Treasurystatuut

Geldend van 01-01-2021 t/m heden

Intitulé

Treasurystatuut

De raad van de gemeente Hof van Twente;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders;

besluit:

akkoord te gaan met de voorgestelde wijzigingen/aanvullingen in het Treasurystatuut en het

geactualiseerde Treasurystatuut vast te stellen.

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Hof van Twente d.d. 15 december 2020.

De raad van Hof van Twente,

de griffier, de voorzitter

mr. A. Venema drs. H.A.M. Nauta - van Moorsel MPM

Treasurystatuut Gemeente Hof van Twente 2021

Inhoudsopgave:

1. Inleiding 3

2. Begrippenkader 4

3. Treasurybeleid 6

3.1. Doelstellingen van de Treasuryfunctie 6

3.2. Risicobeheer 6

3.2.1. Renterisicobeheer 6

3.2.2. Koersrisicobeheer 6

3.2.3. Kredietrisicobeheer 6

3.2.4. Intern liquiditeitsrisicobeheer 6

3.2.5. Valutarisicobeheer 6

3.3. Gemeentefinanciering 7

3.3.1. Financiering 7

3.3.2. Relatiebeheer 7

3.4. Kasbeheer 7

3.4.1. Geldstromenbeheer 7

3.4.2. Saldo- en liquiditeitenbeheer 7

4. Administratieve organisatie en interne controle 8

4.1. Uitgangspunten administratieve organisatie en interne controle 8

4.2. Verantwoordelijkheden 8

4.3. Bevoegdheden 9

5. Informatievoorziening 10

6. Toelichting op kernbegrippen 11

7. Voorwaarden en criteria beoordelen aanvragen 13

1. Inleiding

Sinds 1 januari 2001 is de Wet financiering decentrale overheden (Wet fido) van kracht. In deze wet worden de kaders gesteld voor een verantwoorde, prudente en professionele inrichting en uitvoering van de treasuryfunctie van decentrale overheden. Hierbij wordt de treasuryfunctie gedefinieerd als:

het sturen en beheersen van, het verantwoorden over en het toezicht houden op:

de financiële vermogenswaarden, de financiële geldstromen, de financiële posities en de hieraan verbonden risico’s

De gemeente Hof van Twente onderkent het belang van een verantwoord en adequaat beheer van haar financiële middelen. Mede als gevolg van de Wet fido wensen wij de activiteiten op het gebied van treasury op een zo transparant en beheersbaar mogelijke wijze in te richten. De waarborgen voor bedoelde controleerbare en beheersbare uitvoering zijn samen te vatten in:

• bestuurlijke uitgangspunten

• vaststelling door het bestuur van concrete doelstellingen van de treasuryfunctie

• Vastlegging van adequate organisatorische inbedding van de treasuryfunctie

• nauwkeurig omschreven stelsel van mandaten

• vastleggen doel, inhoud en frequentie van rapportage en verantwoording

• limitatieve vaststelling toegestane instrumenten en constructies

• limitatieve vaststelling van toegestane marktpartijen

Bij het opstellen van het Treasurystatuut is rekening gehouden met de bepalingen van de wettelijke kaders, zoals Gemeentewet, Besluit Begroting en Verantwoording, Algemene Wet Bestuursrecht en Wet fido, die op zijn beurt weer diverse uitvoeringsregelingen kent. Het Treasurystatuut is in belangrijke mate gebaseerd op de door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties opgestelde ’Handreiking Treasury’ (laatst geactualiseerd juni 2015). Daarnaast is het gewijzigde beleid van de BNG van invloed op uitwerking van het Treasurystatuut. Met ingang van 2021 verstrekt de BNG geen leningen met gemeentegarantie meer onder de € 1 mln. Verwacht mag worden dat het instrument ‘garantstellingen’ minder gebruikt zal worden dan leningen.

In dit Treasurystatuut wordt als eerste een aantal begrippen gedefinieerd. Vervolgens worden de doelstellingen van de treasuryfunctie van de gemeente geformuleerd. Deze worden geconcretiseerd voor de verschillende deelgebieden van treasury: risicobeheer, gemeentefinanciering en kasbeheer. Daarna komen de administratieve organisatie en interne controle van de treasuryfunctie aan de orde. Tot slot worden de uitgangspunten vastgelegd voor de informatie die noodzakelijk is om het gehele proces beheersbaar en meetbaar te maken en te houden.

Naast een aantal actualisaties (functiebenamingen, wettelijke ontwikkelingen) is het Treasurystatuut met een nieuw hoofdstuk 7 Voorwaarden en criteria om verzoeken tot het verstrekken van leningen of garantstellingen te beoordelen aangevuld. Het aantal verzoeken aan de gemeente om leningen of garantstellingen te verstrekken is de laatste jaren toegenomen. Er ontstond behoefte voor een beleidskader om deze verzoeken aan te kunnen toetsen. Het laatste hoofdstuk voorziet hierin.

2. Begrippenkader

Aandeel: Bewijs van deelneming in het kapitaal van een naamloze of besloten vennootschap.

Cofinanciering: Naast de door de gemeente gegarandeerde geldlening wordt er door andere partijen, bijvoorbeeld (project)partners, een financiële bijdrage geleverd in de totaalfinanciering.

Deposito: Kortlopende uitzetting, met een looptijd van maximaal één jaar.

Daggeld: Opgenomen of uitgezette middelen voor onbepaald tijd die dagelijks gewijzigd kan worden.

Derivaten: Dit zijn afspraken over een bepaalde hoofdsom (lening, obligatie) zonder dat die hoofdsom feitelijk wordt uitgewisseld of gestort. Met derivaten kunnen renterisico’s worden beperkt.

Financiering: Het aantrekken van benodigde financiële middelen voor een periode van minimaal één jaar. Deze middelen kunnen bestaan uit zowel eigen vermogen als vreemd vermogen.

