk beschadigt bovendien nog een meldingsplicht op.

Artikel 3.33 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen

Gebaseerd op artikel 4:9 Algemene plaatselijke verordening. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

Dit artikel betreft een onderwerp dat voorheen in de bouwverordening was geregeld. Aangezien het hier om bepalingen gaat die niet direct het bouwwerk maar meer de omgeving betreffen, is tot onderbrenging in de Verordening fysieke leefomgeving besloten.

§ 3.2.5. Schade aan groenvoorzieningen

Artikel 3.34 Crossterreinen

Gebaseerd op artikel 5:32 Algemene plaatselijke verordening. Het aanwijsbesluit zoals weergegeven in lid twee is conform de nieuwe Omgevingswet verhuisd naar hoofdstuk 2 artikel 2:15 van de VFLO. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

Op het houden van auto- en motorsportevenementen, het crossen met auto’s, motoren, bromfietsen e.d. al dan niet met een wedstrijdkarakter zijn verschillende wettelijke regelingen van toepassing. Hierbij speelt mede een rol in hoeverre deze activiteiten al dan niet op een weg in de zin van de wegenverkeerswetgeving plaatsvinden.

Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) en Algemene plaatselijke verordening Ingevolge artikel 110, tweede lid, van de WVW 1994 jo. artikel 5 van het Reglement rijbewijzen mogen bromfietsen slechts worden bestuurd door personen die de leeftijd van 16 jaar hebben bereikt. Het verkeersrechtelijk regime is echter niet van toepassing, wanneer de bedoelde activiteiten zich afspelen op een terrein dat niet kan worden aangemerkt als een weg die feitelijk voor het openbaar verkeer openstaat in de zin van de wegenverkeerswetgeving. Op de vraag wanneer sprake is van een zodanige weg wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 1:1 van de Algemene plaatselijke verordening. Zoals daar bleek, gaat het erom of een weg feitelijk voor het openbaar verkeer gesloten is.

Indien een auto- of motorsportactiviteit, crossen e.d. op de weg, als bedoeld in de WVW 1994, plaats vindt en een wedstrijdkarakter heeft, is artikel 10 van de WVW 1994 van toepassing. Het eerste lid van deze bepaling zegt dat het verboden is op een weg een wedstrijd met voertuigen te houden of daaraan deel te nemen. Dit verbod richt zich dus zowel tot de organisator van de wedstrijd als tot de deelnemers aan de wedstrijd. Vindt een wedstrijd met voertuigen plaats op andere plaatsen, dan op de weg in de zin van de WVW 1994, dan kan artikel 5:32 van toepassing zijn. Artikel 5:32 ziet op het gebruik van motorvoertuigen of een bromfiets als bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) in het kader van een wedstrijd op speciaal daarvoor aangewezen terreinen door het college. Kenmerkend voor het wedstrijdkarakter is dat er een beloning in de vorm van prijzen, medailles of iets dergelijks in het vooruitzicht worden gesteld. Indien artikel 5:32 van toepassing is, is een vergunning op basis van artikel 2:25 niet meer aan de orde.

Auto- of motorsportactiviteit zonder wedstrijdkarakter op de weg Voor het organiseren van evenementen in het algemeen zijn in principe de bepalingen van hoofdstuk 2, afdeling 2 “Toezicht op evenementen” van de Algemene plaatselijke verordening van toepassing (art. 2:24 e.v.). De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid voorschriften geven omtrent het houden van zo’n evenement dan wel het evenement geheel verbieden. Deze bepalingen zijn ook van toepassing op auto- en motorsportevenementen, die geen wedstrijdkarakter hebben, zoals toertochten, oldtimerritten e.d.

Wet milieubeheer en Algemene plaatselijke verordening Bij het reguleren van auto- en motorsportactiviteiten, crossen e.d. buiten de weg moet onderscheid worden gemaakt tussen (i) speciaal daarvoor ingerichte terreinen, zoals circuits, en (ii) overige terreinen, zoals natuurgebieden, parken, plantsoenen of andere voor recreatief gebruik beschikbare terreinen. De eerstbedoelde terreinen vallen doorgaans onder de Wet milieubeheer; voor de overige terreinen kan een gemeente zelf regels stellen, zoals in de artikelen 5:32 en 5:33 van deze Algemene plaatselijke verordening.

(i) In bepaalde gevallen moet een motor(sport)terrein worden aangemerkt als een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. In het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer worden de inrichtingen opgesomd waarvoor krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer een vergunning vereist is. De regeling betreffende de motorterreinen is opgenomen in categorie 19 van het besluit. In categorie 19.1, onder g, worden genoemd: inrichtingen of terreinen, geen openbare weg zijnde, waar gelegenheid wordt geboden tot het gebruiken van: bromfietsen, motorvoertuigen of andere gemotoriseerde voer- of vaartuigen in wedstrijdverband ter voorbereiding van wedstrijden of voor recreatieve doeleinden.

In de nota van toelichting bij het besluit blijkt dat uit de omschrijving “gelegenheid bieden” is af te leiden dat elke inrichting of elk terrein, dat in enigerlei vorm is ingericht om de genoemde activiteiten mogelijk te maken, onder dit besluit valt.

Vervolgens vermeldt de nota van toelichting dat enige accommodatie evenwel nodig zal zijn voordat kan worden vastgesteld of sprake is van een dergelijke inrichting, bijvoorbeeld in de vorm van een begrenzing. Indien elke, al dan niet beoogde, begrenzing van de plaats waar de genoemde activiteiten zich afspelen ontbreekt, zal bezwaarlijk van een inrichting kunnen worden gesproken (bijvoorbeeld wanneer een aantal liefhebbers van modelvaartuigen regelmatig met elkaar hun bootjes laat varen op een grote plas of waterweg).

Op grond van artikel 8.2 van de Wet milieubeheer zijn het college bevoegd om op een aanvraag voor vergunning voor een motorterrein als bedoeld in categorie 19 te beslissen. Voor zover de terreinen, geen openbare weg zijnde, echter bestemd of ingericht zijn voor het in wedstrijdverband, ter voorbereiding van wedstrijden of voor recreatieve doeleinden rijden met gemotoriseerde voertuigen, en de terreinen daartoe acht uren per week of meer zijn opengesteld, wordt de vergunning niet afgegeven door het college, maar door gedeputeerde staten (categorie 19.2).

(ii) De regeling in de Algemene plaatselijke verordening is van belang voor die terreinen die niet genoemd zijn in categorie 19.1, onder g, van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, bijvoorbeeld een terrein dat niet is ingericht voor motorwedstrijden en -activiteiten en terreinen die hiervoor slechts eenmalig of zeer incidenteel worden gebruikt.

Artikel 3.35 Beperking verkeer in natuurgebieden

Gebaseerd op artikel 5:33 Algemene plaatselijke verordening. Vergunning is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning. De verwijzingen naar andere wetten en verordeningen zijn aangepast naar de huidige, geldende versies. Het aanwijsbesluit zoals weergegeven in lid twee is conform de nieuwe Omgevingswet verhuisd naar hoofdstuk 2 van de VFLO. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

Vele gemeenten worden in toenemende mate geconfronteerd met het bezoek van motorcrossers aan natuurgebieden, met als gevolg klachten over geluidhinder, schade aan de flora, verstoring van wild e.d. Verder worden natuurgebieden, parken e.d. steeds vaker door ruiters en fietsers/mountainbikers bezocht. Het komt nogal eens voor dat ruiters en fietsers/mountainbikers de speciaal voor hen aangewezen ruiter- of fietspaden verlaten. Deze gedraging levert gevaar en hinder op voor wandelaars en berokkent vaak ook schade aan flora en fauna.

Bij de vraag, welke maatregelen mogelijk zijn tegen het motorcrossen in natuurgebieden, zal men een onderscheid moeten maken tussen het zgn. “wilde crossen” (op wegen en paden en “off the road”) en het crossen op daartoe speciaal gebruikte motorterreinen. Op het crossen op motorterreinen is artikel 5:32(?) van de Algemene plaatselijke verordening van toepassing.

Maatregelen Bij de vraag welke maatregelen genomen kunnen worden tegen het “wildcrossen” of overlastgevend ruiter- en fietsverkeer gaat het in feite om een meer algemeen vraagstuk: Welke maatregelen kunnen genomen worden om ter bescherming van het milieu en ter voorkoming van overlast gemotoriseerd verkeer, ruiter- of fietsverkeer uit bepaalde gebieden te weren?

Een mogelijkheid om het weggebruik door de verkeersdeelnemers te reguleren is het nemen van verkeersbeperkende maatregelen op grond van de wegenverkeerswetgeving.

Voor de in deze gebieden gelegen wegen is sinds november 1991 de wegbeheerder bevoegd tot het treffen van verkeersmaatregelen (zie artikel 18 WVW 1994). De WVW 1994 geeft mogelijkheden verkeersmaatregelen te nemen ter bescherming van milieubelangen. Regulering van het gemotoriseerde verkeer dat van de weg gebruik maakt in natuurgebieden dient te geschieden op basis van de WVW 1994 door middel van een verkeersmaatregel. Hierbij moet het dan gaan om een regeling ten aanzien van het gebruik van wegen in de zin van de WVW 1994.

Voor de overige gebieden, buiten de wegen in de zin van de WVW 1994, binnen een natuurgebied is een regeling opgenomen in de Algemene plaatselijke verordening.

Verordening stiltegebieden Provinciale staten dienen op grond van artikel 1.2 van de Wet milieubeheer een verordening op te stellen die onder andere regels bevat inzake het voorkomen of beperken van geluidhinder in bij de verordening aangewezen gebieden. Deze verordening wordt de provinciale milieuverordening (PMV) genoemd en vervangt de oude verordeningen op grond van artikel 122 van de Wet geluidhinder.

Volgens de PMV is het onder meer verboden een aantal toestellen te gebruiken binnen het milieubeschermingsgebied. Het is ook verboden om met een motorvoertuig met draaiende verbrandingsmotor de openbare weg of andere voor bestemmingsverkeer openstaande wegen en terreinen te verlaten. Toertochten voor motorvoertuigen of een wedstrijd als bedoeld in artikel 24 van de WVW 1994 zijn niet toegestaan.

Artikel 3.36 Rookverbod in bossen en natuurgebieden

Gebaseerd op artikel 2:18 Algemene plaatselijke verordening. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

Het verbod heeft tot doel bosbranden te voorkomen en beschadiging van eigendommen tegen te gaan. Het verbod kan niet zover strekken dat het roken in de gebouwen en in de bijbehorende tuinen die in een bos of natuurgebied liggen, niet meer mogelijk is. Dat zou teveel ingrijpen in de particuliere sfeer van burgers. De periode waarin het rookverbod geldt, wordt door het college bepaald. Desgewenst kan het college op ad-hoc basis (bijvoorbeeld bij grote droogte) een periode aanwijzen.

In het derde lid wordt verwezen naar artikel 429, aanhef en onder 3 , van het Wetboek van Strafrecht, waarin is bepaald: "Met hechtenis van ten hoogste veertien dagen of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft: hij die door gebrek aan de nodige omzichtigheid of voorzorg gevaar voor bosheide-, helm-, gras- of veenbrand doet ontstaan."

Deze bepaling verbiedt het roken niet, mits dat maar met de nodige omzichtigheid en voorzorg geschiedt. Aangezien een dergelijke regeling niet of nauwelijks handhaafbaar is, is gekozen voor een stringent rookverbod als aanvulling op artikel 429 van het Wetboek van Strafrecht. Hetzelfde geldt min of meer voor het tweede lid van artikel 2:18. Het enkele wegwerpen van bijvoorbeeld een brandende peuk is ingevolge dit tweede lid reeds strafbaar. Het is daarbij niet van belang of zulks al dan niet "met de nodige omzichtigheid en voorzorg" geschiedde. Was de nodige omzichtigheid en voorzorg i.e. niet aanwezig, dan is niet de Algemene plaatselijke verordening, maar het Wetboek van Strafrecht van toepassing.

§ 3.2.6. Parkeren

Artikel 3.37 Belanghebbendenplaatsen

Gebaseerd op artikel 3 van de Parkeerverordening. De verwijzing naar “het college van burgemeester en wethouders” is veranderd in “het college” om zo de verschillende verordeningen op elkaar af te stemmen. Vergunning is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning parkeren. Lid 4 is aangepast zodat alle artikelen met deze zinsnede gelijk luiden. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Artikel 3.38 Beslistermijn

Gebaseerd op artikel 4 van de Parkeerverordening. De verwijzing naar “het college van burgemeester en wethouders” is veranderd in “het college” om zo de verschillende verordeningen op elkaar af te stemmen. Vergunning is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning parkeren. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Dit artikel kan niet samenvallen met de algemene bepalingen over beslistermijnen omdat hier andere termijnen aangehouden worden.

Toelichting

Het uitgangspunt van artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Algemene wet bestuursrecht ) is dat in het wettelijk voorschrift de termijn aangegeven wordt waarbinnen de beschikking gegeven dient te worden. Zo kan worden nagegaan wat voor iedere situatie een goede beslistermijn is. In de Parkeerverordening is de beslistermijn vastgesteld op acht weken (eerste lid). Tijdig beslissen is een rechtsplicht voor elk bestuursorgaan.

Artikel 3.39 Geldigheidsduur

Gebaseerd op artikel 5 van de Parkeerverordening. De verwijzing naar “het college van burgemeester en wethouders” is veranderd in “het college” om zo de verschillende verordeningen op elkaar af te stemmen. Vergunning is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning parkeren. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Dit artikel kan niet samenvallen met de algemene bepalingen over de geldigheidsduur van vergunningen.

Toelichting

Er is bepaalt dat de vergunning of ontheffing in beginsel voor onbepaalde tijd geldt. Dit vloeit mede voort uit artikel 11 van de Dienstenrichtlijn, dat stelt dat vergunningen geen beperkte geldingsduur mogen hebben, tenzij: a. de vergunning automatisch wordt verlengd of alleen afhankelijk is van de voortdurende vervulling van de voorwaarden; b. het aantal beschikbare vergunningen beperkt is door een dwingende reden van algemeen belang; c. een beperkte duur gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang.

Over punt b: Uit Europese Dienstenrichtlijn volgt dat een vergunning in beginsel voor onbepaalde tijd geldt. Maar wanneer het aantal vergunning logischerwijs beperkt is, bijvoorbeeld omdat de gemeente geen onbeperkt grondgebied heeft, mag de markt juist niet gesloten blijven voor nieuwe aanbieders omdat de bestaande aanbieders voor onbepaalde tijd alle beschikbare vergunningen in handen hebben. In dat geval moet geregeld een transparante en onpartijdige "herverdeling" van de schaarse vergunningen worden georganiseerd.

Artikel 3.40 Intrekking omgevingsvergunning parkeren

Gebaseerd op artikel 6 van de Parkeerverordening. De verwijzing naar “het college van burgemeester en wethouders” is veranderd in “het college” om zo de verschillende verordeningen op elkaar af te stemmen. Vergunning is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Dit artikel kan niet samenvallen met de algemene bepalingen over het intrekken van vergunningen.

Toelichting

De genoemde intrekkingsgronden hebben een facultatief karakter ("kan"). Het hangt van de omstandigheden af of tot intrekking of wijziging wordt overgegaan. Zo zal niet iedere niet-nakoming van vergunningsvoorschriften leiden tot intrekking van de vergunning. Met name het rechtzekerheids- en het vertrouwensbeginsel beperken nogal eens de bevoegdheid tot wijziging en intrekking.

Artikel 3.41 Verbodsbepaling

Gebaseerd op artikelen 7 en 8 van de Parkeerverordening. De verwijzing naar “het college van burgemeester en wethouders” is veranderd in “het college” om zo de verschillende verordeningen op elkaar af te stemmen. Vergunning is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning parkeren. Inhoudelijk zijn de artikelen niet aangepast.

Toelichting

Vergunningstelsels zijn in de parkeerverordening als volgt geformuleerd: een verbodsbepaling om een bepaalde activiteit te verrichten behoudens vergunning. In het artikel zijn de algemene gronden voor het weigeren van een vergunning opgenomen

§ 3.2.7. Reclame

Artikel 3.42 Straatreclame

Gebaseerd op artikel 2:10a Algemene plaatselijke verordening. De verwijzingen naar andere artikelen zijn geactualiseerd op basis van de VFLO. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

Het straatbeeld verrommelt als gevolg van het ontbreken van een eenduidig beleid op het gebied van straatreclame. Met dit artikel wordt beoogd deze verrommeling tegen te gaan.

Eerste lid

Artikel 2:10 regelt het gebruik van een openbare plaats anders dan de publieke functie daarvan. Straatreclame valt hier ook onder. Gebleken is echter dat het straatbeeld verrommelt omdat concrete bepalingen over straatreclame in artikel 2:10 ontbreken. Daarom is het van belang om naast artikel 2:10 ook een bepaling over straatreclame te hebben, waarin duidelijke regels worden gesteld.

Derde lid

Alle straatreclame wordt verboden tenzij dit wordt geplaatst op door het college aangewezen plaatsen. Bij het aanwijzen van de plaatsen kan het college rekening houden met het soort reclame dat geplaatst wordt. Ten denken valt hierbij dat nabij scholen en sportverenigingen en andere gevoelige objecten bepaalt soort reclame ongewenst is. Tevens dienen aangewezen plaatsen van dien aard te zijn dat er geen verkeersonveilige situaties ontstaan.

Doordat de straatreclame alleen geplaatst kan worden op de door het college aangewezen middelen wordt voorkomen dat er allerlei soorten borden worden geplaatst en bestaat de mogelijkheid voor het college om het beheer van de straatreclame uit te besteden aan een externe partij. Het is van belang dat er een rustig straatbeeld wordt gecreëerd en dat de middelen duurzaam zijn.

Vierde lid

Aangezien een spandoek altijd in het bezit van de degene is die de reclame wil plaatsen, is dit een middel wat het college niet beschikbaar kan stellen. Daarom is in dit lid voor spandoeken een uitzondering gemaakt, het college wijst hiervoor alleen de plaatsen aan.

Vijfde lid

Bij nadere regels kan gedacht worden aan regels omtrent het ophangen van spandoeken, hoe lang reclame geplaatst mag worden en dergelijke zaken.

Artikel 3.43 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame

Gebaseerd op artikel 4:15 Algemene plaatselijke verordening. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

Deze bepaling bevat een algemene regel die verbiedt om door middel van een reclame het verkeer in gevaar te brengen of hinder dan wel overlast te veroorzaken voor omwonenden. De gedachte daarachter is dat voor een reclame van enige omvang of betekenis doorgaans een bouwvergunning nodig is, waardoor al aan de welstand kan worden getoetst. Een reclame waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of overlast wordt veroorzaakt voor omwonenden komt relatief zo weinig voor dat het moeilijk valt te rechtvaardigen om voor die gevallen een vergunningplicht voor alle reclames in stand te houden.

Op een vergunnings- en ontheffingsstelsel voor handelsreclame aan gebouwen is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing. Omdat een zodanig stelsel in de model-Algemene plaatselijke verordening geschrapt is, is daarvoor geen regeling opgenomen.

Handelsreclame is gedefinieerd in artikel 1:1, aanhef en onder g, van de Algemene plaatselijke verordening als: elke openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen. Onroerende zaken zijn volgens het artikel 3:3, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek onder meer de grond, de met de grond verenigde beplantingen en de gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd.

§ 3.2.8. Ambulante handel

Omdat standplaats onder de Algemene plaatselijke verordening een andere betekenis heeft als onder de Marktverordening is er voor gekozen om standplaats zoals bedoeld in de Marktverordening te hernoemen naar marktstandplaats.

Artikel 3.44 Omgevingsvergunning voor innemen van marktstandplaats

Gebaseerd op artikel 2.1 van de Marktverordening. Vergunning is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning. Lid 2 is aangepast zodat alle artikelen met deze zinsnede gelijk luiden. Standplaats is marktstandplaats geworden. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

Vergunning voor innemen marktstandplaats. De vergunning geeft het recht om een marktstandplaats op de markt in te nemen. De vergunninghouder moet voldoen aan de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden (artikel 1.6). De vergunning is persoonlijk en niet overdraagbaar. De verkoop van waren op een markt dient uitsluitend te geschieden door degenen aan wie door het college vergunning daarvoor heeft verleend. Iedere andere wijze van verkopen op markten is verboden. Een uitzondering op deze regel kan worden gemaakt voor degenen, die de kooplieden van koffie, soepen en dergelijke voorzien. De lex silencio positivo is op dit vergunningstelsel van toepassing. Deze wordt voor langere tijd verleend. Het toezicht op de naleving van de gestelde regels en vaste voorwaarden bij de vergunningen is bovendien hoog en makkelijk wegens vaste tijden en plaats van de markten.

