Beleidsregels voor de toepassing van de Wet Bibob gemeente Goirle 2021

Geldend van 14-01-2021 t/m heden

Intitulé

Beleidsregels voor de toepassing van de Wet Bibob gemeente Goirle 2021

De burgemeester en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goirle, ieder voor zover het zijn bevoegdheden betreft;

overwegende, dat de Wet bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur hen beleidsruimte verschaft bij de besluitvorming omtrent het toepassen van hun uit deze wet voortvloeiende bevoegdheden;

gelet op het bepaalde in de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht, de artikelen 3, 27 en 31 van de Drank- en Horecawet, artikel 30b van de Wet op de kansspelen, de artikelen 2.1 en 2.17 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de artikelen 2:25, 2:28, 2:28a, 2:39, 2:81, 3:3 en 5:23 van de vigerende Algemene plaatselijke verordening gemeente Goirle en artikel 6 van de vigerende Algemene Subsidieverordening gemeente Goirle;

besluiten vast te stellen de ‘Beleidsregels voor de toepassing van de Wet Bibob gemeente Goirle 2021’.

Hoofdstuk 1 Algemeen

Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen

In deze beleidsregels wordt, in aanvulling op de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, verstaan onder:

  • a.

    Aanvraag: de aanvraag om een beschikking zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet Bibob.

  • b.

    Betrokkene: de aanvrager van een beschikking, de subsidie aanvrager/ ontvanger, de vergunninghouder, de gegadigde, de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie door de gemeente een overheidsopdracht is of zal worden gegund of waarmee wordt onderhandeld over het aangaan van een overheidsopdracht, de onderaannemer, de natuurlijke persoon of rechtspersoon met wie door de gemeente een vastgoedtransactie is of zal worden aangegaan of met wie wordt onderhandeld over een dergelijke transactie, en de beoogd verkrijger van de erfpacht waarvoor toestemming is gevraagd als bedoeld in de begripsbepaling onder artikel 1, onder 1 sub 5 van de Wet Bibob.

  • c.

    Bureau: het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, zoals bedoeld in artikel 8 van de Wet Bibob.

  • d.

    DHW: Drank- en horecawet.

  • e.

    Gegadigde: degene die zich heeft gemeld voor een aanbestedingsprocedure teneinde een aanbieding te doen, of heeft ingeschreven op een aanbestedingsprocedure dan wel in onderhandeling is getreden met een rechtspersoon met een overheidstaak, zoals bedoel in artikel 1 van de Wet Bibob.

  • f.

    Gemeente: De rechtspersoon met een overheidstaak is de gemeente Goirle.

  • g.

    Overheidsopdracht: een overheidsopdracht voor werken, een overheidsopdracht voor leveringen, een overheidsopdracht voor diensten of een raamovereenkomst als bedoeld in artikel 1.1 van de Aanbestedingswet 2012.

  • h.

    Rechtspersoon met een overheidstaak: het bestuursorgaan dat bevoegd is een beschikking te nemen terzake van een subsidie, alsmede een beschikking terzake van een vergunning, toekenning, goedkeuring, erkenning, registratie of ontheffing, een vastgoedtransactie te sluiten of een overheidsopdracht te gunnen.

  • i.

    RIEC: het Regionaal Informatie en Expertise Centrum.

  • j.

    Semi-overheidsinstanties: organisaties die ‘dicht tegen de overheid aan zitten’. Kenmerken voor semi-overheid zijn:

    • 1.

      wettelijke taken en/of het dienen van een uitgesproken publiek belang, en;

    • 2.

      een (flinke) publieke financiering.

  • k.

    Wet Bibob: de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

Artikel 1.2 Toepassing van de Wet Bibob in bijzondere situaties

Het bestuursorgaan kan, naast het genoemde toepassingsbereik in artikel 2.1, 2.2, 3.1c, 3.2b en bijbehorende bijlagen van dit beleid, ook overgaan tot een Bibob-onderzoek, als:

  • a.

    vanuit eigen informatie en/of, vanuit informatie van een of meerdere partners binnen het samenwerkingsverband RIEC en/of, vanuit het Openbaar Ministerie verkregen informatie als bedoeld in artikel 11 juncto 26 van de Wet Bibob, er duidelijke aanwijzingen zijn die het vermoeden rechtvaardigen, dat bij de aanvraag van een beschikking, wijziging of verleende beschikking of ten aanzien van de betrokkene bij het aangaan van een overheidsopdracht/ vastgoedtransactie of overeengekomen overheidsopdracht/ vastgoedtransactie sprake is van een mindere mate van gevaar dan wel een ernstige mate van gevaar als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob.

  • b.

    bij navraag door het bestuursorgaan bij het Landelijk Bureau Bibob blijkt, dat over de betrokkene in de twee jaar voorafgaande aan de datum van indiening van een aanvraag om een beschikking terzake van een subsidie, vergunning, toekenning, goedkeuring, erkenning, registratie of ontheffing, het sluiten van een vastgoedtransactie of gunning van een overheidsopdracht door het Bureau een advies is uitgebracht of een aanvraag om een advies door het Bureau in behandeling is genomen.

Artikel 1.3 Uitzonderingen
  • 1.

    De Wet Bibob wordt in beginsel niet toegepast, ingeval de aanvraag voor een beschikking, wijziging of verleende beschikking afkomstig is van, of het aangaan van een overheidsopdracht of vastgoedtransactie of overeengekomen overheidsopdracht of vastgoedtransactie plaatsvindt met:

    • overheidsinstanties;

    • semi-overheidsinstanties;

    • toegelaten woning(bouw)corporaties (door de Minister van Volkshuisvestiging conform het Woningbesluit 1932 middels een daartoe verstrekte vergunning toegelaten woning(bouw)corporaties);

    • terrein beherende organisaties (zoals bijvoorbeeld Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten en Brabants Landschap);

    • door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goirle bij (specifiek) besluit aangewezen aanvragers (b.v. Publiek-Private Samenwerking (PPS)-constructies van particuliere ondernemingen en overheid).

