Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Borne houdende regels omtrent maatschappelijke ondersteuning (Nadere regels en Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Borne 2021)

Geldend van 01-04-2021 t/m heden

Intitulé

Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Borne houdende regels omtrent maatschappelijke ondersteuning (Nadere regels en Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Borne 2021)

Leeswijzer

Deze beleidsregels zijn gebaseerd op de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Borne 2021 (verder te noemen: de verordening) zoals deze door de gemeenteraad in december 2020 is vastgesteld. Voor deze Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Borne 2021 is dezelfde volgorde en definities aangehouden zoals deze ook in de voornoemde verordening is gehanteerd.

De verordening is een algemeen verbindend voorschrift en is rechtstreeks bindend voor de burger. De Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (verder te noemen: Wmo 2015) bepaalt dat gemeenten verplicht zijn om een aantal zaken in de verordening te regelen. Vaak wordt dat niet in detail in de verordening uitgewerkt. Dat kan vervolgens in nadere regelgeving.

Nadere regels

Nadere regels zijn algemeen verbindende voorschriften die een uitwerking zijn van de verordening. De artikelen 2.1, vierde lid, 4.1, derde lid, 4.3, zevende lid, 5.1, derde lid, 5.4, vijfde lid, 5.6, vierde lid, 9.1, tweede lid, 10.1, tweede lid en 11.3, derde lid van de hiervoor genoemde verordening bevatten bepalingen, die het college de bevoegdheid geven om nadere regels vast te stellen. Nadere regels kunnen rechten en plichten bevatten voor burgers, beleidsregels kunnen dit niet.

Beleidsregels

Een beleidsregel beschrijft hoe een bestuursorgaan omgaat met een bepaalde bevoegdheid. Er kunnen dus geen rechten of plichten voor inwoners in worden vastgelegd. Deze beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Borne 2021 helpt de consulenten van gemeente Borne bij het beoordelen van meldingen en aanvragen.

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

Geen toelichting.

Hoofdstuk 2. Vormen van maatschappelijke ondersteuning

Artikel 2.1 Vormen van maatschappelijke ondersteuning

In dit artikel wordt het onderscheid geduid tussen algemene voorzieningen, die zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, vrij toegankelijk zijn voor de gebruikers en de maatwerkvoorzieningen, waarvoor een indicatie nodig is.

Eerste lid

Algemene voorzieningen zijn toegankelijk voor alle inwoners van de gemeente Borne. Deze voorzieningen stellen mensen in staat om (ondanks hun beperkingen) zelfredzaam en zelfstandig te zijn en mee te blijven doen (participatie).

Algemene voorzieningen worden gefaciliteerd door de gemeente. Het kan hierbij ook gaan om voorzieningen die door vrijwilligersorganisaties worden aangeboden, mits deze gefaciliteerd zijn door de gemeente. Belangrijk is dat de algemene voorzieningen bekend en beschikbaar zijn, zowel bij inwoners, vrijwilligers als bij professionals, en dat zij gericht zijn op maatschappelijke participatie. In de afweging of een algemene voorziening afdoende is (en dus geen maatwerkvoorziening noodzakelijk is), is doorslaggevend of de ondersteuningsvraag adequaat wordt opgelost.

Bij iedere ondersteuningsvraag zal samen met de inwoner gekeken worden naar mogelijke oplossingen. Hierbij wordt een vaste volgorde aangehouden, waarbij gestart wordt bij de eigen kracht en uiteindelijk uitgekomen wordt bij een maatwerkvoorziening, als er geen andere mogelijkheden zijn.

Onder a. informatie en advies

Geen toelichting.

Onder b. cliëntondersteuning

Cliëntondersteuning is een onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen (artikel 1.1.1. van de Wmo 2015). En betreft alle levensdomeinen.

De cliënt bepaalt of en wie hij als cliëntondersteuner wil. Dat kan iemand zijn uit zijn eigen netwerk. Het kan ook een ondersteuner zijn die de gemeente gratis biedt. Dit is een onafhankelijk persoon (van een organisatie) waar de gemeente een contract mee heeft. Gemeente Borne heeft deze taak belegd bij Wijkracht Borne.

Cliëntondersteuning is een algemene voorziening. Een goede cliëntondersteuning veronderstelt professionaliteit, waarbij het belang van de betrokken cliënt het uitgangspunt is in die ondersteuning.

Tweede lid

Geen toelichting.

Derde lid

Aanbieders van beschikbare maatwerkvoorzieningen (huishoudelijke ondersteuning en begeleiding)

Er is een groot aantal aanbieders begeleiding door de gemeente Borne gecontracteerd. Voor meer informatie staan op de website van de 14 samenwerkende gemeenten in de regio Twente (www.samen14.nl) de aanbieders vermeld, die momenteel gecontracteerd zijn.

Vierde lid (nadere regels)

Gemeente Borne kent op dit moment de volgende algemene voorzieningen:

  • -

    cliëntondersteuning;

  • -

    mantelzorgondersteuning;

  • -

    maatschappelijk werk;

  • -

    ouderenadvies;

  • -

    thuisadministratie (POOT: praktische ondersteuning thuisadministratie wordt door Wijkracht aangeboden)

  • -

    welzijnswerk;

  • -

    vrijwilligersondersteuning;

  • -

    extra begeleiding voor leden van (sport)verenigingen;

  • -

    Inloophuis Borne (voor naasten van GGZ-cliënten);

  • -

    Inloopvoorzieningen voor GGZ-cliënten in Hengelo en Enschede

  • -

    activiteiten georganiseerd door Kulturhus en Wijkracht Borne.

Dit is geen limitatieve opsomming.

Hoofdstuk 3. Toegang maatschappelijke ondersteuning

Artikel 3.1 Melding

Een hulpvraag kan door of namens een persoon bij de gemeente worden gemeld. Na ontvangst van de melding begint de wettelijke onderzoekstermijn van zes weken te lopen.

Artikel 3.2 Cliëntondersteuning

Zie artikel 2.1, eerste lid onder b.

Artikel 3.3 Persoonlijk plan

De wet biedt de mogelijkheid dat een persoon met een hulpvraag een persoonlijk plan indient. Gemeente Borne wijst de persoon op de mogelijkheid tot het inleveren van een persoonlijk plan en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid dit te overhandigen.

In het persoonlijk plan beschrijft de persoon hoe een probleem volgens de persoon kan worden opgelost. Een persoonlijk plan opstellen is niet verplicht. In het geval iemand hulp wenst bij het opstellen van persoonlijk plan dan kan daarvoor beroep worden gedaan op de cliëntondersteuning. Een voorbeeld van een persoonlijk plan staat op de website www.zozorgik.nl .

Artikel 3.4 Informatie en identificatie

Tweede lid

Onder een geldig identiteitsbewijs wordt verstaan een reisdocument als bedoeld in de Paspoortwet:

  • -

    dat zijn het nationaal paspoort,

  • -

    een diplomatiek paspoort,

  • -

    een dienstpaspoort,

  • -

    een reisdocument voor vluchtelingen,

  • -

    een reisdocument voor vreemdelingen;

  • -

    andere reisdocumenten door de Minister van Veiligheid en Justitie vast te stellen;

  • -

    een Nederlandse identiteitskaart;

Ook het (Europese) rijbewijs wordt door de gemeente Borne in dit kader als een geldig identiteitsbewijs beschouwd.

Artikel 3.5 Onderzoek

Geen toelichting.

Artikel 3.6 Gesprek

Eerste en tweede lid

Uitgangspunt bij ‘het gesprek’ is de eigen kracht van de cliënt om het probleem zelf of met steun van zijn omgeving op te lossen.

Een cliënt dient een identificatiebewijs te tonen aan de consulent die het gesprek voert. De identiteit kan worden vastgesteld aan de hand van een van de in artikel 3.4 genoemde documenten.

Derde lid

Als een cliënt voor een persoonsgebonden budget wil kiezen, wordt door de consulent uitgelegd hoe de procedure voor een persoonsgebonden budget werkt. Ook wordt informatie verstrekt over de hoogte van het persoonsgebonden budget. Cliënten moeten vooraf goed weten wat het persoonsgebonden budget inhoudt en welke verantwoordelijkheden zij of hun budgetbeheerder daarbij hebben. De gemeente mag voor het beschikken van een persoonsgebonden budget de kwaliteit van de daarmee in te kopen ondersteuning toetsen. De kwaliteit moet voldoen aan de kwaliteit die geboden wordt bij gecontracteerde aanbieders.

Vierde lid

Geen toelichting.

Artikel 3.7 Gespreksverslag1

De consulent zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek wat samen met de cliënt is uitgevoerd.

Het gespreksverslag moet een weergave zijn van:

  • 1.

    onderzoek van de gegevens die al binnen de gemeente bekend zijn na akkoord gegevens gebruik door de cliënt;

  • 2.

    de uitkomsten van het gesprek;

  • 3.

    eventueel advies van een (medische-) adviesinstantie;

  • 4.

    afweging of en welke ondersteuning het meest passend is.

Zo snel mogelijk, en binnen de onderzoekstermijn van zes weken, na het gesprek verstrekt de gemeente aan de betreffende cliënt een verslag van de uitkomsten van het onderzoek.

Indien een cliënt al bij de gemeente bekend is, kan in overleg met de cliënt worden afgezien van het verstrekken van een verslag van het onderzoek aan de cliënt.

Artikel 3.8 Extern deskundigenonderzoek

Voor de toepassing van artikel 3.8 van de Verordening, bepaalt de consulent of het bij het beoordelen van de toegang tot de maatwerkvoorziening noodzakelijk is om een externe deskundige in te schakelen, bijvoorbeeld een medisch of bouwkundig adviseur. Een medisch advies ligt voor de hand als er sprake is van een progressief ziektebeeld en/of een medisch moeilijk te objectiveren aandoening of wanneer de voorziening mogelijk anti-revaliderend is. Daarnaast kan een advies zinvol zijn voor het in kaart brengen van de behandel- en ontwikkelingsmogelijkheden van de cliënt.

Om tot een bepaling van de goedkoopst compenserende voorziening te komen kan een bouwkundig advies worden aangevraagd. De kosten van het advies komen voor rekening van de gemeente.

Als het adviestraject niet binnen de wettelijke onderzoekstermijn van zes weken kan worden afgerond, kan deze termijn na overleg met de cliënt op grond van art. 4:14 van de Algemene wet bestuursrecht worden verlengd. Hetzelfde geldt voor een adviestraject dat is gestart nadat de cliënt de aanvraag heeft ingediend.

Hoofdstuk 4. Procedurele bepalingen

Artikel 4.1 Aanvraag

Eerste lid

Een aanvraag wordt ingediend door middel van een door de gemeente vastgesteld formulier.

Als een cliënt een aanvraag indient zonder dat een melding en vooronderzoek heeft plaatsgevonden, zal de aanvraag als melding worden aangemerkt en zal de reguliere procedure worden gevolgd.

Als de aanvraaggegevens van de cliënt niet compleet zijn krijgt de cliënt een redelijke hersteltermijn om de gegevens aan te leveren. Als de gegevens na de hersteltermijn nog niet compleet zijn, wordt de aanvraag op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht buiten behandeling gelaten.

Tweede lid

Een aanvraag kan ook door een schriftelijk verzoek van of namens de cliënt worden ingediend als het onderzoek naar aanleiding van de melding niet binnen zes weken is afgerond.

Derde lid (nadere regels)

Geen toelichting.

Artikel 4.2 Besluit

Geen toelichting.

Artikel 4.3 Inhoud en geldigheidsduur beschikking

Geen toelichting.

Hoofdstuk 5. Afweging en voorwaarden maatwerkvoorzieningen

Artikel 5.1 Criteria maatwerkvoorzieningen

Maatwerk is het op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen ten behoeve van:

  • 1.

    zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger (respijtzorg), het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen;

  • 2.

    participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen;

  • 3.

    beschermd wonen en opvang.

Het is aan de gemeente om een maatwerkvoorziening te verstrekken ter bevordering van de zelfredzaamheid of participatie van de cliënt, voor zover er geen andere oplossingen voor de hulpvraag mogelijk zijn. Uitgangspunt voor een Wmo-verstrekking is niet louter de diagnose of de beperking van de cliënt. De Wmo 2015 betrekt uitdrukkelijk ook de eigen mogelijkheden van de cliënt of zijn sociale netwerk bij de oplossing van zijn probleem. De gemeente ondersteunt de cliënt waar hij beperkingen ervaart in zijn zelfredzaamheid en participatie in het maatschappelijk verkeer.

De wet doet een beroep op de eigen kracht en eigen mogelijkheden van ingezetenen. Het uitgangspunt van de wet is dat mensen langer thuis blijven wonen met waar mogelijk hulp van hun eigen sociale netwerk en zo nodig aanvullende ondersteuning vanuit de gemeente. Voordat er een beroep wordt gedaan op publiek gefinancierde voorzieningen moeten eerst de eigen kracht en het sociale netwerk worden aangesproken. Zoals vermeld in artikel 5.1 van de verordening betekent dit dat een maatwerkvoorziening pas aan de orde kan zijn als de cliënt zijn beperkingen of problemen niet kan verminderen of wegnemen met behulp van eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg, hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk, algemeen gebruikelijke voorzieningen of algemene voorzieningen.

In elke afzonderlijke situatie beoordeelt de consulent de eigen kracht en mogelijkheden van de cliënt. Dit doet de consulent niet door de beperking als uitgangspunt te nemen, maar door juist te kijken naar wat de cliënt zelf en/of met hulp van zijn sociaal netwerk wel kan. Dit hangt onder andere af van het type ondersteuning dat wordt gevraagd en van de draagkracht van het sociaal netwerk.

De gemeente verwacht van de cliënt dat hij de consulent actief informeert over personen uit zijn sociaal netwerk en wat deze personen voor hem kunnen betekenen op het gebied van zorg en ondersteuning. De consulent probeert de cliënt ook te ondersteunen in het betrekken van personen uit de sociale omgeving.

Artikel 5.1, eerste en tweede lid, sub a.

Eigen kracht

Eigen kracht verwijst naar de mogelijkheden van de cliënt om zelf bij te dragen aan zijn zelfredzaamheid en participatie. Het college verwacht van de cliënt dat hij zich inspant om dat aan te wenden wat binnen zijn bereik ligt om zelf in zijn behoefte op het gebied van maatschappelijke ondersteuning te voorzien. Eigen kracht is ook:

  • -

    het bevorderen van herstel (gebruik maken van behandelmogelijkheden);

  • -

    een beroep doen op andere wetten;

  • -

    een beroep doen op de aanvullende verzekering.

Primair stimuleert de gemeente de cliënt zelf de regie te voeren en eigen mogelijkheden te benutten. Daarvoor kijkt de consulent naar de persoonlijke eigenschappen van de cliënt, zijn talenten en vaardigheden, zingeving in combinatie met zijn directe omgeving.

Artikel 5.1, eerste en tweede lid, sub b.

Gebruikelijke hulp

De consulent beoordeelt of, en zo ja, in hoeverre de cliënt met gebruikelijke hulp in staat is zijn problemen op te vangen. Onder gebruikelijke hulp wordt de normale, dagelijkse hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten verstaan. Het voeren van een gemeenschappelijk huishouden brengt immers een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het functioneren van dat huishouden met zich mee. Partners en inwonende gezinsleden staan elkaar bij in de normale dagelijkse zorg, zoals taken in het gezamenlijke huishouden, administratie, schoonmaken, elementaire zorgtaken, bezoek aan familie/instanties/arts, etc.

De redelijkheid bepaalt wat als gebruikelijke hulp kan worden geduid. Wat redelijk is hangt af van de specifieke situatie van een cliënt en zijn huisgenoten. Iedere situatie is anders en vraagt om maatwerk. Daarbij is het CIZ-protocol2 richtinggevend.

In het kader van de huishoudelijke ondersteuning is het uitgangspunt dat de leefeenheid primair verantwoordelijk is voor het uitvoeren van alle huishoudelijke taken.

Als de aanvrager huisgenoten heeft die huishoudelijke taken over kunnen nemen, worden zij verondersteld dit door een herverdeling van taken te doen. Dit principe is gebaseerd op de achterliggende gedachte dat een huishouding gezamenlijk verantwoordelijk is voor het huishoudelijk werk (ofwel: het draaiende houden van een huishouden) en dat ook alleenstaanden een huishouden voeren naast andere dagelijkse bezigheden (werk, vrije tijd, enz.).

Dit betekent dat als diegene die gewend is het huishoudelijke werk te doen, hiertoe niet meer in staat is, andere leden van de leefeenheid verondersteld worden dit over te nemen. Dit principe heeft een verplichtend karakter en geldt voor alle huisgenoten van 23 jaar en ouder.

Wanneer er gebruikelijke hulp van een gezond kind wordt verwacht, moet er onderzoek gedaan worden naar het vermogen van dit kind voor wat betreft het verrichten van huishoudelijk werk. Er moet rekening gehouden worden met wat op een bepaalde leeftijd als bijdrage van een kind mag worden verwacht, de ontwikkelingsfase van het specifieke kind en het feitelijke vermogen van dit kind om een bijdrage te leveren. De inzet van kinderen mag niet ten koste gaan van hun welbevinden en ontwikkeling, waaronder schoolprestaties. Er moet rekening mee worden gehouden dat een kind geen vervanger is ten aanzien van huishoudelijke taken, maar dat zijn of haar hulp kan leiden tot een vermindering van een eventuele indicatie voor huishoudelijke ondersteuning.

De beleidsregels ten aanzien van gebruikelijke hulp van kinderen bij verschillende leeftijden in het huishouden:

  • -

    Kinderen van 0 tot 5 jaar:

    • o

      leveren geen bijdrage aan het huishouden.

  • -

    Kinderen van 5 tot 12 jaar (naar eigen mogelijkheden):

    • o

      kunnen helpen met opruimen;

    • o

      kunnen helpen met tafel dekken en tafel afruimen;

    • o

      kunnen helpen met de vaatwasser in- en uitpakken of afwassen en afdrogen;

    • o

      kunnen een boodschap doen;

    • o

      kunnen hun eigen kleding in de wasmand doen.

  • -

    Kinderen van 12 tot 18 jaar:

    • o

      kunnen dezelfde taken als kinderen van 5 tot 12 jaar verrichten;

    • o

      kunnen hun eigen kamer opruimen;

    • o

      kunnen hun eigen kamer stofzuigen;

    • o

      kunnen hun eigen bed verschonen.

  • -

    Jongvolwassenen van 18 tot 23 jaar:

    • o

      kunnen taken behorende tot een eenpersoonshuishouden verrichten.

Artikel 5.1 , eerste en tweede lid, sub c.

Mantelzorg

Mantelzorg is meer dan alleen de alledaagse zorg voor elkaar. Iemand is mantelzorger als hij iemand lange tijd (meer dan drie maanden) – onbetaald – veel (meer dan acht uur per week) zorg geeft3. Deze zorg is meer dan men normaal gesproken van elkaar kan verwachten. Gebruikelijke hulp valt niet onder mantelzorg. Gebruikelijke hulp of zorg is de dagelijkse zorg die huisgenoten (de echtgenoot/partner, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten) elkaar bieden omdat zij samen het huishouden voeren. Daar zijn zij samen verantwoordelijk voor.

Mantelzorg betreft ondersteuning voor een naaste ten behoeve van diens zelfredzaamheid en participatie, die qua omvang en intensiteit de gebruikelijke hulp overstijgt en die rechtstreeks voortkomt uit de sociale relatie tussen personen. Mantelzorg wordt niet verleend in het kader van een hulpverlenend beroep. De ondersteuning is vrijwillig, maar voelt voor de betrokkenen vaak als vanzelfsprekend.

Gezien de intensiviteit van de ondersteuning en de vaak hoge mate waarin de cliënt afhankelijk is van de ondersteuning, is het met name bij mantelzorg van belang om inzicht te krijgen in de belastbaarheid van de mantelzorger. Om hier meer inzicht in te krijgen kan de consulent gebruik maken van bijlage 1 ‘Onderzoeken van (dreigende) overbelasting’ en de EDIZ vragenlijst ‘Erkende Druk door Informele Zorg’. Ook kan medisch of ander deskundig advies worden ingewonnen door de consulent. Als de belastbaarheid te gering is, wordt gekeken naar mogelijkheden ter ondersteuning van de mantelzorger door middel van voorliggende voorzieningen. Als dit de mantelzorger niet voldoende ontlast, kan (tijdelijk) een maatwerkvoorziening ingezet worden ten behoeve van het (op termijn) in stand houden van de mantelzorg.

Respijtzorg is het tijdelijk overnemen van de zorg om de mantelzorger te ontlasten. Dit kan gebeuren in de vorm van dagbesteding en kortdurend verblijf.

De gemeente is op grond van de Wmo 2015 verantwoordelijk voor het ondersteunen van mantelzorgers van cliënten zonder een Wlz-indicatie. Een manier om dit te doen kan het bieden van kortdurend verblijf zijn. Kortdurend verblijf is een maatwerkvoorziening en dient ter aanvulling op het wonen in de thuissituatie en vervangt niet het wonen in een instelling.

Sommige zorgverzekeraars vergoeden vormen van respijtzorg geheel of gedeeltelijk vanuit de aanvullende verzekering.

Wmo 2015

De doelgroep die in aanmerking kan komen voor kortdurend verblijf ter ondersteuning van de mantelzorger bestaat uit:

  • -

    cliënten met een beperking of een chronisch psychisch of psychosociaal probleem,

  • -

    die niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk voldoende zelfredzaam is of in staat is tot participatie, en

  • -

    die worden ondersteund door een mantelzorger die tijdelijk ontlast moet worden.

Artikel 5.1, eerste en tweede lid, sub d.

Sociaal netwerk

Met het sociaal netwerk worden personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt bedoeld. Hierbij kan gedacht worden aan uitwonende kinderen, buren, vrienden, vrijwilligers e.d.

Artikel 5, eerste en tweede lid, sub e.

Algemeen gebruikelijke voorzieningen

Een zaak of een dienst is algemeen gebruikelijk als voldaan wordt aan de volgende vier voorwaarden:

  • 1.

    niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking;

  • 2.

    daadwerkelijk beschikbaar is;

  • 3.

    een passende bijdrage levert aan het realiseren van zelfredzaamheid en participatie, en;

  • 4.

    de zaak of dienst voor de persoon als aanvrager algemeen gebruikelijk kan worden geacht.