Artikel 3.45 Toewijzing marktstandplaatsen

Gebaseerd op artikel 2.2 van de Marktverordening. Standplaats is marktstandplaats geworden. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

Een marktstandplaats wordt toegewezen als vaste plaats, dagplaats of standwerkerplaats

Artikel 3.46 Vereisten omgevingsvergunningaanvraag

Gebaseerd op artikel 2.3 van de Marktverordening. Standplaats is aangepast naar marktstandplaats. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

De genoemde publiekrechtelijke verplichtingen zijn de vestigingsvergunning (indien van toepassing), de inschrijving in het handelsregister en de registratiekaart van het Centraal registratiekantoor (CRK). Indien de aanvrager niet voldoet aan de genoemde eisen, kan dit reden zijn de vergunning te weigeren (of in te trekken op grond van artikel 2.4). Het is dwingend vastgelegd dat alleen natuurlijke personen tot de markt worden toegelaten. Hiermee wordt voorkomen dat de rechtspersonen een overheersende positie op de markt kunnen innemen. Door de koppeling van de vergunning aan een natuurlijk persoon wordt een zo eerlijk mogelijke verdeling van alle marktplaatsen in Nederland bereikt. Uiteraard kan het wel zo zijn dat de natuurlijke persoon een onderneming drijft in de vorm van een rechtspersoon. Ook dan wordt de natuurlijke persoon (de bedrijfsleider) aangemerkt als vergunninghouder. Het is echter niet mogelijk de vergunning op naam van de rechtspersoon te stellen.

Artikel 3.47 Intrekking omgevingsvergunning

Gebaseerd op artikel 2.4 van de Marktverordening. Vergunning is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning. Lid 2 is aangepast zodat alle artikelen met deze zinsnede gelijk luiden. De verwijzingen naar andere artikelen zijn geactualiseerd op basis van de VFLO. Standplaats is aangepast naar marktstandplaats. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

Tot intrekking van de vergunning wordt altijd op de in het eerste lid genoemde gronden overgegaan. Het eerste lid betreft alleen de vast plaatsen. In het tweede lid worden intrekkingbevoegdheden genoemd ten aanzien van de vergunning in het algemeen. Intrekking ligt uiteraard minder voor de hand bij niet-vaste plaatsen, maar het kan onder omstandigheden toch gewenst zijn een dag- of standwerkerplaats in te trekken. In de regel zal echter eerder worden overgegaan tot bestuursdwang of onmiddelijke verwijdering op grond van artikel 4.4.

Artikel 3.48 Opzeggen omgevingsvergunning

Gebaseerd op artikel 2.4a van de Marktverordening. Standplaats is aangepast naar marktstandplaats. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

Dit artikel zorgt ervoor dat als iemand zijn vaste standplaats vanaf een bepaalde tijd niet meer wil innemen de marktmeester dit tijdig weet. Op deze manier kan er tijdig worden geadverteerd met de lege standplaats. Dit voorkomt dat er een vaste standplaats leeg staat, terwijl er over het algemeen genoeg gegadigde zijn om de vaste standplaatsen in te nemen.

Artikel 3.49 Overschrijven omgevingsvergunning

Gebaseerd op artikel 2.9 van de Marktverordening. Vergunning is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning. Lid 2 is aangepast zodat alle artikelen met deze zinsnede gelijk luiden. Standplaats is aangepast naar marktstandplaats. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

Komt en vergunninghouder te overlijden of wordt hij blijvend arbeidsongeschikt, dan moet het op sociale overwegingen gerechtvaardigd worden geacht, dat zijn vergunning voor een vaste plaats op de achterblijvende echtgenoot, de geregistreerde partner of de levenspartner kan worden overgeschreven. In het eerste lid is vastgelegd dat de echtgenoot en de daarmee gelijkgestelde partners recht hebben op de vaste plaats van de vergunninghouder. Een kind van de vergunninghouders dat voldoet in het tweede lid gestelde eisen heeft recht op een vaste plaats op de markt. Het kind is immers, in vergelijking met de echtgenoot of de daarmee gelijkgestelde partner, minder direct in zijn inkomensvoorziening geschaad door het overlijden van de vergunninghouder. Als bewijs van arbeidsongeschiktheid dient een verklaring van een arts te worden overgelegd. Het gaat hier uiteraard om arbeidsongeschiktheid voor de markthandel. Het vijfde lid maakt het mogelijk dat in speciale gevallen het toch mogelijk is om de vergunning over te schrijven op een kind van de vergunninghouder terwijl hij niet aan de voorwaarde voldoet die in artikel 2.9 zijn terug te vinden. Gedacht kan worden aan een zoon, die in bijzondere omstandigheden verkeert, die toch het bedrijf van de vader over wil nemen maar niet drie jaar werkzaam is in dat bedrijf. Per geval dient het college een belangenafweging te maken.

Artikel 3.50 Persoonlijk innemen marktstandplaats

Gebaseerd op artikel 3.1 van de Marktverordening. De verwijzingen naar andere artikelen zijn geactualiseerd op basis van de VFLO. Standplaats is aangepast naar marktstandplaats. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

In dit artikel is bepaald dat vergunninghouder in principe verplicht is zelf op zijn standplaats aanwezig te zijn. Aangezien in artikel 2.3 is bepaald dat de vergunninghouder een natuurlijk persoon moet zijn, betekent dit dat de standplaats niet door bijvoorbeeld een medevennoot van de vergunninghouder kan worden ingenomen. De vergunninghouder kan zich doen bijstaan op grond van het tweede en derde lid.

Artikel 3.51 Aantal keren innemen marktstandplaats

Gebaseerd op artikel 3.2 van de Marktverordening. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

De plicht om de standplaats het minimum aantal vastgestelde keren in te nemen, geldt uiteraard alleen voor de vaste standplaatshouder en niet voor de dagplaatshouders of standwerker. Dit is noodzakelijk om de continuïteit in de bezetting te waarborgen.

Artikel 3.52 Afwezigheid wegens ziekte, vakantie of bijzondere omstandigheden

Gebaseerd op artikel 3.3 van de Marktverordening. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

In dit artikel worden de uitzonderingen gegeven op het uitgangspunt dat de vergunninghouder zelf op de standplaats aanwezig dient te zijn. Het is wel noodzakelijk dat het college of de marktmeester van elke verhindering tot marktbezoek zo tijdig mogelijk op de hoogte wordt gesteld. Het college kan bepalen dat kortstondig afwezigheid zonder mededeling of ontheffing is toegestaan. Dit is van belang voor vergunninghouders, bijvoorbeeld voor veilingbezoek, inkoop, bezoek aan vergaderingen en overige bedrijfs- en sociale verplichtingen. Omdat de vergunning voor een vaste standplaats voor een onbepaalde tijd wordt verleend is het mogelijk dat, als de vergunninghouder ziek is en hij elke drie maanden een geneeskundige verklaring overlegd aan het college, de vaste standplaats een aantal jaar niet wordt ingenomen. Om dit te voorkomen wordt aan het college de mogelijkheid gegeven om af te wijken van het bepaalde in artikel 3.3.

Artikel 3.53 Ontheffing en vervanging

Gebaseerd op artikel 3.4 van de Marktverordening. Vergunning is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

In geval van ziekte, vakantie of bijzondere omstandigheden kan het college de vergunninghouder van een vaste plaats toestaan zich op zijn plaats te laten vervangen. Een maximumtermijn van zes weken is voor vakantie gebruikelijk. Het college kan (bij langdurige vervanging) als voorwaarde stellen dat de vervanger aan de vereisten van artikel 2.3 voldoet.

Artikel 3.54 Intrekken en vervallen marktstandplaatsvergunning

Gebaseerd op artikel 5.2 van de Marktverordening. Vergunning is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

In artikel 5.2 worden de gronden genoemd waarop een vergunning voor aan vaste plaats kan worden ingetrokken of geschorst. Het artikel heeft een facultatief karakter. Het hangt van de omstandigheden af of tot intrekking of schorsing wordt overgegaan. Indien het bestuursorgaan overweegt om de vergunning in te trekken of te schorsen, dient het daarbij te letten op het bepaalde in artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 3.55 Uitsluiting dagplaatshouder of standwerker

Gebaseerd op artikel 5.3 van de Marktverordening. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

Intrekking of schorsing ligt minder voor de hand bij niet-vaste plaatsen, maar in de praktijk is het van belang gebleken om naast de bevoegdheid tot onmiddellijke verwijdering ook een vergunninghouder van een dagplaats of standwerkerplaats langduriger van de markt te kunnen verwijderen. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen indien een vergunninghouder voor een vaste plaats op de vuist gaat met een dagplaatshouder of standwerker.

Artikel 3.56 Onmiddellijke verwijdering

Gebaseerd op artikel 5.4 van de Marktverordening. Vergunning is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

In artikel 125 van de Gemeentewet is bepaald dat ter uitvoering van wetten, algemene maatregelen van bestuur en provinciale en gemeentelijke verordeningen het gemeentebestuur de bevoegdheid heeft om bestuursdwang toe te passen. Dit artikel bevat voor het college de bevoegdheidsgrondslag om bestuursdwang toe te passen bij overtreding van de marktverordening en de daarop gebaseerde voorschriften.

Artikel 3.57 Tijdstip innemen marktstandplaats/aan- en afvoer goederen

Gebaseerd op artikel 3.6 van de Marktverordening. Standplaats is aangepast naar marktstandplaats. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

Het marktterrein behoort tot de openbare weg. Teneinde het marktterrein tijdens de markt vrij te maken van alle verkeer dient het college een verkeersbesluit te nemen. Ten onrechte geparkeerde auto’s kunnen met toepassing van bestuursdwang, op kosten van eigenaars, van het marktterrein worden verwijderd nog voor de eigenlijke opbouw van de markt. Voorwaarde is wel dat de tijden waarop het terrein beschikbaar moet zijn ten behoeve van de markt, duidelijk worden medegedeeld. Het tweede lid maakt duidelijk dat het in het algemeen, in het belang van de orde op de markt, de vergunninghouder niet kan worden toegestaan de markt op willekeurige, voor de sluitingstijd gelegen, momenten te verlaten. Het college dient invulling te geven aan de bijzondere omstandigheden die ontheffing mogelijk maken. Op grond van het derde lid is het mogelijk dat over een vaste plaats beschikt kan worden ten gunste van een andere koopman, indien de vergunninghouder de markt op een bepaalde niet bezoekt. Daartoe is bepaald dat de vaste plaats voor een bepaald uur ingenomen moet zijn. Indien bekend is dat de rechthebbende later op de markt verschijnt, zal de plaats uiteraard open moeten blijven. Het vierde lid bevat hiervoor een regeling.

Artikel 3.58 Dag, tijd en plaats van de markt

Gebaseerd op artikel 1.2 van de Marktverordening. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

In dit artikel wordt de dag, tijd en plaats van de markt geregeld. De in het tweede lid genoemde dringende redenen dienen het doorgang laten vinden van de markt (op de vaste dag, tijd en plaats) praktisch onmogelijk te maken. Te denken valt bijvoorbeeld aan het verrichten van bestratings- en rioleringswerkzaamheden op het marktterrein. Het is niet de bedoeling dat het begrip dringende redenen zo ruim wordt opgevat dat de warenmarkt veelvuldig kan worden verplaatst. De ervaring heeft geleerd, dat marktverplaatsingen de kooplieden sterk in hun omzet benadelen. De verplaatsing van de markt voor bijzondere evenementen moet vroegtijdig met de marktcommissie en omwonenden worden overlegd. De plaatsvervangende locatie moet voor de marktondernemers een goed alternatief zijn (zelfde toeloop etc.). De markt mag niet verplaatst worden voor elk evenement. Onder een bijzonder evenement kan o.a. worden verstaan een oud en nieuw feest en een kermis. Het derde lid De verplaatsing van de markt voor bijzondere evenementen moet vroegtijdig met de marktcommissie en omwonenden worden overlegd. De plaatsvervangende locatie moet voor de marktondernemers een goed alternatief zijn (zelfde toeloop etc.). De markt mag niet verplaatst worden voor elk evenement. Onder een bijzonder evenement kan o.a. worden verstaan een oud en nieuw feest en een kermis. f geeft het college de bevoegdheid de markt op een andere dag te laten plaatsvinden indien sprake is van een feestdag waarop het ingevolge de Winkeltijdenwet verboden is om markthandel te bedrijven. De markt kan uiteraard gewoon op de normale dag plaatsvinden, indien op grond van artikel 3, eerste lid, van de Winkeltijdenwet vrijstelling is verleend.

Artikel 3.59 Indeling van de markt; branche-indeling

Gebaseerd op artikel 1.3 van de Marktverordening. Standplaats is aangepast naar marktstandplaats. De titel is aangepast om verwarring te voorkomen met het begrip “inrichting”. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

Op grond van het eerste lid, onder a, stelt het college het aantal standplaatsen op de markt vast met onder meer als doel het aantrekkelijk maken van de markt voor de consumenten. Het aantal branches is in principe onbeperkt, tenzij het gaat om een gespecialiseerde markt. Bij de opstelling en indeling van de markt als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt rekening gehouden met de verschillende branches. Voor de orde op de markt in het van belang te bepalen welke materialen worden toegelaten en waar deze kunnen worden opgesteld. Naast de traditionele (huur)kraam onderscheidt de CVAH bijvoorbeeld de instantkraam, de verrijdbare kraam, de afzetcontainer, de verkoopwagens en de parasol. De onder b genoemde afmetingen van de standplaatsen kunnen overigens ook een beperking geven voor bepaalde materialen. Teneinde de orde op de markt te waarborgen, dient de mogelijkheid te worden gecreëerd dat voor het handeldrijven met verkoopwagens afzonderlijke gedeelten van het marktterrein kunnen worden aangewezen. Het tweede lid schept de mogelijkheid een beperkt aantal kooplieden per branche toe te laten. Hierdoor wordt bereikt dat op de markt een zo groot mogelijke verscheidenheid aan branches aanwezig is en wordt voorkomen dat te veel kooplieden van een branche op de markt optreden. Hierdoor wordt de markt aantrekkelijker voor de consument. De regels ten behoeve van een brancheverdeling lenen zich voor herhaalde toepassing. De brancheverdeling is daarmee aan te merken als een algemeen verbindend voorschrift. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht is bezwaar en beroep hiertegen uitgesloten.

Artikel 3.60 De marktcommissie

Gebaseerd op artikel 1.4 van de Marktverordening. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Deze bepaling is facultatief bedoeld. Veel gemeenten kennen een marktcommissie die het college adviseert in marktaangelegenheden. De samenstelling en werkwijze dient het college nader uit te werken. Dit is geregeld in het marktreglement.

Artikel 3.61 Inhoud marktstandplaatsvergunningen

Gebaseerd op artikel 2.5 van de Marktverordening. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

Om aan de houders van vaste plaatsen de nodige rechtszekerheid te verschaffen, is het gewenst hun een vergunning voor die plaats te verstrekken, waaruit blijkt dat zij hun plaats rechtsgeldig bezetten. Onder een duidelijke omschrijving, bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt bij voorkeur gedacht aan een tekening of plattegrond waarop de afmetingen van de plaatsen en de nummering daarvan zijn aangegeven. Ingevolge het vermelde onder c worden in de vergunning de verkoopmaterialen (kramen, tafels, wagens en dergelijke) opgesomd die de vergunninghouder bij het innemen van de plaats mag gebruiken.

Artikel 3.62 Inschrijving op de anciënniteitlijst

Gebaseerd op artikel 2.6 van de Marktverordening. Standplaats is aangepast naar marktstandplaats. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Artikel 3.63 Volgorde toewijzing vaste plaatsen

Gebaseerd op artikel 2.7 van de Marktverordening. Standplaats is aangepast naar marktstandplaats. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast. Selectiecommissie is aangepast naar marktcommissie.

Toelichting

In dit artikel is volgorde van toewijzing van vaste standplaatsen op de markt geregeld. Aangezien niet alle standplaatsen dezelfde mogelijkheden bieden, is het redelijk dat in eerste aanleg aan vergunninghouders van een vaste standplaats de gelegenheid wordt geboden een naar hun oordeel betere standplaats te verkrijgen. Na het bieden van gelegenheid aan de vergunninghouders wordt een selectieprocedure gestart. De voordracht van de marktcommissie (die de selectie uitvoert) wordt ter besluitvorming voorgelegd aan het college. Het college, indien zij instemt met de voordracht, verleent de vergunning.

Artikel 3.64 Selectie door marktcommisie

Gebaseerd op artikel 2.8 van de Marktverordening. Standplaats is aangepast naar marktstandplaats. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

De marktcommissie geeft haar werving vorm door het zetten van advertenties in de vakbladen. Zij selecteert uit de gegadigden een geschikte kandidaat, hierbij rekening houdend met het branchepatroon. Deze selectie kan middels een gesprek gaan (lid 1). De selectie wordt gedaan door de marktcommissie. Het gaat in de gemeente Zuidplas om een kleine markten, er zijn niet genoeg kandidaten om en een marktcommissie en een selectiecommissie te vormen. Dit is de reden dat de marktcommissie tevens de selectie doet Deze bepaling is opgenomen om belangenverstrengeling zoveel als mogelijk is te voorkomen (lid 2). De kan-bepaling is opgenomen om het college de mogelijkheid te geven op gegronde redenen af te wijken van de voordracht van de marktcommissie(lid 3).

Artikel 3.65 Toewijzing dagplaats

Gebaseerd op artikel 2.10 van de Marktverordening. Standplaats is aangepast naar marktstandplaats. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

De in het eerste lid vereiste vergunning wordt veelal mondeling verleend, doch het verdient aanbeveling dat marktmeester in mandaat een schriftelijke vergunning te laten afgeven waarop hij het nummer van de standplaats invult. Bij het toewijzen van de dagplaats moet rekening worden gehouden met de branche-indeling. Dagplaatsen zullen worden toegewezen aan degene die zich als eerst meld voor 08:30 uur. Zijn er meerder aanmeldingen zal een loting plaatsvinden. Bij dit alles moet het branchepatroon in acht worden genomen. Het moet worden voorkomen dat vaste standplaatshouders in de weg worden gezeten door een dagplaatshouder.

Artikel 3.66 Toewijzing standwerkplaats

Gebaseerd op artikel 2.11 van de Marktverordening. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

Wanneer standwerkerplaatsen worden toegewezen, is het gewenst dat dit zo objectief mogelijk gebeurt om de bekende en de minder bekende standwerkers een gelijke kans te geven. Daarom is in het eerste lid bepaald dat de toewijzing geschiedt door loting.

Artikel 3.67 Plaats voertuigen

Gebaseerd op artikel 4.1 van de Marktverordening. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

Het tijdens de markt op het marktterrein rijden met wagens, karren auto’s e.d. is uiterst hinderlijk, zowel voor het publiek als voor de kooplieden wier bedrijf in volle gang is.

Artikel 3.68 Verzorging marktstandplaats

Gebaseerd op artikel 4.6 van de Marktverordening. Standplaats is aangepast naar marktstandplaats. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

Dit artikel is opgenomen om zoveel mogelijk te voorkomen, dat de markt wordt vervuild door zakjes en servetjes, waarin kleine eetwaren, die ter plaatse plegen te worden genuttigd, op de markt worden verkocht.

Artikel 3.69 Afvalbakken

Gebaseerd op artikel 4.7 van de Marktverordening. Standplaats is aangepast naar marktstandplaats. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

Dit artikel is opgenomen om zoveel mogelijk te voorkomen, dat de markt wordt vervuild door zakjes en servetjes, waarin kleine eetwaren, die ter plaatse plegen te worden genuttigd, op de markt worden verkocht.

Artikel 3.70 Standplaatsvergunningen en weigeringsgronden

Dit artikel is gebaseerd op artikel 5:18 van de Algemene plaatselijke verordening. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

Gedacht kan worden aan bijvoorbeeld: geluidsoverlast, stankoverlast, verkeershinder en overlast door zwerfafval. De vergunning is persoonsgebonden (artikel 6.2).

Tweede lid De generieke weigeringsgronden worden genoemd in artikel 6.8. Nadere uitleg daarvan vindt men in de toelichting bij dat artikel.

Redelijke eisen van welstand De weigeringsgrond kan gehanteerd worden indien een of meer standplaatsen worden ingenomen op een zodanige plaats dat het straatbeeld ernstig verstoord wordt. Met deze weigeringsgrond kan niet alleen verkapte marktvorming worden tegengegaan, ook wordt daarmee het aanzien van monumentale gebouwen of stedenbouwkundige ensembles gewaarborgd. Het college bepaalt zelfstandig de inhoud van deze weigeringsgrond. Het is niet noodzakelijk, maar wel verstandig om bij voorbeeld de welstandscommissie om advies te vragen.

Redelijk verzorgingsniveau In het verleden is het beschermen van een redelijk voorzieningenniveau in de gemeente ten behoeve van de consument als een openbare orde-belang aangemerkt. De gedachte was dat gevestigde winkeliers geconfronteerd worden met hoge exploitatiekosten die niet in verhouding staan tot de vrij lage exploitatiekosten van de straathandelaren. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State blijkt dat het reguleren van de concurrentieverhoudingen niet als een huishoudelijk belang van de gemeente wordt aangemerkt. Hierop wordt door de Afdeling slechts één uitzondering toegestaan, namelijk wanneer het voorzieningenniveau voor de consument in een deel van de gemeente in gevaar komt. Wil een gemeente op basis hiervan een vergunning weigeren dan moet worden aangetoond, mede aan de hand van de boekhouding van de plaatselijke winkelier, dat het voortbestaan van de winkel in gevaar komt als vanaf een standplaats dezelfde goederen aangeboden worden.

De Dienstenrichtlijn staat deze weigeringsgrond voor standplaatsen die (mede) diensten verlenen niet toe, omdat dit wordt beschouwd als een economische, niet toegestane, belemmering voor het vrij verkeer van diensten. Het blijft echter nog wel mogelijk om deze weigeringsgrond te hanteren voor het verkopen van goederen. De Dienstenrichtlijn is daarop immers niet van toepassing.

