Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Asten 2021

Geldend van 01-04-2021 t/m heden

Intitulé

Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Asten 2021

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Asten;

gelet op de bepalingen in titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 35 van de Participatiewet;

besluit:

vast te stellen de Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Asten 2021

Hoofdstuk 1. Algemeen

§ 1.1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsomschrijving

  • 1. Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet en de Algemene wet bestuursrecht.

  • 2. Voor de toepassing van deze beleidsregels wordt verstaan onder:

    • a.

      de wet: de Participatiewet;

    • b.

      het college: het college van burgemeesters en wethouders van de gemeente Asten;

    • c.

      Bijzondere bijstand: bijstand op grond artikel 35 van de Participatiewet;

    • d.

      Norm: de bijstandsnorm als bedoeld in de Participatiewet, zonder toepassing van de kostendelersnorm artikel 19a en 22a van de wet.

    • e.

      Nibudlijst: lijst van het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting met de normeringen van kostensoorten bijzondere bijstand.

    • f.

      Experimentele behandeling: Een medische behandeling waarvan onvoldoende wetenschappelijk bewijs van goede kwaliteit voorhanden is, waaruit blijkt dat de behandeling veilig en effectief is.

    • g.

      Alfabetische lijst met afkortingen

      • i.

        ANWB: Algemene Nederlands Wielrijdersbond

      • ii.

        Anw: Algemene Nabestaandewet

      • iii.

        AOW: Algemene Ouderdomswet

      • iv.

        Bbz: Besluit bijstandverlening zelfstandigen

      • v.

        CBS: Centraal Bureau voor de Statistiek

      • vi.

        CPI: consumentenprijsindexcijfer

      • vii.

        GMD: Gemeenschappelijk Medische Dienst.

      • viii.

        IOAW: Inkomensvoorziening voor Oudere en gedeeltelijk Arbeidsongeschikte Werknemers

      • ix.

        IOAZ: Inkomensvoorziening voor Oudere en gedeeltelijk Arbeidsongeschikte gewezen Zelfstandigen

      • x.

        IOW: Inkomensvoorziening Oudere Werklozen

      • xi.

        Msnp: minnelijke schuldsaneringsregeling

      • xii.

        PW: Participatiewet

      • xiii.

        VEH: Vereniging Eigen Huis

      • xiv.

        Vtlb: Vrij te laten bedrag in het kader van een schuldregeling Msnp of Wsnp

      • xv.

        Wajong: Wet werk en arbeidsondersteuning Jonggehandicapten

      • xvi.

        WAZ: Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen

      • xvii.

        WAO: Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering

      • xviii.

        Wgs: Wet gemeentelijke schuldhulpverlening

      • xix.

        WIA: Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen

      • xx.

        Wsnp: wettelijke schuldsaneringsregeling

Artikel 2 Normering en indexering

  • 1. Voor de berekening van de (meer)kosten wordt uitgegaan van de Nibudlijst, tenzij anders aangegeven.

  • 2. Als de Nibudlijst geen uitsluitsel geeft dan wordt de GMD lijst gehanteerd.

  • 3. Voor de bedragen die niet automatisch geïndexeerd worden, geldt dat ze jaarlijks met ingang van 1 januari worden geïndexeerd met het gemiddelde CPI dat door het CBS jaarlijks wordt vastgesteld.

§ 1.2 Recht op bijzondere bijstand

Artikel 3 B062 - Moment indiening aanvraag bijzondere bijstand

  • 1. Bijzondere bijstand kan worden aangevraagd tot 6 maanden nadat de kosten zijn opgekomen.

  • 2. In afwijking van het eerste lid geldt dit niet voor:

    • a.

      duurzame gebruiksgoederen en overige inrichtingskosten;

    • b.

      verhuiskosten;

  • 3. Voor kosten als bedoeld in het tweede lid geldt artikel 44 lid 1 van de Participatiewet.

§ 1.3 Hoogte en vorm van de bijstand

Artikel 4 B137 - In aanmerking te nemen middelen

  • 1. Het inkomen en het vermogen worden in aanmerking genomen overeenkomstig de artikelen 31 t/m 34 van de Participatiewet en de toepasselijke ‘beleidsregels middelentoets’ die zijn vastgesteld ten behoeve van de uitvoering van de Participatiewet, algemene bijstand.

  • 2. Buiten beschouwing voor de vermogenstoepassing blijven:

    • a.

      Het vermogen tot de bescheiden vermogensgrens;

    • b.

      Het vermogen uit de eigen woning en overige vermogensbestanddelen anders dan banktegoeden en/of spaargelden.

  • 3. Bij onregelmatige inkomsten is het gemiddelde inkomen in de drie maanden voorafgaande aan de maand van de aanvraag bepalend.

Artikel 5 B063 - Draagkrachtpercentages

  • 1. Bij draagkracht uit inkomen geldt als uitgangspunt dat een inkomen tot 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm als draagkrachtloos inkomen wordt beschouwd.