Het college dient te beoordelen of op het moment van de aanvraag sprake is van een zaak of dienst die naar geldende maatschappelijke opvattingen tot het gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van een persoon als de cliënt (als aanvrager) behoort. Hierbij is het inkomen in principe niet van belang (RBARN:2012:XBX8032 en CRVB: 2018:1250). Bij de structurele kosten van bijvoorbeeld een boodschappendienst kan nog steeds worden gesproken van een algemeen gebruikelijke dienst die voorliggend is op het verstrekken van een maatwerkvoorziening. Dat geldt ook voor personen met een inkomen op het sociaal minimum (bijv. CRVB: 2018: 2182 en CRVB:2018:3093).

Zie voorts bijlage 2 voor een niet-limitatieve lijst aan algemeen gebruikelijke voorzieningen.

Artikel 5.1, eerste en tweede lid, sub f.

Algemene voorzieningen

Algemene voorzieningen zijn voorzieningen waarvan iedereen gebruik kan maken en waarvoor geen beschikking nodig is. Dit kunnen ook welzijnsvoorzieningen zijn. Daarmee bieden deze voorzieningen een snelle en adequate compensatie voor de beperkingen die iemand ervaart.

De gemeente kent een aantal algemene voorzieningen zoals het maatschappelijk werk en de thuisadministratie, die door Wijkracht Borne wordt uitgevoerd.

In de verordening is opgenomen dat deze voorzieningen niet vallen onder het abonnementstarief en dat hiervoor dus geen eigen bijdrage betaald hoeft te worden.

Artikel 5.1, eerste en tweede lid, sub g.

Andere voorzieningen

De gemeente draagt zorg voor afstemming met andere voorzieningen. Andere voorzieningen zijn in dit geval:

Afstemming met gezondheidszorg

  • 1.

    De gemeente maakt afspraken met zorgverzekeraars en het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) om te komen tot een integrale dienstverlening en te voorkomen dat cliënten tussen wal en schip vallen wanneer er discussie is over het wettelijk kader.

  • 2.

    Als de cliënt dit wenst, zorgt de gemeente ervoor dat de cliënt ondersteund wordt richting het CIZ als er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg.

Afstemming met Veilig thuis Twente

De gemeente heeft afspraken met Veilig Thuis over de toegang naar algemene en maatwerkvoorzieningen. Deze afspraken zijn in 2018 vastgelegd in Samenwerkingsafspraken gemeente Borne en Veilig Thuis Twente.

Afstemming met jeugdhulp

De gemeente zorgt voor een goede afstemming tussen voorzieningen op grond van deze verordening en voorzieningen voor jeugdigen of ouders op grond van de Jeugdwet.

Tevens zorgt de gemeente voor de continuïteit van ondersteuning onder zijn verantwoordelijkheid wanneer de jeugdige de leeftijd van 18 jaar bereikt.

Afstemming met voorzieningen werk en inkomen

De gemeente zet bij de toegang tot maatschappelijke ondersteuning in op vroegtijdige signalering van belemmeringen op het gebied van werk en inkomen van de cliënt en helpt de cliënt waar nodig om de juiste ondersteuning vanuit de gemeentelijke voorzieningen –zoals schuldhulpverlening, inkomensvoorzieningen en re-integratievoorzieningen– te verkrijgen.

Artikel 5.1 derde lid (nadere regels)

De Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 maakt onderscheid in de volgende maatwerkvoorzieningen:

  • 1.

    diensten;

  • 2.

    hulpmiddelen;

  • 3.

    woningaanpassingen;

  • 4.

    en andere maatregelen.

Gemeente Borne hanteert daarbij het volgende beleid:

Ad 1. Diensten

Huishoudelijke ondersteuning

De maatwerkvoorziening Huishoudelijke Ondersteuning (hierna: HO) wordt ingezet als een persoon niet meer op eigen kracht, met gebruikelijke hulp of met behulp van zijn sociale netwerk zijn huis leefbaar kan houden. Huishoudelijke taken worden dan overgenomen door een huishoudelijke hulp. Het resultaat leefbaar huis wordt hiermee bereikt. Onder leefbaar huis wordt verstaan dat een persoon gebruik moet kunnen maken van een schone woonkamer, als slaapvertrek in gebruik zijnde ruimtes, de keuken, sanitaire ruimtes en de gang. Het huis dient zodanig leefbaar te zijn dat geen vervuiling plaatsvindt en zo een algemeen aanvaardbaar basisniveau van een leefbaar huis wordt gerealiseerd.

A.Modules

De maatwerkvoorziening HO bestaat uit zes modules met elk een eigen resultaat. De zes modules zijn:

  • a.

    basismodule;

  • b.

    module extra hygiëne;

  • c.

    module wasverzorging;

  • d.

    module regie;

  • e.

    module maaltijdverzorging;

  • f.

    module zorg voor minderjarige kinderen.

De basismodule en de aanvullende modules zijn nader uitgewerkt in bijlage 3 ‘Basismodule en aanvullende modules’.

Iedere module heeft zijn eigen resultaat en een eigen maximum norm. Op basis van de persoonlijke situatie van de persoon wordt vastgesteld welk deel van de activiteiten een persoon zelf of met hulp van zijn netwerk kan uitvoeren en welk deel wordt overgenomen door de zorgaanbieder. De werkzaamheden die de persoon zelf of met behulp van zijn netwerk kan verrichten worden niet overgenomen door de zorgaanbieder. De gemeente bekijkt, samen met de inwoner, welke ondersteuning noodzakelijk is in het huishouden. De gemeente informeert hierover de zorgaanbieder.

Voortzetten ondersteuning na overlijden van huisgenoot

Wanneer de persoon overlijdt kan de huisgenoot die achterblijft huishoudelijke ondersteuning blijven ontvangen gedurende tenminste één volledige kalendermaand, met dien verstande dat dat deze termijn afloopt op de laatste dag van de volle opvolgende maand. Zo heeft de achterblijvende huisgenoot de tijd om de ondersteuning op een andere manier te organiseren of de (veranderende) indicatie, na onderzoek van de gemeente, op zijn naam te kunnen laten zetten.

Sanering woning

Indien door ernstige vervuiling een sanering van de woning noodzakelijk is om een hygiënische en werkbare situatie te creëren, kan voorafgaande aan de inzet van de huishoudelijke ondersteuning de woning worden gesaneerd. De kosten worden in rekening worden gebracht bij de cliënt.

Aanleren huishoudelijke activiteiten

Redenen als ‘niet gewend zijn om’ of geen ‘huishoudelijke werkzaamheden willen en/of kunnen verrichten’ leiden niet tot een indicatie voor het overnemen van huishoudelijke taken. Indien hiervoor motivatie aanwezig is, kan er een indicatie worden gesteld voor maximaal acht weken ondersteuning voor het aanleren van huishoudelijke taken en/of het leren (efficiënter) organiseren van het huishouden.

B.Begeleiding en groepsondersteuning (dagbesteding)

Met de maatwerkvoorzieningen begeleiding en groepsondersteuning (dagbesteding) wordt invulling gegeven aan het wettelijke begrip begeleiding. Daaronder worden activiteiten verstaan gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt opdat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven (art. 1.1.1 van de wet). Het bieden van groepsondersteuning is een vorm zijn van begeleiding, die bijdraagt aan de zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt, zodat deze zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. Dit omvat structurele tijdsbesteding met een welomschreven doel waarbij een cliënt actief wordt betrokken en wat hem zingeving biedt, anders dan arbeid of onderwijs. Huiswerkbegeleiding en begeleiding in relatie tot werk valt niet onder de Wmo 2015.

Zelfredzaamheid bevat twee elementen:

  • 1.

    het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL),

  • 2.

    het voeren van een gestructureerd huishouden.

Participatie heeft betrekking op deelname aan het maatschappelijk verkeer. Dit wil zeggen zoveel mogelijk op gelijke voet met anderen mee kunnen doen aan de samenleving.

Zelfredzaamheid en participatie worden samengevat in dagelijkse handelingen en praktische zaken. Daaronder wordt verstaan:

  • -

    eten;

  • -

    medicatie gebruik;

  • -

    drinken;

  • -

    in en uit bed komen, in stoelen gaan zitten en weer opstaan;

  • -

    bewegen, lopen, verplaatsen;

  • -

    ontspanning;

  • -

    zinvolle activiteit, invulling van de dag, tijdsbesteding etc.;

  • -

    aan- en uitkleden;

  • -

    gesprek voeren;

  • -

    toiletgang;

  • -

    lichaamswarmte regelen (bv. kachel hoger/lager kunnen zetten, bijbehorende kleding uitkiezen);

  • -

    lichamelijke hygiëne;

  • -

    deelname aan het maatschappelijk verkeer;

  • -

    sociale vaardigheden;

  • -

    sociale redzaamheid;

  • -

    deelname aan de samenleving;

  • -

    huishouden.

Er zijn meer voorbeelden denkbaar.

Om de dagelijkse handelingen en praktische zaken uit te kunnen voeren moet de cliënt daar lichamelijk toe in staat zijn maar ook over vaardigheden beschikken. De vaardigheid is het vermogen om een handeling bekwaam uit te voeren of een probleem op te lossen. Een vaardigheid op een of ander gebied wordt veelal vergaard door praktische ervaring, door korte of langere tijd regelmatig te oefenen.

Cliënten die zijn aangewezen op begeleiding en/of groepsondersteuning ondervinden problemen in hun functioneren op het gebied van:

  • -

    sociale redzaamheid (dagelijkse bezigheden, problemen oplossen en besluiten nemen, dagelijkse routine regelen, et cetera);

  • -

    probleemgedrag (gedragsproblemen);

  • -

    psychisch functioneren (concentratie, geheugen en denken en perceptie van omgeving);

  • -

    geheugen en oriëntatie.

Aard en niveau van de ondersteuningsbehoefte

Om zoveel mogelijk maatwerk te kunnen bieden wordt niet geïndiceerd op basis van de termen van begeleiding en groepsondersteuning maar in de ondersteuningsbehoeften van de cliënt met een bijbehorend niveau. Hiermee wordt duidelijk welk resultaat met de ondersteuning moet worden bereikt. Naast de ondersteuningsbehoeften kan het college wonen en verblijf verstrekken als vervanging van thuis. Denk aan kortdurend verblijf.

Ondersteuningsbehoeften en niveaus

Er zijn twee ondersteuningsbehoeften met elk drie niveaus. Het niveau is gebaseerd op kenmerken van de cliënt en het cliëntsysteem. Dat betekent dat ook personen uit het sociaal netwerk een rol kunnen spelen. Dat wil zeggen zowel in positieve als ook in negatieve zin. Elke ondersteuningsbehoefte is gebaseerd op tijd. Het college maakt daarom ook een inschatting van de omvang en de duur van de ondersteuning. De omvang van de ondersteuning wordt vermenigvuldigd met de prijs. Op deze manier wordt het budget bepaald dat de aanbieder maximaal kan declareren voor het bereiken van het resultaat. De aanbieder declareert op basis van de ondersteuningsbehoefte en het niveau dat door het college is vastgesteld. De declaratie voor individuele ondersteuning is gebaseerd op minuutprijzen en de groepsondersteuning is gebaseerd op een prijs per dagdeel (4 uur).

Ondersteuningsbehoefte 1

De cliënt heeft ondersteuning nodig bij de uitvoering van dagelijkse handelingen en vaardigheden waarbij hij in staat is om de eigen regie over zijn algemene dagelijkse levensverrichtingen te voeren. Het resultaat van de ondersteuning is om de zelfredzaamheid te stimuleren en tekorten daarin aan te vullen. De ondersteuning is gericht op het uitvoeren van dagelijkse handelingen en vaardigheden. Er zijn drie niveaus te onderscheiden.

Ondersteuningsbehoefte 1 niveau A

Kenmerken van de cliënt die onder niveau A vallen zijn:

  • -

    er is meestal geen of in beperkte mate sprake van gedragsproblematiek;

  • -

    er is sprake van een stabiele (ontwikkel) context;

  • -

    de cliënt kan afspraken maken over het moment van de ondersteuning;

  • -

    de kans op risicovolle situaties en of escalatie is gering;

  • -

    de cliënt heeft voldoende inzicht: kan veranderingen in eigen ondersteuningsbehoefte signaleren en hierop reageren;

  • -

    de cliënt is gemotiveerd om ondersteuning te ontvangen.

Er zijn meer voorbeelden denkbaar.

Ondersteuningsbehoefte 1 niveau B

Kenmerken van de cliënt die onder niveau B vallen zijn:

  • -

    er kan sprake zijn van gedragsproblematiek die belemmerend werkt bij de uitvoering van de ondersteuning;

  • -

    de kans op risicovolle situaties en of escalatie is aanwezig maar niet groot;

  • -

    de cliënt kan veranderingen zelf signaleren, maar is onvoldoende in staat om hierop te reageren;

  • -

    de motivatie van de cliënt voor het volgen van de ondersteuning is wisselend.

Er zijn meer voorbeelden denkbaar.

Ondersteuningsbehoefte 1 niveau C

Kenmerken van de cliënt die onder niveau C vallen zijn:

  • -

    er is meestal sprake van matige of ernstige gedragsproblematiek die belemmerend werkt bij de uitvoering van de ondersteuning;

  • -

    de ondersteuning is niet routinematig;

  • -

    er is geen stabiele (ontwikkel) context;

  • -

    er is hoog risico op escalatie/gevaar;

  • -

    met de cliënt is het niet mogelijk om afspraken te maken over de planning doordat de situatie sterk wisselend is en onvoorspelbaar: voortdurend is herziening van de planning van de ondersteuning nodig;

  • -

    de cliënt kan veranderingen zelf in het geheel niet signaleren;

  • -

    er kan verscherpt toezicht nodig zijn;

  • -

    de cliënt is structureel niet of nauwelijks te motiveren tot het volgen van de ondersteuning of behandeling.

Er zijn meer voorbeelden denkbaar.

Ondersteuningsbehoefte 2

De cliënt heeft ondersteuning nodig bij het voeren van de regie over, en uitvoering van zijn dagelijkse handelingen en vaardigheden. Het resultaat van de ondersteuning is om de zelfredzaamheid te stimuleren en tekorten daarin aan te vullen. De ondersteuning is gericht op het helpen overzien van dagelijkse handelingen en vaardigheden (regie) en het leeftijdsadequaat uitvoeren van dagelijkse handelingen en vaardigheden. Er zijn drie niveaus te onderscheiden.

Ondersteuningsbehoefte 2 niveau A

Kenmerken van de cliënt die onder niveau A vallen zijn:

  • -

    er is meestal geen of in beperkte mate sprake van gedragsproblematiek;

  • -

    er is sprake van een stabiele (ontwikkel) context;

  • -

    de cliënt kan afspraken maken over het moment van de ondersteuning;

  • -

    de kans op risicovolle situaties en of escalatie is gering;

  • -

    de cliënt heeft voldoende inzicht: kan veranderingen in eigen ondersteuningsbehoefte signaleren en hierop reageren;

  • -

    de cliënt is gemotiveerd om ondersteuning te ontvangen.

Er zijn meer voorbeelden denkbaar.

Ondersteuningsbehoefte 2 niveau B

Kenmerken van de cliënt die onder niveau B vallen zijn:

  • -

    er kan sprake zijn van gedragsproblematiek die belemmerend werkt bij de uitvoering van de ondersteuning;

  • -

    de kans op risicovolle situaties en of escalatie is aanwezig maar niet groot;

  • -

    de cliënt of het cliëntsysteem kan/kunnen veranderingen zelf signaleren, maar is/zijn onvoldoende in staat om hierop te reageren;

  • -

    de motivatie van de cliënt/ cliëntsysteem voor de volgen van de ondersteuning is wisselend.

Er zijn meer voorbeelden denkbaar.

Ondersteuningsbehoefte 2 niveau C

Kenmerken van de cliënt die onder niveau C vallen zijn:

  • -

    er is meestal sprake van matige of ernstige gedragsproblematiek die belemmerend werkt bij de uitvoering van de ondersteuning;

  • -

    de ondersteuning is niet routinematig;

  • -

    er is geen stabiele (ontwikkel) context;

  • -

    er is een hoog risico op escalatie/gevaar;

  • -

    met de cliënt is het niet mogelijk om afspraken te maken over de planning doordat de situatie sterk wisselend is en onvoorspelbaar: voortdurend is herziening van de planning van de ondersteuning nodig;

  • -

    de cliënt kan veranderingen zelf in het geheel niet signaleren;

  • -

    er kan verscherpt toezicht nodig zijn;

  • -

    de cliënt is structureel niet of nauwelijks te motiveren tot het volgen van de ondersteuning of behandeling.

Er zijn meer voorbeelden denkbaar.

Individuele ondersteuning of groepsgerichte ondersteuning

Het college stelt de ondersteuningsbehoefte en het bijbehorende niveau vast. Daarmee wordt het resultaat bepaald wat door de aanbieder moet worden bereikt. Er kunnen meerdere resultaten binnen ondersteuningsbehoefte 1 of 2 worden vastgesteld. Ook kan het zijn dat ondersteuningsbehoefte 1 en 2 bijdragen aan één resultaat. Afhankelijk van het te bereiken resultaat kan de ondersteuning individueel of groepsgewijs worden verstrekt. Voor de groepsgerichte ondersteuning geldt dat deze methodisch moet zijn, gericht op: het structureren van de dag, praktische ondersteuning en het oefenen van vaardigheden die de zelfredzaamheid van de cliënt bevorderen. Groepsgerichte ondersteuning bestaat uit een structurele tijdsbesteding met een welomschreven resultaat waarbij de cliënt actief wordt betrokken en die hem zingeving biedt, anders dan arbeid of onderwijs.

Vervoer

Onder groepsondersteuning valt tevens het noodzakelijke vervoer zodat de cliënt daar ook feitelijk gebruik van kan maken. De cliënt die niet in staat is om zelfstandig lopend, al dan niet met een algemeen gebruikelijk loophulpmiddel, de groepsondersteuning te bereiken of zelfstandig al dan niet met hulp van anderen, van en naar locatie te reizen waar de groepsondersteuning wordt geboden, kan in aanmerking komen voor vervoer. Onder hulp van anderen worden personen uit het sociaal netwerk verstaan of vrijwilligers. Het college beoordeelt of er een noodzaak bestaat het verstrekken van vervoer naar de groepsondersteuning op basis van artikel 5.1, derde lid, van de verordening.

C.Kortdurend verblijf en respijtzorg

Het doel van deze maatwerkvoorziening is het bieden van ondersteuning aan mantelzorger(s) door tijdelijk verblijf (inclusief dagbesteding) buitenshuis van degene die van zorg afhankelijk is, mogelijk te maken. Het resultaat moet dan ook zijn dat de mantelzorger wordt ontlast waardoor de persoon langer thuis of zelfstandig kan blijven wonen.

Een belangrijke voorwaarde om in aanmerking te komen voor kortdurend verblijf is dat de persoon geen beroep kan doen op een vorm van respijtzorg op grond van zijn of haar zorgverzekering.

Omvang

De omvang van kortdurend verblijf is maximaal drie etmalen per week. Dit maximum is gesteld, omdat er sprake is van logeren. Bij verblijf van meer dan drie etmalen in de week in een instelling is er sprake van opname waarvoor een intramurale indicatie op basis van de Wet langdurige zorg (Wlz) moet worden gesteld. Dit neemt niet weg dat in de praktijk kortdurend verblijf kan worden geïndiceerd voor een aaneengesloten periode van twee of drie weken, ter ontlasting van de mantelzorger of de thuissituatie.

Bij de zorgaanbieder waar de persoon kortdurend verblijft, wordt de dagelijkse zorg overgenomen. Het kortdurend verblijf omvat in iedere geval bed, bad, maaltijden (3 per dag) en verblijf. Kortdurend verblijf is geen integrale voorziening. De maatwerkvoorzieningen Begeleiding en groepsondersteuning (dagbesteding) dienen apart te worden geïndiceerd. Als richtlijn voor de Begeleiding wordt uitgegaan van twee dagdelen per etmaal. Indien verpleging of persoonlijke verzorging noodzakelijk is, dient hiervoor een indicatie op basis van de Zorgverzekeringswet te worden verkregen.

Kortdurend verblijf bestaat uit de volgende onderdelen:

Dakje 1

Dit dakje heeft betrekking op zowel de jeugdhulp als op de Wmo. Er is sprake van betaalde professionele hulp. Het gaat om vervanging van de thuissituatie in een professionele 24 uur-setting. Er is iemand aanwezig op de momenten dat de persoon dit nodig heeft en op de momenten dat er wordt gealarmeerd. De mate waarin dit noodzakelijk is, is leeftijd- en persoonsafhankelijk.

Kenmerken van de inwoner

De inwoner functioneert sociaal redelijk zelfstandig. Voor zijn sociale redzaamheid is

beperkte begeleiding nodig. Dit betreft met name toezicht en stimulatie bij het aangaan van sociale relaties en contacten en deelname aan het maatschappelijk leven.

De inwoner heeft ten aanzien van de psychosociale/cognitieve functies af en toe hulp,

toezicht of sturing nodig. Bij algemeen dagelijkse levensverrichtingen (ADL) functioneert de inwoner leeftijdsadequaat. Er is meestal geen of in beperkte mate sprake van gedragsproblematiek of psychiatrische problematiek, of deze problematiek is beheersbaar. Het kan gaan om bijvoorbeeld kortdurend verblijf, respijtzorg.

Ondersteuningsbehoeften

Dit dakje kan aanvullend ingezet worden wanneer er naast een ondersteuningsbehoefte ook behoefte is aan Wonen en Verblijf. De aanbieder die de ondersteuningsbehoefte levert is eindverantwoordelijk voor het behalen van het resultaat. De van toepassing zijnde ondersteuningsbehoefte moet geleverd worden door een gecontracteerde aanbieder voor de ondersteuningsbehoeften. De inzet in beide modules vindt plaats in onderlinge afstemming.

Dakje 2

Er is sprake van betaalde professionele hulp. Er is sprake van 24 uurs actief toezicht.

Kenmerken van de inwoner

De inwoner vertoont onvoorspelbaar gedrag. Er is een gekwalificeerde slaapdienst aanwezig. Er is sprake van gedragsproblematiek. Het gaat hierbij om inwoners met LVB problematiek. De inwoner heeft veel sturing, regulering en toezicht nodig. Er is met name sprake van verbaal agressief gedrag, manipulatief gedrag, ongecontroleerd, ontremd gedrag en reactief gedrag met betrekking tot interactie. Op het gebied van sociale redzaamheid hebben de inwoners vaak hulp en soms overname nodig, zij kunnen taken vaak niet zelf uitvoeren. Het gaat dan met name om het uitvoeren van complexere taken, het regelen van de dagelijkse routine en taken die besluitnemings- en oplossingsvaardigheden vereisen. Ten aanzien van het psychosociaal/

cognitief functioneren hebben inwoners af en toe tot vaak hulp, toezicht of sturing nodig.