  • 2.

    De in het eerste lid genoemde uitzonderingen gelden niet wanneer:

  • a.

    een indicatie of een vermoeden bestaat, dat een weigeringsgrond uit de Wet Bibob van toepassing is;

  • b.

    onderzocht wordt of een eerder aan de betrokkene verleende beschikking op grond van de Wet Bibob kan worden ingetrokken.

  • c.

    de officier van justitie de gemeente adviseert om bij een aanvraag, overheidsopdracht of vastgoedtransactie een advies aan het Bureau te vragen, of een situatie als bedoeld in artikel 1.2 van dit beleid aan de orde is.

Artikel 1.4 Vragenformulier
  • 1.

    Een betrokkene aan wie een vragenformulier is uitgereikt, wordt een redelijke termijn gegeven (maximaal 4 weken) om in de gelegenheid te worden gesteld dit bij het bestuursorgaan in te dienen.

  • 2.

    In gevallen waarin de gegevens die in de aanvraag en het krachtens artikel 7a, vijfde lid van de Wet Bibob vastgestelde formulier tijdens het onderzoek onvoldoende duidelijk en consistent blijken te zijn, kunnen daartoe door of namens het bestuursorgaan aangewezen medewerkers de betrokkene, zo nodig in een persoonlijk onderhoud, om een toelichting verzoeken en vragen stellen.

  • 3.

    Indien een vragenformulier, volgens de daarin of daarbij gegeven aanwijzingen, onvolledig is ingevuld, niet alle verzochte bijlagen daaraan zijn toegevoegd of gegevens bevat waarvan aanstonds blijkt dat deze onjuist zijn, wordt de indiener krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht gedurende 3 weken de gelegenheid geboden tot herstel. Gedurende deze termijn is de beslistermijn krachtens artikel 4:15 van de Algemene wet bestuursrecht opgeschort. Zo nodig kan hierna nog een tweede hersteltermijn volgen.

  • 4.

    Indien gedurende de hersteltermijn geen gebruik wordt gemaakt van de gelegenheid de gebreken op te heffen of de gevraagde extra informatie niet of onvolledig wordt aangeleverd en de ontbrekende en of onjuiste gegevens materieel van belang zijn voor de beoordeling van het vragenformulier, wordt dit gezien als een weigering door betrokkene. Deze weigering wordt beschouwd als een ernstige mate van gevaar zoals bedoeld in artikel 4 juncto 3 van de Wet Bibob. De verstrekte beschikking zal als gevolg daarvan worden ingetrokken en de aangevraagde beschikking zal buiten behandelen worden gesteld. Ook kan dit leiden tot het niet aangaan van een overeenkomst of dat een reeds aangegane overeenkomst wordt beëindigd.

Hoofdstuk 2 Publiekrechtelijke beschikkingen

Artikel 2.1 Toepassingsbereik bij nieuwe beschikkingen

Het bestuursorgaan past de wet in beginsel toe met betrekking tot aanvragen om een beschikking of wijziging van de beschikking zoals bedoeld in:

  • a.

    artikel 3 van de Drank- en Horecawet voor de uitoefening van het horecabedrijf, met inachtneming van de in bijlage 1 genoemde uitzonderingen;

  • b.

    artikel 30b van de Wet op de kansspelen voor het aanwezig hebben van één of meer kansspelautomaten;

  • c.

    artikel 2:25 van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Goirle, voor zover de aanvraag ziet op vechtsportwedstrijden, vechtsportgala’s en evenementen van motorclubs;

  • d.

    artikel 2:28 van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Goirle voor de exploitatie van een openbare inrichting, met in achtneming van de in bijlage 1 genoemde uitzondering;

  • e.

    artikel 2:28a van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Goirle voor de exploitatie van een smart- of headshop;

  • f.

    artikel 2:39 van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Goirle voor het exploiteren of doen exploiteren van een speelgelegenheid;

  • g.

    artikel 2:81 van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Goirle voor het uitoefenen van een bedrijf in een door de burgemeester aangewezen gebouw of gebied voor door de burgemeester genoemde bedrijfsmatige activiteiten, of indien de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester aangewezen bedrijfsmatig activiteit betreft;

  • h.

    artikel 3:3 van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Goirle voor de exploitatie van een seksbedrijf of seksinrichting ;

  • i.

    artikel 5:23 van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Goirle voor het organiseren van een snuffelmarkt;

  • j.

    artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’), met inachtneming van de in bijlage 2 uitgewerkte beleidsuitgangspunten en daarbij genoemde uitzonderingen;

  • k.

    artikel 2.1 eerste lid, aanhef en onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor zover dat onderdeel betrekking heeft op een inrichting zoals bedoeld in artikel 1.1 lid 1 van Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (omgevingsvergunning voor inrichtingen Wet Milieubeheer), met inachtneming van de in bijlage 3 genoemde uitzonderingen;

  • l.

    artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor zover dat onderdeel betrekking heeft op een activiteit waarvoor bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 2.17 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is bepaald, dat de beschikking in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob kan worden geweigerd (omgevingsvergunning beperkte milieutoets), met inachtneming van de in bijlage 3 genoemde uitzonderingen;

  • m.

    artikel 6 van de Algemene Subsidieverordening gemeente Goirle, met in achtneming van de in bijlage 4 genoemde uitgangspunten en uitzonderingen.

