Verordening huisvesting scholen gemeente Utrecht

Geldend van 15-02-2021 t/m heden

Intitulé

Verordening huisvesting scholen gemeente Utrecht

De raad van de gemeente Utrecht,

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 24 november 2020 met kenmerk 7188760,

gelet op artikel 108, eerste en tweede lid, en artikel 160 van de Gemeentewet en artikel 102 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 76m van de Wet op het voortgezet onderwijs en artikel 100 van de Wet op de expertisecentra,

na het op overeenstemming gericht overleg met de bevoegde gezagsorganen van de niet door de gemeente in standgehouden scholen in de gemeente,

besluit: De ‘Verordening huisvesting scholen gemeente Utrecht’ vast te stellen.

Deel 1 Moderne en toekomstbestendige schoolgebouwen en gymzalen

Artikel 1 Deze verordening geldt in de volgende situaties

Het schoolbestuur kan alleen de volgende huisvestingsvoorzieningen aanvragen:

  • 1. Het schoolbestuur wil een gebouw, ruimte of terrein (tijdelijk) gebruiken voor onderwijs

    • a.

      Nieuwbouw van een nieuw schoolgebouw of een nieuwe gymzaal.

    • b.

      Renovatie van (een deel van) een schoolgebouw of gymzaal. Dit kan op dezelfde of een andere locatie zijn. Als dat op basis van het afwegingskader renovatie of nieuwbouw van de PO-raad, VO-raad en VNG niet haalbaar of wenselijk is, geldt vervangende nieuwbouw (sub c) als alternatief.

    • c.

      Vervangende nieuwbouw voor een (gedeelte van een) schoolgebouw of gymzaal.

    • d.

      Uitbreiding van een schoolgebouw of gymzaal.

    • e.

      In gebruik nemen van een (deel van een) bestaand schoolgebouw of gymzaal.

    • f.

      Medegebruik van een (deel van een) schoolgebouw of gymzaal dat al bij een andere school in gebruik is.

    • g.

      Verplaatsen van (een deel van) 1 of meer bestaande tijdelijke of permanente schoolgebouwen om een school te huisvesten.

    • h.

      Terrein dat nodig is om een schoolgebouw of gymzaal te realiseren volgens sub a tot en met d of sub f.

    • i.

      Eerste keer inrichten van een schoolgebouw of gymzaal met meubilair of een onderwijsleerpakket.

  • 2. Het schoolbestuur wil een aanpassing, renovatie of uitbreiding doen voor een niet-onderwijsfunctie. Het gaat dan om een aanpassing, renovatie of uitbreiding van een schoolgebouw, bijbehorende ruimte of terrein volgens gemeentelijk onderwijsbeleid, bedoeld voor een niet-onderwijsfunctie. Het college kan hier een nadere regel voor vaststellen.

  • 3. Het schoolbestuur wil constructiefouten herstellen die schade aan een gebouw (kunnen) veroorzaken. Deze schade is veroorzaakt door een ontwerpfout, uitvoeringsfout of wanprestatie. Deze schade was nog niet eerder zichtbaar. Ook is deze schade niet te verwijten aan het schoolbestuur of eenvoudig te voorzien door het schoolbestuur. Het schoolbestuur dient hiervoor een bouwkundige rapportage in bij het college.

  • 4. Het schoolbestuur wil een sportterrein huren voor een school voor voortgezet onderwijs. Het schoolbestuur wil dit huren voor bewegingsonderwijs. Dit terrein is niet van een schoolbestuur.

  • 5. Het schoolbestuur heeft schade aan een gebouw, onderwijsleerpakket of meubilair, of wil maatregelen nemen om schade te voorkomen. De procedure hiervoor is uitgewerkt in artikel 11 en 12.

Artikel 2 Informatie over de school
  • 1. Het schoolbestuur geeft ieder jaar informatie over de school

    • a.

      Als een school meerdere locaties heeft, stuurt het schoolbestuur het college uiterlijk 1 maand na de teldatum een overzicht met het aantal leerlingen van iedere locatie van de school. Het overzicht met het aantal leerlingen van andere scholen heeft het schoolbestuur dan al met de minister gedeeld.

  • 2. Het schoolbestuur moet het doorgeven aan het college of de gemeenteraad als gegevens veranderen. Het schoolbestuur moet het college of de gemeenteraad voorzien van de informatie die het college of de gemeenteraad nodig heeft om deze verordening uit te voeren. Het schoolbestuur laat het bijvoorbeeld weten als hij ziet dat het college onjuiste gegevens heeft over de school.

Schoolgebouwen

Artikel 3 Het college berekent hoeveel leerlingen hij verwacht in de gemeente
  • 1. Het college berekent minimaal 1 keer in de 2 jaar hoeveel leerlingen hij verwacht

    • a.

      Dit heet de leerlingenprognose. Het college schat dit in voor alle soorten onderwijs voor minimaal 15 jaar.

    • b.

      Het college toetst vervolgens de aanvragen voor huisvesting die hij krijgt aan de leerlingenprognose.

    • c.

      Het college maakt de leerlingenprognose openbaar.

    • d.

      De leerlingenprognose is gebaseerd op de regels van de Rijksoverheid. De regels zijn op www.overheid.nl te vinden.

Artikel 4 Het college kan afwijken van de leerlingenprognose
  • 1. In de volgende situatie kan het college afwijken van de leerlingenprognose. Het college kan afwijkende, gebiedsgerichte afspraken maken met de schoolbesturen van alle scholen in een specifiek gebied. Het college en de schoolbesturen maken deze afspraken omdat:

    • a.

      er bijzondere demografische ontwikkelingen zijn, of

    • b.

      er grote woningbouwontwikkelingen zijn, of

    • c.

      er een nieuwe onderwijsaanbieder in het gebied komt, of

    • d.

      1 of meerdere scholen hebben besloten om het aantal leerlingen van de school te maximeren

  • 2. Als het college en de schoolbesturen overeenstemming bereiken, stelt het college de afspraken vast. Het college neemt in haar besluit hierover dan in ieder geval op:

    • a.

      voor welk gebied de afspraken precies gelden

    • b.

      welke scholen betrokken zijn (de namen van deze scholen)

    • c.

      wat de nieuwe, geplande omvang van de betrokken scholen is, met de bijhorende afspraken

    • d.

      voor welke periode de afspraken gelden. Het college maakt haar besluit openbaar. Het college informeert de gemeenteraad over het besluit.

  • 3. Het college en de schoolbesturen kunnen de afwijkende afspraken bijstellen. Dat doen het college en de schoolbesturen in overeenstemming. Daarvoor geldt dezelfde procedure als in lid 2.

    • a.

      Het schoolbestuur kan een scenarioprognose aanvragen. Een scenarioprognose kan de leerlingenprognose vervangen in een bijzondere situatie (zie opsomming in lid 1). Deze situatie geeft aanleiding om andere uitgangspunten te hanteren bij het opstellen van een prognose.

    • b.

      Het college beslist of er sprake is van een bijzondere situatie.

  • 4. Als het college afwijkt van de leerlingenprognose, gelden de boordelingscriteria niet. Heeft het college een besluit genomen zoals in lid 2 is beschreven? Dan gelden de beoordelingscriteria in stap 4 van deel 2 van deze verordening niet. Bij het besluit tot het afwijken van de leerlingenprognose toetst het college aan de wettelijke weigeringsgronden.

Artikel 5Het college kan (een deel van) een gebouw of terrein van een school vorderen

  • 1. In de volgende gevallen kan het college (een deel van) een schoolgebouw, gymzaal of terrein van een school vorderen:

    • a.

      een schoolgebouw of terrein (deels) leeg staat, of

    • b.

      een gymzaal van een school (deels) leeg staat, of

    • c.

      een terrein, hieronder wordt mede verstaan een sportveld van een school voor voortgezet onderwijs, dat (deels) niet wordt gebruikt, en

    • d.

      de gemeente de leegstand wil gebruiken voor een school die op grond van het programma recht heeft op een huisvestingsvoorziening, of

    • e.

      de gemeente de leegstand wil gebruiken een culturele, maatschappelijke of recreatie doeleinden.

  • 2. In sommige gevallen vordert het college niet. In de volgende situaties gebeurt dat niet:

    • a.

      Als het college en het schoolbestuur waarvan het college mogelijk wil vorderen in goed overleg afspraken maken over medegebruik, of

    • b.

      Als het schoolbestuur de ruimtes die de gemeente wil vorderen al, met toestemming van de gemeente, aan een andere school in gebruik heeft gegeven. Behalve als deze school zelf al genoeg ruimte beschikbaar heeft en het medegebruik dus niet nodig heeft. Daarvoor geldt de berekening in stappen 1 en 2 van deel 2 van deze verordening, of

    • c.

      Het onderwijs van de school waarvan mogelijk wordt gevorderd niet samen kan gaan met het onderwijs van de school of de culturele, maatschappelijke of recreatie doeleinden waarvoor mogelijk wordt gevorderd. Het college onderzoekt altijd voorafgaand van het vorderen of hier sprake van is, of

    • d.

      Als er geen sprake is van leegstand van (een deel van) het schoolgebouw, gymzaal of terrein van de school waarvan het college wil vorderen.

  • 3. Het college beoordeelt voorafgaand aan het vorderen of er sprake is van leegstand

    • a.

      In de volgende gevallen staat een (deel van een) schoolgebouw of terrein leeg:

      • i.

        Als de capaciteit van het gebouw of terrein groter is dan de ruimtebehoefte op de meest recente teldatum (volgens bijlage 1).

    • b.

      In de volgende gevallen staat een (deel van een) gymzaal leeg. Als de gymzaal:

      • i.

        minder dan 26 klokuren door een school voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs of (voortgezet) speciaal onderwijs wordt gebruikt, of

      • ii.

        minder dan 40 klokuren door een school voor voortgezet onderwijs wordt gebruikt, of

      • iii.

        minder dan 40 klokuren door scholen die vallen onder lid a en b samen wordt gebruikt.

    • c.

      Bij een sportterrein wordt dit beoordeeld aan de hand van de lesroosters van de school of scholen die dit terrein gebruiken.

  • 4. Het college overlegt altijd eerst met de schoolbesturen voordat hij (een deel van) een schoolgebouw of terrein vordert. Het college overlegt dan in ieder geval over de volgende punten:

    • a.

      voor welke activiteit of activiteiten hij de ruimte vordert, en

    • b.

      of deze activiteiten het onderwijs in het gebouw niet onredelijk storen, en

    • c.

      of er maatregelen nodig zijn om de activiteiten op een goede manier in het schoolgebouw te laten plaatsvinden en wat de kosten zijn van deze maatregelen, en

    • d.

      wat het college en het schoolbestuur een redelijke vergoeding voor het gebruik vinden, en

    • e.

      vanaf welke datum het medegebruik start.

  • 5. Als het college huisvesting vordert, dan krijgt het schoolbestuur hierover een besluit van het college. Het schoolbestuur van de school waarvan het college vordert hoort binnen 4 weken na het overleg of het college inderdaad gaat vorderen. Het schoolbestuur krijgt hierover dan een brief. Hierin staat in ieder geval:

    • a.

      de naam van de school en het bestuur voor wie de ruimte wordt gevorderd, en

    • b.

      het aantal leerlingen waarvoor de ruimte nodig is of het aantal klokuren als het om een gymzaal of terrein gaat, en

    • c.

      het gebouw waarin het college de ruimte vordert, en

    • d.

      het bruto vloeroppervlak (m2 bvo) dat het college vordert, en

    • e.

      hoe lang het college deze ruimte vordert, en

    • f.

      de ingangsdatum van het gebruik. Deze ligt minimaal 4 weken na de datum van de brief, en

    • g.

      als dat van toepassing is: welke aanpassingen aan het schoolgebouw nodig zijn om de huisvesting mogelijk te maken.

Artikel 6 Scholen kunnen een (deel van een) schoolgebouw verhuren of in medegebruik geven
  • 1. Als er sprake is van leegstand kan een schoolbestuur (een deel van) een schoolgebouw, gymzaal of terrein in medegebruik geven of verhuren:

    • a.

      Een schoolbestuur kan een gedeelte van een schoolgebouw of terrein in medegebruik geven aan een andere school of aan een organisatie die de ruimte gaat gebruiken voor culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinde, of

    • b.

      Een schoolbestuur kan een gedeelte van een schoolgebouw of terrein verhuren aan een derde.

  • 2. De school heeft toestemming nodig van het college om een (deel van een) schoolgebouw te verhuren of in medegebruik geven. Het schoolbestuur gebruikt hiervoor een vastgesteld formulier. Het formulier is te vinden op www.utrecht.nl.

  • 3. De school hoort binnen 6 weken het schoolgebouw mag worden verhuurd of in medegebruik worden gegeven. Het college kan deze termijn verlengen met nog eens 6 weken.

  • 4. De volgende voorwaarde geldt in ieder geval voor toestemming voor verhuur

    • a.

      In de huurovereenkomst tussen het schoolbestuur en de huurder moet staan dat artikel 230a van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek niet geldt.