Op het gebied van de ADL functioneert de inwoner leeftijdsadequaat. Maar er is wel regelmatig behoefte aan toezicht en stimulatie, met name bij de kleine verzorgingstaken, de persoonlijke zorg voor tanden, haren, nagels, huid en bij het wassen, eten en drinken. Ten aanzien van mobiliteit is er doorgaans geen sprake van beperkingen.

Huisvesting

De huisvesting is passend bij het gedrag van de cliënt, dit betekent dat het een veilige omgeving is voor de cliënt en bestand is tegen mogelijk geweld/molest. Toezicht op de cliënt is op een fysiek goede manier geregeld. Hiermee bedoelen we dat de locatie zo is gebouwd / vormgegeven dat er goed toezicht gehouden kan worden, met als doel de veiligheid te bewaken. Denk bijvoorbeeld aan: voldoende ramen / vensters vanaf de hal etc. zodat zichtbaar is wat er gebeurt.

Ondersteuningsbehoeften

Dit dakje kan aanvullend ingezet worden wanneer er naast een ondersteuningsbehoefte ook behoefte is aan Wonen en Verblijf. De aanbieder die de ondersteuningsbehoefte levert is eindverantwoordelijk voor het behalen van het resultaat. De van toepassing zijnde ondersteuningsbehoefte moet geleverd worden door een gecontracteerde aanbieder voor de ondersteuningsbehoeften. De inzet in beide modules vindt plaats in onderlinge afstemming.

Consultatie

Consultatie betreft het inschakelen van de expertise van een aanbieder en wordt alleen ingezet

voor een goede vraagverheldering en/of voor het volledig gevuld krijgen van het afsprakenoverzicht.

Inzet van consultatie leidt niet automatisch tot inzet van ondersteuning. Consultatie betreft een kort contact, waarbij de cliënt niet (per definitie) wordt gezien. Veelal mondeling/telefonisch contact of middels mailcontact. Het contactmoment dient te worden geregistreerd in de contactregistratie.

Afstemming tussen aanbieder, inwoner en gemeente op casusniveau als er al sprake is van ondersteuning maakt geen onderdeel uit van de module consultatie. Het gaat dan bijvoorbeeld om een telefoontje tussen aanbieders en gemeente en de samenwerking op casusniveau, zoals bijwonen van multidisciplinaire overleggen, evaluatie, voorbespreking in te zetten hulp en overdracht.

Ad 2. Hulpmiddelen

Rolstoelvoorziening

Algemeen

Wij onderscheiden de volgende rolstoelvoorzieningen:

  • -

    handmatig voortbewogen rolstoel;

  • -

    elektrisch voortbewogen rolstoel;

  • -

    aanpassingen aan de rolstoel.

Voorwaarden

Om in aanmerking te komen voor een rolstoelvoorziening gelden de volgende voorwaarden:

  • -

    de persoon ervaart belemmeringen in het zich verplaatsen in en om woning, die niet afdoende opgelost kunnen worden op eigen kracht of met behulp van een algemene gebruikelijke of algemene voorziening;

  • -

    de voorziening is langdurig noodzakelijk. Dit betekent langer dan zes maanden. De tijdelijk uitleenmogelijkheden moeten zijn benut.

  • -

    bij incidenteel gebruik wordt onderzocht wat de daadwerkelijk behoefte is. Afhankelijk van de behoefte wordt een rolstoelvoorziening verstrekt.

Programma van eisen

Als er een noodzaak bestaat voor een rolstoelvoorziening, dan stelt de gemeente, zo nodig op basis van medisch of ander deskundig advies, een programma van eisen op.

Vorm

Zorg in natura

Indien de rolstoelvoorziening in natura wordt verstrekt, wordt de rolstoel in de vorm van huur, bruikleen of in eigendom verstrekt. Of de voorziening in de vorm van huur, bruikleen of in eigendom wordt verstrekt is afhankelijk van de voorziening. De gemeente bepaalt of een rolstoelvoorziening in de vorm van huur, bruikleen of in eigendom wordt verstrekt. De kosten voor onderhoud en verzekering zijn inbegrepen bij de verstrekking in natura. De gemeente maakt hierbij een voorbehoud in het geval sprake is van een pgb-verstrekking. In dat geval zijn de kosten voor onderhoud en verzekering voor rekening van de cliënt.

Bij de verstrekking van een rolstoelvoorziening in natura kunnen, voor zover van toepassing in de individuele situatie, de volgende voorwaarden worden opgelegd:

  • -

    de persoon dient de voorschriften zoals deze door de fabrikant of leverancier zijn bijgeleverd met betrekking tot het gebruik, de bediening en het onderhoud van het hulpmiddel stipt na te komen;

  • -

    de persoon dient een door gemeente aangewezen (rechts)persoon in de gelegenheid te stellen de voorziening tijdig te controleren, onderhouden, keuren en te repareren;

  • -

    de persoon dient de gemeente direct te informeren als het hulpmiddel niet meer wordt gebruikt;

  • -

    de persoon dient de gemeente dan wel de leverancier onmiddellijk te informeren over schade aan het hulpmiddel alsmede over aan anderen toegebrachte schade door gebruik van het hulpmiddel;

  • -

    de persoon dient goed voor het hulpmiddel te zorgen en er voor te zorgen dat de normale levensduur gewaarborgd wordt;

  • -

    de persoon mag het hulpmiddel niet aan derden in gebruik geven of verhuren;

  • -

    de persoon mag het hulpmiddel alleen gebruiken voor het doel waarvoor het verstrekt is;

  • -

    de persoon dient het hulpmiddel na beëindiging van het recht op verzoek van de gemeente in dezelfde staat terug te geven als waarin het hulpmiddel aan hem verstrekt is. Bij beoordeling van de staat van het hulpmiddel na inlevering blijven normale slijtage en veroudering buiten beschouwing;

  • -

    bij een wijziging in de situatie dient de persoon de gemeente te informeren.

Persoonsgebonden budget

Het persoonsgebonden budget voor de aanschaf van een rolstoel wordt vastgesteld op basis van de kostprijs die geldt bij de koop van een rolstoel die de persoon zou hebben ontvangen als de rolstoel in natura zou zijn verstrekt en rekening houdende met de termijn voor de technische afschrijving en de onderhouds- en verzekeringskosten. Vanaf het tweede jaar ontvangt de persoon jaarlijks een vast bedrag voor onderhoud en reparatiekosten. De persoon heeft recht op dit bedrag gedurende de door de gemeente vastgestelde gebruiksduur.

Bij de verstrekking van een persoonsgebonden budget voor rolstoelvoorzieningen kunnen, voor zover van toepassing in de individuele situatie, de volgende voorwaarden worden opgelegd:

  • -

    het toegekende bedrag mag alleen worden aangewend voor de aanschaf van een adequate voorziening, op basis van een door of namens de gemeente vastgesteld pakket van eisen;

  • -

    de gebruiksduur van de aan te schaffen voorziening kan door de gemeente worden vastgesteld op een met een natura voorziening vergelijkbare gebruikstermijn;

  • -

    bij gebruikmaking van het persoonsgebonden budget dient een onderhouds- en servicecontract afgesloten te worden met een leverancier voor minimaal de in de beschikking genoemde periode;

  • -

    bij gebruikmaking langer dan de termijn waarvoor het persoonsgebonden budget is toegekend, dient het onderhouds- en servicecontract te worden verlengd met de feitelijke gebruiksperiode van de voorziening en bekostigd door de cliënt;

  • -

    de met het persoonsgebonden budget aan te schaffen hulpmiddelen dienen het GO-en CE-kwaliteitskeurmerk te hebben;

  • -

    na aanschaf van de voorziening met het persoonsgebonden budget dient een kopie van de aankoopnota en het betalingsbewijs alsmede de facturen voor onderhoud te worden overlegd.

Aanpassing rolstoel

Met aanpassingen worden bedoeld: extra onderdelen die niet standaard op een rolstoel zitten, maar wel noodzakelijk zijn voor de cliënt. Accessoires zijn doorgaans niet noodzakelijk, maar wenselijk en worden daarom niet vergoed. Voor rolstoelen geldt dat voor kortdurend gebruik een beroep kan worden gedaan op de uitleenservice van de thuiszorgwinkel.

Sportrolstoel

Sporten kan een belangrijk middel tot participatie zijn. Indien een persoon vanwege zijn beperkingen zonder een sportrolstoel niet kan sporten, dan kan een financiële tegemoetkoming in de kosten van een sportrolstoel worden verstrekt.

De Centrale Raad van Beroep heeft in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2002:AF5074 geoordeeld dat aan de sportrolstoel blijkens de parlementaire geschiedenis een bijzondere plaats toekomt.

Voorwaarden

Om in aanmerking te komen voor een sportrolstoel gelden de volgende voorwaarden:

  • -

    de persoon dient aan te tonen dat er sprake is van een actieve sportbeoefening, door bijvoorbeeld een bewijs van lidmaatschap van de sportvereniging of facturen waaruit dit blijkt;

  • -

    de persoon dient aan te tonen dat het zonder sportrolstoel niet mogelijk is om een sport te beoefenen en de kosten voor het sportrolstoel aanzienlijk hoger zijn dan de gebruikelijke kosten die een persoon zonder beperkingen heeft voor dezelfde (of een vergelijkbare) sport.

  • -

    De ervaring leert dat sportclubs, sponsors of fondsen vaak bereid zijn een deel van de kosten te vergoeden. Bij een eventuele verstrekking wordt hier rekening mee gehouden;

  • -

    Om in aanmerking te komen voor een nieuwe sportrolstoel is de technische levensduur van de sportrolstoel is bepalend: zodra de technische levensduur ten einde is, bestaat er een mogelijkheid voor een financiële tegemoetkoming in de kosten van een nieuwe sportrolstoel.

Vervoersvoorzieningen

Algemeen

De vervoersvoorzieningen worden geleverd door de leveranciers waarmee de gemeente een contract heeft afgesloten. Het noodzakelijke onderhoud en de reparaties worden betaald door de gemeente. Afhankelijk van de vervoersbehoeften van de persoon zal een passende maatwerkvoorziening worden vastgesteld.

Gemeente Borne kent de volgende vervoersvoorzieningen:

  • -

    aanvullend openbaar vervoer;

  • -

    scootmobiel;

  • -

    driewielfiets;

  • -

    andere vervoersvoorzieningen;

  • -

    autoaanpassingen;

  • -

    overige vervoersvoorzieningen.

Reikwijdte

Binnen de reikwijdte van de Wmo 2015 vallen alleen de lokale en regionale vervoersbehoeften van de persoon. Uit jurisprudentie blijkt dat een persoon, om te kunnen participeren, de mogelijkheden moet hebben om jaarlijks lokaal en regionaal (tot zo’n 15 tot 20 kilometer afstand vanaf de woning van de persoon) 1500 tot 2000 kilometer moet kunnen reizen. Alle bovenregionale vervoersbehoeften vallen buiten de reikwijdte van de Wmo 2015. Hiervoor wordt door het rijk bovenregionaal vervoer georganiseerd. Gemeente Borne hanteert hierbij de ondergrens van 1500 kilometer per kalenderjaar.

Aanvullend openbaar vervoer

Het college heeft in 2019 nadere regels vastgesteld voor het aanvullend openbaar vervoer en nadere regels Verlengde zorg (vervoer door zorgaanbieder). Deze nadere regels zijn nog steeds van toepassing en zijn in bijlagen 4 en 5 opgenomen.

Scootmobiel

Een scootmobiel is bedoeld voor vervoer voor de korte en middellange afstanden. Als de cliënt minder dan 100 meter kan lopen dan kan de cliënt in beginsel in aanmerking komen voor een scootmobiel. Gemeente Borne gaat bij het toekennen van een scootmobiel uit van het meest eenvoudige model, waarbij de actieradius en snelheid (ca. 8 km) is beperkt. De scootmobiel is met name bedoeld voor de verplaatsing in de directe woon- en leefomgeving. Om door de gemeente zelfstandig te rijden is het meest eenvoudige model meer dan voldoende voor het bieden van dagelijkse vrijheid. Een dergelijk eenvoudig model is daarmee aanzienlijk voordeliger in de kosten van aanschaf. Dat een gezonde partner/kind naast de cliënt wil fietsen, is geen reden om een scootmobiel met een hogere snelheid te verstrekken. Indien een cliënt dat wenst, hij zelf voor eigen kosten een zwaardere accu kan kopen bij de leverancier, mits de leverancier dat akkoord vindt.

Bij de beoordeling worden o.a. de volgende punten bekeken:

  • -

    Kan cliënt zelfstandig gebruik maken van het openbaar vervoer?

  • -

    Kan cliënt zelfstandig fietsen?

  • -

    Is cliënt (of het gezin) in bezit van een auto? Indien de met de auto aan de vervoersbehoefte voldaan kan worden is dat een reden om niet in aanmerking te komen voor een scootmobiel

  • -

    Vervoersbehoeften: waar wil de cliënt naartoe reizen en met welk doel.

  • -

    Is cliënt in staat om veilig zelfstandig deel te nemen aan het verkeer?

  • -

    Is cliënt in staat zelfstandig en veilig de scootmobiel te rijden? Zo nodig kunnen maximaal drie gewenningslessen worden vergoed vanuit de gemeente;

  • -

    De voorziening is langdurig noodzakelijk?

  • -

    Kan de scootmobiel gestald worden? De stallingsplek moet overdekt zijn en er moet een oplaadpunt zijn.

Stalling

Om in aanmerking te komen voor een scootmobiel of een driewielfiets (met trapondersteuning) dient er een adequate stallingsmogelijkheid te zijn. Voordat een scootmobiel of een driewielfiets wordt verstrekt dient duidelijk te zijn of de scootmobiel of de driewielfiets tegen weer en wind en diefstal beschut kan worden. Daarnaast dient er sprake te zijn van een stroomvoorziening voor het opladen van de accu. Indien er geen adequate stallingsmogelijkheid te realiseren is, kan de aanvraag voor een scootmobiel worden afgewezen, tenzij de cliënt zelf de aanlegkosten van de stalling en de elektravoorziening voor zijn rekening neemt.

Aangepaste fietsen

Er zijn fietsen, zoals de driewielfiets en een duofiets, die speciaal ontworpen en bestemd zijn voor mensen met een beperking en alleen bij gespecialiseerde bedrijven worden verkocht. Dit zijn voorzieningen die voorzien in de vervoersbehoefte in de directe omgeving van de eigen woning, voor activiteiten als boodschappen doen, bezoek aan personen uit het sociaal netwerk of een vorm van dagbesteding.

Om in aanmerking te komen voor een driewielfiets of een andere vervoersvoorziening gelden, naast de algemene criteria, de volgende voorwaarden:

  • -

    de persoon ervaart beperkingen in de korte en/of middellange afstanden, waardoor hij beperkingen ervaart in het participeren in de samenleving. Deze beperkingen kunnen niet op een andere manier worden opgeheven;

  • -

    de voorziening is langdurig noodzakelijk.

Een fiets met lage instap, fiets met hulpmotor of elektrische fiets zijn niet speciaal ontworpen voor mensen met een beperking en worden in de reguliere handel verkocht. Daarom worden deze fietsen in beginsel als algemeen gebruikelijk beschouwd, ook al zijn de aanschafkosten hoger dan van een normale fiets. Uitzonderingen worden beoordeeld door de gemeente.

Programma van eisen

Als er een noodzaak bestaat voor een van deze voorzieningen, dan stelt de gemeente, zo nodig op basis van medisch of ander deskundig advies, een programma van eisen op.

Vorm

Zorg in natura

Indien de voorziening in natura wordt verstrekt, wordt de voorziening in de vorm van huur, bruikleen of in eigendom verstrekt. Of de voorziening in de vorm van huur, bruikleen of in eigendom wordt verstrekt is afhankelijk van de voorziening. De gemeente bepaalt of de voorziening in de vorm van huur, bruikleen of in eigendom wordt verstrekt. De kosten voor onderhoud en verzekering zijn inbegrepen bij de verstrekking in natura.

Bij de verstrekking van een voorziening in natura kunnen, voor zover van toepassing in de individuele situatie, de volgende voorwaarden worden opgelegd:

  • -

    de persoon dient de voorschriften zoals deze door de fabrikant of leverancier zijn bijgeleverd met betrekking tot het gebruik, de bediening en het onderhoud van het hulpmiddel stipt na te komen;

  • -

    de persoon dient een door gemeente aangewezen (rechts)persoon in de gelegenheid te stellen de voorziening tijdig te controleren, onderhouden, keuren en te repareren;

  • -

    de persoon dient de gemeente direct te informeren als het hulpmiddel niet meer wordt gebruikt;

  • -

    de persoon dient de gemeente dan wel de leverancier onmiddellijk te informeren over schade aan het hulpmiddel alsmede over aan anderen toegebrachte schade door gebruik van het hulpmiddel;

  • -

    de persoon dient goed voor het hulpmiddel te zorgen en er voor te zorgen dat de normale levensduur gewaarborgd wordt;

  • -

    de persoon mag het hulpmiddel niet aan derden in gebruik geven of verhuren;

  • -

    de persoon mag het hulpmiddel alleen gebruiken voor het doel waarvoor het verstrekt is;

  • -

    de persoon dient het hulpmiddel na beëindiging van het recht op verzoek van de gemeente in dezelfde staat terug te geven als waarin het hulpmiddel aan hem verstrekt is. Bij beoordeling van de staat van het hulpmiddel na inlevering blijven normale slijtage en veroudering buiten beschouwing;

  • -

    bij een wijziging in de situatie dient de cliënt de gemeente te informeren.

Persoonsgebonden budget

Het persoonsgebonden budget voor de aanschaf van een vervoersvoorziening wordt vastgesteld op basis van de kostprijs die geldt bij de koop van een vervoersvoorziening die de persoon zou hebben ontvangen als de voorziening in natura zou zijn verstrekt en rekening houdende met de termijn voor de technische afschrijving en de onderhouds- en verzekeringskosten. Vanaf het tweede jaar ontvangt de persoon jaarlijks een vast bedrag voor onderhoud en reparatiekosten. De persoon heeft recht op dit bedrag gedurende de door de gemeente vastgestelde gebruiksduur.

Bij de verstrekking van een persoonsgebonden budget voor een vervoersvoorziening kunnen, voor zover van toepassing in de individuele situatie, de volgende voorwaarden worden opgelegd:

  • -

    het toegekende bedrag mag alleen worden aangewend voor de aanschaf van een adequate voorziening, op basis van een door of namens de gemeente vastgesteld pakket van eisen;

  • -

    de gebruiksduur van de aan te schaffen voorziening kan door de gemeente worden vastgesteld op een met een natura voorziening vergelijkbare gebruikstermijn;

  • -

    bij gebruikmaking van het persoonsgebonden budget dient een onderhouds- en servicecontract afgesloten te worden met een leverancier voor minimaal de in de beschikking genoemde periode;

  • -

    bij gebruikmaking langer dan de termijn waarvoor het persoonsgebonden budget is toegekend, dient het onderhouds- en servicecontract te worden verlengd met de feitelijke gebruiksperiode van de voorziening;

  • -

    de met het persoonsgebonden budget aan te schaffen hulpmiddelen dienen het GO-en CE-kwaliteitskeurmerk te hebben;

  • -

    na aanschaf van de voorziening met het persoonsgebonden budget dient een kopie van de aankoopnota en het betalingsbewijs te worden overlegd;

  • -

    de persoon dient het hulpmiddel na beëindiging van het recht op verzoek van de gemeente in dezelfde staat terug te geven als waarin het hulpmiddel aan hem verstrekt is. Bij beoordeling van de staat van het hulpmiddel na inlevering blijven normale slijtage en veroudering buiten beschouwing.

Autoaanpassing

Als een cliënt zonder autoaanpassingen geen gebruik kan maken van zijn auto en het aanvullend openbaar vervoer of een andere vervoersvoorziening niet voldoet, kan overwogen worden of een autoaanpassing wordt vergoed.

De gemeente hanteert naast de algemene criteria, de volgende criteria om te bepalen of een cliënt in aanmerking komt voor een autoaanpassing:

  • -

    het gebruik van de eigen auto is nodig voor het zich verplaatsen binnen de leefomgeving en collectief lokaal vervoer is geen passende oplossing;

  • -

    de persoon of ouder/verzorger van een jeugdige waar de autoaanpassing voor bestemd is, is eigenaar en/of bestuurder van de auto;

  • -

    er is sprake van meerkosten ten opzichte van de periode voordat de beperkingen ontstonden;

  • -

    een autoaanpassing is de goedkoopst adequate oplossing;

  • -

    de te maken kosten van de autoaanpassing zijn in relatie tot de geldigheidsduur van het rijbewijs, de verwachte levensduur en technische staat van de auto nog verantwoord. De aanvrager dient aan te tonen dat de aan te passen auto de investering nog waard is (naar verwachting nog minimaal 5-7 jaar mee kan). Bij twijfel moet dit door middel van een technische autokeuring vastgesteld worden en daarvan dient een technisch keuringsrapport worden overlegd.

  • -

    een aantal autoaanpassingen zijn algemeen gebruikelijk, zoals stuurbekrachtiging, rembekrachtiging, automatische versnelling, een airco, een auto met hoge instap, een (verstelbare) autostoel met een goed zitcomfort en/of zithouding. Van de persoon wordt verwacht dat hij bij de aanschaf van een auto rekening heeft gehouden met de op dat moment aanwezige beperkingen en daarbij voldoende aandacht heeft besteed aan de genoemde algemeen gebruikelijke mogelijkheden.

  • -

    de afstand van het vervoer. De gemeente heeft een compensatieplicht voor een afstand conform het lokaal collectief vervoer (20 km vanaf de woning). Indien de persoon als gevolg van zijn beperkingen pas klachten krijgt na het rijden van langere afstanden wordt hiervoor geen voorziening verstrekt.

Overige vervoersvoorzieningen

Onder overige vervoersvoorzieningen valt de financiële tegemoetkoming voor het gebruik van de eigen auto, een taxi, een rolstoeltaxi of een bruikleen auto.