Garantie: Waarborg, zekerheid.

Geldstromenbeheer: Al die activiteiten die nodig zijn om het betalingsverkeer zowel binnen de

organisatie zelf als tussen de organisatie en derden uit te voeren.

Intern liquiditeitsrisico: De risico’s van mogelijke wijzigingen in de liquiditeitenplanning en

meerjaren investeringsplanning waardoor financiële resultaten kunnen afwijken van de verwachtingen.

Kasbeheer: Deelfunctie van treasury, omvat het beheer van de geldstromen en daaruit voortvloeiende saldi en liquiditeitsposities tot twee jaar.

Kasgeld: Kortlopend financieringsmiddel, met een looptijd van maximaal één jaar.

Kasgeldlimiet: Teneinde de renterisico’s te beperken die verbonden zijn aan financiering met kasgeld is in de Wet fido de kasgeldlimiet opgenomen. De limiet is op grond van de Wet fido bepaald op 8,5% van het begrotingstotaal van de gemeente bij aanvang van het jaar.

Koersrisico: Het risico dat de financiële activa van de organisatie in waarde verminderen door negatieve koersontwikkelingen.

Kredietrisico: De risico’s op een waardedaling van een vordering ten gevolge van het niet (tijdig) na kunnen komen van de verplichtingen door de tegenpartij.

Liquiditeitenbeheer: Het aantrekken en uitzetten van middelen voor een periode tot één jaar.

Liquiditeitenplanning: Een gestructureerd overzicht van de toekomstige inkomsten en uitgaven

ingedeeld naar aard en tijdseenheid.

Obligatie Verhandelbare schuldbekentenis als onderdeel van een obligatielening, uitgegeven door een overheid of bedrijf.

Onderhandse lening: Lening waarbij de voorwaarden in overleg tussen de geldgevende en de

geldnemende partij worden vastgelegd.

Rating: Beoordeling van de kredietwaardigheid van financiële instellingen.

Rentecompensatiecircuit: Een systeem waarbij debet- en creditsaldi van alle rekeningen van een

organisatie worden samengevoegd tot één gecombineerd saldo, waar overde rente wordt berekend. Daarvoor moeten alle rekeningen bij één bank worden aangehouden.

Renterisico: Het gevaar van ongewenste veranderingen van de (financiële) resultaten van de gemeente door rentewijzigingen.

Renterisiconorm: Limiet aan het deel van de vaste schuld waarover het rentepercentage in een bepaald jaar moet worden aangepast aan de op dat moment geldende markttarieven. Aanpassingen van rentepercentages doen zich voor bij herfinanciering en renteherziening. De limiet is op grond van de Wet fido bepaald op 20% van het begrotingstotaal van de gemeente bij aanvang van het jaar.

Rentetypische looptijd: Het tijdsinterval gedurende de looptijd van een geldlening, waarin op basis van de voorwaarden van de geldlening sprake is van een door de verstrekker van de geldlening niet beïnvloedbare, constante rentevergoeding.

Saldobeheer: Het beheer van de dagelijkse saldi op de rekeningen.

Rentevisie: Toekomstverwachting over de renteontwikkeling.

Schatkistbankieren: De verplichting van gemeenten om overtollige financiële middelen in eerste instantie bij de Nederlandse Staat onder te brengen om zo de EMU-Schuld van Nederland te verlagen. Overtollige middelen kunnen ook bij mede overheden en gemeenschappelijke regelingen uitgezet worden. De voorwaarde hieraan is dat er geen toezichthoudersrelatie bestaat.

Treasuryfunctie: De treasuryfunctie omvat alle activiteiten die zich richten op het besturen en beheersen van, het verantwoorden over en het toezicht houden op de financiële vermogenswaarden, de financiële stromen, de financiële posities en de hieraan verbonden risico’s.

Uitzetting: Het tijdelijk toevertrouwen van liquiditeiten aan derden tegen vooraf overeengekomen condities en bedingen. Kortlopende uitzettingen hebben betrekking op een periode tot één jaar en langlopende uitzettingen hebben betrekking op een periode van één jaar of langer.

Zero-balancing: Het afromen van het saldo van een bankrekening ten gunste van de rekening courant bij de schatkist dan wel aanvullen van een saldo van een bankrekening ten laste van de rekening courant bij de schatkist.

3. Treasurybeleid

3.1 Doelstellingen van de treasuryfunctie

De gemeente voert, gelet op haar publiekrechtelijke taak om maatschappelijk kapitaal te beheren, op centraal niveau een risicomijdend treasurybeleid. Binnen dit risicomijdend beleid stelt de gemeente zich ten doel een zo hoog mogelijk rendement over het belegd vermogen en/of zo laag mogelijke kosten over leningen te realiseren, binnen duidelijk geformuleerde randvoorwaarden, ter beperking van risico’s. Dit wordt bereikt door:

1. Het verzekeren van duurzame toegang tot financiële markten tegen acceptabele condities.

2. Het beschermen van gemeentelijke vermogens- en (rente-)resultaten tegen ongewenste financiële risico’s zoals renterisico’s, koersrisico’s, kredietrisico’s, interne liquiditeitsrisico’s en valutarisico’s.

3. Het minimaliseren van de interne verwerkingskosten en externe kosten bij het beheren van de geldstromen en financiële posities.

4. Het optimaliseren van de renteresultaten binnen de kaders van de Wet fido respectievelijk de limieten en richtlijnen van het Treasurystatuut.

3.2 Risicobeheer

Met betrekking tot risicobeheer gelden de volgende algemene uitgangspunten:

1. Het college van B&W mag uit hoofde van de “publieke taak” leningen, garanties of borgstellingen verstrekken aan door de Gemeenteraad goedgekeurde partijen.