Artikel 2.2 Toepassingsbereik bij verleende beschikkingen

Het bestuursorgaan past de Wet Bibob in beginsel toe met betrekking tot verleende beschikkingen indien:

  • a.

    de verstrekte beschikking betrekking heeft op een locatie, die gelegen is in een concreet bepaald gebied, dat op basis van een daartoe genomen besluit van het bestuursorgaan na de verstrekking van de beschikking, is aangewezen als risicogebied;

  • b.

    de verstrekte beschikking onderdeel uitmaakt van een branche of onderdeel in deze branche, die op basis van een door het bestuursorgaan genomen besluit na de verstrekking van de beschikking is aangewezen als risicobranche;

  • c.

    bekend wordt, dat tegen betrokkene in een andere gemeente bij een Bibob-onderzoek, ten minste een mindere mate van gevaar is geconstateerd zoals bedoeld in artikel 3, zevende lid, van de Wet Bibob en aan betrokkene in de gemeente Goirle een soortgelijke beschikking is verleend. In geval aan betrokkene in meerdere gemeenten binnen het samenwerkingsverband RIEC eerder al een soortgelijke beschikking is verleend, zal het bestuur het RIEC om coördinatie in het Bibob-onderzoek verzoeken;

  • d.

    als vanuit eigen informatie en/of, vanuit informatie van een of meerdere partners binnen het samenwerkingsverband RIEC en/of, vanuit het Openbaar Ministerie verkregen informatie als bedoeld in artikel 11 juncto 26 van de Wet Bibob, er duidelijke aanwijzingen zijn die het vermoeden rechtvaardigen, dat bij het wijzigen van een schikking of verleende beschikking sprake is van een mindere mate van gevaar dan wel een ernstige mate van gevaar als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob.

Hoofdstuk 3. Privaatrechtelijke transacties

Artikel 3.1 Toepassing bij aanbestedingen Artikel 3.1a Het aangaan en beëindigen van een overheidsopdracht
  • 1.

    Voorafgaand aan het sluiten van een overheidsopdracht komt de gemeente contractsvrijheid toe. De gemeente heeft het daaruit voortvloeiende recht om geen overheidsopdracht met een gegadigde of betrokkene aan te gaan, mede of uitsluitend op basis van het feit dat de gemeente van oordeel is dat ten aanzien van die gegadigde of betrokkene een integriteitsrisico bestaat.

  • 2.

    Met betrekking tot aanbestedingen bestaat een integriteitsrisico indien sprake is van een situatie als genoemd in artikel 2.86 van de Aanbestedingswet 2012.

  • 3.

    Met betrekking tot aanbestedingen kan sprake zijn van een integriteitsrisico wanneer zich een van de situaties genoemd in artikel 2.87 van de Aanbestedingswet 2012 voordoet.

  • 4.

    De gemeente kan, in aanvulling op artikel 2.86 lid 3 van de Aanbestedingswet 2012, gedragingen en omstandigheden van aan de gegadigde of betrokkene gelieerde partijen of personen bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een integriteitsrisico betrekken. Onder gelieerde (rechts)personen wordt in ieder geval verstaan:

    • i.

      Direct of indirect leiding aan gegadigde of betrokkene geven of hebben gegeven;

    • ii.

      bij de uitvoering van de overheidsopdracht een belangrijke rol vervullen of hebben vervuld;

    • iii.

      over gegadigde of betrokkene direct of indirect zeggenschap hebben of hebben gehad;

    • iv.

      aan gegadigde of betrokkene direct of indirect vermogen verschaffen of hebben verschaft;

    • v.

      onderdeel zijn of zijn geweest van dezelfde groep als bedoeld in artikel 2:24b BW;

    • vi.

      direct of indirect in een zakelijk samenwerkingsverband tot gegadigde of betrokkene staan of hebben gestaan;

    • vii.

      op gegadigde of betrokkene anderszins direct of indirect invloed uitoefenen of hebben uitgeoefend;

    • viii.

      degene die redelijkerwijs met betrokkene of gegadigde gelijk kunnen worden gesteld op grond van hun feitelijke invloed op betrokkene of gegadigde.

  • 5.

    De gemeente kan in overeenkomsten een integriteitsclausule opnemen, op basis waarvan zij onder meer het recht heeft om de gegadigde of betrokkene gedurende de looptijd van de overeenkomst te screenen en de overeenkomst op te schorten of tussentijds te beëindigen vanwege een integriteitsrisico of het feit dat door de gegadigde of betrokkene onvoldoende medewerking aan een screening of aan het wegnemen van het integriteitsrisico wordt verleend. De gemeente kan tevens bedingen dat de overeenkomst kan worden opgeschort c.q. ontbonden op de gronden vermeld in artikel 3 van de Wet Bibob. Indien de gegadigde of betrokkene de integriteitsclausule niet accepteert, is de gemeente gerechtigd de onderhandelingen of besprekingen te beëindigen.

Artikel 3.1b Ernstige fouten in de uitoefening van het beroep
  • 1.

