Beleidsregel van het college van Dijkgraaf en Heemraden van Waterschap Zuiderzeeland houdende regels omtrent de versterking of reconstructie van de primaire waterkeringen van Waterschap Zuiderzeeland (Standaard Ontwerp Richtlijnen)

Geldend van 07-04-2021 t/m heden

Intitulé

Beleidsregel van het college van Dijkgraaf en Heemraden van Waterschap Zuiderzeeland houdende regels omtrent de versterking of reconstructie van de primaire waterkeringen van Waterschap Zuiderzeeland (Standaard Ontwerp Richtlijnen)

Genomen besluit

Het college van Dijkgraaf en Heemraden besluit de Standaard Ontwerp Richtlijnen voor de versterking of reconstructie van de primaire waterkeringen van Waterschap Zuiderzeeland, vast te stellen.

Toelichting

Standaard Ontwerp Richtlijnen (SOR) voor de versterking of reconstructie van de primaire waterkeringen zijn uitgangspunten voor het ontwerp van een primaire waterkering. Het werken met SOR draagt bij aan veilige primaire waterkeringen die efficiënt beheerd kunnen worden. Ook maakt het werken met deze richtlijnen het mogelijk om duurzaamheidsambities van Waterschap Zuiderzeeland te realiseren en ruimtelijke kwaliteit te verbeteren.

1. Inleiding

1.1. Aanleiding

Waterschap Zuiderzeeland versterkt de komende jaren een deel van zijn primaire waterkeringen. Ook worden er regelmatig (grote) projecten door derden gerealiseerd op of nabij de primaire waterkering van het waterschap, waarbij er een reconstructie van de kering plaatsvindt.

Dit vraagt om heldere uitgangspunten die als vertrekpunt dienen voor het ontwerp van de primaire waterkering. In dit document zijn de uitgangspunten voor het ontwerp van een primaire waterkering opgenomen. Dit noemen we Standaard Ontwerp Richtlijnen (SOR).

Het waterschap wil veilige primaire waterkeringen die efficiënt beheerd kunnen worden. Daarnaast wil het waterschap kansen bij dijkversterkingen en reconstructies benutten om duurzaamheidsambities (energiezuinig, CO2-neutraal, circulair, biodiversiteit) van het waterschap te realiseren en ruimtelijke kwaliteit te verbeteren. Het werken met de SOR draagt bij aan deze doelstellingen.

1.2. Standaard Ontwerp Richtlijnen

De Standaard Ontwerp Richtlijnen (SOR) vormen het vertrekpunt voor een dijkversterking of dijkreconstructie. Per project wordt in het kader van Systems Engineering bekeken welke ontwerprichtlijnen vertaald moet worden in een klanteis en later een systeemeis en contracteis voor het project.

Het waterschap onderbouwt in dit document waarom het kiest voor een bepaalde ontwerprichtlijn. Dit doet het waterschap vanuit zijn belang als beheerder van de primaire waterkeringen in zijn beheergebied. De SOR vormen een beleidskader dat vastgesteld is door het dagelijks bestuur van het waterschap. Maatwerk waarbij afgeweken wordt van de SOR is in overleg met het waterschap mogelijk in bijzondere gevallen. Voorwaarde is dat dit leidt tot een betere, of efficiëntere, of duurzamere of innovatievere oplossing.

De scope van de SOR is technische ontwerpeisen voor een primaire waterkering én eisen op het gebied van grondzaken. Alles binnen de kernzone wordt omschreven. De SOR bevat dus geen standaard richtlijnen voor het inrichten van bijvoorbeeld omgevingsparticipatie of contractmanagement. Ook het watersysteem valt buiten de scope.

1.3. Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt toegelicht hoe de SOR zijn opgebouwd. Hoofdstuk 3 beschrijft, per onderdeel van de primaire waterkering, de standaard ontwerprichtlijnen. In hoofdstuk 4 staan de ontwerprichtlijnen voor objecten in of op de waterkering die geen waterkerende functie hebben. Eisen t.a.v. de realisatiefase en oplevering van de primaire waterkering staan in hoofdstuk 5. Hoofdstuk 6 beschrijft de eisen op gebied van grondzaken.

2. Opzet ontwerprichtlijnen

2.1. Definitie object primaire waterkering met deelobjecten

Hieronder is een dwarsprofiel weergegeven van het object primaire waterkering binnen het beheergebied van Waterschap Zuiderzeeland. In het profiel zijn de verschillende deelobjecten van het object primaire waterkering weergegeven. In de tabel daaronder is per deelobject de definitie gegeven die Zuiderzeeland hanteert. In de praktijk komen vele varianten op dit dwarsprofiel voor.

foto

Figuur 1: dwarsprofiel object primaire waterkering met deelobjecten

Deelobject van object waterkering

Definitie

Dijk

Grondlichaam bestemd voor het keren van water

Kern

Grondlichaam van zand en/of klei in een dijk dat moet worden

beschermd tegen de inwerking van de waterbeweging

Kwelsloot

Sloot aan de binnenzijde van de dijk die tot doel heeft kwelwater op te vangen en af te voeren

Drainage

Stelsel van doorlatende buizen dat kwelwater dat door de dijk stroomt afvoert naar de kwelsloot en voor voldoende drooglegging zorgt van het benedenbeloop om regulier beheer en onderhoud mogelijk te maken

Binnentalud

Het talud van de dijk vanaf de binnenkruinlijn tot aan de teen van de dijk

Benedenbeloop

Het beloop tussen de teen van de dijk en de insteek van de kwelsloot

Binnenberm

Extra verbreding aan de landzijde van de dijk om het dijklichaam extra steun te bieden of voor het accommoderen van een binnendijks beheerpad

Kruin

Hoogste punt in het dwarsprofiel van het dijklichaam of de strook tussen buitenkruinlijn en binnenkruinlijn

Buitentalud

Hellend vlak van het dijklichaam aan de kerende zijde

Buitenberm

Extra verbreding aan de buitendijkse zijde van de dijk om het dijklichaam extra steun te bieden en/of om de golfoploop te reduceren

Teenconstructie

Constructie aan de onderzijde van het buitentalud als overgang van de steenbekleding naar het voorland of de teenbestorting

Onderwatertalud

Onderdeel van het buitentalud dat zich in/onder water bevindt

Voorland

Ondiepe waterbodem of terrein voor het teenschot van de dijk; inclusief voorliggende dammen

Kunstwerk (waterkerend)

Constructie die onderdeel uitmaakt van een waterkering en over een beperkte lengte de waterkerende functie van het grondlichaam geheel of gedeeltelijk overneemt, maar is aangelegd ten behoeve van een andere (utilitaire) functie die de waterkering kruist (zoals schutten, spuien, bemalen, waterinlaat en een verlaagde dijkdoorgang). In verband met deze utilitaire functie zijn deze waterbouwkundige constructies meestal voorzien van minimaal twee afsluitmiddelen.

Gemaal

Kunstwerk om water van een laag peil naar een hoog peil te brengen, waarvan de noodzaak kan liggen in wateroverschot aan de lage kant (afvoer) of in waterbehoefte in het gebied aan de hoge kant (aanvoer). Een gemaal is een samenstel van verschillende onderdelen:

  • één of meerdere doorvoerleidingen of –kokers

  • één of meerdere afsluitmiddelen

  • een gebouw met installaties

Sluis

Kunstmatige, beweegbare waterkering die de verbinding tussen twee wateren (met eventueel een verschillend waterpeil) kan afsluiten of openstellen (voor scheepvaart) en daartoe van deuren of schuiven is voorzien

Langsconstructie

Type kunstwerk in een waterkering welke een bijdrage levert aan de stabiliteit van de waterkering zoals kademuren, damwanden en stabiliteitschermen

NWO

Niet waterkerend object. Object op of in de dijk dat geen waterkerende functie heeft, zoals kabels en leidingen, gebouwen en beplanting

Tabel 1: definities deelobjecten van object primaire waterkering. De definities zijn grotendeels ontleend aan “Regeling veiligheid primaire waterkeringen 2017”

2.2. Objectboom reconstructie/versterking primaire waterkering

Een versterking of reconstructie van de primaire waterkering heeft als doel om de waterveiligheid van het achterliggende land te verbeteren of te borgen. Daarnaast faciliteert de versterking of reconstructie de inpassing van bestaande en/of nieuwe functies in of op de primaire waterkering. Dit laatste betreft het inpassen van NWO’s (Niet Waterkerende Objecten).

De waterveiligheid wordt geborgd door de primaire waterkering. Deze is onder te verdelen in dijk (het grondlichaam) en kunstwerken. Zie onderstaande objectboom.

foto

Figuur 2: objectboom versterking/reconstructie primaire waterkering

*deelobject dat niet in de SOR is uitgewerkt.