2. Vooraf wordt advies ingewonnen over de financiële positie en de kredietwaardigheid van de betreffende partij.

3. Voor wat betreft borgstelling in de sfeer van sport zijn de criteria en voorwaarden nader uitgewerkt in de Beleidsregel borgstelling sportverenigingen/-instellingen.

4. Uitzetting van middelen in het kader van treasury mag alleen onder de regels van de Regeling schatkistbankieren decentrale overheden.

5. Het gebruik van derivaten is niet toegestaan.

3.2.1 Renterisicobeheer

1. De kasgeldlimiet wordt niet overschreden conform de Wet fido.

2. De renterisiconorm wordt niet overschreden conform de Wet fido.

3. Nieuwe leningen/uitzettingen worden afgestemd op de bestaande financiële positie en de liquiditeitenplanning.

4. De rentetypische looptijd en het renteniveau van de betreffende lening/uitzetting wordt zo veel mogelijk afgestemd op de actuele rentestand en verwachte renteontwikkelingen.

5. In de paragraaf financiering van de begroting wordt aandacht besteed aan verwachte renteontwikkelingen.

6. Binnen de kaders gesteld onder lid 3 en lid 4, streeft de gemeente tevens naar spreiding in de rentetypische looptijden van uitzettingen.

3.2.2 Koersrisicobeheer

1. Vanwege het verplichte schatkistbankieren zijn er geen koersrisico’s in het kader van treasurybeleid.

3.2.3 Kredietrisicobeheer

1. Doordat het uitzetten van middelen in het kader van treasury alleen nog toegestaan is binnen de kaders van de Regeling schatkistbankieren decentrale overheden doen zich hier geen kredietrisico’s voor.

2. Bij het verstrekken van leningen, garanties of borgstellingen uit hoofde van de publieke taak worden indien mogelijk zekerheden of garanties geëist.

3.2.4 Intern liquiditeitsrisicobeheer

De gemeente beperkt haar interne liquiditeitsrisico’s door haar treasuryactiviteiten te baseren op een liquiditeitenplanning met een looptijd van 4 jaar.

3.2.5 Valutarisicobeheer

Valutarisico’s worden in de gemeente uitgesloten door uitsluitend leningen te verstrekken, aan te gaan of te garanderen in euro’s.

3.3 Gemeentefinanciering

3.3.1 Financiering

Bij het aantrekken van financieringen voor een periode van één jaar en langer gelden de volgende uitgangspunten:

1. Financieringen worden enkel aangetrokken ten behoeve van de uitoefening van de publieke taak.

2. Financiering met externe financieringsmiddelen wordt zoveel mogelijk beperkt door primair de beschikbare interne financieringsmiddelen te gebruiken teneinde de renterisico’s en het renteresultaat te optimaliseren.

3. De gemeente beperkt zich tot het aantrekken van financieringen door middel van onderhandse leningen.

4. De gemeente vraagt bij minimaal twee instellingen offertes op alvorens een financiering wordt aangetrokken. Wanneer het niet mogelijk is, dat meerdere offertes aangeboden worden, wordt de reden hiervan schriftelijk vastgelegd.

5. De (telefonische) offertes worden intern schriftelijk vastgelegd.

3.3.2 Relatiebeheer

De gemeente beoogt het realiseren van gunstige c.q. marktconforme condities voor af te nemen financiële diensten. Hiervoor gelden de volgende uitgangspunten:

1. Bankrelaties en hun bancaire condities worden ten minste ééns in de 10 jaar beoordeeld.

2. Financiële instellingen dienen onder Nederlands toezicht te vallen, zoals De Nederlandsche Bank en de Verzekeringskamer. Instellingen die vallen onder Toezicht van de Europese Economische Ruimte (EER) zijn ook toegestaan.

3. Tussenpersonen dienen geregistreerd te staan bij de Autoriteit Financiële Markten (AFM) en daarvan een vergunning als makelaar te hebben ontvangen, tenzij de AFM hun activiteiten als niet-vergunning plichtig aanwijst. Tussenpersonen zullen in deze situatie enkel als bemiddelaar optreden en afgesloten transacties zullen niet via hun boeken lopen.

3.4 Kasbeheer

3.4.1 Geldstromenbeheer

Teneinde de kosten van het geldstromenbeheer te minimaliseren c.q. de opbrengsten te maximaliseren wordt:

1. Het liquiditeitsgebruik beperkt door de geldstromen op gemeenteniveau op elkaar en de liquiditeitenplanning af te stemmen. Hierbij wordt erop toegezien dat de liquiditeitspositie voldoende is om te garanderen dat de verplichtingen tijdig kunnen worden nagekomen.

2. Het betalingsverkeer wordt zoveel mogelijk elektronisch uitgevoerd bij één bank.

3.4.2 Saldo- en liquiditeitenbeheer

Voor het saldobeheer en het liquiditeitsbeheer gelden de volgende richtlijnen:

1. De gemeente streeft naar concentratie van de liquiditeiten binnen één rentecompensatiecircuit bij de bank met de gunstigste condities.

2. Indien er een liquiditeitsbehoefte ontstaat, kan de gemeente kortlopende middelen aantrekken. Hierbij wordt de kasgeldlimiet (zie 3.2.1 lid 1) niet overschreden.

3. Toegestane instrumenten bij het aantrekken van kortlopende middelen zijn daggeld, kasgeldleningen en kredietlimiet op rekening courant.

4. Administratieve organisatie en interne controle

4.1 Uitgangspunten administratieve organisatie en interne controle

In het kader van de treasuryfunctie gelden de volgende algemene uitgangspunten op het gebied van administratieve organisatie en interne controle.

1. De verantwoordelijkheden, bevoegdheden en informatievoorziening van treasuryactiviteiten zijn in hoofdstuk 4 en 5 van dit statuut vastgelegd.

