Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug houdende regels omtrent maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp (Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp Utrechtse Heuvelrug 2020)

Geldend van 18-02-2021 t/m heden

Intitulé

Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug houdende regels omtrent maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp (Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp Utrechtse Heuvelrug 2020)

1 Inleidende bepalingen

1.1 Begripsomschrijvingen

In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

  • a.

    aanvrager: de inwoner met een vraag voor ondersteuning in het kader van de Wmo 2015;

  • b.

    algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal bedoeld is voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten, diensten, activiteiten of andere maatregelen;

  • c.

    algemene voorziening: een voorziening die voor alle inwoners, zonder voorafgaand onderzoek, toegankelijk is;

  • d.

    begeleiding: maatwerkvoorziening ter bevordering van de zelfredzaamheid van de cliënt en diens participatie in de samenleving;

  • e.

    Besluit: het “Besluit maatschappelijke ondersteuning Utrechtse Heuvelrug”;

  • f.

    bezoekbaar: de aanvrager kan de woning, de woonkamer en een toilet bereiken en gebruiken;

  • g.

    budgethouder: cliënt die een pgb toegekend heeft gekregen voor een maatwerkvoorziening;

  • h.

    cliënt: de aanvrager die in het kader van de Wmo 2015 een voorziening krijgt toegewezen;

  • i.

    consulent: deskundig medewerker in de Sociale Dorpsteams;

  • j.

    familiegroepsplan: hulpverleningsplan of plan van aanpak opgesteld door de ouders, samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren;

  • k.

    gebruikelijke zorg: de normale dagelijkse zorg die de leden van een huishouden geacht worden aan elkaar te bieden;

  • l.

    het gesprek: verdiepend gesprek met aanvrager op alle levensdomeinen om te kunnen bepalen welke voorziening(en) nodig zijn (ook wel keukentafelgesprek genoemd);

  • m.

    logeerbaar: de aanvrager kan de woning, de woonkamer, de badkamer, de slaapkamer en een toilet bereiken en gebruiken;

  • n.

    maatwerkvoorziening: een voorziening conform de Wmo 2015, waarvoor een indicatie nodig is en waarvoor een beschikking wordt afgegeven (vervangt de vroegere individuele voorziening);

  • o.

    plan op maat: een hulpverleningsplan zoals bedoeld in de Jeugdwet (art. 1.1). Waar in deze beleidsregels plan op maat staat kan ook ondersteuningsplan of hulpverleningsplan worden gelezen;

  • p.

    Verordening: de “Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Utrechtse Heuvelrug 2020;

  • q.

    vertegenwoordiger: iemand die de aanvrager/cliënt vertegenwoordigt; kan een wettelijk vertegenwoordiger zijn, maar ook een door de cliënt zelf gekozen persoon uit diens netwerk.

Voor de overige begripsomschrijvingen wordt verwezen naar de Verordening.

Ons college kan per thema beleidsregels jaarlijks tussentijds aanpassen.

1.2 Eigen bijdrage Wet maatschappelijke ondersteuning

Er geldt een eigen bijdrage van een vast tarief per maand voor huishoudens zolang zij gebruik maken van Wmo-voorzieningen verstrekt als zorg in natura of in de vorm een pgb. Cliënten betalen de eigen bijdrage slechts één keer, ook als zij gebruik maken van meerdere voorzieningen.

  • 1.

    De omvang van de bijdrage in de kosten wordt vastgesteld conform de systematiek en bedragen

    van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. In artikel 19, 2e lid van de Verordening is de maximale hoogte van de eigen bijdrage opgenomen.

  • 2.

    De eigen bijdrage bedraagt niet meer dan de kostprijs van de voorziening verhoogd met de kosten van onderhoud en reparatie.

  • 3.

    Als maximale eigen bijdrage gelden de bedragen en het percentage zoals opgenomen in artikel 2.1.4a van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, artikelen 3.8 en 3.9. Indexering van de bedragen vindt jaarlijks plaats door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

  • 4.

    Wanneer een cliënt via het Collectief Vraagafhankelijk Vervoer gecompenseerd wordt (regiotaxi) is er geen sprake van een bijdrage in de kosten zoals bedoeld in lid 1 tot en met 3 van dit artikel. Er is dan sprake van een reizigersbijdrage (per zone) die overeenkomt met de geldende tarieven van het reguliere openbaar vervoer.

  • 5.

    Voor arbeidsmatige dagbesteding door middel van het product “maatschappelijke deelname” is de cliënt geen eigen bijdrage verschuldigd.

  • 6.

    Indien er sprake is van bemoeizorg, wordt er geen eigen bijdrage opgelegd.

1.3 Vorm van de verstrekking

1.3.1 In natura

Bij naturaverstrekking wordt de voorziening 'gebruiksklaar' ter beschikking gesteld aan degene die er aanspraak op heeft. Bij hulpmiddelen gaat het dan om het leveren van het hulpmiddel aan de gebruiker. Het is mogelijk naturavoorzieningen in eigendom of in bruikleen te verstrekken. Bij de gemeente Utrechtse Heuvelrug is het uitgangspunt dat voorzieningen in bruikleen worden verstrekt. Een andere vorm van naturaverstrekking is dienstverlening, zoals bijvoorbeeld regiovervoer. Waar nodig regelt de gemeente onderhoud, keuring en reparatie van hulpmiddelen. Bij gecontracteerde leveranciers wordt vaak een totaalpakket afgenomen. In zo’n pakket zijn onderhoud, keuring, reparatie en een pech-onderweg service ondergebracht.

1.3.2 Persoonsgebonden budget (pgb)

Met een pgb kan cliënt naar eigen wens een voorziening inkopen die vergelijkbaar is met de geïndiceerde voorziening in natura. Een pgb is een geldbedrag dat in plaats van een naturavoorziening kan worden verstrekt. De hoogte van een pgb bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening in natura. De Sociale Verzekeringsbank beheert de budgetten en zorgt voor uitbetalingen voor diensten zoals thuisondersteuning en beschermd wonen.

Een eenmalig pgb voor een hulpmiddel woonvoorziening, vervoervoorziening keert de gemeente uit aan de aanvrager of leverancier. Bij een pgb wordt ook gecontroleerd of de cliënt pgb-vaardig is. In hoofdstuk 3 wordt uitgebreid ingegaan op de regels rond het pgb.

1.3.3 Financiële tegemoetkoming

Een financiële tegemoetkoming is een vastgesteld bedrag dat eenmalig of gefaseerd door de gemeente wordt uitbetaald. In het Besluit maatschappelijke ondersteuning Utrechtse Heuvelrug is vastgelegd voor welke voorzieningen een (gemaximeerde) financiële tegemoetkoming mogelijk is. Voorbeelden van financiële tegemoetkomingen:

  • a.

    vervoer

    • vervoer per eigen auto;

    • autoaanpassingen;

  • b.

    wonen

    • woonlasten en kosten aan voorzieningen zoals huurderving, onderhoud/keuring en reparatie en dubbele woonlasten;

    • tegemoetkoming in verhuis- en inrichtingskosten;

    • woningaanpassing;

    • een vergoeding voor legeskosten aanvragen bouwvergunning;

    • losse woonvoorzieningen die in eigendom worden verstrekt;

  • c.

    sportvoorzieningen

    • sportrolstoel.

Indien er sprake is van een financiële tegemoetkoming voor een voorziening, wordt er een eigen bijdrage betaald totdat de kostprijs van de tegemoetkoming is bereikt. Indien de tegemoetkoming een afschrijvingsperiode kent, dan wordt de eigen bijdrage betaald gedurende deze periode of totdat de kostprijs is bereikt.

2 Aanvraag hulp en ondersteuning

2.1 Hulpvraag, melding, familiegroepsplan, onderzoek en aanvraag

Hulpvraag

De inwoner, die behoefte heeft aan ondersteuning, of diens vertegenwoordiger, kan terecht bij de Sociale Dorpsteams in de dorpen, maar ook bij andere dienst-/hulpverleners in de gemeente (b.v. huisarts, wijkverpleegkundige). Bij de Sociale Dorpsteams werken consulenten die qua opleiding en ervaring toegerust zijn voor hun taken. In eerste instantie wordt een verkennend gesprek gevoerd met de inwoner of diens vertegenwoordiger.

Melding

Een hulpvraag kan door of namens een aanvrager bij het college op enigerlei wijze worden gemeld. Dat kan dus telefonisch, via de website of bij een van de Sociale Dorpsteams. De melding wordt door het Sociale Dorpsteam bevestigd.

Opstellen van een familiegroepsplan

Het opstellen van een familiegroepsplan is specifiek voor ondersteuning zoals bedoeld volgens de Jeugdwet. Een familiegroepsplan kan al worden opgesteld nadat de melding is gedaan en voordat het onderzoek plaatsvindt. Vandaar dat het op deze plek in het proces is geplaatst. Het opstellen van het familiegroepsplan kan echter ook later in het proces nog plaatsvinden.

Het Sociale Dorpsteam brengt de jeugdige en zijn ouders op de hoogte van de mogelijkheid om binnen een redelijke termijn een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de wet op te stellen. Als de jeugdige en zijn ouders daarom verzoeken, draagt het college zorg voor ondersteuning bij het opstellen van een familiegroepsplan. Het familiegroepsplan speelt ook een rol in het gedwongen kader. De beschrijvingen in deze beleidsregels omtrent het familiegroepsplan betreffen echter alleen het vrijwillig kader van jeugdhulp.

De Jeugdwet geeft een aantal uitzonderingen waarin ouders en jeugdige geen gelegenheid krijgen om eerst een familiegroepsplan te maken. In het vrijwillige kader is dit wanneer het opstellen van een familiegroepsplan de belangen van de jeugdige schaadt, bijvoorbeeld door een concrete bedreiging van de veiligheid of ontwikkeling van het kind. Reden: als een professional ernstige onveiligheid (bijvoorbeeld seksueel misbruik, ernstige verwaarlozing of mishandeling) constateert bij een kind, dan heeft het gezin blijkbaar zelf niet voldoende in die veiligheid kunnen voorzien. Veiligheid voor het kind is dan de eerste prioriteit.

Ook is de uitvoering van een familiegroepsplan begrensd door het professionele kader op grond van de te hanteren professionele standaard als bedoeld in artikel 453 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 4.1.1, tweede lid, juncto 4.1.5, eerste lid, van de Jeugdwet en de verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. Deze eisen zijn geoperationaliseerd in het Kwaliteitskader van het Besluit Jeugdwet. De professional zal dus vanuit zijn beroepsuitoefening moeten toetsen of hij uitvoering kan geven aan het familiegroepsplan en daarover in gesprek moeten gaan met betrokkenen, met als ondergrens de veiligheid en gezonde ontwikkeling van de jeugdige.

Ondersteuning bij het opstellen van een familiegroepsplan

De gemeente heeft de taak om haar beleid zo vorm te geven dat het gericht is op het tot stand brengen en uitvoeren van familiegroepsplannen (artikel 2.1, onder g, van de Jeugdwet). De bedoeling is dat ouders en jeugdigen versterkt worden in hun eigen kracht en zoveel mogelijk zelf de regie houden wanneer zij kampen met problemen. Het familiegroepsplan is daarbij een belangrijk instrument. Dat jeugdigen en ouders niet gedwongen kunnen worden om een familiegroepsplan op te stellen spreekt voor zich. Uiteraard kan het Sociale Dorpsteam – in bepaalde gevallen waar dat meerwaarde zou kunnen hebben – dit wel aanraden en stimuleren. Bovendien, ook als er geen familiegroepsplan wordt opgesteld, zullen bepaalde zaken die ter sprake kunnen komen tijdens het opstellen van een familiegroepsplan óók ter sprake komen tijdens het onderzoek (een gesprek tussen het Sociale Dorpsteam en de jeugdige of zijn ouders, zie volgende paragraaf). Dan gaat het bijvoorbeeld om het vermogen van de jeugdige of zijn ouders om zelf of met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de hulpvraag te vinden. In dat geval is het familiegroepsplan ingebed in het handelen van de hulpverlener.

Het kan zijn dat het nodig is om enige vorm van ondersteuning te bieden bij het opstellen van een familiegroepsplan om hier effectief uitvoering aan te geven. Deze ondersteuning dient geboden te worden als de jeugdige of zijn ouders hier behoefte aan hebben. Uiteraard kunnen de jeugdige of zijn ouders niet gedwongen worden om ondersteuning te accepteren, maar kan het Sociale Dorpsteam – in bepaalde gevallen waar dat meerwaarde zou kunnen hebben – ook hier wel aanraden en stimuleren. Welke vorm deze ondersteuning heeft, is aan het Sociale Dorpsteam, bovendien kan deze van geval tot geval verschillen. Belangrijk is voor ogen te houden dat er geen sprake is van “one size fits all”. Het kan nodig zijn op verschillende manieren het opstellen van het familiegroepsplan te faciliteren. Belangrijke factoren hierin zijn:

  • -

    de wensen van het gezin: hoe willen en kunnen zij het familiegroepsplan vormgeven en wie hebben zij daar bij nodig?

  • -

    het vertrouwen dat een gezin wel of niet heeft in een professional die hen ondersteunt bij een familiegroepsplan. Bijvoorbeeld, gezinnen met een langdurige hulpverleningsgeschiedenis hebben mogelijk meer vertrouwen in een onafhankelijke coördinator dan in een professional uit een instelling die zij al kennen.

  • -

    de aard en ernst van de problemen in het gezin: bij ernstige of complexe problemen hebben ouders wellicht meer ondersteuning nodig om een familiegroepsplan op te stellen dan bij lichte problemen. En bij omstandigheden die een bedreiging voor de ontwikkeling van een kind vormen is het nodig dat professionals de veiligheid van een kind in de gaten houden een vinger aan de pols houden of het familiegroepsplan voldoende is.

Het familiegroepsplan moet binnen redelijke termijn opgesteld worden. Een vaste termijn stellen is niet mogelijk, aangezien dit ook mede afhangt van de mate waarin en de vorm van eventuele geboden ondersteuning. Omdat het onderwerp zal zijn van het onderzoek, ligt het voor de hand dat het familiegroepsplan voorafgaand aan het begin van het onderzoek wordt opgesteld. Maar ook tijdens het onderzoek kan mogelijk nog de (gedeelde) wens ontstaan om de eigen kracht nader te onderzoeken en een familiegroepsplan op te stellen. Zo de situatie zich daarvoor leent, kan dan besloten worden hiermee aan de slag te gaan en het onderzoek daarna voort te zetten. Het opstellen van een familiegroepsplan hoeft niet een eenmalige gebeurtenis te zijn, maar het kan herhaald en bijgesteld worden. Ook kan het familiegroepsplan later in het proces, bijvoorbeeld ten tijden van het onderzoek worden opgesteld.

Onderzoek

Het gesprek is het uitgangspunt van het uitgebreide onderzoek naar de situatie van de aanvrager. Specifiek voor jeugd geldt het volgende. Als de jeugdige en zijn ouders een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet hebben opgesteld, betrekt het Sociale Dorpsteam dat als eerste bij het onderzoek. Altijd zal het Sociale Dorpsteam moeten oordelen welke jeugdhulp zij nodig acht en in welke mate de jeugdige en zijn ouders, zo nodig met hulp uit de naaste omgeving, op eigen kracht bepaalde problemen (deels) kunnen oplossen. Een deugdelijk familiegroepsplan, al dan niet opgesteld met hulp van de gemeente, kan deze stap in het proces vergemakkelijken.

Bij het onderzoek – zowel in het kader van de Wmo als voor Jeugd - is aandacht voor:

  • -

    de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van aanvrager;

  • -

    het gewenste resultaat van de gevraagde ondersteuning;

  • -

    de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp te voorzien in zijn behoefte aan ondersteuning en maatwerk;

  • -

    de mogelijkheid om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn situatie;

  • -

    de behoefte aan ondersteuning van de mantelzorger(s) van aanvrager;

  • -

    de mogelijkheid om gebruik te maken van algemene, collectieve en/of andere voorliggende voorzieningen;

  • -

    de mogelijkheid om van een maatwerkvoorziening gebruik te maken;

  • -

    de mogelijkheid om te kiezen voor verstrekking in de vorm van een pgb;

  • -

    welke eigen bijdrage voor aanvrager van toepassing is (alleen van toepassing op de Wmo).

De consulent doet op basis van de gegevens uit het gesprek nader onderzoek om te bepalen of aanvrager een maatwerkvoorziening of dienst op grond van de Wmo 2015 of Jeugdwet nodig heeft en informeert hem over zijn bevindingen. Een gesprek om een voorziening aan te meten (bijvoorbeeld een rolstoel), een haalbaarheidstraining of een offerte van een woningaanpassingsbedrijf kan ook onderdeel uitmaken van het onderzoek.