    Onder ernstige fouten in de uitoefening van het beroep als bedoeld in artikel 2.87 lid 1 aanhef en onder c van de Aanbestedingswet 2012 verstaat de gemeente in ieder geval het in de uitoefening van het beroep of bedrijf:

    • a.

      handelen of nalaten waardoor de lichamelijke integriteit van werknemers of andere personen ernstig in gevaar wordt gebracht;

    • b.

      begaan van overtredingen op het gebied van milieuwetgeving;

    • c.

      als gevolg van grove nalatigheid, opzet of bewuste roekeloosheid onrechtmatig handelen waardoor ernstige schade is of kan ontstaan;

    • d.

      het begaan van gedragingen in strijd met voor het beroep of bedrijf van gegadigde of betrokkene relevante wet- en regelgeving, mededingingsrecht, tuchtregels, toezichtregels, gedragsregels of gedragscodes;

    • e.

      het verrichten van werkzaamheden die in strijd zijn met de openbare orde;

    • f.

      alle andere delicten en gedragingen of omstandigheden die naar hun aard zijn aan te merken als ernstige fout in de uitoefening van het beroep.

  • 2.

    In aanvulling op het in het eerste lid bepaalde acht de gemeente een ernstige fout in de uitoefening van het beroep aanwezig indien er, al dan niet blijkend uit een Bibob-advies, gevaar bestaat dat een overheidsopdracht door de gegadigde of betrokkene mede zal worden gebruikt om:

  • ix.

    uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten,

  • x.

    strafbare feiten te plegen of,

  • xi.

    teneinde een overheidsopdracht te sluiten een strafbaar feit is gepleegd.

Artikel 3.1c Toepassingsbereik
  • 1.

    De gemeente zal de Wet Bibob toepassen bij overheidsopdrachten die volgens de drempelwaarden van de Europese richtlijnen als openbaar moeten worden aanbesteed. Voor deze categorieën overheidsopdrachten betekent dit dat toepassing van de Bibob beleidsregels plaatsvindt bij een openbare aanbesteding met een (gezamenlijke) opdrachtwaarde van € 500.000,- (excl. omzetbelasting).

  • 2.

    De gemeente kan de Wet Bibob toepassen bij een overheidsopdracht in geval van een overheidsopdracht voor de opvang, begeleiding en het beschermd wonen voor kwetsbare burgers, waarbij het specifiek gaat om zorgaanbieders waarmee nog niet eerder een overheidsopdracht is aangegaan. Bij volgende overheidsopdrachten met dezelfde gegadigde of betrokkene vindt een Bibob-onderzoek signaal gestuurd plaats ex artikel 1.2 van dit beleid.

  • 3.

    Bij een gunning van een overheidsopdracht of reeds gegunde overheidsopdracht met een (gezamenlijke) opdrachtwaarde onder het bedrag als bedoeld in lid 1 kan de gemeente overgaan tot een Bibob-onderzoek wanneer er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 1.2 van dit beleid.

Artikel 3.1d Gevolgen onderzoek
  • 1.

    De uitkomst van een eigen onderzoek bij de gunning van een overheidsopdracht kan voor de gemeente aanleiding zijn om een gegadigde of betrokkene van een opdracht uit te sluiten, om in de overeenkomst inzake de gunning van een overheidsopdracht nadere, al dan niet ontbindende, voorwaarden op te nemen of om als voorwaarde op te nemen dat onderaannemers alleen met toestemming van de gemeente kunnen worden gecontracteerd en dat in dat kader een bibob-advies kan worden gevraagd.

  • 2.

    De gemeente kan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, ook in de overeenkomst opnemen, indien wordt voldaan aan één of meer van de volgende voorwaarden:

    • a.

      de gemeente heeft het eigen onderzoek nog niet afgerond op het moment van het sluiten van de overeenkomst;

    • b.

      het eigen onderzoek van de gemeente heeft geleid tot het aanvragen van een advies bij het Landelijk Bureau Bibob, maar dit advies is nog niet ontvangen of de procedure tot het verwerken van het advies is door de gemeente nog niet afgerond;

    • c.

      er zijn aanwijzingen dat de gegadigde of betrokkene waarmee de overeenkomst wordt of is aangegaan binnen de looptijd van de opdracht geheel of ten dele in handen komt van een andere eigenaar.

Artikel 3.1e Afweging
  • 1.

    Bij de beslissing om een gegadigde of betrokkene vanwege het bestaan van een integriteitsrisico

    • a.

      uit te sluiten van de kans op gunning van een overheidsopdracht of,

    • b.

      gesloten overheidsopdracht te beëindigen, maakt de gemeente altijd een afweging tussen het integriteitsrisico en de maatregel.

  • 1.

    Bij deze afweging worden de volgende aspecten betrokken:

    • a.

      de maatregelen die een gegadigde of betrokkene heeft getroffen om herhaling van het integriteitsrisico te voorkomen;

    • b.

      de zwaarte van het integriteitsrisico in kwestie;

    • c.

      het totale aantal integriteitsrisico’s of onderliggende delicten of kwesties;

    • d.

      de verstreken tijd sinds het zich voordoen van het integriteitsrisico;

    • e.

      de vraag of er reeds een (passende) sanctie is opgelegd naar aanleiding van het integriteitsrisico in kwestie;

    • f.

      de mate van betrokkenheid van leidinggevenden of sleutelpersoneel bij het integriteitsrisico.

  • 2.

    Indien de gemeente voornemens is om een overeenkomst te beëindigen wegens een integriteitsrisico, wordt de gegadigde of betrokkene eerst in de gelegenheid gesteld op het voornemen te reageren.

Artikel 3.2 Toepassing bij vastgoedtransacties

Artikel 3.2a Het sluiten van een vastgoedtransactie

  • 1.

    Voorafgaand aan het sluiten van een vastgoedtransactie komt de gemeente altijd contractsvrijheid toe. De gemeente heeft het daaruit voortvloeiende recht om geen transactie met een gegadigde of betrokkene aan te gaan, mede of uitsluitend op basis van het feit dat de gemeente van oordeel is dat ten aanzien van die gegadigde of betrokkene een integriteitsrisico bestaat.