In dit document zijn (in hoofdstuk 3) per deelobject van het object primaire waterkering de ontwerprichtlijnen beschreven die Waterschap Zuiderzeeland hanteert. Hetzelfde is gedaan voor de (meest voorkomende) NWO’s (in hoofdstuk 4).

3. Ontwerprichtlijnen primaire waterkering

In dit hoofdstuk worden de standaard ontwerprichtlijnen voor de deelobjecten van de primaire waterkering beschreven. Het betreffen eisen t.a.v. de eindsituatie. Gestart wordt met algemene uitgangspunten die gelden voor de volledige primaire waterkering.

3.1. Primaire waterkering

  • 1.

    De primaire waterkering dient ten minste te voldoen aan de wettelijke overstromingskansnorm (ondergrens) uit de Waterwet (omgevingswaarde in de Omgevingswet).

  • Gedurende de levensduur van een waterkering neemt de sterkte van de kering af door veroudering en door toenemende hydraulische condities door klimaatverandering. De landelijke afspraak is dat met de voorbereidingen van een dijkversterking gestart kan worden op het moment dat een traject niet meer voldoet aan de signaleringswaarde uit de Waterwet (signaleringsparameter in de Omgevingswet). Binnen het beheergebied van Waterschap Zuiderzeeland gaat de achteruitgang langzamer doordat de keringen gefundeerd zijn op een zandcunet en het klimaateffect in het merengebied achter de afsluitdijk, klein is. Dit maakt dat de dijk na versterking niet aan de signaleringswaarde hoeft te voldoen. De overstromingskans mag echter niet groter zijn dan de ondergrens.

  • 2.

    Het ontwerp van de primaire waterkering moet voldoen aan de geldende wettelijke kaders.

  • De Waterwet en het WBI (Wettelijk Beoordelings Instrumentarium 2017) hebben een wettelijke status. Het OI (Ontwerpinstrumentarium 2014 Versie 4) is een handreiking. Naar verwachting komen er in 2023 een nieuw Wettelijk Beoordelingsinstrumentarium (WBI 2023) en een nieuwe handreiking voor het veiligheidsontwerp van een waterkering. De toepassing van het WBI 2023 wordt wettelijk verplicht. Voor het ontwerpen van versterkingsmaatregelen is de ontwerphandreiking niet verplicht, het gebruik ervan wordt echter wel aanbevolen.

  • 3.

    De versterking of reconstructie van de primaire waterkering moet voldoen aan de Keur (straks Waterschapsverordening), het waterkeringenbeleid (bouwbeleid, beleid windmolens, kabels en leidingen en beplantingen, visie medegebruik primaire keringen) en het vigerende waterbeheerprogramma van Waterschap Zuiderzeeland. De gewijzigde situatie (kernzone, beschermingszones en onderhoudsplichten) wordt opgenomen in de legger.

  • 4.

    De dijk (het grondlichaam) dient bij oplevering een ontwerplevensduur van minimaal 50 jaar te hebben, zonder groot preventief en correctief onderhoud.

  • 50 jaar is het vertrekpunt. Optimalisatie van de levensduur vindt plaats op basis van de LCC benadering (levenscyclusbenadering). Voor waterkerende constructies ter vervanging van een grondlichaam, geldt een andere ontwerplevensduur. Zie eis 82

  • 5.

    Het waterschap heeft voorkeur voor een grondlichaam i.p.v. (versterking door) een constructie.

  • Zand en klei zijn duurzame materialen en goedkoper in onderhoud (niet altijd), inspectie en versterking. Onderhoud, inspectie en versterking zijn minder complex bij een grondlichaam.

  • 6.

    De primaire waterkering dient te kunnen worden onderhouden volgens de huidige onderhoudssystematiek als beschreven in het Meerjaren onderhoudsplan (MJOP) van het waterschap.

  • 7.

    Het maatgevend regulier onderhoudsverkeer betreft een hydraulische rupskraan met lange giek en een tractor met 2 maaiwerktuigen.

    foto

    Maaien steenbekleding

    foto

    Maaizuigcombinatie

  • 8.

    De Hydraulische belastingen dienen conform het vigerend instrumentarium te worden afgeleid met de daarbij uitgeleverde hydraulische randvoorwaardendatabases en met de meest actuele klimaatscenario’s

  • Dit betreft een meerpeilstijging van 1 cm per jaar voor het IJsselmeer vanaf 2050 tot 2080, totaal 30 cm, waarna van 2080 tot 2100 het meerpeil gelijk blijft. Na 2050 zal het meerpeil van het Markermeer door zeespiegelstijging en toenemende neerslag gaan meestijgen met het IJsselmeer. Er wordt verondersteld dat een derde deel van dit klimaateffect kan worden weggepompt naar het IJsselmeer. Dit betekent dat in de periode van 2050 tot en met 2075 rekening moet worden gehouden met een lineaire toename van het wintermeerpeil van het Markermeer met +10 cm. Het plafond van +10 cm op het Markermeer is derhalve in 2075 bereikt, daarna moet het peil constant worden verondersteld tot 2100. Voor het ontwerpen van kunstwerken of voor ruimtereservering wordt vaak een zichtduur van 100 jaar gebruikt. Voor de periode na 2100 bestaat er echter nog geen beleidsvoornemen. Het is aan de waterbeheerder om hier zelf een weloverwogen keuze voor te maken (of verder stijgen of plafondwaarde hanteren). (Bron: Werkwijzer bepaling hydraulische ontwerprandvoorwaarden Aanvulling OI2014, versie 4, A.J. Smale , 2016). NB De actualiteit van deze ontwerpeis dient bij iedere versterking of reconstructie getoetst te worden bij de Helpdesk Water.

  • 9.

    Nieuw aan te brengen materiaal dient vrij te zijn van verontreinigingen conform AW 2000 (achtergrondwaarde 2000 uit het besluit bodemkwaliteit), inclusief biologische en chemische verontreiniging en puin. Aan te brengen materiaal mag niet verontreinigd zijn met invasieve soorten als Japanse Duizend Knoop. Aan te brengen materialen mogen niet thermisch gereinigd zijn.

  • Dit moet aangetoond worden met laboratorium onderzoeksresultaten die laten zien dat de grond niet is vervuild, zowel chemisch als biologisch.

  • 10.

    De kering wordt zoveel mogelijk langs de lijnen van Duurzaam GWW (Grond- weg- en waterbouw) aangelegd.

  • Het waterschap wil in al zijn projecten verantwoord omgaan met grondstoffen en materialen en vraagt dit ook van derden die een project op of nabij de primaire waterkering realiseren, waarbij er een reconstructie van de kering plaatsvindt.

  • 11.

    Het ontwerp van de kering moet beheerbaar, inspecteerbaar en in de toekomst versterkbaar en beoordeelbaar zijn.

  • Toekomstige versterkingen blijven uitvoerbaar. Hiervoor wordt voldoende ruimte gereserveerd. Uitgangspunt is een strook van 20 meter naast de kernzone, zowel binnen- als buitendijks ( binnenbeschermingszone ).

  • 12.

    De waterkering dient zowel tijdens als na realisatie bereikbaar te zijn voor calamiteitenverkeer en inspectie tijdens een storm. Het gaat om hulpdiensten, inspectievoertuigen of een kraan om zand of steen op de dijk aan te brengen.

  • 13.

    De initiatiefnemer coördineert de verwerving van gronden ten behoeve van het project. Alle kosten samenhangend met de verwerving van deze gronden komen ten laste van de initiatiefnemer.

  • Bij een dijkversterking heeft het waterschap een opgave en is initiatiefnemer, bij een dijkreconstructie gaat het initiatief uit van een derde partij. Zie hoofdstuk 6 voor de nadere specificaties voor wat betreft grondverwerving.

  • 14.

    Eventuele bij de realisatie van het project vrijkomende grond vervalt niet aan de aannemer of een derde partij, maar blijft eigendom van het waterschap. Deze grond wordt op waarde gezet. Met het waterschap worden nadere afspraken gemaakt wat hiermee gebeurt en hoe de waarde met het waterschap verrekend wordt.

  • 15.

    De aanpassing van de waterkering leidt niet tot (significant hogere) meerkosten voor het waterschap (qua beheer, toetsing, onderhoud en toekomstige dijkversterkingen). Bij het ontwerp wordt een afweging gemaakt in het kader van LCC. Meerkosten voor het waterschap in de eindsituatie dienen, in overleg, te worden afgekocht.

  • 16.

    Bij ontwerp van een dijkversterking of reconstructie is de ligging van de huidige dijk maatgevend. De dijken van ZZL liggen op een grondverbetering / zandcunet, en hebben al jarenlang kunnen zetten.