Het aanvragen van een medisch advies -bij de door de gemeente gecontracteerde instantie voor sociaal medisch en/of ergonomisch advies- kan onderdeel uitmaken van het onderzoek. Dit onderzoek vindt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen zes weken na aanvraagdatum plaats.

Van gesprek en onderzoek wordt een verslag gemaakt. Als aanvrager het verslag ondertekent en het verslag is voorzien van zijn naam, geboortedatum en een dagtekening, kan het verslag fungeren als aanvraagformulier voor een maatwerkvoorziening. De aanvraag kan door de aanvrager dan ook elektronisch worden ingediend, waarbij ontvangst van de aanvraag als aanvraagdatum geldt.

Tijdens het onderzoek komt aan de orde in hoeverre de inwoner voldoende geholpen is met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke of algemene voorzieningen, of andere voorliggende voorzieningen zoals de Zorgverzekeringswet of de Wet langdurige zorg. Deze zijn voorliggend op de maatwerkvoorzieningen. Ook wordt er gekeken in hoeverre er sprake is van gebruikelijke zorg.

Aanvraag

Een aanvraag kan alleen door de gemeente in behandeling worden genomen wanneer een aanvraagformulier of gespreksverslag (plan op maat) is voorzien van naam, geboortedatum en ondertekening door de aanvrager (of gemachtigde). De datum waarop de aanvraag juist en volledig is ontvangen door de gemeente, geldt als aanvraagdatum. Wanneer de gemeente een aanvraag ontvangt die door een ander bestuursorgaan behandeld moet worden, heeft de gemeente doorzendplicht (art. 2:3 Awb).

2.2 Algemene toetsingscriteria

In de Wet is aangegeven op welke wijze en op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een maatwerkvoorziening noodzakelijk is. Alvorens wordt overgegaan tot de verstrekking van een maatwerkvoorziening, wordt eerst gekeken naar andere mogelijkheden om de inwoner te helpen met zijn beperkingen. Dat kan bijvoorbeeld een verwijzing zijn naar een voorliggende voorziening (zoals de Wlz), het helpen bij het inzetten van het eigen netwerk, of een verwijzing naar een algemene voorziening. Dit dient in het gespreksverslag/plan op maat gemotiveerd naar voren te komen. De maatwerkvoorziening vormt het sluitstuk. In het afwegingsproces komen steeds de volgende elementen terug:

  • -

    Alle mogelijkheden van de inwoner om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit het sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene of andere voorzieningen zijn zelfredzaamheid of participatie te behouden of te verbeteren, dan wel te regelen dat hij geen behoefte meer heeft aan maatwerkvoorzieningen, worden in het onderzoek naar aanleiding van de aanvraag eerst beoordeeld.

  • -

    Om in aanmerking te komen voor een individuele maatwerkvoorziening moet sprake zijn van een beperking in de zelfredzaamheid en participatie als gevolg van problematiek op tenminste één van de onderstaande resultaatgebieden:

    • o

      een evenwichtige draagkracht en draaglast van de mantelzorger;

    • o

      een schoon, leefbaar en gestructureerd huishouden;

    • o

      wonen in een geschikte woning;

    • o

      het uitvoeren van dagelijkse activiteiten en het hebben van een ingevulde dag;

    • o

      mogelijkheid om zich te verplaatsen, te vervoeren en sociale contacten aan te gaan;

    • o

      mogelijkheid om beschermd te kunnen wonen en opvang te krijgen.

  • -

    De maatwerkvoorziening levert een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.

  • -

    Bij de beoordeling van de aanvraag voor een maatwerkvoorziening hanteert het college ook de volgende criteria:

    • o

      een aanspraak op een algemene of andere voorziening, waaronder onder meer (aanvullende) ziektekostenverzekeringen en aansprakelijkheidsverzekeringen, is voorliggend op een aanspraak op een maatwerkvoorziening. De Wlz is eveneens voorliggend op de Wmo;

    • o

      er is geen sprake van normale maatschappelijke kosten of van een algemeen gebruikelijke voorziening;

    • o

      het college kent in beginsel de meest adequate en zo goedkoop mogelijke voorziening toe;

    • o

      het college vergoedt of verstrekt geen voorziening als de normale afschrijvingstermijn van de eerder vergoede of verstrekte gelijkwaardige voorziening nog niet is verstreken of deze technisch nog niet is afgeschreven.

  • -

    Voorzienbaarheid

    Voorzieningen kunnen worden geweigerd indien een inwoner tot aanschaf of bijvoorbeeld een verhuizing overgaat, zonder rekening te houden met zijn beperkingen en de te verwachten ontwikkelingen daarvan.

    Indien een inwoner overgaat tot aanschaf van een hulpmiddel of gebruikmaakt van een dienst, voordat het college over de aanvraag heeft beschikt, dan is er eigen kracht getoond en vindt er geen vergoeding vanuit de Wmo plaats. Een uitzondering hierop is als er spraken is van een noodsituatie, waarbij er niet gewacht kon worden op een beschikking. De beoordeling of er achteraf nog positief beschikt kan worden ligt bij het college.

  • -

    Woonplaats

    Een maatwerkvoorziening Wmo kan worden toegekend aan een inwoner van de gemeente Utrechtse Heuvelrug. De inschrijving in de BRP is daarbij een belangrijk uitgangspunt. Iemand kan niet in meerdere gemeenten tegelijkertijd woonplaats hebben en de vraag in welke gemeente de cliënt woonplaats heeft, is ook afhankelijk van de concrete feiten omstandigheden. Bij de vraag waar de cliënt feitelijk verblijft, is ook van belang waar iemands centrale leven zich afspeelt (zie Rechtbank Utrecht 09-12-2010 nr. SBR 09/2443 WMO). Hierbij zijn factoren van belang zoals bijvoorbeeld de omvang van het sociale leven ter plaatse (waar iemand zijn vrienden ontvangt) en het gebruik van diverse (maatschappelijke) voorzieningen ter plaatse.

    Wanneer iemand vanuit een andere gemeente verhuist naar de Utrechtse Heuvelrug is het van belang dat hij tijdig contact opneemt met het sociale dorpsteam om te zorgen voor continuïteit in de voorziening.

2.2.1Beleid hulphond

Regelmatig wordt een aanvraag ingediend voor een hulphond, bijvoorbeeld bij PTSS-klachten. Hulphonden kunnen worden vergoed vanuit de Zorgverzekeringswet, bijvoorbeeld een blindengeleidehond. Deze wordt echter alleen vergoed als de effectiviteit wetenschappelijk is vastgesteld. Op dit moment is er onvoldoende wetenschappelijke bewijs van het effect van hulphonden bij psychische klachten. Daarom vergoedt de zorgverzekeringswet dit niet en omdat er onvoldoende wetenschappelijk bewijs is voor het effect van hulphonden bij psychische klachten, is er ook geen aanleiding om dit te verstrekken op grond van de Wmo 2015. Daar komt bij dat het in veruit de meeste gevallen niet de goedkoopst adequate oplossing zal zijn voor de ondervonden problemen/belemmeringen. Het beleid van het college is dan ook om (opleidingskosten voor) een hulphond niet te vergoeden vanuit de Wmo 2015.

2.3 Algemeen gebruikelijke voorzieningen en gebruikelijke hulp

Met "algemeen gebruikelijk" worden voorzieningen of producten bedoeld die voor iedereen te koop zijn. Deze voorzieningen zijn niet speciaal bedoeld of gemaakt voor mensen met een handicap of beperking. Er geldt geen compensatieplicht voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen of andere maatregelen die naar hun aard algemeen gebruikelijk zijn. Voorbeelden: een fiets, schoonmaakmiddelen, een wandelstok en een eenvoudige rollator.

Wanneer is iets algemeen gebruikelijk?

  • a.

    het product is te koop in een reguliere winkel;

  • b.

    het product is niet speciaal bedoeld voor mensen met een handicap of beperking;

  • c.

    het product is niet veel duurder dan vergelijkbare producten met hetzelfde doel.

Gebruikelijke hulp:

Dit is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Partners en inwonende gezinsleden staan elkaar bij in de normale dagelijkse zorg, zoals taken in het gezamenlijke huishouden, administratie, schoonmaken, elementaire zorgtaken, bezoek aan familie/instanties/arts, etc. Bron: CIZ indicatiewijzer versie 7.1, juli 2014, hoofdstuk 4. De gemeente hanteert het protocol gebruikelijke zorg als richtlijn.

Ondersteuning wordt als gebruikelijke hulp beschouwd:

  • 1.

    In kortdurende situaties (maximaal 3 maanden): als uitzicht op herstel (van de zelfredzaamheid) dusdanig is dat ondersteuning daarna niet meer nodig zal zijn.

  • 2.

    In langdurige situaties;

    • -

      bij normaal maatschappelijk verkeer binnen de persoonlijke levenssfeer (bezoek familie/vrienden, bezoek arts, brengen en halen van kinderen naar school, sport of clubjes, etc.);

    • -

      hulp bij overnemen van alle taken die bij een huishouden behoren zoals de thuisadministratie, het schoonhouden van het huis, et cetera;

    • -

      het leren omgaan van derden (familie/vrienden/leerkracht etc.) met cliënt.

Collectieve voorziening:

Deze voorzieningen worden speciaal georganiseerd voor mensen met beperkingen. Het gebruik wordt gedeeld met anderen. Voorbeeld is het pilotproject voor scootmobielen bij Kraaijbeek, een woonoord in Driebergen. Andere voorbeelden zijn:

  • -

    de regiotaxi;

  • -

    een rolstoeltaxi- bus;

  • -

    tafeltje dekje.

2.4 Algemene voorziening

Algemene voorziening is een breed begrip. Het betreft voorzieningen waar iedereen, zonder indicatie of andere vorm van toekenning, gebruik van kan maken.

Voorbeelden van algemene voorzieningen zijn:

  • -

    boodschappendiensten supermarkten

  • -

    glazenwasser

  • -

    tuinonderhoud

  • -

    commercieel sportaanbod

  • -

    gemaksdiensten van de zorgverzekeraar

  • -

    kinderopvang

  • -

    consultatiebureau en jeugdverpleegkundigen/jeugdarts (GGD)

  • -

    welzijnswerk

  • -

    (school)maatschappelijk werk

2.5 Voorliggende (wettelijke) voorzieningen
  • a.

    De ondersteuning via de Wmo 2015 wordt begrensd door de ondersteuning en zorg die kan worden geboden op grond van de Jeugdwet, de Wet langdurige zorg, de Zorgverzekeringswet of de Participatiewet. Dit zijn voorliggende voorzieningen. Deze voorliggende voorzieningen kunnen dus voorzieningen op basis van andere wetgeving zijn.

  • b.

    Een persoon die qua leeftijd tot de doelgroep van de Jeugdwet behoort, kan geen beroep doen op de Wmo 2015 en andersom, tenzij het gaat om voorzieningen die de wetgever expliciet onder de Wmo 2015 laat vallen, zoals woningaanpassingen. Zorg die valt onder de Zorgverzekeringswet, zoals wijkverpleging, wordt niet geleverd via de Wmo 2015. Een combinatie van zorg via de Zorgverzekeringswet en ondersteuning via de Wmo 2015 is wel mogelijk.

  • c.

    Inwoners met een Wlz-indicatie hoeven niet per definitie intramurale zorg te krijgen. Ze kunnen ook thuis blijven wonen met Wlz-ondersteuning vanuit een volledig pakket thuis (VPT), een modulair pakket thuis (MPT) of een persoonsgebonden budget.

  • d.

    Wanneer het college gegronde redenen heeft om aan te nemen dat de cliënt een recht op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wet langdurige zorg of een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet heeft, dan wel weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit dienaangaande, kan het college een voorziening weigeren.

Overgangsmaatregelen Wmo 2015 per 1 januari 2020:

  • a.

    Als een cliënt op 1 januari 2020 al in een zorginstelling woont met een rolstoel of vervoermiddel van de Wmo, blijft de gemeente verantwoordelijk voor onderhoud en aanpassingen totdat het middel moet worden vervangen. Vanaf dat moment valt deze onder de verantwoordelijkheid van de Wlz (Zorgkantoor).

  • b.

    Als een cliënt na 1 januari 2020 naar een zorginstelling verhuist, moet worden bekeken of de rolstoel of het vervoermiddel moet worden vervangen. Als deze moet worden vervangen valt deze onder de verantwoordelijkheid van de Wlz (Zorgkantoor). Als deze niet hoeft te worden vervangen, kan deze worden overgenomen door de Wlz. De beoordeling hiervan is aan het Zorgkantoor.

  • c.

    Voor cliënten die in geclusterde woonvormen wonen waar ze zelf de woonlasten betalen, blijven de vervoermiddelen, rolstoelen en woonvoorzieningen (voorlopig) ongewijzigd onder de Wmo vallen.

De precieze scheidslijnen tussen de Wmo en Wlz kunnen veranderen door wijzigingen in landelijk beleid. Daarom is hier in de Beleidsregels geen tabel met onderscheid tussen Wmo en Wlz opgenomen.

2.6 Afbakening Jeugdwet
  • a.

    Voor jeugdhulp geldt dat gemeenten geen voorzieningen hoeven te treffen als er aanspraak mogelijk is op de Wlz, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of een recht op zorg als bedoeld bij of krachtens de zorgverzekeringswet.

  • b.

    Recht op zorg op grond van de Wlz bestaat op het moment dat het kind blijvend (levenslang) zorg nodig heeft en permanent toezicht of 24-uurs zorg in de nabijheid noodzakelijk is. De zorg is nodig vanwege een verstandelijke of zintuigelijke handicap.

  • c.

    Hulp/ondersteuning die buiten de Jeugdwet blijft, bijvoorbeeld hulp die zorgverzekeraars beschikbaar stellen via aanvullende pakketten, komt niet in aanmerking voor vergoeding (ook niet via pgb). Dit geldt ook voor jeugdigen of ouders zonder aanvullend pakket.

  • d.

    Wanneer het college gegronde redenen heeft om aan te nemen dat de cliënt een recht op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wet langdurige zorg of een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet heeft, dan wel weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit dienaangaande, kan het college een voorziening weigeren.

Voor de overgang van 18- naar 18+ geldt dat:

  • -

    de gemeente niet meer jeugdhulpplichtig is als de zorg vanaf 18 jaar op grond van een andere wet (Zvw, Wlz of Wmo) kan worden verleend;

  • -

    de gemeente wél verantwoordelijk is voor het voortzetten van de jeugdhulp tot 23 jaar als het om een vorm van jeugdhulp gaat die voor meerderjarigen niet op grond van een andere wet kan worden voortgezet (met name jeugd- en opvoedhulp) en jeugdhulp in het kader van het strafrecht en jeugdreclassering. Het gaat hier uitdrukkelijk om het voortzetten van hulp die al is ingezet voordat de jeugdige 18 jaar werd.

Hieronder volgt een wat uitgebreidere beschrijving van de situatie wanneer er verlengde jeugdhulp mogelijk is. De vorm van jeugdhulp welke in de Jeugdwet als volgt wordt gedefinieerd (onder punt 1, artikel 1.1. Jeugdwet, onder definitie Jeugdhulp ): “ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptiegerelateerde problemen”, kán nog enige tijd doorlopen ná 18 jaar, tot uiterlijk 23 jaar mits :

  • -

    deze vorm van jeugdhulp al is aangevangen vóór de 18e verjaardag, of

  • -

    -de verwijzing / bepaling jeugdhulp / afgifte verleningsbesluit is gedaan vóór de 18e verjaardag, of

  • -

    binnen een termijn van een half jaar wordt bepaald dat hervatting van jeugdhulp welke was afgesloten vóór de 18e verjaardag hervat moet worden en

  • -

    er géén aanspraak gemaakt kan worden op een voorziening op basis van de Wet Langdurige Zorg of de Zorgverzekeringswet of een andere wettelijke bepaling en

  • -

    er géén “Begeleiding” kan worden geboden op basis van de Wet Maatschappelijke ondersteuning.

De laatste voorwaarde betekent in de praktijk dat het bij verlengde jeugdhulp alleen gaat om vormen van hulp die vóór 1 januari 2015 onder de Wet op de jeugdzorg vielen. Het betreft diverse vormen van hulp (residentieel als ambulant) voor jongeren met jeugd- en opvoedproblematiek. Voor andere vormen bestaat een ander wettelijk kader, of zij zijn juridisch niet mogelijk:

  • -

    Curatieve lichamelijke zorg en GGZ boven 18 jaar valt onder de Zvw, dit geldt ook voor jongeren die vóór hun 18e al GGZ vanuit de Jeugdwet ontvingen.