  • 2.

    Met betrekking tot vastgoedtransacties bestaat een integriteitsrisico als uit Bibob-onderzoek blijkt dat er sprake is van enige mate of ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob.

  • 3.

    De gemeente kan gedragingen en omstandigheden van aan de gegadigde of betrokkene gelieerde partijen of personen bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een integriteitsrisico betrekken. Onder gelieerde partijen wordt in ieder geval verstaan:

    • a.

      direct of indirect leiding aan gegadigde of betrokkene geven of hebben gegeven;

    • b.

      bij de vastgoedtransactie een belangrijke rol vervullen of hebben vervuld;

    • c.

      over gegadigde of betrokkene direct of indirect zeggenschap hebben of hebben gehad;

    • d.

      aan gegadigde of betrokkene direct of indirect vermogen verschaffen of hebben verschaft;

    • e.

      onderdeel zijn of zijn geweest van dezelfde groep als bedoeld in artikel 2:24b BW;

    • f.

      in een zakelijk samenwerkingsverband tot gegadigde of betrokkene staan of hebben gestaan;

    • g.

      op gegadigde of betrokkene anderszins direct of indirect invloed uitoefenen of hebben uitgeoefend;

    • h.

      degene die redelijkerwijs met betrokkene of gegadigde gelijk kunnen worden gesteld op grond van hun feitelijke invloed op betrokkene of gegadigde.

  • 4.

    De gemeente kan in overeenkomsten een integriteitsclausule opnemen, op basis waarvan zij onder meer het recht heeft om de gegadigde of betrokkene gedurende de looptijd van de overeenkomst te screenen en de overeenkomst op te schorten of tussentijds te beëindigen vanwege een integriteitsrisico of het feit dat door de gegadigde of betrokkene onvoldoende medewerking aan een screening of aan het wegnemen van het integriteitsrisico wordt verleend. De gemeente kan tevens bedingen dat de overeenkomst kan worden opgeschort c.q. ontbonden op de gronden vermeld in artikel 3 van de Wet Bibob. Indien de gegadigde of betrokkene de integriteitsclausule niet accepteert, is de gemeente gerechtigd de onderhandelingen of besprekingen te beëindigen.

Artikel 3.2b Toepassingsbereik Bibob-onderzoek
  • 1.

    In geval van een vastgoedtransactie als bedoeld in artikel 1 van de Wet Bibob vindt een Bibob-onderzoek plaats wanneer deze betrekking heeft op de volgende risicocategorieën, risicogebieden en / of het genoemde bijzondere geval:

    • A.

      Risicocategorieën:

      • i.

        Inrichtingen waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet:

      • ii.

        logies wordt verstrekt (waaronder hotels, kamerverhuurbedrijven, pensions)

      • iii.

        dranken worden geschonken (waaronder horecabedrijven), of

      • iv.

        rookwaren of spijzen (waaronder coffeeshops) voor directe consumptie worden verstrekt;

      • v.

        Voor het publiek toegankelijke, besloten ruimten waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet seksuele handelingen worden verricht, seksuele diensten worden aangeboden of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden (waaronder prostitutiebedrijven, darkrooms, seksbioscopen, sekswinkels, erotische massagesalons);

      • vi.

        Een natuurlijke persoon, een groep van natuurlijke personen of een rechtspersoon die bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet seksuele handelingen verricht of seksuele diensten aanbiedt in een andere ruimte dan de bedrijfsruimte (waaronder escortbedrijven);

      • vii.

        Inrichtingen die in het maatschappelijk verkeer worden aangeduid als smartshops, coffeeshop of headshops;

      • viii.

        Inrichtingen die zijn bestemd om het publiek de gelegenheid te geven een spel door middel van speelautomaten te beoefenen als bedoeld in artikel 30c, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de kansspelen (waaronder speelautomatenhallen en gamecenters);

      • ix.

        Afvalbewerkings- en verwerkingsbedrijven;

      • x.

        Autohandel (verkoop en verhuur);

      • xi.

        Beauty-, wellness- en saunabedrijven;

      • xii.

        Bedrijfsverzamelgebouwen;

      • xiii.

        Cadeauwinkels;

      • xiv.

        Cultureel erfgoed;

      • xv.

        Dienstverleners, zoals bv kapsalons, belwinkels, internetcafés en niet-geregistreerde uitzendbureaus;

      • xvi.

        Energiecorporaties;

      • xvii.

        Gemeentelijke panden, bij verkoop met een koopsom van > 500.000 euro of meer;

      • xviii.

        In- en exportbedrijven (handelsondernemingen; schoenen, kleren, onderdelen);

      • xix.

        Infrastructurele werken;

      • xx.

        Klusbedrijven;

      • xxi.

        Maneges, paardenhouderijen, stoeterijen, of fokken van c.q. handelen in paarden (in de ruimste zin van het woord);

      • xxii.

        Sloopbedrijven;

      • xxiii.

        Snel laadstations;

      • xxiv.

        Sportscholen;

      • xxv.

        Transportondernemingen;

      • xxvi.

        Vastgoedbedrijven;

      • xxvii.

        Vrijplaatsen (locaties waar en/of groepen waartegen een effectief overheidsoptreden wordt belemmerd, leidend tot een maatschappelijk ongewenste situatie, waarbij aanwijzingen bestaan voor het aanwezig zijn van strafbare gedragingen waaronder (fiscale) fraude en waarbij we spreken over handhavingsknelpunten. De belemmering betreft soms een bestaande of vermeende dreiging, soms een sociaal-culturele hindernis);

      • xxviii.