Eisen t.a.v. uit te voeren onderzoek

  • 17.

    De te hanteren stijghoogte voor de geotechnische faalmechanismen dient te worden gekalibreerd met behulp van bestaande en/of nieuwe peilbuismetingen en inzichten uit het regionale Azure model.

  • 18.

    Voor de geotechnische faalmechanismen moet voor de binnenwaterstand het dagelijkse peil worden aangenomen.

  • 19.

    Voor de macrostabiliteitsanalyse van het grondlichaam van de primaire waterkering moet het Critical State Soil Mechanics model uit het OI2014v4 (Ontwerp Instrumentarium 2014 versie 4) worden gevolgd.

  • 20.

    Grondonderzoek (voor de afleiding van geotechnische sterkteparameters ten behoeve van de bepaling van de stabiliteit van de primaire waterkering) wordt conform actuele richtlijnen uitgevoerd.

  • Waterschap Zuiderzeeland is bereid om aan de voorkant voorstellen voor geotechnisch onderzoek te toetsen om te borgen dat de juiste uitgangspunten worden gebruikt.

  • 21.

    De resultaten van uit te voeren grondonderzoek dienen conform het geotechnisch onderzoeksprotocol van Waterschap Zuiderzeeland te worden aangeleverd evenals aan de BasisRegistratie Ondergrond. De laboratorium resultaten dienen in de STOWA database te worden verwerkt.

  • 22.

    Voor de doorlatendheid van de pleistocene zandlagen dienen de waarden uit de Stochastische Ondergrond Schematisatie (SOS) te worden gevolgd, tenzij lokale metingen uit het grondonderzoek anders uitwijzen.

  • 23.

    Voor de doorlatendheid van het voor- en achterland dienen de waarden uit de peilbuizen ofwel uit Azure te worden gevolgd.

3.2. Taluds, belopen en bermen

Binnentalud en buitentalud

  • 24.

    Taludhellingen mogen niet steiler zijn dan 1:3,0 i.v.m. onderhoudbaarheid, inspecteerbaarheid en arbo-eisen. Dit betreft het maaionderhoud op de onverharde taluds (Zie Leidraad Zee- en meerdijken) en onderhoud steenzetting op het buitentalud.

  • Op deze taluds of flauwer kan maaiapparatuur rijden, is beter een grasmat te ontwikkelen en is minder kans op uitspoeling bij kale plekken.

  • 25.

    De dijk dient voorzien te zijn van een bekleding. Het toe te passen soort bekleding voldoet aan de van toepassing zijnde delen van de Handreiking Dijkbekledingen 2015 deel 1 t/m 5, Deltares.

  • 26.

    De kleibekleding dient minimaal 0,8m te bedragen i.v.m. dierlijke graverij. Dit is inclusief de leeflaag van klei (dit geldt ook voor de kruin en het benedenbeloop). Dit is ongeacht wat uit de berekeningen volgt, behalve als deze meer bedraagt dan de voorgeschreven 0,8 m.

  • Conform het OI2014v4 (HF3 onder Hoogte) wordt aangeraden om dierlijke graverij (door b.v. konijnen en vossen) tegen te gaan door minimaal 0,8m kleibekleding aan te brengen. Dit is ook de praktijkervaring van het waterschap.

  • 27.

    De aan te brengen klei dient te voldoen aan de eisen voor klei conform de schematiseringshandleiding Grasbekleding. Het waterschap geeft de voorkeur aan gebruik van gebiedseigen grond.

  • Door laboratorium onderzoeksresultaten dient aangetoond te worden dat de kwaliteit voldoet aan de eisen conform schrale of stevige klei schematiseringshandleiding grasbekleding WBI 2017. Op aanwijzen van het waterschap dient op minimaal 4 en maximaal 10 locaties in het laboratorium te worden onderzocht of de aangebrachte klei voldoende is verdicht en aan de vereiste kwaliteit voldoet. Dit alles conform de proef beschreven in “Studie voor richtlijnen klei op dijktaluds in het rivierengebied” Hfst 10.

  • 28.

    De klei die wordt aangebracht mag niet te nat zijn, hierdoor kan scheurvorming optreden welke ongewenst is. Hiervoor dient een minimale consistentie-index (Ic) = 0,75 te worden aangehouden (dit geldt ook voor de kruin en het benedenbeloop).

  • Zie paragraaf 4.2 van het rapport “Update inzichten in gebruik van klei voor ontwerp en uitvoering van dijkversterking, aanbevelingen voor ontwerp en uitvoering”, van Deltares uit 2017

  • 29.

    De klei dient maximaal per 0,4 m te worden aangebracht en iedere afzonderlijke laag wordt verdicht (dit geldt ook voor de kruin en het benedenbeloop).

  • Conform de studie voor richtlijnen klei op dijktaluds in het rivierengebied en het TR (Technisch Rapport) klei bij dijken.

  • 30.

    De klei mag niet bevroren worden verwerkt en moet afwaterend (van boven naar benden) worden aangebracht (dit geldt ook voor de kruin en het benedenbeloop). Er mag geen stagnatiewater ontstaan.

  • 31.

    Voor de ontwikkeling van een gesloten grasmat dient het binnentalud, benedenbeloop, buitentalud en kruin, bovenop de erosiebestendige kleilaag, voorzien te zijn van een toplaag of leeflaag van schrale klei (met een vloeigrens lager dan 40%).

  • Er ontwikkelt zich een meer kruidenrijke grasmat. Deze hoeft minder vaak gemaaid te worden (2 maaibeurten i.p.v. 3) en er is minder kans op ongewenste kruiden. Het is lastig om op een kleilaag cat. 1 een gesloten en goed doorwortelde grasmat te kweken. Bij droogte zal de dijk minder snel en diep droogtescheuren gaan vertonen.

  • 32.

    Alle belopen en taluds van de dijk en kwelsloot dienen bereikbaar te zijn voor regulier onderhoudsverkeer (zie eis 7) (geldt voor buitentalud, binnentalud, benedenbeloop en kwelsloot).

  • 33.

    De onverharde delen binnen de kernzone dienen ingezaaid te zijn met graszaadmengsel D1 (hooiland) of D2 (weidemengsel/schapenland). Inzaaien met 120 kg/ha. (geldt voor buitentalud, binnentalud, benedenbeloop, buitenberm, binnenberm en taluds kwelsloot) Andere mengsels kunnen worden toegestaan, mits voldoende is aangetoond door kennisinstituten dat deze mengsels meer dan voldoende erosiebestendigheid geven. Waar mogelijk wil het waterschap de biodiversiteit vergroten, conform de rapportage "Biodiversiteitsontwikkeling op de dijken van Waterschap Zuiderzeeland. Een analyse van ecologisch potentieel".

  • 34.

    De dijk dient opgeleverd te worden met een dichte grasmat, zonder ongewenste kruiden. Dit betekent dat de grasmat dusdanig ontwikkeld is, dat aangetoond kan worden dat er over 3 jaar een goed ontwikkelde grasmat is. Bij onvoldoende ontwikkeling van de grasmat bij oplevering, dient er opnieuw ingezaaid te worden.

  • Uiteraard beseft het waterschap dat er zich nog niet een goed doorwortelde grasmat kan hebben ontwikkeld bij oplevering, maar er is wel te zien of er voldoende gras opkomt.

  • 35.

    Bij de overgang van een harde naar een zachte dijkbekleding (b.v. van een steenbekleding naar een grasbekleding) dient een overgangsconstructie (van b.v. grasbetonstenen) aangebracht te worden conform de Handreiking Dijkbekledingen 2015 deel 1 t/m 5 en de Technische richtlijn Steenzettingen. Tussen de dijkbekleding en een kunstwerk of NWO dient eveneens een overgangsconstructie aangebracht te worden. Deze bepaling geldt binnen de gehele kernzone.

  • Het doel van de overgangsconstructie is het voorkomen van erosie. Wanneer er geen overgangsconstructie aanwezig is, kan de bekleding open gaan staan/wijken. Het waterschap heeft de ervaring dat de overgang van een (asfalt)pad naar gras beter niet middels een betonband uitgevoerd kan worden. Na jaren ontstaat er een naad tussen het asfalt en de band. Deze naad kan aanleiding zijn tot uitspoelen van materiaal uit de ondergrond of gevaar opleveren voor fietsers die met hun banden in de naad rijden.

  • 36.

    Verhardingen moeten voldoende draagkrachtig zijn voor regulier onderhoudsverkeer. Deze eis geldt voor de volledige kernzone.

  • 37.

    Regen- en of overslagwater dient onder natuurlijk talud af te stromen naar de kwelsloot of het buitenwater, zodat nergens water blijft hangen.

Buitentalud

  • 38.