  • 2. Draagkracht uit vermogen wordt enkel in aanmerking genomen voor zover het vermogen de grens van het vrij te laten bescheiden vermogen op grond van de Participatiewet overschrijdt.

  • 3. Afwijkende draagkrachtberekening bij een schuldsaneringsregeling Msnp of Wsnp:

    • a.

      Bij huishoudens van alleenstaanden en eenoudergezinnen, en bij huishoudens ten aanzien van wie een schuldsaneringsregeling voor beide partners op grond van de Wsnp is uitgesproken of die tot een Msnp traject op grond van de Wgs zijn toegelaten, wordt de draagkracht op nul vastgesteld.

    • b.

      Bij huishoudens met twee partners ten aanzien van wie een schuldsaneringsregeling voor één partner op grond van de Wsnp is uitgesproken of waarbij één partner tot de een Msnp traject op grond van de Wgs is toegelaten, wordt voor de bepaling van de draagkracht van de betreffende partner uitgegaan van het Vtlb.

Artikel 6 B064 - Draagkrachtperiode

  • 1. Incidentele bijzondere bijstand

    • a.

      De draagkracht wordt berekend over een periode van 12 maanden vanaf de eerste dag van de maand waarin het recht op bijzondere bijstand ontstaat en wordt in één keer met de bijzondere bijstand verrekend.

    • b.

      Ten aanzien van aanvragen met terugwerkende kracht geldt dat het draagkrachtjaar start bij de eerste van de maand waarin de kosten zijn opgekomen.

  • 2. Periodieke bijzondere bijstand

    • a.

      De draagkracht wordt berekend over de periode vanaf de eerste dag van de maand waarin het recht op bijzondere bijstand ontstaat, tot de maand waarin de kosten zich niet meer voordoen, met een maximum van 12 maanden.

    • b.

      De draagkracht wordt berekend naar rato van het aantal maanden van de periode waarop de bijzondere bijstand betrekking heeft.

    • c.

      Ten aanzien van aanvragen met terugwerkende kracht geldt dat het draagkrachtjaar start bij de eerste van de maand waarop de kosten zijn opgekomen.

  • 3. Bij samenloop wordt de draagkracht het eerst in mindering gebracht op de periodieke kosten. De resterende draagkracht wordt in mindering gebracht op de incidentele kosten.

  • 4. Bij samenloop wordt de draagkracht uit vermogen het eerst verrekend en daarna de draagkracht uit inkomen.

  • 5. In geval samenloop geldt dat:

    • a.

      Voor personen met (aanvullende) bijstand voor de kosten van het levensonderhoud op grond van de Participatiewet de draagkrachtperiode in beginsel wordt vastgesteld voor onbepaalde tijd indien en zolang zij recht hebben op de bijstandsuitkering én zich geen wijzigingen (zullen) voordoen die dat recht beïnvloeden.

    • b.

      Voor personen die een uitkering ontvangen op grond van de IOAW, IOAZ, IOW, Bbz, Wajong, WIA, WAZ, WAO, Anw en/of AOW, die niet over draagkracht beschikken, de draagkrachtperiode in beginsel wordt vastgesteld voor de duur van drie jaar.

Artikel 7 B065 - Wijzigingen draagkracht tijdens de draagkrachtperiode

  • 1. Bij incidentele bijzondere bijstand:

    • a.

      leidt wijziging in het inkomen tijdens het draagkrachtjaar niet tot een nieuwe vaststelling van de draagkracht, tenzij het om een daling gaat.

    • b.

      leidt overschrijding van het vermogen boven de vermogensgrens tijdens het draagkracht jaar tot een nieuwe vaststelling van de draagkracht en een nieuw draagkrachtjaar.

  • 2. Bij periodieke bijzondere bijstand leidt wijziging in het inkomen -anders dan gebruikelijke indexeringen- en overschrijding van het vermogen boven de bescheiden vermogensgrens tijdens het draagkrachtjaar tot een nieuwe vaststelling van de draagkracht en een nieuw draagkrachtjaar.

Hoofdstuk 2. Bijzondere bijstand

§ 2.1 Recht op bijstand vreemdelingen

Artikel 8 B012 - Bijzondere bijstand voor legeskosten verblijfsvergunningen en naturalisatie

  • 1. De legeskosten voor de verlenging of wijziging van een verblijfsvergunning aan de ten tijde van de aanvraag met een Nederlander gelijk gestelde vreemdeling, zoals bedoeld in artikel 11 tweede en derde lid van de Participatiewet, alsmede de noodzakelijke kosten die nodig zijn om de verlenging of wijziging te realiseren worden aangemerkt als bijzonder noodzakelijke kosten van het bestaan.

  • 2. De kosten die verband houden met naturalisatie worden niet aangemerkt als bijzonder noodzakelijke kosten van het bestaan.