Voorwaarden

Om in aanmerking te komen voor een overige vervoersvoorziening gelden, naast de algemene criteria, de volgende voorwaarde:

  • -

    de persoon kan hier aanspraak op maken als, gezien zijn beperkingen, andere vervoervoorziening geen adequate oplossing bieden in zijn vervoersbehoefte.

Vervoer naar dagbesteding

De persoon is in principe zelf verantwoordelijk voor het vervoer van en naar de aanbieder van de dagbesteding. Wanneer het voor de persoon niet mogelijk is om op eigen kracht of met behulp van zijn sociale netwerk zelf zijn eigen vervoer te regelen en het is niet mogelijk om gebruik te maken van een algemene voorziening of een algemeen gebruikelijke voorziening, dan kan er vervoer naar dagbesteding worden ingezet. Bij de indicatiestelling voor vervoer wordt er onderscheid gemaakt tussen mensen die in een rolstoel moeten worden vervoerd en overige.

Vervoer naar kortdurend verblijf

De persoon is in principe zelf verantwoordelijk voor het vervoer van en naar de instelling voor kortdurend verblijf. Wanneer het voor de persoon niet mogelijk is om op eigen kracht of met behulp van zijn sociale netwerk zelf zijn eigen vervoer te regelen en het is niet mogelijk om gebruik te maken van een algemene voorziening of een algemeen gebruikelijke voorziening, dan kan er vervoer naar dagbesteding worden ingezet. Bij de indicatiestelling voor vervoer wordt er onderscheid gemaakt tussen mensen die in een rolstoel moeten worden vervoerd en overige.

Begeleiding van vervoer

Als de inwoner dat wenst kan één medereiziger voor hetzelfde tarief als dat de inwoner betaalt mee reizen. Deze kosten worden bij de inwoner in rekening gebracht, zodat de inwoner, als hij dat wenst zelf de kosten kan delen. De inwoner dient bij de reservering aan te geven of hij hiervan gebruik wenst te maken.

  • -

    Het meenemen van (Huis)dieren (hulphond4 ).

Een hulphond of blindengeleidehond biedt de reiziger hulp vanwege de beperking die de reiziger heeft. Hij mag altijd gratis mee. Voorwaarde is wel dat de reiziger dit doorgeeft bij de boeking van de rit.

Kinderen tot en met 11 jaar mogen niet met het aanvullend openbaar vervoer reizen zonder begeleiding. Voor kinderen jonger dan 12 jaar met een Wmo-pas geeft de gemeente ook een indicatie af voor verplichte/medische begeleiding. Voor een aanvraag voor kinderen worden de geldende openbaar vervoertarieven gehanteerd. Door de gemeente wordt hiervoor een nadere opdracht gegeven aan de vervoerder.

Ad 3. Woningaanpassingen

Algemeen

Om langer zelfstandig te kunnen blijven wonen in de eigen leefomgeving zijn er voorzieningen die dit mogelijk maken. De gemeente onderscheidt de volgende woonvoorzieningen:

  • -

    losse woonvoorzieningen;

  • -

    woningaanpassingen;

  • -

    voorziening voor een sanering van de woning in verband met een longaandoening en/of een allergie.

Algemene voorwaarden

Bij woonvoorzieningen worden een aantal algemene voorwaarden gehanteerd. De voorwaarden zijn:

  • 1.

    De voorziening was voorzienbaar, maar waar van de persoon redelijkerwijs niet verwacht kon worden maatregelen te hebben getroffen die de hulpvraag overbodig had gemaakt;

  • 2.

    De voorziening is niet algemeen gebruikelijk voor de persoon;

  • 3.

    Er bestaat geen aanspraak op de voorziening op grond van enige andere wettelijke regeling;

  • 4.

    De ondervonden ergonomische beperkingen vloeien niet voort uit de aard van de in de woning gebruikte materialen;

  • 5.

    Met het treffen van de voorziening is niet gestart voordat op de aanvraag is beschikt;

  • 6.

    De persoon verblijft niet in of verhuist niet naar een Wlz-inrichting;

  • 7.

    Het betreft een zelfstandige woonruimte in de gemeente Borne.

Normaal gebruik van de woning

Een woonvoorziening is erop gericht de beperkingen die iemand in het normale gebruik van de woning ondervindt te compenseren. Het begrip ‘normale gebruik van de woning’ houdt in dat men de normale (elementaire) woonfuncties moet kunnen verrichten, zoals slapen, eten, lichaamsreiniging, het doen van essentiële huishoudelijke werkzaamheden, horizontale en verticale verplaatsingen binnen de woning, toegang tot de woning en de verzorging van kinderen. In beginsel zijn dit de woonkamer, slaapkamer, keuken, wc en de badkamer.

Voor kinderen komt daar bij het veilig kunnen spelen in de woning. Er worden in principe geen hobby- of studeerruimtes aangepast of bereikbaar gemaakt, omdat het hier geen elementaire woonfuncties betreft. Ook worden geen aanpassingen vergoed voor voorzieningen met een therapeutisch doel zoals dialyseruimte en therapeutisch baden.

Een cliënt is zelf verantwoordelijk voor het veilig stallen en opbergen (droog en afgesloten) van hulpmiddelen, die als maatwerkvoorziening door de gemeente beschikbaar worden gesteld. Dit geldt tevens voor een hulpmiddel dat door inzet van een persoonsgebonden budget is aangeschaft.

Sociale woningbouw

Een voorziening wordt geweigerd als een voorziening betrekking heeft op een hoger niveau dan het niveau van de sociale woningbouw. Zo zal een voorziening voor het gebruik van de kelder of de zolder geweigerd worden.

Afweging

Indien vaststaat dat een aanpassing van de woning noodzakelijk is, dient beoordeeld te worden wat in de situatie van de cliënt de meest goedkope en adequate voorziening is. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de bedoeling van de wetgever dat de persoon zo lang als mogelijk in de eigen leefomgeving moet kunnen blijven wonen. Bij voorkeur is dit de eigen woning.

Bij met name grote en kostbare woningaanpassingen dient de beoordeling te worden gemaakt wat de meest goedkope en adequate oplossing is. Vaak dient in deze situaties de afweging te worden gemaakt tussen de toekenning van een woonvoorziening in de vorm van een woningaanpassing of een woonvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming in de kosten van verhuizen. De gemeente hanteert hierbij geen primaat van verhuizen meer. In iedere situatie afzonderlijk dient een beoordeling te worden gemaakt wat de meest goedkope en adequate oplossing is.

Om te bepalen of een woonvoorziening in de vorm van een woningaanpassing dan wel in de vorm van een tegemoetkoming in de kosten van verhuis- en inrichtingskosten de meest goedkope en adequate oplossing is, worden de volgende factoren in de belangenafweging:

  • 1.

    of de ergonomische belemmeringen voldoende kunnen worden opgelost door aanpassingen in de eigen woning. Indien dit niet het geval is, dan is verhuizen naar een andere geschiktere woonruimte de enige adequate oplossing;

  • 2.

    of een woningaanpassing (technisch) mogelijk is;

  • 3.

    of er aangepaste of eenvoudig aan te passen woningen beschikbaar zijn en wat de aanpassingskosten van de huidige versus de nieuwe woonruimte zijn. Dit is op zich geen grond om direct tot een verplichte verhuizing te komen, maar dient altijd in samenhang met de overige aspecten gewogen te worden;

  • 4.

    met welke snelheid de belemmering in de woning kan worden opgelost. In een aantal gevallen kan verhuizing de belemmering veel sneller oplossen;

  • 5.

    welke sociale omstandigheden een rol spelen, zoals de nabije aanwezigheid van mantelzorg en aanwezigheid en afstand tot de verschillende voorzieningen in de woonkern (openbaar vervoershalte, winkels, ziekenhuis etc.);

  • 6.

    wat de woonlastenconsequenties zijn, waarbij een vergelijking wordt gemaakt tussen de woonlasten van het aanpassen van de huidige woonruimte versus het verhuizen naar een andere woonruimte. Hierbij wordt rekening gehouden met de (hoogte en de duur) van de te ontvangen huurtoeslag;

  • 7.

    of de bewoner eigenaar of huurder is van de woning en welke consequenties dit heeft, zoals vermogenswinsten of-verliezen of nadelig financieel gevolg van verplichte verkoop van een woning. Verhuizen naar een andere woning zou dan kunnen leiden tot een onbillijke situatie;

  • 8.

    de mogelijkheid tot hergebruik van de woningaanpassing.

Losse woonvoorzieningen

Dit zijn woonvoorzieningen van niet-bouwkundige of woontechnische aard. Dit worden ook wel roerende woonvoorzieningen genoemd. Losse woonvoorzieningen zijn verplaatsbaar en zijn voor rekening van de cliënt.

Woningaanpassing

Onder woningaanpassing wordt verstaan een bouwkundige of woontechnische ingreep in of aan een woning. Een bouwkundige ingreep is een verbouwing aan de woning. Een woontechnische ingreep is het aanbrengen van speciale voorzieningen zonder aantasting van het gebouw.

Kosten die vergoed worden

Bij een woningaanpassing worden de volgende kosten vergoed:

  • 1.

    de aanneemsom (hierin begrepen de loon- en materiaalkosten voor het treffen van de voorziening. Indien de voorziening in zelfwerkzaamheid wordt getroffen, vervalt de post loonkosten en komen alleen de materiaalkosten voor vergoeding in aanmerking;

  • 2.

    de risicoverrekening van loon- en materiaalkosten, met inachtneming van het bepaalde in de Risicoregeling woning- en utiliteitsbouw 1991. Indien de voorziening in zelfwerkzaamheid wordt getroffen, vervalt de post loonkosten en komen alleen de materiaalkosten voor vergoeding in aanmerking;

  • 3.

    het architectenhonorarium, inclusief btw, tot ten hoogste 10% van de aanneemsom. Alleen in die gevallen dat het noodzakelijk is dat een architect voor de woningaanpassing moet worden ingeschakeld kunnen deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Het betreft dan veelal de ingrijpender woningaanpassingen;

  • 4.

    de kosten voor het toezicht op de uitvoering, indien dit noodzakelijk is (bijv. bij nieuwbouw of uitbreiding), tot een maximum van 2% van de aanneemsom (inclusief btw).

  • 5.

    de leges voor de bouwvergunning, voor zover de bouwvergunning betrekking heeft op het treffen van de voorziening;

  • 6.

    de verschuldigde en niet verrekenbare of terugvorderbare omzetbelasting;

  • 7.

    het renteverlies en/of de rentekosten, in verband met het verrichten van noodzakelijke betaling aan derden voordat de bijdrage is uitbetaald, voor zover deze verband houdt met de bouw dan wel het treffen van voorzieningen;

  • 8.

    de prijs van bouwrijpe grond, indien noodzakelijk als niet binnen de oorspronkelijke kavel gebouwd kan worden;

  • 9.

    de door de gemeente (schriftelijk) goedgekeurde kostenverhogingen, die ten tijde van de raming van de kosten redelijkerwijs niet voorzien hadden kunnen zijn;

  • 10.

    de kosten in verband met noodzakelijk technisch onderzoek en adviezen met betrekking tot het verrichten van de aanpassing;

  • 11.

    de kosten van (her)aansluiting op de openbare nutsvoorziening.

Voor het aanbrengen van bouwkundige voorzieningen gelden nog de volgende voorwaarden:

  • -

    een locatie die bestemd is voor doelgroepen (bijvoorbeeld een woonservicelocatie) dient door de verhuurder bouwtechnisch geschikt gemaakt te worden voor de verhuur aan de doelgroep;

  • -

    bouwkundige nagelvaste woonvoorzieningen in natura worden eigendom van de woningeigenaar ongeacht de hoogte van de aanschafprijs van de voorziening. Het college kan een voorziening verstrekken voor keuring, onderhoud en reparatie van woonvoorzieningen. De kosten hiervoor zijn namelijk inherent aan het verstrekken van een voorziening. Wanneer de voorziening niet gekeurd, onderhouden of gerepareerd wordt, is deze immers niet compenserend. Zie ook de uitspraak van de Rechtbank Gelderland 26-02-2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:3345, waarbij de rechtbank oordeelde dat een traplift een woonvoorziening is die alleen deugdelijk functioneert en dus compenserend is indien deze regelmatig wordt onderhouden. Indien het aannemelijk is dat de cliënt aangewezen is op de traplift, dan is het college in beginsel gehouden een voorziening te verstrekken voor het onderhoud daarvan.

  • -

    trapliften worden in bruikleen (natura) verstrekt. Deze zijn her-inzetbaar waardoor kapitaalvernietiging kan worden voorkomen;

  • -

    voor de offertes wordt uitgegaan van het programma van eisen dat door of namens de gemeente is opgesteld;

  • -

    de offertes worden in beginsel door de consulent opgevraagd, waarbij de medewerkers van de afdeling Bouw- en Woningtoezicht kunnen worden geraadpleegd voor wat betreft een kostenraming voor wat betreft bouwkundige aanpassingen;

  • -

    de hoogte van het persoonsgebonden budget is het bedrag van de goedkoopste door de gemeente geaccepteerde offerte;

  • -

    kosten voor verwijderen van woningaanpassingen en herstelwerkzaamheden na het verwijderen van woningaanpassingen vallen niet onder de Wmo.

Stopzetting bouwkundige en woontechnische woonvoorziening

Indien na toekenning van een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening, doch voor de gereedmelding van de bouwkundige of woontechnische woonvoorziening, de relatie tussen de aanvrager en de woning niet meer aanwezig is (in verband met verhuizing, overlijden en dergelijke), kan het besluit worden herzien. De mate van herziening is afhankelijk van het stadium waarin de woningaanpassing verkeert en de al aangegane en niet meer te annuleren verplichtingen.

Vorm

Persoonsgebonden budget

Indien de woningaanpassing in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt toegekend dan gelden de volgende voorwaarden:

  • -

    er mag niet al voorafgaand aan de beschikking een begin worden gemaakt met de uitvoering van de werkzaamheden waarop het persoonsgebonden budget betrekking heeft, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de gemeente;

  • -

    indien het bedrag meer dan € 1.000,- bedraagt, dan dienen er twee offertes overlegd te worden;

  • -

    aan door de gemeente aangewezen personen wordt door de eigenaar of huurder toegang verleend tot de woonruimte waar de woningaanpassing wordt aangebracht;

  • -

    er wordt inzicht geboden in bescheiden en tekeningen, welke betrekking hebben op de bouwkundige of woontechnische woonvoorziening;

  • -

    aan door de gemeente aangewezen personen wordt gelegenheid geboden tot het controleren van de woningaanpassing;

  • -

    terstond na de voltooiing van de werkzaamheden, doch uiterlijk binnen 1 maand na het toekennen van het persoonsgebonden budget, verklaart de gerechtigde aan het college dat de bedoelde werkzaamheden zijn voltooid conform het programma van eisen (PvE);

  • -

    deze gereed melding gaat vergezeld van een verklaring, met onderliggende bewijsstukken, dat bij het treffen van de voorziening is voldaan aan de voorwaarden waaronder de voorziening is verleend en is tevens een verzoek om vaststelling en uitbetaling van de voorziening.

Terugvordering

De eigenaar van de woning, die een persoonsgebonden budget heeft ontvangen voor een woningaanpassing van minimaal €10.000 en die binnen een periode van tien jaar na het realiseren van de woningaanpassing in eigendom overdraagt, is gehouden om de gemeente hiervan schriftelijk op de hoogte te stellen. Het gesubsidieerde bedrag wordt door de gemeente op basis van onderstaande schema teruggevorderd.

Het terug te storten bedrag wordt berekend aan de hand van onderstaand schema:

  • -

    bij verkoop in het eerste jaar na gereedmelding 100 % van de gesubsidieerde aanpassingskosten conform beschikking;

  • -

    bij verkoop in het tweede jaar na gereedmelding 90 % van de gesubsidieerde aanpassingskosten conform beschikking;

  • -

    bij verkoop in het derde jaar na gereedmelding 80 % van de gesubsidieerde aanpassingskosten conform beschikking;

  • -

    bij verkoop in het vierde jaar na gereedmelding 70 % van de gesubsidieerde aanpassingskosten conform beschikking;

  • -

    bij verkoop in het vijfde jaar na gereedmelding 60 % van de gesubsidieerde aanpassingskosten conform beschikking;

  • -

    bij verkoop in het zesde jaar na gereedmelding 50 % van de gesubsidieerde aanpassingskosten conform beschikking;

  • -

    bij verkoop in het zevende jaar na gereedmelding 40 % van de gesubsidieerde aanpassingskosten conform beschikking;

  • -

    bij verkoop in het achtste jaar na gereedmelding 30 % van de gesubsidieerde aanpassingskosten conform beschikking;

  • -

    bij verkoop in het negende jaar na gereedmelding 20 % van de gesubsidieerde aanpassingskosten conform beschikking;

  • -

    bij verkoop in het tiende jaar na gereedmelding 10 % van de gesubsidieerde aanpassingskosten conform beschikking.

Woningsanering

Wanneer sprake is van aantoonbare medische beperkingen ten gevolge van bijvoorbeeld astma of allergie waardoor vervanging van vloerbedekking noodzakelijk is, kan hiervoor een maatwerkvoorziening worden verstrekt. Voorwaarde is dat de allergie niet voortvloeit uit de aard van de gebruikte materialen in de woning of de bouwtechnische staat van de woning.

Aangetoond dient te worden dat de medische beperkingen ontstonden na het leggen van de vloerbedekking en niet al aanwezig waren ten tijde van het leggen van de vloerbedekking. Alleen als de sanering niet verwijtbaar is kan hiervoor een voorziening worden verstrekt. De gemeente zal zo nodig een extern medisch advies vragen met betrekking tot de noodzaak van de woningsanering.

In principe worden alleen de slaapkamer en de woonkamer gesaneerd. Woningsanering in de Wmo heeft betrekking op vloerbedekking woonkamer, vloerbedekking slaapkamer.

Bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding wordt rekening gehouden met afschrijving van de te vervangen vloerbedekking op de volgende wijze:

  • -

    leeftijd tot 2 jaar: vergoeding van 100% van het normbedrag

  • -

    leeftijd tot 4 jaar: vergoeding van 75% van het normbedrag

  • -

    leeftijd tot 6 jaar: vergoeding van 50% van het normbedrag

  • -

    leeftijd tot 8 jaar: vergoeding van 25% van het normbedrag

  • -

    leeftijd ouder dan 8 jaar: geen vergoeding i.v.m. economische afschrijving.

Het normbedrag staat voor de goedkoopst compenserende oplossing in natura.

Vloerbedekking vervangen vanwege rolstoel

Als het vanwege het permanente gebruik van een rolstoel nodig is om de vloerbedekking te vervangen gelden dezelfde afschrijvingsregels als bij woningsanering.

Ad 4. Andere maatregelen

Verhuiskosten

Een aanvraag voor een financiële tegemoetkoming voor verhuis- en inrichtingskosten, dient beoordeeld te worden aan de hand van de individuele situatie van de cliënt. Daarbij zijn de persoonskenmerken, behoeften en financiële capaciteit van de cliënt van belang. Er dient een uitgebreide belangenafweging gemaakt te worden, waarbij alle belangen worden meegenomen.

Hierbij kan gedacht worden aan:

  • -

    leeftijd;

  • -

    gezinssituatie;

  • -

    woonsituatie;

  • -

    type woning (incl. eigendom/huur);

  • -

    inschrijving als woningzoekende;

  • -

    aanwezigheid van voorzieningen in de directe omgeving;

  • -

    sociaal netwerk;

  • -

    financiële draagkracht op vrijwillige basis.

Deze omstandigheden zijn voorbeelden waarmee rekening gehouden kan/moet worden en het betreft dus ook geen limitatieve opsomming. Steeds zullen alle individuele omstandigheden beoordeeld moeten worden.

Als de aanvraag verband houdt met een verhuizing van een adequate naar een inadequate woning komt cliënt niet in aanmerking voor een tegemoetkoming in de meerkosten van de verhuizing. Ook latere aanvragen worden niet gehonoreerd als tijdens de verhuizing van een adequate naar een inadequate woning duidelijk was dat in de toekomst een beroep zou worden gedaan op maatwerkvoorzieningen/woningaanpassingen (traplift o.a.)

Verhuiskosten worden toegekend door de gemeente waar de cliënt woont, b.v. als een cliënt uit de gemeente Borne verhuist naar Almelo is de gemeente Borne verantwoordelijk voor de financiële tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten.

Artikel 5.2 Beginsel van primaat

De hoofdregel is dat het primaat van de collectieve maatwerkvoorziening geldt, zoals de begeleiding in groepsverband. Het beginsel van primaten is een verbijzondering van het beginsel van de ‘goedkoopst compenserende voorziening’. Bij de beoordeling of het primaat kan worden toegepast wordt altijd gekeken naar de individuele omstandigheden van het geval. Het college moet zich wel op het standpunt kunnen stellen dat een collectieve verstrekking als een (goedkoopst) compenserende voorziening kan worden aangemerkt. Het gaat daarbij om het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid en/of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven.

Artikel 5.3 Voorwaarden en weigeringsgronden

Eerste lid

Goedkoopst compenserend

De naar objectieve maatstaven gemeten "goedkoopst compenserende" voorziening geldt als norm voor de verstrekking (Verordening art. 5.3). Compenserend houdt in dat de voorziening haar doel moet bereiken op het gebied van zelfredzaamheid en/of participatie. Voldoen meerdere voorzieningen aan dit criterium, dan zal de gemeente de goedkoopst compenserende voorziening beschikken.

Als de cliënt een duurdere voorziening wil (die eveneens compenserend is) komen de meerkosten voor rekening van de cliënt. In dergelijke situaties zal de verstrekking plaatsvinden in de vorm van een persoonsgebonden budget gebaseerd op de goedkoopst compenserende voorziening.

Artikel 5.3, tweede lid

Geen toelichting.

Artikel 5.3, derde lid, sub a.

Aanspraak op andere wetgeving

Hoewel niet limitatief beschreven kan er in een aantal gevallen aanspraak gemaakt worden op andere wetgeving zoals:

Zorgverzekeringswet ( Zvw )

De Zorgverzekeringswet geeft aan op welke medisch noodzakelijke zorg iemand recht heeft. De rijksoverheid beslist welke zorg in de basisverzekering zit (basispakket). Iedere cliënt is verplicht zich te verzekeren en zorgverzekeraars zijn verplicht verzekeringsplichtigen voor een basisverzekering te accepteren. Voor de minder noodzakelijk geachte vormen van zorg kunnen verzekerden kiezen om een aanvullende verzekering af te sluiten.