2. Bij de uit te voeren treasuryactiviteiten is functiescheiding doorgevoerd met als belangrijkste voorwaarden:

a. Iedere transactie wordt door minimaal twee functionarissen geautoriseerd (het vier-ogen-principe).

b. De uitvoering en de registratie in de financiële administratie geschiedt door afzonderlijke functionarissen.

c. Periodiek controleert de Coördinator Beleid en Advies:

- de juistheid, tijdigheid en volledigheid van de afgesloten treasury transacties.

- of de bevestigingen van de banken overeenstemmen met de treasuryadministratie.

- of bij financiële transacties de juiste tegenpartijen en instrumenten zijn gehanteerd, alsmede of limieten niet overschreden zijn.

3. De transacties worden schriftelijk vastgelegd en gemeld aan de financiële administratie.

4.2 Verantwoordelijkheden

De verantwoordelijkheden met betrekking tot de treasuryfunctie van de gemeente staan in onderstaande tabel gedefinieerd.

Functie

Verantwoordelijkheden

Gemeenteraad

• Het vaststellen van beleidskaders en limieten (Treasurystatuut).

• Door het vaststellen van de treasuryparagraaf in de begroting en de jaarrekening toezicht uitoefenen op het treasurybeleid en evaluatie daarvan.

• Het uitvoeren van de niet aan het college van B&W overgedragen treasuryactiviteiten (zie 4.3, punt 7).

• Het invullen van het begrip ‘publiek belang of taak’ op basis waarvan een partij aangemerkt kan worden als‘geoorloofde partij’ in de zin van de Wet fido. Dat is de noodzakelijke basis voor het college om daadwerkelijk leningen of garantstellingen te mogen verstrekken.

College van B&W

• Het uitvoeren van het treasurybeleid (formele verantwoordelijkheid).

• Het achteraf bekrachtigen van de afgesloten transacties (voor zover de Gemeenteraad dit niet aan zich heeft voorbehouden, zie 4.3 punt 7).

• Het rapporteren aan de Gemeenteraad over de uitvoering van het treasurybeleid middels treasuryparagraaf in begroting en rekening.

Portefeuillehouder

• Het uitvoeren van het treasurybeleid (politieke financiën verantwoordelijkheid).

Coördinator Beleid & advies

• Het uitvoeren van de aan haar/hem gemandateerde treasuryactiviteiten.

• Het autoriseren van de door de medewerker treasury voorgestelde transacties.

• Het ontvangen van de orderbevestiging van derden en het controleren of deze overeenkomt met de transactieinformatie zoals verstrekt door de medewerker belast met treasury.

Budgethouders

• Het zorgdragen voor goede informatie die hun afdeling aanlevert aan de medewerker treasury met betrekking tot toekomstige uitgaven en ontvangsten.

Medewerker financiën belast met Treasury.

• Het uitvoeren van de activiteiten met betrekking risicobeheer, korte en lange termijn financiering.

• Het aantrekken en uitzetten van gelden in het kader van het saldo- en liquiditeitenbeheer.

• Het beheren van de geldstromen.

• Het onderhouden van contacten met banken, geldmakelaars en overige financiële instellingen.

• Het afsluiten van financiële contracten voortvloeiend uit bovenstaande deelfuncties.

• Het schriftelijk vastleggen van de treasurytransacties en het doorgeven hiervan aan de financiële administratie.

• Het voorbereiden van beleidsvoorstellen op treasurygebied.

• Het opvragen van relevante informatie voor het opzetten van een liquiditeitenplanning.

Allround medewerker financiën en control

• Plaatsen eerste handtekening bij het overboeken van saldi tussen bankrekeningen en het afhandelen van het betalingsverkeer.

• Het aanleveren van tijdige, volledige en juiste gegevens aan de gemeentelijke administratie.

Medewerkers cluster

financiën (Beleid en

Advies)

• Plaatsen tweede handtekening bij het overboeken van saldi tussen bankrekeningen en het afhandelen van het betalingsverkeer, met een marginale controle of bij het plaatsen van de eerste handtekening de vereiste procedure is gevolgd.

4.3 Bevoegdheden

In onderstaande tabel staan bevoegdheden met betrekking tot treasuryactiviteiten weergegeven alsmede de daarbij benodigde fiattering.

Bevoegd functionaris

(eerste handtekening)

Autorisatie door

(tweede handtekening)

Saldo-, liquiditeiten- en geldstromenbeheer

1. Het uitzetten van middelen via

daggeld of deposito

Medewerker financiën belast met Treasury.

Teamcoördinator

Beleid en Advies

2. Het aantrekken van middelen via

daggeld of kasgeld

Medewerker financiën belast met Treasury.

Teamcoördinator

Beleid en Advies

3. Betalingsopdrachten voorbereiden en versturen (autorisatie door twee personen)

Medewerkers cluster

financiën (Beleid en Advies)

Medewerkers cluster

financiën (beleid en advies)

Bankrelatiebeheer

4. Bankrekeningen openen/sluiten/wijzigen

Medewerker

financiën belast met

Treasury.

Teamcoördinator

Beleid en Advies

5. Bankcondities en tarieven afspreken

Medewerker financiën belast met Treasury.

Teamcoördinator Beleid en Advies

Financiering en uitzetting

6. Het aantrekken en uitzetten van middelen via onderhandse leningen

Medewerker financiën belast met Treasury.

Teamcoördinator Beleid en Advies

7. Het verstrekken en garanderen van leningen aan derden uit hoofde van de publieke taak

College van B&W

Gemeenteraad

Hieronder staat met betrekking tot een aantal in de voorgaande tabel weergegeven bevoegdheden aangegeven welke functionaris optreedt als vervanger.