  • 3. De kosten die verband houden met gezinshereniging worden niet aangemerkt als bijzonder noodzakelijke kosten van het bestaan

§ 2.2 Personen die in een inrichting verblijven

Artikel 9 B058 - Bijzondere bijstand voor vaste lasten tijdens verblijf in inrichting

  • 1. Kosten om de woning aan te houden bij tijdelijk verblijf in een inrichting worden aangemerkt als bijzonder noodzakelijke kosten van het bestaan, om te voorkomen dat belanghebbende dakloos wordt bij ontslag uit de inrichting.

  • 2. Bijzondere bijstand wordt verleend tot einde verblijf in inrichting maar niet langer dan 12 maanden gerekend vanaf de datum zoals vastgesteld conform het derde lid.

  • 3. Bijzondere bijstand wordt verstrekt vanaf het moment dat de algemene bijstandsnorm wijzigt naar de norm verblijf in een inrichting.

  • 4. Bijzondere bijstand kan worden verstrekt voor de volgende (onvermijdelijke) kosten:

    • a.

      Huurwoning:

      • 1.

        Huur;

      • 2.

        Vastrecht gas, licht en water.

    • b.

      Eigen woning:

      • 1.

        Rente en aflossing hypotheek, minus hypotheekaftrek;

      • 2.

        Vastrecht gas, licht en water;

      • 3.

        Rioolrechten;

      • 4.

        Eigenaarsdeel van de waterschapslasten;

      • 5.

        Eigenaarsdeel van de onroerendezaakbelastingen;

      • 6.

        Brand- en opstalverzekering;

      • 7.

        Onderhoud eigen woning conform (maximaal) de norm voor gemiddelde onderhoudskosten van de VEH.

    • c.

      De woonkostentoeslag wordt berekend aan de hand van de kostenposten onder b. onder aftrek van de draagkracht op grond als bedoeld in het vijfde lid.

  • 5. De draagkracht als bedoeld in dit artikel is 100% van het inkomen boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm en wordt vastgesteld met inachtneming van de beleidsrichtlijnen B064 Draagkrachtperiode en B065 wijziging draagkracht tijdens de draagkrachtperiode.

Hoofdstuk 3. Bijzondere bijstand

§ 3.1 Medische kosten: algemeen

Artikel 10 B070 - Aanvullend of collectief verzekerd (B070)

  • 1. Via de gemeente kan worden deelgenomen aan de collectieve aanvullende verzekering; deelname is niet verplicht.

  • 2. Inwoners met een inkomen tot maximaal 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm kunnen toegelaten worden tot de collectieve aanvullende verzekering. Het vermogen blijft volledig buiten beschouwing.

  • 3. Het inkomen wordt getoetst in het kalenderjaar waarin de verzekerde door de zorgverzekeraar in de collectieve aanvullende verzekering is toegelaten.

  • 4. Wanneer uit toetsing blijkt dat het inkomen te hoog is, wordt de collectieve aanvullende verzekering met ingang van het kalenderjaar daaropvolgend beëindigd.

  • 5. Wanneer het inkomen gedurende het kalenderjaar wijzigt en boven de grens van 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm komt, wordt de collectieve aanvullende verzekering met ingang van het kalenderjaar daaropvolgend beëindigd.

Artikel 11 B074 - Overig beleid inzake medische kosten

  • 1. De zorgverzekeringswet is in beginsel een passende en toereikende voorliggende voorziening voor de medische kosten, daarom verstrekt het college in beginsel geen bijzondere bijstand voor medische kosten.

  • 2. In afwijking van het eerste lid verstrekt het college wel bijzondere bijstand voor medische kosten, indien:

    • a.

      de kosten van (para) medische zorg om budgettaire redenen uit het pakket van de voorliggende voorziening zijn gehaald, terwijl de noodzakelijkheid van de kosten niet in het geding is;

    • b.

      de belanghebbende staat geregistreerd als wanbetaler bij het CAK en meewerkt aan een traject om uit de regeling wanbetalers te komen;

    • c.

      de belanghebbende die voor het eerst een aanvraag bijzondere bijstand voor de kosten van noodzakelijke (para) medische zorg indient en niet aanvullend verzekerd is voor de kosten van (para) medische zorg. Belanghebbende krijgt de kosten vergoed tot maximaal 1 januari van het volgend kalenderjaar, waarop belanghebbende zich aanvullend kan verzekeren;

    • d.

      de belanghebbende is opgenomen in een Msnp of Wsnp traject en zich niet aanvullend kan verzekeren;

    • e.

      de belanghebbende aanvullend verzekerd is met een pakket dat het meest verantwoord is, gelet op de medische beperkingen en/of zorgvraag van belanghebbende en de/het eventueel onder zijn of haar verantwoordelijkheid vallende minderjarige kind(eren).