Artikel 3.71 Locaties en tijden

Dit artikel is gebaseerd op artikel 5:18a van de Algemene plaatselijke verordening. Dit artikel wordt op verschillende vlakken gewijzigd. Allereerst worden twee locaties zoals benoemd in lid 1 gewijzigd, namelijk het Dorpsplein gemeentehuis te Zevenhuizen en het Raadhuisplein (ingang raadhuis) in Nieuwekerk aan den IJssel. Eerstgenoemde wijzigt in verband met de herstructurering van het Dorpsplein. Laatstgenoemde is opgeheven vanwege de bouw van het nieuwe gemeentehuis. Daarnaast worden de openingstijden zoals benoemd in lid 4 in zijn geheel geschrapt. De Winkeltijdenwet in combinatie met de Winkeltijdenverordening is namelijk van toepassing op standplaatsen. Op grond hiervan is bepaald dat op maandag t/m zaterdag, de werkdagen, openstelling van winkels toegestaan is tussen 06.00 en 22.00 uur. Hierdoor zijn de uitzonderingen zoals benoemd in de Winkeltijdenverordening, waaronder de openstelling op zondag, ook van toepassing. Bij verordening mogen gedurende deze uren geen (verdere) beperkingen worden opgelegd aan de openstelling van standplaatsen

Toelichting

Locaties op grond toebehorende aan de gemeente Zuidplas Het is niet mogelijk om voor andere locaties op grond in eigendom van de gemeente Zuidplas een vergunning aan te vragen, tenzij het gaat om standplaatsen op eigen grond. Bij het aanwijzen van de locaties is een afweging gemaakt met betrekking tot een aanvaardbare omvang van mogelijk te verwachten overlast voor omwonenden, voetgangers en ander verkeer. Daarbij is ondermeer gekeken naar de verkeersaantrekkende werking van standplaatsen, lawaai, geuroverlast (bijv. bak- en braadlucht, vislucht) en het in beslag nemen van parkeerruimte. Ook de afstand tot woningen is meegewogen. Tenslotte is rekening gehouden met de toegankelijkheid voor hulpverleningsdiensten, kabels/leidingen, rioolputten en ongewenste groepsvorming bij de standplaatsen (bijv. groepen jongeren bij snackwagens). Standplaatsen mogen nooit verkeersgevaarlijke situaties opleveren doordat zij bijvoorbeeld het zicht op naderend verkeer ontnemen.

Op de J.A. Beijerinkstraat mag slechts één kraam met geurverspreidende waren staan, gezien de stankoverlast die daar ervaren wordt. Bij geurverspreidende waren moet gedacht worden aan vis, loempia’s, oliebollen, snack en dergelijke.

Standplaatsen op grond toebehorende aan particulieren Standplaatsen kunnen ook worden ingenomen op grond toebehorende aan particulieren. Indien een standplaatsvergunning voor een standplaats op grond van particulieren wordt aangevraagd, dient er eerst toestemming te zijn verkregen van de eigenaar van de grond, dat op de grond een standplaats mag worden ingenomen. Andersom is het ook zo dat als er een standplaats op grond van een particulier wordt genomen deze eerst moet nagaan of daar wel een vergunning voor is verleend.

Voor het verlenen van deze vergunning wordt een afweging gemaakt aan de hand van de weigeringsgronden genoemd in artikel 6.8 en artikel 3.69, lid 2.

Grootte standplaats De locaties zoals opgenomen in lid 1 bestrijken een maximumoppervlakte van 20m2, inclusief de ruimte die het publiek inneemt en/of die door de uitgestalde koopwaar wordt ingenomen. De frontbreedte kan niet meer bedragen dan 8 meter. Aanvrager dient dan ook bij de aanvraag de benodigde gegevens te overleggen zodat dit beoordeeld kan worden.

Onvoorziene omstandigheden van de tijdelijke aard Bij onvoorziene omstandigheden van tijdelijke aard kan gedacht worden aan wegwerkzaamheden, calamiteiten, onderhouds- en nieuwbouwactiviteiten.

Bijzondere omstandigheden Bij bijzondere omstandigheden kan gedacht worden aan een bus voor borstkankeronderzoek die drie maanden een standplaats in wil nemen. Het moet gaan om het innemen van een standplaats voor maatschappelijke doeleinden

.

Tijden Een standplaats kan worden ingenomen van 8:00 uur tot 20:00 uur gelijk aan de reguliere openingstijden van de winkels. Na 20:00 uur dient de standplaats leeg gemaakt te worden en schoon achter gelaten te worden. De vergunning kan ook voor dagdelen worden verleend.

Op de dagen dat de weekmarkt plaats vindt in de betreffende dorpen mag daar geen standplaatsvergunning worden verleend. Dit houdt in dat op woensdag in Moordrecht, op donderdag in Zevenhuizen en op vrijdag in Nieuwerkerk aan den IJssel geen standplaatsvergunningen worden verleend. Dit om te voorkomen dat de weekmarkt en de standplaatsen de inkomsten van elkaar afnemen.

Artikel 3.72 Standplaatsen in winkelcentra

Dit artikel is gebaseerd op artikel 5:19 van de Algemene plaatselijke verordening. Vergunning is aangepast naar omgevingsvergunning

Toelichting

Voor winkelcentra is geen standplaatsvergunning nodig (het betreft hier de Reigerhof en Dorrestein). De standplaatshouder dient een melding bij het college te doen waarin hij aangeeft op welke plaats in het winkelcentrum hij de standplaats inneemt en welke activiteiten er plaats vinden op de standplaats. Tevens dient hij aan te geven of er toestemming is van het winkelcentrum. Vervolgens toetst het college de melding aan de brandveiligheidseisen zoals deze door brandweer voor de winkelcentra zijn gesteld en stelt de eigenaar van het winkelcentrum en de melder in kennis van de melding.

Artikel 3.73 Gronden voor intrekking

Dit artikel is gebaseerd op artikel 5:20 van de Algemene plaatselijke verordening. Standplaatsvergunning is aangepast naar omgevingsvergunning voor een standplaats.

Toelichting

In artikel 6.6 staan de algemene gronden om een vergunning in te trekken deze zijn ook van toepassing op de standplaatsvergunning. Hiernaast zijn de gronden zoals genoemd in lid 1 van dit artikel van belang.

Onder een geldige reden genoemd in lid 1, onder c kan onder andere worden verstaan ziekte en vakantie (dit naar alle redelijkheid). Bij optreden van een geldige reden om de standplaats niet in te nemen stelt de standplaatshouder het college daarvan in kennis, ook bij plotselinge verhindering. Ingeval van langdurige verhindering wegens ziekte wordt elke drie maanden een geneeskundige verklaring overlegd.

Artikel 3.74 Rechtsopvolging

Dit artikel is gebaseerd op artikel 5:20a van de Algemene plaatselijke verordening. Standplaatsvergunning is aangepast naar omgevingsvergunning voor een standplaats.

Toelichting

In uitzonderlijke gevallen is het mogelijk om in afwijking van artikel 6.2 een vergunning over te schrijven op nabestaanden van de vergunninghouder. Dit omdat in sommige gevallen de nabestaanden het bedrijf van de standplaatshouder zullen voortzetten en dan afhankelijk zijn van de inkomsten van de standplaats.

§ 3.2.9. Naamgeving en nummering

Artikel 3.75 Namen en nummerdragers aanbrengen

Dit artikel is gebaseerd op artikel 4 van de verordening Naamgeving en nummering Zuidplas. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

Dit artikel regelt dat naamdragers (naamborden) overeenkomstig de wens van het college zal worden aangebracht. De kosten daarvan komen voor rekening van de gemeente.

In het tweede lid is vastgelegd dat een object een door het college toegekend adres ook feitelijk moet dragen. Daarmee wordt het college de mogelijkheid geboden om toe te zien op de naleving van het aanbrengen van nummers en objecten. Nummers die zijn toegekend moeten met het oog op de dienstverlening ook ter plaatse terug te vinden en duidelijk leesbaar zijn. De burger is gerechtigd een eigen variant van de nummerdrager op de gevel te bevestigen, mits deze het nummer draagt dat aan het object is toegekend, de drager leesbaar is en op een duidelijk leesbare plaats op de gevel bevestigd is. De kosten van een eigen nummerdrager komen hierbij voor rekening van de burger. Het derde en vierde lid verbiedt een ieder die daartoe niet gerechtigd is, namen of nummerdragers toe te kennen door deze namen of nummerdragers aan te brengen. Overtreding van het derde en vierde lid is strafbaar gesteld conform artikel 8.

Artikel 3.76 Nummerdragers aanbrengen

Dit artikel is gebaseerd op artikel 6 van de verordening Naamgeving en nummering Zuidplas. De verwijzingen naar andere artikelen en bijlagen zijn geactualiseerd op basis van de VFLO. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

Het aanbrengen van nummerbordjes is per gemeente verschillend geregeld. Sommige gemeenten brengen de nummers zelf aan. Het aanbrengen van de nummers wordt in bepaalde gevallen echter ook uitbesteed of overgelaten aan de aannemer, als onderdeel van het uitvoeren van een bouwwerk. Ten slotte kan het ook aan de eigenaar worden overgelaten om de nummers, conform de nadere gemeentelijke voorschriften, aan te brengen. In deze verordening is gekozen voor een formulering waarbij de eigenaar het nummer zelf dient aan te brengen, tenzij het college anders besluit. Het laatste kan bijvoorbeeld het geval zijn bij nieuwbouwprojecten, waarbij een uniform uitgevoerde nummering wenselijk wordt geacht. De verantwoordelijkheid voor het aanbrengen van een nummeraanduiding is in de tekst van de nummerbeschikking geregeld. In het tweede lid is bepaald dat het door het college toegekende nummer binnen een bepaalde termijn moet zijn aangebracht. Voor gevallen waarin het object nog niet is voltooid, is in het derde lid een andere termijn gesteld. Het vierde lid geeft het college de mogelijkheid de in het eerste en tweede lid genoemde termijnen te verlengen.

Artikel 3.77 Uitvoeringsvoorschriften

Dit artikel is gebaseerd op artikel 7 van de verordening Naamgeving en nummering Zuidplas. De verwijzingen naar andere artikelen en bijlagen zijn geactualiseerd op basis van de VFLO. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

In het eerste lid is vastgesteld dat de wijze van toekennen, het plaatsen van de nummerdragers alsmede de voorschriften voor de afmetingen, vormgeving en materiaalkeuze van de nummerdragers dienen te geschieden conform de in bijlage A (technische uitvoeringsvoorschriften) benoemde NEN normen.

In het tweede lid is vastgesteld dat het college de mogelijkheid heeft nadere uitvoeringsvoorschriften vast te stellen. Er kan in dit verband worden gedacht aan algemene eisen aan het te gebruiken materiaal (bestand tegen weersinvloeden), alsmede aan andere technische zaken, zoals de methode van nummering en maatvoering van de borden. Ook kunnen de uitvoeringsvoorschriften een bepaling omvatten dat naast een zelfvervaardigde nummerdrager – van geschilderde dakpannen tot ceramische tegels en van zuiltjes tot deurschilderingen – het voorgeschreven nummerbordje altijd aanwezig moet zijn op de bij verordening voorgeschreven plaats. Naast meer technische uitvoeringsvoorschriften kan om verschillende redenen ook worden gedacht aan uitvoeringsvoorschriften van administratieve aard. In de eerste plaats vervullen naam- en nummergegevens een zeer wezenlijke functie in het maatschappelijk verkeer. De dienstverlening (brandbestrijding, ambulancevervoer, postbezorging etc.) kan niet zonder een goed sluitende registratie van namen en nummers (adres). In de tweede plaats zijn tal van gemeentelijke registraties geordend naar volgorde van naam en nummer (adres). In de derde plaats is een systematische en eenduidige verstrekking van naam- en nummergegevens aan instanties noodzakelijk. Zo bestaan er verplichtingen tot levering van adresgegevens aan afnemers en derden in de zin van de Wet GBA en aan bijvoorbeeld waterschappen en de Rijksbelastingdienst voor hun belastingheffing. In de vierde plaats is een goede registratie van adressen noodzakelijk om gemeentelijke bestanden te kunnen raadplegen en op elkaar af te stemmen. Ten slotte vervullen de adresgegevens een belangrijke rol bij de uitkering uit het gemeentefonds. Redenen genoeg om ook administratieve uitvoeringsvoorschriften te formuleren.

Afdeling 3.3 Milieubelastende activiteiten

§ 3.3.1. Festiviteiten

Artikel 3.78 Collectieve festiviteiten

Dit artikel is gebaseerd op artikel 4:2 van de Algemene plaatselijke verordening. De verwijzingen naar andere artikelen en bijlagen zijn geactualiseerd op basis van de VFLO. Het woord Besluit is veranderd in Activiteitenbesluit.

Inhoudelijk zijn de volgende wijzigingen aangebracht:

  • Lid 1: in het bebouwde gedeelte van de inrichting is toegevoegd aan het artikel.

  • Lid 5: de uiterlijke beëindigingstijden hebben hun eigen lid gekregen. Inhoudelijk is het lid niet aangepast.

  • Lid 6: geluidsniveau LCeq (basstonen) zijn toegevoegd. In de praktijk werd hier al mee gemeten maar dit lag nog niet vast in de verordening.

Toelichting

De verschillende tijden en dB(A)’s die in dit artikel zijn opgenomen, zijn geadviseerd door de Omgevingsdienst Midden-Holland.

Eerste lid De bevoegdheid om te bepalen dat de in dit lid genoemde geluidsnormen niet gelden bij collectieve festiviteiten komt voort uit artikel 2.21, eerste lid, onder a, van het Besluit. Dit artikel van het Besluit voorziet erin dat op deze dagen overmatige geluidhinder zo veel mogelijk moet worden voorkomen: De voorschriften gelden niet “voor zover de naleving van deze voorschriften redelijkerwijs niet kan worden gevergd”. Voorbeelden van collectieve festiviteiten zijn carnaval, kermis of culturele-, sport- en recreatieve manifestaties.

In artikel 4:2 is de uitvoering van de regeling neergelegd bij het college. Er hoeft dus niet jaarlijks een raadsbesluit te worden genomen om te bepalen welke feesten als collectieve festiviteiten worden aangewezen. Het verdient aanbeveling dat het college jaarlijks – in samenspraak met het plaatselijke bedrijfsleven – vaststelt op welke data de betreffende voorschriften uit het Besluit niet van toepassing zijn. Voor de collectieve dagen is geen begrenzing voor het aantal dagen opgenomen. Vaak zal er toch behoefte zijn om vooraf een bepaald maximum aantal festiviteiten vast te stellen. Dit maximum zou door het college kan worden vastgelegd in een beleidsregel. Als de gemeenteraad dit zelf wenst te bepalen, dan dient het maximum te worden vastgelegd in de verordening zelf.

Tweede lid

Volgens artikel 4.148, eerste lid, van het Besluit moet de verlichting bij sportbeoefening in de buitenlucht tussen 23.00 uur en 07.00 uur zijn uitgeschakeld en indien er geen sport wordt beoefend of onderhoud wordt uitgevoerd. De bevoegdheid om te bepalen dat deze beperkingen niet gelden bij collectieve festiviteiten staat in artikel 4.148, tweede lid, onder a, van het Besluit. Dit voorschrift is met name bedoeld voor sportverenigingen die buiten de reguliere en recreatieve wedstrijden en trainingen gebruik willen maken van hun lichtinstallatie. Een voorbeeld van een collectieve festiviteit is een sportieve manifestatie waar meerdere sportverenigingen aan mee doen.

In het Besluit wordt net als voor de festiviteiten als bedoeld in het eerste lid geen maximum gesteld voor het aantal collectieve festiviteiten. Kortheidshalve wordt voor de verdere toelichting over dit maximum verwezen naar de bovenstaande toelichting bij het eerste lid.

Derde lid

De gemeente kan rekening houden met de aard van het gebied door in de verordening gebiedsdifferentiatie toe te passen. De gemeenteraad kan het grondgebied van de gemeente bijvoorbeeld verdelen naar verschillende dorpskernen of wijken. De vaststelling van deze gebieden dient plaats te vinden in een apart besluit waarop bezwaar en beroep volgens de Algemene wet bestuursrecht mogelijk is. Van deze mogelijkheid kan bijvoorbeeld gebruik worden gemaakt tijdens carnaval, kermissen of culturele-, sport- en recreatieve manifestaties.

Bij de vaststelling van deze gebieden moet er wel rekening mee worden gehouden dat deze de strekking van de regeling niet ondermijnt. Het onderscheid tussen collectieve en incidentele festiviteiten moet duidelijk blijken. Gebiedsdifferentiatie betekent ook dat het aantal aangewezen dagen of dagdelen per gebied kan verschillen.

Zesde en zevende lid

Het Besluit biedt gemeenten de mogelijkheid om in of krachtens een gemeentelijke verordening voorwaarden te stellen aan de collectieve festiviteiten en activiteiten. Er is voor gekozen om een aantal voorwaarden met betrekking tot geluidniveaus in de Algemene plaatselijke verordening op te nemen.

In het zevende lid wordt gesproken over onversterkte muziek. In het Besluit is onversterkte muziek uitgezonderd bij het bepalen van de geluidsniveaus. De reden hiervoor is dat maatregelen ter beperking van de geluidsemissies moeilijk zijn. Op basis van artikel 2.18, eerste lid, onder f en vijfde lid, van het Besluit hebben gemeenten wel de mogelijkheid om dit in een gemeentelijke verordening aan te passen (zie ook artikel 4:5). De reguliere geluidsnormen gelden niet bij festiviteiten, waardoor bedrijven dan meer geluid mogen produceren. Om de omgeving enige bescherming te bieden en geluidniveaus van onversterkte muziek bij festiviteiten te begrenzen is onversterkte muziek meegenomen in de geluidsnorm.

Bij de bepaling van het geluidsniveau wordt in het zevende lid de bedrijfsduurcorrectie bij muziekgeluid buiten beschouwing gelaten. Dit in tegenstelling tot de Handleiding meten en rekenen industrielawaai. Hiervoor wordt aangesloten bij de systematiek en motivatie uit het Besluit: in de handleiding is de correctie geïntroduceerd met het oog op continu-bedrijven. Toepassing van de bedrijfsduurcorrectie bij muziekgeluid bij horecabedrijven die bijvoorbeeld om 1.00 uur sluiten brengt met zich mee dat het geluidsniveau in de nachtperiode hoger mag zijn door correctie voor de resterende nachtperiode. Omdat dit niet wenselijk is, is toepassing van de bedrijfsduurcorrectie bij muziekgeluid niet toegestaan.

In het achtste lid is een eindtijdstip voor muziekgeluid vastgesteld om te voorkomen dat feesten bij bedrijven zonder wettelijke sluitingstijden (theoretisch) de hele nacht door kunnen gaan.

Artikel 3.79 Incidentele festiviteiten

Dit artikel is gebaseerd op artikel 4:3 van de Algemene plaatselijke verordening. De verwijzingen naar andere artikelen en bijlagen zijn geactualiseerd op basis van de VFLO. Het woord Besluit is veranderd in Activiteitenbesluit.

Inhoudelijk zijn de volgende wijzigingen aangebracht:

  • Lid 1: Het aantal incidentele festiviteiten is niet aangepast. Wel is de mogelijkheid toegevoegd om ten hoogte 4 festiviteiten buiten te organiseren. In de praktijk gebeurde dit al, maar was dit officieel nog niet geregeld binnen de Algemene plaatselijke verordening.

  • Lid 6: geluidsniveau LCeq (basstonen) zijn toegevoegd. In de praktijk werd hier al mee gemeten maar dit lag nog niet vast in de Algemene plaatselijke verordening.

  • Lid 7: de uiterlijke beëindigingstijden hebben hun eigen lid gekregen. Inhoudelijk is het lid niet aangepast.

  • Lid 8: de uiteindelijke beëindigingstijd voor buitenfestiviteiten is toegevoegd.

  • Lid 9: de toeslag voor muziekgeluid 10 dB(A) is toegevoegd. In de praktijk gold dit al. Inhoudelijk is het lid hiermee niet veranderd.

  • Lid 10: in het bebouwde gedeelte is toegevoegd om het lid te verduidelijken.

Toelichting

De verschillende tijden en dB(A)’s die in dit artikel zijn opgenomen, zijn geadviseerd door de Omgevingsdienst Midden-Holland.

Eerste lid

De bevoegdheid voor het vaststellen van het aantal incidentele festiviteiten voor inrichtingen in een gemeentelijke verordening staat in de artikelen 2.21 en 3.148 van het Besluit. Volgens artikel 2.21, eerste lid, onderdeel b kan de gemeenteraad bij verordening het aantal dagen of dagdelen aanwijzen waarop individuele inrichtingen voor incidentele festiviteiten vrijstelling kunnen verkrijgen van de geluidsnormen. Een incidentele festiviteit is een festiviteit die aan één of een klein aantal inrichtingen gebonden is. Dit is bijvoorbeeld een optreden met levende muziek bij een café, een jubileum, een personeels- of straatfeest of een “vroege vogels”-toernooi. In het Besluit is bepaald dat het maximum aantal dagen waarvoor de geluidsnormen niet gelden maximaal 12 dagen of dagdelen per jaar betreft. De raad heeft geen gebruik maakt van de bevoegdheid om, rekening houdend met de plaatselijke omstandigheden, dit aantal te verlagen.