  • 5. Het college kan extra voorwaarden aan de toestemming verbinden. Bijvoorbeeld:

    • a.

      wat de huurprijs minimaal is, of

    • b.

      of het schoolbestuur een deel van de huur aan de gemeente moet betalen omdat de gemeente een extra investering doet of heeft gedaan voor de ruimte, of

    • c.

      hoe lang de verhuur duurt.

  • 6. Het college verleent in iedere geval geen toestemming voor verhuur of medegebruik

    • a.

      als het voorgenomen gebruik niet samen kan gaan met het onderwijs van de school, of

    • b.

      in geval van verhuur als het gaat om verhuur in de zin van afdeling vijf en zes van titel 4 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.

  • 7. Zonder toestemming van het college is de huurovereenkomst nietig

  • 8. In geval van medegebruik maken de twee scholen afspraken over het medegebruik

    • a.

      Er worden in ieder geval afspraken gemaakt over de vergoeding voor het medegebruik. De twee schoolbesturen bepalen samen de hoogte van deze vergoeding. Als het college een minimale huurprijs heeft vastgesteld, wordt daar rekening mee gehouden. Het uitgangspunt is de hoogte van de vergoeding die het schoolbestuur krijgt van de Rijksoverheid (de MI-vergoeding). Het schoolbestuur waar medegebruik gaat plaatsvinden krijgt zo een vergoeding voor de leegstand die benut wordt door het andere schoolbestuur.

  • 9. Medegebruik en verhuur eindigt in de volgende gevallen in ieder geval:

    • a.

      als de gevestigde school de ruimte zelf nodig heeft, of

    • b.

      als de medegebruikende school de ruimte niet meer nodig heeft, of

    • c.

      als het college gebruik maakt uit de bevoegdheid om de ruimte te vorderen.

Artikel 7 Het college past scholen in een wijk in
  • 1. De gemeente reserveert voldoende ruimte voor een schoolgebouw

    • a.

      Het college reserveert voldoende ruimte voor de huisvesting van scholen in een wijk. De gemeente houdt op wijkniveau 12,5% (1 extra ruimte per 8 groepen) meer gebouwcapaciteit beschikbaar te houden dan op basis van de leerlingenprognose nodig is.

    • b.

      Als het college deze norm in een wijk niet haalt, meldt het college dit 1 keer per jaar bij de gemeenteraad. Het college legt dan uit waarom de norm niet is gehaald.

    • c.

      Dit lid heeft geen effect op de beoordeling van een individuele aanvraag.

  • 2. Het college en het schoolbestuur houden waar mogelijk rekening met de omgeving

    • a.

      De gemeente houdt bij de keuze voor een terrein rekening met andere bestemmingen, zoals wonen. In de ligging van het schoolgebouw, het schoolplein en de openbare ruimte houdt hij daar rekening mee.

    • b.

      Het schoolbestuur en de gemeente overleggen met omwonenden over de inpassing van het schoolgebouw in de omgeving.

  • 3. Wanneer een school onderdeel is van een groter gebouwcomplex. Wordt een school onderdeel van een groter gebouwcomplex? Dan wordt het complex in appartementsrechten gesplitst. Er wordt dan een Vereniging van Eigenaren opgericht. Dan geldt het volgende:

    • a.

      De gemeente en het schoolbestuur spreken af wie eigenaar wordt van het deel van het gebouw dat voor de school is.

    • b.

      Wordt het schoolbestuur eigenaar van het deel van het gebouw dat voor de school is? Dan:

      • i.

        neemt het schoolbestuur zelf plaats in de Vereniging van Eigenaren

      • ii.

        wordt overlegd met het schoolbestuur over de splitsingsakte en hoe de Vereniging van Eigenaren wordt ingericht

      • iii.

        wordt een heldere demarcatielijst vastgesteld (daarbij geldt de nadere regel die daarover is vastgesteld)

      • iv.

        overleggen de gemeente en het schoolbestuur hoe gewaarborgd wordt dat het schoolbestuur de kosten voor beheer en onderhoud kan betalen binnen de vergoeding die het schoolbestuur daarvoor van de Rijksoverheid ontvangt (de MI-vergoeding).

    • c.

      Wordt de gemeente eigenaar van het deel van het gebouw dat voor de school is? Dan:

      • i.

        neemt de gemeente plaats in de Vereniging van Eigenaren

      • ii.

        wordt een heldere demarcatielijst vastgesteld (daarbij geldt de nadere regel die daarover is vastgesteld)

    • d.

      Is de gemeente bouwheer van het deel van het gebouw dat voor de school is? Het college overlegt dan met het schoolbestuur over de splitsingsakte vóór vaststelling.

  • 4. Wanneer een school niet wordt gebouwd door de gemeente of het schoolbestuur. Bouwt iemand anders dan de gemeente of het schoolbestuur het schoolgebouw? Dan treedt de gemeente voor deze verordening op als bouwheer.

  • 5. Wanneer de gemeente eigenaar blijft van het schoolgebouw. Blijft de gemeente eigenaar van een school? Dan spreekt het college met het schoolbestuur af welke demarcatielijst geldt. Dat doet hij voordat de bouw gaat beginnen. De demarcatielijsten vindt u in de nadere regels.

vóór 1 april:

vóór 1 mei:

vóór 1 juni:

vóór 1 juli:

het hele jaar door:

De gemeente stelt het aantal klokuren vast

De gemeente bepaalt welke school naar welke gymzaal gaat

De schoolbesturen maken met elkaar een rooster

De gemeente stelt het rooster definitief vast

het schoolbestuur kan meer klokuren aanvragen

Artikel 8 Het college verdeelt het gebruik van de gymzalen
  • 1. Het college stelt ieder jaar voor 1 april het aantal klokuren voor bewegingsonderwijs voor een school voorlopig vast

    • a.

      Dit is het aantal klokuren waarop een school in het komende schooljaar aanspraak maakt.

    • b.

      Het college bepaalt dit aantal op basis van het aantal leerlingen dat op de meest recente teldatum op de school staat ingeschreven. De teldatum is 1 oktober. Als het college een grote groei van een school verwacht, kan het college een hoger aantal leerlingen hanteren.

    • c.

      Het college overlegt met het schoolbestuur over het aantal klokuren, voordat het college het aantal klokuren voor een school vaststelt.

  • 2. Het college bepaalt voor 1 mei welke school naar welke gymzaal gaat. Daarbij hanteert het college de maximale afstand tussen het schoolgebouw en de gymzaal, zoals u leest in artikel 30. Het college laat aan iedere school weten welke gymzalen de school kan gebruiken.

  • 3. De scholen maken met elkaar een rooster voor 1 juni

    • a.

      De scholen die de gymzaal gaan gebruiken, stellen met elkaar vast op welk tijdstip een school de gymzaal mag gebruiken. De scholen sturen het college voor 1 juni het rooster.

    • b.

      Komen de scholen er onderling niet uit? Dan bepaalt het college op welk tijdstip een school de gymzaal mag gebruiken.

  • 4. Het college stelt het aantal klokuren en het rooster voor 1 juli definitief vast. Het college houdt rekening met de reacties van de schoolbesturen.

  • 5. Een school kan het college vragen om meer klokuren in te roosteren. Dat kan op ieder moment van het jaar. Het college stemt hier alleen mee in als daarvoor ruimte beschikbaar is. Deze extra klokuren betaalt de school dan zelf.

Onderhoud

Artikel 9 Wie verantwoordelijk is voor het onderhoud
  • 1. Als het schoolgebouw, gymzaal of terrein eigendom zijn van het schoolbestuur. Dan onderhoudt het schoolbestuur het gebouw en terrein zelf. Behalve als hij hierover andere afspraken maakt met het college.

  • 2. Als het schoolgebouw, gymzaal of terrein eigendom zijn van de gemeente

    • a.

      Dan spreekt het college met het schoolbestuur af welke demarcatielijst geldt.

    • b.

      Het college kan een nadere regel vaststellen om de demarcatie van verantwoordelijkheden bij de bouw en/of exploitatie van schoolgebouwen uit te werken.

Artikel 10 Als scholen gebouwen en terreinen in eigendom worden overgedragen
  • 1. De staat van onderhoud van een gebouw of terrein wordt beoordeeld als een gebouw of terrein in eigendom wordt overgedragen

    • a.

      De overdracht kan plaatsvinden van schoolbestuur naar gemeente of van gemeente naar schoolbestuur.

    • b.

      De eigenaar van het schoolgebouw maakt dan een staat van onderhoud op volgens NEN 2767.

    • c.

      De eigenaar van het schoolgebouw deelt de staat van het onderhoud met de partij waar het schoolgebouw aan wordt overgedragen. Dit doet de eigenaar voordat de eigendomsoverdracht plaatsvindt.

  • 2. Het college en het schoolbestuur overleggen over de staat van onderhoud

    • a.

      Is het onderhoudsniveau slechter dan niveau 3 volgens NEN 2767? Dan stellen het college en het schoolbestuur samen vast welk deel van het herstel het schoolbestuur betaalt en laat uitvoeren. Of dat het schoolbestuur hiervoor een bedrag aan de gemeente betaalt.

    • b.

      Bereiken het college en het schoolbestuur geen overeenstemming? Dan stellen beiden samen een onafhankelijke partij aan een bindend advies geeft.

  • 3. Soms is het niet nodig om een staat van onderhoud op te maken. Vindt de partij aan wie het schoolgebouw wordt overgedragen dat niet nodig? Dan hoeft dat niet. Dat kan bijvoorbeeld als het schoolgebouw gesloopt wordt.

  • 4. Het schoolbestuur overlegt met het college als hij een gebouw wil afstoten. Is een schoolbestuur van plan een hoofdvestiging, nevenvestiging of dislocatie af te stoten? Dan overlegt hij vooraf met het college welk gebouw hij teruggeeft aan de gemeente.

Schade

Ontstaan van de schade:

Binnen 3 maanden na ontstaan schade:

Binnen 3 weken na ontvangst declaratie:

Binnen 6 weken na ontvangst ontbrekende informatie:

De schade wordt binnen 1 of 5 werkdagen gemeld via het formulier.

Het schoolbestuur dient de declaratie met bijbehorende facturen in bij de gemeente.

De gemeente kan ontbrekende informatie vragen aan het schoolbestuur.

Het schoolbestuur dient de ontbrekende informatie in. De gemeente besluit over de aanvraag.

Artikel 11 Als scholen schade hebben aan het gebouw of terrein
  • 1. De school heeft schade door bijzondere omstandigheden. Dit betekent dat de schade komt door:

    • a.

      brand

    • b.

      inbraak of een poging tot inbraak

    • c.

      vandalisme

    • d.

      wateroverlast

    • e.

      storm

  • 2. Het schoolbestuur meldt de schade bij het college

    • a.

      Het schoolbestuur kan een vergoeding voor de kosten van het herstel van de schade bij het college aanvragen. Dat vraagt het schoolbestuur aan via een vastgesteld formulier. Dit formulier staat op www.utrecht.nl.

    • b.

      Is de (geschatte) schade minder dan € 5.000 (exclusief btw)? Dan meldt het schoolbestuur de schade en laat het schoolbestuur daarna de schade zelf herstellen. Het schoolbestuur meldt de schade binnen 5 werkdagen.

    • c.

      Is de (geschatte) schade hoger dan € 5.000 (exclusief btw) of de omvang nog niet vast te stellen? Dan meldt het schoolbestuur dat binnen 1 werkdag via telefoonnummer 14 030. Het schoolbestuur overlegt dan eerst met het college hoe de schade wordt hersteld. Het college kan een schade-expert vragen de schade te beoordelen.

    • d.

      Bij (poging tot) inbraak of (mogelijke) brandstichting doet het schoolbestuur altijd aangifte bij de politie.

  • 3. Het schoolbestuur vraagt de kosten voor herstel van de schade terug

    • a.

      Het schoolbestuur vraagt de kosten voor herstel van de schade uiterlijk binnen 3 maanden na ontstaan van de schade terug. Als dat niet kan, spreekt het schoolbestuur met het college af wanneer dit wel kan. In dat geval dient het schoolbestuur de kosten voor herstel uiterlijk 6 weken na de datum van de factuur in bij het college.

    • b.

      Als de aanvraag niet compleet is of als er meer informatie nodig is om de aanvraag te kunnen beoordelen, kan het college het schoolbestuur vragen de ontbrekende informatie aan te leveren. Het schoolbestuur heeft daar 3 weken de tijd voor. Als het schoolbestuur de ontbrekende informatie niet binnen 3 weken stuurt, wijst het college de aanvraag af.

    • c.

      Het college neemt binnen 6 weken na ontvangst van de complete aanvraag (inclusief facturen en eventuele ontbrekende informatie) een besluit. Ontbreekt er informatie? Dan gaat deze termijn in nadat het college de ontbrekende informatie heeft ontvangen.

  • 4. Het schoolbestuur krijgt herstel van de schade vergoed als hij aan de voorwaarden voldoet. Deze criteria staan in artikel 29.

  • 5. Het college bepaalt de hoogte van de vergoeding. Daarvoor geldt het volgende:

    • a.

      Heeft de school schade aan het gebouw of terrein? Dan krijgt hij de herstel- of vervangingskosten vergoed.

    • b.