Wet langdurige zorg ( Wlz )

Iemand kan zorg vanuit de Wlz aanvragen als er 24 uur per dag permanent zorg/toezicht in de nabijheid nodig is om ernstig nadeel te voorkomen.

Iemand komt in aanmerking voor de Wlz als:

  • -

    iemand zichzelf niet meer kan redden in de maatschappij;

  • -

    er sprake is ernstige verwaarlozing;

  • -

    er sprake is van lichamelijk letsel door een ziekte, aandoening of beperking;

  • -

    de ontwikkeling van iemand ernstig wordt geschaad, al dan niet onder invloed van een ander;

  • -

    de veiligheid van iemand ernstig wordt bedreigd.

Hulpmiddelen

Vanaf 1 januari 2013 is de uitleen van hulpmiddelen onder de werking van de Zorgverzekeringswet gebracht. Voor de beantwoording van de vraag of een verzekerde in aanmerking komt voor bepaalde hulpmiddelen via de uitleen is afhankelijk van de vraag of hij daar voor een beperkte of onzekere duur op is aangewezen (artikel 2.12 lid 2 Regeling zorgverzekering). Het gaat om rolstoelen, drempelhulpen, transferhulpmiddelen en hulpmiddelen voor het zich wassen en zorgdragen voor de toiletgang. In de praktijk kan overigens nog steeds de zes-maanden-termijn worden gehanteerd (2 x 3 maanden uitleen) zoals die gold tot 1 januari 2013.

Voor hulpmiddelen geldt vanaf 1 januari 2020 dat bewoners van Wlz-instellingen met en zonder behandeling hun (nieuwe) mobiliteitshulpmiddelen en roerende woonvoorzieningen niet meer uit de Wmo 2015 maar uit de Wlz krijgen:

  • -

    voor de bewoners die al gebruik maken van een hulpmiddel via de Wmo 2015 komt een overgangsregeling;

  • -

    voor Wlz-cliënten die met een persoonsgebonden budget, een volledig pakket thuis (vpt) of met een modulair pakket thuis (mpt) thuis wonen, blijft de verstrekking van hulpmiddelen vooralsnog onveranderd onder de Wmo 2015 vallen. Is sprake van een persoonsgebonden budget, een vpt of een mpt dan is juridisch namelijk van sprake van ‘thuis’ wonen. Wordt de Wlz-indicatie in natura verzilverd, dan is de situatie anders.

  • -

    Vanaf 1 januari 2020 ontvangen cliënten in een Wlz-instelling mobiliteitshulpmiddelen (zoals een rolstoel en een scootmobiel) en hulpmiddelen voor zorgverlening en wonen die door meerdere verzekerden te gebruiken zijn (zoals een tillift) vanuit de Wlz. Ook als zij geen behandeling ontvangen.

  • -

    Het gaat om de volgende mobiliteitshulpmiddelen: (elektrische) rolstoelen, aangepaste fietsen, scootmobielen, aangepaste wandelwagens/buggy’s en aangepaste autostoeltjes voor kinderen. Roerende voorzieningen zijn hulpmiddelen voor zorg en wonen die door meerdere personen gebruikt kunnen worden, zoals tilliften en douchestoelen. Deze voorzieningen worden onderdeel van de inventaris van zorginstellingen.

Participatiewet

De Participatiewet (P-wet) is geen aan de Wmo 2015 voorliggende voorziening. De P-wet is een vangnet in de Sociale Zekerheid, zowel in financiële zin als in de ondersteuning naar werk. De P-wet richt zich primair op de arbeidsparticipatie van mensen en de Wmo 2015 op de maatschappelijke ondersteuning van mensen. De P-wet is er om zoveel mogelijk mensen met of zonder arbeidsbeperking werk te laten vinden.

Artikel 5.3, derde lid, sub b. tot en met e.

Geen toelichting.

Artikel 5.3, derde lid, sub f.

Voorzienbaar

Als te voorzien is dat zich bij een persoon bepaalde beperkingen gaan voordoen mag van hem verwacht worden dat hij daarop anticipeert. Dit betekent echter niet dat beperkingen die ontstaan bij het ouder worden niet vanuit de Wmo 2105 moeten worden gecompenseerd. Als een persoon vanwege ouderdomsverschijnselen niet meer zelfstandig de slaapkamer op de bovenverdieping van de woning kan bereiken kan de gemeente zich niet beroepen op voorzienbaarheid.(zie uitspraak ECLI:CRVB:2018:2603). Dit is anders als een cliënt al eerder bepaalde beperkingen ondervond en toch ondanks die beperkingen keuzes maakte waarvan verwacht mocht worden dat dit in de toekomst problemen zou geven. Bij bijvoorbeeld een verhuizing nadat men al beperkingen ondervindt kan men daarmee al rekening houden.

Artikel 5.3, vierde lid, sub a.

Geen toelichting.

Artikel 5.3, vierde lid, sub b.

Hoofdverblijf

Een voorwaarde om voor een maatwerkvoorziening in aanmerking te komen is dat de cliënt zijn hoofdverblijf in de gemeente Borne heeft. Hoofdverblijf betekent meer dan alleen ingeschreven staan in de Basisregistratie Personen ( BRP); de cliënt moet daadwerkelijk het grootste deel van de tijd in de gemeente verblijven.

Als de cliënt kan aantonen dat hij op korte termijn in de gemeente Borne komt wonen, kan -als hij nog niet staat ingeschreven in het BRP- de melding in behandeling worden genomen.

Vreemdelingen zonder verblijfsvergunning hebben geen zorgverzekering en kunnen ook geen zorgverzekering afsluiten. Zij hebben dan ook geen recht op de zorg, voorzieningen en collectieve regelingen die zijn opgenomen in de Zvw, Wlz en Wmo 2015.

Artikel 5.3, vijfde lid

Geen toelichting.

Artikel 5.3, zesde lid, sub a.

Geen toelichting.

Artikel 5.3, zesde lid, sub b.

Meerdere hoofdverblijven

Een woonvoorziening wordt slechts verleend als de cliënt zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waar de voorziening wordt getroffen. In uitzonderingssituaties kan er sprake zijn van twee hoofdverblijven bijvoorbeeld bij kinderen van gescheiden ouders, die in co-ouderschap door beide ouders worden opgevoed. Als kan worden aangetoond, bijvoorbeeld door een ouderschapsplan, dat de cliënt daadwerkelijk de ene helft van de tijd bij de ene ouder woont en de andere helft van de tijd bij de andere ouder kan in die situatie, indien niet anders mogelijk, worden bepaald dat twee woningen aangepast worden. Echter zal de vertrekkende ouder altijd eerst, zo nodig in afstemming met de consulent, moeten onderzoeken of een verhuizing naar een geschikte woning mogelijk is.

Artikel 6, zesde lid, sub c. en sub d.

Bijzondere woonsituaties

In een aantal situaties zal geen sprake zijn van een resultaatsverplichting van de gemeente, omdat in die situaties sprake is van een bijzondere woonsituatie:

  • -

    woningen die niet als zelfstandige woning dienst doen (hotels, pensions);

  • -

    woningen die niet bedoeld zijn voor permanente bewoning (tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen);

  • -

    (een) verhuurde kamer of kamers;

Het treffen van woonvoorzieningen in één van bovenstaande woonvormen is in het kader van de wet niet mogelijk.

Artikel 5.3, zesde lid, sub e.

Verhuizing naar een ongeschikte woning

Er zijn situaties waarbij de cliënt verhuist van een aangepaste en/of geschikte woning naar een woning die minder of helemaal niet is aangepast/geschikt. Dit is een verhuizing van een geschikte naar een niet geschikte woning. De gemeente heeft alleen een verantwoordelijkheid voor het aanpassen van de woning als er voor deze verhuizing een belangrijke reden bestaat en van de cliënt niet verwacht mag worden dat hij of zij zelfredzaam is in het oplossen van het probleem. De gemeente dient bij de berekening van de eventueel te vergoeden kosten een afweging te maken van alle individuele relevante factoren die voor een persoon van belang zijn.

Ook als iemand met (dreigende) beperkingen verhuist vanuit een voor hem of haar ongeschikt huis, dan verwacht de gemeente dat hij of zij deze gelegenheid aangrijpt om naar een geschikte woning te verhuizen. Hierbij wordt ook van de cliënt verwacht dat hij of zij rekening houdt met de toekomst.

Artikel 5.3, zesde lid, sub f.

Algemeen gebruikelijke renovatie van badkamer of keuken

Er worden geen voorzieningen verleend die algemeen gebruikelijk zijn voor de cliënt in kwestie. Dit betekent dat, als er sprake is van renovatie van voorzieningen die technisch of economisch zijn afgeschreven, in beginsel geen voorziening gericht op het wonen zal worden verstrekt. Voor zowel ingezetenen met als zonder beperkingen geldt immers dat voorzieningen na verloop van tijd moeten worden vervangen of aangepast aan de eisen van de tijd. Maar de gemeente moet gaan toetsen of de renovatie financieel gedragen kan worden door iemand met een minimuminkomen, ongeacht of iemand zelf een minimuminkomen heeft. Op basis van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep zullen de meeste badkamer- en keukenrenovaties niet meer zo snel als een algemeen gebruikelijke voorziening kunnen worden aangemerkt.

Artikel 5.3, zevende lid

Beschermd wonen

Bij het ‘beschermd wonen’ gericht op participatie gaat het om de cliënt die een beschermde woonomgeving en toezicht in een instelling nodig heeft, maar voor wie er geen noodzaak is voor opname vanwege een psychiatrische behandeling (beschermd wonen gericht op behandeling is onderdeel van de Zvw).

Het betreft die zorgvrager die vanwege zijn psychische beperkingen op meerdere momenten van de dag begeleiding en toezicht nodig heeft. De zorgverlening moet hem op relevante (onverwachte) momenten ondersteunen bij de oordeelsvorming over essentiële zaken in het dagelijkse bestaan. Hij kan de consequenties van eigen handelen niet overzien. Het mogelijke gevaar kan optreden als gevolg van het ontbreken van voldoende regie en regelvermogen.

Vanwege de psychische problemen is hij niet (altijd) in staat tijdig een zorgverlener op te roepen. Er doen zich dagelijks ongeplande zorgmomenten voor, waarbij de zorgverlener het initiatief moet nemen om op deze momenten de zorg te verlenen. Ook erkent betrokkene niet altijd de behoefte aan zorg, waardoor mogelijk gevaar kan ontstaan. Het wachten op de komst van de zorgverlener als zich ongeplande zorgmomenten voordoen brengt hem niet in levensgevaar.

Het kerndoel van verblijf op basis van ‘beschermd wonen’ is gericht op het creëren van de noodzakelijke voorwaarden om samenhangende zorg te kunnen leveren die in de thuissituatie van de zorgvrager niet adequaat of niet effectief geleverd kan worden. De zorgbehoefte is niet op te lossen met andere (voorliggende) voorzieningen en/of extramurale zorg.

Gemeente Borne kent een aantal woningen met cliënten met een indicatie voor beschermd wonen. Deze cliënten doen een beroep op voorzieningen van de gemeente Borne. Over de uitstroom (als een cliënt vanuit de beschermde woonvorm naar een zelfstandige woning gaat) worden werkafspraken gemaakt met de gemeente Enschede.

Toegang tot Beschermd Wonen

Een beschermende woonomgeving is een veilige en afgeschermde woon- en leefomgeving waar samenhangende zorg wordt geboden aan cliënten die door hun beperkingen niet in staat zijn zelfstandig te wonen en een mogelijk gevaar voor zichzelf of anderen vormen. De bescherming richt zich primair op de persoon zelf, niet op zijn omgeving of de maatschappij.

De toelating tot beschermd wonen wordt beoordeeld in samenspraak met de centrumgemeente Enschede. Om toegang tot deze voorziening te krijgen meldt een cliënt (of zijn begeleider) zich voor een screening bij de gemeente Borne of bij het consulenten beschermd wonen van de gemeente Enschede.

De cliënt dient aan de volgende eisen te voldoen:

  • -

    psychiatrische aandoening én

  • -

    wonen in de regio van de centrumgemeente Enschede of gegronde reden hebben om zich hier aan te melden én

  • -

    behoefte hebben aan beschermende woonsetting.

Om tot een beschermde woonvorm te worden toegelaten moet duidelijk zijn dat mogelijk gevaar bestaat omdat de cliënt:

  • -

    niet in staat is een adequaat oordeel te vormen in het dagelijkse bestaan (er zijn vaak regieproblemen) en/of

  • -

    vaardigheden of remmingen mist om zich staande te houden in een zelfstandige woonomgeving en/of

  • -

    op relevante momenten niet in staat is om hulp in te roepen.

  • -

    Het betreft het niet adequaat kunnen alarmeren vanwege cognitieve, communicatieve en/of motorische beperkingen. Het gaat dan om: inzicht in risico’s, eigen wensen duidelijk kunnen maken, hanteren van alarmeringsapparatuur.

Beschermd Wonen is landelijk toegankelijk. Dit betekent dat ook cliënten uit andere gemeenten dan de regiogemeenten in onze regio gebruik kunnen maken van Beschermd Wonen. Als iemand uit een andere regio zich in onze regio meldt voor Beschermd Wonen is het vanzelfsprekend dat nagegaan wordt welke informatie bij de gemeente/regio van herkomst beschikbaar is.

Voor beschermd wonen gelden de volgende criteria:

Situatie:

  • -

    Cliënt is niet dakloos (anders doorverwijzen naar de maatschappelijke opvang);

  • -

    Cliënt is geen gevaar voor zichzelf of omgeving en bevindt zich niet in een acute psychische crisis (anders doorverwijzen naar GGZ crisisdienst);

  • -

    Cliënt verblijft legaal in Nederland;

  • -

    Cliënt is 18 jaar en ouder;

  • -

    Er is sprake van psychiatrische problematiek (evt. in samenhang met verslaving);

  • -

    Er is geen reclasseringstoezicht;

  • -

    De cliënt is niet al aangemeld bij een aanbieder.

Hulpvraag:

  • -

    Cliënt is niet in staat om een hulpvraag te stellen als hij ondersteuning nodig heeft en heeft ook niemand die dat voor hem/haar kan doen;

  • -

    Cliënt kan de hulpvraag niet > 30 minuten uitstellen;

  • -

    Cliënt heeft begrenzing in gedrag nodig, door agressie of veroorzaken overlast;

  • -

    Er is een hoog risico op decompensatie en complicaties die kunnen leiden tot risicovolle situaties;

  • -

    Heeft zeer beperkte ADL vaardigheden (algemene dagelijkse levensverrichtingen);

  • -

    Heeft moeite met indelen van de dag (beperkte regie en oriëntatie);

  • -

    Tijdsduur hulpvraag is langer dan drie maanden;

  • -

    Aandoening is chronisch, uitzicht op herstel/verbetering is afhankelijk van –gecreëerde- omstandigheden.

Omvang bepalen

De gemeente Enschede bepaalt vanuit haar regierol het (gemiddeld) aantal etmalen per week en de geldigheidsduur van het besluit voor Beschermd Wonen tevens aan de hand van de prognose ten aanzien van de ziekte/aandoening, duur van de beperkingen en de mogelijkheden van de sociale omgeving. Als het een cliënt betreft die door Borne is aangedragen wordt de consulent van Borne hierbij betrokken.

De beschikking op de aanvraag om een maatwerkvoorziening ten behoeve van Beschermd Wonen zoals genoemd in artikel 2.3.5. van de wet, wordt gegeven door de gemeente waar de aanvraag is ingediend. Voor gemeente Borne is dat dus het college van Borne.

Artikel 5.4 Regels voor een persoonsgebonden budget

Eerste tot en met het derde lid

Het pgb-plan

Om in aanmerking te kunnen komen voor een persoonsgebonden budget dient de cliënt hiervoor een ingevuld en ondertekend pgb-plan in te leveren. Dit kan voor of na het gesprek, maar uiterlijk bij het indienen van een aanvraag.

Het pgb-plan omvat de uitwerking van de benodigde zorg en de daarmee samenhangende kosten voor een persoonsgebonden budget. Het pgb-plan moet volledig zijn ingevuld en omschrijven welke zorg er op welk moment nodig is en op welke manier de zelfredzaamheid (daar waar mogelijk) gerealiseerd wordt. Het vergroten van de zelfredzaamheid en participatie is omschreven in concrete resultaten. Door een concrete omschrijving wordt achteraf getoetst of de gestelde doelen worden gerealiseerd.

Tijdens het gesprek krijgt de cliënt alle informatie die nodig is voor het opstellen van het pgb-plan.

Doel van een persoonsgebonden budget

Een persoonsgebonden budget kan een geschikt instrument zijn voor de cliënt om zijn leven naar eigen wensen en behoeften in te vullen.

Een persoonsgebonden budget kan noodzakelijk zijn als:

  • -

    een vaste hulpverlener gewenst is;

  • -

    on-planbare zorg nodig is;

  • -

    de gewenste zorgaanbieder niet is gecontracteerd.

Voorwaarden waaraan voldaan moet worden om een persoonsgebonden budget te kunnen krijgen

  • 1.

    De cliënt dient tijdens het onderzoek een pgb-plan te overhandigen.

  • 2.

    Wanneer bij de aanvraag geen ingevuld en ondertekend pgb-plan aanwezig is, dan wordt de cliënt een hersteltermijn gestuurd (art. 4:5 Algemene wet bestuursrecht) met een laatste termijn om het pgb-plan alsnog in te leveren. Daarbij wordt opgenomen dat wanneer het pgb-plan niet tijdig retour wordt ontvangen, een voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget niet mogelijk is, maar misschien wel in de vorm van zorg in natura. Dit wordt door de consulent beoordeeld.

  • 3.

    Het persoonsgebonden budget dient in Nederland besteed te worden. Er bestaat geen recht op persoonsgebonden budget voor zover het is bestemd voor besteding in het buitenland, tenzij de gemeente hier vooraf expliciet toestemming voor verleent.

  • 4.

    Als de cliënt de maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget geleverd wil hebben moet de cliënt of zijn budgetbeheerder in staat zijn om een pgb-plan te maken en een zorgverleningsovereenkomst af te sluiten met de zorgverlener.

  • 5.

    Het is niet toegestaan om tussenpersonen of belangenbehartigers uit het persoonsgebonden budget te betalen.

  • 6.

    Het persoonsgebonden budget bevat geen vrij besteedbaar deel.

  • 7.

    Een persoonsgebonden budget wordt toegekend onder de voorwaarden dat:

    • a.

      de cliënt naar het oordeel van de gemeente op eigen kracht voldoende in staat is te achten tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, in staat is te achten de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren;

    • b.

      de cliënt zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de maatwerkvoorziening als persoonsgebonden budget wenst geleverd te krijgen;

    • c.

      naar het oordeel van de gemeente is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt.

Een budgetbeheerder is de persoon die het geld van het persoonsgebonden budget beheert en de administratie daarover voert voor de cliënt; dit kan de cliënt zelf zijn.

Pgb-vaardigheid

De gemeente controleert niet alleen of een cliënt aan de voorwaarden van een persoonsgebonden budget voldoet. Zij controleert ook of men met een persoonsgebonden budget kan omgaan. Daarmee willen we voorkomen dat men in de problemen komt. Bijvoorbeeld omdat men niet weet welke zorg een cliënt nodig heeft. Of hoe men goede afspraken maakt met een zorgverlener.

Een cliënt is pgb-vaardig als hij de volgende taken zelf kan verrichten:

  • 1.

    een zorgovereenkomst met een hulpverlener kunnen en durven af (te) sluiten;

  • 2.

    de hulpverlener kunnen en durven aan te spreken over de kwaliteit van de geleverde zorg;

  • 3.

    de hulpverlener kunnen en durven aan te spreken over de gemaakte afspraken; oftewel wordt er gedaan wat er is afgesproken;

  • 4.

    indien nodig vervanging van mijn hulpverlening te regelen; bijvoorbeeld bij ziekte van de hulpverlener;

  • 5.

    de bestedingen uit het persoonsgebonden budget in de gaten kunnen houden (op de website van de Sociale Verzekeringsbank: verder te noemen SVB);

  • 6.

    kunnen onderbouwen welke hulp is betaald vanuit het persoonsgebonden budget;

  • 7.

    beseffen dat er niet meer geld uitgegeven kan worden dan wat er aan persoonsgebonden budget uitgekeerd wordt en dat indien de cliënt meer wil uitgeven hij dat uit eigen middelen moet bekostigen.

Een pgb-vaardigheidstoets in het toekenningsproces zorgt ervoor dat een persoonsgebonden budget bewust en goed gemotiveerd wordt afgegeven of afgewezen. Uit de statistieken blijkt dat slechts vijftig procent van de dossiers van niet pgb-vaardige cliënten als rechtmatig wordt bestempeld. Toets tijdens de aanvraag de cliëntmotivatie en of een persoonsgebonden budget een weloverwogen en onafhankelijke keus is. Goede beheersing van het Nederlands bij de cliënt of vertegenwoordiger dient een voorwaarde te zijn voor toewijzing van een persoonsgebonden budget.

Voorwaarden voor het voeren van het budgetbeheer

  • -

    regie kunnen uitoefenen in de levering van de zorg;

  • -

    zelf kunnen bepalen wie de zorg levert en het moment waarop de zorg geleverd moet worden;

  • -

    ondersteuning kunnen kiezen en inkopen die voor hem passend is. Dat wil zeggen passend bij zijn leefsituatie en leefstijl;

  • -

    Een zorgaanbieder die betaald wordt vanuit het persoonsgebonden budget kan niet optreden als budgetbeheerder.

Weigeringsgronden

In de wet staat dat het college een persoonsgebonden budget kan weigeren (artikel 2.3.6 lid 5):

  • a.

    voor zover de kosten van het betrekken van de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen van derden hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening of;

  • b.

    als het college eerder toepassing heeft gegeven aan artikel 2.3.10, eerste lid, onderdeel a, d en e.

  • Het gaat hier om het herzien of intrekken van een persoonsgebonden budget vanwege:

    • -

      het vertrekken van onjuiste of onvolledige gegevens waarbij de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

    • -

      het niet voldoen aan de aan de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget verbonden voorwaarden;

    • -

      het niet of voor het ander doel gebruiken van het persoonsgebonden budget.

  • Als er een ernstig vermoeden is dat de budgetbeheerder problemen zal hebben met het omgaan met een persoonsgebonden budget wordt overwogen of een persoonsgebonden budget wel de juiste leveringsvorm is voor de maatwerkvoorziening.