  • 3. In aanvulling op het tweede lid onder b, c, d en e is de bijzondere bijstand in medische kosten nooit hoger dan de normbedragen en/of het aantal behandelingen zoals opgenomen in de CAV.

  • 4. Indien de kosten en/of de omvang van de (para)medische zorg hoger zijn dan de normbedragen en/of het maximaal aantal behandelingen in de CAV, kan in afwijking van lid 3 een hoger bedrag aan bijzonder bijstand worden vergoed indien de noodzaak al dan niet met een medisch advies is vastgesteld.

  • 5. De vergoeding waar belanghebbende recht op heeft op basis van zijn of haar huidige verzekering wordt in mindering gebracht op de vergoeding bijzondere bijstand.

  • 6. Experimentele behandelingen komen niet voor vergoeding in aanmerking.

  • 7. Het verplichte eigen risico komt niet voor vergoeding in aanmerking.

§ 3.2 Begrafenis en crematie (uitvaartkosten)

Artikel 12 B075 - Uitvaartkosten

  • 1. Uitvaartkosten voor een uitvaart die in Nederland plaatsvindt en die niet (volledig) uit de nalatenschap en/of een uitvaartverzekering kunnen worden voldaan, worden aangemerkt als bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan, wanneer de belanghebbende verantwoordelijk is voor de kosten van uitvaart of hierop wordt aangesproken in het kader van de wet op de lijkbezorging.

  • 2. Bij de vaststelling van de hoogte van de noodzakelijke kosten voor uitvaart wordt de norm voor reservering van de uitvaartkosten bij vermogensvaststelling op grond van de ‘beleidsregels middelentoets’ gehanteerd,

  • 3. Als de belanghebbende de nalatenschap heeft verworpen heeft hij geen recht op bijzondere bijstand voor uitvaartkosten.

  • 4. Erfgenamen kunnen alleen voor hun erfdeel in aanmerking komen voor vergoeding van de uitvaartkosten.

  • 5. De bijzondere bijstand voor uitvaartkosten wordt als geldlening verstrekt als uit de nalatenschap blijkt dat er sprake is van vermogen dat niet direct te gelde kan worden gemaakt.

§ 3.3 Bewindvoering, mentor, curatele en rechtsbijstand

Artikel 13 B165 - Mentorschap

  • 1. Kosten van mentorschap worden aangemerkt als bijzonder noodzakelijke kosten van bestaan, wanneer het mentorschap is toegewezen door de rechtbank.

  • 2. De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt maximaal de door de rechtbank toegewezen beloning voor mentorschap.

  • 3. Voor kosten van budgetbeheer geldt dat lokaal budgetbeheer, budgetbeleiding of budgetcoaching voorliggende voorzieningen zijn, voor zover deze passend zijn.

Artikel 14 B077 - Curatele

  • 1. Kosten van curatele worden aangemerkt als bijzonder noodzakelijke kosten van bestaan, wanneer de onder curatele stelling is toegewezen door de rechtbank.

  • 2. De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt maximaal de door de rechtbank toegewezen beloning voor onder curatele stelling.

  • 3. Voor kosten van budgetbeheer geldt dat lokaal budgetbeheer, budgetbeleiding of budgetcoaching voorliggende voorzieningen zijn, voor zover deze passend zijn.

Artikel 15 B076 - Bewind

  • 1. Kosten van onder bewind stelling worden aangemerkt als bijzonder noodzakelijke kosten van bestaan, wanneer de onder bewind stelling is toegewezen door de rechtbank.

  • 2. De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt maximaal de door de rechtbank toegewezen beloning voor onder bewind stelling.

  • 3. Voor kosten van budgetbeheer geldt dat lokaal budgetbeheer, budgetbeleiding of budgetcoaching voorliggende voorzieningen zijn, voor zover deze passend zijn.

Artikel 16 B078 - Rechtsbijstand

  • 1. Kosten van eigen bijdrage rechtsbijstand en griffierecht worden aangemerkt als bijzonder noodzakelijke kosten van bestaan, indien rechtsbijstand is of wordt verleend op grond van een toevoeging krachtens de Wet op de rechtsbijstand.

  • 2. Wanneer de belanghebbende in aanmerking kan komen voor de wettelijke korting op de eigen bijdrage rechtsbijstand, wordt met deze korting rekening gehouden.

§3.4 Jongeren van 18 tot en met 20 jaar

Artikel 17 B080 - Jongeren in een inrichting

  • 1. De kosten van levensonderhoud van 18- tot en met 20-jarigen die in een inrichting verblijven en die geen of onvoldoende beroep kunnen doen op hun ouders voor de noodzakelijke kosten van het bestaan, worden aangemerkt als bijzonder noodzakelijke kosten van levensonderhoud.

  • 2. Een 18- tot en met 20-jarige kan in ieder geval geen of onvoldoende beroep op de zorgplicht van de ouders doen als een van de volgende situaties zich voordoet:

    • a.