      Heeft de school schade aan het onderwijsleerpakket of meubilair? Dan haalt het college de afschrijving van de vervangingskosten af. Het schoolbestuur stuurt de gemeente dan de (oude) facturen.

Artikel 12 Het schoolbestuur neemt maatregelen om schade te voorkomen
  • 1. Het schoolbestuur neemt altijd maatregelen om verdere schade te beperken. Als het schoolbestuur geen maatregelen neemt en hierdoor meer schade ontstaat, dan krijgt het schoolbestuur de kosten van deze schade niet vergoed.

  • 2. Het schoolbestuur kan het college vragen om een vergoeding om maatregelen te nemen om schade te voorkomen

    • a.

      Het schoolbestuur dient dit verzoek in bij het college. Het verzoek bevat in ieder geval:

      • i.

        welke maatregelen het schoolbestuur wil nemen of al heeft genomen

      • ii.

        welke kosten aan deze maatregelen zijn verbonden

      • iii.

        een onderbouwing waarom door deze maatregelen de verdere schade wordt voorkomen en leiden tot minder kosten voor het herstel van schade

    • b.

      Het college besluit volgens de procedure in stappen 4, 5 en 6 van deze verordening. Hij laat het besluit weten aan het schoolbestuur.

    • c.

      Het schoolbestuur stuurt na het nemen van de maatregelen een verantwoording van de kosten naar het college.

Deel 2 Zo vraagt de school een voorziening aan

Stap 1 Het college bepaalt hoeveel ruimte de school nu heeft

Stap 2 Het college rekent uit hoeveel ruimte de school nodig heeft

Stap 3 Het schoolbestuur vraagt een voorziening aan

Stap 4 Het college beoordeelt de aanvraag

Stap 5 Het college bepaalt welke aanvragen prioriteit hebben

Stap 6 Het college stelt het programma vast

Stap 7 Het schoolbestuur voert de voorziening uit

Stap 8 Het schoolbestuur verantwoordt de voorziening

Stappen 1 en 2 gelden alleen voor de voorzieningen zoals genoemd in artikel 1, lid 1, sub a tot en met h, en lid 2. Dit zijn de voorzieningen die afhankelijk zijn van de benodigde ruimte.

Stap 1 Het college bepaalt hoeveel ruimte de school nu heeft

In deze stap wordt bepaald hoeveel ruimte de school nu heeft. Dat heet de capaciteit. Dit is nodig als het schoolbestuur een voorziening aanvraagt. Een overzicht van de voorzieningen die een schoolbestuur kan aanvragen, leest u in artikel 1 van de verordening.

Artikel 13 Schoolgebouwen
  • 1. Kijk naar de bruto vloeroppervlakte van het gebouw

    • a.

      Dit wordt berekend volgens bijlage 3. Heeft de school naast de hoofdvestiging ook andere locaties waar de school onderwijs geeft? Dan stelt het schoolbestuur de capaciteit van deze gebouwen ook vast volgens bijlage 3. Dit heet een dislocatie of nevenvestiging.

    • b.

      Is het verschil tussen het bruto en nuttig vloeroppervlak van een schoolgebouw meer dan 40%? Dan kan het schoolbestuur vragen om een fictieve bruto vloeroppervlakte te gebruiken om de capaciteit te bepalen. Deze gebouwen hebben namelijk soms een grote hal of andere grote nevenruimtes.

Artikel 14 Terrein
  • 1. Het gaat om het terrein waarop de school staat

    • a.

      Dit terrein wordt opgemeten in vierkante meters. De voetprint van het schoolgebouw wordt niet meegerekend.

    • b.

      De speelplaats is het terrein waar leerlingen kunnen spelen en bewegen. Terrein voor bijvoorbeeld de fietsenstalling of voor opslag wordt niet meegerekend.

Artikel 15 Gymzalen
  • 1. Dit is de capaciteit van een gymzaal:

    • a.

      voor een school voor voortgezet onderwijs: 40 klokuren, of

    • b.

      voor een school voor (speciaal) basisonderwijs of (voortgezet) speciaal onderwijs: 26 klokuren.

Artikel 16 Inventaris

De bruto vloeroppervlakte van de school bepaalt hoeveel inventaris de school heeft

De inventaris waarvoor het schoolbestuur eerder een vergoeding heeft gekregen, telt als de aanwezig inventaris.

Artikel 17 Uitzonderingen
  • 1. Het college kan na overleg met het schoolbestuur besluiten de capaciteit van het schoolgebouw te verminderen

    • a.

      Dat kan als de ruimte die hierdoor beschikbaar komt, wordt ingezet voor onderwijskundige, culturele, maatschappelijke of recreatieve doelen. Dit heet ‘een deel van het gebouw onttrekken van de onderwijsbestemming’.

    • b.

      Het college kan dit in een nadere regel over gemeentelijk beleid voor kinderen uitwerken.

  • 2. Als het schoolbestuur voor een deel van het gebouw geen vergoeding heeft gekregen toen dit gebouwd werd. Dan rekent het college dit deel niet mee als hij de capaciteit bepaalt. Dit deel wordt wel geregistreerd.

Stap 2 Het college rekent uit hoeveel ruimte de school nodig heeft

In deze stap wordt bepaald hoeveel ruimte de school nodig heeft. Deze berekening is verschillend voor de verschillende soorten scholen. U leest in bijlage 1 de formules om de ruimte te berekenen. Aan de hand van de criteria in artikelen 18 tot en met 22 en de formules wordt berekend waar de school recht op heeft.

Artikel 18 Schoolgebouw voor basisonderwijs
  • a.

    De ruimtebehoefte voor een school voor basisonderwijs wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen op de teldatum. De school heeft minimaal 1 speellokaal.

  • b.

    Hiervoor geldt:

  • i.

    De ruimtebehoefte wordt voor elke school met een eigen BRIN-nummer berekend. Een nevenvestiging is voor deze berekening een aparte school.

  • ii.

    Krijgt een school een vergoeding volgens de ‘achterstandsscore’ (volgens artikel 27 van het ‘Besluit bekostiging Wet op het primair onderwijs (WPO)’)? Dan krijgt deze een toeslag voor de ruimtebehoefte.

  • iii.

    Heeft een school extra ruimte nodig op basis van lokaal onderwijsbeleid? Dan stelt het college deze aanvullende ruimtebehoefte vast.

Artikel 19 Schoolgebouw voor speciaal basisonderwijs
  • a.

    De ruimtebehoefte voor een school voor speciaal basisonderwijs wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen.

  • b.

    Hiervoor geldt:

  • i.

    Bereken de ruimtebehoefte per school met een eigen BRIN-nummer, of per nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer. Een nevenvestiging wordt in deze verordening gezien als een aparte school.

  • ii.

    Een speellokaal leidt tot een extra ruimtebehoefte van 90 vierkante meter.

  • iii.

    Heeft een school extra ruimte nodig op basis van lokaal onderwijsbeleid? Dan stelt het college deze aanvullende ruimtebehoefte vast.

Artikel 20 Schoolgebouw voor (voortgezet) speciaal onderwijs
  • a.

    De ruimtebehoefte voor een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs wordt bepaald aan de hand van:

  • i.

    de onderwijssoort

  • ii.

    de categorie (speciaal of voortgezet speciaal)

  • iii.

    het aantal leerlingen

  • iv.

    het aantal dislocaties en nevenvestigingen

  • b.

    Hiervoor geldt:

  • i.

    Een eventueel speellokaal leidt tot een extra ruimtebehoefte van 90 vierkante meter.

  • ii.

    Heeft een school extra ruimte nodig op basis van lokaal onderwijsbeleid? Dan stelt het college deze aanvullende ruimtebehoefte vast.

Artikel 21 Schoolgebouw voor voortgezet onderwijs
  • a.

    De ruimtebehoefte voor een school voor voortgezet onderwijs wordt bepaald aan de hand van:

  • i.

    de afdelingen

  • ii.

    de profielen

  • iii.

    het aantal leerlingen

  • iv.

    het aantal dislocaties en nevenvestigingen

  • b.

    Hiervoor geldt:

  • i.

    Heeft een school extra ruimte nodig op basis van lokaal onderwijsbeleid? Dan stelt het college deze aanvullende ruimtebehoefte vast.

  • ii.

    Is dit nodig om de omvang van de toekenning te bepalen? Dan kan het college de leegstand in onderwijsruimten binnen een gebouw voor voortgezet onderwijs bepalen.

  • iii.

    Voor een orthopedagogisch didactisch centrum gelden geen aparte normen.

Artikel 22 Gymzalen
  • 1. De ruimte wordt op verschillende manieren berekend voor basisonderwijs, speciaal onderwijs en voortgezet onderwijs. Er geldt een aparte berekening voor de verschillende richtingen in het voortgezet onderwijs.

Stap 3 Het schoolbestuur vraagt een voorziening aan

In deze stap leest u hoe het schoolbestuur een voorziening aanvraagt. Het college kan kiezen om de school budget te geven om een voorziening te realiseren of om een bestaande voorziening toe te kennen.

vóór 1 maart:

vóór 15 maart:

vóór 1 april:

vóór 1 mei:

vóór 1 juni:

vóór 31 december:

Het schoolbestuur vraagt de voorziening aan

Optie: het schoolbestuur krijgt bericht als er informatie mist in de aanvraag

Optie: het schoolbestuur vult de aanvraag verder aan

Het schoolbestuur hoort welke aanvragen de gemeente gekregen heeft

Optie: het schoolbestuur overlegt met de gemeente over de aanvraag

De gemeente besluit over de aangevraagde voorziening

Artikel 23 Zo vraagt het schoolbestuur een onderwijsvoorziening aan
  • 1. In de aanvraag staat in ieder geval het volgende

    • a.

      naam en adres van de contactpersoon én het schoolbestuur

    • b.

      naam van de school

    • c.

      de voorziening die het schoolbestuur aanvraagt

    • d.

      waarom de school deze voorziening en deze omvang nodig heeft, met onderbouwing

    • e.

      als het schoolbestuur een vergoeding aanvraagt op basis van feitelijke kosten: een begroting van de kosten die nodig zijn om de voorziening te realiseren

    • f.

      de datum waarop het schoolbestuur denkt te starten met het uitvoeren van de voorziening

    • g.

      indien van toepassing: gebouw waarvoor de voorziening is

    • h.

      indien van toepassing: de plaats waar het gebouw moet komen

    • i.

      bij herstel van schade (artikel 1, lid 5): de melding van de schade binnen de termijn in artikel 11.

  • Als het college meer informatie nodig heeft om de aanvraag te behandelen, kan hij om meer informatie vragen.

  • 2. Het schoolbestuur stuurt het college de aanvraag vóór 1 maart.

  • Het schoolbestuur dient de aanvraag in via het formulier op www.utrecht.nl. Het college kan de aanvraag dan meenemen in het programma voor de voorzieningen voor huisvesting voor het volgende jaar. Dient het schoolbestuur de aanvraag niet op tijd in? Dan kan het college besluiten om de aanvraag niet te behandelen. Dat hoort het schoolbestuur binnen 4 weken nadat de aanvraag is aangevuld of als de aanvraag niet binnen de termijn is aangevuld.

  • 3. Het schoolbestuur krijgt vóór 15 maart bericht als er informatie in uw aanvraag mist

  • Het schoolbestuur krijgt dan bericht. Het schoolbestuur heeft daarna 2 weken de tijd om deze informatie alsnog aan te leveren. Gebeurt dat niet op tijd? Dan kan het college besluiten om de aanvraag niet te behandelen. Dat hoort het schoolbestuur binnen 4 weken.

  • 4. Het college laat de schoolbesturen vóór 1 mei weten welke aanvragen het college heeft ontvangen

  • Dit zijn de aanvragen die het college ontving volgens punt 1 en 2 van dit artikel. En die voldoen aan de eisen uit artikel 23. Het college geeft hierbij ook aan welke aanvragen hij niet in behandeling neemt.

  • 5. Het college kan het schoolbestuur vragen de aanvraag vóór 1 juni verder toe te lichten

  • Dit doet hij als het schoolbestuur een vergoeding aanvraagt op basis van feitelijke kosten en het college twijfelt of de begroting klopt. Dit gebeurt nadat de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn is verlopen.

Artikel 24 Dit geldt als de aanvraag spoed heeft
  • 1. Het schoolbestuur vraagt een onderwijsvoorziening met spoed aan

    • a.

      Het schoolbestuur overlegt hierover altijd eerst met het college.

    • b.

      Besluit het schoolbestuur de voorziening inderdaad met spoed aan te vragen? Dan geeft het schoolbestuur bij de aanvraag duidelijk aan waarom de aanvraag spoed heeft.

  • 2. In de aanvraag staat in ieder geval:

    • a.

      naam en adres van de contactpersoon en het schoolbestuur

    • b.

      datum

    • c.

      naam van de school

    • d.

      de voorziening die het schoolbestuur aanvraagt

    • e.

      waarom het schoolbestuur deze voorziening en deze omvang nodig heeft en waarom deze voorziening niet kan wachten op de standaard procedure zoals omschreven in artikel 23

    • f.

      als het schoolbestuur een vergoeding aanvraagt op basis van feitelijke kosten: een begroting van de kosten die nodig zijn om de voorziening te realiseren

    • g.

      als dat van toepassing is: gebouw waarvoor de voorziening is

    • h.

      als dat van toepassing is: de plaats waar het gebouw moet komen

  • 3. Het schoolbestuur hoort het binnen 2 weken als er informatie in de aanvraag mist

    • a.