Situaties waarbij het risico groot is dat het persoonsgebonden budget niet besteed wordt aan het daarvoor bestemde doel:

  • -

    de budgetbeheerder is handelingsonbekwaam;

  • -

    de budgetbeheerder beschikt niet over voldoende organisatie - en regelvermogen en verantwoordelijkheidsbesef;

  • -

    de budgetbeheerder heeft als gevolg van dementie, een verstandelijke beperking of ernstige psychische problemen onvoldoende inzicht in de situatie;

  • -

    er is sprake van verslavingsproblematiek bij de budgetbeheerder;

  • -

    er is sprake van schuldenproblematiek bij de budgetbeheerder;

  • -

    er is eerder misbruik/fraude gemaakt (van het persoonsgebonden budget) door de budgetbeheerder.

Bovenstaande opsomming is niet limitatief. Er kunnen andere situaties denkbaar zijn waarin het verstrekken van een persoonsgebonden budget ook niet gewenst is.

Deze situaties vereisen altijd een individuele afweging. In deze situaties kan een persoonsgebonden budget worden geweigerd. Om een persoonsgebonden budget af te wijzen op contra-indicaties, moet er enige feitelijke onderbouwing zijn waarop het afwijzingsbesluit is gebaseerd. De onderbouwing wordt in de beschikking vermeld.

De gemeente verstrekt geen persoonsgebonden budget voor zover de melding betrekking heeft op kosten die de cliënt voorafgaand aan de melding heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was.

Hierbij speelt ook eigen kracht een rol. Als blijkt dat de voorziening is aangeschaft, daarna pas de melding plaatsvindt en de cliënt door de aanschaf niet in financiële problemen is gekomen dan is er geen reden om alsnog een persoonsgebonden budget te verstrekken.

Artikel 5.4

Vierde lid

Trekkingsrecht

In de Wmo 2015 is de verplichting opgenomen dat gemeenten persoonsgebonden budgetten uitbetalen in de vorm van trekkingsrecht. Dit houdt in dat de gemeente het persoonsgebonden budget stort op rekening van het Servicecentrum persoonsgebonden budget van de Sociale Verzekeringsbank (SVB). De budgetbeheerder laat via declaraties of facturen aan de SVB weten hoeveel uren ondersteuning zijn geleverd. De SVB zorgt vervolgens voor de uitbetaling aan de zorgverlener.

Om zorg te dragen dat pgb-uitgaven gecontroleerd kunnen worden is het niet mogelijk om met een vast maandloon te werken. Van de zorgverlener wordt verwacht dat hij zijn gewerkte uren/facturen declareert bij de SVB.

De niet bestede pgb-bedragen worden door de SVB na afloop van de verantwoordingsperiode terugbetaald aan de gemeente.

Het is belangrijk dat cliënten vooraf goed weten wat het persoonsgebonden budget inhoudt en welke verantwoordelijkheden zij daarbij hebben. De budgetbeheerder krijgt informatie bij de melding en tijdens het gesprek. Die informatie is nodig voor het opstellen van een pgb-plan en de budgetbeheerder wordt verwezen naar de SVB voor het opstellen van een zorgverlenings-overeenkomst (overeenkomsten met zorgverleners). Daarnaast verzorgt het Servicecentrum persoonsgebonden budget van de SVB voorlichting en ondersteuning aan budgetbeheerders.

De SVB draagt zorg voor de juridische en arbeidsrechtelijke aspecten (rechtmatigheid) van de inhuur van zorgverleners. Voor ondersteuning en eisen ten aanzien van de af te sluiten zorgverleningsovereenkomst verwijst de gemeente naar de SVB.

Verantwoordelijkheden van de budgetbeheerder

De budgetbeheerder is verantwoordelijk voor:

  • a.

    het inkopen van de individuele voorziening, het hulpmiddel of de hulp. In de hoogte van het persoonsgebonden budget zitten ook de eventuele kosten van het verplichte onderhoudscontract voor de voorziening. Het bedrag is een vastgesteld maximaal bedrag van de door de gemeente aanvaarde kosten;

  • b.

    verantwoording afleggen aan de gemeente en de SVB over het persoonsgebonden budget en de kwaliteit van de geleverde maatwerkvoorziening;

  • c.

    degene die ingeschakeld wordt voor hulp is verantwoordelijk voor het doorgeven van loongegevens aan de belastingdienst.

Kwaliteitseisen van dienstverlening

De gemeente stelt als voorwaarde aan de kwaliteit van zorgverlening dat:

  • 1.

    degene die uit het sociaal netwerk begeleiding of zorg verleent, die zorg en begeleiding kan verlenen naar de eisen die in het pgb-plan staan vermeld en dat de kwaliteitseisen overeenkomen met de eisen van de gemeente, waarbij de begeleiding geschikt moet zijn om het gestelde doel te behalen;

  • 2.

    de inzet van deze professionele zorgverleners aantoonbaar effectief en doelmatig is;

  • 3.

    de professionele zorgverleners die door middel van een persoonsgebonden budget betaald worden in het bezit dienen te zijn van een gelijkwaardige kwalificatie als professionele zorgverleners die ZIN bieden.

Nadat de maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget is toegekend, controleert de gemeente de kwaliteit en de dienstverlening die uitgevoerd wordt door middel van het persoonsgebonden budget. Gedurende het jaar kan de gemeente o.a. een steekproef houden bij de budgetbeheerder of de cliënt door bijvoorbeeld een huisbezoek en/of een administratieve controle uit te voeren (rechtmatigheid) en de inhoudelijke zorgverlening en ondersteuningsvraag met de cliënt /budgetbeheerder te bespreken (doelmatigheid).

Als onrechtmatigheden of ondoelmatig gebruik van het persoonsgebonden budget word(t)en geconstateerd kan de gemeente besluiten om voorwaarden te stellen aan voortzetting van het persoonsgebonden budget of het verstrekken van het persoonsgebonden budget te heroverwegen en eventueel in te trekken.

Bij het beoordelen van de kwaliteit weegt de gemeente mee of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt.

Vijfde lid (nadere regels)

Persoonsgebonden budget voor hulpmiddelen en woningaanpassingen

Wanneer de cliënt kiest voor een persoonsgebonden budget krijgt hij na indicatie bij de beschikking een programma van eisen (PvE) waaraan de voorziening moet voldoen. De cliënt kan op basis van dit PvE zelf de voorziening aanschaffen.

Als de cliënt een andere voorziening wil, kan hij daarvoor kiezen onder de voorwaarde dat de voorziening geen (andere) belemmeringen oproept. De voorziening die de cliënt aanschaft moet wel de beperking op hetzelfde niveau compenseren zoals in het PvE wordt gesteld en niet slechts een deel van het probleem oplossen.

Duur van de toekenning

De voorziening in de vorm van persoonsgebonden budget wordt toegekend voor een periode die afhankelijk is van de gebruikelijke levensduur van de voorziening. De periode waarvoor de voorziening wordt toegekend wordt beschreven in de beschikking.

Diensten

Ondersteuning aan de cliënt met een persoonsgebonden budget kan in de volgende vormen worden geboden:

  • -

    huishoudelijke ondersteuning;

  • -

    begeleiding;

  • -

    nachtverzorging;

  • -

    dagbesteding;

  • -

    kortdurend verblijf.

Persoonsgebonden budget voor diensten door een professionele zorgverlener (een zorginstelling of een ZZP’er)

Wanneer de cliënt met de inzet van een persoonsgebonden budget kiest voor de levering van een dienst door een professionele zorgverlener gelden de volgende voorwaarden:

De professionele zorgverlener:

  • 1.

    zorgt voor een ondersteuningsplan waaruit blijkt welke kansen/mogelijkheden en ondersteuningsbehoeften de cliënt heeft en welke voorziening er wordt geboden;

  • 2.

    zorgt ervoor dat de voorziening passend is bij de doelen van de cliënt op basis waarvan de maatwerkvoorziening is afgegeven;

  • 3.

    legt de beoogde doelen (of subdoelen) met de cliënt vast met daarbij de wijze waarop deze doelen behaald worden en binnen welke termijn;

  • 4.

    evalueert tussentijds op basis van het ondersteuningsplan de verleende ondersteuning en stelt de deze waar nodig bij. Indien een evaluatie leidt tot bijstelling wordt dit vastgelegd in het ondersteuningsplan;

  • 5.

    maakt afspraken met de cliënt over de bereikbaarheid;

  • 6.

    draagt zorg voor continuïteit op het gebied van personele inzet en voldoende ondersteuning;

  • 7.

    zorgt ervoor dat de medewerkers de cliënten passend en correct bejegenen;

  • 8.

    brengt de fysieke en sociale veiligheid van cliënten in kaart en houdt daarmee rekening bij de geboden voorziening;

  • 9.

    zorgt ervoor dat de inhoud van de meldcode Huiselijk geweld en (kinder)mishandeling voldoet aan de wettelijk gestelde eisen;

  • 10.

    draagt er zorg voor dat medewerkers op de hoogte zijn van de meldcode en weten hoe zij hier naar moeten handelen;

  • 11.

    en de medewerkers die voor hem werkzaam zijn, verstrekken bij en naar aanleiding van een melding aan de toezichthoudende ambtenaar de gegevens, waaronder begrepen persoonsgegevens, gegevens betreffende de gezondheid en andere bijzondere persoonsgegevens (als bedoeld in de Algemene Verordening Gegevensbescherming) voor zover deze voor het onderzoeken van de melding noodzakelijk zijn;

  • 12.

    is bekend met en handelt conform de Nederlandse wet- en regelgeving, richtlijnen, verdragen en de geldende Verordening maatschappelijke ondersteuning Borne;

  • 13.

    heeft passend beleid ontwikkeld op het gebied van kwaliteitszorg (t.a.v. de te leveren ondersteuning);

  • 14.

    zorgt ervoor dat de uitvoering van het (kwaliteit)beleid wordt getoetst en waar nodig bijgesteld;

  • 15.

    wordt niet onderzocht (lopend onderzoek) door het college van de gemeente Borne of de Inspectie voor de Gezondheidszorg. Tevens mag er geen sprake zijn van een justitiële maatregel. Indien er sprake is van een lopend onderzoek dient toestemming van de gemeente voor het leveren van zorg te worden overlegd bij de aanvraag voor het persoonsgebonden budget;

  • 16.

    staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel waarbij de activiteiten bestaan uit het verlenen van ondersteuning die past binnen de kaders van de te verlenen ondersteuning;

  • 17.

    treft een regeling voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de zorgverlener die voor de gebruikers van belang zijn;

  • 18.

    heeft een toegankelijke klachtenregeling die onafhankelijke afhandeling van klachten garandeert;

  • 19.

    zorgt ervoor dat de cliënt en/of zijn vertegenwoordiger en de mantelzorger op de hoogte zijn van de klachtenregeling;

  • 20.

    neemt eventuele klachten in behandeling en handelt deze tijdig en passend af;

  • 21.

    zorgt ervoor dat hij/zij en/of de aangewezen medewerker vakbekwaam is, dat wil zeggen dat hij/zij beschikt over ervaringen en kwalificaties en/of opleidingen die passend zijn bij de te verrichten activiteiten, complexiteit en aard van de problematiek van de cliënt;

  • 22.

    zorgt ervoor dat hij c.q. de medewerkers zich houden aan de voor hen geldende beroepscode;

  • 23.

    zorgt ervoor dat indien vrijwilligers en/of ervaringsdeskundigen en/of stagiairs worden ingezet zij een aanvulling zijn en begeleid worden door het gekwalificeerde personeelsbestand;

  • 24.

    beschikt over een geldige Verklaring Omtrent Gedrag voor alle personeelsleden (ook vrijwilligers en stagairs) die in contact komen met cliënten. Bij indiensttreding/aanvang van de werkzaamheden mag de VOG niet ouder zijn dan drie maanden. Deze dient elke drie jaar te worden vernieuwd;

  • 25.

    draagt zorgt voor dat medewerkers hun taalgebruik afstemmen op de cliënt. De zorgverlener beheerst minstens de Nederlandse taal in woord en geschrift;

  • 26.

    voert een deugdelijke administratie, waarbij in ieder geval inkomsten, uitgaven, verplichtingen, cliëntdossiers en verantwoording te herleiden zijn naar bron en bestemming;

  • 27.

    zorgt ervoor dat door de cliënt en cliëntvertegenwoordiger geaccordeerde verslagen van evaluatiegesprekken worden vastgelegd en bewaard gedurende de wettelijke termijn voor zorgdossiers (15 jaar na begeleiding), tenzij de cliënt om vernietiging van de persoonsgegevens heeft verzocht.

Steekproefsgewijs controleert de gemeente of de professionele zorgverlener daadwerkelijk aan de gestelde eisen voldoet.

Persoonsgebonden budget voor diensten door inzet door een informele zorgverlener

Onder een informele zorgverlener verstaat de gemeente een persoon, niet zijnde een zzp’er, freelancer, een persoon in dienst van een zorgaanbieder, die ondersteuning levert aan de cliënt. Er is sprake van een arbeidsverhouding tussen de cliënt en de zorgverlener vastgelegd in een arbeidsovereenkomst. Tot informele zorgverleners rekent de gemeente ook partners en familieleden van de cliënt die op basis van het persoonsgebonden budget ondersteuning bieden. Er is hierbij echter geen sprake van een arbeidsverhouding tussen de cliënt en zorgverlener. Bij de vaststelling op er sprake is van een formeel of informeel tarief, geldt dat bloed- en aanverwanten in de 1e of 2e graad van de cliënt worden aangemerkt als informele hulpverlener, ook als zij voldoen aan de criteria van een formele hulpverlener.

Een persoonsgebonden budget is niet mogelijk voor ondersteuning vanuit het sociale netwerk (informele hulp) voor begeleiding complex, dagbesteding complex en kortdurend verblijf met ondersteuning. Voor deze complexe ondersteuningsvormen stelt de gemeente de voorwaarde dat er sprake is van professionele expertise.

Duur van de toekenning

De periode waarvoor de voorziening wordt toegekend zal beschreven worden in de beschikking. Die periode is afhankelijk van de situatie van de cliënt, de mogelijke veranderingen in de situatie en de veranderende ontwikkelingen in het aanbod.

Vervoerskosten

Wanneer medisch onderbouwd is dat het aanvullend openbaar vervoer geen geschikte oplossing biedt, dient beoordeeld te worden of een cliënt in aanmerking komt voor een andere passende vervoersvoorziening. Deze kan bestaan uit een vergoeding voor (rolstoel)taxikosten, kosten voor vervoer met eigen auto, het aanpassen van de eigen auto. Bij de tegemoetkoming is het uitgangspunt dat deze betrekking heeft op vervoersmogelijkheden van maximaal 1500 kilometer per jaar.

Autoaanpassing

Een cliënt komt voor een autoaanpassing in aanmerking als blijkt dat er geen gebruik kan worden gemaakt van het openbaar vervoer en het aanvullend openbaar vervoer en de verstrekking van de autoaanpassing de goedkoopste of enige oplossing is om het vervoersprobleem op te lossen. De maximale hoogte van het persoonsgebonden budget wordt bepaald aan de hand van de laagst uitgebrachte offerte om de noodzakelijke aanpassingen te realiseren.

Persoonsgebonden budget omzetten in zorg in natura (en andersom)

Als in de praktijk blijkt dat een persoonsgebonden budget geen gepaste leveringsvorm is voor de cliënt kan de gemeente ZIN als alternatief aanbieden. De cliënt kan één keer per jaar wisselen tussen het persoonsgebonden budget en een verstrekking in natura (of andersom). Als de cliënt een voorziening in natura (bijv. scootmobiel) omgezet wil zien in een persoonsgebonden budget wordt de voorziening ingenomen en wordt een persoonsgebonden budget verstrekt.

Besteding persoonsgebonden budget in het buitenland

Er bestaat geen recht op persoonsgebonden budget voor zover het is bestemd voor besteding in het buitenland, tenzij het college hiervoor vooraf expliciet toestemming verleent. De cliënt dient uiterlijk 6 weken voor het verblijf in het buitenland om toestemming te vragen bij de gemeente. Als de cliënt niet tijdig aan het verblijf in het buitenland toestemming van de gemeente heeft gekregen, wordt de maatwerkvoorziening ingetrokken en eventueel wordt tot terugvordering overgegaan.

Als het nodig is kan de gemeente extern advies vragen over de wenselijkheid en noodzaak van het verblijf in het buitenland. Bij verleende toestemming dient de hoogte van het persoonsgebonden budget heroverwogen te worden. Een maximale termijn van 13 weken wordt aangehouden als termijn dat in het buitenland verbleven kan worden met een persoonsgebonden budget. Na 13 weken wordt de beslissing voor de maatwerkvoorziening ingetrokken. De eisen uit de wet, verordening en deze beleidsregels gelden ook voor besteding van het persoonsgebonden budget in het buitenland, denk daarbij bijvoorbeeld aan de kwaliteit van dienstverlening en verantwoording van het persoonsgebonden budget.

Artikel 5.6, vierde lid (nadere regels)

De hoogte van het persoonsgebonden budget in het buitenland wordt afgestemd op het land waar de cliënt tijdelijk verblijft.

De hoogte van het persoonsgebonden budget wordt her-berekend aan de hand van de aanvaardbaarheidspercentages zoals genoemd in het Wlz-kompas persoonsgebonden budget van het Zorginstituut Nederland. De hoogte van het persoonsgebonden budget geldt voor materiële en immateriële voorzieningen.

Het recht op persoonsgebonden budget vervalt per definitie als de cliënt geen hoofdverblijf meer heeft in de gemeente Borne.

Artikel 5.5 Onderscheid formele en informele hulp

Eerste tot en met derde lid

Bij het bepalen van de diverse pgb-tarieven wordt uitgegaan van het goedkoopste ZIN-tarief. Koopt men de zorg in bij een officiële organisatie dan geldt 100% van het tarief. Voor een zzp-er geldt 80% van het tarief. Daarbij geldt de voorwaarde dat de zzp-er aan dezelfde kwaliteitseisen voldoet als de zorgorganisatie. Voor informele hulp vanuit het sociale netwerk geldt een tarief van maximaal 125 procent van het laatst vastgestelde minimum uurloon, inclusief vakantiebijslag zoals bedoeld in de Wet minimumloon en minimum vakantiebijslag voor een persoon van 21 jaar of ouder met een 36-urige werkweek. Het vastgestelde pgb-tarief blijft gedurende de looptijd van de beschikking ongewijzigd en wordt niet tussentijds geïndexeerd.

Artikel 5.6 Hoogte persoonsgebonden budget

Eerste lid tot en met het derde lid

Een persoonsgebonden budget:

  • a.

    wordt vastgesteld aan de hand van het gespreksverslag (ondersteuningsplan) dat door de consulent samen met de cliënt wordt opgesteld, en

  • b.

    wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het persoonsgebonden budget toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering, en

  • c.

    bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst compenserende in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening in natura.

De situatie waarin het door de cliënt beoogde aanbod duurder is dan het aanbod van de gemeente betekent niet bij voorbaat dat het persoonsgebonden budget om die reden geheel geweigerd wordt. Cliënten kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door de gemeente voorgestelde aanbod.

Roerende woonvoorzieningen

Voor roerende woonvoorzieningen geldt voor de voorzieningen waarvoor:

  • -

    een contract bestaat tussen de leverancier en de gemeente: de prijs die de gemeente heeft afgesproken met de gecontracteerde leveranciers, eventueel verhoogd met een bedrag voor onderhoud en reparatie;

  • -

    geen contract met een leverancier is afgesloten: de kostprijs op basis van de door de gemeente geaccepteerde offerte, eventueel verhoogd met een bedrag voor onderhoud en reparatie.

  • -

    In het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Borne-staan de pgb-bedragen genoemd.

Hoofdstuk 6. Bijdrage in de kosten

Artikel 6.1 Hoogte bijdrage in de kosten

Op grond van de Wmo 2015 geldt per 1 januari 2021 het abonnementstarief. De gemeente heeft de vrijheid om te bepalen of een deel van de algemene voorzieningen onder het abonnementstarief gaat vallen.

Gemeente Borne heeft besloten om het abonnementstarief niet te laten gelden voor algemene voorzieningen, ook niet als daarbij een duurzame hulpverleningsrelatie wordt aangegaan. Dit is in de verordening vastgelegd.

Bijdrage

Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening. Hiervoor geldt een abonnementstarief van maximaal € 19,00 (tarief 2021) per bijdrageperiode (1 maand) per huishouden.

Voor Maatschappelijke Opvang en Beschermd Wonen gelden andere regels. Voor Beschermd Wonen wordt de hoogte van de eigen bijdrage vastgesteld door het CAK op basis van de persoonlijke gegevens van de cliënt en het geïndiceerde leveringsbudget dat door de gemeente aan het CAK is doorgegeven.

Gezamenlijke huishoudens (meerpersoonshuishoudens) waarin iemand nog niet de AOW-leeftijd heeft bereikt, hoeven in 2021 geen eigen bijdrage te betalen. Dit geldt ongeacht de hoogte van het inkomen en/of vermogen. In het geval dat beide partners in de loop van het jaar de AOW-leeftijd bereiken, dan wordt de eigen bijdrage € 19,00 per maand. Maken meer personen in één huishouden gebruik van Wmo-voorzieningen, dan betalen zij samen € 19,00.

De gemeente bepaalt in 2021 zelf de startdatum van het abonnement (de eigen bijdrage) voor inwoners die gebruik maken van de ondersteuning die onder het abonnementstarief valt.

Gemeente Borne hanteert de datum van beschikking als ingangsdatum voor het abonnementstarief. Het CAK start met innen in de maand volgend op de maand van de startdatum. Alleen bij een startdatum gelegen op de eerste van de maand, wordt wel al de volledige maand geïnd.

Alleen de startdatum van de eerste verstrekking wordt naar het CAK gestuurd. Voor een aanvullende verstrekking wordt geen nieuwe startdatum gestuurd. De gegevensuitwisseling vindt dus niet plaats op toewijzingsniveau (per verstrekking) maar op persoonsniveau. De Wmo-bijdrage (het abonnement) kan ‘aan’ en ‘uit’ gezet worden. In het geval een cliënt gedurende een periode geen ondersteuning (dienst), bijvoorbeeld huishoudelijke ondersteuning, heeft gehad wegens opname ziekenhuis (minimaal 1 maand), dan voor die maand geen eigen bijdrage verschuldigd is? Wel wordt bij de zorgaanbieder nagegaan of de dienst daadwerkelijk tijdelijk is stopgezet.