        Vuurwerkbranche.

      • xxix.

        Zonneparken;

      • xxx.

        Woon-/zorgkantoren waar bedrijfsmatig zorg wordt verleend;

      • xxxi.

        Zorgaanbieders;

      • xxxii.

        PGB (persoonsgebonden budget)-bureaus;

      • xxxiii.

        Wisselkantoren;

      • xxxiv.

        Categorieën die een sterke relatie hebben met het bovenstaande.

    • B.

      Risicogebieden:

  • i.

    Bedrijventerreinen;

  • ii.

    Recreatieterreinen;

  • iii.

    Winkelcentra.

    • C.

      Bijzondere gevallen:

  • i.

    Indien er aanwijzingen zijn of een vermoeden dat de financiering geheel of gedeeltelijk plaatsvindt of zal plaatsvinden via crowdfunding, sponsoring of giften. Aanwijzingen voor of een vermoeden van financiering middels crowdfunding, sponsoring of giften kunnen aanwezig zijn wanneer er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 1.2 van dit beleid.

NB.: Bovenstaande opsomming van risicocategorieën en risicogebieden is niet limitatief. Deze risicocategorieën en risicogebieden kunnen, indien nieuwe ontwikkelingen dit noodzakelijk maken, door het college van burgemeester en wethouders worden aangepast.

  • 2.

    Bij een vastgoedtransactie als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder o, sub 1, van de Wet Bibob, voor zover het betreft het vestigen, vervreemden of wijzigen van een zakelijk recht en valt binnen de genoemde risicocategorieën en /of gebieden van lid 1, wordt een Bibob-onderzoek uitgevoerd wanneer:

  • i.

    het aankoop- of verkoopbedrag van de betrokken onroerende zaak € 500.000,- of meer bedraagt; of

  • ii.

    de taxatiewaarde van de betrokken onroerende zaak voor wat betreft opstal € 500.000,- of meer (exclusief belastingen) bedraagt; of

  • iii.

    de taxatiewaarde van de betrokken onroerende zaak voor wat betreft erfpacht € 500.000,- of meer (exclusief belastingen) bedraagt.

    • 1.

      Bij een vastgoedtransactie als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder o, sub 2, van de Wet Bibob wordt een Bibob-onderzoek uitgevoerd wanneer de betrokken onroerende zaak valt binnen de genoemde risicocategorieën en /of gebieden van lid 1 en de WOZ-waarde €500.000,- of meer bedraagt, tenzij:

      • a.

        de huur of verhuur van het object naar aard van korte duur is;

      • b.

        het gaat om verhuur ten behoeve van educatieve, maatschappelijke en culturele doeleinden.

    • 2.

      Bij een vastgoedtransactie als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder o, sub 3, van de Wet Bibob, voor zover het betreft het verlenen van een gebruikrecht en valt binnen de genoemde risicocategorieën en /of gebieden van lid 1, wordt een Bibob-onderzoek uitgevoerd wanneer de pacht € 500.000,- of meer bedraagt, tenzij het gaat om korte pacht.

Artikel 3.2c Gevolgen onderzoek
  • 1.

    De uitkomst van een eigen onderzoek bij een vastgoedtransactie kan voor de gemeente aanleiding zijn om geen transactie aan te gaan met een gegadigde of betrokkene of, om in de transactie nadere, al dan niet ontbindende, voorwaarden op te nemen.

  • 2.

    De gemeente kan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, ook in de transactie opnemen, indien sprake is van de volgende gevallen:

    • a.

      de gemeente heeft het eigen onderzoek nog niet afgerond op het moment van het sluiten van de overeenkomst;

    • b.

      het eigen onderzoek van de gemeente heeft geleid tot het aanvragen van een advies bij het Landelijk Bureau Bibob, maar dit advies is nog niet ontvangen of de procedure tot het verwerken van het advies is door de gemeente nog niet afgerond;

    • c.

      er zijn aanwijzingen dat de gegadigde of betrokkene waarmee de overeenkomst wordt of is aangegaan binnen de looptijd van de opdracht geheel of ten dele in handen komt van een andere eigenaar.

Artikel 3.2d Afweging
  • 1.

    Bij de beslissing om met een gegadigde of betrokkene vanwege het bestaan van een integriteitsrisico geen transactie aan te gaan, maakt de gemeente altijd een afweging tussen het integriteitsrisico en de maatregel.

  • 2.

    Bij deze afweging worden de volgende aspecten betrokken:

    • a.

      de maatregelen die een gegadigde of betrokkene heeft getroffen om herhaling van het integriteitsrisico te voorkomen;

    • b.

      de zwaarte van het integriteitsrisico in kwestie;

    • c.

      het totale aantal integriteitsrisico’s of onderliggende delicten of kwesties;

    • d.

      de verstreken tijd sinds het zich voordoen van het integriteitsrisico;

    • e.

      de vraag of er reeds een (passende) sanctie is opgelegd naar aanleiding van het integriteitsrisico in kwestie;

    • f.

      de mate van betrokkenheid van leidinggevenden of sleutelpersoneel bij het integriteitsrisico.

  • 3.

    Indien de gemeente voornemens is om een overeenkomst te beëindigen wegens een integriteitsrisico, wordt de gegadigde of betrokkene eerst in de gelegenheid gesteld op het voornemen te reageren.

Hoofdstuk 4. Slotbepalingen

Artikel 4.1 Intrekken oude beleidsregels

De “Beleidslijn Wet Bibob 2006” is met de inwerkingtreding van deze beleidsregel ingetrokken.

Artikel 4.2 Inwerkingtreding

Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de bekendmaking ervan.