      Het schoolbestuur krijgt dan bericht. Dit is binnen 2 weken nadat hij de aanvraag heeft gestuurd. Het schoolbestuur heeft dan 2 weken de tijd om deze informatie alsnog aan te leveren.

    • b.

      Doet hij dat niet op tijd? Dan kan het college besluiten om de aanvraag niet te behandelen. Dat hoort het schoolbestuur binnen 2 weken.

  • 4. Het college deelt zijn besluit met het schoolbestuur binnen 6 weken nadat het college de aanvraag heeft ontvangen

    • a.

      Of binnen 6 weken nadat het college de extra informatie van het schoolbestuur heeft gekregen of had moeten krijgen.

    • b.

      Kan het college niet op tijd een besluit nemen? Dan kan het college 6 weken later een besluit nemen. Dat laat het college wel schriftelijk weten aan het schoolbestuur.

  • 5. Als het schoolbestuur een voorziening krijgt, overlegt het schoolbestuur en het college hierover zo snel mogelijk met elkaar

    • a.

      Zij overleggen dan hoe de voorziening wordt uitgevoerd en wie de bouwheer is. Dit doen zij binnen 6 weken nadat het college het besluit bekend maakt.

    • b.

      De bouwheer geeft hiervoor een bouwopdracht of sluit een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst af. Als het schoolbestuur bouwheer is, stuurt hij binnen 2 weken na het geven van een bouwopdracht of koop-, huur- of erfpachtovereenkomst het college een kopie.

    • c.

      Als het schoolbestuur niet binnen 3 maanden na toekenning van de spoedaanvraag een bouwopdracht of koop-, huur- of erfpachtovereenkomst heeft gesloten, vervalt de toegekende voorziening.

Stap 4 Het college beoordeelt de aanvraag

In deze stap leest u hoe het college de aanvraag van het schoolbestuur beoordeelt. En aan welke criteria de aanvraag moet voldoen.

Artikel 25 Over het beoordelen van een aanvraag
  • 1. Het college besluit of de school recht heeft op de voorziening

    • a.

      Dat doet het college op basis van de criteria in deze stap. De voorziening wordt echter altijd geweigerd als één van de wettelijke weigeringsgronden van toepassing is:

      • i.

        de gewenste voorziening geen voorziening is zoals omschreven in artikel 1, of

      • ii.

        de gewenste voorziening niet nodig is, omdat de school al voldoende huisvesting heeft volgens de normen in deze verordening, of

      • iii.

        de gewenste voorziening niet nodig is, omdat de leerlingaantallen van de school niet groter worden of zelfs dalen, of

      • iv.

        op andere wijze dan is aangevraagd in de behoefte aan huisvesting kan worden voorzien, bijvoorbeeld als binnen een redelijke afstand van de gewenste plaats van de voorziening een schoolgebouw of gymzaal beschikbaar is, of

      • v.

        het bekostigingsplafond niet toereikend is voor de te verstrekken voorzieningen voor scholen als bedoeld in artikel 1, lid 1, onderdelen a tot en met e, of

      • vi.

        de gewenste voorziening (anders dan op grond van sub i tot en met v) niet noodzakelijk is.

    • b.

      Als er volgens artikel 4 afwijkende afspraken zijn gemaakt, gelden die in plaats van de criteria in deze stap.

  • 2. Het college kan een andere voorziening toekennen dan de school heeft aangevraagd

  • Bijvoorbeeld medegebruik van een bestaand schoolgebouw in plaats van uitbreiding.

  • 3. Het college kan een schoolgebouw, terrein of een budget toekennen

  • Kent het college een budget toe?

    • a.

      Het college kent een vergoeding toe op basis van een normbedrag voor de volgende voorzieningen: artikel 1 lid 1 sub a, b, c, d en i en artikel 1 lid 4. Dat gebeurt op basis van een normbedrag, zodat alle scholen hetzelfde worden behandeld.

    • b.

      Het college kent een vergoeding toe op basis van de werkelijke kosten voor alle andere voorzieningen in artikel 1. Dat gebeurt op basis van werkelijke kosten, omdat de voorziening maatwerk is.

  • 4. Het college kan het schoolbestuur ook een voorbereidingskrediet geven

  • Dat kan bij een groot bouwproject als het college niet verwacht dat binnen een jaar een opdracht aan een aannemer wordt gegeven. Het schoolbestuur kan dit ook al aangeven in de aanvraag.

Artikel 26 De criteria waarop het college de aanvraag voor een voorziening beoordeelt
  • 1. De noodzaak van renovatie is aanwezig als:

    • a.

      aanpassing van het gebouw aan de eisen van het Bouwbesluit op nieuwbouwniveau noodzakelijk is en dit de levensduur verlengt met 40 jaar, of

    • b.

      het gebouw minimaal 40 jaar oud is, tenzij er bijzondere gebouwspecifieke omstandigheden zijn waardoor renovatie eerder nodig is, of

    • c.

      dit het gevolg is van een herschikkingsoperatie, of

    • d.

      dit het gevolg is van ruimtelijke ontwikkelingen, en

    • e.

      als op basis van het afwegingskader renovatie of nieuwbouw van de PO-raad, VO-raad en de VNG renovatie als meest aantrekkelijke optie naar voren komt, en

    • f.

      als het een permanent schoolgebouw is: de leerlingenprognose aantoont dat deze leerlingen minimaal 5 jaar worden verwacht, en

    • g.

      binnen de verwijsmogelijkheden volgens artikel 31 geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken is als passende huisvesting voor de school.

  • 2. De noodzaak van vervangende bouw is aanwezig als:

    • a.

      (delen van) het schoolgebouw in matige of slechte conditie zijn dat onderhoud geen redelijk resultaat oplevert, of

    • b.

      een bouwkundige rapport dat voldoet aan NEN 2767 vaststelt dat het schoolgebouw voldoet aan conditie 5, of

    • c.

      dit het gevolg is van een herschikkingsoperatie, of

    • d.

      dit het gevolg is van ruimtelijke ontwikkelingen, en

    • e.

      als op basis van het afwegingskader renovatie of nieuwbouw van de PO-raad, VO-raad en VNG vervangende nieuwbouw als meest aantrekkelijke optie naar voren komt, en

    • f.

      als het een permanente voorziening is: de leerlingenprognose aantoont dat deze leerlingen minimaal 5 jaar worden verwacht, en

    • g.

      als het een tijdelijke voorziening is: de leerlingenprognose aantoont dat deze leerlingen 2 jaar aanwezig zijn, en

    • h.

      binnen de verwijsmogelijkheden volgens artikel 31 geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken is als passende huisvesting voor de school.

  • 3. De noodzaak van nieuwbouw is aanwezig als:

    • a.

      de school voor het eerst geld van de Rijksoverheid krijgt (dat heet voor bekostiging in aanmerking brengen), en

    • b.

      de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of kunnen worden verwacht, en

    • c.

      binnen de verwijsmogelijkheden volgens artikel 35 geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken is als passende huisvesting voor de school, en

    • d.

      het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren, en

    • e.

      als het een permanente voorziening is: de leerlingenprognose aantoont dat deze leerlingen minimaal 5 jaar worden verwacht, of

    • f.

      als het een tijdelijke voorziening is: de leerlingenprognose aantoont dat deze leerlingen minimaal 2 jaar aanwezig zijn.

  • 4. De noodzaak van het uitbreiden van een schoolgebouw is aanwezig als:

    • a.

      de capaciteit van een schoolgebouw minimaal zoveel kleiner is dan de ruimtebehoefte van een schoolgebouw:

      • i.

        voor basisonderwijs: 55 m2 bruto vloeroppervlakte, of

      • ii.

        voor speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs: 50 m2 bruto vloeroppervlakte, of

      • iii.

        voor voortgezet onderwijs: 10% van de bestaande capaciteit, en

    • b.

      als het een permanente voorziening is: de leerlingenprognose aantoont dat dit aantal leerlingen minimaal 5 jaar wordt verwacht, of

    • c.

      als het een tijdelijke voorziening is: de leerlingenprognose aantoont dat dit aantal leerlingen minimaal 2 jaar aanwezig is bij een school, en

    • d.

      de leerlingenprognose aantoont dat het aantal leerlingen dat aanwezig is niet voor minimaal 2 jaar binnen het gebouw of de gebouwen kan worden gehuisvest, en

    • e.

      binnen de verwijsmogelijkheden volgens artikel 31 geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken is als passende huisvesting voor de school.

  • 5. De noodzaak van het uitbreiden van een speciale school voor basisonderwijs (sbo) of een school voor speciaal onderwijs (so) met een speellokaal is aanwezig als:

    • a.

      tot een school voor speciaal basisonderwijs minimaal 12 kinderen jonger dan 6 jaar of tot een school of afdeling van een school voor speciaal onderwijs kinderen jonger dan 6 jaar worden toegelaten, en

    • b.

      de leerlingenprognose aantoont dat de school minimaal 5 jaar blijft bestaan, en

    • c.

      in het schoolgebouw geen speellokaal aanwezig is, en

    • d.

      medegebruik van een speellokaal of gymzaal binnen de verwijsmogelijkheden volgens artikel 31 onmogelijk is, en

    • e.

      het naar oordeel van het college onmogelijk is om tegen redelijke kosten inpandig een speellokaal te realiseren

  • 6. De noodzaak van het in gebruik nemen van een gebouw is aanwezig als:

    • a.

      de school voor het eerst geld van de Rijksoverheid krijgt (dat heet voor bekostiging in aanmerking brengen), of

    • b.

      als het huidige gebouw moet worden vervangen of uitgebreid, en

    • c.

      de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of kunnen worden verwacht, en

    • d.

      als het een permanente voorziening is: de leerlingenprognose aantoont dat de school minimaal 5 jaar blijft bestaan, of

    • e.

      als het een tijdelijke voorziening is: de leerlingenprognose aantoont dat deze leerlingen minimaal 2 jaar aanwezig zijn, en

    • f.

      de kosten van het in gebruik nemen en aanpassen naar oordeel van het college in redelijke verhouding staan tot de kosten van renovatie, vervangende nieuwbouw, medegebruik of uitbreiding.

  • 7. De noodzaak van het verplaatsen van een tijdelijk gebouw is aanwezig als:

    • a.

      de leerlingenprognose aantoont dat er een tijdelijke behoefte aan huisvesting is voor minimaal 4 jaar bij een school voor voortgezet onderwijs en minimaal 2 jaar is bij een school voor basisonderwijs, en

    • b.

      een beschikbaar leeg of leegkomend tijdelijk gebouw in deze behoefte kan voorzien, en

    • c.

      binnen de verwijsmogelijkheden volgens artikel 31 geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken is als passende huisvesting voor de school, en

    • d.

      het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren, en

    • e.

      de kosten van het verplaatsen naar oordeel van het college in redelijke verhouding staan tot de kosten van een nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal leerlingen en voor dezelfde tijd.

  • 8. De noodzaak van het verwerven of uitbreiden van een terrein of een deel daarvan is aanwezig als:

    • a.

      het college heeft ingestemd met een voorziening volgens artikel 1 lid 1 a tot en met d, en

    • b.

      de oppervlakte van het bestaande terrein niet voldoende is om deze voorziening te realiseren.

  • 9. De noodzaak van aanpassingen of uitbreidingen van een gebouw op grond van gemeentelijk onderwijsbeleid is aanwezig als:

    • a.

      dit een bijdrage levert aan de ontwikkeling van kinderen tussen 0 en 18 jaar, en

    • b.

      dit beleid is vastgesteld door het college of de gemeenteraad, en

    • c.

      de kosten van deze voorziening redelijkerwijs in verhouding staan tot de maatschappelijke en financiële baten van deze voorziening, naar oordeel van het college.

  • Het college kan hierover een nadere regel vaststellen. In deze nadere regel kan het college aanvullende voorwaarden opnemen.

Artikel 27 De criteria waarop het college de aanvraag voor herstel van een constructiefout beoordeelt
  • 1. De noodzaak van herstel van een constructiefout is aanwezig als:

    • a.

      een bouwkundige rapport uitwijst dat de constructiefout hersteld moet worden.

Artikel 28 De criteria waarop het college de aanvraag voor een speellokaal beoordeelt
  • 1. De noodzaak van uitbreiding met een speellokaal is aanwezig als:

    • a.

      bij een school voor speciaal basisonderwijs of een school voor speciaal onderwijs: de school of afdeling minimaal 6 kinderen jonger dan 6 jaar toelaat, en

    • b.

      de leerlingenprognose aantoont dat de school minimaal 15 jaar blijft bestaan, en

    • c.

      in het gebouw geen speellokaal aanwezig is, en

    • d.

      medegebruik van een speellokaal, gymzaal of lokaal voor motorische therapie binnen de verwijsmogelijkheden volgens artikel 31 niet mogelijk is, en

    • e.

      de school niet een speellokaal kan maken binnen het bestaande gebouw tegen redelijke kosten. Dit beoordeelt het college.