    De stenen dijkbekleding dient beproefd te zijn (voorzien van de vereiste certificaten). Het waterschap moet de steenbekleding conform het WBI kunnen beoordelen. Ook dient de steenbekleding eenvoudig en snel gerepareerd te kunnen worden. De stenen dijkbekleding wordt zonder scherpe overgangen aangelegd om spleetvorming te voorkomen.

  • 39.

    De bekleding van het buitentalud betreft een gras- of steenbekleding. De beheerder acht asfaltbekleding ongewenst wegens vormgeving en beheerbaarheid. Dit betreft de delen belast op golfklap en golfoploop.

  • In verband met de 'stille' waterlijn aan de buitenzijde heeft begroeiing teveel kans om zich in en door het asfalt te wortelen.

  • 40.

    Overlaging van steenzetting met stortsteen is niet toegestaan.

  • Overlaging met stortsteen is goedkoop in aanleg, niet in beheer. Na verloop van tijd ontstaan in stortsteenbekleding struiken/bomen die minimaal eens per drie jaar handmatig moeten worden verwijderd. Dit gebeurt met kniptangen en motorkettingzagen. Dit is gevaarlijk werk, omdat de steenbestortingen lastig te bereiken zijn. Uit oogpunt van veiligheid en ARBO zijn dergelijke werkzaamheden daarom niet gewenst. Een ander nadeel is dat dergelijke glooiingen erg ongelijkmatig van vorm zijn en dus moeilijk zijn te monitoren en inspecteren. Kleine verzakkingen zijn niet waarneembaar tijdens inspectie.

    foto

    Voorbeeld van overlaging steenzetting met stortsteen

  • 41.

    Indien er met een constructie wordt aangesloten op het (buiten)talud van de dijk, dan maakt de daadwerkelijke aansluiting geen onderdeel uit van de waterkerende constructie/ het dijklichaam.

  • In de praktijk betekent dit bijvoorbeeld dat een aansluitende weg aan kan sluiten op het dijklichaam, maar dat de steenbekleding van het dijklichaam onder de weg door dient te lopen om de waterkerende constructie te waarborgen.

  • 42.

    De bovenkant van de steenzetting na versterking of reconstructie dient minimaal tot dezelfde hoogte aanwezig te zijn als in de huidige situatie. Deze eis geldt niet wanneer het profiel van de dijk gewijzigd wordt.

  • Met het oog op klimaatverandering en meerpeilstijging vindt het waterschap het niet duurzaam om dijken te verzwakken. Als de steenzetting in de huidige situatie hoger ligt dan volgens het ontwerpinstrumentarium nodig is, dan wordt de steenzetting boven de vereiste hoogte niet verwijderd. Dit geldt alleen wanneer het profiel ongewijzigd blijft.

Buitenberm

  • 43.

    De Buitenberm dient minimaal 3 meter breed te zijn om ruimte te bieden aan het plegen van onderhoud en inspectie aan de dijk, tenzij een voorland voorziet in ruimte voor het plegen van onderhoud en inspectie.

  • 44.

    Het fietspad/onderhoudspad op de buitenberm moet (als beheerpad) minimaal 3 meter breed zijn. Onderhoudsverkeer hoeft dan niet op de kantsluiting (bijv. betonband en/of kant asfalt te rijden waardoor deze verzakt / afbrokkelt. De voorkeur gaat uit naar een breedte van 5,00 meter (zie eis 46).

  • 45.

    Ten behoeve van calamiteitenbestrijding en inspecteerbaarheid dient er een buitendijks inspectiepad aanwezig te zijn. Bij het ontwerp dient met de dijkspecialisten bepaald te worden wat de ideale hoogteligging van het onderhoudspad is. Voorkeur heeft een hoogte waarbij het onderhoudspad ook onder stormomstandigheden (bijvoorbeeld tot 1:100) nog begaanbaar is. Mogelijk is dit de hoogte die overeenkomt met (of iets ligt boven) de maatgevende hoogwaterstand bij de norm (ondergrens). Deze hoogte kan per dijk(strekking) verschillen i.v.m. de grootte en diepte van de meren en aanwezige strijklengte. Bij het bepalen van de hoogte moet er ook rekening mee worden gehouden dat de hele steenglooiing en teenschot vanaf het onderhoudspad met kranen en tractorarmen af te reiken is, om het berijden van de steenzetting te voorkomen. Indien niet aan deze eis tegemoetgekomen kan worden dient op de kruin of aan de polderzijde van de dijk een verhard inspectiepad met een minimale breedte van 5,00 meter aangebracht te worden. Onderhoud teenschot en terugzetten stortsteen op stortberm vindt dan plaats vanaf het water, met een kraanschip. Het wordt dan duurder om het onderhoud uit te voeren.

  • 46.

    De voorkeursbreedte voor het onderhoudspad bedraagt 5,00 meter.

  • Bij onderhoud aan steenzettingen en/of teenschot worden zuilen/blokken en overig materiaal tijdens de uitvoering tijdelijk buiten de steenzetting op het onderhoudspad geplaatst. Het is voor kranen die steenzetters assisteren niet toegestaan om op de steenzetting te rijden i.v.m. het gevaar op vervormingen van het daaronder gelegen keileem en het mogelijk breken van zuilen of blokken. De kraan moet dus op het onderhoudspad staan. Als het pad 5,00 meter breed is kunnen beheerverkeer, hulpdiensten en fietsers nog passeren. Voor het terugzetten van stortsteen dat op de steenzetting is terechtgekomen na een storm, wordt een kraan ingezet die de steen vanaf de onderhoudsweg kan terugzetten.

    foto

    Onderhoudspad IJsselmeerdijk (breed 5,00 m)

  • 47.

    Het fietspad/onderhoudspad op de buitenberm van de dijk dient opgebouwd te zijn uit waterbouwasfaltbeton of een betonpad van voldoende dikte. Alle verhardingen dienen voldoende sterk te zijn om onderhoudsapparatuur/ verkeer te kunnen dragen. Het pad moet zettingen kunnen volgen en er mogen geen holle ruimten onder het pad ontstaan.

  • 48.

    Indien het onderhoudspad op een buitenberm wordt aangebracht, dan geen smalle grasbermen (smaller dan 1,5 meter) aanbrengen langs het pad. Deze zijn niet goed te maaien.

  • Smalle grasbermen zijn aanwezig op de Vosse- en Ketelmeerdijk . De teen van het talud is daar beschadigd. Het maaiapparaat snijdt soms in het talud. Een ander nadeel van deze berm is dat bij het maaien van het boventalud de tractor met zijn banden over deze berm rijdt. De berm wordt aangedrukt en er kunnen rijsporen ontstaan, omdat er niet kan worden verspoord .

    foto

    Smalle grasberm Vossemeerdijk

  • 49.

    De Buitenberm dient een afschot te hebben tussen 2% en 3% richting het buitenwater in verband met de afvoer van regenwater.

Binnentalud

  • 50.

    Ten behoeve van de pachters en onderhoudsverkeer (maaiapparatuur) dienen ter plaatse van het binnentalud iedere 500 meter dijkopritten te worden gemaakt. Deze hebben een talud van maximaal 1:10. De opritten zijn voorzien van verharding van grasbetonsteen en 4,00 meter breed.

  • Een wagen die geladen wordt met hooi is na 500 meter vol.

Onderwatertalud

  • 51.

    Om tegendruk te bieden aan het teenschot en daarmee het vooroverhangen van het teenschot te voorkomen, en ter bescherming van het onderwatertalud dient direct langs het teenschot een kraagstuk te worden aangebracht, van een nader te bepalen breedte en te worden afgestort met breuksteen van voldoende zwaarte.

  • Het kraagstuk dient te bestaan uit een kunststofdoek met daarop in lengte- en dwarsrichting een raamwerk van wiepen. De functie van het raamwerk van wiepen is om het kunststofdoek tijdens het afzinken stabiel te houden (ter voorkoming van bijvoorbeeld dubbelslaan) en om te voorkomen dat de aan te brengen steenbestorting in het onderwatertalud naar beneden rolt.

Benedenbeloop

  • 52.

    Het benedenbeloop dient bij voorkeur een breedte te hebben van minimaal 10 meter, met een verhang van minimaal 1:20 ten behoeve van doelmatig onderhoud. De minimale breedte is 5 meter met een verhang van 1:10 richting de kwelsloot. Indien het benedenbeloop breder is dan 10 meter, kan het verhang 1:40 zijn.

  • Bij een breedte van 10 meter is het voor onderhoudsverkeer makkelijker om te versporen .

  • 53.

    Het benedenbeloop dient een drooglegging te hebben van minimaal 0,6 m, zodat de ondergrond voldoende draagkrachtig is voor regulier onderhoudsverkeer.