      De onderhoudsplichtige ouder of ouders zijn overleden;

    • b.

      De jongere in het kader van de Jeugdwet buiten het gezinsverband van de ouder of ouders is geplaatst;

    • c.

      De ouders onvindbaar of niet bereikbaar zijn;

    • d.

      Er sprake is van een ernstig verstoorde relatie met de ouder(s).

  • 3. De hoogte van de bijzondere bijstand wordt als volgt vastgesteld: de hoogte van de bijzondere bijstand (artikel 12 PW) wordt afgeleid van de normen algemene bijstand die gelden voor personen van 21 jaar of ouder die in een inrichting verblijven, te weten: 75% van de norm van artikel 23 lid 1 onderdeel a van de participatiewet, vermeerderd met het bedrag genoemd in artikel 23 lid 2 onderdeel a van de wet. Er wordt geen vakantietoeslag uitgekeerd.

Artikel 18 B079 - Jongeren niet in een inrichting

  • 1. De meerkosten van levensonderhoud van 18- tot en met 20-jarigen die niet in een inrichting verblijven en die geen of onvoldoende beroep kunnen doen op hun ouders voor de noodzakelijke kosten van het bestaan, worden aangemerkt als bijzonder noodzakelijke kosten van levensonderhoud.

  • 2. Een 18- tot en met 20-jarige kan in ieder geval geen of onvoldoende beroep op de zorgplicht van de ouders doen als een van de volgende situaties zich voordoet:

    • a.

      De onderhoudsplichtige ouder of ouders zijn overleden;

    • b.

      De jongere in het kader van de Jeugdwet buiten het gezinsverband van de ouder of ouders is geplaatst;

    • c.

      De ouders onvindbaar of niet bereikbaar zijn;

    • d.

      Er sprake is van een ernstig verstoorde relatie met de ouder(s).

  • 3. Een aanvraag voor bijzondere bijstand voor levensonderhoud voor jong meerderjarigen wordt, analoog aan artikel 41 lid 4 Participatiewet, niet eerder ingediend dan vier weken na datum melding en wordt niet eerder dan vier weken na die melding door het college in behandeling genomen. Hiervan kan worden afgeweken als dit tot financiële problemen bij de belanghebbende leidt.

  • 4. De hoogte van de bijzondere bijstand wordt als volgt vastgesteld: De algemene bijstand voor jongeren van 18 tot en met 20 jaar wordt aangevuld met bijzondere bijstand voor levensonderhoud, zodat de hoogte van de totale bijstandsuitkering (norm algemene bijstand + bijzondere bijstand) niet méér bedraagt dan de bijstandsuitkering die in een vergelijkbare situatie geldt voor personen van 21 jaar of ouder.

  • 5. In afwijking van lid 4 wordt de bijzondere bijstand lager vastgesteld indien er sprake is van:

    • a.

      kostendeling;

    • b.

      ontbrekende woonlasten;

    • c.

      recente beëindiging van een opleiding.

  • Het bedrag van de verlaging wordt op de bijzondere bijstand in mindering gebracht.

§ 3.5 Reiskosten

Artikel 19 B014 - Detentie - Reiskosten i.v.m. bezoek aan gedetineerde

  • 1. Reiskosten worden aangemerkt als bijzonder noodzakelijke kosten van het bestaan indien een belanghebbende:

    • a.

      Reiskosten maakt in verband met een bezoek aan een partner, minderjarige kinderen en/of familieleden tot en met de 2e graad die in detentie verblijft; én

    • b.

      De reisafstand van het traject van thuis naar het verblijfadres van partner, minderjarige kinderen en/of familieleden tot en met de 2e graad meer bedraagt dan 10 kilometer enkele reis. Van de reisafstand van 10 kilometer kan worden afgeweken wanneer het op grond van bijzondere omstandigheden onmogelijk is om te fietsen.

  • 2. De hoogte van de bijzondere bijstand is gebaseerd op basis van kosten openbaar vervoer tweede klas, indien men reist met het openbaar vervoer.

  • 3. In afwijking van het tweede lid bedraagt, indien reizen met openbaar vervoer niet mogelijk of wenselijk is en met eigen vervoer wordt gereisd, de tegemoetkoming € 0,19 per kilometer per dag en wordt de reisafstand gemeten van postcode woonadres en huisnummer tot postcodelocatie en huisnummer aan de hand van de ANWB-routeplanner, snelste route.

  • 4. De vaststelling van de frequentie van het aantal bezoeken is een maatwerkbeoordeling.

Artikel 20 B089 - Reiskosten woon-werkverkeer (verwervingskosten)

  • 1. Reiskosten ten behoeve van het inburgeringstraject worden aangemerkt als bijzondere noodzakelijke kosten, onder de voorwaarden dat:

    • a.

      Er geen vergelijkbare passende voorziening dichterbij is.

    • b.