  • -

    Zorg voor mensen met grondslag (SGL)VG, LG en ZG die levensbreed, levenslang en 24 uur per dag zorg nodig hebben valt onder de Wlz;

  • -

    Individuele begeleiding en beschermd wonen boven de 18 jaar valt onder de Wmo 2015.

  • -

    Het gedwongen kader kan juridisch niet voortgezet worden na meerderjarigheid, omdat dit in strijd is met het ERVM.

Aandachtspunten:

  • -

    Jeugd GGZ kan in principe nooit verlengde jeugdwet zijn (valt onder de zorgverzekeraar), Tenzij deze is opgelegd door de rechter in het kader van jeugdreclassering. Alle hulp die in het kader van jeugdreclassering nodig wordt geacht moet op grond van de Jeugdwet worden ingezet. Dit geldt zowel voor de Wmo als voor GGz bij 18+. Jeugdreclassering kan ingezet worden voor en ná het 18e levensjaar, en tot 23 jaar.

3 Regels rond verstrekking en verantwoording (bij een pgb)

3.1 Persoonsgebonden budget voor een maatwerkvoorziening

Visie

Utrechtse Heuvelrug wil een sterke samenleving waarin inwoners zelf regie hebben over hun eigen leven, en dat dat ook geldt voor inwoners die een beroep moeten doen op voorzieningen. In dit kader is het pgb een gelijkwaardig instrument voor het realiseren van vraaggerichte en betaalbare ondersteuning voor cliënten (of hun vertegenwoordigers) die in eigen regie zelf op verantwoorde wijze middels het pgb aan hun ondersteuning die nodig is voor participatie, vorm en inhoud willen en kunnen geven. Het verstrekken van pgb’s is daarmee een manier om doelmatige ondersteuning te realiseren.

Doelen

  • 1.

    De gemeente informeert actief de cliënten en direct betrokkenen jeugdigen en hun ouders over de optie van een pgb en maakt de gevolgen daarvan duidelijk.

  • 2.

    De gemeente creëert voorwaarden om een pgb te verstrekken waarbij de veiligheid, doeltreffendheid zijn gewaarborgd. Als een cliënt zijn voorkeur voor een pgb aangeeft, zal de gemeente dit honoreren, tenzij niet voldaan wordt aan wettelijke voorwaarden.

  • 3.

    De consulenten hebben kennis over de pgb regeling om voorlichting over het pgb te geven en het aanvraagproces voor de budgethouders te begeleiden.

  • 4.

    De gemeente stelt alles in het werk om het aanvraag – en toekenningsproces doeltreffend te faciliteren.

  • 5.

    Om de toegang tot pgb en ZIN op een doeltreffende manier te ontwikkelen, wordt onder meer een afwegingskader rond informele hulp en mantelzorg opgesteld, gestoeld op het CIZ kader gebruikelijke zorg in de Wlz.

Resultaten

  • 1.

    Het persoonsgebonden budget maakt het voor mensen met een ondersteuningsvraag mogelijk om de regie over hun eigen leven te behouden en zelf hun eigen leven in te richten dat aansluit op hun ondersteuningsbehoefte.

  • 2.

    De toegang tot de pgb wordt als gelijkwaardig aan ZIN ervaren. De gemeente streeft naar consistentie in beleid naar inwoners die stappen zetten naar meer eigen regie en gebruik maken van pgb of overwegen dat te doen.

Keuzevrijheid

Als een inwoner aanspraak maakt op een individuele maatwerkvoorziening Wmo, dan kan de inwoner in beginsel kiezen voor de verstrekkingsvorm: of in de vorm van zorg in natura of in de vorm van een pgb. Dit belangrijke principe van keuzevrijheid ligt vast in de wet (artikel 2.3.6., eerste lid Wmo 2015).

Voor Jeugdhulp ligt dit anders. Cliënten die vallen onder de Jeugdwet, dienen gemotiveerd aan te geven waarom een voorziening in natura niet passend en toereikend is. Bij de verstrekking van een pgb moet rekening worden gehouden met het Wettelijk minimum loon. Dit is van toepassing op het informele tarief.

Toetsingscriteria

De gemeente stelt op voorhand geen formele (kwaliteits-)eisen aan dienstverleners pgb. Dit vanuit het principe dat de verantwoordelijkheid voor beheer en uitvoering van een pgb bij de budgethouder (burger) ligt. En vanuit het principe dat de Wet de kaders geeft.

In de Wet maatschappelijke ondersteuning (artikel 2.3.6) staan drie vereisten opgenomen waaraan een cliënt, eventueel met behulp van zijn of haar vertegenwoordiger, moet voldoen om in aanmerking te komen voor een pgb. Het gaat om:

  • 1.

    Bekwaamheid van de cliënt,

  • 2.

    Motivering van het pgb en

  • 3.

    Kwaliteit van de dienst.

Ad 1. de aanvrager is – eventueel met hulp van zijn sociaal netwerk of wettelijk vertegenwoordiger – in staat tot een redelijke waardering van zijn belangen en in is in staat om de aan een pgb verbonden taken op een verantwoorde wijze uit te voeren. Dit criterium betekent feitelijk dat de aanvrager in staat moet zijn om de regie te voeren op zijn traject. Hiermee wordt niet alleen bedoeld dat de aanvrager in staat moet zijn tot uitvoering van administratieve taken die behoren bij een pgb, maar betekent met name ook dat de aanvrager zijn traject / het handelen van de dienstverlener moet kunnen beoordelen en indien nodig in staat is om te handelen jegens een dienstverlener (bijstelling dienstverlening, kritisch aanspreken van …).

Ad 2. de aanvrager dient zich gemotiveerd op het standpunt te stellen dat hij de voorziening als een pgb geleverd wenst te krijgen in plaats van in de vorm van zorg in natura. Dit criterium betekent feitelijk dat de aanvrager moet laten zien dat hij er over na heeft gedacht en een hele bewuste keuze maakt voor een pgb. Het is vervolgens niet aan de gemeente om inhoudelijk een oordeel te vellen over de keuze. De toets van de gemeente in deze blijft beperkt tot een procedurele toets: heeft de burger zich voldoende gemotiveerd?

Ad 3. het derde criterium betreft een beoordeling van de inzet. Wordt met de door de aanvrager voorgestane inzet van het pgb gewaarborgd dat de dienst veilig, doeltreffend en cliëntgericht wordt verstrekt? Hierbij weegt de gemeente mee of de voorgestane in te zetten voorzieningen door de dienstverlener in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt. Wordt met de inzet het voorgestane resultaat bereikt? Bij een pgb voor een formele aanbieder wordt bijvoorbeeld gekeken naar de SKJ-registratie. Dit betekent feitelijk dat de gemeente voorafgaande aan de afgifte van de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening dient te weten hoe de aanvrager na toekenning zijn pgb wenst in te zetten. Deze toets wordt primair gemaakt aan de hand van het pgb-plan.

Voor wat betreft de Jeugdwet geldt op grond van artikel 8.1.1, 2e lid het volgende. Een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, indien:

  • 1.

    de jeugdige of zijn ouders naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat zijn tot een redelijke waardering van de belangen ter zake dan wel met hulp uit hun sociale netwerk dan wel van een curator, bewindvoerder, mentor, gemachtigde, gecertificeerde instelling of aanbieder van gesloten jeugdhulp, in staat zijn de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren;

  • 2.

    de jeugdige of zijn ouders zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door een aanbieder, niet passend achten; en

  • 3.

    naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de jeugdige of zijn ouders van het budget willen betrekken, van goede kwaliteit is.

Toetsing van de voorwaarden

Toetsing van bovenstaande voorwaarden vindt plaats op basis van gesprekken met de consulent en het door de cliënt/vertegenwoordiger in te vullen pgb-plan. De consulent zal op basis van de verkregen informatie een advies geven over de aanvraag. Daarbij is er aandacht voor de verantwoordelijkheid die de cliënt draagt voor het bewaken van de kwaliteit van de ondersteuning en het actief sturen op resultaat. Het college oordeelt over de aanvraag van een pgb.

Via de link https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/brochures/2019/06/26/handreiking-voor-toetsing-op-minimale-pgb-vaardigheid/Handreiking+minimale+pgb-vaardigheid.pdf is te zien welke kennis en vaardigheden er nodig zijn om als budgethouder, vertegenwoordiger of gewaarborgde hulp te kunnen werken met een persoonsgebonden budget.

Kort samengevat. De cliënt:

  • Heeft voldoende kennis over het werk- of opdrachtgeverschap, of weet deze kennis te vinden.

  • Is in staat om als werk- of opdrachtgever de zorgverleners aan te sturen en aan te spreken op hun functioneren.

  • Kan beoordelen en beargumenteren of de geleverde zorg passend en kwalitatief goed is.

  • Is in staat om afspraken te maken en vast te leggen, en om dit te verantwoorden aan verstrekkers van het pgb.

  • Is voldoende vaardig om te communiceren met de gemeente, zorgverzekeraar of het zorgkantoor, de SVB en zorgverleners.

  • Is in staat om een overzichtelijke pgb-administratie bij te houden, waardoor inzicht is in de bestedingen van het pgb.

  • Is op de hoogte van de regels en verplichtingen die horen bij het pgb, of weet die zelf bij de desbetreffende instanties (online) te vinden.

Pgb-plan in te dienen door de cliënt

Wanneer de cliënt een pgb wenst, is de cliënt verplicht om een pgb-plan in te vullen. Samen met de gesprekken met de consulent en het plan op maat vormt dit document de basis waarop de voorwaarden getoetst worden om in aanmerking te komen voor een pgb.

Het pgb-plan bestaat uit twee onderdelen.

  • a.

    Het eerste onderdeel omvat de omschrijving van de ondersteuningsvraag, de doelen en resultaten,

  • b.

    Het tweede onderdeel omvat de tarieven en contracten met de dienstverlener.

De cliënt is ervoor verantwoordelijk dat het pgb-plan compleet is en binnen een termijn van maximaal twee weken wordt geretourneerd. Indien deze termijn niet haalbaar is gaan gemeente en cliënt in overleg om een realistische termijn te bepalen.

De cliënt vult een pgb-plan in wanneer de consulent hierom verzoekt. Het pgb-plan dient geheel te worden ingevuld door de cliënt of diens vertegenwoordiger (niet zijnde de zorgverlener). Er moeten vragen beantwoord worden over de ondersteuning die in gekocht gaat worden en over het budgethouderschap.

De gemeente heeft de volgende pgb plannen:

  • a.

    pgb-plan huishoudelijke hulp

  • b.

    pgb-plan Wmo begeleiding

  • c.

    pgb-plan jeugd

De consulent brengt een advies uit aan het college over het pgb-plan. De beoordeling van de aanvraag – waar het pgb-plan onderdeel van is - vindt plaats door het college.

Pgb-tarieven en nadere regels

In de nadere regels hebben de gemeente de pgb-tarieven vastgelegd. Een principieel uitgangspunt is dat de hoogte van een pgb niet meer kan bedragen dan de kosten die de gemeente zou hebben gehad in geval van de inzet via zorg in natura (Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Utrechtse Heuvelrug 2020, artikel 13, 3e lid ). Dit is dus een absolute begrenzing.

Hoogte pgb

De gemeente onderscheidt drie verschillende pgb-tariefstellingen: een tarief voor professionele dienstverleners die voldoen aan de kwaliteitseisen van een door de gemeente gecontracteerde aanbieder, een tarief voor professionele dienstverleners die niet voldoen aan de kwaliteitseisen van een door de gemeente gecontracteerde aanbieder en een tarief voor particuliere inzet, waaronder mede de inzet door het sociaal netwerk wordt begrepen.

  • -

    er wordt onderscheid gemaakt tussen ondersteuning door gediplomeerde zorgverleners die werken volgens de wettelijke kwaliteitsstandaarden en hulpverleners die dat niet doen (zoals het sociale netwerk, werkstudenten, zzp’ers zonder diploma’s);

  • -

    de maximale hoogte van een pgb is begrensd op de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate door het college ingekochte maatwerkvoorziening in natura;

  • -

    tussenpersonen of belangenbehartigers mogen niet uit het pgb betaald worden.

Zie verder het Besluit maatschappelijke ondersteuning Utrechtse Heuvelrug voor de tarieven.

De toekenning eindigt als:

  • -

    de budgethouder verhuist naar een andere gemeente. De gemeente neemt tijdig contact op met de nieuwe gemeente voor de continuïteit;

  • -

    de budgethouder overlijdt;

  • -

    de indicatieperiode of geldigheidsduur is verstreken;

  • -

    de budgethouder aangeeft dat zijn situatie is veranderd en (de gemeente) vaststelt dat de voorziening niet meer voldoet;

  • -

    de budgethouder geen verantwoording (meer) aflegt;

  • -

    als de budgethouder wordt opgenomen in een Wlz-instelling en deze opname een permanent karakter heeft;

  • -

    als de budgethouder langer dan 2 maanden aaneengesloten is opgenomen in een instelling;

  • -

    als de budgethouder aangeeft geen pgb meer te willen ontvangen en eventueel kiest voor een verstrekking in natura; in dat geval blijft het recht op de voorziening, zoals bijvoorbeeld huishoudelijke hulp en/of begeleiding (bij ongewijzigde omstandigheden) bestaan, maar wijzigt de vorm en krijgt de cliënt een nieuwe beschikking; de cliënt kan één keer per jaar wisselen tussen een pgb en een verstrekking in natura.

Pgb nooit voor vervoer Wmo

Vervoer maakt – in tegenstelling tot zorg in natura – nooit onderdeel uit van een pgb. Indien Wmo-vervoer noodzakelijk wordt geacht, wordt vervoer als een aparte maatwerkvoorziening toegekend. Collectief vervoer is daarbij voorliggend.

Trekkingsrecht

In de Wmo 2015 en de Jeugdwet is bepaald dat een pgb niet wordt overgemaakt naar de rekening van de cliënt. In plaats daarvan geldt het volgende:

  • -

    de gemeente betaalt het pgb uit in de vorm van trekkingsrecht;

  • -

    de uitvoering van dit trekkingsrecht is neergelegd bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB);

  • -

    de budgethouder laat via declaraties of facturen aan de SVB weten hoeveel uren ondersteuning zijn geleverd;

  • -

    de SVB zorgt vervolgens voor de uitbetaling aan de verlener van die ondersteuning;

  • -

    de niet bestede middelen worden door de SVB na afloop van de verantwoordingsperiode terugbetaald aan de gemeente.

  • -

    in de situaties waarbij sprake is van een eenmalige verstrekking voor de aanschaf van een maatwerkvoorziening, is geen sprake van trekkingsrecht

Geldigheidsduur pgb

De geldigheidsduur voor de toekenning van een maatwerkvoorziening(en) in de vorm van een pgb is ten hoogste de duur van de hiervoor afgegeven beschikking.

Informatie

Voorlichting over het pgb en de verantwoordelijkheden die daar bij komen kijken wordt gegeven door de consulent van het Sociaal Dorpsteam. Verder kan de cliënt terecht bij het Servicecentrum pgb van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en natuurlijk bij belangenorganisaties als Per Saldo.

4 Hulp bij het huishouden

Het kunnen voeren van een huishouden maakt langer zelfstandig wonen in de eigen leefomgeving mogelijk. Adequaat een huishouden kunnen voeren is een subjectief begrip waarbij een ieder eigen normen en waarden hanteert. Om dit te objectiveren en zo beter de noodzaak voor hulp te kunnen vaststellen is het gesprek met de aanvrager essentieel, eventueel aangevuld met nader onderzoek.

4.1 Hulp bij het huishouden

4.1.1 Voorliggende voorzieningen

Er wordt eerst gekeken of er voorliggende (algemene) voorzieningen zijn en of deze een oplossing kunnen bieden alvorens een maatwerkvoorziening wordt verstrekt. Hierbij kan gedacht worden aan algemene technische hulpmiddelen zoals een wasmachine, afwasmachine, wasdroger, magnetron voor maaltijden, aangepast fornuis/kookstel enz. Andere algemene voorzieningen zijn bijvoorbeeld:

  • -

    boodschappenbezorgdienst;

  • -

    maaltijdvoorziening;

  • -

    personenalarmering;

  • -

    hondenuitlaat-service;

  • -

    wasserij/stomerij;

  • -

    klussendienst;

  • -

    kinderopvang;

  • -

    glazenwasser.