3.3. Grondlichaam of dijkskern

  • 54.

    De kern dient te bestaan uit zand conform CUR 162.

  • Civieltechnisch Centrum Uitvoering Research en Regelgeving (CUR 162 Construeren met Grond).

  • 55.

    Bij een aantal dijken komt gebitumineerd zand voor aan de polderzijde van de dijk. Bij versterking /reconstructie van deze dijken moet middels een geotechnische beschouwing aangetoond worden dat de aanwezigheid van dit zand niet leidt tot stabiliteitsverlies en / of geconcentreerde kwelstromen.

  • Het gebitumineerde zand komt voor in de binnentaluds van de Drontermeerdijk , Bremerbergdijk, Harderdijk, Nijkerkerdijk, Eemmeerdijk , Gooimeerdijk en IJmeerdijk . Tijdens de reconstructie van de IJmeerdijk (Almere Poort / Duin) is deze laag verwijderd.

  • 56.

    Bij het verhogen of verbreden van de dijk dient onderzocht te worden of de aanwezige klei- en keileemlagen van de “oude” dijk onder de ophoging kunnen verdwijnen of dat deze lagen verwijderd moeten worden zodat het zand van de verhoging aansluit op het zand van het oude dijklichaam.

  • Bij de dijkverhogingen in 2000 – 2005 zijn de aanwezige kleilagen en keileemlagen van de “oude” dijk onder de ophoging verdwenen. Wanneer deze lagen verwijderd worden en het zand van de verhoging aansluit op het zand van het oude dijklichaam, verwacht het waterschap, door het ontbreken van stoorlagen in de dijkkern, een meer regelmatig verloop van de freatische grondwaterlijn door de dijk.

  • 57.

    Het vergraven van de keileem en het verzwakken van de keileem door het aanbrengen van een constructie, moet zoveel mogelijk worden vermeden.

  • 58.

    De uiterlijke vormgeving en toegepaste materialen van de dijk dienen overeen te komen met de aansluitende dijktrajecten. Zo is er sprake van een grote continuïteit van het dijkprofiel, met zo min mogelijk verstoringen. Het door het waterschap opgestelde ‘ruimtelijk perspectief dijken’ geeft richting aan de nagestreefde ruimtelijke kwaliteit waaraan de dijk moet voldoen.

  • Hiermee doelen wij op taludhellingen, bekledingstypen, kwelslootprofiel, onderwatertalud (indien van toepassing, zelfde opbouw en materialen), vloeiende overgangen (geen sprongen/trappen). De buitenkruinlijn dient zoveel mogelijk als een vloeiende lijn door te lopen.

3.4. Teenconstructie (teenschot en teenbestorting)

  • 59.

    De steenbekleding dient te worden opgesloten m.b.v. een teenschot van voldoende sterkte / afmeting. Beton heeft de voorkeur, maar hardhout en staal zijn ook toegestaan. Het waterschap wil dat er binnen een project een eenduidige keuze wordt gemaakt. Het teenschot mag tijdens en na plaatsing niet vervormen en moet voldoende weerstand bieden tegen de druk van de steenzetting. Het teenschot wordt grondverdringend aangebracht. Spuiten en/of fluïderen is niet toegestaan. De levensduur van het teenschot komt overeen met die van de dijk. Indien gekozen wordt voor een stalen damwand, dan moet het zetwerk ook in de damwandkassen worden gezet.

  • 60.

    Tegen het teenschot dient een teenbestorting te worden aangebracht. Deze constructie dient steun te bieden aan de bovenliggende steenzetting en wordt op basis van de vigerende regels ontworpen.

  • 61.

    Een nieuw aan te brengen teenschot dient aan de dijkzijde zo kort mogelijk achter het bestaande teenschot geplaatst te worden. Op deze manier wordt het buitentalud met de erosiebestendige keileemkist in de ondergrond zo weinig mogelijk aangetast. De ruimte tussen het oude en nieuwe teenschot dient opgevuld te worden met grind 20-40 mm en vol en zat ingegoten te worden met gietasfalt om een stevige teenconstructie te verkrijgen.

3.5. Kwelsloot

  • 62.

    Kwel- en hemelwater dienen vrij af te kunnen wateren op een kwelsloot. De kwelsloot dient 2-zijdig af te kunnen wateren op het oppervlaktewatersysteem. Indien er geen kwelsloot is dient in het ontwerp te worden aangetoond dat de dijk niet instabiel kan worden en er voldoende ontwatering is overeenkomstig eis 53.

  • 63.

    De kwelsloot dient bereikbaar te zijn voor onderhoud met regulier onderhoudsmaterieel vanaf het benedenbeloop.

  • 64.

    De kwelsloot dient geprofileerd te zijn conform het kwelslootprofiel als omschreven in de legger van aansluitende dijkvakken (zijnde talud dijkzijde 1:5, bodembreedte 0,80 m, talud polderzijde 1:1,5).

  • 65.

    De kwelsloot binnendijks moet tijdens uitvoering en in de eindsituatie kunnen afwateren, met een capaciteit minimaal gelijk aan het leggerprofiel.

3.6. Drainage

  • 66.

    In het benedenbeloop dient een drainagesysteem aanwezig te zijn dat onder maatgevende omstandigheden voldoende capaciteit heeft om kwelwater af te voeren, zodat de stabiliteit van de dijk en het benedenbeloop gewaarborgd is. Ook wanneer niet uit het OI volgt dat drainage aangelegd moet worden, schrijft het waterschap drainage voor, om te borgen dat het benedenbeloop voldoende daadkrachtig is voor onderhoudsverkeer.

  • 67.

    Bij een dijkversterking of reconstructie dient nieuwe drainage te worden aangebracht in een zandsleuf in het benedenbeloop van de primaire waterkering, afgedekt met een kleilaag ten behoeve van de graszode. Het betreft geperforeerde pvc ribbeldrain minimaal Ø 100 mm (bron STOWA) met kunststofomwikkeling van polypropeen O90, 700 of 1000 µm, of gelijkwaardig.

  • 68.

    Aanwezige drains die bij een dijkversterking of reconstructie onder de ophoging verdwijnen en daarmee niet meer toegankelijk zijn voor beheer en onderhoud, dienen te worden verwijderd.

  • 69.

    De uitstroomopeningen van het drainagesysteem dienen tussen de 10-20 cm boven het waterpeil van de kwelsloot te liggen i.v.m. inspecteer- en onderhoudbaarheid.

  • 70.

    De drainage moet zodanig aangelegd worden dat deze vanuit de kwelsloot doorspuitbaar is met een trekker met doorspuit installatie (de trekker staat hierbij op het benedenbeloop).

  • 71.

    Scherpe bochten in het drainagesysteem die de doorvoer van spuitkoppen verhinderen, zijn niet toegestaan.

  • 72.

    De nieuwe drainage dient zodanig met de bestaande drainage te worden mee gelegd dat deze elkaar niet doorsnijden.

  • 73.

    De uitstroomopening van de drainage dient een bewezen constructie te zijn met een ontwerplevensduur van ten minste 25 jaar.

  • Dit kan bijvoorbeeld een kunststoffen uitstroombak zijn. Zie voor voorbeeld http://www.haner.nl/ eindbuis taludbescherming type ET. De uitstroomopening mag ook worden uitgevoerd in beton.

  • 74.

    De lengte van de drainage dient maximaal 150 meter te zijn.

  • 75.

    De bochtstralen van de te leggen dijkdrainage dienen minimaal 10 meter te zijn.

  • 76.

    De uitstroomopeningen van de drainage dienen verzonken te zijn i.v.m. maaibaarheid.

  • 77.

    De uitstroomopeningen van de drainage dienen zichtbaar te zijn i.v.m. inspectie en doorspuiten.

3.7. Kruin

  • 78.

    De ontwerphoogte van de dijk betreft, in het geval er een weg op de dijk ligt, de bovenkant van het asfalt.

  • 79.

    De minimale kruinbreedte bedraagt 3,00 meter (conform de Leidraad Zee- en meerdijken en de Handreiking constructief ontwerpen). Om goed onderhoud uit te kunnen voeren bedraagt de minimale kruinbreedte 5 meter. Als de huidige kruin breder is dan 3 meter, dan wil het waterschap deze breedte behouden.

  • Bij een breedte van 5 meter hebben onderhoudsvoertuigen op de kruin de mogelijkheid om te versporen . Hierdoor wordt de kans op schade aan de grasmat kleiner.

  • 80.

    De dijkhoogte na versterking of reconstructie dient minimaal gelijk te zijn aan de hoogte in de huidige situatie.

  • Met het oog op klimaatverandering en meerpeilstijging vindt het waterschap het niet duurzaam om dijken te verlagen, ook als sprake is van overhoogte .