Bevoegd functionaris

(eerste handtekening)

Autorisatie door

(tweede handtekening)

punten 1, 2 en 6

Allround medewerker financiën

Vervanging conform Organisatiebesluit

5. Informatievoorziening

Met betrekking tot de treasuryactiviteiten dient tenminste de in de onderstaande tabel opgenomen informatie te worden verstrekt door de betreffende functionarissen:

Informatie

Frequentie

Informatieverstrekker

Informatieontvanger

1.Gegevens m.b.t. toekomstige uitgaven en ontvangsten voor de liquiditeitenplanning

Jaarlijks/ Incidenteel

Manager/Budgethouders

Medewerkers cluster

Financiën (Beleid en Advies)

2.Liquiditeitenplanning

Jaarlijks/ Incidenteel

Medewerker financiën belast met Treasury.

Medewerkers cluster financiën (Beleid en Advies)

3.Beleidsplannen treasury en verantwoording daarover in treasuryparagraaf van begroting en jaarverslag

Jaarlijks

Medewerker financiën belast met Treasury.

College/Gemeenteraad

4.Aantrekken en uitzetten langlopende middelen (gelden)

Z.s.m. na ontvangst offerte

Medewerker financiën belast met Treasury.

College

6. Toelichting op kernbegrippen

In dit hoofdstuk zijn enkele kernbegrippen uit dit Treasurystatuut toegelicht. We richten ons daarbij op de begrippen die relevant voor het bestuur kunnen zijn en richten ons niet op de technische uitvoering van treasurybeleid.

De Wet financiering decentrale overheden (Wet fido) vereist twee instrumenten op het gebied van treasury.

1. Allereerst het Treasurystatuut. Daarin is de ’beleidsmatige infrastructuur’ van de treasuryfunctie vastgelegd, in de vorm van uitgangspunten, doelstellingen, richtlijnen en limieten. Het statuut maakt een objectieve en transparante verantwoording vooraf en achteraf mogelijk.

2. Ten tweede dient er jaarlijks een treasuryparagraaf opgenomen te worden in zowel de begroting als de jaarrekening. Hierin worden de specifieke beleidsvoornemens respectievelijk de uitvoering van het beleid op het gebied van treasury besproken.

De Wet fido maakt onderscheid tussen het uitzetten van middelen uit hoofde van de treasuryfunctie en het uitzetten van middelen in het kader van de “publieke taak”.

Uit hoofde van de treasuryfunctie mogen middelen worden uitgezet, maar alleen als deze uitzettingen een prudent karakter hebben. Feitelijk is dat prudente karakter sinds eind 2013 verzekerd doordat de gemeente alleen onder de condities van de Regeling schatkistbankieren decentrale overheden middelen mag uitzetten. Dat betekent dat middelen alleen op een bankrekening van het ministerie van Financiën of onder voorwaarden bij medeoverheden kunnen worden uitgezet.

Over het rekening-courant saldo wordt de daggeldrente vergoed. Op deposito’s is de rente afhankelijk van de looptijd. De hoogte van die rente is gelijk aan de rente waar tegen de Staat zichzelf financiert op de geld- en kapitaalmarkten (de zogenoemde ‘inleenrente’). De rentetarieven worden dagelijks gepubliceerd op de website van het Agentschap. Indien noodzakelijk kunnen deposito’s kosteloos en zonder boete vervroegd worden afgelost. De vervroegde aflossing geschiedt tegen marktwaarde.

Over een eventuele roodstand wordt een boeterente van 100 basispunten in rekening gebracht bovenop het daggeldtarief. Tevens moet de roodstand binnen enkele dagen worden gecorrigeerd.

In dit kader geldt een drempelbedrag. Dat is het maximale bedrag dat een decentrale overheid over een heel kwartaal gezien gemiddeld op dagbasis buiten het schatkistbankieren mag houden.

Het drempelbedrag is bedoeld om te voorkomen dat deelnemers niet elke dag elke laatste euro naar de schatkist hoeven over te boeken. Het kan namelijk voorkomen dat er nog ontvangsten binnen komen bij de bank van de gemeente nadat de werkdag voorbij is. Het drempelbedrag kan ook gebruikt worden om fluctuaties in kasstromen op te vangen, of om niet elke bankrekening dagelijks te hoeven afromen naar nul. Als een gemeente een keer vergeet om middelen af te romen naar de schatkist, dan kan het drempelbedrag voldoende flexibiliteit geven om dit in de rest van het kwartaal te compenseren.

Het drempelbedrag is gelijk aan 0,75% van het begrotingstotaal bij een begrotingstotaal van € 500 miljoen of lager. Is het begrotingstotaal hoger dan € 500 miljoen dan is de drempel gelijk aan € 3,75 miljoen plus 0,2% van het begrotingstotaal dat de € 500 miljoen te boven gaat. Het drempelbedrag is altijd minimaal € 250.000.

Het drempelbedrag is een gemiddelde. Stel, het drempelbedrag van een gemeente is € 2 miljoen. Dit betekent dat die gemeente over het gehele kwartaal gemiddeld € 2 miljoen buiten de schatkist mag aanhouden (naast andere uitgezonderde middelen).

Het gemiddelde wordt berekend over alle dagen in een kwartaal. Als het kwartaal 90 dagen heeft, en de gemeente heeft al 45 dagen € 3 miljoen buiten de schatkist heeft gelaten, dan mag er in de volgende 45 dagen gemiddeld nog slechts € 1 miljoen buiten de schatkist blijven ([45 x 3 + 45 x 1] /90 = 2).

Het drempelbedrag is ook bedoeld om eenmalige grote fluctuaties op te vangen. Als er op een dag bijvoorbeeld niet wordt afgeroomd, zodat er € 10 miljoen buiten de schatkist wordt gehouden, dan kan dat gecompenseerd worden door de 8 dagen daarna maximaal € 1 miljoen buiten de schatkist te houden (en de resterende dagen in het kwartaal € 2 miljoen).