Deze voorzieningen (commercieel of zonder winstoogmerk) zijn beschikbaar in onze gemeente. Er wordt hierbij rekening gehouden met de individuele omstandigheden van de aanvrager (beschikbare ruimte in de woning voor technische aanpassingen/hulpmiddelen, financiële mogelijkheden voor aanschaf/gebruik).

4.1.2Gebruikelijke hulp

Indien de aanvrager huisgenoten heeft (partner, kind, ouders, familielid, andere huisgenoten) die wel in staat zijn huishoudelijk werk te verrichten, komt men niet in aanmerking voor hulp in het huishouden. Er is dan namelijk sprake van gebruikelijke hulp.

Gebruikelijke hulp heeft een verplichtend karakter en hierbij wordt geen onderscheid gemaakt op basis van sekse, religie, cultuur, gezinssamenstelling, drukke werkzaamheden of persoonlijke opvattingen over het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden.

Iedere volwassene wordt geacht ook naast een drukke baan of gezin een huishouden te voeren.

Jong volwassenen in de leeftijd van 18 tot 21 jaar worden geacht een eenpersoonshuishouden te kunnen voeren. Vanaf 21 jaar wordt iemand geacht een meerpersoonshuishouden te kunnen voeren.

Van kinderen in de leeftijd van 12 tot 18 jaar wordt verwacht dat zij hun eigen kamer schoonhouden en een bijdrage leveren aan de licht huishoudelijke taken (zoals tafel afruimen, afwassen, kleding in de wasmand doen, kleine boodschappen doen).

Aangezien bij iedere aanvraag een onderzoek naar de individuele kenmerken en mogelijkheden van de aanvrager wordt gedaan is het mogelijk om af te wijken van gebruikelijke hulp. Uit jurisprudentie van de Wmo en de voormalige Awbz is bekend dat als een huisgenoot in aaneengesloten perioden van zeven etmalen vanwege werk afwezig is (bijvoorbeeld een vrachtwagenchauffeur internationaal) kan geen gebruikelijke hulp worden verwacht.

Wanneer een huisgenoot minder dan zeven etmalen afwezig is zal onderzocht moeten worden in hoeverre de huisgenoot een deel van de (uitstelbare) taken al dan niet kan overnemen.

Voor huisgenoten die aangeven geen huishoudelijke taken over te kunnen nemen omdat zij niet weten hoe dit moet en dit nog nooit gedaan hebben, kan voor korte tijd huishoudelijke hulp worden ingezet om de huisgenoot de vaardigheden aan te leren.

4.1.3Uitstelbare en niet uitstelbare taken

Bij huishoudelijke taken wordt onderscheid gemaakt tussen uitstelbare en niet uitstelbare taken. Uitstelbare taken zijn taken die gefaseerd over de week uitgevoerd kunnen worden zoals de was verzorging en de zwaar huishoudelijke taken. Niet uitstelbare taken zijn taken die dezelfde dag of binnen niet afzienbare tijd uitgevoerd moeten worden zoals maaltijden verzorgen, afwassen en opruimen en, ingeval van calamiteiten of door de aandoening veroorzaakte extra bevuiling, de was verzorging en het sanitair schoonmaken.

4.1.4Hulp bij het huishouden als maatwerkvoorziening

Hulp bij het huishouden (HH) is beschikbaar als maatwerkvoorziening, waarbij het recht individueel bepaald blijft. Op deze manier blijft het recht op hulp bij het huishouden bestaan, uiteraard na het gesprek op grond waarvan een voorziening wordt toegekend. Het gesprek met de cliënt is belangrijk om te kunnen bepalen welke type HH iemand nodig heeft.

De gemeente Utrechtse Heuvelrug kent 2 typen hulp bij het huishouden.

  • 1.

    Hulp bij het huishouden 1 (HH1); hierbij ligt de nadruk op het overnemen van huishoudelijke taken (schoonmaken waarbij cliënt zelf kan aangeven wat er moet gebeuren).

  • 2.

    Hulp bij het huishouden 2 (HH2); hierbij ligt de nadruk op de regiefunctie. Dit type hulp is voor mensen die zelf niet goed kunnen aangeven wat precies schoongemaakt moet worden of moeite hebben bij het organiseren van het huishouden.

Resultaatgebied HH1: een schoon en leefbaar huis

De hierbij passende huishoudelijke taken zijn:

  • -

    licht huishoudelijke taken;

  • -

    zwaar huishoudelijke taken;

  • -

    was verzorging;

  • -

    signaleren van veranderingen in gezondheid en sociale situatie.

  • -

    broodmaaltijden bereiden;

Resultaatgebied HH2: cliënt voert zelf (weer), zoveel als mogelijk, de regie over zijn huishouden

De hierbij passende huishoudelijke taken zijn:

  • -

    huishoudelijke werkzaamheden zoals onder HH1;

  • -

    dagelijkse organisatie van het huishouden;

  • -

    verzorging van inwonende kinderen;

  • -

    het aanleren en activeren van huishoudelijke taken.

4.1.5Omvang hulp bij het huishouden

Het recht op hulp bij het huishouden wordt op een minimum van 1 uur per week en een maximum van 2 uur per week gesteld. Als een inwoner vanwege ernstige medische problemen meer huishoudelijke hulp nodig heeft, kan de voorziening aangevuld worden met een ½ uur. Hiervoor zal over het algemeen een medische advies nodig zijn.

Indien de inwoner aangeeft niet thuis te kunnen blijven wonen met het maximum aantal toekenbare uren, kunnen er – bovenop het aanvullende ½ uur - meer uren worden toegekend. Dit gebeurt alleen bij uitzonderlijke gevallen na een gedegen (medisch) onderzoek.

Waar de hulp bij het huishouden uit bestaat kan per cliënt verschillen. De cliënt bepaalt in overleg met de zorgleverancier welke hulp hij/zij nodig acht, zowel voor de als maatwerkvoorziening toegekende uren als voor de zelf ingekochte uren. Indien HH2 wordt toegekend, omdat de regie ontbreekt, bespreekt de consulent de benodigde hulp nadrukkelijk met de cliënt en indien aanwezig de mantelzorger.

4.1.6Overbelasting

Wanneer de mantelzorger, tevens huisgenoot, overbelast blijkt te zijn door de zorg voor de aanvrager, kan tijdelijk hulp bij het huishouden worden ingezet. Van aanvrager en mantelzorger/huisgenoot wordt dan verwacht dat zij onderzoeken wat de mogelijkheden zijn om de overbelasting te verminderen, zodat op den duur de huishoudelijke taken weer door de huisgenoot kunnen worden uitgevoerd.

Een cliëntondersteuner of mantelzorgconsulent kan hierbij adviseren of ondersteuning bieden. Alleen wanneer blijkt dat, na een tijdelijke toekenning, ondanks herhaalde pogingen van betrokkenen om tot oplossingen te komen, het echt niet mogelijk is om de overbelasting te reduceren, kan langdurig hulp bij het huishouden worden ingezet.

4.1.7Voortzetten hulp na overlijden huisgenoot

Wanneer de cliënt overlijdt en een huisgenoot, die beperkingen heeft, achterblijft wordt de hulp bij het huishouden gedurende zes weken voortgezet. Zo heeft de achterblijvende huisgenoot zes weken de tijd om de hulp op een andere manier te organiseren of een aanvraag te doen voor huishoudelijke hulp.

4.1.8Invloed van de woning of woonvorm op de hulp bij het huishouden

Een grotere woning leidt niet tot meer hulp. Er wordt uitgegaan van het niveau van sociale woningbouw. Bij kamerverhuur wordt de huurder van de betreffende ruimte niet als huisgenoot gezien van wie gebruikelijke hulp wordt verwacht. Dat er sprake is van kamerverhuur moet met een huurovereenkomst worden aangetoond.

Als mensen zelfstandig samenwonen op één adres en gemeenschappelijke ruimtes delen wordt verwacht dat het aandeel in het schoonmaken van de gedeelde ruimtes bij uitval van één van de bewoners wordt overgenomen door een of meer andere bewoners.

Hulp bij het huishouden wordt dan alleen geleverd aan de woonruimte van de aanvrager en een evenredig deel van het schoonmaken van de gemeenschappelijke ruimtes. Er kan hier gedacht worden aan woongroepen of vormen van beschermd wonen of meerdere generaties in één huis.

In vakantiewoningen, tweede woningen, hotels/pensions of bij kamerhuur wordt in beginsel geen hulp bij het huishouden toegekend. Aangezien een vakantie doorgaans van korte duur is, is er sprake van uitstelbare taken of kan schoonmaak bij de verhuurder worden ingekocht.

4.1.9Pgb’s en eigen bijdragen hulp bij het huishouden

Voor de hoogte van de persoonsgebonden budgetten en eigen bijdragen voor hulp bij het huishouden wordt verwezen naar het Besluit maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp Utrechtse Heuvelrug.

4.2 Afwegingskader

Het doel van de ondersteuning is dat de cliënt kan participeren en zo veel mogelijk zelfredzaam is.

Daarbij moet het huishouden geen obstakel zijn. Het resultaat van de ondersteuning is dat de cliënt beschikt over een schoon huis. Het betekent dat het huis niet vervuilt en periodiek schoon wordt gemaakt om zo een algemeen aanvaard basisniveau van schoon te realiseren. De gemeente hanteert daarbij het protocol, de criteria als opgenomen in het rapport “Eindrapportage Empirisch onderzoek Normering van de basisvoorziening ‘Schoon Huis’, uitgevoerd door KPMG Plexus en Bureau HHM d.d. 12 augustus 2016 (Rapport). In dit rapport is onderbouwd welke schoonmaakactiviteiten, met welke frequentie moeten worden uitgevoerd om dit resultaat te bereiken.

In het navolgende staat beschreven wat tijdens het gesprek in ieder geval wordt afgewogen.

  • a.

    Activiteiten die door de cliënt zelf kunnen worden uitgevoerd behoren tot de eigen verantwoordelijkheid (eigen kracht). In de dagelijkse praktijk kan dit ook betekenen dat een deel van het huishouden door de cliënt wordt uitgevoerd en voor een ander deel ondersteuning wordt geboden. Een andere vorm van het benutten van eigen kracht is het verlenen van medewerking aan een zo efficiënt mogelijke ondersteuning. Dit betekent dat van de cliënt mag worden verwacht dat hiermee rekening wordt gehouden bij de inrichting van de woning en planning van huishoudelijke werkzaamheden. Te denken valt aan het zo mogelijk voorbereiden van de was en het ergonomisch verantwoord inrichten van de woning.

  • b.

    Was men al gewend om voor eigen rekening huishoudelijke hulp in te huren, dan is het enkele feit dat er zich beperkingen voordoen geen reden om een beroep te doen op gemeentelijke ondersteuning. Immers er zijn geen wezenlijke veranderingen in situatie van aanvrager en men heeft steeds zelf kunnen voorzien in de behoefte. Wel moet worden meegewogen of door het ontstaan van beperkingen, wegvallen financiële mogelijkheden of de ondersteuning door de ‘gebruikelijk aanwezige’ schoonmaak niet meer toereikend is.”

  • c.

    Als er gebruikelijke hulp aanwezig is, biedt het college geen of minder ondersteuning bij het schoonhouden of organiseren van het huishouden. Gebruikelijke hulp betreft de normale, dagelijkse zorg op basis van een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid van de leefeenheid (huisgenoten) voor elkaar omdat ze als leefeenheid een gezamenlijk huishouden voeren. Als er tot de leefeenheid huisgenoten behoren die huishoudelijke werkzaamheden kunnen overnemen, worden zij verondersteld dit door een herverdeling van taken te doen. Dit principe heeft een verplichtend karakter en betreft alle huisgenoten vanaf 18 jaar.

  • d.

    Studie of (vrijwillige) werkzaamheden vormen in principe geen reden om van de gebruikelijke hulp af te zien.

  • e.

    Veel personen zijn bereid mantelzorg te verlenen. Deze vorm van vrijwillige ondersteuning door derden, niet behorend tot de leefeenheid, gaat voor op ondersteuning van de gemeente. Tegelijk is deze vorm van vrijwillige hulp niet afdwingbaar en daarmee in de praktijk vaak incidenteel en aanvullend op andere vormen van zorg. Als noodzakelijk kan de gemeentelijke ondersteuning bestaan uit tijdelijke vervanging van de ondersteuning die de mantelzorger of vrijwilliger biedt.

  • f.

    Er zijn voorzieningen in de handel die niet speciaal bedoeld zijn voor personen met een beperking maar die wel (deels) kunnen voorzien in het realiseren van het resultaat schoon huis. Deze voorzieningen behoren tot het normale uitgavenpatroon voor personen met of zonder beperking. Als het probleem met inzet van algemeen gebruikelijke voorzieningen kan worden opgelost en deze voorziening in het individuele geval ook daadwerkelijk beschikbaar is voor een cliënt, biedt het college geen of minder ondersteuning bij het schoon houden van het huis. Tot deze voorzieningen behoort in ieder geval een wasmachine.

  • g.

    Voorliggende voorzieningen zijn voorzieningen die beschikbaar zijn voor een burger op basis van andere wetten dan de Wmo 2015. Zo wordt vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz) ook huishoudelijke hulp geboden, bij mensen met een pgb, een VPT (volledig pakket thuis) een MPT (modulair pakket thuis).

  • h.

    Daarnaast kennen we nog collectieve voorziening, dit zijn voorzieningen die voor een aangewezen groep mensen beschikbaar zijn, bijvoorbeeld bewoners van een serviceflat of bewoners van een bepaald appartementencomplex. Diensten die verleend worden kunnen bijvoorbeeld zijn: ramen zemen, gebruik van wasserette, boodschappenservice etc.

Basisnormen compensatie hulp bij het huishouden

Aanvullende uren

  • a.

    Wanneer als gevolg van objectiveerbare (medische) beperkingen cliënten onvoldoende ondersteund worden door de basisuren bij het realiseren van een schoon huis of als er een ander noodzakelijk resultaat behaald moet worden, kunnen er aanvullende uren ingezet worden. De aanvulling is maximaal 0,5 uur per week.

  • b.

    Via een individueel onderzoek wordt bepaald of de cliënt aanvullende uren nodig heeft. In dit onderzoek wordt gekeken of via de eigen mogelijkheden, de algemene voorzieningen en voorliggende voorzieningen in combinatie met een eventuele inzet van de basisuren voor een schoon huis voldoende oplossing wordt geboden.

    De grootte van het huis(houden) is, in het algemeen, geen aanleiding om aanvullende uren toe te kennen. Ook de aanwezigheid van dieren zijn in het algemeen geen aanleiding voor het toekennen van aanvullende uren. De gevolgen hiervan op de omvang van de schoonmaaktaak en het zoeken van oplossingen daarvoor behoort, in de eerste plaats, tot de eigen verantwoordelijkheid van de aanvrager.

  • c.

    Wanneer een cliënt aangeeft meer dan 2,5 uur nodig te hebben, kan de gemeente extra tijd indiceren, als er sprake is van specifieke aandoeningen. De extra noodzakelijke schoonmaak dient een medische oorzaak te hebben, welke aantoonbaar is. Een medisch advies is standaard nodig voor de beoordeling. Deze aandoeningen kunnen om twee redenen leiden tot een hogere indicatie:

    • Als gevolg van de aandoening raakt het huishouden ernstiger en sneller vervuild, waardoor het schoonhouden meer tijd kost;

    • Als gevolg van de medische aandoening worden aantoonbaar hogere eisen gesteld aan de hygiëne dan gebruikelijk.

    • Op basis van deze toetsingsprotocollen wordt een besluit genomen over het compenseren van uren tot een maximum van 8 aanvullende uren.

4.3 Huishoudelijke hulp en hulpmiddelen in het hospice

We onderscheiden:

  • a.

    Huishoudelijke hulp wordt vergoed vanuit de Wmo. De maximumuren gelden ook voor het Hospice. Voor Hospice De Wingerd geldt dat er maximaal vier uur huishoudelijke hulp wordt toegekend.

  • b.

    Hulpmiddelen ter vergroting van de zelfredzaamheid worden vergoed vanuit de Wmo. Zo kan een rolstoel bijvoorbeeld de eerste zes maanden geleend worden vanuit de Zvw en daarna vergoed worden vanuit de Wmo.

  • c.

    Zorgverzekeringswet

    Hulpmiddelen die nodig zijn voor de behandeling, verpleging en verzorging, zoals een hoog-laagbed en een subcutanepomp worden vergoed vanuit de Zvw. Ook kunnen vanuit de Zvw tijdelijk hulpmiddelen worden geleend.

  • d.

    Wlz

    Huishoudelijke hulp en Hulpmiddelen wordt vergoed vanuit de Wlz.