De regeling geldt voor festiviteiten bij alle type A- en B-inrichtingen die onder het Besluit vallen. Dit betekent dat bijvoorbeeld ook detailhandel, kantoren, opslag- en transportbedrijven en metaalelektro-bedrijven een beroep op deze regeling kunnen doen. De enige uitzonderingen waarvoor de regeling niet geldt, zijn de type C-inrichtingen (d.w.z. inrichtingen die vergunningplichtig blijven of vallen onder Besluit landbouw of Besluit glastuinbouw).

Tweede lid

Volgens artikel 3:148, eerste lid, van het Besluit moet bij inrichtingen de verlichting voor sportbeoefening in de buitenlucht tussen 23.00 uur en 07.00 uur zijn uitgeschakeld en indien er geen sport wordt beoefend of onderhoud wordt uitgevoerd. Op basis van het tweede lid van artikel 3:148 kan hiervan worden afgeweken. Dit kan bijvoorbeeld als sportverenigingen buiten de reguliere competities en recreatieve wedstrijden en trainingen gebruik willen maken van hun lichtinstallatie bij het houden van een veteranentoernooi of een “vroege vogels”-toernooi. Volgens het Besluit is het maximum aantal dagen waarvoor de beperkingen voor de verlichting niet gelden maximaal 12 dagen of dagdelen per jaar. Kortheidshalve wordt voor de verdere toelichting over dit maximum verwezen naar de bovenstaande toelichting bij het eerste lid.

Volgens de toelichting bij het Besluit blijft ook bij gebruik van artikel 4.113 tweede lid de algemene zorgplicht met betrekking tot lichthinder en duister voor de sportinrichtingen gelden, al is enige mate van hinder bij incidentele activiteiten aanvaardbaar. De beoordeling of sprake is van onaanvaardbare lichthinder in geval van de viering van een festiviteit is aan het bevoegd gezag.

Zesde tot en met het tiende lid

Het Besluit biedt gemeenten de mogelijkheid om in of krachtens een gemeentelijke verordening voorwaarden te stellen aan de incidentele festiviteiten. De basis voor deze bevoegdheid staat in het tweede lid van artikel 2.21, onderdeel b, van het Besluit. Voor de algemene toelichting over de mogelijkheid om voorwaarden te stellen bij festiviteiten en de toelichting bij het zesde tot en met het tiende lid wordt kortheidshalve verwezen naar bovenstaande toelichting bij artikel 4:2 Algemene plaatselijke verordening, zesde tot en met het achtste lid. Net als bij de collectieve festiviteiten geldt de regeling voor incidentele festiviteiten voor àlle type A- en B-inrichtingen onder het Besluit.

In het achtste en negende lid wordt de mogelijkheid om muziekgeluid te produceren bij een festiviteit beperkt tot binnen de gebouwen van de inrichting. Gebouwen hebben over het algemeen een bepaalde geluiddempende werking. Op het buitenterrein zijn minder mogelijkheden voor het beperken van geluidemissies. Daarbij geldt de regeling voor alle type A- en B-inrichtingen, wat met name een belasting kan geven voor woningen met diverse bedrijven in de omgeving die op verschillende momenten festiviteiten organiseren.

§ 3.3.2. Geluidhinder

Artikel 3.80 onversterkte muziek

Dit artikel is gebaseerd op artikel 4:5 van de Algemene plaatselijke verordening. De verwijzingen naar andere artikelen en bijlagen zijn geactualiseerd op basis van de VFLO. Het woord Besluit is veranderd in Activiteitenbesluit. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

De verschillende tijden en dB(A)’s die in dit artikel zijn opgenomen, zijn geadviseerd door de Omgevingsdienst Midden-Holland.

Dit artikel sluit aan op de artikelen 2.17, 2.18 en 2.20 van het Activiteitenbesluit. Het artikel is alleen gericht op onversterkte muziek vanuit inrichtingen en niet buiten inrichtingen. Of er sprake is van een inrichting, wordt bepaald door de Wet milieubeheer. In het Besluit is onversterkte muziek uitgezonderd van de algemene geluidsniveaus. Gemeenten hebben, in artikel 2.18, eerste lid, onder f en het vijfde lid van het Activiteitenbesluit, expliciet de bevoegdheid gekregen om voor onversterkte muziek regels op te nemen in de Algemene plaatselijke verordening.

Door het feit dat de hinderbeleving van onversterkte muziek zeker niet lager is dan die van versterkte muziek, dient deze op gelijke wijze te worden beschermd. Om de geluidsnormen van versterkte muziek gelijk te maken aan onversterkte muziek is dit artikel opgenomen.

Om vooral amateurgezelschappen in niet professionele oefenruimtes de kans te geven tot het hobbymatig beoefenen van onversterkte muziek, is voor hen in lid 2 een mogelijkheid gecreëerd om een aantal uur in de week uitgezonderd te zijn van de geluidsniveaus. In artikel 2 wordt gesproken over “oefenen”. Op deze manier worden festiviteiten en optredens voor publiek uitgesloten. Er is sprake van oefenen als men muziek maakt zonder dat er publiek aanwezig is.

De genoemde geluidsniveaus in het eerste lid onder tabel c zijn niet van toepassing op;

  • a.

    het geluid ten behoeve van het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten en lijkplechtigheden, alsmede geluid in verband met het houden van deze bijeenkomsten of plechtigheden;

  • b.

    het geluid van het traditioneel ten gehore brengen van muziek tijdens het hijsen en strijken van de nationale vlag bij zonsopkomst en zonsondergang op militaire inrichtingen;

  • c.

    het ten gehore brengen van muziek vanwege het oefenen door militaire muziekcorpsen in de buitenlucht gedurende de dagperiode met een maximum van twee uren per week op militaire inrichtingen.

Artikel 3.81 Geluidhinder door geluidsapparaat, machine of handelingen in de openlucht

Dit artikel is gebaseerd op artikel 4:6 van de Algemene plaatselijke verordening. Het woord Besluit is veranderd in Activiteitenbesluit. Lid 4 is aangepast zodat alle artikelen met deze zinsnede gelijk luiden. De zinsnede ‘in de zin van de Wet Milieubeheer’ na “inrichting” is geschrapt. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

Artikel 4:6 heeft betrekking op de vormen van geluidhinder waarin de andere regelingen niet voorzien. Onder andere valt te denken aan:

- een niet permanente activiteit in een niet besloten ruimte, zoals een kermis, een heidefeest, een braderie, een rally, enz.; - het door middel van luidsprekers op voertuigen of anderszins reclame of muziek maken of mededelingen doen; - het ten gehore brengen van achtergrondmuziek in winkelstraten; - het gebruik van diverse geluidproducerende recreatietoestellen; - het gebruik van bouwmachines, zoals compressors, cirkelzagen, trilhamers en heistellingen; - het toepassen van knalapparatuur om vogels te verjagen, enz., enz. - overige handelingen waardoor geluidoverlast ontstaat.

Voorts kunnen onder artikel 4:6 vormen van geluidhinder vallen, veroorzaakt door het beoefenen van “lawaaiige” hobby’s, het voortdurend bespelen van muziekinstrumenten, het gebruiken van elektro- akoestische apparatuur, het laten draaien van koelaggregaten op vrachtwagens, enz. Met name voor deze vormen van geluidhinder ontbreken algemeen geldende criteria of normen. Dit behoeft ook niemand te verwonderen: de bron van geluidhinder is niet een bepaalde, aanwijsbare inrichting of gedraging. In beginsel kan het elke gedraging betreffen. Van geval tot geval zal daarom moeten worden nagegaan in welke situatie en gedurende welke tijden er sprake is van geluidhinder, en welke maatregelen kunnen worden genomen. Uitgangspunt daarbij zal moeten zijn dat een zekere mate van (geluid)hinder als zijnde onvermijdelijk zal moeten worden aanvaard. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen, zo nodig met voorschriften.

Bedacht moet worden bedacht dat klachten over vormen van geluidhinder nogal eens een minder goede verstandhouding tussen buren of omwonenden als achtergrond hebben. Normale handelingen worden dan eerder als (geluid)hinderlijk ervaren, terwijl men minder geneigd is aan een afdoende oplossing mede te werken.

§ 3.3.3. Overige milieubelaste activiteiten

Artikel 3.82 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken

Dit artikel is gebaseerd op artikel 5:34 van de Algemene plaatselijke verordening. Het woord Besluit is veranderd in Activiteitenbesluit. De verwijzingen naar andere artikelen en bijlagen zijn geactualiseerd op basis van de VFLO. Lid 6 is aangepast zodat alle artikelen met deze zinsnede gelijk luiden. De zinsnede ‘in de zin van de Wet Milieubeheer’ na “inrichting” is geschrapt. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

Het is verboden in de open lucht afvalstoffen te verbranden buiteninrichtingen als bedoeld in artikel 1.1, vierde lid van de Wet milieubeheer, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. In het tweede lid is een aantal uitzonderingen opgenomen op het verbod in het eerste lid. In de eerste plaats valt verlichting door middel van kaarsen, fakkels, sfeervuren – waarbij geen afvalstoffen worden verbrand -, zoals terrashaarden en vuurkorven of vuur voor koken, bakken en braden niet onder het verbod. Daarnaast mag er geen sprake zijn van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving. Vooral binnen de bebouwde kom kunnen klachten ontstaan over overlast of hinder door met name terrashaarden en vuurkorven.

Het college kan van het in het eerste lid omschreven verbod ontheffing verlenen. Daarbij kan worden gedacht aan (veelal georganiseerde) vreugdevuren, kampvuren en oudejaarsvuren. Een ontheffing voor dergelijke vuren kan voorschriften bevatten betreffende het te stoken materiaal, de afstand tot het mogelijk toeschouwende publiek, de aanwezigheid van eerstehulpmaterialen en -deskundigen, de aanwezigheid van blusmaterialen, het verwijderen van en het afvoeren van as en andere verbrandingsresten en het herstel van de ondergrond van de vuurplaats. Ook kan ontheffing worden verleend voor verbranding van landbouwreststoffen op het land of van akkermaalshout, als andere verwerkingsmethoden als volledig onbruikbaar en ondoelmatig zijn aan te merken.

Aan de bovengenoemde ontheffingen kunnen voorschriften worden verbonden. Gedacht kan worden aan het voorschrift dat:

- het stoken geen gevaar, schade of hinder mag opleveren voor de omgeving; - in geval van verbranding van met ziekte aangetast hout, besmet en niet besmet snoeihout zoveel mogelijk moeten worden gescheiden; - de houder van de ontheffing tijdens de verbranding voortdurend ter plaatse aanwezig dient te zijn en deze dient zorg te dragen voor een goed brandend vuur, zodat zo minmogelijk rookontwikkeling plaatsvindt; - de verbranding niet mag plaatsvinden in de periode tussen zonsondergang en zonsopgang; - verbranding slechts mag plaatsvinden met inachtneming van een bepaalde afstand tot bouwwerken;

In het vijfde lid, van artikel 5:34 zijn van de werkingssfeer van deze bepaling uitgezonderd die situaties waarop artikel 429 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is, te weten het aanleggen van vuur of het onderhouden daarvan op zo korte afstand van gebouwen of goederen dat daardoor brandgevaar kan ontstaan. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt ook niet, indien de provinciale milieuverordening van toepassing is. In de provinciale milieuverordening kunnen inzake dit onderwerp evenzeer regels worden gesteld. Een afbakening tussen de Algemene plaatselijke verordening en de provinciale verordening is dus noodzakelijk.

Artikel 3.83 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz.

Dit artikel is gebaseerd op artikel 4:13 van de Algemene plaatselijke verordening. De verwijzingen naar andere wetten en verordeningen zijn aangepast naar de huidige, geldende versies. De zinsnede ‘in de zin van de Wet Milieubeheer’ na “inrichting” is geschrapt. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

Deze bepaling verschaft een basis voor het treffen van maatregelen tegen een uit oogpunt van welstand en bescherming van de openbare gezondheid ontoelaatbare opslag van bromfietsen en caravans e.d., en landbouwproducten. Het college is bevoegd bepaalde plaatsen aan te wijzen waar deze opslag verboden is c.q. aan bepaalde regels gebonden is.

Deze bepaling ziet niet op handelingen die plaatsvinden op de “weg” in de zin van de wegenverkeerswetgeving. Deze afbakening is aangebracht omdat voor zover de in deze bepaling genoemde activiteiten plaatsvinden op de “weg” daartegen kan worden opgetreden op basis van andere in deze verordening opgenomen voorschriften.

De in de afdeling 5.1 “Parkeerexcessen” opgenomen artikelen bevatten onder meer bepalingen ten aanzien van het plaatsen of hebben op de weg van niet-rijklare voertuigen en voertuigwrakken, het gebruik van de weg als stallingsruimte voor auto’s door garagebedrijven e.d. en het parkeren van caravans e.d.

Artikel 3.84 Vervoer van gevaarlijke stoffen

Dit artikel is gebaseerd op artikel 4:20 van de Algemene plaatselijke verordening. Vergunning is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Afdeling 3.4 Bouwactiviteiten

§ 3.4.1. Algemene bepalingen

Artikel 3.85 Status

Dit is een nieuw artikel. Hiermee wordt deze afdeling binnen de VFLO aangewezen als Bouwverordening in de zin van artikel 8 van de Woningwet.

§ 3.4.3. Bodemverontreiniging

Artikel 3.86 Bodemonderzoek

Dit artikel is gebaseerd op artikel 2.1.5 van de Bouwverordening. De verwijzingen naar het artikel in de Regeling omgevingsrecht is aangepast naar de huidige, geldende versie. De jaartallen bij de NEN en NTA-normen zijn verwijderd. We gaan altijd uit van de meest recente versie. Hier is een apart artikel voor opgenomen. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

In de door de gemeente vastgestelde “Nota bodemkwaliteit” zijn voorwaarden opgenomen waaraan de onderzoeken moeten voldoen en daarin is voldoende vastgelegd wat een recent onderzoek is. Het nader definiëren in tijd van het woord recent in de verordening is dan ook niet nodig. Het woord vooronderzoek in het zesde lid is vervangen door het woord onderzoek

Toelichting

De artikelen over het bodemonderzoek in de Bouwverordening hebben tot doel te bevorderen dat niet wordt gebouwd op verontreinigde grond. Artikel 2.4.1 bevat het verbod tot bouwen op verontreinigde grond. Bij dit artikel is een uitvoerige toelichting geplaatst waarin de hele route van een bodemonderzoek wordt beschreven, de van toepassing zijnde normen en de relatie wordt aangeduid met de voorschriften uit de Woningwet en de Regeling omgevingsrecht.

De hierna vermelde toelichting per artikellid is beknopt. Een uitvoeriger beschrijving van het hele proces staat vermeld in de toelichting bij artikel 2.4.1. Beide toelichtingen moeten in combinatie met elkaar worden gelezen.

Eerste lid

Uit de systematiek van de NEN 5740 volgt dat voorafgaand aan het milieuhygiënisch bodemonderzoek eerst een vooronderzoek volgens de NEN 5725 wordt uitgevoerd - ook wel historisch onderzoek genoemd - ten behoeve van het formuleren van de onderzoekshypothese en een eventuele onderverdeling van het terrein. Indien het vooronderzoek naar de historie en de bodemgesteldheid uitwijst dat de locatie onverdacht is, kan het bevoegd gezag op basis van het derde lid besluiten af te wijken van de verplichting tot het uitvoeren van het verkennend onderzoek. Het bodemonderzoek volgens NEN 5740 is niet toereikend om asbest in grond te onderzoeken. Daartoe is de NEN 5707 ontwikkeld.

Derde lid

De mogelijkheid om geen onderzoeksgegevens op te vragen wordt geboden door artikel 4.4, lid 2 Besluit omgevingsrecht. Er komt geen afzonderlijk besluit tot het afwijken, geen beschikking. De omgevingsvergunning van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is er immers op gericht alles in één brede omgevingsvergunning te regelen.

Vierde lid

Bouwwerken met een beperkte instandhoudingtermijn kunnen velerlei zijn, van klein tot groot en voor een zeer divers gebruik. Vermelding van deze categorie betekent niet dat in alle gevallen kan worden afgeweken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport. De gemeente kan hiervoor beleid ontwikkelen.

Vijfde lid

De strekking van dit lid is het tegengaan dat een bodemonderzoek plaatsvindt voordat de bestaande bebouwing wordt gesloopt en eventueel ten gevolge van deze werkzaamheden een bodemverontreiniging optreedt die dan niet wordt gesignaleerd.

Dit betekent dat het resultaat van een bodemonderzoek niet altijd kan worden overgelegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen. Daarom behoort dit onderzoek tot de bescheiden die ook later kunnen worden ingediend.

Artikel 3.87 Verbod op bouwen op verontreinigde grond

Dit artikel is gebaseerd op artikel 2.4.1 van de Bouwverordening. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

In het tweede lid van artikel 8 van de Woningwet wordt aan de gemeenteraden de opdracht gegeven om in de bouwverordening voorschriften op te nemen over het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. In het derde lid van genoemd artikel 8 is uitgewerkt op welke bouwwerken deze voorschriften betrekking dienen te hebben. Het woord uitsluitend in de redactie van dit derde lid duidt erop dat aanvulling in de bouwverordening niet is toegestaan.

De indieningvereisten voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen, waartoe het bodemonderzoek behoort, staan in de Regeling omgevingsrecht. De structuur is als volgt:

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen moet een onderzoeksrapport betreffende de bodemgesteldheid worden overgelegd, aldus artikel 2.4 onder d. van de Regeling omgevingsrecht.

Artikel 4.4, lid 2 van het Besluit omgevingsrechtbepaalt dat gegevens en bescheiden waarover het bevoegd gezag al beschikt, niet opnieuw behoeven te worden verstrekt. Dit geldt in beginsel ook voor gegevens die zijn verstrekt in de periode dat de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht nog niet in werking was getreden, en die als archiefbescheiden in bewaring worden gehouden als bedoeld in artikel 3 van de Archiefwet 1995. Uit het algemene bestuursrecht volgt dat het bevoegd gezag wel gehouden is de volledigheid en actualiteit te toetsen van de gegevens en bescheiden die de aanvrager niet bij de aanvraag verstrekt, omdat deze al in het bezit van het bevoegd gezag zijn.

Indien blijkt dat de ingediende bescheiden (waaronder het bodemonderzoeksrapport) onvoldoende zijn en dit gebrek niet kan worden opgelost door het stellen van een voorwaarde bij de vergunningverlening, wordt de aanvrager in overeenstemming met artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht in de gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens aan te vullen.

Indien de aard van het bouwplan daartoe aanleiding geeft, kan het bevoegd gezag in een voorwaarde bij de omgevingsvergunning bepalen dat de desbetreffende gegevens en bescheiden alsnog moeten worden verstrekt voordat met de bouw mag worden begonnen. Tevens wordt hierbij een termijn gesteld en een exacte aanduiding welke gegevens en bescheiden worden verlangd, aldus de Regeling omgevingsrecht.

De gezondheidsrisico’s voor de mens bij het gebruik van het bouwwerk vormen in deze benadering het onderscheidend criterium. Veiligheid en gezondheid zijn immers sinds de invoering van de Woningwet in 1901 belangrijke grondslagen van de wet. Gelet op de uitgangspunten van de Woningwet, kan de schade voor het milieu geen motief zijn voor de voorschriften in de bouwverordening met betrekking tot het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond. Dit in tegenstelling tot de Wet bodembescherming waarbij het herstel van de functionele eigenschappen van de bodem voor mens, plant en dier centraal staat.

Met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is dit onderscheid minder van belang. Deze wet verenigt in een overkoepelend vergunningstelsel milieueisen, bouw- en sloopeisen. Zie artikel 6.2, sub c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Bouwwerken bestemd voor het verblijf van mensen

Het doel van het artikel is en blijft: Het doel van de voorschriften is dat niet wordt gebouwd op een bodem die dusdanig verontreinigd is, dat hierdoor gevaar voor de gezondheid van personen ontstaat.

Wat verstaan moet worden onder ‘bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven’ wordt in de Memorie van toelichting bij de Wet tot wijziging van de Woningwet inzake het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond (TK 1995-1996, 24 809, nr. 3) nader omschreven. Het betreft hier bouwwerken waarin dagelijks gedurende enige tijd dezelfde mensen verblijven, bijvoorbeeld om te werken of onderwijs te geven of te genieten. Bij ‘enige tijd’ moet gedacht worden aan een verblijfsduur van twee of meer uren per (werk)dag. Het gaat dus niet om een enkele keer twee of meer uren, maar om een meer structureel (over een langere periode dan één dag) twee of meer uren verblijven van dezelfde mensen in het gebouw.

Gebouwen voor het opslaan van materialen of goederen, voor het telen of kweken van land- en tuinbouw producten evenals gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen, zoals elektriciteitshuisjes en gebouwen voor de waterhuishouding of -zuivering, worden in de Memorie van toelichting genoemd als voorbeelden van bouwwerken waarin niet voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen verblijven. De omstandigheid dat in deze bouwwerken wel eens mensen aanwezig zijn, bijvoorbeeld voor het verrichten van over het algemeen kort durende werkzaamheden, zoals onderhoudswerkzaamheden, maakt die gebouwen nog niet tot gebouwen die feitelijk zijn bestemd voor het verblijven van mensen. In de Nota naar aanleiding van het verslag (TK, 1997-1996, 24809, nr. 5, p. 6) wordt naar aanleiding van Kamervragen verder opgemerkt dat een recreatiewoning (in termen van het Bouwbesluit een logiesverblijf) onder het begrip ‘voortdurend of nagenoeg voortdurend verblijven van mensen’ valt, terwijl dit niet geldt voor een schuur of garage bij een woning.