Het uitzetten van middelen in het kader de “publieke taak” wil zeggen dat op grond van de Wet fido gemeenten leningen of garanties alleen uit hoofde van “de publieke taak” mogen aanhouden. Dit onderwerp is toegelicht en uitgewerkt in Hoofdstuk 7. De Wet fido erkent dat derivaten een rol kunnen spelen bij de beheersing van renterisico’s en staat het gebruik ervan dus toe, zolang zij niet worden gebruikt om gelden te genereren. In de Regeling uitvoering financiering decentrale overheden (Ruddo) is het prudent gebruik van derivaten nader geregeld. Derivaten mogen uitsluitend worden gebruikt ter beperking van financiële risico’s (er mag niet mee worden gespeculeerd).

Het gebruik van derivaten is op grond van dit Treasurystatuut niet toegestaan. De motivering daarvoor is dat derivaten veel specialistische kennis vereisen en de ervaring tot nu toe is dat er geen behoefte is gebleken aan het gebruik daarvan.

Renterisicobeheer omvat het beperken van de invloed van rentewijzigingen op de financiële resultaten van de gemeente. Hiervoor heeft de Wet fido twee normen geformuleerd:

Teneinde een grens te stellen aan korte financiering (met een rentetypische looptijd tot één jaar) is in de Wet fido de kasgeldlimiet opgenomen. Juist voor korte financiering geldt dat het renterisico aanzienlijk kan zijn, aangezien fluctuaties in de rente bij korte financiering direct een relatief grote invloed hebben op de rentelasten. De kasgeldlimiet wordt berekend als een percentage (8,5%) van het begrotingstotaal van de gemeente bij aanvang van het jaar.

De renterisiconorm heeft betrekking op het beperken van de gevolgen van een stijgende kapitaalmarktrente op de rentelasten van de lange termijn financiering. De jaarlijkse aflossingen en renteherzieningen mogen samen niet meer bedragen dan 20% van het begrotingstotaal

Interne liquiditeitsrisico’s doen zich bijvoorbeeld voor wanneer de gemeente middelen voor een bepaalde periode heeft uitgezet en gedurende de looptijd van de uitzetting blijkt dat de middelen (onverwacht) nodig zijn voor het doen van een investering. Dit kan tot gevolg hebben dat de gemeente tijdelijk een lening moet aantrekken. Dit kan negatieve gevolgen hebben voor de financiële resultaten.

Ter beperking van dit risico baseert de gemeente haar financiële transacties op een liquiditeitenplanning waarin de toekomstige inkomsten en uitgaven van de gehele organisatie zijn gepland. Teneinde aansluiting te zoeken op de meerjarige investeringsplanning van de gemeente is gekozen een liquiditeitenplanning met een periode van 4 jaar op te stellen.

In de praktijk is het opstellen van een betrouwbare nauwkeurige liquiditeitenplanning niet eenvoudig. Dit heeft te maken met de inherente onzekerheden die verbonden zijn aan de activiteiten van de gemeente en de hieraan verbonden mogelijke financiële gevolgen. Het is daarom van groot belang dat de medewerker treasury juist, tijdig en volledig wordt geïnformeerd door de overige afdelingen over de financiële gevolgen van hun activiteiten.

De financieringsbehoefte van de gemeente vloeit voort uit investeringen in vaste activa en uit herfinanciering van bestaande leningen. Voor de financieringsinstrumenten waaruit de gemeente in de praktijk kiest kan een onderscheid worden gemaakt naar kortlopende (korter dan een jaar) en langlopende leningen (langer dan een jaar). De gemeente hanteert integrale- of bedrijfsfinanciering in plaats van partiële- of projectfinanciering. Dat betekent dat er geen een op een relatie is tussen aan te trekken financiering en uitgaven voor concrete investeringen. Uitzonderingen bij grote investeringsprojecten zijn mogelijk. Omdat het in de praktijk meestal niet mogelijk is om schriftelijke offertes voor het aantrekken van financiering te ontvangen, zal in plaats daarvan een vastlegging gemaakt worden via e-mails of telefoonnotities. Vandaar dat in dit artikel is opgenomen, dat wanneer het niet mogelijk is meerdere offertes op te vragen, hiervan de reden schriftelijk wordt vastgelegd.

Het saldo en liquiditeitenbeheer betreft het beheer van de dagelijkse saldi op de rekeningen (-courant) van de gemeente. Teneinde de noodzaak tot het doen van interne overboekingen te beperken, zijn de verschillende rekeningen die de gemeente bij de BNG aanhoudt, opgenomen in een rentecompensatiecircuit. Dit is een systeem waarbij de (valutaire) debet en creditsaldi van alle rekeningen van een organisatie worden samengevoegd tot één gecombineerd saldo, waarover de rente wordt berekend.

7. Voorwaarden en criteria beoordelen aanvragen

Het uitzetten van middelen in het kader de “publieke taak” wil zeggen dat op grond van de Wet fido gemeenten leningen of garanties alleen uit hoofde van “de publieke taak” mogen aanhouden. Dit geldt ook voor aandelenbezit. De wet stelt geen eisen aan het verstrekken van leningen en garanties uit hoofde van de publieke taak. Wel wordt in de toelichting op de Wet fido het volgende aangegeven: “Het gemeentebestuur bepaalt de publieke taak/belang. Het is goed een onderscheid te maken tussen het maatschappelijk- en publiek belang. De (lagere) overheid grijpt regelmatig in de maatschappij in. Niet alles wat van maatschappelijk belang is dient door de overheid aan te worden gepakt. Zo wordt het hebben van voldoende voedsel tegen een acceptabele prijs gezien als maatschappelijk belang. Echter zal de overheid geen staatsbakkerij beginnen; de markt dient het maatschappelijk belang hier prima door tegen een acceptabele prijs in brood te voorzien. Een maatschappelijk belang wordt pas een publiek belang als de markt niet in staat is het maatschappelijk belang te borgen en dit tegen een acceptabele prijs aan te bieden. Onder publiek belang wordt verstaan: ‘een maatschappelijk belang waarin het economische regelstelsel van de markt niet of onvoldoende kan voorzien, doordat het niet in de eerste plaats gaat om winstgevendheid, maar om algemeen nut’.