Artikel 29 De criteria waarop het college de aanvraag voor herstel van schade beoordeelt
  • 1. De noodzaak van het vergoeden van de kosten voor herstel van schade is aanwezig als:

    • a.

      er schade is aan het schoolgebouw vanwege een oorzaak zoals genoemd in artikel 11, lid 1, en

    • b.

      de schoolbestuur voldoende maatregelen heeft genomen om verdere schade te voorkomen, en

    • c.

      de schade is ontstaan ondanks het uitvoeren van het noodzakelijke onderhoud.

Artikel 30 De criteria waarop het college de aanvraag voor een gymzaal beoordeelt
  • 1. De noodzaak van renovatie van een gymzaal is aanwezig als:

    • a.

      de leerlingenprognose aantoont dat deze leerlingen minimaal 5 jaar worden verwacht, en

    • b.

      de gymzaal in een slechte staat verkeert, maar een bouwkundige rapport dat voldoet aan NEN 2767 vaststelt dat onderhoud of aanpassen de levensduur van de gymzaal verlengt met 40 jaar, en

    • c.

      het onmogelijk is 1 of meer gymzalen te gebruiken die binnen de verwijsmogelijkheden in artikel 31 beschikbaar komen, of

    • d.

      de gymzaal voor ten minste 15 klokuren per week nodig is.

  • 2. De noodzaak van nieuwbouw van een gymzaal is aanwezig als:

    • a.

      de school voor het eerst geld van de Rijksoverheid krijgt (dat heet voor bekostiging in aanmerking brengen), en

    • b.

      de leerlingenprognose aantoont dat deze leerlingen minimaal 5 jaar worden verwacht, en

    • c.

      het onmogelijk is 1 of meer gymzalen te gebruiken die binnen de verwijsmogelijkheden in artikel 31 beschikbaar komen, of

    • d.

      de gymzaal voor ten minste 15 klokuren per week nodig is.

  • Als de school recht heeft op 2 nieuwe gymzalen, kan het college besluiten om 1 sportzaal toe te kennen.

  • Als de school 3 nieuwe gymzalen bouwt, kan het college besluiten om 1 sporthal toe te kennen.

  • 3. De noodzaak van vervangende nieuwbouw van een gymzaal is aanwezig als:

    • a.

      de leerlingenprognose aantoont dat deze leerlingen minimaal 5 jaar worden verwacht, en

    • b.

      de gymzaal in een slechte staat verkeert, en een bouwkundige rapport dat voldoet aan NEN 2767 vaststelt dat onderhoud of aanpassen de levensduur van de gymzaal niet verlengt met 40 jaar, of

    • c.

      dit het gevolg is van een herschikkingsoperatie, of

    • d.

      dit het gevolg is van ruimtelijke ontwikkelingen, en

    • e.

      het onmogelijk is 1 of meer gymzalen te gebruiken die binnen de verwijsmogelijkheden in artikel 31 beschikbaar komen, of

    • f.

      de gymzaal voor ten minste 15 klokuren per week nodig is.

  • Als de school recht heeft op 2 nieuwe gymzalen, kan het college besluiten om 1 sportzaal toe te kennen. Als de school 3 nieuwe gymzalen bouwt, kan het college besluiten om 1 sporthal toe te kennen.

  • 4. De noodzaak van uitbreiding van een gymzaal is aanwezig als:

    • a.

      de oppervlakte van de oefenzaal kleiner is dan 140 vierkante meter en de school de gymzaal daardoor niet goed kan gebruiken.

  • 5. De noodzaak van het in gebruik nemen van een gymzaal is aanwezig als:

    • a.

      de school voor het eerst geld van de Rijksoverheid krijgt (dat heet voor bekostiging in aanmerking brengen), of

    • b.

      de huidige gymzaal vervangen in slechte staat verkeert, of

    • c.

      de kosten om de gymzaal in gebruik te nemen en aan te passen in redelijke verhouding staan tot de kosten van vervangende nieuwbouw naar oordeel van het college, en

    • d.

      de leerlingenprognose aantoont dat dit aantal klokuren minimaal 5 jaar nodig is voor het aantal verwachte leerlingen.

  • 6. De noodzaak voor de eerste inrichting van een gymzaal is aanwezig als:

    • a.

      nieuwbouw, uitbreiding of ingebruikneming van een bestaande gymzaal voor de school is goedgekeurd, en

    • b.

      de school voor deze leerlingen nog niet eerder een vergoeding heeft gekregen voor de eerste inrichting van een gymzaal (behalve wanneer het schoolbestuur langer dan 15 jaar niet heeft kunnen sparen, vanwege het aantal leerlingen van de school).

  • 7. De noodzaak van de huur van een sportveld voor voortgezet onderwijs is aanwezig als:

    • a.

      op het lesrooster buitensport staat, en

    • b.

      de school geen eigen sportveld heeft, en

    • c.

      medegebruik van een sportveld van een andere school onmogelijk is.

  • 8. De noodzaak van medegebruik van een gymzaal is aanwezig als:

    • a.

      het benodigde aantal klokuren beschikbaar is een gymzaal binnen de maximale afstanden zoals omschreven in artikel 31.

Artikel 31 Over de maximale afstanden tussen voorzieningen
  • 1.

    Basisonderwijs en speciaal basisonderwijs

  • a.

    Een school voor basisonderwijs of speciaal basisonderwijs kan verwezen worden naar een ander beschikbaar gebouw. Dit gebouw ligt op de volgende maximale afstand hemelsbreed van de hoofdvestiging:

  • i.

    Voor een schoolgebouw: 1.000 meter.

  • ii.

    Voor een (deel van een) schoolgebouw van 500 vierkante meter of minder of voor een derde locatie of hoger: 300 meter. Als het college deze twee afstanden niet kan hanteren, geldt de afstand genoemd in sub i, en legt het college uit aan het schoolbestuur waarom dat niet kan.

  • b.

    Een school voor basisonderwijs of speciaal basisonderwijs kan voor het gebruik van een speellokaal verwezen worden naar een beschikbaar speellokaal of gymzaal dat op maximaal 300 meter van de hoofdvestiging ligt.

  • c.

    Bij meerdere permanente schoolgebouwen wordt rekening gehouden met een veilige looproute of fietsroute tussen de schoolgebouwen.

  • 2.

    (Voortgezet) speciaal onderwijs

  • a.

    Een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs kan verwezen worden naar een beschikbaar gebouw dat binnen de gemeentegrenzen ligt en goed bereikbaar is met leerlingenvervoer.

  • b.

    Een school voor basisonderwijs kan voor het gebruik van een speellokaal verwezen worden naar een beschikbaar speellokaal of gymzaal dat op maximaal 300 meter van de hoofdvestiging ligt.

  • 3.

    Voortgezet onderwijs

  • a.

    Een school voor voortgezet onderwijs kan verwezen worden naar een beschikbaar gebouw dat op de volgende maximale afstand hemelsbreed ligt van de hoofdvestiging:

  • i.

    Voor een schoolgebouw met een bruto vloeroppervlakte van meer dan 500 vierkante meter: 3.000 meter.

  • ii.

    Voor een (deel van een) schoolgebouw met een bruto vloeroppervlakte van minder dan 500 vierkante meter of voor een derde locatie of hoger: 1.000 meter. Als het college deze twee afstanden niet kan hanteren, geldt de afstand genoemd in sub i, en legt het college uit aan het schoolbestuur waarom dat niet kan.

  • b.

    Bij meerdere permanente schoolgebouwen wordt rekening gehouden met een veilige looproute of fietsroute tussen de schoolgebouwen.

  • 4.

    Gymzaal

  • a.

    Een school kan voor het gebruik van een gymzaal verwezen worden naar een beschikbare gymzaal die op de volgende maximale afstand hemelsbreed ligt:

  • i.

    voor een school voor basisonderwijs: 1.000 meter

  • ii.

    voor een school voor voortgezet onderwijs: 3.000 meter

  • iii.

    voor een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs of speciaal basisonderwijs: 100 meter (bij een grotere afstand vergoedt het college de vervoerskosten)

  • 5.

    Afwijken van de maximale afstand is onder voorwaarden mogelijk

  • a.

    Het schoolbestuur en het college kunnen in overeenstemming afwijken van de maximale afstanden zoals genoemd in lid 1 tot en met 4.

  • b.

    Het college kan beslissen om af te wijken van de maximale afstanden zoals genoemd in lid 1 tot en met 3 als de school meer dan 30% van de leerlingen trekt uit een subwijk en het college de school verwijst naar een locatie die dichter bij of in deze subwijk ligt. De indeling van de gemeente in subwijken staat op www.utrecht.nl. Voordat het college dit besluit neemt, overlegt hij eerst met het schoolbestuur.

Stap 5 Het college bepaalt welke aanvragen prioriteit hebben

Sommige voorziening zijn urgenter dan andere voorzieningen. U leest in deze stap hoe het college dit beoordeelt.

Artikel 32 Zo bepaalt het college welke voorzieningen prioriteit hebben
  • 1.

    Het college bepaalt welke voorzieningen prioriteit hebben

  • Hij maakt hierbij onderscheid in voorzieningen die nodig zijn om:

  • a.

    capaciteitstekorten op te heffen (kwantiteit)

  • b.

    het schoolgebouw te renoveren of vervangende nieuwbouw te realiseren (kwaliteit)

  • c.

    het schoolgebouw geschikt te maken voor het lokale onderwijsbeleid en de ontwikkeling van kinderen van 0 tot 18 jaar te versterken

  • 2.

    Het college onderscheidt 3 hoofdprioriteiten

  • a.

    De volgende voorzieningen vallen onder hoofdprioriteit 1:

  • i.

    nieuwbouw, inclusief terrein

  • ii.

    vervangende nieuwbouw gecombineerd met een uitbreiding van de capaciteit

  • iii.

    uitbreiding, inclusief terrein

  • iv.

    in gebruik nemen van een bestaand gebouw, inclusief terrein

  • v.

    verplaatsen van tijdelijke gebouwen

  • vi.

    eerste inrichting met meubilair of andere materialen die nodig zijn om onderwijs te geven

  • vii.

    uitbreiding van een eerste inrichting met meubilair of andere materialen die nodig zijn om onderwijs te geven

  • viii.

    medegebruik

  • b.

    Bij hoofdprioriteit 1 hanteert het college de volgende uitgangspunten om vast te stellen welke voorzieningen hij op het programma plaatst:

  • i.

    Als eerste de voorziening die een zo groot mogelijk kwantitatief tekort opheft als schoolgebouwen opnieuw worden verdeeld,

  • ii.

    ivervolgens de voorziening die een zo groot mogelijk kwantitatief tekort opheft in een situatie zonder dat de schoolgebouwen opnieuw worden verdeeld, en

  • iii.

    vervolgens de voorziening die een zo groot mogelijk kwantitatief tekort aan gymzalen en sportterreinen opheft.

  • c.

    De volgende voorzieningen vallen onder hoofdprioriteit 2:

  • i.

    renovatie, inclusief terrein

  • ii.

    vervangende nieuwbouw, inclusief terrein

  • iii.

    herstel van een constructiefout

  • iv.

    herstel en vervanging door schade

  • d.

    De volgende voorzieningen vallen onder hoofdprioriteit 3:

  • i.

    aanpassingen of uitbreidingen volgens gemeentelijk onderwijsbeleid en die bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen tussen 0 en 18 jaar

  • ii.

    andere voorzieningen die voortkomen uit nadere regels, behalve als dit anders is aangegeven

  • iii.

    maatregelen om schade te voorkomen

  • e.

    Bij hoofdprioriteiten 2 en 3 hanteert het college de volgende uitgangspunten om vast te stellen welke voorzieningen hij op het programma plaatst:

  • i.

    Hoe groter de omvang in vierkante meters van het schoolgebouw of terrein die door de voorziening geschikt wordt gemaakt voor onderwijs, hoe hoger de prioriteit.

Stap 6 Het college stelt het programma vast

Heeft het college alle aanvragen voor de voorzieningen voor het komende jaar gekregen? Dan stelt hij het programma voor het komende jaar vast. U leest in deze stap hoe hij dit doet.

Artikel 33 Het college en de schoolbesturen overleggen over het programma en overzicht
  • 1.

    Het college overlegt eerst met de schoolbesturen over het programma

  • a.

    Dat doet hij uiterlijk op 1 juli van het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor het programma is. Het college nodigt de schoolbesturen minimaal 2 weken van tevoren uit voor het overleg. Hij deelt minimaal 1 week van tevoren het conceptprogramma. Het schoolbestuur kan tijdens dit overleg zijn reactie geven op de inhoud van het voorstel.

  • b.

    Is het schoolbestuur niet bij het overleg? Dan kan hij zijn reactie van tevoren geven. Het college deelt de reactie dan met de deelnemers aan het overleg. Ook neemt het college de reactie op in het verslag.

  • 2.

    De schoolbesturen krijgen een verslag van het overleg

  • Zij lezen hierin de reacties die het college heeft gekregen. Het schoolbestuur krijgt dit verslag binnen 2 weken na het overleg. Hij kan binnen 2 weken reageren op het verslag.

  • 3.