      De reisafstand verder is dan 10 km vanaf het woonadres van de belanghebbende. Hiervan kan worden afgeweken wanneer het op grond van bijzondere omstandigheden onmogelijk is om te fietsen.

    • c.

      Vervoerkosten voor inburgeringstrajecten: de vervoersbewijzen worden overgelegd of een bewijs van de onderwijsinstelling, dat de belanghebbende de lessen inderdaad heeft bezocht (bijv. een presentielijst).

  • 2. De reiskosten van kinderen van statushouders van en naar school worden aangemerkt als bijzondere noodzakelijke kosten, onder de voorwaarden:

    • a.

      dat de fietsafstand verder is dan 15 km vanaf het woonadres van de belanghebbende;

    • b.

      dat het kind de basisschool heeft afgesloten;

    • c.

      het kind beschikking heeft over een fiets;

    • d.

      het kind (fysiek) in staat is om te fietsen;

    • e.

      het kind zich voldoende kan oriënteren in de ruimte om de weg naar en van school zelfstandig te fietsen; en

    • f.

      het kind de verkeersregels voldoende kent;

  • 3. De hoogte van de bijzondere bijstand is gebaseerd op basis van kosten openbaar vervoer tweede klas, indien men reist met het openbaar vervoer.

  • 4. In afwijking van het tweede lid bedraagt, indien reizen met openbaar vervoer niet mogelijk of wenselijk is en met eigen vervoer wordt gereisd, de tegemoetkoming € 0,19 per kilometer per dag en wordt de reisafstand gemeten van postcode woonadres en huisnummer tot postcodelocatie en huisnummer aan de hand van de ANWB-routeplanner, snelste route.

Artikel 21 B091 - Ziekenbezoek - Reiskosten bezoek zieke familieleden

  • 1. Reiskosten worden aangemerkt als bijzonder noodzakelijke kosten van het bestaan indien een belanghebbende:

    • a.

      Reiskosten maakt in verband met een bezoek aan een partner, minderjarige kinderen en/of familieleden tot en met de 2e graad die in een inrichting verblijft; én

    • b.

      De reisafstand van het traject van thuis naar het verblijfadres van partner, minderjarige kinderen en/of familieleden tot en met de 2e graad meer bedraagt dan 10 kilometer enkele reis. Van de reisafstand van 10 kilometer kan worden afgeweken wanneer het op grond van bijzondere omstandigheden onmogelijk is om te fietsen.

  • 2. De hoogte van de bijzondere bijstand is gebaseerd op basis van kosten openbaar vervoer tweede klas, indien men reist met het openbaar vervoer.

  • 3. In afwijking van het tweede lid bedraagt, indien reizen met openbaar vervoer niet mogelijk of wenselijk is en met eigen vervoer wordt gereisd, de tegemoetkoming € 0,19 per kilometer per dag en wordt de reisafstand gemeten van postcode woonadres en huisnummer tot postcodelocatie en huisnummer aan de hand van de ANWB-routeplanner, snelste route.

  • 4. De vaststelling van de frequentie van het aantal bezoeken is een maatwerkbeoordeling

§ 3.6 Schulden

Artikel 22 B094 - Bijzondere bijstand voor schulden/schuldhulpverlening

  • 1. Bijzondere bijstand onder borgtocht wordt in ieder geval verleend wanneer er in het kader van een Msnp een saneringskrediet via de Kredietbank Nederland wordt verstrekt.

  • 2. De hoogte van de bijzondere bijstand in de vorm van borgtocht wordt afgestemd op de omvang van het saneringskrediet dat nodig is om een schuldregeling tot stand te brengen.

  • Wanneer bijzondere bijstand onder borgtocht is verleend en de gemeente door de Kredietbank Nederland wordt aangesproken op de borg, wordt bijzondere bijstand vastgesteld op de het bedrag van de restantlening.

  • 3. De bijzondere bijstand in de restantlening wordt rechtstreeks overgemaakt aan de Kredietbank Nederland.

  • 4. De bijzondere bijstand kan om niet of in de vorm van een geldlening worden verstrekt, dit is een maatwerkbeoordeling.

§ 3.7 Woonkosten: incidenteel

Artikel 23 B103 - Eerste maand huur en administratiekosten

De kosten voor de eerste maand huur van een nieuwe woning ten gevolge van een noodzakelijke verhuizing worden aangemerkt als bijzonder noodzakelijke kosten van het bestaan en worden om niet verstrekt.

Artikel 24 B101 - Inrichtingskosten (duurzame gebruiksgoederen)

  • 1. Kosten van woninginrichting worden aangemerkt als incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan.

  • 2. De noodzakelijke kosten van woninginrichting komen alleen voor vergoeding vanuit de bijzondere bijstand in aanmerking wanneer de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.

  • 3. Er is in ieder geval sprake van bijzondere omstandigheden wanneer het gaat om kosten van woninginrichting aan statushouders die zich voor het eerst vestigen in Nederland.