De begroting en de begrotingswijzigingen bepalen het budgettaire kader voor de uitoefening van de publieke taak”. In geval een te realiseren voorziening, bijvoorbeeld op het gebied van welzijn, sport of cultuur, het algemeen gemeentelijk belang dient en zonder gemeentelijke financiering niet van de grond komt, kan overwogen worden tot het verstrekken van een lening, garantie of borgstelling. De instelling die dat aangaat zal een beargumenteerd voorstel en gewaarmerkte financiële stukken en eventueel een accountantsverklaring moeten overleggen. Ambtelijk zal het gemeentebestuur worden geadviseerd over financieringsvoorwaarden en de implicaties van de betreffende aanvraag voor de totale financiële positie van de gemeente. Een volledige opsomming van criteria en voorwaarden die de gemeente Hof van Twente hanteert bij het beoordelen van lening- en garantieaanvragen is hieronder te vinden. Tevens is hier een aantal voorwaarden opgenomen waaraan de aanvragende partij moet voldoen op het moment dat een aanvraag gehonoreerd wordt.

Bij het beoordelen van het garantie- of leningsverzoek is het wenselijk dat stapsgewijs kan worden ‘afgevinkt’ of het verzoek voldoet aan alle door de gemeente vastgestelde criteria. Zo kan eenduidig en volgens een vast stramien onderbouwd worden waarom een verzoek gehonoreerd/afgewezen wordt. Daarnaast is een aantal voorwaarden vanuit de gemeente gesteld die gelden voor zowel een lening als een garantie. De wenselijke criteria en voorwaarden zijn:

7.1.1. De activiteiten waarvoor de aanvragende partij een lening of garantie van de gemeente verlangt dienen het lokaal publiek belang, passen binnen staand gemeentelijk beleid en komen in overwegende mate ten goede aan de inwoners van de gemeente Hof van Twente.

7.1.2. Er wordt geen garantie/lening verstrekt aan een partij die activiteiten ontplooit in een markt waar andere commerciële ondernemingen gelijke producten of diensten aanbieden of aan ondernemingen waarbij het aandeelhouderschap niet voor eenieder in de lokale gemeenschap open staat en waarbij het bedrijfsresultaat terugvloeit naar een beperkte kring van private aandeelhouders.

7.1.3. Er wordt alleen een garantie/lening verstrekt wanneer de aanvragende partij kan aantonen of aannemelijk kan maken dat zonder gemeentelijke garantie/lening de uit te voeren activiteit niet, of tegen onevenredige meerkosten, van de grond kan komen. Enkel het behalen van een rentevoordeel als enige onderbouwing voor de gemeentegarantie is geen reden om de garantie/lening te verstrekken. Wat als onevenredige meerkosten wordt gezien, wordt per aanvraag apart beoordeeld.

7.1.4. Door de gemeente worden zekerheden gevraagd die de kans op het niet terugontvangen van de hoofdsom, rente en garantstellingsprovisie tot een minimum beperken. Een eerste vereiste daarvoor is dat de meerjarige exploitatiebegroting en het meerjarig liquiditeitsoverzicht, inclusief de aan de lening of garantstelling verbonden financieringslasten, geen tekorten vertoont. Daarnaast worden aanvullende zekerheden gevraagd.

  • 1.

    Bij de financiering van een onroerende zaak eist de gemeente een recht van hypotheek en bij een roerende zaak een recht van pand op de waarde van de betreffende zaak of de daarmee te verwerven inkomsten.

  • 2.

    Als er mogelijkheden zijn voor participatie in de financiering van de activiteit of (on)roerende zaak door anderen (leden, gebruikers of sympathisanten van de organisatie of andere personen of instellingen), dan dienen deze benut te worden. De gemeente geeft er de voorkeur aan daarbij niet het eerste financieringsrisico te dragen. Dat kan geregeld worden door andere financiers een klein deel met een achtergestelde lening te laten financieren, waarbij de gemeente de senior financiering verstrekt of borgt. De maximale financiering is in veel gevallen beperkt tot 80% vanwege Europese staatssteunbeleid. Bijkomend voordeel van een financiering waarbij ook derden participeren is dat daarmee meerjarig extra kritisch vermogen wordt georganiseerd en ook een zeker draagvlak wordt aangetoond.

  • 3.

    Indien de aanvragende partij voor de uit te voeren activiteit(en) (deels) bij een waarborgfonds (bijv. WSW en SWS) aanspraak kan maken op een financiering, dient deze mogelijkheid te worden benut.

  • 4.

    Alleen in uitzonderlijke gevallen kan van de benutting van deze zekerheden, mits zorgvuldig onderbouwd, afgeweken worden.

7.1.5. De looptijd van de lening of garantie wordt afgestemd op de economische of, indien korter, technische levensduur van de investering. Vervroegde aflossing is bij een lening vanuit de gemeente altijd mogelijk. Bij een garantie ligt dit aan de financieringsvoorwaarden met de bank, maar de gemeente stimuleert wel daartoe mogelijkheden in de financieringsvoorwaarden op te nemen. De achtergrond hiervan is dat de financiële betrokkenheid wat de gemeente betreft niet langer dan nodig hoeft te bestaan. Ook de ontvanger van de lening of garantstelling kan hierbij ook belang hebben, bijvoorbeeld om de financieringslasten zo veel mogelijk te beperken.