Artikel 6.2 Kostprijs

Het abonnementstarief is van toepassing op alle verstrekkingen, zolang de cliënt ervan gebruik maakt of kan maken. Uitzonderingen hierop zijn hulpmiddelen en woningaanpassingen, daarvoor geldt de kostprijs als maximum eigen bijdrage.

Kostprijsbewaking voor hulpmiddelen en woningaanpassingen (verstrekt in eigendom en bruikleen) vindt centraal bij het CAK plaats:

  • -

    Het CAK stopt niet bij het bereiken van de kostprijs maar signaleert vooraf aan de gemeente. De gemeente kan vervolgens beslissen om de eigen bijdrage te stoppen;

  • -

    Het CAK bewaakt de kostprijs van hulpmiddelen en woningaanpassingen;

  • -

    Alleen de langst lopende kostprijs wordt aangeleverd bij het CAK. Om die te kunnen bepalen moet de gemeente de virtuele einddatum van de kostprijs per verstrekking berekenen.

  • -

    Het rapporteren/signaleren van aflopende kostprijzen verloopt niet via iWmo berichtenverkeer;

  • -

    Het nationaal tarief (geldend bij de startdatum) wordt gebruikt in de berekening voor (looptijd) kostprijsbewaking;

  • -

    Het CAK bouwt de kostprijs af tegen nationaal tarief;

  • -

    Als de gemeente een stopbericht heeft gestuurd worden (rest)bedragen minder dan € 19,00 niet gefactureerd;

  • -

    Voorzieningen verstrekt in bruikleen met een maandbedrag van meer dan € 19,00 kunnen de kostprijs niet overschrijden en daarmee wordt de kostprijs niet meegegeven in het berichtenverkeer. Voor huur en leaseconstructies met een kostprijs van minder dan € 19,00 per maand kunnen gemeenten een fictieve kostprijs (bijvoorbeeld gebaseerd op de marktwaarde) doorgeven aan het CAK;

  • -

    De afbouw van kostprijs vindt ook plaats als de cliënt is vrijgesteld van het betalen van de eigen bijdrage;

De eigen bijdrage wordt beëindigd als de termijn van de toekenning is afgelopen of de toekenning wordt beëindigd.

Artikel 6.3 Ritbijdrage en opstaptarief

Dit artikel bepaalt dat de cliënt wel een ritbijdrage en een opstaptarief verschuldigd is. De hoogte van de ritbijdrage is gebaseerd op het reguliere OV-tarief die een ieder verschuldigd is ongeacht het hebben van beperkingen. De bedragen liggen vast in het Financieel besluit.

Hoofdstuk 7. Herziening, intrekking, misbruik en niet-gebruik van een maatwerkvoorziening

Artikel 7.1 Bestrijding oneigenlijk gebruik, misbruik en niet-gebruik van een voorziening

Artikel 7.1 van de Verordening beschrijft de mogelijkheden die de gemeente heeft ter voorkoming en bestrijding van fraude.

Bij het voorkomen van fraude staat de voorlichting aan de cliënt centraal. Deze moet vooraf weten wat zijn of haar rechten en plichten zijn en wat de consequenties zijn bij het overtreden van de regels. In de aanpak van fraudepreventie maakt gemeente Borne gebruik van de principes van het hoogwaardig handhaven:

  • -

    Vroegtijdig informeren: hierbij is een belangrijke rol weggelegd voor de consulenten. De consulenten informeren cliënten vroegtijdig over hun rechten en plichten;

  • -

    Vroegtijdig detecteren en afhandelen: de consulenten zijn ook alert op fraudesignalen. Bij twijfels over de rechtmatigheid, organiseren zij een huisbezoek; dit doet een beroep op de professionaliteit van het consulenten. Intercollegiaal overleg over het bepalen van de te nemen stappen vindt zo nodig plaats.

  • -

    Optimaliseren van de dienstverlening: bij de inrichting van de werkprocessen wordt ook gekeken naar het effect van de werkprocessen op de bereidheid van cliënten om de regels na te leven.

Daadwerkelijk sanctioneren: gemeente Borne gaat er van uit dat de voorzieningen op rechtmatige wijze worden ingezet en verantwoord worden. Zodra er signalen zijn over onrechtmatig gebruik, wordt de nodige expertise ingezet binnen de gemeente om nader onderzoek te doen. De gemeente hanteert een krachtige consequent sanctiebeleid en een effectief opsporingsbeleid.

Deze principes worden in samenhang uitgevoerd, zo kunnen ze elkaar versterken. Er is aandacht voor bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van individuele maatwerk voorzieningen. Van de cliënt wordt verwacht dat zij mededeling doet van wijzigingen in hun omstandigheden waarvan redelijkerwijs is in te schatten dat deze consequenties heeft voor de verstrekte voorziening. Ook wordt verwacht dat de cliënt meewerkt aan onderzoek in geval van (vermoedens van) onrechtmatigheden.

Voor wat betreft de beheersing van de risico’s zijn onder andere goede voorlichting/ communicatie, onderlinge samenwerking, eenduidige werkwijze en het persoonsgebonden budget-trekkingsrecht belangrijke maatregelen.

Voor alle medewerkers van gemeente Borne geldt dat zij zich aan de wet moeten houden. Zodra er fraude geconstateerd wordt, moet daar op ingegrepen worden. Dit verwachten we ook van de consulenten. Dit vertaalt zich er in eerste instantie in dat de consulent bij (vermoedens van) fraude met de betrokken cliënt in gesprek gaat. De cliënt heeft de plicht dit te melden bij de betrokken instantie. Wanneer aan deze oproep geen gehoor wordt gegeven zal de betreffende medewerker hiervan zelf melding moeten maken. In uitzonderlijke gevallen kan een uitzondering worden gemaakt. Dit wordt dan opgeschaald naar het college.

Artikel 7.2 Verrekening

Dit artikel regelt de bevoegdheid van het college om te verrekenen.

Hoofdstuk 8. Afstemming met andere voorzieningen

Artikel 8.1 Afstemming met gezondheidszorg

Zie hetgeen vermeld staat bij artikel 5.1, eerste en tweede lid, sub g.

Artikel 8.2. Veilig Thuis

Zie hetgeen vermeld staat bij artikel 5.1, eerste en tweede lid, sub g.

Artikel 8.3 Afstemming met jeugdhulp

Zie hetgeen vermeld staat bij artikel 5.1, eerste en tweede lid, sub g.

Artikel 8.4 Afstemming met voorzieningen werk en inkomen

Zie hetgeen vermeld staat bij artikel 5.1, eerste en tweede lid, sub g.

Hoofdstuk 9. Waarborgen verhouding prijs en kwaliteit

Artikel 9.1 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning

Eerste lid

Geen toelichting.

Tweede lid (nadere regels)

  • 1.

    De gecontracteerde aanbieder voldoet aan de kwaliteitseisen voortvloeiend uit de van toepassing zijnde wet- en regelgeving, waaronder de Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling;

  • 2.

    De gecontracteerde aanbieder draagt er zorg voor dat de cliënt laagdrempelig en thuis of op een locatie zo dicht mogelijk bij waar de cliënt woont wordt behandeld of begeleid;

  • 3.

    De gecontracteerde aanbieder werkt met de informatiestandaard in de Zorg en ondersteuning via Vecozo/Gegevensknooppunt en verstrekt daarbij ‘start zorg’- en ‘stop zorgberichten’;

  • 4.

    Voor het in te zetten personeel wordt door de gecontracteerde aanbieder de van toepassing zijnde CAO gehanteerd. Dit personeel beschikt over de gangbare competenties en vaardigheden, die in overeenstemming zijn met de in de branche vastgestelde basisprofielen;

  • 5.

    De gecontracteerde aanbieder is wettelijk verplicht is een cliëntenraad te hebben, is cliëntparticipatie bij de aanbieder ingebed in het beleidsproces;

  • 6.

    De gecontracteerde aanbieder beschikt over een vastgestelde klachten- en medezeggenschapsregeling. Op verzoek van de gemeente kunnen hierover rapportages worden opgevraagd;

  • 7.

    De gecontracteerde aanbieder stelt de uitkomsten van door haar gehouden klanttevredenheidsonderzoeken, en het jaarverslag van de aanbieder openbaar beschikbaar via haar website;

  • 8.

    Indien de Verwijzing opgestart wordt door een andere Verwijzer dan de Gemeente/consulent, dan brengt de gecontracteerde aanbieder Gemeente binnen een maand hiervan op de hoogte.

Derde lid

Geen toelichting.

Artikel 9.2 Verhouding prijs en kwaliteit voorziening door derden

Geen toelichting.

Artikel 9.3 Meldingsregeling calamiteiten en geweld

Geen toelichting.

Hoofdstuk 10. Waardering mantelzorgers

Artikel 10.1 Jaarlijkse waardering mantelzorgers

Eerste lid

Geen toelichting.

Tweede lid (nadere regels)

Het college bepaalt jaarlijks de invulling van de activiteit die als waardering voor mantelzorgers wordt geboden.

Hoofdstuk 11. Klachten en medezeggenschap

Artikel 11.1 Klachtregeling

Geen toelichting.

Artikel 11.2 Medezeggenschap

Geen toelichting.

Artikel 11.3 Betrekken van ingezetenen bij het beleid

Geen toelichting.

Hoofdstuk 12. Overgangsbepalingen

Artikel 12.1 Evaluatie

Geen toelichting.

Artikel 12.2 Geen bepalingen

Geen toelichting.

Artikel 12.3 Hardheidsclausule

Geen toelichting.

Artikel 12.4 Overgangsbepalingen

Geen toelichting.

Artikel 12.5 Intrekking oude verordening en overgangsrecht

Geen toelichting.

Artikel 12.6 Inwerkingtreding en citeertitel

Deze nadere regels en beleidsregels worden aangehaald als:

Nadere regels en Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Borne 2021

Nadere regels en Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Borne 2021 treden in werking met ingang van 1 april 2021.

Ondertekening

Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Borne in zijn vergadering van 30 maart 2021,

Het college van burgemeester en wethouders van Borne,

de secretaris,

de burgemeester,

Bijlage 1 Ervaren Druk door Informele Zorg

Bijlage 2 behorend bij artikel 5.1, eerste en tweede lid, sub d. Voorbeelden algemeen gebruikelijke voorzieningen

Hieronder volgen enkele voorbeelden van voorzieningen die als algemeen gebruikelijk beschouwd kunnen worden (dit is geen uitputtende opsomming):

Voorziening

Toelichting

Fiets

Zie memorie van toelichting Wmo 2015 (kamerstuk 33 841) pag. 148

Schoonmaakmiddelen

Zie memorie van toelichting Wmo 2015 (kamerstuk 33 841) pag. 148

Wandelstok

Zie memorie van toelichting Wmo 2015 (kamerstuk 33 841) pag. 148

Eenvoudige rollator

Zie memorie van toelichting Wmo 2015 (kamerstuk 33 841) pag. 148

Stalling driewielfiets

ECLI:NL:CRVB:2011:BT2789

Bakfiets

ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ5651

Aanrechtblad

ECLI:NL:CRVB:2008:BD6234

Hendelmengkraan

Rechtbank ’s-Hertogenbosch 5-11-2012, nr. AWB12/496

Keukenapparatuur

Rechtbank Gelderland 19-7-2016, nr. 15/5214

Vervanging van stoffen meubilair door glad meubilair

ECLI:NL:CRVB:2017:3574

Stofzuiger met HEPA-filter

ECLI:NL:CRVB:2017:3574

Tandem

ECLI:NL:RBMNE:2013:7402

Tandem met hulpmotor

ECLI:NL:CRVB:2005:AU4217 Schulinck zegt hierover:

‘Het is de vraag of deze jurisprudentie stand zal houden met de meeste recente criteria die de CRVB heeft gesteld aan het algemeen gebruikelijk zijn van een voorziening. Vooral een tandem met hulpmotor is kostbaar en zal dus niet zomaar gedragen kunnen worden met een inkomen op minimumniveau.’

Snorfiets/bromfiets/Spartamet

CRvB 17-12-1996, nr. 95/7818 WVG

Fiets met trapondersteuning en lage instap

ECLI:NL:CRVB:2009:BK5657

ECLI:NL:CRVB:2005:AT8647

Fiets met trapondersteuning

ECLI:NL:CRVB:2010:BN1265 Schulinck zegt hierover:

‘Met de aangescherpte criteria kan de vraag rijzen of een elektrische fiets wel financieel draagbaar is met een inkomen op minimumniveau. De auteurs van Schulinck verwachten dat de CRVB zal oordelen van wel en dat een fiets met trapondersteuning derhalve nog steeds algemeen gebruikelijk zal worden geacht (behalve wanneer het gaat om een fiets met extra zware hulpmotor). Het is afwachten hoe de jurisprudentie zich verder zal gaan ontwikkelen op dit punt.’

Maaltijdservice, mits deze daadwerkelijk beschikbaar is en een passende bijdrage levert

ECLI:NL:CRVB:2018:2182

ECLI:NL:CRVB:2014:82

ECLI:NL:CRVB:2012:BY2147

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1178

ECLI:NL:CRVB:2011:BR6634

Kreuk-/strijkvrije kleding

Rechtbank Oost-Brabant 26-2-2014, nr. SHE 13/2847

Boodschappendienst, mits deze daadwerkelijk beschikbaar is en een passende bijdrage levert.

ECLI:N:CRVB:2019:3690

ECLI:NL:CRVB:2019:397

ECLI:NL:CRVB:2017:1302

Vaatwasser, Condensdroger

ECLI:NL:CRVB:2005:AT8015

Hierbij werden wel de oude criteria gehanteerd. Omdat de cliënt meer dan met minimumloon verdiende, was de condensdroger algemeen gebruikelijk.

een losse douchestoel

In de nieuwsbrief jurisprudentie 2019/14 van Schulinck wordt de uitspraak van de CRVB van 22 mei 2019 over de afwijzing van een douchestoel en het verwijderen van een douchedrempel besproken ( HYPERLINK "https://www.gripopwmo.nl/jurisprudentie/uitspraak-ongekoppeld/162698" CRVB 22-5-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1691). Hierbij gingen we ervan uit dat de CRVB in deze uitspraak de rechtbank Rotterdam en het college volgt in het standpunt dat een losse douchestoel algemeen gebruikelijk is.

Inhoudelijk oordeel CRVB ontbreekt

Uit nadere bestudering van de uitspraak is echter gebleken dat de CRVB de aangevallen uitspraak weliswaar bevestigt, maar hierbij inhoudelijk niet oordeelt over de vraag of een losse douchestoel algemeen gebruikelijk is. Dit komt doordat de cliënt niet de juiste hoger beroepsgronden heeft ingebracht.

De noot is daarom aangepast op dit punt. Zie voor de juiste versie van de noot: CRVB 22-5-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1691. Ongewijzigd is de bespreking of een losse douchestoel voldoet aan de criteria die de CRVB eerder heeft vastgesteld om te kunnen beoordelen of een voorziening algemeen gebruikelijk is. De verwachting van de redactie van Schulinck is dat dit niet zo is. Maar een oordeel van de CRVB hierover ontbreekt dus nog.

Zonwering:

Kan zonwering onder de compensatieplicht van de Wmo 2015 vallen?

Ja, maar alleen als dit noodzakelijk is om de beperkingen van cliënt te compenseren. Er moet dus wel sprake zijn van beperkingen bij het normale gebruik van de woning. Als de zonwering alleen prettiger is, maar niet noodzakelijk, valt deze niet onder de compensatieplicht. Indien blijkt dat er een noodzaak bestaat, betekent dit nog niet dat het college gehouden is een voorziening te verstrekken. Het is namelijk de vraag of de zonwering die noodzakelijk is, algemeen gebruikelijk is.

Met het criterium algemeen gebruikelijk wordt volgens de CRVB beoogd te voorkomen dat het college een voorziening verstrekt waarvan, gelet op de omstandigheden van betrokken gehandicapte, aannemelijk is te achten dat deze daarover, ook als hij of zij niet gehandicapt was, zou (hebben kunnen) beschikken (zie o.a. CRVB 03-07-2001, nr. 00/764 WVG, CRVB 16-04-2008, nr. 06/4668 WVG, CRVB 14-07-2010, nr. 09/562 WVG en Rechtbank Arnhem 16-08-2012, nr. AWB 11/5564).

Normale standaard gangbare zonwering (zoals (rol)gordijnen, luxaflex, lamellen e.d.) is in principe algemeen gebruikelijk. Indien dit een compenserende voorziening is, dan hoeft het college niets te verstrekken. Speciale zonwering zal echter niet algemeen gebruikelijk zijn.

Bijlage 3. Normenkader Huishoudelijke ondersteuning

Basismodule

De basismodule huishoudelijke ondersteuning bestaat uit basis schoonmaakactiviteiten en incidentele schoonmaakactiviteiten per bewoonde woonruimte gericht op het resultaat “leefbaar huishouden”. De module heeft betrekking op de elementaire woonruimten (woonkamer, slaapkamer, keuken, toilet, natte cel, hal) die nodig zijn voor het normale gebruik van de woning én die daadwerkelijk dagelijks in gebruik zijn. Per woonruimte wordt aangegeven welke activiteiten er met welke frequentie per ruimte moeten worden verricht en wat de benodigde tijd is om het resultaat leefbaar huishouden te realiseren. De grootte van het huis is geen aanleiding om meer hulp toe te kennen. Dit geldt ook voor veel meubels of beeldjes/ fotolijstjes of huisdieren, etc. In basis is dit een eigen keuze tenzij het persoonskenmerken betreft (bijvoorbeeld als het huisdier een functie heeft ten aanzien van participatie).

In de normering en tabellen is onderscheid gemaakt tussen reguliere en incidentele activiteiten (tabel 1 en 2). Beide vallen onder de basismodule. De basismodule bedraagt maximaal 105 uur op jaarbasis.

Als eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp en mantelzorg of vrijwilligershulp geen of onvoldoende oplossing bieden, kan de gemeente ondersteuning bieden. Het resultaat van de ondersteuning is een leefbaar huis. Dit betekent niet dat alle vertrekken wekelijks schoongemaakt moeten worden. Het betekent dat het huis niet vervuild is en periodiek wordt schoongemaakt om zo een algemeen aanvaard basisniveau van leefbaarheid te realiseren.

Tabel 1: Basismodule huishoudelijke ondersteuning reguliere basisactiviteiten op grond van het HHM- onderzoek d.d. 10 februari 2017

Woonruimte

Basisactiviteit

Frequentie/norm

Tijdbesteding in minuten

Woonkamer

Stof afnemen hoog

1x per 2 weken

3,70

Stof afnemen midden

1x per week

8,20

Stof afnemen laag

1x per week

4,30

Opruimen

1x per week

4,10

Stofzuigen

1x per week

8,50

Dweilen

1x per 2 weken

6,30

Slaapkamer

Stof afnemen hoog

1x per 6 weken

2,20

Stof afnemen midden

1x per week

3,90

Stof afnemen laag

1x per week

2,40

Opruimen

1x per week

2,10

Stofzuigen

1x per week

4,60

Dweilen

1x per 4 weken

3,60

Bed verschonen

1x per 2 weken

8,30

Keuken

Stofzuigen

1x per week

3,10

Dweilen

1x per week

3,10

Keukenblok (buitenzijde) inclusief tegelwand, kookplaat, spoelbak, koelkast, eventueel tafel

1x per week

9,70

Keukenapparatuur (buitenzijde)

1x per week

3,00

Afval opruimen

1x per week

4,70

Sanitair

Badkamer schoonmaken

1x per week

11,70

Toilet schoonmaken

1x per week

6,20

Hal

Stof afnemen hoog

1x per week

2,00

Stof afnemen midden

1x per week

2,30

Stof afnemen laag

1x per week

1,30

Stofzuigen

1x per week

3,00

Trap stofzuigen

1x per week

3,20

Dweilen

1x per 2 weken

2,40

Afstemming/

sociaal contact

Aankomst, vertrek, evt. afstemming derden, contact cliënt

1x per bezoek

21,90

Tabel 2: Basismodule huishoudelijke ondersteuning incidentiele activiteiten op grond van het HHM- onderzoek

Woonruimte

Incidentele activiteit

Frequentie/norm

Tijdbesteding in minuten

Woonkamer

Gordijnen wassen

1x per jaar

20,00

Reinigen lamellen/luxaflex

2x per jaar

1,10

Ramen binnenzijde

4x per jaar

12,00

Deuren/deurposten nat afdoen

1x per 8 weken

1,40

Meubels afnemen (droog/nat)

1x per 8 weken

5,80

Radiatoren afnemen

2x per jaar

2,40

Slaapkamer

Gordijnen wassen

1x per jaar

16,80

Reinigen lamellen/luxaflex

2x per jaar

44,60

Ramen binnenzijde

4x per jaar

8,90

Deuren/deurposten nat afdoen

2x per jaar

1,60

Radiatoren afnemen

2x per jaar

0,60

Keuken

Gordijnen wassen

1x per jaar

10,00

Reinigen lamellen/luxaflex

3x per jaar

15,00

Ramen binnenzijde

4x per jaar

5,40

Deuren/deurposten nat afdoen

1x per 8 weken

1,90

Radiatoren afnemen

3x per jaar

1,10

Keukenkastjes (binnenzijde)

2x per jaar

5,70

Koelkast (binnenzijde)

3x per jaar

5,40

Oven/magnetron (binnenzijde)

4x per jaar

3,40

Vriezer los reinigen binnenzijde (ontdooid)

1x per jaar

5,70

Afzuigkap reinigen (binnenzijde) - vaatwasser bestendig

2x per jaar

2,00

Afzuigkap reinigen (binnenzijde) - niet vaatwasser bestendig

2x per jaar

0,60

Bovenkant keukenkastjes

1x per 6 weken

3,30

Tegelwand (los van keukenblok)

2x per jaar

2,20

Sanitair

Radiatoren afnemen

2x per jaar

1,30

Tegelwand badkamer afnemen

4x per jaar

4,10

Gordijnen wassen

1x per jaar

5,00

Ramen binnenzijde

4x per jaar

0,80

Reinigen lamellen/luxaflex

3x per jaar

15,00

Hal

Radiator afnemen

2x per jaar

0,60

Deuren/deurposten nat afdoen

2x per jaar

3,00

Module Extra hygiëne

Deze module kan worden ingezet als een persoon vanwege objectiveerbare (medische/fysieke) belemmeringen onvoldoende resultaat kan bereiken met de basismodule. Aanleiding voor de inzet van deze aanvullende module kan zijn:

  • -

    medische beperkingen waardoor een meer dan gebruikelijke hygiëne noodzakelijk is;

  • -

    medische/fysieke beperkingen die leiden tot een snellere vervuiling van het huis.