    Het college kan advies vragen aan de Onderwijsraad

  • a.

    Dit moet gaan over de inhoud van het conceptprogramma en de vrijheid van richting en inrichting. In het verzoek moet duidelijk staan over welke onderwerpen advies wordt gevraagd. Het college stuurt het verzoek om advies vervolgens naar de Onderwijsraad. Ook zorgt het college ervoor dat de Onderwijsraad alle informatie krijgt die zij nodig heeft om een advies te geven.

  • b.

    Een schoolbestuur kan het college verzoeken om advies te vragen aan de Onderwijsraad. Het advies wordt tegelijk met het vaststellen van het programma met de schoolbesturen gedeeld. Zorgt het advies ervoor dat het college de inhoud van het conceptprogramma aanpast? Dan meldt het college dit bij het vaststellen van het programma aan de schoolbesturen.

Artikel 34 Het college stelt het programma en overzicht vast
  • 1.

    Het college stelt vast welke voorzieningen hij volgend jaar toekent

  • Dit is het programma voor huisvesting. Deze voorzieningen komen op het programma.

  • 2.

    Het college stelt vast welke voorzieningen hij volgend jaar niet toekent

  • Dit is het overzicht voor huisvesting. Deze voorzieningen komen op het overzicht.

  • 3.

    Het college stelt het bekostigingsplafond, programma en overzicht vast

  • a.

    Het college stelt het bekostigingsplafond, programma en overzicht uiterlijk op 31 december vast, voorafgaand aan het jaar waarvoor het programma is.

  • b.

    Het bekostigingsplafond is het bedrag dat het college ieder jaar beschikbaar stelt om de voorzieningen voor onderwijshuisvesting te betalen. De gemeente kan hierbij onderscheid maken naar onderwijssoort of soort voorziening. Is het bedrag niet voldoende voor alle aanvragen? Dan stelt het college prioriteiten. Hoe hij dat doet, leest u in artikel 32.

  • 4.

    Het college maakt het bekostigingsplafond, programma en overzicht bekend

  • Dit doet het college binnen 4 weken nadat hij deze besluiten heeft genomen. De schoolbesturen krijgen hierover bericht. Ook legt het college deze besluiten ter inzage.

Stap 7 Het schoolbestuur voert de voorziening uit

Nadat het college het programma voor het komende jaar heeft vastgesteld, kan de bouwheer een voorziening uitvoeren. U leest in deze stap hoe dit werkt. Als het college bouwheer is, moet overal waar ‘schoolbestuur’ staat ‘college’ staan.

Artikel 35 Het college en het schoolbestuur houden een startgesprek voor toegekende voorzieningen
  • 1.

    Het college overlegt met het schoolbestuur hoe de voorziening wordt uitgevoerd

  • Dit heet het startgesprek. Het college organiseert dit gesprek binnen 4 weken nadat het programma is vastgesteld. Het college en het schoolbestuur maken dan in ieder geval afspraken over:

  • a.

    wie de bouwheer is

  • b.

    wanneer het schoolbestuur het bouwplan en de begroting indient

  • c.

    of het nodig is om de voorziening op een andere manier uit te voeren

  • d.

    hoe het college het bouwplan en de begroting toetst en of het nodig is om hierbij rekening te houden met eventuele veranderingen

  • e.

    hoe het schoolbestuur verantwoording aflegt over de middelen die hij besteedt en hoe het college dit controleert

  • 2.

    Het college maakt van het startgesprek een verslag

  • Het schoolbestuur krijgt het verslag binnen 4 weken na het startgesprek. Hierin staan de afspraken die het college en het schoolbestuur maakten tijdens het startgesprek. Het schoolbestuur kan hier binnen 2 weken op reageren.

  • 3.

    Als het college en het schoolbestuur geen overeenstemming bereiken in het startgesprek

  • Dan beslist het college over de uitvoering van de voorziening. Het college informeert het schoolbestuur hierover binnen 6 weken na het startgesprek. Het schoolbestuur krijgt hierover dan bericht.

Artikel 36 Het college toetst de bouwplannen en de begroting
  • 1.

    Het schoolbestuur dient het bouwplan en de begroting in

  • a.

    Het college ontvangt de begroting bij het bouwplan. Hij houdt daarbij rekening met de afspraken die het college en het schoolbestuur maakten tijdens het startgesprek. Ook laat het schoolbestuur weten wanneer de betaling kan starten.

  • b.

    Een vergoeding op basis van de feitelijke kosten stelt het college vast op basis van de economisch meest voordelige inschrijving (EMVI).

  • 2.

    Het college beslist of hij instemt met het bouwplan en de begroting

  • a.

    Het college moet hiermee instemmen voordat het schoolbestuur de bouwopdracht geeft. Hij beslist hierover binnen 6 weken nadat hij de informatie heeft gekregen. Hij kan deze termijn eventueel met 3 weken verlengen. Het college beslist dan over:

  • i.

    de bouwplannen

  • ii.

    de begroting

  • iii.

    wanneer de betaling start

  • b.

    Het college hanteert bij zijn beslissing in ieder geval de minimumeisen in bijlage 2.

  • c.

    Beslist het college niet op tijd? Dan geldt het bouwplan, de begroting en de start van de betaling zoals het schoolbestuur dit aangeeft in zijn aanvraag (zie paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht).

  • 3.

    Het college kan het besluit veranderen als de situatie van de school ingrijpend verandert

  • a.

    Het college bepaalt of de situatie van de school ingrijpend is veranderd sinds het moment dat het college het programma heeft vastgesteld. Het college kijkt dan onder anderen naar het aantal leerlingen.

  • b.

    Het schoolbestuur moet ingrijpende wijzigingen ook doorgeven aan het college.

  • c.

    Is de situatie ingrijpend veranderd? Dan kan het college besluiten om de voorziening aan te passen of in te trekken. Het college neemt dan een intrekkingsbesluit. Het schoolbestuur laat dan weten welke kosten hij al heeft gemaakt die alsnog door het college moeten worden vergoed.

Artikel 37 Het college bepaalt hoe en wanneer hij de voorziening betaalt
  • a.

    Het college kan in termijnen betalen

  • Dit kan het college bijvoorbeeld doen bij grote bouwwerkzaamheden. Het college zorgt er dan voor dat het schoolbestuur op tijd aan haar verplichtingen kan voldoen om (de bouw van) de goedgekeurde voorziening te betalen.

  • b.

    Het college kan aan een betaaltermijn voorwaarden verbinden

  • Bijvoorbeeld het instemmen met een fasedocument zoals in artikel 40. Deze voorwaarden kunnen alleen verband hebben met de uitvoering van de toegekende voorziening. De voorwaarden leest het schoolbestuur dan in het besluit van het college hierover.

Artikel 38 Het schoolbestuur voert de voorziening uit
  • 1.

    Het schoolbestuur geeft een bouwopdracht of sluit een koop-, huur- of pachtovereenkomst af vóór 31 december

  • Dit is vóór 31 december van het jaar waarvoor het programma is. Het schoolbestuur stuurt hiervan vóór 15 januari een kopie naar het college. Stuurt het schoolbestuur de kopie niet op tijd? Dan vervalt de vervalt de voorziening automatisch, tenzij de gemeente heeft ingestemd met de verlening van deze termijn.

  • Dit doet het college niet als:

  • a.

    er sprake is van een bijzondere situatie waaraa het schoolbestuur niets aan kan doen, en

  • b.

    het schoolbestuur voor 1 september verlenging van de termijn heeft aangevraagd bij het college, of

  • c.

    in een goedgekeurd fasedocument (zie artikel 40) een planning is opgenomen waaruit blijkt dat het nog niet mogelijk is om een opdracht te verlenen of een overeenkomst aan te gaan.

Voor de bouwopdracht of de koop-, huur- of erfpachtovereenkomst geldt:

  • d.

    in de bouwopdracht staat de datum waarop het werk begint en hoe lang het werk duurt

  • e.

    in de huur- of erfpachtovereenkomst staat op welke datum deze ingaat en hoe lang deze geldig is

  • f.

    in de koopovereenkomst staat de datum van de aankoop

  • 2.

    Het schoolbestuur volgt bij de uitvoering van een voorziening de minimumeisen

  • De minimumeisen staan in bijlage 2.

Stap 8 Het schoolbestuur verantwoordt de voorziening

De laatste stap is het verantwoorden van de voorziening. Dat is vooral belangrijk als een voorziening is toegekend waarbij bouwwerkzaamheden nodig zijn. Daarover gaat deze laatste stap.

Artikel 39 Als het schoolbestuur een voorziening krijgt waarvoor bouwwerkzaamheden nodig zijn
  • 1.

    De bouw vindt plaats in fases

  • Als een voorziening is toegekend waarbij bouwwerkzaamheden plaatsvinden, hanteert de bouwheer de volgende fases:

  • a.

    initiatiefase

  • b.

    definitiefase

  • c.

    ontwerpfase

  • d.

    voorbereidingsfase

  • e.

    realisatiefase

  • f.

    nazorgfase

  • 2.

    Iedere fase wordt afgesloten met een fasedocument

  • a.

    Is het schoolbestuur bouwheer? Dan legt het schoolbestuur het fasedocument voor aan het college ter goedkeuring. Dat is nodig om de fase af te sluiten.

  • b.

    Het college beslist binnen 6 weken of het fasedocument wordt goedgekeurd. Het college kan deze termijn met 6 weken verlengen.

  • c.

    Is het college bouwheer? Dan vormen het college en het schoolbestuur een stuurgroep waarin verantwoording wordt afgelegd over de uitvoering van de voorziening.

  • 3.

    Een fase kan in overleg worden overgeslagen of toegevoegd

  • a.

    Het college en het schoolbestuur kunnen met elkaar afspreken om een fase over te slaan en geen fasedocument te maken. In dat geval hoeft het college de fase ook niet goed te keuren.

  • b.

    Het college en het schoolbestuur kunnen ook afspreken dat er een fase met bijhorend fasedocument wordt toegevoegd.

  • 4.

    Verantwoording van de uitgaven gebeurt in de nazorgfase

  • De verantwoording van de uitgaven voor de uitvoering van de voorziening worden in het fasedocument van de nazorgfase overlegd. Dit fasedocument is de verantwoording van de voorziening. Hiermee wordt de uitvoering van de voorziening afgesloten.

Deel 3 Over deze verordening

Artikel 40 Over de procedure voor het vaststellen van de verordening
  • 1.

    De gemeenteraad stelt deze verordening vast

  • a.

    De gemeenteraad moet deze verordening en bijbehorende bevoegdheden vastleggen.

  • b.

    Het college voert deze verordening uit. In alle gevallen waar deze verordening geen regels stelt, beslist de gemeenteraad.

  • 2.

    De gemeenteraad kan besluiten deze verordening aan te passen

  • a.

    Het college doet daarvoor een voorstel aan de gemeenteraad.

  • b.

    Het college overlegt van tevoren met de schoolbesturen. Dit doet het college voordat hij een voorstel aan de gemeenteraad voorlegt.

  • 3.

    Het college overlegt regelmatig met de schoolbesturen over de verordening

  • a.

    Het college en de schoolbesturen overleggen minstens 1 keer per jaar of er aanpassingen aan de verordening nodig zijn. In overleg kan hiervan worden afgeweken.

  • 4.

    Het college maakt vervolgens een voorstel en bespreekt dat met de schoolbesturen

  • a.

    Dit doet het college in ieder geval in een Op Overeenstemming Gericht Overleg (OOGO). Dit is vastgelegd in de wet.

  • b.

    Het college stuurt alle schoolbesturen in de gemeente uiterlijk 2 weken voor het OOGO de uitnodiging, agenda en bijbehorende documenten.

  • c.

    Voorafgaand aan het OOGO kan het college ook al met de schoolbesturen in gesprek gaan over voorgenomen aanpassingen.

  • 5.

    Deelnemers kunnen zich laten vertegenwoordigen in het OOGO

  • Alle genodigden laten het college uiterlijk 1 week van tevoren weten welke mensen bij het OOGO zijn. Alle genodigden kunnen een vertegenwoordiger aanwijzen. De vertegenwoordiger van het college is de voorzitter van het OOGO.

  • 6.

    De gemeenteraad kan advies vragen aan de Onderwijsraad

  • Het schoolbestuur kan de gemeenteraad verzoeken om de Onderwijsraad om advies te vragen. Dit verzoek brengt het schoolbestuur in bij het OOGO. Zij laten schriftelijk weten over welke onderwerpen zij advies willen en waarom. De gemeenteraad stuurt deze vervolgens schriftelijk naar de Onderwijsraad. De (andere) vertegenwoordigers kunnen hier ook hun reactie op geven.

  • 7.

    De gemeenteraad stuurt het advies van de Onderwijsraad naar het college en de schoolbesturen

  • Dat doet de gemeenteraad binnen 2 weken nadat ze het advies krijgt. Leidt het advies ertoe dat het college haar voorstel voor de verandering inhoudelijk aanpast? Dan laat het college dit daarna binnen 2 weken weten. Het college nodigt de schoolbesturen dan uit voor een verder OOGO.

  • 8.

    Het college maakt een verslag van het OOGO

  • a.