  • 81.

    In de nieuwe buitenkruinlijn dienen per 100 meter dijkpalen conform de standaard van de afdeling Waterbeheer te worden geplaatst.

3.8. Kunstwerken

Langsconstructies

  • 82.

    Eventueel toe te passen waterkerende constructies (b.v. damwanden of betonconstructies) die bijdragen aan de stabiliteit van de waterkering, dienen bij oplevering een ontwerplevensduur van minimaal 100 jaar te hebben, zonder groot preventief en correctief onderhoud.

  • 83.

    Indien ankers voor de verankering van een damwand of andere constructies zijn toegepast mogen deze niet reiken tot in het dijkprofiel.

Sluis, gemaal, inlaatduiker en coupure

In de SOR zijn geen ontwerprichtlijnen opgenomen voor een sluis, gemaal, inlaatduiker of coupure. Aanpassingen aan een gemaal, inlaatduiker of coupure doet het waterschap in de regel zelf en veelal binnen een dijkversterkingsproject.

Voor aanpassingen aan of nieuwbouw van sluizen (op verzoek van de provincie Flevoland of een gemeente) schrijft het waterschap binnen het vergunningentraject specifieke ontwerpregels en uitvoeringsvoorwaarden voor.

De vigerende ontwerp- en rekenregels, zoals vastgelegd in de “Werkwijzer ontwerpen waterkerende kunstwerken – ontwerpverificaties voor de hoogwatersituatie” bieden hiervoor voldoende handvatten.

4. Ontwerprichtlijnen voor inpassing NWO’s

In dit hoofdstuk worden de standaard ontwerprichtlijnen beschreven voor de objecten die tijdens een versterking of reconstructie worden ingepast in de primaire waterkering. Het gaat daarbij om zogenaamde Niet Waterkerende Objecten (NWO’s). Dit zijn objecten op of in de waterkering die geen waterkerende functie hebben, zoals kabels en leidingen, gebouwen, beplanting, brugpijlers, wegconstructies en wegmeubilair, windmolens, dijkpalen met een grotere diameter dan 12 cm en afrasteringen.

4.1. Algemeen

  • 84.

    Op basis van het Wettelijk beoordelingsinstrumentarium (WBI) dient te worden aangetoond dat de bijdrage van het toetsspoor NWO aan de overstromingskans niet significant is.

4.2. Brugpijler

  • 85.

    In de kernzone mogen, conform de Keur, geen NWO's (niet-waterkerende-objecten waaronder pijlers en heipalen) staan. Afwijkingen op de Keur dienen middels de waterwetvergunning te worden aangevraagd. Hierbij zijn pijlers aan de buitenzijde in de kernzone niet vergunbaar. Aan de polderzijde mogen ze niet binnen de grondmechanische teen staan en onder voorwaarden binnen de kernzone op het vlakke benedenbeloop.

  • 86.

    Onder en tot 2 meter buiten een viaduct of brug zal de grasmat op de waterkering zich niet goed kunnen ontwikkelen en dient er een steenbekleding (met overgangsconstructie in geval van gesloten verharding) te worden aangebracht.

  • 87.

    Onder de brug moet voldoende ruimte (minimaal 2 meter) zijn tussen de bovenkant van de steenzetting en de onderkant van de brugligger, zodat de dijk bereikbaar blijft voor inspectie te voet en voor steenzetters.

  • 88.

    Eventuele pijlers voor de dijk dienen te worden voorzien van een aanvaarbeveiliging.

4.3. Weg of fietspad

  • 89.

    Bij dijkversterkingen of -dijkreconstructie is het uitgangspunt dat het waterschap een provinciale of gemeentelijke weg (wegdek en wegfundering) op een dijk met de bestaande weg- en bermafmetingen, teruglegt in de dijk (zie onderstaande figuur). Bovenkant wegdek is gelijk aan de ontwerphoogte.

    foto

    Figuur 3: ontwerphoogte dijk, bij weg in dijk

    • Om schade aan de berm en daarmee de kering te voorkomen, worden aan beide zijden naast het wegdek één of meerdere rijen grasbetontegels aangelegd. De wegbeheerder inspecteert en onderhoudt deze.

      Ontwerpeisen overgang asfalt – grasbekleding:

      • Grasbetontegels (tussen het asfalt en de grasbekleding) met daaronder voldoende klei t.b.v. vegetatieontwikkeling;

      • Te allen tijde voorkomen van een doorgaande verticale naad ter plaatse van de overgangsconstructie. Daarom (en ook vanuit oogpunt van ontwerp van een goede wegverharding) moet de fundering breder zijn dan de bovenliggende asfaltverharding;

      • Aanbeveling om het asfalt ter plaatse van de overgang verzwaard uit te voeren;

      • Eventueel toepassen van een geotextiel om uitspoeling van de fundering te voorkomen.

    • Mocht de wegbeheerder na de versterking een bredere weg willen dan nu aanwezig is, dan zijn de meerkosten ten gevolge van de aanleg van een bredere weg, voor rekening van de wegbeheerder.

    • De weg wordt in de wegenlegger 1 opgenomen en de provincie/ gemeente wordt hierin als wegbeheerder aangewezen. De wegbeheerder is hiermee verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud van de weg én aansprakelijk voor schade bij derden als gevolg van gebruik van de weg. Het waterschap wil daarnaast een recht van opstal voor de weg vestigen.

    • Het waterschap verleent vergunning aan de wegbeheerder voor de aanleg van de weg. In de vergunning maakt het waterschap afspraken met de wegbeheerder over de vereiste toestand van het wegdek en de wegberm en welk beheer en onderhoud (inclusief herstel van schades) hiervoor vanuit waterveiligheid nodig is. Wat niet in een vergunning geregeld kan worden, wordt geregeld in een aanvullende overeenkomst. Ook worden afspraken gemaakt over de werkzaamheden die tijdens het gesloten seizoen (15 oktober tot 15 maart) door de wegbeheerder uitgevoerd kunnen worden.

    • Het waterschap neemt de weg (fundering en wegdek inclusief bermen, met afmetingen) op in de legger waterkeringen (situatiebladen en dwarsprofielen). De wegbeheerder wordt als onderhoudsplichtige voor de weg en de wegberm opgenomen in de legger van het waterschap (tabel met onderhoudsplichtigen). Hierbij wordt expliciet vermeld dat het waterschap geen wegbeheerder is.

4.4. Afrastering

  • 90.

    Afrasteringen ten behoeve van de schapen beweiding dienen van het volgende type te zijn of gelijkwaardig: type zwaar ursusgaas rond 3mm verlopend van 80 tot 150mm, hoog 0,80 meter. Betonpalen met diamantkop en minimaal 4 gaten ten behoeve van bevestiging gaas. Afmeting paal 100x100x1800. Paalafstand hart op hart 4 meter. Hoogte paal boven maaiveld 1000 mm. Schoorpalen bij eindpalen en aan weerszijden tussenpalen hart op hart 60 m. Gaas duurzaam strak bevestigen met minimaal 4 bevestigingsmiddelen per paal. Draaipoorten breed 5,00 meter. (Draaipoort voorzien van hekfundering 250SS, beweegbaar landhek Fabrikaat DJS hekwerken te Vuren of gelijkwaardig). Poorten moeten kunnen worden voorzien van dijkhangsloten.

  • 91.

    Onder dwarsafrasteringen die haaks op de dijk staan, dient een verharding van grasbetonstenen te worden aangebracht, tot 0,60 m uit het gaas.

  • Het uitmaaien en ruimen van gras ter plaatse van afrasteringen is lastig. Verder maken muizen en mollen graag gangen onder een afrastering omdat deze niet worden betreden en verdicht.

4.5. Kabels en leidingen

  • 92.

    Het ontwerp en de aanleg van kabels en leidingen moet voldoen aan het 'Beleid primaire waterkeringen voor windmolens, kabels en leidingen en beplantingen' van Waterschap Zuiderzeeland.

  • 93.

    Kabels en leidingen die hun functie verliezen moeten uit het dijklichaam verwijderd worden.

4.6. Opritten

  • 94.

    Indien er sprake is van een op- of afrit van de dijk, dient deze een hellingshoek te hebben van maximaal 1:10 of flauwer. De oprit dient te worden verhard met betonnen grasbetonstenen breed, 4,00 meter. (zie ook eis 50)

4.7. Taludtrappen

  • 95.

    Taludtrappen dienen uit betonnen tredes te bestaan, ingegraven gelegen in de dijk. (ivm maaibaarheid). Tussen de aansluiting van de taludtrap en gras dient een overgangsconstructie te worden aangebracht.

  • 96.