De extra noodzakelijke huishoudelijke ondersteuning dient een medische/fysieke oorzaak te hebben, die aantoonbaar is. Voorbeelden hiervan zijn (niet limitatief) ernstige klachten ten gevolge van COPD, medisch geobjectiveerde allergie voor huisstofmijt of een hogere vervuilingsgraad door gebruik van noodzakelijke hulpmiddelen.

De module Extra hygiëne is qua activiteiten gelijk aan de basismodule. Alleen de frequentie van (enkele van) de activiteiten verschilt met de basismodule. De module Extra hygiëne kan worden ingezet wanneer uit onderzoek door de consulent van de gemeente vanwege een objectiveerbare beperking van de persoon blijkt dat de ondersteuning bij het huishouden die de persoon nodig heeft de basismodule overstijgt en wanneer er sprake is van een van bovenstaande redenen waardoor extra hygiëne in het huishouden noodzakelijk is. Bij de module Extra hygiëne is geen vaste frequentie te noemen bij huishoudelijke activiteiten. Dit omdat dit per persoon verschillend kan zijn. De consulent beschrijft in het verslag welke specifieke activiteiten, in welke ruimte met welke frequentie, moeten worden verricht bij de persoon.

Bij de module Extra hygiëne wordt onderscheid gemaakt tussen licht en zwaar huishoudelijk werk aan de hand van de desbetreffende activiteiten. Het is mogelijk dat de persoon extra ondersteuning nodig heeft bij zowel het licht als zwaar huishoudelijk werk, maar het is ook mogelijk dat dit bij een van beide noodzakelijk is. De maximale omvang van de module Extra hygiëne is 90 minuten per week, of maximaal 78 uren per jaar. In tabel 3 zijn de activiteiten voor de module Extra hygiëne opgenomen.

Tabel 3: Overzicht activiteiten module Extra hygiëne op grond van de normen uit het CIZ protocol

Activiteiten

Tijdbesteding in minuten per week

Licht huishoudelijk werk

30 minuten

Zwaar huishoudelijk werk

60 minuten

Module Wasverzorging

Ondersteuning ten behoeve van deze module wordt geboden als een persoon een belemmering heeft bij het op orde en schoon houden van de kleding en het linnen- en/of beddengoed. Het doel van dit resultaat is de beschikking hebben over schone en draagbare kleding en linnen- en/of beddengoed.

Verwacht mag worden dat de bewoner beschikt over een wasmachine en zoveel mogelijk strijkvrije kleding. Het voorkomen van extra was kan bijvoorbeeld door incontinentiemateriaal of anti-allergieproducten te gebruiken. Ook de aanschaf van een droger of het kopen van kleding die niet gestreken hoeft te worden kan bijdragen aan het voorkomen van extra waswerkzaamheden. Deze opsomming is niet limitatief. Dat betekent dat er ook andere dingen gevraagd kunnen worden, ter voorkoming van extra was. Er wordt door de gemeente nooit tijd geïndiceerd om het bedden- en linnengoed te strijken.

Extra tijd voor strijken wordt in principe niet toegekend, maar alleen als het dragen van gestreken bovenkleding om medische redenen nodig is en iemand zelf daar niet voor kan (laten) zorgen. Het uitgangspunt hierbij is dat de cliënt zorgt voor strijkvrije kleding. Als er sprake is van huisgenoten is strijken over het algemeen gebruikelijke hulp.

De vaststelling van de inhoud van de module vindt plaats door een individuele weging met afstemming op de individuele situatie. De module is aanvullend op de basismodule. In tabel 4 zijn de activiteiten voor de module Wasverzorging opgenomen. De indicaties worden afgerond ten gunste van de persoon afgerond op 5 minuten. Bijvoorbeeld een indicatie van 11 minuten wordt afgerond naar 15 minuten.

Tabel 4: Overzicht activiteiten module Wasverzorging op grond van de normen uit het HHM onderzoek

Activiteiten

Frequentie

Aantal personen

Maximale tijds besteding in minuten per week

Wasgoed sorteren en wassen in wasmachine

1 x per week

Eenpersoons

07:24

Meerpersoons

09.15

Wasgoed ophangen en afhalen

1 x per week

Eenpersoons

13:24

Meerpersoons

16:45

Wasgoed drogen in de droger

1 x per week

Eenpersoons

09:48

Meerpersoons

12:15

Wasgoed vouwen en opbergen

1 x per week

Eenpersoons

15:00

Meerpersoons

18:45

Wasgoed strijken (bovenkleding)

(Wordt uitsluitend toegekend indien gestreken bovenkleding om medische redenen nodig is en iemand daar niet zelf voor kan (laten) zorgen).

1 x per week

Eenpersoons

19:48

Meerpersoons

19:48

Naast deze activiteiten zijn er ook nog factoren waardoor meer hulp bij de wasverzorging noodzakelijk kan zijn. Hierbij kan gedacht worden aan:

  • 1.

    Thuiswonende kind(eren) jonger dan 16 jaar;

  • 2.

    Bedlegerige personen;

  • 3.

    Extra bewassing in verband met overmatige transpiratie, incontinentie, speekselverlies, etc.

Als sprake is van bovenstaande factoren dan kan aanvullend op de module Wasverzorging extra ondersteuning van 30 minuten per factor per week worden ingezet.

Module Regie

Deze module wordt ingezet wanneer de persoon niet in staat is tot regie en planning van de werkzaamheden met betrekking tot het organiseren van huishoudelijke taken. Behalve dat er huishoudelijke taken moeten worden overgenomen, heeft de hulp, aansturende en regietaken. Daarbij geldt voor de hulp een extra verantwoordelijkheid bij het signaleren van ongewenste situaties of toenemende kwetsbaarheid bij persoon. Ook kan ondersteuning (al dan niet aan de gezonde partner) bestaan uit het helpen handhaven, verkrijgen of herkrijgen van structuur in het huishouden.

Het doel van het voeren van de regie over het huishouden is, naast een leefbaar huishouden, ook het ondersteunen bij het organiseren van het huishouden. Het overnemen van de regie over het huishouden kan noodzakelijk zijn als in redelijkheid niet meer van persoon verwacht kan worden dat hij zelfstandig beslissingen neemt bijvoorbeeld bij een terminale situatie of als disfunctioneren dreigt ten gevolge van dementie. Dat kan zich uiten in vervuiling (van de woning of kleding), verwaarlozing (eten en drinken) of ontreddering van zichzelf of van afhankelijke huisgenoten waardoor het functioneren in huis maar ook buitenshuis belemmerd wordt. De hulp dient bij het uitoefenen van de ondersteuning zoveel mogelijk de persoon te betrekken bij het maken van keuzes. Daarbij dient aangesloten te worden bij de capaciteiten, intellectuele vaardigheden en leervermogen van de persoon. Bij een deel van deze groep zal geen sprake zijn van ontwikkelingsmogelijkheden, eerder van afnemende zelfredzaamheid. Bewaken of het nog verantwoord is dat persoon zelfstandig woont, is daarom onderdeel van deze module.

De resultaten uit deze module krijgen vorm door een gespecialiseerde hulp in te zetten. De vaststelling van deze module vindt plaats in een individuele weging en wordt afgestemd op de individuele situatie. In tabel 5 zijn de activiteiten voor de module Regie opgenomen.

Tabel 5: Overzicht activiteiten module Regie op grond van de normen uit het CIZ protocol

Activiteiten

Tijdbesteding in minuten per week

Organisatie van huishoudelijke taken

30 minuten

Plannen en beheren van middelen m.b.t. het huishouden

30 minuten

Naast deze activiteiten zijn er ook nog factoren waardoor meer hulp noodzakelijk kan zijn bij het voeren van de regie/organiseren van het huishouden. Hierbij kan gedacht worden aan (meerdere opties mogelijk):

  • 1.

    Thuiswonende kinderen jonger dan 16 jaar

  • 2.

    Psychogeriatrische problematiek en/of gedragsproblematiek

  • 3.

    Communicatieproblemen als gevolg van beperkingen, niet door het niet machtig zijn van de Nederlandse taal.

Als sprake is van bovenstaande factoren dan kan aanvullend op de module Regie extra ondersteuning van 30 minuten per factor per week worden ingezet. Daarnaast is het mogelijk dat de persoon extra ondersteuning nodig heeft bij advies, instructie en voorlichting gericht op een of meerdere activiteiten in het huishouden voor de maximale duur van zes weken. Hiervoor gelden de volgende activiteiten (tabel 6).

Tabel 6: Overzicht activiteiten sub-module instructie op grond van de normen uit het CIZ protocol

Activiteiten

Tijdbesteding in minuten per week

Instructie omgaan met (technische) hulpmiddelen

30 minuten

Instructie huishoudelijke taken; boodschappen doen, maaltijd bereiden, het licht en zwaar huishoudelijke werk, de was-verzorging en de dagelijkse organisatie van het huishouden

30 minuten (maximaal 90 minuten per week en dit komt bovenop de normtijd die geldt voor overnemen van de activiteit)

Module Maaltijden

Deze module bestaat uit activiteiten die moeten worden verricht om het resultaat “beschikken over benodigde dagelijkse maaltijden” te bereiken. De persoon is niet in staat op eigen kracht of met behulp van zijn netwerk dit resultaat te behalen.

Sinds 1 januari 2015 valt ondersteuning bij de maaltijden gedeeltelijk onder de Wmo 2015. Het (voor)bereiden van maaltijden en het eventueel begeleiden (stimuleren of herinneren) bij de maaltijden vallen onder de Wmo 2015. Als de persoon niet zelfstandig eten en drinken kan nuttigen, dat wil zeggen in zijn mond kan stoppen, of wanneer er een medische noodzaak is voor de maaltijdondersteuning (denk hierbij bijvoorbeeld aan de noodzaak van bijvoeding in verband met ernstige ondervoeding) valt de hulp of het toezicht die de persoon hierbij nodig heeft onder de Zorgverzekeringswet (Zvw).

De vaststelling van de inhoud van de module vindt plaats door een individuele weging met afstemming op de individuele situatie. De module is aanvullend op het basispakket. In tabel 7 zijn de activiteiten voor de module Maaltijden opgenomen.

Tabel 7: Overzicht activiteiten maatwerkmodule Maaltijden op grond van de normen uit het CIZ protocol

Activiteiten

Frequentie

Tijdbesteding in minuten per maaltijd

Broodmaaltijd bereiden (smeren)

Maximaal twee

Broodmaaltijd klaar zetten, tafel dekken

keer per dag

15 minuten

Koffie/thee zetten

Afwassen of in/uitruimen vaatwasmachine

Warme maaltijd bereiden, koken of opwarmen

Maximaal één keer per dag

15 minuten (opwarmen)

30 minuten (koken)

Warme maaltijd klaar zetten, tafel dekken

Koffie/thee zetten

Afwassen of in/uitruimen vaatwasmachine

Naast de genoemde activiteiten in tabel 7 zijn er ook nog factoren waardoor meer hulp bij de maaltijden noodzakelijk kan zijn. Hierbij kan gedacht worden aan ondersteuning bij de maaltijd bij kinderen jonger dan 12 jaar. Als sprake is van bovenstaande factoren dan kan aanvullend op de module Maaltijden extra ondersteuning van 20 minuten per maaltijd worden ingezet.

Daarnaast is het mogelijk dat personen ondersteuning behoeven bij de boodschappen. Hiervoor geldt dat bijvoorbeeld een boodschappenservice geboden via een supermarkt voorliggend is. Eigen keuzes, zoals de keuze voor speciaal voedsel dat maar beperkt wordt aangeboden, waardoor extra reizen nodig is of het doen van boodschappen in een groot aantal winkels, resulteert niet in extra tijd voor boodschappen doen. Voor de boodschappen gelden de volgende activiteiten (tabel 8).

Tabel 8: Overzicht activiteiten sub-module Boodschappen op grond van de normen uit het CIZ protocol

Activiteiten

Tijdbesteding in minuten per week

Boodschappen samenstellen

60 minuten

Boodschappen inkopen

Boodschappen opslaan

Naast deze activiteiten zijn er ook factoren waardoor meer hulp noodzakelijk kan zijn bij de boodschappen. Hierbij kan gedacht worden aan (meerdere opties mogelijk):

  • 1.

    Leefeenheid van meer dan vier personen

  • 2.

    Thuiswonende kinderen jonger dan 12 jaar

Als sprake is van bovenstaande factoren dan kan aanvullend op de module Maaltijden extra ondersteuning van 60 minuten per week worden ingezet.

3. Afstand tot dichtstbijzijnde winkel is meer dan 2 kilometer

Als sprake is van bovenstaande factor dan kan aanvullend op de module Maaltijden extra ondersteuning van 30 minuten per week worden ingezet.

Module Zorg voor minderjarige kinderen

Het zorgen voor kinderen is een taak van ouders en/of verzorgers. Dat geldt ook voor ouders die door beperkingen niet in staat zijn hun kinderen te verzorgen. Uitgangspunt is hierbij dat bij uitval van één van de ouders, de andere ouder deze zorg of zijn aandeel in de zorg daar waar mogelijk overneemt. Op grond van gebruikelijke zorg hoeft de gemeente niet te compenseren. De gemeente ondersteunt alleen als ouders door acuut ontstane problemen een oplossing nodig hebben voor minderjarige, gezonde kinderen. De ondersteuning is dus per definitie tijdelijk, in afwachting van een structurele oplossing. Een indicatie wordt afgegeven met een maximale duur van drie maanden om ouders/verzorgers de mogelijkheid te bieden een oplossing te creëren. Van hen mag worden verwacht dat zij zich tot het uiterste zullen inspannen om die oplossing zo snel mogelijk te vinden. Daarbij dient ook betrokken te worden of de persoon aanspraak kan maken op ondersteuning via de zorgverzekering. Individuele ondersteuning voor structurele opvang van kinderen is niet mogelijk binnen de Wmo 2015. Het passen op kinderen valt niet onder dit resultaat.

Tijdens het keukentafelgesprek worden alle mogelijkheden met de persoon besproken. Zijn er algemene, collectieve of voorliggende voorzieningen aanwezig die tot het gewenste resultaat kunnen leiden? Of kan de persoon op eigen kracht, of met behulp van mensen om zich heen zorgen voor de kinderen? Als dit niet het geval is, kan de gemeente de module Zorg voor minderjarige kinderen inzetten. In tabel 9 zijn de activiteiten de module Zorg voor minderjarige kinderen opgenomen.

Tabel 9: Overzicht activiteiten module Zorg voor kinderen op grond van de normen uit het CIZ protocol

Activiteiten

Tijdbesteding in minuten per activiteit per kind per dag

Naar bed brengen / uit bed halen

10 minuten

Wassen en kleden

30 minuten

Eten en/of drinken geven

20 minuten (broodmaaltijd) of 25 minuten (warme maaltijd)

Babyvoeding (flesje/ borstvoeding)

20 minuten

Luier verschonen

10 minuten

Naar school/crèche brengen/halen

15 minuten (per gezin)

Bijlage 4. Nadere regels Aanvullend Openbaar Vervoer

Corsanummer 19int05375

De gemeente Borne gaat een contract aan met een taxivervoerder voor de uitvoering van het Aanvullend Openbaar Vervoer. Dit AOV kent een tweetal vormen:

  • 1.

    Algemene voorziening.

  • 2.

    Hulp-op-maat

Algemene voorziening

Inwoners die zelf in de vervoersbehoefte kunnen voorzien kunnen ook gebruik maken van het AOV. Zij betalen de werkelijke kosten aan de vervoerder. Deze kosten zijn (prijspeil 2019) inclusief 9% BTW:

Opstaptarief: € 5,45

Kilometertarief: € 1,74

De kosten mogen jaarlijks per 1 januari geïndexeerd worden met de NEA prijsindex behorende bij dat jaar.

Per reis betaalt de reiziger eenmalig het opstaptarief, vervolgens wordt per werkelijk gereden kilometer het kilometertarief in rekening gebracht. Omdat het AOV een collectieve vervoersoplossing is, kan de vervoerder andere reizigers ophalen waardoor het aantal af te leggen kilometers hoger is dan wanneer de vervoerder de kortste route heeft gekozen. De vervoerder dient bij boeking van de rit kenbaar te maken hoe hoog de eigen bijdrage van de reiziger is en op welke wijze de reiziger deze kosten dient te voldoen.

Hulp-op-maat

Hulp-op-maat wordt verstrekt op grond van de Wmo2015. De inwoner heeft een beperking, chronisch psychische of psychosociaal probleem. De inwoner kan hierdoor niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met personen uit het sociale netwerk meedoen in de samenleving. Deze inwoner kan in aanmerking komen voor een kortingsregeling op het Aanvullend Openbaar Vervoer.

Deze kortingsregeling houdt in dat de inwoner de werkelijke kosten voor het Openbaar Vervoer betaalt. Dit zijn de kosten die jaarlijks vastgesteld worden door de Provincie Overijssel voor het reizen met bus. Dit is gelijk aan de kosten die een inwoner die geen compensatie nodig heeft betaald voor het reizen met het openbaar vervoer. Hierdoor wordt de inwoner met een beperking in staat geacht deel te kunnen nemen aan de samenleving zoals inwoners zonder beperking ook deel kunnen nemen aan de samenleving.

De Hulp-op-maat voor het Aanvullend Openbaar Vervoer maakt geen onderdeel uit van het abonnementstarief. Dit omdat er geen sprake is van een duurzame hulpverlenersrelatie en inwoners ook incidenteel gebruik kunnen maken van het vervoer.

De hoogte van de bijdrage is (prijspeil 2019):

Opstaptarief: € 0,960

Kilometertarief: € 0,197

Per reis betaalt de reiziger eenmalig het opstaptarief, vervolgens wordt per werkelijk gereden kilometer het kilometertarief in rekening gebracht. Omdat het AOV een collectieve vervoersoplossing is kan de vervoerder andere reizigers ophalen waardoor het aantal af te leggen kilometers hoger is dan wanneer de vervoerder de kortste route heeft gekozen. De vervoerder dient bij boeking van de rit kenbaar te maken hoe hoog de eigen bijdrage van de reiziger is en op welke wijze de reiziger deze kosten dient te voldoen.

De inwoner wordt in staat gesteld om maximaal 1500 kilometer per jaar tegen het kortingstarief te reizen. De gemeente kan hierin uitzondering maken bijvoorbeeld voor reizigers die (bijna) dagelijks gebruik maken van een dagbesteding buiten de grenzen van de gemeente Borne en door het bezoek aan de wmo-zorgaanbieder meer kilometers per jaar reizen dan de vastgestelde 1500 kilometers. In die situatie wordt maatwerk geboden.

Indien de reiziger meer kilometers wil reizen dan het vastgestelde maximum, worden de werkelijke kosten van het AOV in rekening gebracht bij de reiziger. Ook kan de consulent een uitzondering maken voor inwoners die tijdelijk niet binnen de gemeente Borne verblijven. Voor deze inwoners kan in de nadere opdracht opgenomen worden dat de reis niet in de gemeente Borne start, noch eindigt. De reis moet wel binnen de regio Twente worden gereden.

Indien de inwoner niet zonder begeleider kan reizen en de gemeente Borne deze begeleiding tijdens het vervoer noodzakelijk acht, dan kan de gemeente Borne voor deze begeleider een maximaal aantal te reizen kilometers indiceren. De vervoeder krijgt een nadere opdracht waarin staat welke reiskosten voor de begeleider bij de gemeente Borne in rekening mogen worden gebracht.

Indien de gemeente Borne geen indicatie geeft voor het samen reizen met een begeleider. Dan dient de begeleider de reguliere kosten voor het AOV te betalen en vindt hiervoor geen vergoeding plaats vanuit de gemeente Borne.

Een indicatie wordt afgegeven met de maximale geldigheidsduur van 5 jaar. Na deze periode vindt heronderzoek plaats.

Bijlage 5. Nadere regels Verlengde zorg (vervoer door zorgaanbieder)

Corsanr. 19int05377

De gemeente Borne vergoedt de kosten voor het vervoer als dit vervoer onderdeel uitmaakt van de jeugdhulp of maatschappelijke ondersteuning en het voor de inwoner noodzakelijk is dat dit aansluitend een onlosmakelijk onderdeel is van de te bieden ondersteuning. Deze verlengde zorg wordt ingekocht bij zorgaanbieders. De zorgaanbieder is verantwoordelijk voor het organiseren van dit vervoer met eigen middelen en personeel. Het is niet toegestaan om hiervoor een taxibedrijf in te huren. Wanneer de inwoner met taxi vervoerd kan worden, dan is er geen sprake van verlengde zorg en zal het door de gemeente ingekochte taxivervoer worden ingezet. Dit geldt ook wanneer een reiziger met taxi vervoerd kan worden, en hierbij extra begeleiding nodig heeft vanuit de zorgaanbieder dan kan de gemeente overgaan tot het vergoeden van de (reis)kosten van de begeleider.

De zorgaanbieder ontvangt aanvullend op het bedrag wat zij ontvangt voor de geïndiceerde jeugdhulp of maatschappelijke ondersteuning een bedrag per reiziger per enkele reis. De aanbieder krijgt een vast bedrag per rit.

De aanbieder krijgt voor een enkele reis een bedrag vergoed van:

Tarief per enkele reis per reiziger (exclusief BTW): € 6,50

Vanaf 2021 wordt dit bedrag geïndexeerd volgens het contract voor maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp.

De wijze waarop de aanbieder het vervoer organiseert staat vrij. De veiligheid van de reiziger moet worden gewaarborgd en er moet worden voldaan aan alle wettelijke verplichtingen, waaronder ook het veilig vastzetten van een inwoner die in een rolstoel zit tijdens het vervoer.

Indien de aanbieder de verlengde zorg kan en wil uitvoeren voor de gemeente Borne dient de aanbieder hiervoor een addendum op de overeenkomst te ondertekenen en terug te sturen naar de gemeente Borne.


Noot
1

Met het gespreksverslag wordt de wettelijke term ‘het onderzoeksverslag’ bedoeld.

Noot
2

Zie de CIZ-indicatiewijzer, versie 7.1, juli 2014.

Noot
3

Zie voor definitie mantelzorg rapport Sociaal en Cultureel Planbureau ‘Informele hulp: wie doet er wat?’ Kerncijfers, pagina 3, december 2015.

Noot
4

Hulphonden zijn professioneel opgeleide honden die mensen met een beperking helpen bij meer vrijheid en een zelfstandiger leven.