  • 4. De kosten bij een volledige inrichting van een woning worden bepaald op maximaal 60% van de (geïndexeerde) Nibud normen. Uit het bedrag voor inrichtingskosten moet een computer of laptop aangeschaft kunnen worden. Dat geldt ook voor een fiets.

  • 5. De bijzondere bijstand in inrichtingskosten wordt in beginsel verstrekt in de vorm van een lening.

§ 3.8 Woonkosten: periodiek

Artikel 25 B145 - Berekening woonkostentoeslag huurders

  • 1. Huurwoningen

    • a.

      Woonkosten tot de grens van de huurtoeslag

      • 1.

        Woonkosten voor huurders worden aangemerkt als bijzondere kosten wanneer belanghebbende onvoldoende draagkracht heeft om de volledige woonkosten zelf te dragen én een woning bewoont, waarvan de hoogte van de woonkosten geen belemmering vormt voor de toekenning van huurtoeslag op grond van de Wet op de huurtoeslag, maar hij door omstandigheden buiten zijn schuld geen aanspraak kan maken op deze toeslag.

      • 2.

        De woonkostentoeslag is gelijk aan de aanspraak op grond van de Wet op de huurtoeslag onder aftrek van de draagkracht als bedoeld in beleidsrichtlijn B063 Draagkrachtpercentages

    • b.

      Woonkosten boven de grens van de huurtoeslag

      • 1.

        Meerkosten van huur die boven de huurgrens uitstijgen, worden aangemerkt als bijzondere kosten wanneer belanghebbende door omstandigheden buiten zijn schuld in redelijkheid niet kan beschikken over een huurwoning met een huur onder de huurgrens.

      • 2.

        Indien een beroep op de hardheidsclausule in de Wet op de huurtoeslag gedaan wordt, kan als uitgangspunt geen woonkostentoeslag verleend worden, omdat daarmee de grondslag voor de hardheidsclausule vervalt. Wel kan in een dergelijke situatie een geldlening verstrekt worden omdat de verwachting is dat belanghebbende op korte termijn over de huurtoeslag op grond van de hardheidsclausule kan beschikken.

      • 2.

        De draagkracht als bedoeld in dit artikel is 100% van het inkomen boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm en wordt vastgesteld met inachtneming van de beleidsrichtlijnen B064 Draagkrachtperiode en B065 wijziging draagkracht tijdens de draagkrachtperiode.

      • 3.

        Er wordt gedurende maximaal 12 maanden een woonkostentoeslag verstrekt. Gedurende dit jaar geldt er een verhuisplicht.

      • 4.

        De periode en verhuisplicht in het derde lid kunnen worden verlengd, wanneer het belanghebbende niet te verwijten valt dat er in die periode geen geschikte woning is gevonden.

Artikel 26 B146 - Berekening woonkostentoeslag eigenaren

  • 1. Woningen in eigendom

    • a.

      Woonkosten van eigendomswoningen worden aangemerkt als bijzondere kosten wanneer de belanghebbende een eigen woning bewoont, waarvan de woonkosten zijn draagkracht overschrijden én hij buiten zijn schuld om niet kan beschikken over een (financieel) passende woning.

    • b.

      Als woonkosten eigen woning worden aangemerkt:

      • 1.

        De ten behoeve van de financiering van de woning verschuldigde hypotheekrente minus de hypotheekrenteaftrek;

      • 2.

        Rioolrechten;

      • 3.

        Eigenaarsdeel van de onroerendezaakbelastingen;

      • 4.

        Brand- en opstalverzekering;

      • 5.

        Eigenaarsdeel van de waterschapslasten;

      • 6.

        Onderhoud eigen woning conform (maximaal) de norm voor gemiddelde onderhoudskosten van de VEH.

    • c.

      De woonkostentoeslag wordt berekend aan de hand van de kostenposten onder b. onder aftrek van de draagkracht op grond als bedoeld in het tweede lid. De toeslag wordt verder berekend zoals in art. 25 lid 1 onder 2.

  • 2. De draagkracht als bedoeld in dit artikel is 100% van het inkomen boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm en wordt vastgesteld met inachtneming van de beleidsrichtlijnen B064 Draagkrachtperiode en B065 wijziging draagkracht tijdens de draagkrachtperiode.

  • 3. Er wordt gedurende maximaal 12 maanden een woonkostentoeslag verstrekt. Gedurende dit jaar geldt er een verhuisplicht.

  • 4. De periode en verhuisplicht in het derde lid kunnen worden verlengd, wanneer het belanghebbende niet te verwijten valt dat er in die periode geen geschikte woning is gevonden.

Artikel 27 B100 - Kosten kinderopvang (verwervingskosten)

  • 1. De kosten van de eigen bijdrage kinderopvang van uitkeringsgerechtigden die uitstromen naar betaald werk worden aangemerkt als bijzondere kosten.