Artikel 4.3 Overgangsbepaling

Deze beleidslijn is van toepassing op ontvangen aanvragen voor beschikkingen, subsidies, aangevangen onderhandelingen voor vastgoedtransacties en overheidsopdrachten, en op reeds verleende beschikkingen, subsidies, aangegane vastgoedtransacties en gegunde overheidsopdrachten, vanaf de datum van inwerkingtreding.

Artikel 4.4 Citeertitel

Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als “Beleidsregels voor toepassing van de Wet Bibob gemeente Goirle 2021”.

Ondertekening

Aldus vastgesteld op 5 januari 2021,

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goirle,

Jolie Hasselman, Secretaris

Mark van Stappershoef, Burgemeester

De burgemeester van de gemeente Goirle,

Mark van Stappershoef

Bijlage 1: toepassingscriteria geldend voor de uitvoering van het Bibob-onderzoek bij de aanvraag voor een beschikking als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de DHW en artikel 2:28 van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Goirle.

Uitgaande van het doel van de Wet Bibob, het waarborgen van de integriteit van het bestuursorgaan door het voorkomen van ongewild faciliteren van criminele activiteiten en daarmee het tegenhouden van vergunningen waarbij een bepaalde mate van criminele beïnvloeding te verwachten valt, zal de uitvoering van het Bibob-onderzoek niet plaatsvinden bij aanvragen van:

  • a.

    Een slijtersbedrijf, een slijtlokaliteit en een para-commerciële rechtspersonen zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid van de DHW, tenzij er sprake is van een situatie, zoals genoemd in artikel 1.2.

  • b.

    een wijziging of toevoeging van een terras behorende bij de inrichting.

  • c.

    artikel 30a van de Drank- en Horecawet voor de melding van een wijziging van een leidinggevende op het aanhangsel van de Drank- en horecawetvergunning.

Bijlage 2: toepassingscriteria geldend voor de uitvoering van het Bibob-onderzoek bij de aanvraag voor een beschikking als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen)

Uitgaande van het doel van de Wet Bibob, het waarborgen van de integriteit van het bestuursorgaan door het voorkomen van ongewild faciliteren van criminele activiteiten en daarmee het tegenhouden van vergunningen waarbij een bepaalde mate van criminele beïnvloeding te verwachten valt, zal de uitvoering van het Bibob-onderzoek plaatsvinden bij aanvragen, die vallen onder één van de hierna genoemde gevallen:

A. Bouwsom

in geval van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen, waarbij sprake is van een bouwsom van meer dan € 500.000,-- (exclusief btw). De bouwsom wordt door de gemeente berekend.

B. Risicocategorieën

indien de bouwsom meer bedraagt dan € 50.000,- (exclusief btw) en minder bedraagt dan of gelijk is aan € 500.000,- (exclusief btw) en waarbij sprake is van een of meerdere onderstaande risicocategorieën:

  • a.

    Risicocategorieën:

    • i.

      Inrichtingen waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet:

      • 1.

        logies wordt verstrekt (waaronder hotels, kamerverhuurbedrijven, pensions)

      • 2.

        dranken worden geschonken (waaronder horecabedrijven), of

      • 3.

        rookwaren of spijzen (waaronder coffeeshops) voor directe consumptie worden verstrekt;

    • ii.

      Voor het publiek toegankelijke, besloten ruimten waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet seksuele handelingen worden verricht, seksuele diensten worden aangeboden of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden (waaronder prostitutiebedrijven, darkrooms, seksbioscopen, sekswinkels, erotische massagesalons);

    • iii.

      Een natuurlijke persoon, een groep van natuurlijke personen of een rechtspersoon die bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet seksuele handelingen verricht of seksuele diensten aanbiedt in een andere ruimte dan de bedrijfsruimte (waaronder escortbedrijven);

    • iv.

      Inrichtingen die in het maatschappelijk verkeer worden aangeduid als smartshops, coffeeshop of headshops;

    • v.

      Inrichtingen die zijn bestemd om het publiek de gelegenheid te geven een spel door middel van speelautomaten te beoefenen als bedoeld in artikel 30c, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de kansspelen (waaronder speelautomatenhallen en gamecenters);

    • vi.

      Afvalbewerkings- en verwerkingsbedrijven;

    • vii.

      Autohandel (verkoop en verhuur);

    • viii.

      Beauty-, wellness- en saunabedrijven;

    • ix.

      Bedrijfsverzamelgebouwen;

    • x.

      Cadeauwinkels;

    • xi.

      Cultureel erfgoed;

    • xii.

      Dienstverleners, zoals bv kapsalons, belwinkels, internetcafés en niet-geregistreerde uitzendbureaus;

    • xiii.

      Energiecorporaties;

    • xiv.

      Gemeentelijke panden;

    • xv.

      In- en exportbedrijven (handelsondernemingen; schoenen, kleren, onderdelen);

    • xvi.

      Infrastructurele werken;

    • xvii.

      Klusbedrijven;

    • xviii.

      Maneges, paardenhouderijen, stoeterijen, of fokken van c.q. handelen in paarden (in de ruimste zin van het woord);

    • xix.

      Sloopbedrijven;

    • xx.

      Snel laadstations;

    • xxi.

      Sportscholen;

    • xxii.

      Transportondernemingen;

    • xxiii.

      Vastgoedbedrijven;

    • xxiv.

      Vrijplaatsen (locaties waar en/of groepen waartegen een effectief overheidsoptreden wordt belemmerd, leidend tot een maatschappelijk ongewenste situatie, waarbij aanwijzingen bestaan voor het aanwezig zijn van strafbare gedragingen waaronder (fiscale) fraude en waarbij we spreken over handhavingsknelpunten. De belemmering betreft soms een bestaande of vermeende dreiging, soms een sociaal-culturele hindernis);

    • xxv.