7.1.6. De lening die de gemeente verstrekt of garandeert kent jaarlijkse betaling van rente en aflossing en is lineair. Want naarmate de looptijd van de financiering verstrijkt verliezen de vooraf gestelde zekerheden vaak een deel van hun kracht. Uit oogpunt van risicobeheersing ligt het daarom voor de hand te zorgen dat het totaal bedrag van rente en aflossing met de jaren afneemt. Alleen in geval tegenover de lening een huurinkomst bij de aanvrager staat, is de annuïtaire vorm te overwegen.

Eisen aanvraag

Garantie- of leningsaanvragen moeten altijd, voorafgaand aan het aangaan van de verplichting, schriftelijk bij het college van B&W ingediend worden. Aanvragen moeten voorzien zijn van:

7.2.1. een exemplaar van bij notariële akte vastgelegde statuten of oprichtingsakte;

7.2.2. een opgave van de bestuurssamenstelling (namen, NAW-gegevens en functies);

7.2.3. informatie over de financiële waarde en de waarde voor de lokale gemeenschap van de met de lening of garantstelling te financieren investering. Bij onroerend goed (gebouwen) o.a. tekeningen en technische keuringsrapporten;

7.2.4. een document waaruit blijkt dat het onderpand vrij is van hypotheek (of van pand als het om roerende zaken gaat);

7.2.5. de laatst bekende taxatiewaarde van het onderpand voor de OZB in het geval het gaat om een bestaand onroerende zaak;

7.2.6. de jaarrekening van de laatste twee boekjaren (indien mogelijk);

7.2.7. een meerjarige exploitatiebegroting (t t/m t+3) waarin de lasten van de gevraagde financiering zijn verwerkt;

7.2.8. een gespecificeerde opstelling van de wijze van financiering van de voorgenomen investering;

7.2.9. Een toelichting of eventueel gebruik wordt gemaakt van cofinanciering.

Een verzoek tot lening/garantie wordt nooit gehonoreerd wanneer gemeentelijk niet de zekerheid bestaat dat:

7.3.1. de investering/aankoop zal plaatsvinden;

7.3.2. de aanvrager omtrent de aanvraag volledige/juist informatie heeft verstrekt.

Aanvullende criteria en voorwaarden

7.4.1. Bij het verstrekken van een lening wordt het rentepercentage gehanteerd waartegen de gemeente op het moment, na positieve besluitvorming door de raad, bij het opstellen van de conceptleningsovereenkomst, bij eenzelfde looptijd als de te verstrekken lening, geld kan aantrekken bij de BNG Bank. Dit percentage wordt vermeerderd met 0,5-procentpunt ter dekking van administratieve lasten en als risico-opslag. Bij een afgegeven garantie brengt de gemeente deze 0,5% ook in rekening als garantstellingsprovisie, tenzij de aanvragende partij voor tenminste 10% van de totaalfinanciering gebruikmaakt van cofinanciering.

7.4.2. De lening- of garantie-aanvraag wordt getoetst op regelgeving rondom staatssteun. Het in lid 1 vermelde rentepercentage, inclusief opslag, kan worden verhoogd met een extra toeslag om marktconformiteit te waarborgen vanuit deze toets.

7.4.3. Aangezien de gemeente risicodrager is, verstrekt de aanvrager jaarlijks, gedurende de gehele looptijd van de lening of garantie, een meerjarige exploitatiebegroting, meerjarig kasstroomoverzicht en een financieel jaarverslag aan het college van B&W zodat het financieel beheer- en beleid ambtelijk getoetst kunnen worden. Daarnaast bericht zij proactief de gemeente over zaken die een (financiële) impact kunnen hebben op de aanvragende partij zoals investeringen, onverwachte kosten of incidentele/structurele nieuwe, grote uitgaven.

7.4.4. Indien de lening of garantie wordt afgegeven ten behoeve van een pand, heeft de aanvrager een instandhouding- en onderhoudsverplichting en dient dit pand ten alle tijden in een goede staat te houden. Tevens dient de aanvrager een opstal- en inventarisverzekering af te sluiten.

7.4.5. De aanvrager is verplicht het college van B&W binnen één maand te informeren zodra niet aan de verplichtingen jegens de lening of garantie kan worden voldaan en niet (tijdig) kan worden betaald.

7.4.6. Indien de gemeentegarantie wordt aangesproken, en de gemeente (een) betaling(en) verricht aan de geldverstrekker, dient/dienen deze door de aanvrager in zijn geheel aan de gemeente te worden terugbetaald. Het aan de gemeente terug te betalen bedrag wordt verhoogd met een extra opslag van 1-procentpunt (niet tijdig betalen rente en aflossing mag niet onbestraft blijven). Vanaf de dag dat de gemeente de betaling(en) heeft gedaan, tot aan de dag dat terugbetaald wordt, wordt deze extra opslag in rekening gebracht. De aanvrager staat toe dat de gemeente openstaande betalingen mag verrekenen met uit te keren subsidies of andere betalingen. Eenzelfde verrekeningsmethodiek mag vanuit de gemeente worden toegepast wanneer het een lening betreft en de aanvrager niet tijdig aan de betalingsverplichtingen voldoet.

Beëindiging van de garantie/lening

Normaliter eindigt de garantie- of leningsovereenkomst van rechtswege wanneer de volledige hoofdsom en rentevergoeding zijn terugbetaald aan de geldverstrekker. Echter, bij surseance van betaling, faillissement, ontbinding van de aanvrager óf het niet naleven van de uit de lening- of garantieovereenkomst voortkomende voorwaarden, zal het college van B&W, zonder uitdrukkelijke ingebrekestelling, bevoegd zijn al hetgeen op te eisen dat de gemeente heeft betaald. In het geval het een garantie betreft zal eerst de openstaande verplichting van de aanvrager jegens de geldverstrekker worden voldaan, alvorens de gemeente een beroep doet op haar vordering.

Ondertekening

Team Financiën, Beleid en Advies

de Höfte 7, 7471 DK Goor

Postbus 54, 7470 AB Goor

0547 – 85 85 85

info@hofvantwente.nl