In afwijking van het normale aanvraagproces, waarbij de cliënt zelf de aanvraag moet indienen, mag in het geval van verblijf in het hospice, het hospice de aanvraag indienen.

5 Woonvoorzieningen

5.1 Inleiding

Dagelijkse belemmeringen in en om de woning kunnen leiden tot problemen. Bij de indicatie voor woonruimteaanpassingen wordt getoetst welke aanpassingen nodig kunnen zijn om de woonruimte langdurig geschikt te maken. De Wmo gaat uit van voorliggende oplossingen, gebruikelijke zorg/ verantwoordelijkheid en hetgeen minimaal noodzakelijk is (artikel 2.2 algemene criteria voor maatwerkvoorzieningen). Voor de maatwerkvoorziening Wonen gelden een aantal specifieke criteria die aanvullend zijn hierop.

5.2 Verantwoordelijkheid aanvrager maatwerkvoorziening Wonen

Van een aanvrager van een maatwerkvoorziening Wonen wordt verwacht dat hij getoetst heeft of er voorliggende oplossingen zijn alvorens een aanvraag in te dienen. De toets is gericht op de verkrijgbaarheid van algemeen gebruikelijke hulpmiddelen, of er sprake is van Wlz of Zvw. En de mogelijkheden van het eigen netwerk.

Van de burger wordt het volgende verwacht voordat er een aanvraag maatwerkvoorziening wordt ingediend:

  • a.

    Er is getoetst of er sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening.

    • o

      Soms kunnen belemmeringen in een woning met eenvoudige aanpassingen worden opgelost. Te denken valt bijvoorbeeld aan een beugel bij douche of toilet. De aanschaf van dergelijke losse voorzieningen zijn verkrijgbaar in reguliere winkels, voor iedereen te koop en is niet duurder dan soortgelijke producten. Deze losse voorzieningen komen voor eigen rekening. In bijlage II is een lijst opgenomen van woonvoorzieningen die als algemeen gebruikelijk zijn aan te merken.

    • o

      Via verschillende technologische aanpassingen aan het huis kan er langer thuis worden gewoond. Te denken valt aan thuis boodschappen laten bezorgen, medicijnen bestellen.

  • b.

    De burger toetst in hoeverre de Wlz of Zvw kunnen voorzien in respectievelijk compensatie en oplossing van de ondervonden woonproblematiek. Hier is sprake van zoals bij bepaalde gezondheidsklachten of ziekteverschijnselen te verminderen of te voorkomen. De huisarts of wijkverpleegkundige kan een informerende rol hierin spelen.

  • c.

    De burger kijkt wat hijzelf en zijn omgeving kan doen of bieden. Dat wil zeggen mantelzorgers, zoals familie, vrienden, buren en wijkverpleegkundigen.

  • d.

    Dat hij de verschillen kent tussen een PGB en Zorg in Natura en vanuit zijn eigen afweging een keuze heeft gemaakt tussen de vormen. Dit is aan de orde indien er sprake is van de toekenning van een maatwerkvoorziening.

  • e.

    Dat hij kennis heeft genomen van de toekenning – en weigeringsgronden en weet dat deze inhouden in zijn eigen specifieke situatie.

Ten aanzien van het langer thuis wonen wordt van de burger verwacht

  • a.

    Dat getoetst is of alternatieve voorzieningen zijn die voorliggend zijn op een maatwerkvoorziening:

    • Een steile trap, losliggende kleedjes en een gladde badkamervloer vergroten de kans op vallen in huis. Veel van deze risico’s zijn te voorkomen door het huis op tijd aan te passen. En te zorgen onder andere voor stroeve vloeren, goede verlichting, stevige trapleuningen en goede handgrepen.

    • Losse woonvoorzieningen zijn te leen via de uitleenservice van zorgaanbieders of hulpmiddelenleveranciers. Losse woonvoorzieningen zijn voorliggend op maatwerk woonvoorzieningen

  • b.

    Dat hij relevante informatie heeft verzameld en daarmee nodige (veiligheids)maatregelen in en om het huis treft. Het kan ontzettend lastig zijn om te bepalen waar te beginnen bij het levensloopbestendig maken van de woning. Zeker als iemand nog nergens last van heeft. Van de burger wordt verwacht dat er hierover informatie is verzameld en aantoonbaar toegepast. Via de link het levensloopbestendig maken van uw woning is informatie te krijgen.

  • c.

    Dat hij aan kan tonen dat er sprake is van onvoorzienbare wijzigingen in zijn woonsituatie. En heeft nagedacht over de nodige aanpassingen en wat redelijkerwijs in zijn vermogen ligt om zelf een oplossing voor te bedenken. Wanneer er geen acute noodzaak is, wordt van een burger verwacht dat hij hier rekening mee houdt en er voor reserveert.

5.3 Verhuisprimaat
  • Als een "voorliggende voorziening" geen adequate oplossing biedt, wordt onderzocht of een verhuizing mogelijk is. Naar een andere, al aangepaste (of goedkoper aanpasbare) woning. Soms is verhuizen inderdaad de beste oplossing, bijvoorbeeld doordat de huidige woning niet goed aangepast kan worden. De gemeente beseft dat dit voor veel mensen ingrijpend is, buiten alle andere sociale en medische zorgen die men al heeft.

  • De gemeente toetst of de cliënt aan de huidige woning gebonden is. Bijvoorbeeld vanwege een bedrijf aan huis, of onmisbare mantelzorg van familie, vrienden of buren in de naaste omgeving. Verder moet een verhuizing binnen de financiële mogelijkheden vallen. En de verhuizing is binnen een redelijke (zes tot negen maanden) en/of medische aanvaardbare termijn realiseerbaar.

  • Dergelijke situaties vormen een "contra-indicatie" voor een verhuisadvies.

  • Blijkt verhuizen inderdaad de beste oplossing, dan gaat de cliënt op zoek naar een andere (koop- of huur-) woning. Deze woonruimte dient te voldoen aan het uitgangspunt van langdurig geschikt, goedkoper aanpasbaar te zijn dan de huidige woning. Indien nodig wordt de aanvrager ondersteund bij het vinden van een geschikte woonruimte. De mogelijkheid tot ondersteuning is voor de gemeente echter zeer beperkt omdat zij geen invloed heeft op de woningmarkt.

  • Het primaat van verhuizen kan worden toegepast indien de kosten van een noodzakelijke woningaanpassing hoger zijn dan €10.000. Als het primaat van toepassing is, kan zonder aparte aanvraag een maatwerkvoorziening in de vorm van een tegemoetkoming in de verhuiskosten worden verstrekt.

5.4 Verhuiskostenvergoeding

De hoogte van de verhuiskostenvergoeding wordt afgestemd op de grootte van het huishouden en de eigen financiële mogelijkheden van de aanvrager. Het betreft een tegemoetkoming in de kosten van verhuizing en herinrichting. De vergoeding zal niet volledig dekkend zijn:

  • -

    de verhuis- en herinrichtingskostenvergoeding wordt afgeleid van de verhuiskostenvergoeding bij renovatie van huurwoningen, zoals geregeld in artikel 1 van de geldende “Regeling minimumbijdrage verhuis- en inrichtingskosten bij renovatie”;

  • -

    de in het voorgaande punt vermelde financiële tegemoetkoming wordt uitsluitend uitbetaald indien de persoon met beperkingen binnen een jaar na de beschikkingsdatum verhuist naar een woning die voldoet aan het Programma van Eisen zoals die in het tegemoetkomingsbesluit zijn opgenomen;

  • -

    genoemde financiële tegemoetkoming wordt betaald na overlegging van de koop- of huurovereenkomst van de nieuwe woning en nadat de oude woning is verlaten of leeg opgeleverd;

  • -

    tenslotte kan een verhuiskostenvergoeding worden toegekend wanneer de cliënt een aangepaste woning, op verzoek van de gemeente verlaat; het betreft situaties waarbij de persoon voor wie de woning was aangepast is verhuisd naar een Wlz-instelling of wanneer een partner is overleden waarvoor de aangepaste woning noodzakelijk was;

  • -

    in uitzonderlijke situaties kan een vergoeding worden geboden voor tijdelijke dubbele woonlasten (maximaal 3 maanden) bijvoorbeeld wanneer cliënt gedurende de uitvoering van de woningaanpassing niet in de eigen woning kan wonen.

  • -

    De regels voor een verhuiskostenvergoeding zijn ook van toepassing op een mindervalide woning.

5.5 Woningaanpassing

Is verhuizen niet mogelijk, dan laat de gemeente onderzoeken, hoe de woning het goedkoopst aan te passen is. In eerste instantie door middel van het plaatsen van een herbruikbare unit. Dit in verband met de korte procedure tijd en snelle plaatsingsmogelijkheden. Pas wanneer al deze mogelijkheden zijn onderzocht, komt een verbouwing in beeld.

  • a.

    Bij eigendom van de woning stuurt de gemeente het programma van eisen toe. En de eis van tenminste twee aannemersoffertes. De cliënt vraagt deze zelf op, beoordeelt ze en stuurt ze naar de gemeente. De gemeente beoordeelt de offertes op het criterium "goedkoopst adequaat" en aan haar eigen programma van eisen. Op deze wijze stelt de gemeente de tegemoetkoming vast. De cliënt ontvangt daarvoor een beschikking met eventuele nadere voorwaarden. Zoals een terugbetalingsregeling wanneer de cliënt de aangepaste woning binnen enkele jaren doorverkoopt.

  • b.

    De cliënt kan kiezen tussen een persoonsgebonden budget of een natura verstrekking.

PGB

  • In dit geval wordt een budget toegekend. De cliënt gaat zelf een bouwovereenkomst met de aannemer van keuze aan. De voorziening die de cliënt aanschaft moet de beperking(en) op hetzelfde niveau compenseren als in het PvE wordt gesteld en niet slechts een deel van het probleem oplossen.

  • De Pgb wordt toegekend voor een periode van zeven jaar (mits anders beschreven in de beschikking). Als de voorziening tussentijds niet blijkt te voldoen en er geen sprake is van veranderde omstandigheden, kan geen beroep worden gedaan op een vervangende voorziening.

  • Het Pgb bedrag voor woonvoorzieningen dient in beginsel toereikend en vergelijkbaar te zijn met de kosten van de voorziening in natura. De bedragen zijn afgeleid van de bedragen die gelden voor de voorzieningen in natura.

In Natura

Bij een naturaverstrekking houdt de gemeente de prijsvormings- en uitvoeringsfase in eigen hand. Voor huurwoningen geldt in grote lijnen hetzelfde als voor koopwoningen. De gemeente, dan wel de cliënt in geval van een pgb, realiseert de woningaanpassing. Deze behoeven bij het vertrek van de aanvrager/huurder bovendien niet meer te worden verwijderd.

5.6 Maatwerkvoorzieningen

In aanvulling op de onder artikel 2.2 genoemde algemene criteria voor maatwerkvoorzieningen geldt voor woningaanpassingen nog een aantal specifieke criteria:

  • a.

    er zijn aantoonbare beperkingen bij het normaal gebruik van de woning, en deze zijn langdurig noodzakelijk.

  • b.

    Een aanpassing is alleen mogelijk van een woonruimte waar de belanghebbende daadwerkelijk zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft.

  • c.

    De woonruimte wordt aangepast overeenkomstig het uitvoeringsniveau van een sociale huurwoning.

  • d.

    de maatwerkvoorzieningen kunnen nieuw of gebruikt zijn.

Een maatwerkvoorziening kan bestaan uit:

  • a.

    bouwkundige of woontechnische maatwerkvoorziening: woningaanpassing of woonunit.

    In sommige gevallen kan het noodzakelijk zijn buitenshuis aanpassingen aan te brengen. Bijvoorbeeld het aanpassen van de oprit naar de woning. Een aanpassing buitenshuis kan ook nodig zijn in verband met een Wmo-verstrekking, zoals bijvoorbeeld het aanbrengen van een oplaadpunt voor een scootmobiel en aanpassing van de bestrating.

    Bouwkundige aanpassingen worden aard- en nagelvast aangebracht.

Een aanbouw wordt in principe alleen geplaatst als van tevoren vaststaat dat deze hergebruikt kan worden. Bij eigen woningen gaat de voorkeur daarom uit naar het plaatsen van een losse herbruikbare woonunit. Indien dit niet kan wordt, in overleg met de aanvrager, beoordeeld of hij zelf de kosten van de vaste woningaanpassing kan dragen of een bijdrage kan leveren in de kosten. Zelf financieren kan bijvoorbeeld door een hypotheek op de woning te vestigen.

De financiële tegemoetkoming voor een dergelijke voorziening wordt vastgesteld als de tegenwaarde van de door de gemeente vastgestelde kostencalculatie verhoogd met leges.

  • b.

    niet-bouwkundige of niet-woontechnische maatwerkvoorziening: losse of vaste hulpmiddelen;

  • c.

    een vergoeding van stoffering- en/of verhuiskosten; het college kan deze vergoeding ook toekennen aan een inwoner die een aangepaste woning bewoont en het college deze woning beschikbaar wil laten komen voor een persoon met beperkingen;

  • d.

    een uitraasruimte: verblijfsruimte voor een persoon die door een gedragsstoornis ernstig ontremd gedrag vertoont en voor wie het noodzakelijk om zich af te kunnen zonderen en tot rust te komen in een kleine, veilige en prikkelarme ruimte.

Bij een voorziening voor een gemeenschappelijke ruimte, te weten automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders, het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte, dient eerst een beroep gedaan te worden op de Vereniging van Eigenaren.

Als noodzakelijke woonruimtes gelden in ieder geval:

  • a.

    woonkamer;

  • b.

    aanwezige en gebruikte slaapkamer(s);

  • c.

    keuken;

  • d.

    sanitaire ruimten;

  • e.

    daadwerkelijk gebruikte berging.

5.7 Weigeringsgronden

Een aanvraag om een woonvoorziening wordt in de volgende situaties afgewezen:

  • 1.

    betrokkene voor het eerst verhuist naar een zelfstandige woonruimte;

  • 2.

    betrokkene verhuist naar een woning die niet geschikt is voor permanente bewoning;

  • 3.

    betrokkene niet is verhuisd naar de voor hem op dat moment meest geschikte woning;

  • 4.

    de verhuizing niet bijdraagt aan het opheffen of verminderen van de beperkingen;

  • 5.

    betrokkene verhuist naar een WLZ-instelling;

  • 6.

    betrokkene verhuist vanuit een geschikte woning;

  • 7.

    voorzieningen bedoeld zijn om bepaalde gezondheidsklachten of ziekteverschijnselen te verminderen of te voorkomen; deze vallen in principe onder de Zvw.

  • 8.

    de kosten van aanpassen woning lager zijn dan de tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten;

  • 9.

    De verhuizing voor cliënt als algemeen gebruikelijk wordt beschouwd.

  • 10.

    Er worden geen hobby- of studeerruimtes aangepast of bereikbaar gemaakt omdat het hier niet om elementaire woonfuncties gaat.

  • 11.

    Er worden geen aanpassingen vergoed voor voorzieningen met een therapeutisch doel (zoals: dialyseruimte, therapeutisch bad).

  • 12.

    Hotels, pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantiewoningen, recreatieve woningen en kamerverhuur worden niet aangemerkt als een woning.

  • 13.

    Er worden geen aanpassingen vergoed om logeren mogelijk te maken.

5.8 Bijzondere bepalingen woonvoorzieningen
  • a.

    Financiële bepaling

    • De voorzieningen die voor verstrekking in aanmerking komen krijgt men in bruikleen of als pgb.

    • Een pgb bij woonvoorzieningen wordt alleen toegekend voor losse woonvoorzieningen.

    • Voor bouwkundige woonvoorzieningen wordt een financiële tegemoetkoming verstrekt.

    • Relatief goedkope hulpmiddelen (tot maximaal € 250,-), waarvan de kosten van transport en reiniging voor herverstrekking niet opwegen tegen de kosten van een nieuw hulpmiddel, zullen in eigendom worden verstrekt.

  • b.

    Tijdelijke huisvesting

    Het maximale bedrag van de tegemoetkoming in tijdelijke huisvesting zal niet meer bedragen dan het bedrag van de maximale huurgrens zoals genoemd in artikel 13, eerste lid, onderdeel a. van de Wet op de huurtoeslag zoals jaarlijks aangepast door de Minister voor Wonen en Rijksdienst.

  • c.

    huurderving: het college kan een verhuurder vragen een aangepaste woning beschikbaar te houden voor een persoon met een beperking en de huurderving vergoeden aan de verhuurder met ingang van de datum van opzegging van de vorige huurder.

  • d.