Bouwwerken die de grond niet raken

Hierbij moet gedacht worden aan dakkapellen en het realiseren van een extra verdieping op een gebouw. De Memorie van toelichting noemt in dit kader ook vergunningplichtige inpandige verbouwingen, werkzaamheden aan een fundering of het maken van een kelder als voorbeeld. Indien de bouwwerkzaamheden gepaard gaan met een functiewijziging kan echter onverminderd bodemonderzoek worden geëist.

Bevoegd gezag bij ernstig en niet-ernstig geval van bodemverontreiniging

Het college is het bevoegde gezag om te beslissen of bij niet-ernstige gevallen van bodemverontreiniging mag worden gebouwd.

Gedeputeerde staten of het college van de gemeenten, die daartoe zijn aangewezen, zijn het bevoegde gezag ten aanzien van de te nemen saneringsmaatregelen, indien sprake is van een ernstig geval van verontreinigde grond zijn.

Bij Besluit aanwijzing bevoegd gezag gemeenten Wet bodembescherming (Besluit van 12 december 2000) zijn gemeenten aangewezen die voor de toepassing van delen van deze wet worden gelijk gesteld met een provincie (art. 88, zevende lid Wet bodembescherming). Het gevolg is dat de provincie bevoegd gezag is en dat de vier grote steden op grond van de Wbb plus nog 25 aangewezen gemeenten bevoegd gezag zijn krachtens genoemd Besluit.

Met de invoering van de Waterwet is het waterbodembeheer van de Wet bodembescherming overgegaan naar de Waterwet.

Hoe werkt de verbodsbepaling in de praktijk

Indien noch uit een bodemonderzoek noch op basis van een redelijk vermoeden kan worden gesteld dat sprake is van een ernstig geval van verontreiniging geldt er voor de omgevingsvergunning voor het bouwen geen aanhoudingsverplichting en moet het bevoegd gezag beslissen op de bouwaanvraag. Het feit dat geen sprake is van een ernstig geval van verontreiniging neemt echter niet weg dat toch sprake kan zijn van een verontreinigingsgraad waarbij gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers van het bouwwerk. Hoewel het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen in deze gevallen formeel kan weigeren, zal echter veelal volstaan kunnen worden met het stellen van aanvullende voorwaarden dat bepaalde voorzieningen worden getroffen. Zie hiervoor de toelichting onder artikel 2.4.2 van de bouwverordening.

Voor gevallen met een ernstige bodemverontreiniging geldt een aanhoudingsverplichting totdat het bevoegde gezag als bedoeld in de Wet bodembescherming een saneringsplan heeft goedgekeurd. Zodra het saneringsplan is goedgekeurd dient een beslissing te worden genomen op de bouwaanvraag. Ook in deze gevallen zal de vergunning in de regel verleend kunnen worden onder de voorwaarde dat vooruitlopend op de aanvang van de bouwwerkzaamheden, de op grond van het goedgekeurde saneringsplan noodzakelijke voorzieningen worden getroffen.

Artikel 3.88 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen

Dit artikel is gebaseerd op artikel 2.4.2 van de Bouwverordening. De verwijzing naar het artikel in de Regeling omgevingsrecht is aangepast naar de huidige, geldende versie. De verwijzingen naar andere artikelen zijn geactualiseerd op basis van de VFLO. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

Niet ernstige gevallen van bodemverontreiniging, waarin naar het oordeel van het bevoegd gezag toch nog sprake is van een onaanvaardbare verontreinigingsgraad, zijn meestal overzichtelijke gevallen. Op korte termijn en zonder de noodzaak van saneringsonderzoek is aan te geven op welke wijze het verontreinigingsprobleem kan worden ondervangen.

In dit soort niet ernstige gevallen hoeft de conclusie, dat het terrein verontreinigd is, niet te leiden tot weigering van de omgevingsvergunning voor het bouwen.

In de voorwaarden van de omgevingsvergunning voor het bouwen kan aangegeven worden op welke wijze het terrein gesaneerd moet worden en - in relatie tot de bouw - op welk tijdstip. Als saneringsvoorwaarden valt te denken aan:

  • de voorwaarde dat onder het bouwwerk een isolerende en damp-remmende laag wordt aangebracht;

  • de voorwaarde dat een bepaald deel van de bodem wordt afgegraven en afgevoerd, alsmede het aanbrengen van een schone bodemlaag;

  • de voorwaarde dat een pompinstallatie ter zuivering van het grondwater wordt aangebracht en gedurende een aantal jaren na de totstandkoming van het bouwwerk in stand wordt gehouden.

Er wordt op gewezen, dat sanering in deze gevallen in principe een verantwoordelijkheid van de aanvrager om omgevingsvergunning voor het bouwen is. Het kan in het belang van de aanvrager zijn, als deze bij het overleggen van de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen voor het bouwen op een verontreinigde bodem tevens aangeeft hoe deze de sanering denkt te laten plaatsvinden.

Ook bouwaanvragen waarbij sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging kunnen op grond van dit artikel worden afgedaan.

§ 3.4.4. Actualisering van NEN- en andere normen.

Artikel 3.89 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften

Dit artikel is gebaseerd op artikel 10.6 van de Bouwverordening. De verwijzingen naar andere artikelen zijn geactualiseerd op basis van de VFLO. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

Het onderhavige artikel heeft betrekking op de door het Nederlands Normalisatie-instituut (NNI) uitgegeven normen (NEN’s), voornormen (NVN’s) en praktijkrichtlijnen (NPR’s).

Hoofdstuk 4 Beheer en onderhoud

Afdeling 4.1 Instandhouding

§ 4.1.1 Instandhouding van waardevolle houtopstanden

Artikel 4.1 Instandhoudingsplicht waardevolle houtopstanden

Gebaseerd op artikel 9 bijlage B van het Bomenbeleidsplan. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

Dit artikel is opgenomen ter bescherming van waardevolle houtopstanden.

Afdeling 4.2 Gedoogplichten

Artikel 4.2 Voorzieningen voor verkeer en verlichting

Dit artikel is gebaseerd op artikel 2:21 Algemene plaatselijke verordening. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

De in het tweede lid genoemde uitzonderingen hebben betrekking op situaties waarbij het desbetreffende specifieke belang, waterstaatswerken, verkeerslichtinstallatie, trafohuisjes en dergelijke, zich verzetten tegen het aanbrengen van allerlei voorzieningen daarop.

In beginsel biedt de Belemmeringenwet privaatrecht het kader om op het eigendomsrecht van anderen inbreuk te maken. De Belemmeringenwet is echter in haar toepassing bedoeld voor zodanige inbreuken op dat eigendomsrecht waardoor het gebruik van de desbetreffende onroerend zaak al dan niet tijdelijk beperkt wordt. Wanneer daarvan sprake is kan niet een gedoogplicht op grond van het onderhavige artikel geconstrueerd worden. Deze gedoogplicht is alleen dan aanwezig wanneer de voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting het gebruiksrecht van de eigenaar niet aantasten.

Artikel 4.3 Gedoogplicht naamborden

Dit artikel is gebaseerd op artikel 5 van de verordening Naamgeving en nummering Zuidplas. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

In verband met de dienstverlening dienen naamborden door of namens de gemeente ter plaatse goed zichtbaar te worden aangebracht. Dit is mogelijk door de naamborden te bevestigen aan gebouwgevels, terreinafscheidingen van derden of paaltjes die op andermans terrein ten behoeve van de naamgeving mogen worden geplaatst. Het artikel houdt echter ook rekening met de omstandigheid dat de borden niet door de gemeente zelf, maar door derden worden aangebracht. Om te voorkomen dat de leesbaarheid van de aangebrachte naamborden door hoog opschietend groen, zonneschermen, aan- en uitbouwen of reclameborden wordt belemmerd, is bepaald dat de eigenaar ervoor dient te zorgen dat de bedoelde borden vanaf de openbare weg leesbaar blijven.

Hoofdstuk 5 Financiële bepalingen

Artikel 5.1 Tegemoetkoming erfgoed

Gebaseerd op artikel 19 van de Erfgoedverordening. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

De Afdeling rechtspraak van de Raad van State heeft uitgemaakt dat de Erfgoedverordening zonder een schadevergoedingsregeling rechtsgeldig is (BR 86,604). Voor het archeologische deel van de verordening dient echter, op grond van de Wet op de Archeologische monumentenzorg, wel een schadevergoedingsregeling in de verordening opgenomen te worden. De rijksregeling voor excessieve opgravingkosten is ingaande 2009 niet meer van toepassing. Het veroorzaker-betaalt- principe, zoals dat in de memorie van toelichting van de Wet op de Archeologische monumentenzorg is verwoord, staat bij de afweging tot toekenning van schadevergoeding voorop en geldt voor alle genoemde onderdelen (a t/m e). De gemeente zal zelf per geval moeten afwegen wat ‘redelijk’ of ‘buitenproportioneel’ is. In deze modelverordening is gekozen voor een schadevergoedingsbepaling, waarin de specifieke gevallen zijn opgenomen op grond waarvan het bevoegd gezag mogelijk een schadevergoeding aan een belanghebbende dient toe te kennen. Lid 2 van deze bepaling is ten opzichte van de vorige model-erfgoedverordening geschrapt. Er is geen procedure voorgeschreven voor het bepalen van de tegemoetkoming. De procedure op grond van afdeling 6.1 Wro jo. afdeling 6.1 Wet Basis Registratie Ondergrond kan worden toegepast, echter alvorens daartoe te besluiten is het zinvol een inschatting te maken van de schade ten opzichte van de kosten en omvang van deze procedure.

Artikel 5.2 Voorziening Groen

Gebaseerd op artikel 8 bijlage B van het Bomenbeleidsplan. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

Het college voorziet in een voorziening groen van waaruit gelden gebruikt mogen worden voor de uitbreiding en handhaving van het in de gemeente aanwezige openbare groen, waaronder houtopstanden.

Hoofdstuk 6 Procesregels

Afdeling 6.1 Algemene procesregels

Artikel 6.1 Verhouding tot de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Dit is een nieuw artikel, waarin de relatie tot de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt vastgelegd. Hiermee wordt bepaald dat ‘het college’ gelezen mag worden als ‘bevoegd gezag’ indien de wet dit bepaald.

Artikel 6.2 Persoonlijk karakter van omgevingsvergunning of ontheffing

Dit artikel is gebaseerd op artikel 1.5 van de Algemene plaatselijke verordening. Daar waar dit in andere verordeningen gelijk is, is aangesloten bij dit artikel. Vergunning is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning.

Toelichting

Een vergunning wordt persoonlijk genoemd als die alleen of vooral is verleend vanwege de persoon die de vergunning aanvraagt (diens persoonlijke kwaliteiten, zoals het bezit van een diploma of een bewijs van onbesproken levensgedrag). De persoonlijke vergunning is in beginsel niet overdraagbaar, tenzij de regeling dat uitdrukkelijk bepaalt of dit uit de aard van de vergunning voortvloeit. Een voorbeeld van een persoonsgebonden vergunning is de vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet. Deze wet bepaalt dat voor het verkrijgen van een vergunning de nodige diploma's moeten zijn gehaald. Een persoonlijke vergunning is ook de standplaatsvergunning. Dit vanwege het persoonlijke karakter van de ambulante handel en omdat het aantal aanvragen om vergunning het aantal te verlenen vergunningen meestal overtreft.

Artikel 6.3 Indienen aanvraag, melding of verzoek om omgevingsvergunning

Dit artikel is gebaseerd op artikel 1.3 van de Algemene plaatselijke verordening. Daar waar de indieningsvereisten in andere verordeningen gelijk zijn, is aangesloten bij dit artikel. Vergunning is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning.

Toelichting

In de praktijk gebeurt het nog wel eens dat men met de aanvraag om een vergunning tot het laatste moment wachten. Als algemene richtlijn wordt daarom een termijn van drie weken aangehouden. De bewoordingen van het onderhavige artikel ("kan") laten uitkomen, dat niet elke te laat ingediende aanvraag buiten behandeling hoeft te worden gelaten. Voor vergunningen die niet binnen drie weken kunnen worden behandeld, is in het tweede lid de mogelijkheid geschapen om de termijn van drie weken te verlengen tot maximaal dertien weken.

Indien voor het indienen van de aanvraag van vergunning of ontheffing een afwijkende termijn geldt, is dit bepaald in het betreffende onderdeel van de Algemene plaatselijke verordening. Voor de aanvraag van een evenementenvergunning geldt een termijn van dertien weken (artikel 2:25 tweede lid Algemene plaatselijke verordening).

Artikel 6.4 Beslistermijn

Dit artikel is gebaseerd op artikel 1.2 uit de Algemene plaatselijke verordening. Daar waar de beslistermijnen in andere verordeningen gelijk zijn is aangesloten bij dit artikel. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

Het uitgangspunt van artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht is dat in het wettelijk voorschrift de termijn aangegeven wordt waarbinnen de beschikking gegeven dient te worden. Zo kan worden nagegaan wat voor iedere situatie een goede beslistermijn is. In de Algemene plaatselijke verordening is de beslistermijn vastgesteld op acht weken (eerste lid). Tijdig beslissen is een rechtsplicht voor elk bestuursorgaan.

Het merendeel van de aanvragen zal binnen acht weken kunnen worden afgehandeld. Meer ingewikkelde aanvragen, zeker die waarvoor meerdere adviezen moeten worden ingewonnen, vergen soms meer tijd. In dat geval kan de beslistermijn op grond van artikel 1:2, tweede lid met ten hoogste zes weken worden verlengd. Op grond van artikel 4:14 Algemene wet bestuursrecht wordt de aanvrager van dit verlengingsbesluit in kennis gesteld.

De mededeling aan de aanvrager schort de termijn niet op, het is een beleefdheidsvoorschrift om te laten weten dat de termijn niet wordt gehaald. Het is dus geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht . De aanvrager kan geen bezwaar maken of beroep instellen tegen het verlengingsbesluit. Wel kan de aanvrager, als hij vindt dat de verlenging niet redelijk is, het college of de burgemeester in gebreke stellen en daarna beroep instellen tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag.

Dienstrichtlijn

Op vergunningprocedures is voor wat betreft diensten artikel 13 van de Dienstenrichtlijn van toepassing. Het derde lid bepaalt dat de aanvraag binnen een redelijke, vooraf vastgestelde termijn wordt behandeld. De termijn van acht weken van artikel 1:2 voldoet daaraan.

Artikel 13, derde lid, van de Dienstenrichtlijn bepaalt voorts dat de beslistermijn eenmaal door de bevoegde instantie mag worden verlengd, indien dit gerechtvaardigd wordt door de complexiteit van het onderwerp. Dit houdt in dat voor verlenging een stevige motivering is vereist met gebruikmaking van dit criterium. De verlenging en duur ervan worden met redenen omkleed vóór het verstrijken van de oorspronkelijke termijn ter kennis van de aanvrager gebracht worden. Het tweede lid is een implementatie van deze verplichting.

Artikel 6.5 Voorschriften en beperkingen

Dit artikel is gebaseerd op artikel 1.4 uit de Algemene plaatselijke verordening. Daar waar de andere verordeningen gelijkluidende artikelen hebben, is aangesloten bij dit artikel. Vergunning is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning.

Toelichting

In literatuur en jurisprudentie is men het erover eens dat de bevoegdheid tot het verbinden van voorschriften in beginsel aanwezig is in die gevallen waarin het al dan niet verlenen van die vergunning of ontheffing ter vrije beslissing staat van het beschikkende orgaan. Toch verdient het uit een oogpunt van duidelijkheid aanbeveling deze bevoegdheid uitdrukkelijk vast te leggen. Daarbij moet ook - ten overvloede - worden aangegeven dat die voorschriften uitsluitend mogen strekken ter bescherming van de belangen in verband waarmee het vereiste van vergunning of ontheffing is gesteld.

Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing verbonden zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning of ontheffing dan wel voor toepassing van andere administratieve sancties. In artikel 1:6 is deze intrekkingsbevoegdheid vastgelegd.

De vraag of bij niet-nakoming van vergunningsvoorschriften bestuursdwang kan worden toegepast, wordt in het algemeen bevestigend beantwoord. Doordat in het tweede lid van artikel 1:4 naleving van deze voorschriften wordt omschreven als verplichting, wordt hierover alle onzekerheid weggenomen. Toepassen van bestuursdwang is overigens niet mogelijk, wanneer alleen voorschriften zijn overtreden, die slechts beogen het toezicht op de naleving van de vergunning of ontheffing te vergemakkelijken, maar geen verband houden met de bescherming van het belang of de belangen met het oog waarop de vergunning of ontheffing is vereist.

In de in deze Algemene plaatselijke verordening opgenomen algemene strafbepaling (artikel 6:1) wordt overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde met straf bedreigd. Daardoor staat ook straf op het overtreden van aan een vergunning of ontheffing verbonden voorschriften.

Artikel 6.6 Algemene wijzigings- en intrekkingsgronden

Dit artikel is gebaseerd op artikel 1.6 uit de Algemene plaatselijke verordening. Daar waar de andere verordeningen gelijkluidende artikelen hebben, is aangesloten bij dit artikel. Vergunning is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning.

Toelichting

De in het eerste lid genoemde intrekkings- en wijzigingsgronden hebben een facultatief karakter ("kan"). Het hangt van de omstandigheden af of tot intrekking of wijziging wordt overgegaan. Zo zal niet iedere niet-nakoming van vergunningsvoorschriften leiden tot intrekking van de vergunning. Met name het rechtzekerheids- en het vertrouwensbeginsel beperken nogal eens de bevoegdheid tot wijziging en intrekking.

Als wordt overwogen de vergunning of ontheffing in te trekken ofte wijzigen, worden belanghebbenden in de gelegenheid gesteld hun bedenkingen in te dienen (artikel 4:8 Algemene wet bestuursrecht ).

Artikel 6.7 Omgevingsvergunning voor onbepaalde tijd

Dit artikel is gebaseerd op artikel 1.7 van de Algemene plaatselijke verordeningAlgemene plaatselijke verordening. Vergunning is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning.

Toelichting

Artikel 1:7 bepaalt dat de vergunning of ontheffing in beginsel voor onbepaalde tijd geldt. Dit vloeit mede voort uit artikel 11 van de Dienstenrichtlijn, dat stelt dat vergunningen geen beperkte geldingsduur mogen hebben, tenzij: a. de vergunning automatisch wordt verlengd of alleen afhankelijk is van de voortdurende vervulling van de voorwaarden; b. het aantal beschikbare vergunningen beperkt is door een dwingende reden van algemeen belang; c. een beperkte duur gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang.

Over punt b: Uit Europese Dienstenrichtlijn volgt dat een vergunning in beginsel voor onbepaalde tijd geldt. Maar wanneer het aantal vergunning logischerwijs beperkt is, bijvoorbeeld omdat de gemeente geen onbeperkt grondgebied heeft, mag de markt juist niet gesloten blijven voor nieuwe aanbieders omdat de bestaande aanbieders voor onbepaalde tijd alle beschikbare vergunningen in handen hebben. In dat geval moet geregeld een transparante en onpartijdige "herverdeling" van de schaarse vergunningen worden georganiseerd.

Over punt c: Als gemeenten een vergunning voor bepaalde tijd verlenen, moeten zij beargumenteren waarom deze beperking nodig is en de evenredigheidstoets kan doorstaan. Sommige vergunningen lenen zich uit de aard alleen voor verlening voor bepaalde tijd. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een evenementenvergunning of een standplaatsvergunning voor een oliebollenkraam rond de jaarwisseling.

Artikel 1:6 bepaalt dat bij gewijzigde omstandigheden de vergunning kan worden gewijzigd of ingetrokken. Het ligt ook daarom in de rede dat een vergunning voor onbepaalde duur blijft gelden indien de omstandigheden niet wijzigen. Pas bij gewijzigde omstandigheden dient de vergunning opnieuw te worden bezien. Ook daarbij wordt rekening gehouden met de noodzaak- en proportionaliteitseis. Bij geringe wijziging van omstandigheden die geen gevolgen hebben voor het algemeen belang, kan de vergunning niet worden gewijzigd of ingetrokken. De noodzaak daarvoor ontbreekt.

Artikel 6.8 Algemene weigeringsgronden

Dit artikel is gebaseerd op artikel 1.8 van de Algemene plaatselijke verordening. Hierbij is aangesloten bij de nieuwe denkwijze, bewoordingen en systematiek van de Omgevingswet.

Toelichting

Vergunningstelsels zijn in de Algemene plaatselijke verordening als volgt geformuleerd: een verbodsbepaling om een bepaalde activiteit te verrichten behoudens vergunning. In artikel 1:8 zijn de algemene gronden voor het weigeren van een vergunning opgenomen. Alleen als er voor een vergunning andere weigeringsgronden gelden dan de in artikel 1:8 Algemene plaatselijke verordening genoemde, worden die in het betreffende artikel genoemd.

Overlast (openbare orde)

Vanouds is de Algemene plaatselijke verordening een openbare orde en overlast-verordening. Het begrip 'overlast' komt in het EG-recht (het recht van de Europese Gemeentschappen) bij de toetsing van uitzonderingen op het vrij verkeer niet voor. Ook de Dienstenrichtlijn spreekt niet over overlast. Het milieubegrip omvat echter alle soorten van overlast die gerelateerd zijn aan de omgeving/het milieu. Te denken valt aan geluidsoverlast, geurhinder, overlast veroorzaakt door stof, afval e.d. Overlast, veroorzaakt door vuurwerk, valt eveneens onder bescherming van het milieu of zelfs gezondheid.