    Het schoolbestuur ontvangt het verslag uiterlijk 2 weken na het OOGO. In het verslag staat in ieder geval:

  • i.

    wat de reacties zijn van alle vertegenwoordigers op het voorstel voor de verandering

  • ii.

    waarover het college en het schoolbestuur nog geen volledige overeenstemming hebben en waarom

  • iii.

    hoe het college voorstelt om het voorstel aan te passen op basis van deze reacties.

  • b.

    De schoolbesturen die bij het OOGO waren, kunnen binnen 2 weken per schriftelijk reageren op het verslag. De vertegenwoordigers die niet bij het OOGO waren, krijgen het verslag ter kennisname. Daarna maakt het college het verslag definitief. Daarbij houdt het college rekening met de reacties die hij krijgt. Ook geeft hij aan of er door de opmerkingen wijzigingen zijn aangebracht in het voorstel.

  • 9.

    Het college stuurt het definitieve verslag naar de gemeenteraad

  • Dit doet het college samen met het voorstel om de verordening vast te stellen of aan te passen.

Artikel 41 Over de procedure voor het vaststellen van nadere regels
  • 1.

    Het college kan nadere regels vaststellen bij deze verordening

  • Het college kan nadere regels vaststellen. Het college kan deze nadere regels aanpassen. De nadere regels gaan over:

  • a.

    Vergoedingen voor schoolgebouwen

  • b.

    Demarcatie voor bouw en exploitatie van schoolgebouwen

  • c.

    Duurzame en gezonde schoolgebouwen

  • d.

    Gemeentelijk beleid voor kinderen

  • e.

    Speelplaatsen van scholen

  • f.

    Verhuur en medegebruik

  • 2.

    Een nadere regel kan een vergoeding geven aan het schoolbestuur

  • In dat geval is de nadere regel de basis voor deze subsidie.

  • 3.

    Aanpassen van nadere regels

  • a.

    Heeft het college het voornemen om een nadere regel vast te stellen of aan te passen? Dan bespreekt het college het voorstel in een op overeenstemming gericht overleg (OOGO) met de schoolbesturen. Voor dit overleg gelden artikel 40 lid 4, 5 en 8. Ook meldt het college bij de gemeenteraad dat hij het voornemen heeft om een nadere regel aan te passen.

  • b.

    De regels in sub a gelden niet voor de nadere regel over vergoedingen.

Artikel 42 Over de ingangsdatum en naam
  • 1.

    Deze verordening gaat in op 15 februari 2020.

  • Vanaf deze datum geldt de verordening 2015 niet meer. Daarbij geldt:

  • a.

    Voor besluiten die zijn genomen onder de werking van de verordening 2015 en die gelden op het moment dat deze verordening ingaat, geldt de verordening 2015.

  • b.

    Voor aanvragen waarover nog niet is besloten op het moment dat deze verordening ingaat, geldt de verordening 2015.

  • c.

    Alle andere aanvragen vallen onder deze verordening.

  • 2.

    Naam van de verordening

  • Deze verordening wordt de ‘Verordening huisvesting scholen gemeente Utrecht’ genoemd. Dit heet de citeertitel.

  • 3.

    Intrekken van verordening en procedure

  • a.

    De ‘Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Utrecht 2015’ wordt bij het ingaan van deze verordening ingetrokken.

  • b.

    De ‘Procedure overleg onderwijshuisvesting gemeente Utrecht 2011’ wordt bij het ingaan van deze verordening ingetrokken.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 21 januari 2021.

De griffier, De burgemeester,

Merel van Hall Sharon A.M. Dijksma

Bijlagen

Bijlage 1De formules bij stap 2

Artikel 1Schoolgebouw voor basisonderwijs

  • 1.

    U berekent de ruimtebehoefte met deze formule:

R = 200 * A + 5,03 * L + 1,4 * S

R = Basisruimtebehoefte in vierkante meter bruto vloeroppervlakte (m2 bvo), afgerond op hele vierkante meter.

A = Aantal locaties van de hoofdvestiging of de nevenvestiging van een school met ten minste 1.000 m2 bvo (exclusief eventuele vaste voet), met een hemelsbreed gemeten afstand vanaf de andere locatie(s) van de school van ten minste 500 meter.

L = Aantal leerlingen dat op de teldatum voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zijn ingeschreven.

S = De achterstandsscore in hele getallen, zoals gepubliceerd door de Minister, vermenigvuldigd met 7,17%, afgerond op een heel getal.

  • 2.

    Als het schoolbestuur met het college overeenkomst dat een specifiek aantal leerlingen kleiner moet zijn:

  • Dan wordt de 5,03 m2 bvo in de formule in lid 1 voor dat aantal leerlingen vervangen door 8,38 m2 bvo. Bijvoorbeeld voor hoogbegaafdenonderwijs.

Artikel 2Schoolgebouw voor speciaal basisonderwijs

  • 1.

    U berekent de ruimtebehoefte met deze formule:

R = 250 * A + 7,35 * L

R = Ruimtebehoefte in vierkante meter bruto vloeroppervlakte (m2 bvo), afgerond op hele vierkante meter.

A = Aantal locaties van de school met ten minste 1.000 m2 bvo (exclusief eventuele vaste voet), met een hemelsbreed gemeten afstand vanaf de andere locatie(s) van de school van ten minste 500 meter.

L = Aantal leerlingen dat op de teldatum voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zijn ingeschreven.

Artikel 3Schoolgebouw voor (voortgezet) speciaal onderwijs

  • 1.

    U berekent de ruimtebehoefte met deze formule:

R = 370 * A + (8,8 * SO) + (12,2 * VSO) + (5 * LM1) + (3,3 * LM2)

R = Ruimtebehoefte in vierkante meter bruto vloeroppervlakte, afgerond op hele vierkante meter.

A = Aantal locaties van de school met ten minste 1.000 m2 bvo (exclusief eventuele vaste voet), met een hemelsbreed gemeten afstand vanaf de andere locatie(s) van de school van ten minste 500 meter.

SO = Aantal speciaal onderwijsleerlingen dat op de teldatum voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zijn ingeschreven.

VSO = Aantal voortgezet speciaal onderwijsleerlingen op de teldatum voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zijn ingeschreven.

LM1 = Aantal lichamelijke handicapte leerlingen en aantal meervoudig gehandicapte leerlingen die speciaal onderwijs volgen.

LM2 = Aantal lichamelijke handicapte leerlingen en aantal meervoudig gehandicapte leerlingen die voortgezet speciaal onderwijs volgen.

Artikel 4Schoolgebouw voor voortgezet onderwijs

  • 1.

    U berekent de ruimtebehoefte met deze formule:

R = V * A + B + L

R = Ruimtebehoefte in vierkante meter bruto vloeroppervlakte, afgerond op hele vierkante meter.

V = De vaste voet per instelling:

Onderwijssoort

Type

Vaste voet in m2 bvo

Vmbo-havo-vwo

Hoofdvestiging

980

Dislocaties van 500 leerlingen en groter

Permanente nevenvestiging en dislocatie

550

Tijdelijke nevenvestiging

0

Dislocaties van minder dan 500 leerlingen

Praktijkonderwijs

Hoofdvestiging

306

Dislocaties van 500 leerlingen en groter

A = Aantal locaties van de school met ten minste 1.000 m2 bvo (exclusief eventuele vaste voet), met een hemelsbreed gemeten afstand vanaf de andere locatie(s) van de school van ten minste 500 meter.

B = Als sprake is van een afdeling vmbo met een beroepsgerichte leerweg, een vaste voet per afdeling:

Onderwijssoort

Vaste voet in m2 bvo

Vmbo

Bouwen, wonen en interieur

299

Produceren, installeren en energie

Mobiliteit en transport

Maritiem en techniek

Media, vormgeving en ICT

162

Economie en ondernemen

Horeca, bakkerij en recreatie

Zorg en welzijn

139

Groen

117

Dienstverlening en producten

150

L = De leerlinggebonden component. De leerlinggebonden component wordt berekend door de in onderstaande tabel opgenomen bruto vloeroppervlakten per leerling te vermenigvuldigen met het aantal leerlingen dat op de school voor voortgezet onderwijs staat ingeschreven:

Onderwijssoort

m2 bvo per leerling

Vwo

5,8

Havo

Vmbo-TLW

Vmbo-TLW-LWOO

6,1

Praktijkonderwijs

12,0

Onderwijssoort

Profiel

m2 bvo per leerling

LWOO

B-KLW

GLW

Vmbo

Bouwen, wonen en interieur

11,7

9,7

8,0

Produceren, installeren en energie

Mobiliteit en transport

Maritiem en techniek

Media, vormgeving en ICT

8,9

7,4

6,9

Economie en ondernemen

Horeca, bakkerij en recreatie

Zorg en welzijn

8,4

7,4

6,9

Groen

7,8

6,9

6,3

Dienstverlening en producten

8,9

7,4

6,9

Artikel 5Gymzalen

  • 1.

    U berekent de ruimtebehoefte van een gymzaal voor basisonderwijs of speciaal onderwijs met deze formule:

R = G * K

R = Ruimtebehoefte gymzaal in aantal klokuren per week.

G = Aantal gymgroepen. Te berekenen:

Basisonderwijs

Daarvoor moet eerst onderstaande formule E worden berekend en vervolgens G op te zoeken in de tabel daaronder.

Berekenen van formule E:

E = A + B + C + D

A

0,05 x het aantal leerlingen in de leeftijd van 4 tot en met 7 jaar op de datum, bedoeld in het derde lid

B

0,0343 x het aantal leerlingen in de leeftijd van 8 jaar en ouder dat op de datum, bedoeld in het derde lid

C

1,5642 – (het aantal leerlingen op de datum, bedoeld in het derde lid, x 0,0115), met dien verstande dat C niet kleiner is dan nul

D

0,0179 x de achterstandsscore bedoeld in artikel 27 van het Besluit bekostiging WPO x 7,17%

Aantal gymgroepen per school (E)

Aantal gymgroepen 4- en 5-jarigen (S)

Aantal gymgroepen 6- t/m 12-jarigen (G)

2

1

1

3

1

2

4

2

2

5

2

3

6

2

4

7

3

4

8

3

5

9

3

6

10

3

7

11

4

7

12

4

8

13

4

9

14

5

9

15

5

10

16

5

11

17

6

11

18

6

12

19

6

13

20

6

14

21

7

14

22

7

15

23

7

16

24

8

16

25

8

17

26

8

18

27

9

18

28

9

19

29

9

20

30

9

21

Speciaal basisonderwijs:

G = A / 15

A = Aantal leerlingen

(Voortgezet) speciaal onderwijs:

G = A / N

A = Aantal leerlingen

N = Gemiddeld aantal leerlingen per gymgroep uit onderstaande tabel

Cluster

N-factor

Speciaal onderwijs

Voortgezet speciaal onderwijs

1

9,5

7

2

9,3

6,8

3

11

8,7

4

11,7

7

K = Aantal klokuren volgens onderstaande tabel:

Schoolsoort

Klokuren

School voor basisonderwijs

1,5

Speciale school voor basisonderwijs, school voor speciaal onderwijs of school voor voortgezet speciaal onderwijs

2,25

2 U berekent de ruimtebehoefte van een gymzaal voor een school voor voortgezet onderwijs met deze formule:

R = (L * 32 * V) ÷ 460

R = Ruimtebehoefte in vierkante meter bruto vloeroppervlakte, afgerond op hele vierkante meter.

L = Aantal leerlingen van de school.

V = Vierkante meter bruto vloeroppervlakte bewegingsonderwijs per leerling.

3 U berekent de ruimtebehoefte van een gymzaal voor een school met leerwegondersteunend onderwijs (LWOO) en praktijkonderwijs met deze formule:

R = (L * 32 * V) ÷ 32

R = Ruimtebehoefte in vierkante meter bruto vloeroppervlakte, afgerond op hele vierkante meter.

L = Aantal leerlingen.

V = Vierkante meter bruto vloeroppervlakte bewegingsonderwijs per leerling:

Onderwijssoort

Leerweg

m2 bvo per leerling

Havo

1,2

Vwo

1,0

Praktijkonderwijs

2,0

Vmbo

TLW

1,5

TLW-LWOO

1,7

LWOO

1,7

B-KLW

1,5

GLW

Bijlage 2Wat zijn de minimumnormen voor nieuwe voorzieningen?

Artikel 1Wat zijn de minimumnormen voor een schoolgebouw?

  • 1.

    Minimale omvang van een schoolgebouw

  • De omvang van een schoolgebouw is minimaal 500 m2 bvo. Dit geldt niet als de tijdelijke voorziening is die binnen 500 meter van de hoofdvestiging ligt.

  • 2.

    De hoogte van een onderwijsruimte is minimaal 2,80 meter

  • Wordt de ruimte tijdelijk gebruikt? Dan kan de bouwheer afwijken van deze minimale hoogte. Het schoolbestuur vraagt hiervoor toestemming aan het college.

  • 3.

    Nieuwe voorzieningen en bouwprojecten voldoen aan de eisen in de Utrechtse Standaard Toegankelijk

  • Dit zijn voorzieningen en bouwprojecten die nog gerealiseerd moeten worden. U vindt deze eisen op www.utrecht.nl.