    Mantelzorgunit of woning

    Er wordt geen maatwerkvoorziening verstrekt als de vraag betreft een extra grote woning of een mantelzorgunit op het erf om mantelzorgtaken op zich te kunnen nemen. De gemeente verstrekt hierin geen financiële bijdrage.

  • e.

    Scootsafe

    Een Wmo maatwerkvoorziening scootmobiel is een hulpmiddel om zich in en om de woning te bewegen en participatie mogelijk te maken. De scootmobiel kan om diverse redenen niet altijd thuis in een kamer of schuur gestald worden. Het buitenplaatsen is dan aan de orde. Een alternatief als een hoes geen uitkomst kan bieden, is de scootsafe. Dit is een praktische kluis die vrijwel op elke locatie geplaatst kan worden, in de tuin, op het trottoir of zelfs op een parkeerplaats. Er is een samenwerkingsovereenkomst met Welzorg over de scootsafe.

  • f.

    Bezoekbaar en logeerbaar

    Wanneer een cliënt in een Wlz instelling verblijft kan één woning, waar hij regelmatig op bezoek komt (bijvoorbeeld de woning van de ouder(s), partner of kinderen) bezoekbaar worden gemaakt, mits het bezoekbaar te maken adres in de gemeente Utrechtse Heuvelrug gelegen is.

    Indien de ouders/verzorgers van een minderjarige persoon met beperkingen gescheiden leven kan een woonruimteaanpassing ten behoeve van het logeerbaar maken van de tweede woning worden toegekend, mits de ouders/verzorgers ieder voor 50% zorgen voor de minderjarige en dit officieel hebben geregeld en het logeerbaar te maken adres in de gemeente Utrechtse Heuvelrug gelegen is.

  • g.

    Aanpassing woonwagen of woonboot

    Als de technische levensduur van de woonwagen of woonboot nog minimaal 10 jaar is en er nog minimaal 5 jaar een legale lig- of standplaats voor bestaat binnen de gemeente gelden voor aanpassing van woonschepen en woonwagens dezelfde regels als voor woningaanpassingen. Indien hieraan niet wordt voldaan wordt een maximum gesteld aan de vergoeding

5.9 Eigen bijdrage

Bij een maatwerkvoorziening wonen wordt een eigen bijdrage opgelegd.

In tegenstelling tot de andere Wmo voorzieningen betalen ouders van kinderen tot 18 jaar wel een eigen bijdrage voor woningaanpassingen.

6 Vervoer onder de Wmo 2015 en Jeugdwet

6.1 Vervoer onder de Wmo 2015

Lokaal verplaatsen per vervoermiddel

De Wmo heeft tot doel om cliënten te laten participeren in de samenleving. Vervoer speelt hierbij een belangrijke rol. Wanneer een cliënt problemen ervaart op het gebied van vervoer zal worden onderzocht of en welke beperkingen cliënt heeft en wat de vervoersbehoefte is. Er wordt bekeken in hoeverre men zelf in de vervoersbehoefte kan voorzien (bijvoorbeeld: heeft cliënt een auto of een brommer), hulp kan inschakelen van het eigen netwerk (bijvoorbeeld: kan cliënt meerijden met de buurvouw naar de kaartclub of kan een familielid naar cliënt toekomen in plaats van dat cliënt daar naartoe reist), gebruik kan maken van een algemene voorziening (buurtbus) of dat uiteindelijk een individuele voorziening noodzakelijk is.

Afstanden

Om beperkingen en vervoersbehoefte inzichtelijk te maken onderscheiden we drie soorten afstanden:

  • 1.

    De korte afstanden: loop- en fietsafstand in de directe omgeving (bijvoorbeeld om een brief te posten, kinderen naar school te brengen of de dichtstbijzijnde winkels te bezoeken).

  • 2.

    De middellange afstanden: dat zijn de afstanden die een persoon zonder beperkingen per fiets, brommer, auto of openbaar vervoer aflegt binnen de regio (bijvoorbeeld naar een ziekenhuis, sportfaciliteiten of uitgaanscentra).

  • 3.

    De lange afstanden: naar bestemmingen buiten de regio.

    • Bij de korte en middellange afstanden wordt in de regel een straal van 10 tot 15 kilometer aangehouden.

    • Uit jurisprudentie blijkt dat om te kunnen participeren de cliënt de mogelijkheden moet hebben om jaarlijks lokaal en regionaal 1.500 km te kunnen reizen.

    • Alle buitenregionale vervoersdoelen vallen buiten de reikwijdte van de Wmo. Hiervoor is Valys door de wetgever aangewezen. Om Valys aan te vragen moet cliënt kunnen aantonen dat hij een indicatie heeft voor lokaal collectief vervoer.

Regiotaxi

Inwoners die vanwege hun beperking geen gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer kunnen in aanmerking komen voor een persoonsgebonden vervoerspas (kortingspas), zodat zij tegen een gereduceerd tarief gebruik kunnen maken van de regiotaxi.

Voor zowel aanvragers met als zonder scootmobiel geldt een maximum van 300 zones op jaarbasis. Voor cliënten zonder scootmobiel die reeds gebruikmaken van een vervoerspas voor de regiotaxi geldt een maximum van 600 zones op jaarbasis. Het toegekende aantal zones is terug te vinden in de beschikking. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de beleidsregels, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen.

De regiotaxi is een collectief vervoerssysteem met (rolstoel)busjes en taxi’s dat vervoer van deur tot deur biedt aan mensen met een beperking. De cliënt kan een loophulpmiddel, rolstoel of scootmobiel meenemen in het vervoer.

Ook kan een medereiziger (tegen een dubbel tarief: indien de reiziger een kortingspas heeft, kan de medereiziger ook met korting reizen, maar de zones worden wel dubbel geïnd) of een begeleider (gratis, mits medisch gezien noodzakelijk) meereizen. Voor begeleiding is een toekenning nodig van het college. Indien begeleiding noodzakelijk is, dan mag iemand niet meer alleen reizen. De begeleider reist gratis mee.

Om in aanmerking te komen voor de regiotaxi is een indicatie nodig. Hiervoor kan medisch advies worden aangevraagd.

Het collectief vervoerssysteem regiotaxi bestaat uit het volgens de hierna volgende opzet:

  • 1.

    Aan de aanvrager die in aanmerking komt voor het deeltaxisysteem wordt een deeltaxipas verstrektop vertoon waarvan rechthebbende gebruik kan maken van de deeltaxi;

  • 2.

    het vervoer wordt naar afstand onderscheiden in intern en extern vervoer.

    • a.

      Als intern vervoer wordt 25 kilometer aangemerkt vanuit de eigen woning gerekend.

    • b.

      Extern vervoer begint vanaf de 26e kilometer gerekend vanuit de eigen woning. Het extern vervoer wordt begrensd tot aan het collectief vervoersgebied van de deelnemende gemeenten;

  • 3.

    Voor elke rit is de bijdrage gebaseerd op een instaptarief vermeerderd met een kilometer tarief per kilometer;

  • 4.

    Vanaf de 26e kilometer is een hogere bijdrage verschuldigd per kilometer;

  • 5.

    De betaling van de aanvrager wordt door de vervoerder in ontvangst genomen, in naam en voor rekening van de gemeente die het vervoer aanbiedt;

  • 6.

    Een aanvrager kan zich door één begeleider laten vergezellen.

6.1.1Financiële tegemoetkoming

De vergoeding voor (individuele) taxiritten is gebaseerd op de eerder genoemde jurisprudentie waarin wordt gesteld dat cliënt tot 1500 (directe lokale omgeving) tot 2000 km (buiten lokaal) moet kunnen reizen, waarbij in acht wordt genomen dat als cliënt met het reguliere OV of de regiotaxi had kunnen reizen hij ook kosten had gemaakt.

De vergoeding wordt verleend voor het gebruik van een:

  • -

    (eigen) auto: een bedrag per kilometer gelijk aan 80% van het bedrag per kilometer zoals bepaald in artikel 2 van de geldende ‘Reisregeling Binnenland’;

  • -

    taxi: een bedrag per kilometer gelijk aan 40% van het maximale bedrag per kilometer zoals bepaald in artikel 1 a onder lid 1 b van de geldende ‘Regeling maximumtarief en bekendmaking tarieven taxivervoer’;

  • -

    rolstoeltaxi: een bedrag per kilometer gelijk aan 40% van het maximale bedrag per kilometer zoals bepaald in artikel 1 a onder lid 2 b van de geldende ‘Regeling maximumtarief en bekendmaking tarieven taxivervoer’; als het slechts om incidenteel taxigebruik gaat is de regiotaxi hier voorliggend.

De financiële tegemoetkoming voor vervoer wordt in principe voor een periode van twee jaar toegekend. Deze periode kan worden ingekort of verlengd, indien de situatie daar aanleiding toe geeft. In dat geval dient gemotiveerd te worden waarom er voor een langere of kortere periode wordt beschikt. Indien iemand verblijft in een instelling met een Wlz-indicatie is de Wlz voorliggend en kan er geen aanspraak gedaan worden op een financiële tegemoetkoming voor vervoer vanuit de Wmo.

Collectief vervoer versus individueel vervoer

Wanneer een cliënt problemen ervaart op het gebied van vervoer die hij niet zelf, met hulp van zijn sociale omgeving of met vrijwilligers kan oplossen, wordt allereerst beoordeeld of de regiotaxi een geschikte oplossing biedt alvorens individuele voorzieningen worden overwogen. De regiotaxi is hiermee voorliggend op individuele vervoersvoorzieningen zoals een vergoeding voor gebruik van (individuele service-) taxi of eigen auto. Een individuele voorziening wordt vaak beschouwd als meest wenselijke oplossing, het is echter niet de goedkoopst adequate oplossing.

Alleen wanneer (op basis van medisch advies) is vastgesteld dat de regiotaxi als collectief vervoer voor de aanvrager niet voldoet (bijvoorbeeld in geval van onbeheersbare incontinentie of ernstige gedragsproblemen) kan de vervoerder, die de regiotaxi verzorgt, gevraagd worden individuele ritten te verzorgen of kan er een vergoeding voor gebruik eigen auto of vervoer door derden worden verstrekt.

Vervoersdoeleinden

  • 1.

    Voor vervoer naar school is men zelf verantwoordelijk, maar kan in bepaalde gevallen (bijvoorbeeld bij speciaal onderwijs verder dan zes kilometer vanaf de woning) leerlingenvervoer bij de gemeente worden aangevraagd op grond van de verordening leerlingenvervoer.

  • 2.

    Als bij vervoer naar werkbeperkingen worden ervaren, moet men hiervoor een beroep doen op de werkgever.

  • 3.

    Voor vervoer naar dagbesteding wordt een indicatie voor vervoer doorgegeven aan de instelling, die de begeleiding verleent. Wanneer een cliënt in staat is zelfstandig (openbaar vervoer, eigen vervoermiddel) de dagbesteding te bereiken is dat voorliggend. Wanneer dit niet mogelijk is kan vervoer van en naar de dagbesteding worden toegekend. Het vervoer is in het kader van het samenstellen van het arrangement door de aanbieder een verantwoordelijkheid van de aanbieder. De gemeente staat het gebruik van de regiotaxi niet toe voor vervoer van/ naar (arbeidsmatige) dagbesteding/ werk.

  • 4.

    Voor recreatieve en therapeutische doeleinden (onder andere gericht op ontwikkeling) wordt een voorziening op grond van de Wmo niet verstrekt.

Aangepaste fietsen

Er zijn fietsen, zoals de driewielfiets en een duofiets, die speciaal ontworpen en bestemd zijn voormensen met een beperking en alleen bij gespecialiseerde bedrijven worden verkocht.

Een fiets met lage instap, fiets met hulpmotor of elektrische fiets zijn niet speciaal ontworpen voormensen met een beperking en worden in de reguliere handel verkocht (al dan niet tweedehands).Daarom worden deze als algemeen gebruikelijk beschouwd.

Autoaanpassingen

Als een cliënt zonder autoaanpassingen geen gebruik kan maken van zijn auto en het collectief vervoer niet voldoet, kan het college op basis van medisch advies een auto-aanpassing overwegen.

  • a.

    Bij autoaanpassingen wordt beoordeeld of het specifiek voor mensen met een beperking bedoelde voorzieningen betreft, die meer kosten dan gebruikelijke autoaanpassingen.

  • b.

    Faciliteiten die veelal standaard in auto’s zijn ingebouwd komen niet voor vergoeding in aanmerking. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om elektrisch bedienbare portierruiten, rembekrachtiging, een schakelautomaat, airconditioning, stuurbekrachtiging, cruise control, inparkeerfunctie, achteruitrij-camera, et cetera.

  • c.

    In de Wmo wordt uitgegaan van een levensduur van minimaal zeven jaar van de aanpassingen; dit is in praktijk een redelijke termijn. Bij verstrekking van een financiële tegemoetkoming voor een autoaanpassing is het daarom redelijk om van de aanvrager te verlangen dat wordt aangetoond door middel van een keuringsrapport dat de aan te passen auto de investering nog waard is (dus naar verwachting nog zo’n zeven jaar mee kan).

  • d.

    Vervanging van een bestaande autoaanpassing of overzetten naar of aanbrengen in een nieuwe auto is niet vanzelfsprekend. Wanneer een dergelijk verzoek wordt gedaan, zal eerst in kaart gebracht worden wat de goedkoopst adequate voorziening is.

6.2 Eigen bijdrage

Voor een vervoersvoorziening die in bruikleen wordt verstrekt alsmede bij een persoonsgebonden budget bestemd voor het verkrijgen van een vervoersvoorziening wordt een eigen bijdrage opgelegd ter hoogte van maximaal de kostprijs van de voorzieningen. Voor vervoersvoorzieningen voor kinderen tot 18 jaar en voor rolstoelen wordt conform de wet geen eigen bijdrage geïnd.

Ook voor de benodigde aanpassingen aan een rolstoel wordt geen eigen bijdrage opgelegd.

Verplaatsen in en om de woning

6.2.1 Rolstoelvoorziening

Het verplaatsen in en om de woning kan op verschillende wijzen plaatsvinden zoals met een rollator of met een rolstoel. Van deze voorzieningen valt uitsluitend de rolstoel onder de Wmo. Een rolstoel is een voorziening om het bestaande verplaatsingsprobleem in en om de woning te compenseren. Verplaatsen is vervoer over kleine afstanden, van enkele tientallen tot maximaal enkele honderden meters. Wie op grond van beperkingen geen andere mogelijkheid heeft dan zich verplaatsen met een rolstoel, kan een rolstoel toegekend krijgen.

Voor een individuele maatwerkrolstoel geldt nog als eis dat “dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning” noodzakelijk is. Het gaat om verplaatsingen die direct vanuit de woning worden gedaan. Daarom gaat het hier om cliënten die voor het dagelijks zittend verplaatsen zijn aangewezen op een rolstoel.

Rolstoelen voor het zogenaamde ‘incidentele’ gebruik, waarbij de rolstoel in de auto wordt meegenomen om elders, bij het winkelen of bij uitstapjes, te gebruiken, vallen niet onder dit met een maatwerkvoorziening te bereiken doel.

Voor rolstoelen geldt dat voor kortdurend gebruik een beroep kan worden gedaan op de uitleen- of verhuurservice.

6.2.2 Aanpassingen aan de rolstoel

Met aanpassingen wordt bedoeld; extra onderdelen die niet standaard op een rolstoel zitten (zoals comfort beensteunen of een werkblad), maar wel noodzakelijk zijn voor de cliënt.

Accessoires zoals een boodschappenmand en een extra spiegel zijn doorgaans wenselijk, maar niet noodzakelijk en worden daarom niet vergoed.

6.2.3 Sportvoorziening

Sporten kan een belangrijk middel tot participatie zijn. Wanneer het voor de cliënt zonder sporthulpmiddel niet mogelijk is om een sport te beoefenen en de kosten hiervoor aanzienlijk hoger zijn - dan de gebruikelijke kosten die een persoon zonder beperkingen heeft voor dezelfde (of een vergelijkbare)sport - kan een sportvoorziening worden verstrekt.

Dat kan een sportrolstoel zijn maar ook een ander hulpmiddel. De aanvrager moet aantonen dat er sprake is van een actieve sportbeoefening. De ervaring leert dat sportclubs, sponsors of fondsen vaak bereid zijn een deel van de kosten te vergoeden. Bovendien kost sporten zonder beperking ook geld dus mag van de aanvrager zelf ook worden verwacht dat hij een deel van de kosten draagt.