Verkeersveiligheid (openbare veiligheid)

De verkeersveiligheid valt aan te merken als een dwingende reden van algemeen belang als bedoeld in artikel 9 van de Dienstenrichtlijn (rule of reason). Maar ook is er sprake van een belang dat te scharen valt onder de volksgezondheid, als het voorkomen van verkeersslachtoffers het te beschermen belang betreft.

Veiligheid van personen en gezondheid (volksgezondheid)

Deze gronden op grond waarvan voorheen een evenementenvergunning kon worden geweigerd, bijvoorbeeld bij het uitbreken van mond- en klauwzeer (gezondheid) kunnen als een belang van volksgezondheid worden aangemerkt.

Zedelijkheid (openbare orde)

Het begrip zedelijkheid valt onder het begrip openbare orde. Te denken valt aan de bescherming van de menselijke waardigheid of in het geval van dierenmishandeling betreft onder het belang van dierenwelzijn. Ook andere dwingende redenen dan de openbare orde kunnen een 'zedelijkheidsaspecť hebben. Bij seksinrichtingen is zedelijkheid nog als een zelfstandige weigeringsgrond opgenomen, omdat het om 'vestiging' gaat.

Voorzieningenniveau bij standplaatsen (openbare orde)

In het verleden is het beschermen van een redelijk voorzieningenniveau in de gemeente ten behoeve van de consument als een openbare orde-belang aangemerkt. De gedachte was dat gevestigde winkeliers geconfronteerd worden met hoge exploitatiekosten die niet in verhouding staan tot de vrij lage exploitatiekosten van de straathandelaren. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State blijkt dat het reguleren van de concurrentieverhoudingen niet als een huishoudelijk belang van de gemeente wordt aangemerkt. Hierop wordt door de Afdeling slechts één uitzondering toegestaan, namelijk wanneer het voorzieningenniveau voor de consument in een deel van de gemeente in gevaar komt. Wil een gemeente op basis hiervan een vergunning weigeren dan moet worden aangetoond, mede aan de hand van de boekhouding van de plaatselijke winkelier, dat het voortbestaan van de winkel in gevaar komt als vanaf een standplaats dezelfde goederen aangeboden worden.

De Dienstenrichtlijn staat deze weigeringsgrond voor standplaatsvergunningen waar (mede) diensten worden verleend niet toe, omdat dit wordt beschouwd als een economische, niet toegestane, belemmering voor het vrij verkeer van diensten. Het is nog wel mogelijk om deze weigeringsgrond te hanteren bij een standplaats voor het verkopen van goederen (zie artikel 5:18, derde lid, onder b Algemene plaatselijke verordening). Daarop is de Dienstenrichtlijn niet van toepassing.

Artikel 6.9 Inwerkingtreding omgevingsvergunning

Dit is een nieuw artikel over de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning

Afdeling 6.2 Voorbereiding van besluiten

Artikel 6.10 Voorbescherming

Dit artikel is gebaseerd op artikel 4 van de Erfgoedverordening 2010.

Toelichting

Gedoeld wordt op monumenten waarvan de bescherming ‘gepland is’ danwel ‘verwacht wordt’ en waarvoor dus in principe geen spoedprocedure noodzakelijk is. Dit is landelijk te doen gebruikelijk. Hiermee kan worden voorkomen dat tijdens de aanwijzingsprocedure nog belangrijke waardevolle zaken verdwijnen. Bouw- en woningtoezicht heeft hiermee een juridisch handvat om in te grijpen.

Het is wenselijk ook ten aanzien van gemeentelijk monumenten in voorbescherming te voorzien. Dat gebeurt met dit artikel. De voorbescherming start zodra het college het voornemen tot aanwijzing heeft bekendgemaakt aan de zakelijk gerechtigden. Het is vergelijkbaar met de voorbescherming voor rijksmonumenten die voortvloeit uit artikel 5 van de Monumentenwet 1988 (dat, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van Erfgoedwet, tot inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft gelden voor rijksmonumenten).

Afdeling 6.3 Adviescommissie

De basis voor onderstaande artikelen ligt in de bouwverordening. Deze zijn uitgebreid met de artikelen uit de modelverordening Commissie Ruimtelijke Kwaliteit die aansluit bij de Omgevingswet. Hierbij wordt een bredere commissie opgezet die alle aspecten behandeld die invloed hebben op de fysieke leefomgeving.

§ 6.3.1 Commissie Ruimtelijke Kwaliteit Zuidplas

Toelichting

Algemeen

In hoofdstuk 9 van de Bouwverordening zijn zowel procedurele als inhoudelijke artikelen met betrekking tot het welstandstoezicht opgenomen. Op grond van artikel 8, zesde lid van de Woningwet bevat de bouwverordening voorschriften over de samenstelling, inrichting en werkwijze van de welstandscommissie.

De werkwijze van de welstandscommissie is in de Modelbouwverordening van de VNG niet concreet uitgewerkt vanwege de diversiteit in lokale invulling. Gemeenten dienen nadrukkelijk zelf een keuze te maken ten aanzien van de werkwijze, ook indien een gemeente werkt met een provinciale welstandscommissie. De gemeentelijke keuze dient ook door te klinken in de werkwijze van de provinciale welstandscommissie. Daartoe dient de gemeente het initiatief te nemen en is het aan de provinciale welstandscommissie om deze keuze te onderschrijven.

Het is noodzakelijk om een huishoudelijk reglement toegesneden op de lokale situatie of een reglement van orde voor de lokale welstandscommissie vast te stellen als bijlage bij deze verordening. Juridisch gezien behoeft een dergelijk reglement niet in de bouwverordening zelf te worden opgenomen, maar dient wel dezelfde procedure te worden doorlopen als de gemeentelijke bouwverordening.

Welstandscriteria en welstandsnota

Alleen als in een welstandsnota aan de hand van criteria is aangegeven wat verstaan wordt onder redelijke eisen van welstand kan het bevoegd gezag een vergunningplichtig bouwwerk beoordelen op aspecten van welstand en kan de welstandscommissie hierover adviseren. Ook bouwwerken waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist, moeten aan minimale welstandseisen voldoen. Volgens artikel 13a van de Woningwet kan het college de eigenaar van een bouwwerk dat in ernstige mate ‘in strijd is met redelijke eisen van welstand’ aanschrijven om die strijdigheid op te heffen. De criteria hiervoor moeten in de welstandsnota zijn opgenomen. Zonder nota met criteria is geen welstandstoezicht mogelijk.

De welstandsbeoordeling c.q. -advisering dient gebaseerd te worden op de in de nota opgenomen criteria. In artikel 12a van de Woningwet wordt bepaald dat deze criteria ‘zo veel mogelijk zijn toegesneden op de onderscheidene categorieën bouwwerken en dat de criteria kunnen verschillen naargelang de plaats waar een bouwwerk is gelegen’. Dit biedt mogelijkheden om de criteria per samenhangend deel van de gemeente uit te werken. Zowel binnen als buiten de bebouwde kom verschillen gebieden ten aanzien van de bestaande kwaliteiten en ten aanzien van de verwachte en/of beoogde ruimtelijke ontwikkelingen, die vastliggen in een bestemmingsplan of specifieke beleidsdocumenten, bijvoorbeeld in het kader van landschapsverbetering, stedelijke vernieuwing of architectuurbeleid. De bestaande situatie en de beleidsdoelen voor de toekomst zullen in de meeste gevallen de basis vormen voor een passend welstandsbeleid. In het ene gebied is aanleiding om een behoudend beleid te voeren, in een ander gebied is juist verandering en vernieuwing aan de orde. In het ene gebied is nauwelijks sprake van ruimtelijke dynamiek en kan een terughoudend welstandsregime acceptabel zijn, in een ander gebied gaat juist alles op de schop en is een intensieve beïnvloeding van de ruimtelijke kwaliteit vereist.

De welstandsnota is derhalve een dynamisch document. Steeds als er nieuwe gebieden worden ontwikkeld, vormen de beleidsregels voor het betreffende gebied een toevoeging aan de nota, mits telkens opnieuw de vaststellingsprocedure wordt gevolgd.

Indien het bevoegd gezag de welstandscriteria in bijzondere gevallen buiten toepassing laat als bedoeld in artikel 4:84 Algemene wet bestuursrecht (inherente afwijkingsbevoegdheid), dient dit wel per concreet geval deugdelijk door het bevoegd gezag te worden gemotiveerd.

Relatie bestemmingsplan en welstand

De jurisprudentie op basis van de Woningwet gaat uit van de voorrangsregel uit artikel 9 Woningwet, inhoudende dat de welstandstoets zich dient te richten naar de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt.

Het welstandscriterium is in artikel 2.10 sub d (voorheen artikel 44 van de Woningwet) omschreven als zelfstandige toetsingsgrond voor bouwaanvragen. De voorrangsregeling van artikel 9 was daardoor niet rechtstreeks van toepassing. De jurisprudentie heeft uit dit stelsel van de wet afgeleid dat die voorrang is blijven bestaan (ABRS 25 april 1995, BR 1995, 579, ABRS 16 maart 1999, AB 1999, 356 en ABRS 18 februari 2000, Gst.2000, 7119).

In lijn met artikel 9 Woningwet is de voorrang van het bestemmingsplan op de welstandseisen geregeld in artikel 12, derde lid van de Woningwet. Daarin is tevens bepaald dat ook de stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening boven de welstandseisen prevaleren. In artikel 12b, eerste lid van de Woningwet is bovendien expliciet vastgelegd dat óók de welstandscommissie deze voorrangsregeling moet betrekking bij de advisering. Het bestemmingsplan is immers het wettelijk instrument waarmee, langs de in de Wet ruimtelijke ordening aangegeven en met bijzondere waarborgen omklede weg, aan gronden een bestemming is gegeven en de daarbij behorende bebouwings- en gebruiksmogelijkheden worden aangegeven. Dit betekent dat de welstandstoets niet mag leiden tot beperkingen die een reële verwezenlijking van de aan de grond toegekende bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, belemmeren (vgl. ABRS 16 maart 1999, AB 1999, 356 m.n. A.G.A. Nijmeijer). De kans dat die situatie zich voordoet is kleiner naarmate het bestemmingsplan meer mogelijkheden biedt de toegekende bestemming te realiseren.

Naar valt aan te nemen is de voorrangsregel (artikel 12, derde lid Woningwet) naar analogie van toepassing op de relatie toekomstig bestemmingsplan en welstand.

Artikel 6.11 Advisering Commissie Ruimtelijke Kwaliteit Zuidplas

Gebaseerd op artikel 9.1 van de Bouwverordening en de modelverordening op de gemeentelijke adviescommissie.

Toelichting

Eerste lid

Dit lid beschrijft de adviestaak in algemene zin: het adviseren van de raad en het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) op het gebied van de omgevingskwaliteit als bedoeld in artikel 1.3 van de wet. De commissie adviseert dus niet over andere aspecten van de fysieke leefomgeving, zoals een veilige en gezonde fysieke leefomgeving.

Tweede lid

Onderdeel a

Dit betreft de advisering over aanvragen om een omgevingsvergunning of de advisering over een ontwerpbesluit als het college geen bevoegd gezag is. De commissie adviseert op verzoek van het college over een aanvraag voor:

1 ̊. een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een monument

De wet definieert een rijksmonumentenactiviteit als volgt:

“een activiteit inhoudende het slopen, verstoren, verplaatsen of wijzigen van een rijksmonument of een voorbeschermd rijksmonument of het herstellen of gebruiken daarvan waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht”.

De commissie adviseert niet over aanvragen om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot archeologische rijksmonumenten. De commissie brengt advies uit met het oog op het behoud van cultureel erfgoed. Uitgangspunten daarbij zijn:

  • -

    het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van monumenten en archeologische monumenten;

  • -

    het voorkomen van verplaatsing van monumenten of een deel daarvan, tenzij dit dringend is vereist is voor het behoud van die monumenten;

  • -

    het bevorderen van het gebruik van monumenten, zo nodig door wijziging van die monumenten, rekening houdend met de monumentale waarden; en

  • -

    het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ.

Dit volgt uit artikel 8.80 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Besluit kwaliteit leefomgeving) dat de beoordelingsregels voor de rijksmonumentenactiviteit bevat.

Voor rijksmonumentenactiviteiten met betrekking tot archeologische rijksmonumenten is de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Minister van OCW) aangewezen als advies- en instemmingsorgaan in de gevallen dat het college het bevoegd gezag is. Dit in verband met zijn verantwoordelijkheid voor de archeologische rijksmonumenten en met het landelijk overzicht en de vereiste specialistische kennis en ervaring die aanwezig zijn bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Ook is de Minister van OCW (mede) bevoegd tot toezicht en handhaving waar het gaat om archeologische rijksmonumenten. Behoud in situ (in de bodem) is hierbij het uitgangspunt.

De gemeenten spelen desalniettemin in de archeologie een cruciale rol. De afweging om archeologische monumenten in situ (in de bodem) dan wel ex situ (door ze op te graven) te behouden, wordt meestal door de gemeente gemaakt in het kader van het opstellen van het omgevingsplan en de belangenafweging bij de specifieke omgevingsplanactiviteiten waaraan een archeologische onderzoeksplicht is gekoppeld. De gemeente is op grond van artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving verplicht om bij het opstellen van het omgevingsplan rekening te houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, waaronder (aantoonbaar te verwachten) archeologische monumenten. Daarbij kan de (aantoonbaar te verwachten) aanwezigheid van archeologische monumenten van invloed zijn op onder meer de toedeling van functies aan locaties – bijvoorbeeld de keuze om geen parkeergarage toe te staan op een locatie met hoge archeologische waarde – of op de inhoud van in het omgevingsplan op te nemen beschermende regels of beoordelingsregels. De commissie kan hierover op grond van de andere onderdelen van dit artikel adviseren.

Voor als gemeentelijk monument beschermde archeologische monumenten is de commissie wel het aangewezen adviesorgaan.

2 ̊. E en omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een voorbeschermd gemeentelijk monument of een gemeentelijk monument

De bescherming van monumenten of archeologische monumenten als gemeentelijk monument gebeurt door aan het monument of archeologisch monument in het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven. Met een voorbereidingsbesluit kan voorbescherming worden geboden aan een locatie waarvoor wordt overwogen deze de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven.

Overgangsrecht gemeentelijke monumenten

Het overgangsrecht in de wet en het Invoeringsbesluit Omgevingswet regelt dat er bij het in werking treden van de wet een vergunningplicht geldt voor activiteiten met betrekking tot gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten die nog op grond van de Erfgoedverordening Zuidplas 2010 zijn aangewezen. De regels uit die verordening blijven gelden tot het moment dat dit onderwerp in het nieuwe deel van het omgevingsplan is geregeld. Dit volgt uit de artikelen 22.4 en 22.8 van de wet en artikel 7.1 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet in samenhang met artikel 22.2 van het omgevingsplan (bruidsschat). De in de Erfgoedverordening Zuidplas 2010 opgenomen vergunningplicht geldt als een verbod op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.

3 ̊. E en omgevingsplanactiviteit in geval de commissie in het omgevingsplan als adviseur is aangewezen

De raad kan op grond van artikel 16.15, tweede lid, van de wet in het nieuwe deel van het omgevingsplan bepalen in welke gevallen een advies verplicht is. Dit kan per gebied of per type activiteit of bouwwerk verschillen. Zolang nog geen gevallen zijn aangewezen, zet het college het bestaande beleid met betrekking tot het vragen van commissieadvies voort.

Omdat het omgevingsplan ook bij een projectbesluit of een voorbereidingsbesluit kan worden gewijzigd, brengt dit mee dat ook Gedeputeerde Staten, het dagelijks bestuur van het Waterschap en de Minister van OCW de commissie als adviseur in het omgevingsplan kunnen aanwijzen. Regels over de aanwijzing van de commissie als adviseur kunnen ook onderdeel zijn van de voorbeschermingsregels waarmee een voorbereidingsbesluit het omgevingsplan wijzigt. Overigens betekent dit niet dat de commissie daarmee ook formeel adviesorgaan van die andere bestuursorganen wordt. Als het college geen bevoegd gezag is voor de aanvraag om een omgevingsvergunning maar adviseur, is de commissie ook adviseur en richt het advies van de commissie zich tot het college in plaats van het bevoegd gezag (artikel 4.22 van het Omgevingsbesluit).

4 ̊. E en andere activiteit in geval het college een advies nodig acht met het oog op het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit

Dit onderdeel is gelijkwaardig aan de huidige zogenoemde “kan-bepaling” over de welstandsadvisering in artikel 6.2, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht. Burgmeester en wethouders kunnen – voor zover dat in het omgevingsplan niet anders is geregeld – op grond daarvan zelf bepalen of zij een advies inwinnen bij de commissie.

De beoordeling van de omgevingsplanactiviteit bouwen door de commissie

Bij het beoordelen van een bouwplan volgt de commissie de beoordelingsregels die in het omgevingsplan staan. De beoordelingsregels geven aan onder welke voorwaarden de vergunning kan worden verleend of geweigerd. Het gaat hierbij om regels over het bouwwerk zelf als wel zijn relatie tot de omgeving en de te verwachten ontwikkeling daarvan. Bijvoorbeeld de bouwhoogte, de bouwmassa, het maximale bebouwingsoppervlak, de aanwijzing van bouwvlakken, de situering op de bouwvlakken, de karakteristiek van de bebouwing, en het uiterlijk van bouwwerken zoals vastgelegd in de beleidsnota.

De wet biedt de gemeente een kans om te zorgen voor een betere inbedding en aansluiting van welstandsaspecten binnen het ruimtelijke kwaliteitsbeleid. Het streven naar een goede omgevingskwaliteit als bedoeld in artikel 1.3 van de wet is daarbij het overkoepelende doel. Daarom is de advisering niet beperkt tot ingrepen aan beschermde monumenten en het uiterlijk van bouwwerken. De commissie adviseert zowel over de toepassing van de regels in het omgevingsplan zelf (zoals de mogelijkheid tot “binnenplanse” afwijkingen), als over de toepassing van de beleidsregels over het uiterlijk van bouwwerken. Dit gebeurt vanuit het doel van een goede omgevingskwaliteit.

Onderdeel b

De Minister van OCW vraagt ingevolge de Erfgoedwet altijd advies aan het college van de gemeente waar een monument of archeologisch monument zich bevindt, alvorens te besluiten het aan te wijzen als rijksmonument. In dat geval is de commissie adviseur van het college. De commissie is ook adviseur in geval het college het voornemen heeft een monument of archeologisch monument aan te wijzen als gemeentelijk monument (door de locatie de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven).

Onderdeel c

Dit onderdeel geeft invulling aan de mogelijkheid als bedoeld in artikel 17.9, tweede lid, van de wet om de commissie in te schakelen bij het ontwikkelen van beleid voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Zoals hierboven vermeld gaat het uitsluitend om beleid op het gebied van de omgevingskwaliteit.

Onderdeel d

Dit onderdeel betreft de opgavegerichte advisering in verband met een verkenning van een mogelijk bestaande of toekomstige opgave.

In geval van een verkenning in het kader van een projectprocedure of projectbesluit als bedoeld in artikel 5.48, tweede lid, van de wet onderzoekt het bevoegd gezag de mogelijke oplossingen voor een opgave. Door de verkenning kan het bevoegd gezag inzichten verkrijgen in:

  • -

    de aard van de opgave,

  • -

    de relevante ontwikkelingen voor de fysieke leefomgeving, en

  • -

    de mogelijke oplossingen voor die opgave.

Hieronder vallen ook de oplossingen die anderen aandragen en waarvan het bevoegd gezag na beoordeling ervan besluit deze mee te nemen in de verkenning.

Burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen van het Rijk en de provincie die een mogelijke oplossing hebben aangedragen, kunnen aan het college vraagt een deskundige instantie als de commissie over hun oplossing te raadplegen. Het college kan ook zelf advies vragen over de aangedragen oplossingen voor de opgave.

De laatste zinsnede van dit onderdeel geeft aan dat ook als er geen sprake is van een projectprocedure of projectbesluit het college aan de commissie advies kan vragen in het kader van een verkenning van een mogelijk bestaande of toekomstige opgave in de fysieke leefomgeving.

Onderdeel f

Dit onderdeel betreft de ontwerpgerichte advisering. Deze taak heeft geen betrekking op het adviseren over door het college op aanvraag te nemen besluiten, maar op het informeren en begeleiden van planindieners en ontwerpers gedurende het ontwerpproces, met het doel een hoogstaande stedenbouwkundige en architectonische kwaliteit te bereiken. Dit onderdeel biedt de mogelijkheid om in een specifiek geval de commissie of een lid van de commissie te belasten met of te betrekken bij deze taak.

Onderdeel g

Vooroverleg bij een vergunningaanvraag wordt in de wet niet gereguleerd. De bestaande praktijk kan op grond van dit onderdeel worden voortgezet. Het belang van een goed vooroverleg neemt toe, aangezien het vereiste van onlosmakelijke samenhang vanuit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht niet is overgenomen in de wet. De initiatiefnemer is er zelf verantwoordelijk voor dat zij of hij voor alle activiteiten beschikt over de vereiste vergunningen. Het is aan de initiatiefnemer om de verschillende eisen op elkaar af te stemmen. Vooral bij complexe projecten is vooroverleg van groot belang.