    Het kleidek ter plaatse (onder de trap door) moet de vereiste dikte (exclusief leeflaag) hebben (zie eis 26 en 31).

5. Ontwerprichtlijnen voor uitvoering en oplevering

In dit hoofdstuk worden de ontwerprichtlijnen beschreven die gericht zijn op het borgen van de veiligheid en het voorkomen van schade tijdens de uitvoering. Daarnaast wil het waterschap heldere afspraken maken over de oplevering van de primaire waterkering. Richtlijnen om tot deze afspraken te komen worden eveneens in dit hoofdstuk beschreven.

  • 97.

    De overstromingskans (ondergrens) dient tijdens realisatie kleiner of wel gelijk te zijn aan de huidige waterveiligheidsituatie, bepaald conform het WBI2017. Indien door werkzaamheden de overstromingskans toeneemt moet dit ondervangen worden door beheermaatregelen.

  • Na versterking kan het enige tijd duren voordat een kering ‘op sterkte’ is. Het kan zeer kostbaar zijn om te eisen dat een afgekeurde waterkering tijdens of direct na versterking aan de normen uit de Waterwet moet voldoen. Het hanteren van deze eis gaat dan ten koste van de middelen die voor overige versterkingsmaatregelen beschikbaar zijn. Daarom acht het Expertise Netwerk Waterveiligheid een grotere overstromingskans gedurende een periode van maximaal 4 jaar acceptabel als hiermee hoge kosten te voorkomen zijn. De overstromingskans mag in deze periode echter in geen enkel jaar groter zijn dan de overstromingskans direct voorafgaand aan de versterking.” (Bron: grondslagen voor hoogwaterbescherming, p114). Indien door werkzaamheden de overstromingskans toch toeneemt, moet dit ondervangen worden door beheermaatregelen.

  • 98.

    Tijdens realisatiefase is de Keur van Waterschap Zuiderzeeland van kracht, tenzij middels watervergunning anders is overeengekomen.

  • 99.

    Conform de keur zijn werkzaamheden aan de kernzone van de primaire waterkering in het gesloten seizoen niet toegestaan. Het gesloten seizoen duurt van 15 oktober tot 15 maart. Indien een derde of een opdrachtnemer van het waterschap hiervan wenst af te wijken toetst het waterschap de aanvraag aan de betreffende bepalingen in de keur (conform de huidige keur moet sprake zijn van uitzonderlijke omstandigheden, zoals zwaarwegende maatschappelijke omstandigheden om af te mogen wijken. Met het van kracht worden van de waterschapsverordening zal het waterschap toetsen of de werkzaamheden niet redelijkerwijs buiten het gesloten seizoen uitgevoerd kunnen worden). De waterveiligheid mag (vanzelfsprekend) niet in het geding zijn.

  • Hierbij merkt het waterschap op dat het uitvoeren van bepaalde werkzaamheden (bijvoorbeeld het verwerken van zand en klei), in het gesloten seizoen minder gunstig kan zijn, dan tijdens het open seizoen. De keuze van een derde of opdrachtnemer om buiten het open seizoen te werken, mag niets afdoen aan de kwaliteit van het op te leveren werk. Werken in het gesloten seizoen vraagt om het hanteren van een ruimere planning (t.o.v. hetzelfde werk in het open seizoen) door een derde of opdrachtnemer, om tegenvallers op te kunnen vangen.

  • 100.

    Een opdrachtnemer of derde stelt voordat de werkzaamheden starten een ‘waterveiligheid uitvoeringsplan’ op en legt dit plan ter goedkeuring voor aan Waterschap Zuiderzeeland. Het ‘waterveiligheid uitvoeringsplan’ is een risicobeheersplan en beschrijft tenminste:

    • 1.

      de situaties (uit te voeren werkzaamheden) waarin vermindering van het waterkerend vermogen van de dijk optreedt (waar, wanneer);

    • 2.

      welke maatregelen de opdrachtnemer neemt om het ontstane verhoogde risico (als gevolg van uit te voeren werkzaamheden) te beheersen;

    • 3.

      de risico’s bij hoogwater die kunnen leiden tot bezwijken van de dijk;

    • 4.

      welke maatregelen de opdrachtnemer neemt bij verwacht hoogwater, bij dreigende afschuiving of andere ongewenste gebeurtenissen ter bescherming van het waterkerend vermogen van de dijk;

    • 5.

      welke menskracht, materieel en materialen beschikbaar dienen te zijn om in te zetten bij hoogwater of calamiteiten;

  • 101.

    De werkzaamheden voor een project, niet zijnde aan de waterkering, vinden soms plaats in de kern- dan wel beschermingszone van de dijk. Dit zijn dan ook vergunningplichtige activiteiten waarvoor apart vergunning moet worden aangevraagd. Met name het aanbrengen van damwanden en heipalen die van invloed zijn op de stabiliteit van de dijk, zijn bijzondere aandachtspunten.

  • 102.

    De werkzaamheden ten behoeve van dijkversterking dienen zodanig te worden uitgevoerd dat schade aan het dijklichaam zo veel mogelijk wordt voorkomen. Deze intentie richt zich met name op langstransport over relatief lange, niet te versterken dijkvakken en in het bijzonder op voorkoming van verdichting van de grond in de nabijheid van drainagesystemen. Eventuele schade die toch op de niet te versterken dijkvakken ontstaat zal door de aannemer hersteld moeten worden.

  • 103.

    Bij de gehele uitvoeringswijze, dus inclusief de aan/afvoerroutes en de inrichting van werkterreinen, zal rekening moeten worden gehouden met de aanwezige draagkracht van de ondergrond. Bij de betreding met zwaar transport en overige voertuigen moet zoveel mogelijk gebruik worden gemaakt van de aanwezige verhardingen. Buiten de verharde gedeelten, inclusief het benedenbeloop, bedraagt de maximaal toelaatbare asdruk 2 ton tijdens de realisatie. Deze waarde geldt in principe niet voor gedeelten die worden opgehoogd of op plaatsen waar de drainage wordt vervangen. Het maximaal toelaatbaar gewicht van transportvoertuigen op het buitendijks inspectiepad bedraagt 20 ton inclusief eigen gewicht. Het waterschap vraagt aannemers om materiaal zoveel mogelijk vanaf het water aan te voeren. In de vergunningsvoorwaarden kan het Waterschap nadere eisen t.a.v. maximaal toelaatbare aslasten en/of gewicht stellen.

  • 104.

    Het overslaan van materialen bij de dijk is alleen toegestaan in daarvoor ingerichte locaties.

  • 105.

    Het is toegestaan om schepen, werkpontons, loopbruggen etc. te plaatsen voor, tegen en op de dijk onder de nadrukkelijke voorwaarden dat: de aanlandingswerken op geen enkele wijze worden bevestigd dan wel verankerd in de dijk én binnen een afstand van 12 meter, gerekend vanaf het aanwezige teenschot van de dijk, geen spudpalen in het onderwatertalud van de dijk worden geplaatst.

  • Ter plaatse van de steunpunten voor de aanlandingswerken (inclusief de voorzieningen voor de aan/afvoer van materialen) is het niet toegestaan de blijvende dijkbekledingen open te breken. Dit betekent dat de steunpunten op schotten moeten worden aangebracht, rustend op een grondaanvulling op doek op de dijk. Hiervan afwijkende afspraken over tijdelijk constructies kunnen alleen in overleg met het waterschap worden gemaakt.

  • 106.

    Het is verboden om met voertuigen zwaarder dan personenwagens/jeeps over het blijvende zetwerk op de taluds te rijden. De maximumsnelheid bedraagt 16 km/uur.

  • 107.

    Aantasting van het dijkprofiel of de korrelspanning door spuiten en/of boren in het dijklichaam is niet toegestaan. Dit geldt niet voor grondonderzoek.

  • 108.

    In de waterkering mogen geen ontgravingen tot een diepte groter van 0,9 m worden verricht, tenzij deze logischerwijs voortvloeien uit het ontwerp.

  • 109.

    Beheer en onderhoud tijdens realisatie:

    • start op het moment van buiten aan de slag gaan door de opdrachtnemer

    • eindigt op het moment van overdracht

    • vindt plaats conform het MJOP

    • de huidige onderhoudsaannemer van het waterschap wordt niet voorgeschreven.

  • 110.

    De primaire waterkering dient in alle fasen van het project altijd toegankelijk te zijn voor werknemers van het waterschap. Bijvoorbeeld voor inspectie van de dijk door de dijkopzichters. Of voor toezichthouders en handhavers om de waterveiligheid te borgen of in geval van calamiteiten.

  • 111.

    Op het moment dat tijdens de uitvoering op aangrenzende verpachte dijkpercelen nog schapen grazen, dient de aannemer toegangshekken steeds correct te sluiten.