6.2.4 Financiële tegemoetkoming

Een inwoner met beperkingen kan voor een zelf te bepalen sportvoorziening of aanpassing van een sportvoorziening een financiële tegemoetkoming ontvangen. Deze is bedoeld voor de kosten van de aanschaf en het onderhoud van de sportvoorziening.

Voor een sportvoorziening wordt een eigen bijdrage betaald totdat de kostprijs van de voorziening is bereikt of tot het moment dat de voorziening is afgeschreven, als dit moment eerder ligt.

6.3 Vervoer onder de Jeugdwet

De regeling is alleen van toepassing als het gaat om een vervoersvraag voor:

  • a.

    Een jeugdige,

  • b.

    Die een indicatie heeft voor een individuele voorziening jeugdhulp (dat kan een maatwerkvoorziening in zorg in natura of persoonsgebonden budget zijn),

  • c.

    De vervoersvraag is voor vervoer van of naar een jeugdhulplocatie,

  • d.

    En er bestaat geen recht op vervoer door middel van de voorliggende voorziening leerlingenvervoer voor (een deel van) het vervoer naar de jeugdhulplocatie,

  • e.

    De vraag om een voorziening vervoer jeugdwet zal meestal tegelijk met een

    aanvraag voor de jeugdhulp aan de orde zijn en wordt dan meegenomen in het besluit. Het is echter ook mogelijk de vervoersvoorziening later toe te kennen, als zich na verloop van tijd een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid voordoen. Deze beperkingen hoeven geen relatie met de jeugdhulp te hebben,

  • f.

    De voorziening wordt toegekend vanaf de datum dat de jeugdhulp in de toekomst zal starten of zo vroeg als de datum van de aanvraag indien het vervoer feitelijk al in gang is gezet. Verstrekking met terugwerkende kracht, dus voor de datum van de aanvraag, is niet mogelijk.

  • g.

    Bij veranderingen in de situatie van de jeugdige die effect kunnen hebben op de toegekende voorziening, waaronder de hoogte van de vergoeding, dienen ouder(s)/verzorger(s) deze veranderingen zo snel als mogelijk door te geven aan de Sociale Dorpsteams.

6.4 De verschillende voorzieningen vervoer jeugdwet

De volgende vormen van een vervoersvoorziening vervoer jeugdwet worden onderscheiden:

  • a.

    Begeleiding van een jeugdige met als doel zelfstandig leren reizen naar de jeugdhulpaanbieder. Deze begeleiding kan worden aangevraagd bij het Sociale Dorpsteam en kan worden geleverd door een vrijwilliger, voorliggend veld of de door gemeente gecontracteerde zorgaanbieder. Hiervoor wordt het gebruikelijke proces van melding, onderzoek en toekennen gevolgd.

  • b.

    Een vergoeding voor openbaar vervoer indien sprake is van bovengebruikelijke kosten (zoals beschreven onder 6.7b) voor vervoer naar of vanaf een jeugdhulpvoorziening.

  • c.

    Een vergoeding voor openbaar vervoer met begeleiding indien sprake is van bovengebruikelijke kosten (zoals beschreven onder 6.7b) voor vervoer naar of vanaf een jeugdhulpvoorziening.

  • d.

    Een vergoeding voor eigen vervoer, indien sprake is van bovengebruikelijke kosten (zoals beschreven onder 6.7b) voor vervoer van naar of vanaf een jeugdhulpvoorziening.

  • e.

    Aangepast vervoer (taxi vervoer) dat in natura wordt geboden door de jeugdhulpaanbieder.

  • f.

    Aansluiting bij reeds bestaande vervoersbewegingen in het kader van de Wmo en/of leerlingenvervoer binnen (aanvullende) afspraken met het betreffende vervoersbedrijf voor zover dit mogelijk blijkt na onderzoek van de gemeente.

  • g.

    Een combinatie van deze voorzieningen behoort tot de mogelijkheden, mits onderbouwd wordt waarom hiervoor wordt gekozen.

6.5 Redenen voor vervoersvoorziening

Een voorziening in het kader van vervoer jeugdwet is mogelijk indien er sprake is van de situaties beschreven onder A in combinatie met B of A in combinatie met C èn D èn E èn F. Bij de tweede situatie wordt het afwegingskader uit artikel 6.6 toegepast.

  • A.

    Als er door een wettelijk verwijzer of het Sociale Dorpsteam het risico is gesignaleerd dat de jeugdige niet (of niet altijd) de jeugdhulp op locatie kan krijgen die hij/zij nodig heeft.

  • B.

    Er is sprake van medisch vervoer (ziekenvervoer) dat redelijkerwijs niet door ouder(s)/verzorger(s) of het netwerk kan worden geboden of waarbij ouder(s)/verzorger(s) en het netwerk niet beschikken over het benodigde vervoersmiddel, de benodigde medische apparatuur of de benodigde medische of verpleegkundige vaardigheden. Van medische noodzaak is sprake wanneer: een jongere door zijn lichamelijke, verstandelijke of zintuigelijke beperking niet in staat is om (eventueel onder begeleiding van een volwassene) gebruik te maken van het openbaar vervoer. De noodzaak tot medisch vervoer hoeft geen relatie te hebben met de noodzaak tot jeugdhulp. Het afwegingskader zoals opgenomen in artikel 6.6 hoeft dan niet doorlopen te worden.

  • C.

    Beperkingen in de zelfredzaamheid die te maken hebben met leeftijd, stoornis, beperking of ziekte, die tijdelijk of chronisch van aard kan zijn. De beperking in de zelfredzaamheid hoeft geen relatie te hebben met de noodzaak tot jeugdhulp. Het niet kunnen betalen van vervoer kan niet worden aangemerkt als een beperking in de zelfredzaamheid.

  • D.

    Er is sprake van intensieve jeugdhulp, namelijk minimaal acht contactmomenten (behandeling, dagbesteding, respijtzorg of begeleiding) per maand én

  • E.

    De afstand voor een enkele reis naar de jeugdhulplocatie bedraagt minimaal 6 kilometer volgens de ANWB routeplanner voor de snelste reis, ongeacht het vervoersmiddel of de route die feitelijk wordt gebruikt. Indien sprake is van reizen met het OV met een begeleider dan tellen de kilometers voor een enkele reis dubbel.

  • F.

    De kosten voor het vervoer bedragen meer dan de gebruikelijke kosten, zoals beschreven onder 6.7b.

6.6 Afwegingskader

Indien sprake is van een risico op het niet krijgen van noodzakelijke jeugdhulp (artikel 3a, situatie A in combinatie met C, D én E) vanwege een belemmering in de vervoerssituatie, dan wordt op de volgende volgorde een afweging voor een passende voorziening gemaakt. Pas als een jeugdige niet op de beschreven manier (per optie) kan reizen, komt de volgende, daaronder beschreven optie in beeld. Het inzetten van aangepast vervoer (taxi/taxibus) pas mogelijk als alle onderstaande opties naar het oordeel van het College niet mogelijk zijn:

  • a.

    De jeugdige fietst naar de jeugdhulplocatie.

  • b.

    De jeugdige fietst naar de jeugdhulplocatie onder begeleiding van ouder(s)/verzorger(s) of het sociale netwerk.

  • c.

    De jeugdige heeft de draagkracht en vaardigheden om in afzienbare tijd zelfstandig te leren reizen met het openbaar vervoer naar de jeugdhulplocatie begeleid door ouder(s)/verzorger(s), het sociale netwerk, een vrijwilliger of een jeugdprofessional.

  • d.

    De jeugdige gaat met zijn/haar brommer/scooter naar de jeugdhulplocatie.

  • e.

    De jeugdige reist zelfstandig met het openbaar vervoer naar de jeugdhulplocatie. Er zijn 3 redenen waarom openbaar vervoer geen opties is, namelijk een gebrek aan zelfstandigheid van de jeugdige, het ontbreken van openbaar vervoer of een reistijd van meer dan 45 minuten voor een enkele reis. Daarbij wordt uitgegaan van de reisduur tussen in- en uitstaphalte of – station.

  • f.

    De jeugdige reist onder begeleiding van ouder(s)/verzorger(s) of het sociale netwerk met het openbaar vervoer naar de jeugdhulplocatie. Deze optie vervalt als de jeugdige niet in staat is om met begeleiding in het openbaar vervoer te reizen, openbaar vervoer ontbreekt, de reistijd meer dan 45 minuten enkele reis is (de reistijd van begin- tot eindhalte of - station) of ouder(s)/verzorger(s) kunnen aantonen dat begeleiding van de leerling door henzelf of anderen onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden.

  • g.

    De ouder(s)/verzorger(s) of het netwerk brengen en halen de jeugdige met gemotoriseerd vervoer (auto, bestelbus, motor enz.)

  • h.

    Er wordt een vrijwilliger geworven die de jeugdige begeleidt (b en f) of vervoert (g).

  • i.

    De jeugdhulpaanbieder verplaatst de begeleiding/behandeling naar het verblijfadres van de jeugdige.

Voor de opties d, e, f, g en h is eventueel een vergoeding mogelijk. De regels voor vergoedingen en de berekening daarvan zijn opgenomen in artikel 6.7. Voor optie e is eventueel een voorziening mogelijk als bedoeld in artikel 6.4 onder a.

6.7 Vergoeding voor eigen vervoer en openbaar vervoer
  • a.

    Een vergoeding voor het vervoer naar jeugdhulp kan alleen worden aangevraagd bij en verstrekt door het college.

  • b.

    Een vergoeding is mogelijk voor bovengebruikelijke kosten, mits voldaan wordt aan de criteria beschreven in artikel 3 zonder b. Alleen de bovengebruikelijke vervoerskosten voor vervoer Jeugdwet worden vergoed. De gebruikelijke vervoerskosten zijn bepaald op €35 per maand. Dit op basis van de berekening 8 contactmomenten x 6 km x twee (retour) x €0,37* = € 35,52.

  • *Conform de geldende Reisregeling Binnenland. In 2021 is dit €0,37 per kilometer.

  • c.

    Het berekenen van de vervoersvergoeding voor eigen vervoer gaat als volgt:

    Aantal contactmomenten jeugdhulp (≥ 8) x aantal kilometers van het verblijfadres naar de

    jeugdhulplocatie (≥ 6 km) x twee (retour) x kilometervergoeding €0,37 – gebruikelijke kosten €35.- = vervoersvergoeding.

  • d.

    Het berekenen van de vervoersvergoeding voor openbaar vervoer gaat als volgt:

    Werkelijke kosten voor openbaar vervoer per maand - €35 gebruikelijke kosten.

    Tot de werkelijke kosten behoren zowel de kosten voor het openbaar vervoer van de jeugdige als de kosten voor het openbaar vervoer van de begeleider voor de vervoersbewegingen waarbij de jeugdige aanwezig is. In overleg met het Sociale Dorpsteam wordt binnen de mogelijkheden van de jeugdige (en de begeleider) de optimale route bepaald en vervolgens de minimale kosten voor deze route (bijvoorbeeld een maand- of jaarkaart).

  • e.

    Het uitkeren van de vergoeding gebeurt door periodieke bevoorschotting.

6.8 Het maken van een uitzondering

Indien naar oordeel van het College, ondanks dat niet wordt voldaan aan de criteria voor vervoer jeugdwet in deze beleidsregels, een vorm van vervoer in het kader van de jeugdwet nodig is, dan kan het College besluiten om een uitzondering te maken. Deze uitzondering moet worden vastgelegd in een besluit.

7 Maatwerk begeleiding in de Wmo

De Wmo 2015 kent de maatwerkvoorziening begeleiding. Wij noemen dit maatwerk begeleiding. De voorziening kan zowel individueel als in groepsverband worden geboden. Het betreft activiteiten gericht op het behouden/bevorderen van de zelfredzaamheid en deelname aan de samenleving en ter voorkoming van opname of verwaarlozing van de cliënt.

7.1 Begeleiding groep

Veelal bekend onder de naam “dagverzorging” of “dagbesteding”. Begeleiding groep is:

  • -

    programmatisch (met een vast dag en/of weekprogramma);

  • -

    methodisch met een welomschreven doel;

  • -

    vraagt actieve betrokkenheid van de cliënt;

  • -

    gericht op het structureren van de dag en het oefenen met vaardigheden die de zelfredzaamheid bevorderen.

Veel activiteiten in de welzijnssfeer bevatten al elementen van begeleiding in groepsverband. Voor het grootste deel van de cliënten zal deelname aan groepsactiviteiten in de welzijnssfeer dan ook voldoende zijn om structuur te bieden aan de dag en medemensen te ontmoeten. Er zijn echter cliënten die door hun cognitieve beperkingen, ernstig fysieke beperkingen of gedragsproblematiek een dagstructurering nodig hebben die gericht is op het verbeteren of behouden van capaciteiten en/of het reguleren van gedragsproblemen.

Op dit gebied is innovatie binnen de zorg- en welzijnssector dus hard nodig zodat er een veelzijdig aanbod ontstaat waarmee mensen, die nu groepsbegeleiding krijgen, ondersteund kunnen worden (nieuwe vormen van dagbesteding, arrangementen). Alleen waar het echt niet anders kan wordt de voorziening maatwerk begeleiding verstrekt.

7.2 Individuele begeleiding

Individuele begeleiding kent vele vormen. Het kan gaan van toezicht of aansturing bij activiteiten (thuis of buitenshuis) op het gebied van praktische vaardigheden, ondersteuning bij het aanbrengen van structuur en het voeren van regie tot het oefenen van in behandeling aangeleerde vaardigheden of gedrag. Individuele begeleiding heeft soms raakvlakken met hulp bij het huishouden en/of persoonlijke verzorging. Er zal dan ook gezocht worden naar combinaties om de ondersteuning zo efficiënt mogelijk in te zetten.

Individuele begeleiding kan in sommige situaties ook in een groep worden gegeven. Denk aan activiteiten als voorlichting en advies over thuisadministratie of geldbeheer of het aanleren van bepaalde huishoudelijke vaardigheden (b.v. maaltijdbereiding). De begeleider kan dan een aantal cliënten op een locatie ontvangen in plaats van iedere cliënt apart thuis te bezoeken.

7.3 Toekenning van begeleiding

In de Wmo 2015 vormt het gesprek (het onderzoek) de basis voor de toekenning.

Als een diagnose ontbreekt – omdat de cliënt zorg mijdt – kan begeleiding worden ingezet “bij een sterk vermoeden van” (op basis van het advies van het expertteam). De begeleiding heeft dan tot doel de situatie te stabiliseren of in ieder geval niet te laten verergeren en is er op gericht de cliënt te bewegen richting zorg/behandeling. De toekenning is dan doorgaans van korte duur (maximaal 1 jaar).

7.3.1Voorliggende voorziening: behandeling

Alvorens maatwerk begeleiding te verstrekken is het van belang dat wordt onderzocht wat demogelijkheden van behandeling zijn.

De stelregel hierbij is dat als verbetering van functioneren of handelen (vaardigheden) nog mogelijk is, eerst behandeling wordt ingezet. Het is uiteraard niet aan de Wmo consulent om dit te bepalen. Hiervoor wordt een medisch adviseur (onafhankelijk arts) ingeschakeld.

Behandeling kan worden geboden door bijvoorbeeld een ergotherapeut, psycholoog, specialist ouderengeneeskunde of in een revalidatiecentrum of een centrum gespecialiseerd in bepaalde problematiek (zoals een reuma-centrum, centrum voor mensen met niet-aangeboren hersenletsel).Behandeling is gericht op: het verbeteren van de aandoening/stoornis en vermindering van de beperking, het aanleren van nieuwe vaardigheden of gedrag of nadere functionele diagnostiek.

De diagnose is niet leidend, maar een diagnose is doorgaans wel vereist om behandeling in te kunnen zetten en om te bepalen hoe maatwerk begeleiding de behandeling eventueel kan ondersteunen/versterken (en niet contra- productief is). Maatwerk begeleiding kan wel worden ingezet om de tijdens behandeling geleerde vaardigheden te oefenen of te consolideren. Soms kunnen maatwerkbegeleiding en behandeling ook tegelijkertijd worden ingezet. Uiteraard dient er hierover een goede afstemming tussen behandelaar en begeleider plaats te vinden.

7.4 Beperkingen en resultaatgebieden

Beperkingen

Bij maatwerk begeleiding onderscheiden we de mate (zwaarte) van de beperkingen om te bepalen wat binnen het eigen netwerk of met voorliggende voorzieningen kan worden opgelost en waarvoor maatwerkvoorzieningen nodig zijn. We gaan hierbij uit van de regel “zo zwaar als nodig, zo licht als mogelijk”.

  • -

    lichte beperkingen;

  • -

    matige beperkingen;

  • -

    zware beperkingen.