  • 4.

    Als een school in een hoogstedelijke buurt of in een gebouw(complex) komt met meerdere eigenaren

  • Dan gelden de volgende uitgangspunten. Het deel van het gebouw dat voor de school is:

  • a.

    heeft eigen installaties en nutsaansluitingen waar dat kan.

  • b.

    wordt waar mogelijk gecombineerd met andere maatschappelijke functies - en niet met woningen.

  • c.

    is direct vanaf buiten toegankelijk.

  • d.

    ligt aan een veilige speelplaats of openbare ruimte die groot genoeg is (volgens artikel 2 in deze bijlage).

  • e.

    Bij oprichting van een Vereniging van Eigenaren:

  • i.

    wordt een heldere demarcatie opgesteld over de verantwoordelijkheden van de vereniging en de individuele eigenaren, zoals de school

  • ii.

    wordt overlegd met het schoolbestuur over hoe de Vereniging van Eigenaren wordt ingericht

Artikel 2Wat zijn de minimumnormen voor het terrein en een speelplaats?

  • 1.

    Zo berekenen we het vloeroppervlak in vierkante meters voor een speelplaats

  • We berekenen voor alle scholen de norm met deze formule:

R = 300 + 1,3 * L

R = Ruimtebehoefte speelplaats

L = Aantal leerlingen dat op de school staat ingeschreven op de teldatum voorafgaande aan het jaar waarvoor de prognose geldt.

We berekenen de norm met deze formule voor een school voor voortgezet onderwijs:

R = 200 + 0,75 * L

R = Ruimtebehoefte speelplaats

L = Aantal leerlingen dat op de school staat ingeschreven op de teldatum voorafgaande aan het jaar waarvoor de prognose geldt.

  • 2.

    De leerlingen van de school gebruiken deze ruimte alleen om te spelen en bewegen

  • Terrein voor bijvoorbeeld parkeren, fietsenstallingen en bergingen tellen we op bij de norm uit lid 1.

  • 3.

    Een speelplaats is onderdeel van de openbare ruimte

  • a.

    Het college blijft eigenaar van een nieuwe speelplaats. Op deze manier wordt een speelplaats gecreëerd die ook een bestemming voor de buurt heeft.

  • b.

    Het college richt de buitenruimte zo in dat de school deze tijdens schooltijden goed kan gebruiken.

  • c.

    Het college is verantwoordelijk voor het onderhoud van de speelplaats. Het schoolbestuur draagt de vergoeding die hij van de Rijksoverheid ontvangt voor het onderhoud van de speelplaats over aan het college.

  • 4.

    Een speelplaats die is betaald door de gemeente of Rijksoverheid is ook openbaar toegankelijk

  • a.

    Deze speelplaats is openbaar toegankelijk tussen 8:00 uur en 20:00 uur, maar alleen buiten de schooltijden van de school.

  • b.

    Het schoolbestuur en het college kunnen in overeenstemming andere afspraken maken. Dat kan bijvoorbeeld als het schoolbestuur een deel van het gebouw verhuurt aan buitenschoolse opvang, of er onderwijsactiviteiten plaatsvinden buiten schooltijd.

  • 5.

    Voor parkeren op het schoolterrein geldt de bestaande parkeernorm

  • Dit is de gemeentelijke parkeernorm die voor de locatie van het terrein geldt.

Artikel 3Wat zijn de minimumnormen voor een speellokaal?

  • 1.

    Het oppervlak van een speellokaal is minimaal 90 vierkante meter

  • Dit is de bruto vloeroppervlakte. Bij een nieuw schoolgebouw voor primair onderwijs wordt minimaal één speellokaal gebouwd. Dit geldt niet voor voortgezet onderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs.

  • 2.

    De hoogte van een speellokaal is minimaal 3,50 meter

  • Wordt het speellokaal tijdelijk gebruikt? Dan kan de bouwheer afwijken van deze minimale hoogte. Het schoolbestuur vraagt hiervoor toestemming aan het college.

Artikel 4Wat zijn de minimumnormen voor een gymzaal, sportzaal of sporthal?

  • 1.

    De minimumnormen voor een gymzaal

  • a.

    De adviezen in het ‘Handboek huisvesting bewegingsonderwijs’ van de Koninklijke Vereniging voor Lichamelijke Opvoeding (KVLO) gelden als minimumeisen voor een gymzaal.

  • b.

    Een gymzaal is onafhankelijk van de school toegankelijk en bruikbaar. Bijvoorbeeld ook ’s avonds.

  • c.

    Als een gymzaal eigendom wordt van de gemeente: een sportzaal of sporthal is installatietechnisch onafhankelijk van het schoolgebouw.

  • 2.

    De minimumnormen voor een sportzaal of sporthal

  • a.

    De normen in de ‘Norm overdekte multidisciplinaire sportaccommodaties’ van NOC*NSF gelden als minimumeisen voor een sportzaal of sporthal. Het college geeft per sportzaal of gymzaal aan welke categorie van toepassing is.

  • b.

    Een sportzaal of sporthal is onafhankelijk van de school toegankelijk en bruikbaar. Bijvoorbeeld ook ’s avonds;

  • c.

    Als een sportzaal of sporthal eigendom wordt van de gemeente: een sportzaal of sporthal is installatietechnisch onafhankelijk van het schoolgebouw.

Artikel 5Wat zijn de minimumnormen voor lokaal onderwijsbeleid?

  • 1.

    Het college bepaalt hoeveel ruimte nodig is voor deze voorziening

  • Dit bepaalt hij op basis van lokaal onderwijsbeleid. Het college motiveert haar besluit hierover.

  • 2.

    Het college kan andere minimumnormen voor deze voorziening vaststellen in een nadere regel.

  • Bijlage 3Hoe stellen we de bruto vloeroppervlakte van schoolgebouwen vast?

  • Artikel 1Over de meetinstructie voor schoolgebouwen

  • 1.

    De bruto vloeroppervlakte van een schoolgebouw stellen we vast volgens de norm NEN 2580

  • 2.

    Bijzonderheden

  • a.

    Voor (speciaal) basisonderwijs en speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs:

  • i.

    Fietsenstallingen en bergingen die alleen van buitenaf bereikbaar zijn, horen niet bij de bruto vloeroppervlakte.

  • ii.

    Bij scheidingswanden tussen lesgebouwen en gymzalen berekenen we de bruto vloeroppervlakte tot het hart van de scheidingsconstructie.

  • b.

    Voor voortgezet onderwijs:

  • i.

    De bruto oppervlakte van een gebouw is de som van de bruto vloeroppervlakte van alle beloopbare binnenruimten die bij het gebouw horen. Dit meten we op de vloer langs de binnenkant van de muren die om de ruimte staan.

  • ii.

    Tot de bruto oppervlakte horen ook:

  • de oppervlakte van trapgaten, liftschachten, en leidingschachten op elke verdieping, en

  • de oppervlakte van vrijstaande kolommen als die groter dan 0,5 vierkante meter zijn.

  • c.

    Uitzonderingen:

  • i.

    De oppervlakten van overdekte open ruimten horen niet bij de bruto vloeroppervlakte. Het maakt daarbij niet uit waar de vloer of verharding van is gemaakt. Dit geldt in ieder geval voor luifels, dakoverstekken, de ruimte onder verdiepingen die op kolommen staan en fietsenstallingen.

  • ii.

    Open brand-of vluchttrappen aan de buitenkant van een gebouw horen niet bij de bruto oppervlakte.

  • iii.

    Kelders en zolders waar niet op of in gelopen kan worden, rekenen we niet mee.

Bijlage 4Begrippenlijst

Artikel 1Begrippenlijst

In deze verordening en de nadere regels verstaan we onder:

1

afwegingskader renovatie of nieuwbouw

Een afwegingskader om te bepalen of renovatie of vervangende nieuwbouw aantrekkelijker is. Dit afwegingkader is overeengekomen door de PO-raad, VO-raad en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG).

2

bouwheer

Dit is de opdrachtgever van de bouw (volgens artikel 103 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 101 van de Wet op de expertisecentra of artikel 76n van de Wet op het voortgezet onderwijs).

3

bekostigingsplafond

Het bedrag dat de gemeente maximaal uitgeeft aan de huisvesting van scholen.

4

BRIN-nummer

Elke school staat geregistreerd in het Basisregistratie Instellingen (BRIN) en krijgt een eigen nummer.

5

bruto vloeroppervlak

De volledige omvang van het gebouw in vierkante meters (m2 bvo).

6

capaciteit

De capaciteit van een schoolgebouw is het aantal leerlingen dat in een schoolgebouw naar school kan gaan.

7

college, gemeente

Het college van Burgemeester en Wethouders (B&W) van de gemeente Utrecht.

9

gemeenteraad

De gemeenteraad van de gemeente Utrecht.

10

herschikkingsoperatie

Het opnieuw verdelen van de schoolgebouwen of gymzalen in een gebied.

11

klokuur of uur

60 minuten.

12

locatie, dislocatie

Een schoolgebouw met een eigen adres.

13

meubilair

De inrichting van het schoolgebouw.

14

NEN

NEN is de afkorting van Nederlandse Norm. Dit zijn normen zoals vastgelegd door de Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie Instituut of de Stichting Koninklijk Nederlands Elektrotechnisch Comité (NEC). In de verordening worden deze NEN-normen genoemd:

NEN 2767: Conditiemeting

NEN 2580: Bepalen van oppervlakten en inhouden van gebouwen

15

normbedrag

Een vast bedrag waarvan wordt aangenomen dat het voldoende is om een voorziening te realiseren.

16

nuttig vloeroppervlak

Het bruto vloeroppervlak min de constructiedelen, technische installatieruimtes en verkeersruimtes.

17

onderwijsleerpakket

Alle materialen die nodig zijn om onderwijs te geven.

18

Op Overeenstemming Gericht Overleg (OOGO)

Een verplicht overleg tussen de gemeente en de schoolbesturen volgens de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet op de expertisecentra.

19

onderhoud

Het repareren of vervangen van een (deel van een) schoolgebouw, zodat het gebouw in dezelfde staat blijft. Er zijn verschillende soorten onderhoud:

DO: dagelijks onderhoud

PO: periodiek (preventief) onderhoud inclusief inspecties en keuringen

CO: calamiteiten en/of correctief onderhoud (storingen)

GO: groot onderhoud bij einde technische en economische levensduur

20

overzicht

Een lijst van afgewezen aanvragen. Alle aanvragen voor huisvesting van een school die zijn afgewezen, komen op het overzicht. Dit staat in artikel 95 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 93 van de Wet op de expertisecentra en artikel 76f van de Wet op het voortgezet onderwijs.

21

programma

Een lijst van toegekende aanvragen. Alle aanvragen voor huisvesting van een school die wel worden toegekend, komen op het programma. Dit staat in artikel 96 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 94 van de Wet op de expertisecentra en artikel 76g van de Wet op het voortgezet onderwijs.

22

renovatie

Renovatie is een grootschalige aanpak van een bestaand schoolgebouw waarmee de levensduur verlengd wordt met minimaal 40 jaar en het gebouw (weer) voldoet aan de eisen van het meest recente Bouwbesluit.

23

school voor basisonderwijs

Basisschool of speciale school voor basisonderwijs volgens artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs.

24

school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs

School voor speciaal onderwijs, school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, of school voor voortgezet speciaal onderwijs volgens artikel 1 van de Wet op de expertisecentra.

Een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs volgens artikel 8 van de Wet op de expertisecentra.

Een school voor voortgezet speciaal onderwijs volgens artikel 1 van de Wet op de expertisecentra.

25

school voor voortgezet onderwijs

School of scholengemeenschap voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, voor voorbereidend beroepsonderwijs en voor praktijkonderwijs volgens de artikelen 1, 2 en 5 van de Wet op het voortgezet onderwijs.

26

school, schoolbestuur

Het bevoegd gezag van een openbare of bijzondere school die in de gemeente Utrecht staat. Of een deel van de school staat in de gemeente Utrecht. Deze school wordt door de overheid betaald volgens:

de Wet op het primair onderwijs, of

de Wet op de expertisecentra, of

de Wet op het voortgezet onderwijs.

27

teldatum

Het aantal leerlingen dat op 1 oktober op de school staat ingeschreven.

28

verordening

Verordening huisvesting scholen gemeente Utrecht 2021

29

verordening 2015

Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Utrecht 2015

30

voorschool

Een kinderopvang die voorschoolse educatie (VE) aanbiedt en voldoet aan de in landelijk en gemeentelijk beleid vastgestelde normen voor voorschoolse educatie.

31

voorziening

Een voorziening in de huisvesting, zoals nieuwbouw of uitbreiding. De aan te vragen voorzieningen staan in artikel 2 of in een nadere regel.

32

vrijheid van inrichting

Het schoolbestuur mag over veel dingen zelf beslissen. Bijvoorbeeld over hoe hij zijn scholen organiseert, hoe leraren lesgeven of welke boeken de scholen gebruiken. Dat is de vrijheid van inrichting.

33

vrijheid van richting

Bijzondere scholen mogen ervoor kiezen om les te geven vanuit een bepaalde manier van denken over de mens, de samenleving en de wereld. Dat is de vrijheid van richting.