      Vuurwerkbranche.

    • xxvi.

      Zonneparken;

    • xxvii.

      Wisselkantoren;

    • xxviii.

      Woon-/zorgkantoren waar bedrijfsmatig zorg wordt verleend;

    • xxix.

      Zorgaanbieders;

    • xxx.

      PGB (persoonsgebonden budget)-bureaus;

    • xxxi.

      Categorieën die een sterke relatie hebben met het bovenstaande.

  • b.

    Risicogebieden:

    • i.

      Bedrijventerreinen;

    • ii.

      Recreatieterreinen;

    • iii.

      Winkelcentra.

NB.: Bovenstaande opsomming van risicocategorieën is niet limitatief. Deze risicocategorieën kunnen, indien nieuwe ontwikkelingen dit noodzakelijk maken, door het college van burgemeester en wethouders worden aangepast.

C. Bijzondere gevallen

  • Vanaf de 4e aanvraag op jaarbasis van dezelfde aanvrager en/of betrokkene met een bouwsom van meer dan € 50.000,- en minder dan € 500.000,-.

  • In geval reeds aanvang is genomen met de realisatie van een vergunningsplichtig bouwwerk, zonder dat daarvoor de vereiste vergunning is aangevraagd en de bouwsom meer bedraagt dan € 50.000,- (exclusief btw) en minder bedraagt dan of gelijk is aan € 500.000,- (exclusief btw).

  • Indien er aanwijzingen zijn of een vermoeden dat de financiering geheel of gedeeltelijk plaatsvindt of zal plaatsvinden via crowdfunding, sponsoring of giften. Aanwijzingen voor of een vermoeden van financiering middels crowdfunding, sponsoring of giften kunnen aanwezig zijn wanneer er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 1.2 van dit beleid.

D. Risicogebied

Indien de bouwsom meer bedraagt dan € 50.000,- (exclusief btw) en minder bedraagt dan of gelijk is aan € 500.000,- (exclusief btw) en de aanvraag een locatie betreft die gelegen is in een door het college van burgemeesters en wethouders aangewezen risicogebied.

Bijlage 3: toepassingscriteria geldend voor de uitvoering van het Bibob-onderzoek bij de aanvraag voor een beschikking als bedoeld in:

- artikel 2.1 eerste lid, aanhef en onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor zover dat onderdeel betrekking heeft op een inrichting als bedoeld in artikel 1.1 lid 1 van die wet (omgevingsvergunning inrichtingen Wet Milieubeheer), en;

- artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor zover dat onderdeel betrekking heeft op een activiteit waarvoor bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 2.17 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is bepaald, dat de beschikking in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de wet kan worden geweigerd (omgevingsvergunning beperkte milieutoets).

Uitgaande van het doel van de Wet Bibob, het waarborgen van de integriteit van het bestuursorgaan door het voorkomen van ongewild faciliteren van criminele activiteiten en daarmee het tegenhouden van vergunningen waarbij een bepaalde mate van criminele beïnvloeding te verwachten valt, zal de uitvoering van het Bibob-onderzoek plaatsvinden wanneer de betreffende inrichting behoort tot de sector:

  • afval*;

  • vuurwerk;

  • transport;

  • automobielbranche.

*:inclusief inrichtingen waar bewerking, verwerking of recycling van afval of reststoffen een belangrijk onderdeel van het productieproces is.

Bijlage 4: toepassingscriteria geldend voor de uitvoering van het Bibob-onderzoek bij de aanvraag voor een beschikking als bedoeld in artikel 6 van de Algemene Subsidieverordening gemeente Goirle.

Uitgaande van het doel van de Wet Bibob, het waarborgen van de integriteit van het bestuursorgaan

door het voorkomen van ongewild faciliteren van criminele activiteiten en daarmee het tegenhouden

van vergunningen waarbij een bepaalde mate van criminele beïnvloeding te verwachten valt, zal de

uitvoering van het Bibob-onderzoek plaatsvinden bij aanvragen voor subsidies. Gezien de vele

subsidieaanvragen die de gemeente Goirle jaarlijks ontvangt en het diffuse karakter van deze

subsidies, is besloten om niet alle aanvragen standaard aan een Bibob-onderzoek te onderwerpen.

Subsidieaanvragen kunnen worden onderverdeeld in twee categorieën, zogenaamde structurele en

incidentele subsidies. Een structurele subsidie is een subsidie voor een, al dan niet langdurige, activiteit

die jaarlijks terugkeert. Een incidentele subsidie is een subsidie voor een activiteit met een eenmalig

karakter.

De volgende incidentele subsidies worden onderworpen aan een Bibob-onderzoek:

  • de gevraagde subsidie bedraagt € 50.000,- of meer;

  • de gevraagde subsidie leidt ertoe dat aan de betrokkene over één boekjaar € 50.000,- of meer aan subsidie wordt verstrekt door de gemeente Goirle.

De incidentele subsidieaanvraag onder dit bedrag of subsidieaanvragen van structurele aard

worden steekproefsgewijs aan een Bibob-onderzoek onderworpen en/of wanneer er signalen zijn

ontvangen die wijzen op criminele beïnvloeding of -activiteiten. Deze signalen kunnen bijvoorbeeld

betrekking hebben op de samenstelling van het bestuur of de leiding van de aanvragen de instantie

(criminele antecedenten), de financiële situatie van aanvragende instantie (schulden, in surseance) of

ongebruikelijke financiering van het niet-gesubsidieerde deel.