Onderdeel i

In dit onderdeel is bepaald dat de commissie ook adviseur kan zijn bij het stellen van maatwerkvoorschriften in verband met het uiterlijk van bouwwerken, de zorg voor cultureel erfgoed en werelderfgoed en andere zaken die de omgevingskwaliteit betreffen.

De aanschrijvingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 13a van de Woningwet in geval van een bouwwerk dat in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand, is opgenomen in de bruidsschat als bedoeld in artikel 7.1 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet. Dit in de vorm van een bevoegdheid tot stellen van maatwerkvoorschriften (zie artikel 22.7 in samenhang met artikel 22.4 van het tijdelijke deel van het omgevingsplan).

De specifieke zorgplicht voor rijksmonumenten verplicht initiatiefnemers om maatregelen te nemen om het beschadigen of vernielen van (voorbeschermde) rijksmonumenten te voorkomen. Een activiteit hoeft daarbij niet gericht te zijn op een rijksmonument. Het is voldoende dat een activiteit in de fysieke leefomgeving effect heeft op dat rijksmonument. Een voorbeeld hiervan is het bouwen van een tunnel, waardoor een rijksmonument kan verzakken. De regels voor de specifieke zorgplicht staan in hoofdstuk 13 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). De gemeente kan op grond daarvan maatwerkvoorschriften opleggen.

Onderdeel j

De meeste regels over de fysieke leefomgeving uit de gemeentelijke verordeningen komen binnen de gemeente Zuidplas in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Op grond van dit onderdeel kan het college ook op basis van andere verordeningen advies vragen aan de commissie, ook al zijn de regels nog niet omgezet naar het omgevingsplan.

§ 6.3.2 Aanwijzing van besluiten waarover verplicht advies moet worden gevraagd

Artikel 6.12 Verplichte advisering

Dit artikel sluit aan op de verplichte adviezen op grond van artikel 17.9 van de wet en het op grond van de Verordening fysieke leefomgeving verplichte advies bij gemeentelijke monumenten.

§ 6.3.3 Samenstelling en inrichting

Artikel 6.13 Samenstelling van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit

Gebaseerd op artikel 9.2 van de Bouwverordening en de modelverordening. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

Onafhankelijkheid

Voor elk afzonderlijk lid van deze commissie geldt het onafhankelijkheidsvereiste. Daaraan wordt in elk geval voldaan indien de leden van de commissie niet ondergeschikt zijn aan het gemeentebestuur. Ook is het raadzaam bij de selectie van de leden van de welstandscommissie alert te zijn op mogelijk tegenstrijdige belangen. Deelneming van leden van het college of van het bevoegd gezag dat besluiten neemt over een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen aan de welstandscommissie voor de eigen gemeente of voor de gemeente waarover het bevoegd gezag besluiten neemt, is in dit verband uitgesloten.

Deskundigen en burgers

In de welstandscommissie behoeven niet uitsluitend deskundigen zitting te hebben. Deskundige leden zijn leden die zich door ervaring en opleiding kwalificeren om zitting te nemen in de welstandscommissie. Van deskundige commissieleden mag worden verwacht dat zij vanuit een eigen, actieve beroepspraktijk kunnen oordelen over plannen van collega’s. Onder niet-deskundige leden worden vertegenwoordigers van de plaatselijke bevolking verstaan, geen architecten of anderszins beroepsmatig bij de kwaliteit van de gebouwde omgeving betrokken zijnde, die door het gemeentebestuur in de welstandscommissie kunnen worden benoemd. De gemeenteraad beslist over de benoeming van niet-deskundige leden. Er is geen wettelijke verplichting om niet-deskundige leden op te nemen in de welstandscommissie.

Er zijn meerdere alternatieven denkbaar.

De welstandscommissie bestaat slechts uit deskundige leden. De secretaris is geen lid van de welstandscommissie.

Artikel 6.14 Benoeming

Een nieuw artikel over de benoeming van leden van de commissie Ruimtelijke Kwaliteit.

Eerste tot en met derde lid

Deze leden hebben betrekking op de benoemingstermijn als bedoeld in artikel 17.7, eerste lid, van de wet. Het eerste lid regelt de benoeming voor de eerste termijn. Het tweede lid ziet toe op de herbenoeming. De regels voor de herbenoeming zijn logischerwijs alleen van toepassing op de leden, niet op hun plaatsvervangers. In het derde lid is de mogelijkheid opgenomen om leden 10 jaar na hun aftreden opnieuw te benoemen.

De vraag kan worden gesteld of het benoemen van leden en instellen van de commissie een bevoegdheid is die gemandateerd kan worden aan het college. Mandaatverlening is niet geoorloofd indien de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet. In dit geval is het de vraag of de aard van de bevoegdheid zich verzet tegen mandaatverlening als bedoeld in artikel 10:3, tweede lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht. Onder de Woningwet is overwogen dat de raad een centrale rol moest spelen in het welstandstoezicht, mandatering was daarom niet mogelijk. Uit de toelichting bij artikel 17.7 van de wet volgt dat “in navolging van de bestaande regeling voor de welstandscommissie (..) die bevoegdheid is neergelegd bij de gemeenteraad.” (Kamerstukken II, 2013-2014, 33962, nr. 3, p. 580). Op grond daarvan mag worden aangenomen dat de aard van de bevoegdheid zich tegen mandatering aan het college verzet.

Vierde lid

Dit lid regelt schorsing en ontslag. De wet bepaalt dat de raad de leden benoemt en ontslaat (artikel 17.7, tweede lid, van de wet). Het is vanzelfsprekend dat leden op eigen aanvraag worden ontslagen. Zij kunnen verder worden geschorst en ontslagen wegens ongeschiktheid, onbekwaamheid of op andere zwaarwegende gronden.

Artikel 6.15 Ondersteuning van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit

Een nieuw artikel over ambtelijke ondersteuning van de commissie.

Toelichting

De commissie wordt in ieder geval bijgestaan door een ambtelijk secretaris die voor de uitoefening van zijn taak uitsluitend verantwoording schuldig is aan de commissie. De secretaris wordt dus niet door bestuurlijke belangen geleid. Datzelfde geldt voor de medewerkers die eventueel aan de secretaris worden toegevoegd en die door de secretaris worden aangestuurd.

Artikel 6.16 Termijn van advisering

Gebaseerd op artikel 9.5 van de Bouwverordening. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

In de wet is geen termijn gesteld waar binnen de commissie moet adviseren. Daarom kan het college op grond van het eerste lid aangeven binnen welke termijn een advies wordt verwacht. Deze termijn mag volgens artikel 3:6 van de Algemene wet bestuursrecht niet zodanig kort zijn, dat de commissie zijn taak niet meer kan vervullen. In het tweede lid is bepaald dat het college ook kan afzien van het stellen van een termijn. In dat geval geldt een termijn van vier weken. Die is gelijk aan de termijn die in de Bouwverordening gemeente Zuidplas 2018 voor een advies op een aanvraag voor een omgevingsvergunning was opgenomen.

Indien geen advies wordt uitgebracht binnen de genoemde adviestermijn, staat dit de besluitvorming door het college niet in de weg (artikel 3:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht ).

Artikel 6.17 Beraadslaging en standpuntbepaling

Gebaseerd op artikel 9.6 van de Bouwverordening. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

Openbaar vergaderen

Openbaar vergaderen is een fundamenteel beginsel van het openbaar bestuur, dat nu voor de welstandscommissie expliciet is vastgelegd in artikel 12b van de Woningwet. De wettelijke taken van de welstandscommissie worden uitgevoerd in openbaarheid. Daarvan kan slechts worden afgeweken als de belanghebbende een beroep doet op artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, als er dusdanige aangelegenheden aan de orde zijn dat daarmee de aanvrager in zijn recht staat openbaarheid te weigeren.

Het verdient aanbeveling om niet alleen de agenda voor de welstandsvergadering bekend te maken, maar ook de stukken die betrekking hebben op de geagendeerde aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen ter inzage te leggen bij de agenda en daarvan melding te maken in de bekendmaking.

De openbaarheid van welstandsvergaderingen zal bijdragen aan de vermaatschappelijking van het welstandstoezicht. Daarbij speelt mede een rol van betekenis de algemene wens voor het transparanter maken van de advisering op het terrein van de ruimtelijke kwaliteit. Bovendien zal de openbaarheid van welstandsvergaderingen bijdragen aan het begrip voor en kennis over het welstandstoezicht van de zijde van de burger/bouwer.

Belanghebbenden

Met betrekking tot de openbaarheid van welstandsvergaderingen dient een onderscheid te worden gemaakt tussen openbaarheid voor enerzijds de aanvrager van de omgevingsvergunning en anderzijds andere belanghebbenden.

Uit artikel 4:7 Algemene wet bestuursrecht volgt de beperkte verplichting dat de mogelijkheid tot toelichting van het bouwplan ten overstaan van de welstandscommissie dient te worden geboden aan de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen.

Desondanks is het inbouwen van een moment voor de aanvrager om zijn aanvraag toe te lichten zeer zinvol. Bij de aanwezigheid van de aanvrager kan - indien nodig - wellicht eerder tot alternatieve bouwoplossingen worden gekomen, waardoor de noodzaak om een hernieuwde adviesaanvraag te doen kan worden verkleind.

Openbaarheid van de vergaderingen

De verplichting tot openbaar vergaderen heeft betrekking op de vergaderingen waarin het welstandsadvies formeel wordt vastgesteld. Het is niet verplicht voor informeel vooroverleg over een principeaanvraag of een schetsplan, dat meestal door een of meer daartoe gemandateerde leden van de commissie wordt uitgevoerd. De potentiële bouwer kan in het stadium van vooroverleg gebaat zijn met beslotenheid. Openbaarheid zou dan remmend op het vooroverleg kunnen werken, terwijl uit oogpunt van de korte bouwplanprocedure vooroverleg stimulering verdient.

Behandeling van aanvragen onder verantwoordelijkheid welstandscommissie

Behandeling van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen waarbij onder verantwoordelijkheid van de welstandscommissie wordt gewerkt (artikel 9.7 van de bouwverordening), vraagt voor de openbaarheid enige aandacht. In geval van veelvoorkomende omgevingsvergunningen voor het bouwen van kleine bouwwerken (als deze al niet vergunningvrij zijn) zal er geringe belangstelling zijn om de behandeling van bouwplannen bij te wonen. Het verdient in dat geval aanbeveling om per bouwplan slechts vijf minuten te agenderen, zodat aan de openbaarheid kan worden voldaan en er geen ongebruikte (vergader)tijd verloren hoeft te gaan.

Artikel 6.18 Afdoening onder verantwoordelijkheid van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit

Gebaseerd op artikel 9.7 van de Bouwverordening. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

In de praktijk kan, gelet op de korte beslistermijnen, behoefte bestaan aan het onder verantwoordelijkheid van de welstandscommissie afdoen van het welstandadvies. De meest voorkomende vorm van het ‘onder verantwoordelijkheid afdoen’, komt neer op de afdoening van een welstandsadvies bij plannen waarvan de mening van de welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld. Daarnaast kan het college ook kiezen voor afdoening onder verantwoordelijkheid met betrekking tot bepaalde categorieën bouwwerken

De welstandscommissie is de door de gemeenteraad benoemde onafhankelijke commissie die aan het college advies uitbrengt ten aanzien van de vraag of het uiterlijk of de plaatsing van een bouwwerk, waarvoor een aanvraag omgevingsvergunning is ingediend, in strijd is met redelijke eisen van welstand (art. 1, onder n. Woningwet).

Op basis van artikel 2.10, lid 1 onder d Wet algemene bepalingen omgevingsrecht moet de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen in beginsel worden geweigerd indien het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft om strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria zoals vermeld in de welstandsnota, bedoeld in art. 12a, eerste lid, onder a van de Woningwet.

Het college is verplicht om een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen ter advisering voor te leggen aan de welstandscommissie (art. 2.26, lid 3 in samenhang met art. 6.2 Besluit omgevingsrecht). Dit hoeft niet wanneer er voor het desbetreffende bouwwerk geen redelijke eisen van welstand gelden (omdat de gemeenteraad op basis van art. 12, lid 2 Woningwet heeft bepaald dat geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn) of bij voorbaat vaststaat dat de omgevingsvergunning reeds op een andere grond moet worden geweigerd.

Onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is een bouwwerk vergunningplichtig op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of vergunningvrij; een tussencategorie bestaat niet meer. Dit betekent dat iedere aanvraag voor een vergunningplichtig bouwwerk door het college ter advisering aan de welstandscommissie moet worden voorgelegd.

Artikel 9.7 biedt de mogelijkheid voor de welstandscommissie om de advisering over een aanvraag om welstandsadvies onder verantwoordelijkheid van de commissie over te laten aan een of meerdere daartoe aangewezen leden van die commissie. Het aangewezen lid of de aangewezen leden kunnen alleen adviseren over bouwplannen waarvan volgens hen het oordeel van de welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld.

Geen mandatering

Hierbij is overigens geen sprake van mandatering in de zin van de Algemene wet bestuursrecht . Art. 10:1 Algemene wet bestuursrecht definieert mandaat immers als: de bevoegdheid om in naam van een bestuursorgaan besluiten te nemen. De welstandscommissie is geen bestuursorgaan. Bovendien neemt het geen besluiten (in de zin van de Algemene wet bestuursrecht ) maar adviseert de commissie het college. Om misverstanden te voorkomen, passen wij art. 9.7 van de modelbouwverordening bij de eerstvolgende wijziging aan.

Samengevat:

Sinds de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is ‘flitsen’ alleen mogelijk als:

  • voor het betreffende bouwplan geen welstandscriteria gelden of,

  • het daartoe aangewezen lid van de welstandscommissie aanwezig is, en

  • het oordeel van de welstandscommissie over het betreffende bouwplan als bekend mag worden verondersteld.

Artikel 6.19 Adviseurs

Nieuw artikel.

Toelichting

Dit artikel geeft de commissie de bevoegdheid zich ten behoeve van de advisering te laten voorlichten door ambtenaren (eerste lid) of door externe deskundigen (tweede lid). Een ambtenaar of een andere deskundige kan ingevolge het derde lid op uitnodiging van de commissie aanwezig zijn bij de vergaderingen of als adviseur deelnemen aan de beraadslagingen.

Deze regeling sluit aan op de gegroeide praktijk, waarbij de commissies afhankelijk van de behoefte, specifieke adviseurs inschakelen (bijvoorbeeld een specialist op het gebied van historische interieurs of een specialist op het gebied van duurzaam bouwen).

Artikel 6.20 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht

Gebaseerd op artikel 9.8 van de Bouwverordening. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

Lid 1

Het eerste lid van artikel 9.8 legt een algemeen bestuursrechtelijk uitgangspunt vast, namelijk het motiveringsbeginsel dat in artikel 12b, eerste lid van de Woningwet is opgenomen. In de praktijk is het niet ongebruikelijk dat bij positieve welstandsadvisering een expliciete motivering achterwege blijft. Volgens vaste jurisprudentie verandert dit direct zodra bezwaar tegen de (voorheen) bouwvergunning wordt ingediend.

Artikel 6.21 Verwerking van het advies

Nieuw artikel.

Toelichting

Dit lid is opgenomen met het oog op een goede vervulling van de adviestaak. Daarvoor is nodig dat de commissie voortdurend inzicht heeft in hoe het college omgaan met de uitgebrachte adviezen.

§ 6.3.4 Werkwijze

Artikel 6.22 Reglement van orde

Nieuw artikel

Toelichting

Eerste lid

De commissie stelt een reglement van orde vast.

Tweede lid

Dit lid geeft aan welke onderwerpen in ieder geval in het reglement van orde worden opgenomen.

Derde lid

Dit lid regelt de bekendmaking van het reglement van orde. Dat kan als bijlage bij deze verordening, of als aparte bekendmaking met een goede verwijzing naar deze verordening. Juridisch gezien behoeft het reglement van orde niet in de verordening zelf te worden opgenomen.

Artikel 6.23 Relatie met andere adviseurs

Nieuw artikel.

Toelichting

Dit artikel regelt een goede afstemming tussen de werkzaamheden van andere adviseur(s) op het gebied van de omgevingskwaliteit en de commissie.

§ 6.3.5 Jaarverslag

Artikel 6.24 Jaarlijkse verantwoording

Gebaseerd op artikel 9.3 van de Bouwverordening. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

Jaarverslag welstandscommissie

Een jaarverslag is bij uitstek geschikt om te signaleren waar de welstandsnota als beleidskader onvoldoende houvast heeft kunnen bieden bij de welstandsbeoordeling en kan tevens dienen ter verantwoording waarom in specifieke gevallen is afgeweken van het vastgestelde beleid. De jaarlijkse verslagverplichting van de welstandscommissie vloeit voort uit artikel 12b, derde lid van de Woningwet.

Het jaarverslag kan voor de gemeenteraad aanleiding zijn voor bijstelling van het gemeentelijk welstandsbeleid door aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota. Om die reden is het zinvol te streven naar het uitbrengen van het jaarverslag tijdig vóór de beleids- en begrotingscyclus in de gemeente. Ervan uitgaande dat de gemeentelijke begroting doorgaans in september/oktober wordt behandeld, zou het ‘verslagjaar’ van de welstandscommissie kunnen lopen van juni tot juni.

Jaarverslag het college

Teneinde de politieke verantwoordelijkheid voor de uitoefening van het welstandstoezicht te verstevigen en de betrokkenheid van de raad bij de welstandszorg te vergroten, is ook aan het college ingevolge artikel 12c van de Woningwet de verplichting opgelegd jaarverslagen omtrent de toepassing van het welstandsbeleid voor te leggen aan de gemeenteraad. In dit jaarverslag zou ten minste aan de orde dienen te komen:

  • op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de welstandsnota;

  • opmerkelijke ruimtelijke ontwikkelingen in de stad en de rol van het welstandstoezicht daarin;

  • aard en betekenis van de belangrijkste bouwplannen en de wijze waarop het plan is behandeld en tot tand gekomen is;

  • feitelijke (getalsmatige) informatie.

Voornoemd verslag kan tevens deel uitmaken van een algemeen jaarverslag over ruimtelijke ordening en bouwregelgeving.

Samen met het jaarverslag van de welstandscommissie wordt hierdoor het gemeentelijk welstandstoezicht inzichtelijk gemaakt en het publieke debat bevorderd.

In de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en het Besluit omgevingsrecht is een algemene verslagverplichting voor het college ogenomen ten aanzien van ruimtelijke ordening en bouwregelgeving.

Afdeling 6.4 Overige procesregels

§ 6.4.1 Beschermd rijksmonument

Artikel 6.25 Vergunning voor beschermd rijksmonument

In dit artikel is geregeld dat de commissie Ruimtelijke Kwaliteit adviseert over vergunningen voor beschermde rijksmonumenten.

§ 6.4.2 Gemeentelijk erfgoed

Artikel 6.26 Gemeentelijk erfgoedregister

In dit artikel is de term monumentenlijst aangepast naar erfgoedregister. Deze term komt voort uit de Erfgoedwet en verwijst naar de brede inhoud van de term cultureel erfgoed. Op de monumentenlijst werden alleen onroerende gemeentelijke monumenten en rijksmonumenten opgenomen. In het erfgoedregister worden al het op grond van deze verordening aangewezen/ geregistreerde erfgoed en het door de minister aangewezen erfgoed opgenomen.

§ 6.4.3 Bomen en houtopstanden

Artikel 6.27 Monumentale- en waardevolle bomen - Zuidplas lijst

Gebaseerd op artikel 3 bijlage B van het Bomenbeleidsplan. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting

In Zuidplas is sprake van een gedifferentieerde boombescherming. Bomen kunnen naar status worden ingedeeld in drie categorieën: waardevolle houtopstanden, structuurbomen en functionele bomen. Alleen voor de eerste categorie is een beschermingsregime in de onderhavige verordening opgenomen. Voor de twee laatste categorieën wordt door het college kapbeleid vastgesteld.

Waardevolle houtopstanden vormen de ‘top’ van het bomenbestand. Ze hebben een bijzondere waarde voor de leefomgeving. Het college bepaalt welke houtopstanden als zodanig worden gekwalificeerd en neemt ze op in de Bomenlijst Zuidplas. Het college kan hiervoor beleidsregels opstellen. De lijst wordt elke negen jaar opnieuw vastgesteld.

Afdeling 6.5 Planschade

§ 6.5.1. Aanvraag om tegemoetkoming in planschade

Artikel 6.28 Indiening van de aanvraag en de mededeling van ontvangst

Dit artikel is nieuw op basis van de huidige procedure voor planschade zoals vastgelegd binnen de gemeente.

Toelichting

Vast moet staan dat het binnengekomen schrijven een aanvraag bevat om tegemoetkoming in schade als bedoeld in artikel 6.1 Wet ruimtelijke ordening en dat daarbij tevens wordt voldaan aan de vereisten van artikel 4:2 Algemene wet bestuursrecht: de aanvraag moet worden ondertekend en ten minste bevatten: naam en adres van de aanvrager, de dagtekening en een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd.