In de Wmo is het uitgangspunt dat in alle gevallen eerst de mogelijkheden van het eigen netwerk, voorliggende en/of algemene voorzieningen worden onderzocht. De verwachting is echter wel dat bij met name de matige en zware beperkingen maatwerkvoorzieningen nodig zijn.

Resultaatgebieden

De maatwerkvoorziening begeleiding is gericht op:

  • -

    het begeleiden van de cliënt bij zijn verslechterende zelfredzaamheid en/of participatie; of

  • -

    het stabiliseren van de zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt; of

  • -

    het verbeteren van de zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt.

De door de aanbieder te verrichten activiteiten vallen binnen de volgende resultaatsgebieden:

  • a.

    ondersteunen bij en opbouwen van sociaal netwerk cliënt;

  • b.

    ondersteunen van de thuisadministratie;

  • c.

    ondersteuning bij arbeidsparticipatie/dagbesteding;

  • d.

    ondersteuning bij zelfzorg;

  • e.

    persoonlijk functioneren;

  • f.

    mantelzorgondersteuning.

Resultaatgebied: ondersteuning bij en het opbouwen van sociaal netwerk cliënt

  • -

    cliënt heeft een gezond sociaal netwerk en vervult daarbinnen een passende sociale rol;

  • -

    cliënt is in staat een beroep te doen op personen in zijn/haar sociaal netwerk;

  • -

    cliënt kan de eigen problematiek in relatie tot het sociale netwerk hanteren;

  • -

    bij bemoeizorg: cliënt staat open voor opbouw sociaal netwerk;

  • -

    bij bemoeizorg en geïsoleerde cliënten zonder een sociaal netwerk is het resultaat ‘cliënt heeft een gezond sociaal netwerk’ een brug te ver; het gaat hier om het opbouwen van een sociaal netwerk met als achterliggende doelstelling mensen uit isolement of uit ‘verkeerde/foute sociale omgeving’ te halen; bij bemoeizorg is op die wijze afname van overlast en hanteerbaar gedrag beoogd;

  • -

    het sociale netwerk van de cliënt levert een positieve bijdrage aan diens zelfredzaamheid en participatie.

Resultaatgebied: Ondersteunen van de thuisadministratie

  • -

    overzicht van de administratie/administratie op orde;

  • -

    tijdige betaling van rekeningen;

  • -

    inkomsten en uitgaven in balans;

  • -

    als aanwezig beheersbaar maken van de schulden problematiek (en als mogelijk in relatie tot de inkomsten: vermindering van de schuldenlast).

Resultaatgebied: Ondersteuning bij arbeidsparticipatie/dagbesteding

  • -

    cliënt heeft een zinvolle (verplichte) dagbesteding;

  • -

    cliënt heeft onbetaald werk met ondersteuning;

  • -

    cliënt heeft onbetaald werk zonder ondersteuning;

  • -

    cliënt heeft betaald werk met ondersteuning;

  • -

    cliënt heeft betaald werk zonder ondersteuning;

  • -

    mantelzorger is ontlast.

Resultaatgebied: Ondersteuning bij zelfzorg

  • -

    cliënt is in staat zich zelf te verzorgen;

  • -

    cliënt draagt schone kleding;

  • -

    cliënt ziet er verzorgd uit;

  • -

    cliënt komt afspraken met zorgprofessionals (zoals huisarts, tandarts, medisch specialist) na.

Persoonlijk functioneren

  • -

    cliënt brengt structuur aan en voert regie over de dagelijkse bezigheden, regelt zelf en neemt besluiten, plant en voert taken uit;

  • -

    cliënt accepteert zijn beperkingen en kan hiermee omgaan;

  • -

    cliënt maakt gebruik van het eigen probleemoplossend vermogen;

  • -

    cliënt heeft een gezond voedingspatroon en voldoende dagelijkse beweging;

  • -

    cliënt gaat op een verantwoorde manier om met alcohol, drugs en gamen;

  • -

    bij bemoeizorg: cliënt accepteert contact met hulpverlener, staat open voor reguliere behandeling/ondersteuning en is trouw aan de behandeling.

Mantelzorgondersteuning

  • -

    mantelzorger is niet overbelast;

  • -

    mantelzorger kan omgaan met de gevolgen van aandoening, stoornis of beperking van de cliënt;

  • -

    mantelzorger kent eigen competenties en mogelijkheden en de grenzen daaraan.

Genoemde resultaatgebieden staan nader beschreven in een bijlage bij de Deelovereenkomst Maatwerkvoorziening Begeleiding, die onderdeel uitmaakt van de inkoopcontracten die met de aanbieders worden afgesloten (zie bijlage).

7.5 Begeleiding groep en begeleiding individueel

Inleiding

Maatwerk begeleiding is vaak onderdeel van een heel pakket van zorg van behandeling en persoonlijke verzorging. De omvang van de ondersteuning wordt hierdoor sterk bepaald. De indicaties voor behandeling en persoonlijke verzorging worden meegewogen bij de toekenning van maatwerk begeleiding en de ondersteuning wordt met de behandelaars, wijkverpleging en thuiszorg afgestemd.

In de Wmo wordt tevens gezocht naar mogelijke arrangementen van een maatwerkvoorziening begeleiding en welzijnsoplossingen.

7.6 Kortdurend verblijf

Bij kortdurend verblijf logeert iemand (maximaal 3 etmalen dus 72 uur per week) in een instelling. Als dit langer duurt is er sprake van opname en is een indicatie Zvw nodig. Bijvoorbeeld in een gehandicapteninstelling, verpleeghuis of verzorgingshuis. Hierdoor wordt de mantelzorg ontlast, zodat deze de zorg langer kan volhouden en de cliënt thuis kan blijven wonen. Kortdurend verblijf is bedoeld voor mensen die permanent toezicht nodig hebben. Bijvoorbeeld als er valgevaar is of als cliënt zelf niet in staat is hulp in te roepen als dat nodig is of omdat er ernstige gedragsproblemen zijn.

Dat toezicht kan ook een vorm van actieve observatie zijn, zoals bij kinderen met een lichamelijke beperking waarbij ouders actief de vitale functies van het kind moeten controleren. Het kan ook gaan om constante zorg of zorg op ongeregelde tijdstippen; bijvoorbeeld voor iemand met een ernstige hartaandoening of dementie.

  • Er zijn veel manieren om de mantelzorg te ontlasten bijvoorbeeld door een zorgvrijwilliger in te schakelen die de zorg voor een cliënt tijdelijk over te nemen en ook dagbesteding kan als belangrijk neveneffect of zelfs doel hebben de mantelzorg te ontlasten. Soms is dat niet voldoende om het langdurig vol te kunnen houden of is de zorg die een vrijwilliger kan bieden onvoldoende vanwege de beperkingen van de cliënt. Alleen als er sprake is van de combinatie van voortdurend zorg en toezicht van de cliënt en dreigende overbelasting van de mantelzorger en als andere voorliggende voorzieningen niet voldoen kan kortdurend verblijf worden toegekend.

  • Een uitzondering hierop geldt wanneer het gaat om ouders die boven-gebruikelijke zorg verlenen aan hun kinderen. Hierbij hoeft geen sprake te zijn van dreigende overbelasting en kan alleen op grond van hun boven-gebruikelijke taken kortdurend verblijf worden toegekend.

  • De omvang van kortdurend verblijf is 1, 2 of 3 etmalen per week, afhankelijk van wat noodzakelijk is in de specifieke situatie van de cliënt. Er is een maximum van 3 etmalen per week gesteld omdat het logeren betreft; bij meer dan 3 etmalen in een instelling is er sprake van opname waarvoor een indicatie op grond van Wlz moet worden gesteld. Het is denkbaar dat hierop in specifieke situaties een uitzondering kan worden gemaakt om bijvoorbeeld verblijf van een week, zodat de mantelzorger(s) op vakantie kan/kunnen. Dan moet wel vaststaan dat andere oplossingen, zoals respijtzorg vergoed door de ziektekostenverzekeraar, geen optie zijn.

  • In de instelling waar de cliënt kortdurend verblijft wordt de dagelijkse zorg overgenomen. Wanneer verpleging nodig is moet hiervoor apart een indicatie op grond van de Wlz worden gesteld. Behandeling behoort nadrukkelijk niet bij kortdurend verblijf.

  • De cliënt is zelf verantwoordelijk voor vervoer van en naar de instelling voor kortdurend verblijf. Hij kan hiervoor gebruik maken van eigen vervoer of van hulp uit het eigen netwerk. Wanneer de cliënt beperkingen heeft op het gebied van vervoer zal hij doorgaans in het bezit zijn van een pasje voor de regiotaxi of een taxikostenvergoeding krijgen, waarmee hij zich naar de instelling kan vervoeren. Kortdurend verblijf kent anders dan school of dagbesteding geen exacte starttijden zodat gebruik van een collectief vervoerssysteem als de regiotaxi (eventueel met begeleider) een geschikte oplossing biedt.

  • De ondersteuning van mantelzorgers wordt nader uitgewerkt in het Uitvoeringsplan Mantelzorgondersteuning.

7.7 Beschermd wonen

Vanaf 1 januari 2015 zijn de centrumgemeenten in Nederland verantwoordelijk voor de uitvoering van beschermd wonen. De gemeente Utrecht is centrumgemeente voor de regio’s Lekstroom, Utrecht-west, Zuidoost (bestaande uit Bunnik, De Bilt, Wijk bij Duurstede, Utrechtse Heuvelrug en Zeist) en de stad Utrecht. Bij beschermd wonen gaat het om het bieden van verblijf en begeleiding gericht op participatie van personen met een psychische aandoening. Beschermd wonen biedt cliënten een veilige afgeschermde woon-en leefomgeving waar samenhangende begeleiding wordt geboden aan cliënten die door hun beperkingen niet in staat zijn zelfstandig te leven en een mogelijk gevaar voor zichzelf of anderen vormen.

7.8 Maatschappelijke opvang

Om de maatschappelijke opvang te regelen is in 2013 een Convenant Meldpunt Zorg en Overlast ondertekend door alle gemeenten uit de regio’s West Utrecht, Zuidoost Utrecht en Lekstroom, de GGD, de politie en aanbieders op het gebied van de (openbare) geestelijke gezondheidszorg. Dit convenant is geldig tot en met 2016.

Doel van de samenwerkende partijen (ondertekenaars van het convenant) is de kwaliteit van leven van mensen, die aangemeld worden bij het meldpunt, te verbeteren en de overlast die zij veroorzaken te voorkomen dan wel terug te dringen. Het gaat hierbij om sociaal kwetsbare mensen (met psychiatrische-, verslavings- en/of psychosociale problematiek en/of een verstandelijke beperking) met problemen op diverse levensgebieden zoals verwaarlozing, vereenzaming, vervuiling van zichzelf en de omgeving, dakloosheid, schulden.

Deze mensen vragen zelf veelal niet om hulp maar anderen maken zich wel ernstig zorgen om hen (familie, buren, hulpverleningsinstanties).

8 Regeling voor inwoners met hoge zorgkosten

8.1 Tegemoetkoming aannemelijk meerkosten zorg

Aan een persoon van 18 jaar en ouder met een inkomen (uit werk of uitkering, niet zijnde studiefinanciering) tot 150% van het Wettelijk minimumloon (hierna: Wml) wordt een tegemoetkoming verstrekt voor aannemelijke meerkosten.

De tegemoetkoming wordt één keer per kalenderjaar op aanvraag toegekend. De aanvrager moet in het kalenderjaar waar de aanvraag betrekking op heeft aan minstens één van de volgende voorwaarde voldoen:

  • -

    een bijdrage betalen voor een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget in het kader van de Wmo;

  • -

    een bijdrage betalen in het kader van de Wlz; of

  • -

    in het betreffende kalenderjaar en in het voorafgaande kalenderjaar het volledig eigen risico van de zorgverzekering hebben betaald.

De tegemoetkoming bedraagt maximaal € 300,--. Indien de kosten minder dan €300 bedragen, dat is bijvoorbeeld het geval bij de eigen bijdrage voor de Wmo, die in 2021 12 x €19 = €228 bedraagt, dan wordt een lager bedrag dan €300 toegekend. Er wordt gekeken naar wat de cliënt nodig heeft. Om dit vast te stellen zal de cliënt worden gevraagd naar een bewijs van betaling van een eigen bijdrage m.b.t. de Wmo, pgb of Wlz dan wel een overzicht van verbruik van het eigen risico van de zorgverzekering.

Gehuwden of samenwonenden kunnen beiden in aanmerking komen voor deze tegemoetkoming. De regeling kan worden aangevraagd tot 1 april van het opvolgende jaar. De regeling is niet van toepassing als men gebruik maakt van de collectieve aanvullende gemeentelijke zorgverzekering.

8.2 Tegemoetkoming aantoonbare meerkosten

Aan een persoon van 18 jaar en ouder met een inkomen tot 150% Wml wordt een tegemoetkoming verstrekt voor aantoonbare meerkosten.

Inwoners die gebruik willen maken van deze regeling dienen aan te tonen dat er meer kosten zijn gemaakt dan de tegemoetkoming die in het voorgaande artikel 8.1 wordt genoemd.

De hoogte van de tegemoetkoming voor aantoonbare meerkosten bedraagt maximaal € 250,-- per kalenderjaar.

8.3 Afwijzingsgronden

Een tegemoetkoming wordt afgewezen als en voor zover de belanghebbende aanspraak kan maken op een voorliggende voorziening. Hierbij valt te denken aan een collectieve aanvullende verzekering die voor bepaalde inkomensgroepen wordt aangeboden via de gemeente. In dat geval kan er geen gebruik worden gemaakt bij de aannemelijke meerkosten, maar er kan nog wel gebruik worden gemaakt van de tegemoetkoming aantoonbare meerkosten als de persoon aan de voorwaarden daarvoor voldoet (qua inkomen en er moeten aantoonbare meerkosten worden genoemd).

Een tegemoetkoming wordt in ieder geval afgewezen als en voor zover de belanghebbende aanspraak kan maken op gehele of gedeeltelijke fiscale aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten.

9 Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp

Bij de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp Utrechtse Heuvelrug 2020 hoort het Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Utrechtse Heuvelrug.

10 Medezeggenschap en inspraak
  • 1.

    Conform artikel 30 van de verordening is een regeling getroffen voor medezeggenschap van inwoners over voorgenomen besluiten die voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van alle voorzieningen.

11 Privacy
  • 1.

    Voor uitvoering van de taken die onder de Wmo vallen geldt het Privacy Protocol Sociaal Domein Utrecht Zuidoost aanvullend op de landelijke wet- en regelgeving aangaande privacy.

  • 2.

    Voor consulenten van de Sociale Dorpsteams geldt bovendien de bij het Privacy Protocol behorende werkinstructie.

12 Slotbepalingen

12.1 Indexering

De beslissingsbevoegdheid van deze beleidsregels is een taak van het college. Om deze reden is het voor de hand liggend alle bedragen op te nemen in het bij deze beleidsregels behorende Besluit, zodat de bedragen, in geval van indexering, snel en gemakkelijk aan te passen zijn.

12.2 Inwerkingtreding

Deze beleidsregels treden in werking op de dag na bekendmaking onder gelijktijdige intrekking van “Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Utrechtse Heuvelrug 2018”.

12.3 Citeertitel

Deze beleidsregels worden aangehaald als “Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp Utrechtse Heuvelrug 2020”.

Ondertekening

Bijlage: Algemeen gebruikelijke voorzieningen

De volgende voorzieningen worden in beginsel als algemeen gebruikelijk gezien, deze lijst is niet limitatief:

  • a.

    standaard toilet;

  • b.

    hangtoilet;

  • c.

    verhoogd toilet (6+);

  • d.

    eenvoudige beugels (30-40 cm lang);

  • e.

    dubbel glas;

  • f.

    toiletbril;

  • g.

    thermostatische kraan;

  • h.

    éénhendelmengkraan;

  • i.

    spiegel;

  • j.

    douchekop, glijstang;

  • k.

    aankleedblad/tafel;

  • l.

    box;

  • m.

    keramische kookplaat;

  • n.

    gewone fiets;

  • o.

    tandem;

  • p.

    fiets of tandem met hulpmotor (elektrische fiets of tandem);

  • q.

    fiets met lage instap;

  • r.

    fiets met trapondersteuning;

  • s.

    gewone kinderdriewieler;

  • t.

    aankoppelfiets voor kinderen;

  • u.

    centrale verwarming;

  • v.

    vervanging van een lavet;

  • w.

    automatische versnellingsbak;

  • x.

    elektrisch bedienbare ramen;

  • y.

    kosten APK;

  • z.

    warmtewerend glas.