  • 2. De kosten van de eigen bijdrage worden gedurende de eerste twaalf maanden vanaf de datum uitstroom vergoed.

Hoofdstuk 4. Vormen van bijstand

Artikel 28 B106 - Overige kosten bijzondere bijstand

Een commerciële bank of Kredietbank wordt niet aangemerkt als voorliggende voorziening voor bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening.

Artikel 29 B109 - Looptijd leenbijstand

Bij 36 maanden aflossing op de geldlening wordt de restantlening kwijtgescholden.

Artikel 30 B110 - Hoogte aflossing leenbijstand

  • 1. De hoogte van het maandelijkse aflossingsbedrag bedraagt nooit meer dan 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm.

  • 2. Van het eerste lid kan worden afgeweken indien toepassing gegeven is aan de artikelen artikel 13 en 14 van de beleidsregels herziening, intrekking, terugvordering en invordering.

Artikel 31 B112 - Aanpassing aflossing leenbijstand

Bij een samenloop van meerdere leningen, worden de beide leningen én de periode van aflossing teruggebracht naar één lening met één aflossingsverplichting van 36 maanden.

Artikel 32 B113 - Rente over leenbijstand

Wanneer bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening wordt verstrekt is geen rente verschuldigd.

Hoofdstuk 5 Overgangs- en Slotbepalingen

Artikel 33 Algemeen overgangsrecht

  • 1. Besluiten, genomen krachtens de eerdere beleidsregels bijzondere bijstand en die gelden op het moment van inwerkingtreding van deze beleidsregels blijven van kracht tot aan het moment dat zij van rechtswege vervallen, worden ingetrokken of beëindigd. Er wordt geen bijzondere bijstand teruggevorderd of nabetaald.

  • 2. Deze beleidsregels zijn van toepassing op nieuwe aanvragen bijzondere bijstand waarbij de ingangsdatum van het draagkrachtjaar op of na de datum van inwerkingtreding van deze beleidsregels start.

  • 3. Deze beleidsregels zijn (met uitzondering van de artikelen die samenhangen met de draagkrachtberekening) voorts van toepassing op nieuwe aanvragen bijzondere bijstand waarbij het draagkrachtjaar is aangevangen voor de inwerkingtreding van deze beleidsregels.

  • Dit geldt niet op het moment dat wordt vastgesteld dat er sprake is van een wijziging in de draagkracht na de inwerkingtreding van deze beleidsregels. In dat geval leidt deze wijziging tot een nieuw draagkracht besluit. Hierbij zijn ook de artikelen van toepassing die samenhangen met de draagkrachtberekening in deze beleidsregels.

Artikel 34 Bijzonder overgangsrecht

  • 1. Besluiten waarop art. 20 tweede lid onder a betrekking heeft, die zijn genomen krachtens de eerdere beleidsregels bijzondere bijstand, blijven van kracht tot de start van het nieuwe schooljaar 2021-2022.

  • 2. Als de belanghebbende bij de start van het nieuwe school jaar 2021-2022 nog niet voldoet aan het bepaalde in het vorige lid, gaat de wijziging in zodra wordt voldaan aan de voorwaarden van art. 20 tweede lid onder b t/m e, doch in ieder geval op 1-4-2022.

Artikel 35 Intrekking

De volgende besluiten en beleidsregels worden ingetrokken per datum inwerkingtreding onderhavige beleidsregels bijzondere bijstand:

  • a.

    Beleidsregels bijzondere bijstand Asten 2015;

  • b.

    Wijzigingsbesluit beleidsregels Participatiewet Asten 2015:

    • -

      Beleidsregel draagkrachtpercentages(B063);

    • -

      Beleidsregel Draagkrachtperiode Bijzondere bijstand (B064);

    • -

      Beleidsregel In aanmerking te nemen middelen voor draagkracht (B137);

  • c.

    Aanvulling beleidsregels bijzondere bijstand (B098, B101 en B109);

  • d.

    Beleidsregel Hoogte bijzondere bijstand 18 t/m 20 jarigen niet in een inrichting verblijvend (B079);

  • e.

    Gewijzigde invulling van richtlijn B080 Hoogte bijzondere bijstand 18 t/m 20 jarigen in inrichting;

  • f.

    Beleidsregel Wijzigingsbesluit beleidsregel ‘in aanmerking te nemen middelen voor draagkracht’ uit 2018 (B137).

  • g.

    Overige eerdere beleidsregels en richtlijnen die door de Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Asten vervangen worden.

Artikel 36 Inwerkingtreding

Deze beleidsregels treden in werking met ingang van 1 april 2021.

Artikel 37 Citeertitel

Deze beleidsregels worden aangehaald als de “Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Asten 2021”.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Asten van 18 maart 2021.

College van burgemeester en wethouders van Asten,

mr. W.M.A. Verberkt

secretaris

A.A.H.C.M. Van Extel - Van Katwijk

burgemeester