  • 112.

    Het waterschap wil tijdig (minimaal 1 week van tevoren) op de hoogte worden gesteld van het moment waarop activiteiten aan een waterkering gaan plaatsvinden. In de vergunning worden hierover afspraken vastgelegd.

  • 113.

    Het waterschap wil bij risicovolle werkzaamheden aan de waterkering aanwezig zijn. Onderstaand een aantal voorbeelden van stoppunten en bijwoonpunten. Deze worden per project, op basis van het definitieve ontwerp nader uitgewerkt:

    • Slaan van het teenschot (bijwoonmoment)

    • Aanvang van heiwerkzaamheden (bijwoonmoment)

    • Voordat de blokken worden ingewassen met grind (stoppunt)

    • Bij eerste stukje dijk wil het waterschap zien hoe deze opgebouwd wordt (zand kern, kleidikte, erosielaag, folie, etc) (bijwoonmoment)

    • Bij het aanbrengen van de kleilaag (bijwoonmoment)

    • Eerste praktijkbemonstering van het zandpakket ter bepaling van de verdichtingsgraad (stoppunt)

  • 114.

    Bij een dijkreconstructie wil het waterschap dat de derde partij regie voert over:

    • het opleveringsdossier en overdrachtsdossier;

    • de fysieke oplevering en overdracht van objecten;

    • het afhandelen van restpunten, kwaliteit en compleetheid van opleverdossier etc. richting ON.

  • 115.

    Het waterschap wil aanwezig zijn bij de vooropname en het samenstellen van restpunten voorafgaand aan de fysieke oplevering van de objecten

  • 116.

    Het overdrachtsdossier bevat tenminste:

    • Revisietekeningen, as-built met dwarsprofielen en detailtekeningen met daarin duidelijk aangeven de gebruikte materialen (dikte en type stenen), teenschot (afmetingen), drainage en uitstroomvoorzieningen, dikte zand en kleilagen etc. en de opbouw van de onderliggende “oude” (grondverbetering), gebitumineerd zand dat is blijven liggen, wegmeubilair, afrasteringen etc in xyz. In de revisie tekeningen (dwarsprofielen) dient ook de ondergrond van het oude dijklichaam inclusief oude teenschot, kraagstukken, drainage etc te worden aangegeven.

    • Tekeningen met daarop de actuele hoogten.

    • Overzicht van de gebruikte materialen, de bemonsterde (milieu)kwaliteit, voorzien van certificaten en leveranciers.

    • Garantiebepalingen

    • Verdichtingsmetingen en metingen met kleidikten.

    • De as built situatie dient, in origineel format, ingelezen te kunnen worden in het GIS bestand van ZZL

    • Achterliggende documentatie t.a.v. ontwerp zoals grondonderzoeken, berekeningen, etc.

    • Actueel/bijgesteld Beheer- en Onderhoudsplan / MJOP

  • 117.

    Waterschap en een derde partij maken voorafgaand aan de oplevering van het werk afspraken t.a.v. beheergrenzen en verantwoordelijkheden daarbij.

  • 118.

    Onderstaande documenten wil het waterschap bij een dijkreconstructie in ieder geval toetsen:

    • Ontwerpuitgangspuntennotitie

    • Voorlopig ontwerp

    • Definitief Ontwerp

    • Verificatie -en validatieplan

    • Verificatie- en validatierapporten

    • Uitvoeringsontwerp

    • PvA voor de uitvoering /werkplannen

    • Beheer en onderhoudsplan

    • Opleveringsdossier object Dijk / beheeronderdelen Waterschap

    • Calamiteitenplan in geval van extreme weersomstandigheden

  • Hierbij worden realistische tijden voor toetsing aangehouden

6. Ontwerprichtlijnen grondzaken

Dijkversterkingen of- reconstructies hebben vaak, zo niet altijd, consequenties voor het eigendom (grond en objecten) van het waterschap. Daarom zijn in deze nota ook de belangrijkste ontwerprichtlijnen m.b.t. grondzaken opgenomen. Deze vinden voor een groot deel hun oorsprong in het vigerende grondzakenbeleid van het waterschap.

6.1. Grondverwerving en vervreemding

  • 119.

    Het Waterschap hanteert ten aanzien van grondverwerving en vervreemding van waterkeringen de volgende uitgangspunten, overeenkomstig het vigerende Grondzakenbeleid:

  • Waterkeringen

  • De kernzone van de primaire waterkering is in eigendom bij het Waterschap, met uitzondering van:

    • a.

      De sluizen die in eigendom en beheer zijn van de Provincie Flevoland of gemeente Almere; en,

    • b.

      Enkele gedeelten in de kern Urk, waarbij de kernzone op een aantal plaatsen door of vlak langs de bestaande bebouwing loopt.

  • Het eigendom van de onder a en b genoemde sluizen en gebouwen wordt niet actief verworven.

  • Regionale (buitendijkse) keringen en overige of secundaire keringen worden in beginsel niet in eigendom verworven (de Knardijk; overige waterkering welke in eigendom en beheer is bij het Waterschap).

  • Naast de primaire waterkeringen zijn diverse locaties in het beheergebied als kernzone aangewezen. Het gaat dan voornamelijk om buitendijks gelegen (strek)dammen, kades etc. Deze verdedigingswerken zijn niet in eigendom bij het waterschap.

  • Waar niet de gehele kernzone van de primaire waterkering volledig eigendom is van het waterschap wordt dit eigendom actief verworven, behoudens de hiervoor genoemde uitzonderingen. Aangezien de bestaande primaire waterkeringen reeds eigendom zijn van het waterschap, zal dit zich met name voordoen bij nieuwe keringen of bij het verleggen of aanleg van keringen.

  • Als gevolg van technische aanpassingen ten behoeve van bijv. stedelijke ontwikkelingen kan de kernzone van vorm veranderen. Wijziging van de kernzone brengt met zich mee dat grond die binnen de nieuw te vormen zone komt te liggen, in eigendom (en in beheer) bij het waterschap dient te komen.

  • Uitgangspunten bij grondverwerving voor uitvoering wettelijke taak

    • Grondverwerving vindt plaats op basis van de jaarlijks vastgestelde normbedragen, waarvan de toelichting is opgenomen in bijlage 1. De schadevergoeding dient te zijn onderbouwd;

    • Er wordt niet meer grond verworven dan slechts noodzakelijk voor de realisatie van het project;

    • Wanneer een rechthebbende kan aantonen dat de aangeboden bedragen niet marktconform zijn dan kan het Waterschap besluiten om de reeds aangeboden schadevergoeding aan te passen. Een rechthebbende dient zijn verzoek te onderbouwen met bewijsstukken zoals een accountantsrapportage, of een door een onafhankelijk taxateur opgestelde schadeberekening.

  • Uitgangspunten bij grondvervreemding

    • Het Waterschap kan eigendommen die haar waterstaatkundige functie verliezen, vervreemden;

    • Wanneer het Waterschap bereid is zijn gronden (of objecten) te verkopen, wordt aan de hand van een taxatie, welke is opgesteld door een onafhankelijke taxateur, de marktwaarde bepaald.

    • De transactie betreft een kosten koper transactie

6.2. Vestigen zakelijk recht (recht van opstal)

  • 120.

    Het waterschap vestigt bij verlegging/ of aanleg van nieuwe kabels en leidingen (in ieder geval wanneer het een kabel en of leiding betreft >10 Kv) een recht van opstal op de belemmerde strook.

  • 121.

    Voor het recht van opstal geldt een retributie. De hoogte van de retributie wordt bepaald overeenkomstig de vergoedingensystematiek opgenomen in het vigerende Grondzakenbeleid.

  • 122.

    De inhoud van de zakelijk recht overeenkomst dient aan te sluiten bij de af te geven watervergunningen en/of het Projectplan Waterwet (na inwerkingtreding Omgevingswet: projectbesluit). Indien de vergunning is afgegeven voor een bepaalde tijd, dan wordt het zakelijk recht gevestigd voor de duur gelijk aan de duur van de afgegeven vergunning.

  • 123.

    Het is aan de initiatiefnemer om de benodigde gegevens voor het vestigen van het zakelijk recht aan te leveren aan het waterschap en de notaris en eventuele andere betrokken partijen. Het betreft onder andere duidelijke tekeningen.

  • 124.

    Gelet op artikel 1.2 van de Keur, zijn de verplichtingen uit de Keur ook van toepassing wanneer gronden met een (beperkt) zakelijk recht zijn bezwaard of krachtens een persoonlijk recht in gebruik zijn gegeven.

Ondertekening


Noot
1

In Flevoland stellen de gemeenten de wegenlegger (inclusief provinciale wegen) op, GS stelt deze vast.