Aanvrager moet gebruikmaken van een door het college vastgesteld formulier volgens bijgevoegd model. Daarin moet aanvrager onder meer aangeven welke van de in artikel 6.1 Wet ruimtelijke ordening genoemde planologische maatregelen aan de orde is. Tevens wordt aan de hand van het formulier voor aanvrager duidelijk dat er voor een ontvankelijke aanvraag meer gevraagd wordt dan alleen een verzoekbrief om tegemoetkoming planschade als gevolg van een planologische maatregel. De planschade-oorzaak moet worden aangegeven en aanvrager moet de aard en hoogte van de tegemoetkoming nader motiveren en onderbouwen. Volgens artikel 4:2, tweede lid en artikel 4:5 Algemene wet bestuursrecht heeft het bestuursorgaan de mogelijkheid om later aanvulling van de aanvraag te verlangen. De wet noemt daarvoor geen termijn. Dit betekent dat het college op elk moment tijdens de behandeling van de aanvraag alsnog kan besluiten tot het laten aanvullen van de aanvraag, indien blijkt dat bepaalde belangrijke gegevens ontbreken. In het tweede lid is bepaald dat de datum van ontvangst van de aanvraag wordt geregistreerd aangezien dit van belang is voor de bepaling van de wettelijke rente over de uit te kerenschadevergoeding en in verband staat met de verjaringsregeling (indiening moet plaatsvinden binnen vijf jaar nadat de desbetreffende bepaling van het bestemmingsplan of het desbetreffende besluit onherroepelijk is geworden). Het is ons beleid de envelop met postzegel of poststempel te bewaren.

§ 6.5.2. Adviescommissie Planschade

Artikel 6.29 Opdrachtverstrekking

Dit artikel is gebaseerd op artikel 2 van de Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade gemeente Zuidplas. Het woord besluit is aangepast naar Besluit ruimtelijke ordening.

Toelichting

Het college dient binnen twaalf weken een opdracht te verstrekken aan één of meerdere adviseurs gezamenlijk, tenzij toepassing wordt gegeven aan artikel 6.1.3.1 Wet Basis Registratie Ondergrond of aan artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 6.1.3.1, eerste lid, Wet Basis Registratie Ondergrond geeft het college de bevoegdheid een aanvraag binnen vier, dan wel acht weken indien de aanvrager eerst nog een termijn krijgt de aanvraag aan te vullen, als kennelijk ongegrond af te wijzen. Artikel 6.1.3.1, tweede lid, Wet Basis Registratie Ondergrond heeft betrekking op de bevoegdheid van artikel 4:5 Algemene wet bestuursrecht waarbij een onvolledige aanvraag verder buiten behandeling moet worden gelaten. Volgens artikel 6.1.3.1, tweede lid, Wet Basis Registratie Ondergrond moet het besluit tot het niet in behandeling nemen binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag aan de aanvrager worden medegedeeld. Voor zover de aanvrager in de gelegenheid is gesteld zijn aanvraag aan te vullen, krijgt het college acht weken de tijd na het tijdstip waarop de termijn om de aanvraag aan te vullen is verstreken, om het besluit tot niet verdere behandeling van de aanvraag bekend te maken. De laatstgenoemde beslistermijn kan met ten hoogste vier weken worden verlengd. Indien de aanvraag kennelijk ongegrond wordt verklaard of buiten behandeling wordt gelaten, is de verordening niet toepasselijk, tenzij de termijnen bedoeld in artikel 6.1.3.1 Wet Basis Registratie Ondergrond worden overschreden. In het laatste geval dienen niettemin één of meerdere adviseurs te worden aangewezen en dient een opdracht te worden verstrekt. De opdracht wordt niet eerder verstrekt dan nadat de termijn om te wraken is verstreken en er geen verzoeken tot wraking zijn ingediend, dan wel door het college afwijzend is beslist over een ingediend verzoek tot wraking.

Artikel 6.30 Adviseur of adviescommissie

Dit artikel is gebaseerd op artikel 3 van de Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade gemeente Zuidplas.

Toelichting

Het college schakelt één of meerdere adviseurs gezamenlijk in voor de advisering over de op de aanvraag te nemen beschikking. In dit artikel is bepaald in welke gevallen een adviseur of een adviescommissie dient te worden ingeschakeld en over welke deskundigheid een adviseur dient te beschikken. Een adviseur kan een natuurlijke persoon of een rechtspersoon zijn. De keuze tussen een natuurlijke persoon of een rechtspersoon wordt aan de gemeente overgelaten (zie de Nota van Toelichting bij het Wet Basis Registratie Ondergrond, Stb. 2008, 145, p. 63). Een adviesbureau gespecialiseerd in planschade kan derhalve worden aangewezen als adviseur bedoeld in het eerste lid, of als één van de adviseurs (tweede of derde lid) in een adviescommissie. Hoewel voor iedere aanvraag een aanwijzing van één of meerdere adviseurs noodzakelijk is, staat de verordening er niet aan in de weg om telkens dezelfde adviseur(s) aan te wijzen (vaste adviseur/vaste adviescommissie).In het eerste lid is bepaald dat een eerste adviseur wordt aangewezen die over voldoende deskundigheid op het gebied van planschadeadvisering dient te beschikken. Afhankelijk van de kennelijke oorzaak van de planschade kan een tweede en/of derde adviseur worden aangewezen, die over specifieke deskundigheid op het gebied van planschade wegens inkomensderving onderscheidenlijk wegens waardevermindering van een onroerende zaak als gevolg van een planologische verslechtering beschikt. Het is aan het college om, na advies te hebben ingewonnen bij de (eerste) adviseur, te beoordelen of deze (eerste) adviseur zelfstandig kan adviseren, of dat er gezien de complexiteit, aard en omvang van de aanvraag behoefte is een tweede en/of derde adviseur bij de opdracht te betrekken die beschikt over specifieke deskundigheid. Het college zal de tweede en/of derde adviseur dan vervolgens moeten aanwijzen; bij de aanwijzing van twee of meer adviseurs is er sprake van een adviescommissie (artikel 3, vijfde lid). De adviseurs dienen de in artikel 6.1.3.4 Wet Basis Registratie Ondergrond genoemde zaken te betrekken. Artikel 6.1.3.5, eerste lid, Wet Basis Registratie Ondergrond bepaalt dat de adviseur of de adviescommissie zich door derden kan laten adviseren en bijstaan. Indien hiermee kosten zijn gemoeid is instemming van het college vereist.

Artikel 6.31 Deskundigheid en onafhankelijkheid

Dit artikel is gebaseerd op artikel 4 van de Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade gemeente Zuidplas. Het woord wet is veranderd in Wet ruimtelijke ordening. De verwijzingen naar andere artikelen zijn geactualiseerd op basis van de VFLO.

Toelichting

Artikel 6.1.3.3, tweede lid onder a, Wet Basis Registratie Ondergrond schrijft voor dat de verordening regels moet bevatten over de deskundigheid en de onafhankelijkheid van de adviseur. Om de deskundigheid van de adviseurs te waarborgen is in het eerste lid bepaald dat het college alvorens zij tot aanwijzing van een persoon als adviseur overgaat, kan verlangen dat deze persoon aantoont op grond van opleiding en ervaring deskundig te zijn met betrekking tot de in artikel 3, tweede of derde lid, genoemde aspecten waarop hij of zij de aanvraag dient te beoordelen. In aansluiting op artikel 3:5, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht juncto artikel 6.1.1.1 onder c, Wet Basis Registratie Ondergrond waaruit voortvloeit dat een adviseur niet werkzaam mag zijn onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan waaraan wordt geadviseerd, wordt in artikel 4, tweede lid, bepaald dat die adviseur eveneens niet werkzaam mag zijn onder verantwoordelijkheid van de raad. Voorts bepaalt artikel 4, tweede lid, dat een adviseur niet betrokken mag zijn bij de planologische maatregel waarop de aanvraag betrekking heeft. Dit betreft deskundigen die op enigerlei wijze betrokken zijn bij de in het geding zijnde planologische maatregel. In het bijzonder kan worden gedacht aan personen behorende tot de risicoanalysecommissie die optreedt in het kader van planologische maatregelen.

Artikel 6.32 Betrokkenheid aanvrager en andere belanghebbenden bij aanwijzing adviseur of adviescommissie

Dit artikel is gebaseerd op artikel 5 van de Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade gemeente Zuidplas. Het woord wet is veranderd in Wet ruimtelijke ordening. De verwijzingen naar andere artikelen zijn geactualiseerd op basis van de VFLO.

Toelichting

Dit artikel bepaalt dat de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen en andere belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening schriftelijk op de hoogte moeten worden gebracht van de aanwijzing van een adviseur of adviescommissie. De aanwijzing van een adviseur dient schriftelijk bekend te worden gemaakt. In het geval meerdere adviseurs worden aangewezen, worden deze aanwijzingen gezamenlijk schriftelijk bekend gemaakt. Indien de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen of andere belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening zich niet kunnen verenigen met de aanwijzing van één of meerdere adviseurs is er de mogelijkheid om één of meerdere adviseurs te wraken. Op verzoek van de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen of andere belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening kunnen één of meerdere adviseurs worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de vereiste deskundigheid en onafhankelijkheid schade zou kunnen lijden. Genoemde partijen worden gedurende twee weken in de gelegenheid gesteld een verzoek tot wraking van één of meerdere adviseurs bij het college kenbaar te maken. Het college moet binnen twee weken na het verstrijken van de termijn tot het indienen van een verzoek tot wraking beslissen.

Artikel 6.33 Werkwijze adviseur of adviescommissie

Dit artikel is gebaseerd op artikel 6 van de Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade gemeente Zuidplas. Het woord wet is veranderd in Wet ruimtelijke ordening.

Toelichting

Dit artikel geeft de wijze weer waarop de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen en andere belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening onder verslaglegging worden gehoord en bij de opstelling van het advies worden betrokken. Tevens worden de hiervoor geldende termijnen vastgelegd. In het tweede en derde lid is bepaald dat vanuit de gemeente bijstand wordt verleend aan de adviseur of adviescommissie, door alle voorhanden zijnde informatie met betrekking tot de aanvraag om tegemoetkoming in planschade ter beschikking te stellen. Daarnaast worden alle bescheiden die naar het oordeel van de adviseur of van de adviescommissie nodig zijn voor de beoordeling van de aanvraag aan hen ter beschikking gesteld. Het derde, vierde en vijfde lid bevatten regels over achtereenvolgens de hoorzitting, de bezichtiging en de taxatie. Deze onderdelen behoeven niet afzonderlijk te worden georganiseerd. Het is mogelijk om de hoorzitting te combineren met de bezichtiging en/of taxatie. Volgens artikel 6.1.3.5, tweede lid, Wet Basis Registratie Ondergrond mag van de bezichtiging worden afgezien, indien uit de inhoud van de aanvraag aanstonds blijkt dat deze behoort te worden afgewezen. Het concept advies dient binnen zestien weken na dagtekening van de opdracht aan de gemeente, aanvrager, eventueel andere betrokken bestuursorganen en andere belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening te worden toegezonden. Deze termijn kan met ten hoogste vier weken worden verlengd (zevende lid).Artikel 6.1.3.3, tweede lid onder e, Wet Basis Registratie Ondergrond bepaalt dat de verordening aandacht moet schenken aan de wijze waarop de aanvrager, eventueel andere betrokken bestuursorganen en andere belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening bij de opstelling van het advies moeten worden betrokken. De Nota van Toelichting bij het Wet Basis Registratie Ondergrond noemt als voorbeeld dat de aanvrager in de gelegenheid wordt gesteld om binnen een bepaalde periode op het concept advies te reageren (zie de Nota van Toelichting bij het Wet Basis Registratie Ondergrond, Stb. 2008, 145, p. 66). In dit kader bepaalt het achtste lid dat de gemeente, de aanvrager, eventuele andere bestuursorganen en andere belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening in de gelegenheid worden gesteld om binnen vier weken schriftelijk op het concept advies te reageren. Het negende en het tiende lid bepalen de termijnen voor het uitbrengen van het advies aan het college.

§ 6.5.3. Beschikking advies planschade

Artikel 6.34 Beschikking van het college

Dit artikel is nieuw op basis van de huidige procedure voor planschade zoals vastgelegd binnen de gemeente.

Toelichting

Het college dient binnen twaalf weken een opdracht te verstrekken aan één of meerdere adviseurs gezamenlijk, tenzij toepassing wordt gegeven aan artikel 6.1.3.1 Wet Basis Registratie Ondergrond of aan artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht . Artikel 6.1.3.1, eerste lid, Wet Basis Registratie Ondergrond geeft het college de bevoegdheid een aanvraag binnen vier, dan wel acht weken indien de aanvrager eerst nog een termijn krijgt de aanvraag aan te vullen, als kennelijk ongegrond af te wijzen. Artikel 6.1.3.1, tweede lid, Wet Basis Registratie Ondergrond heeft betrekking op de bevoegdheid van artikel 4:5 Algemene wet bestuursrecht bestuursrecht waarbij een onvolledige aanvraag verder buiten behandeling moet worden gelaten. Volgens artikel 6.1.3.1, tweede lid, Wet Basis Registratie Ondergrond moet het besluit tot het niet in behandeling nemen binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag aan de aanvrager worden medegedeeld. Voor zover de aanvrager in de gelegenheid is gesteld zijn aanvraag aan te vullen, krijgen burgermeester en wethouders acht weken de tijd na het tijdstip waarop de termijn om de aanvraag aan te vullen is verstreken, om het besluit tot niet verdere behandeling van de aanvraag bekend te maken. De laatst-genoemde beslistermijn kan met ten hoogste vier weken worden verlengd. Indien de aanvraag kennelijk ongegrond wordt verklaard of buiten behandeling wordt gelaten, is de verordening niet toepasselijk, tenzij de termijnen bedoeld in artikel 6.1.3.1 Wet Basis Registratie Ondergrond worden overschreden. In het laatste geval dienen niettemin één of meerdere adviseurs te worden aangewezen en dient een opdracht te worden verstrekt. De opdracht wordt niet eerder verstrekt dan nadat de termijn om te wraken is verstreken en er geen verzoeken tot wraking zijn ingediend, dan wel door het college afwijzend is beslist over een ingediend verzoek tot wraking

Hoofdstuk 7 Handhaving

Afdeling 7.1 Strafbepalingen

Artikel 7.1 Strafbepaling

Dit artikel is gebaseerd op artikel 6.1 van de Algemene plaatselijke verordening. Daar waar dit in andere verordeningen gelijk is, is aangesloten bij dit artikel. De verwijzingen naar andere artikelen zijn geactualiseerd op basis van de VFLO.

Toelichting

Op grond van artikel 154 van de Gemeentewet kan de gemeenteraad op overtreding van zijn verordeningen straf stellen. Deze straf mag niet zwaarder zijn dan hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie, al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. In artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht zijn de maxima van de zes boetecategorieën opgenomen. Het maximum van een boete van de eerste categorie bedraagt euro 225 en van de tweede categorie euro 2250. Het is overigens uiteindelijk de strafrechter die de soort en de maat van de straf in een concreet geval bepaalt, tot de grens van de door de gemeenteraad gekozen boetecategorie. Hierbij dient de rechter op grond van artikel 24 Wetboek van Strafrecht rekening te houden met de draagkracht van de verdachte. Het algemeen geldende minimum van de geldboete bedraagt euro 2 (artikel 23, tweede lid, Wetboek van Strafrecht).

Strafbaarheid rechtspersonen

Op grond van artikel 91 jo. artikel 51 Wetboek van Strafrecht. vallen ook rechtspersonen onder de werking van gemeentelijke strafbepalingen. Bij veroordeling van een rechtspersoon kan de rechter een geldboete opleggen tot ten hoogste het bedrag van de naasthogere categorie “indien de voor het feit bepaalde boetecategorie geen passende bestraffing toelaat” (artikel 23, zevende en achtste lid Wetboek van Strafrecht). Dat betekent dat voor overtredingen van de Algemene plaatselijke verordening door een rechtspersoon de rechter de mogelijkheid heeft een boete van de derde categorie op te leggen (€ 4500 ).

Medebewindsvoorschriften

In bijzondere wetten wordt aan gemeenten vaak de bevoegdheid gegeven of de verplichting opgelegd om nadere voorschriften vast te stellen. Ook de strafbaarstelling van de overtreding van deze gemeentelijke voorschriften is veelal in deze wetten opgenomen. De strafbedreiging van artikel 6:1 is op deze gemeentelijke voorschriften in deze verordening niet van toepassing. Dit geldt bijvoorbeeld voor de voorschriften in afdeling 2.5 Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen opgenomen artikelen met uitzondering van artikel 2.5.6. Overtreding van deze voorschriften is strafbaar gesteld in de artikelen 437 en 437ter van het Wetboek van Strafrecht (boete van de tweede respectievelijk derde categorie).

Hechtenis?

Het zal zelden voorkomen dat voor overtreding van een Algemene plaatselijke verordening-bepaling hechtenis wordt opgelegd, zeker nu ernaar gestreefd wordt de korte vrijheidsstraf nog meer terug te dringen “ten gunste” van de geldboete. Toch is in dit artikel de mogelijkheid van hechtenis opgenomen omdat niet bij voorbaat kan worden uitgesloten dat in bepaalde (uitzonderings)gevallen (bijvoorbeeld in het geval van recidive) de rechter behoefte heeft aan de mogelijkheid tot oplegging van een vrijheidsstraf.

Strafbaarstelling niet-naleving nadere regels en vergunningsvoorschriften

Niet alleen de overtreding van in de verordening opgenomen bepalingen wordt in dit artikel met straf bedreigd. Ook de overtreding hiervan levert een strafbaar feit op. Dit geldt ook voor de overtreding van krachtens artikel 1.4 van de Algemene plaatselijke verordening gegeven beperkingen en voorschriften bij een vergunning of een ontheffing.

Formeel levert dit laatste een overtreding van artikel 1.4, tweede lid, op. Hierin is de verplichting opgenomen dat degene aan wie krachtens de Algemene plaatselijke verordening een vergunning of ontheffing is verleend, verplicht is de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

De vergunning voor het aanleggen of veranderen van een weg (artikel 2:11) en voor het vellen van houtopstanden (artikel 4:11) vallen onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Zie resp. artikel 2.2, eerste lid onder d en onder g van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg (artikel 2:10) kan neerkomen op het opslaan van roerende zaken als bedoeld in artikel 2.2 onder j en k van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, bijvoorbeeld als het gaat om de tijdelijke opslag van puin of bouwmaterialen in containers. Een ontheffing daarvoor valt dan onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en wordt aangemerkt als een omgevingsvergunning. Artikel 2.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht verbiedt het handelen in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning op grond van artikel 2:10, 2:11 of 4:11 Algemene plaatselijke verordening.

Via artikel 5.4 van de Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is de Wet economische delicten van toepassing op handelen zonder of in strijd met deze drie vergunningen. De strafbepalingen van de Algemene plaatselijke verordening zijn er dus niet op van toepassing.

Afdeling 7.2 Aanwijzing toezichthouders

Artikel 7.2 Toezichthouders

Dit artikel is gebaseerd op artikel 6.2 van de Algemene plaatselijke verordening. Daar waar dit in andere verordeningen gelijk is, is aangesloten bij dit artikel.

Ook zijn de toezichthouders verduidelijkt om een overzichtelijke lijst te hebben.

Toelichting

Op grond van dit artikel kan het college personen aanwijzen die met het toezicht op de naleving van de bepalingen in de Algemene plaatselijke verordening zijn belast. De basis voor deze bevoegdheid wordt gevonden in hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht . In dit hoofdstuk zijn algemene regels gegeven voor de bestuursrechtelijke handhaving van algemeen geldende rechtsregels en individueel geldende voorschriften.

Artikel 7.3 Binnentreden van woningen

Dit is een nieuw artikel waarin bepaald wordt wanneer een toezichthouder het recht heeft tot het binnentreden van woningen en andere aangeduide objecten.

Hoofdstuk 8 Overgangsrecht

Artikel 8.1 Overgangsbepalingen

Dit artikel regelt dat besluiten op basis van de in artikel 9.1 ingetrokken bepalingen en verordeningen ook gelden als besluiten krachtens de VFLO.

Toelichting

Van belang is in de overgangsbepalingen aan te geven of bestaande vergunningen, ontheffingen, enz. al dan niet hun rechtskracht blijven behouden na de inwerkingtreding van deze verordening.

Op aanvragen om een besluit, ingediend onder de oude verordening, wordt volgens de Algemene wet bestuursrecht beslist overeenkomstig de nieuwe verordening (toetsing ex nunc).

Op bezwaarschriften ingediend tegen besluiten genomen onder het oude recht, wordt eveneens besloten krachtens deze verordening met dien verstande dat de bezwaarde niet in een nadeliger positie mag komen dan hij onder het oude recht zou hebben gehad. (verbod van reformatio in peius).

Hoofdstuk 9 Slotbepalingen

Artikel 9.1 Intrekking verordeningen en vervallen bepalingen

Dit artikel regelt de intrekking en het vervallen van de verschillende verordeningen en bepalingen waarop deze verordening is gebaseerd.

Artikel 9.2 Inwerkingtreding

Dit artikel behoeft geen toelichting.

Artikel 9.3 Citeertitel

Dit artikel behoeft geen toelichting.


Noot
1

De onderdelen van de verordening zoals opgenomen in het bomenbeleidsplan zijn nooit meegenomen bij de herziening van de APV. Deze zullen nu worden opgenomen in de VFLO

Noot
2

Nieuwe verordening om de breder inzetbare Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (voorheen Welstandscommissie) te kunnen regelen.