Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Doetinchem houdende regels omtrent de heffing en invordering van precariobelasting (Verordening precariobelasting 2021)

Geldend van 24-12-2020 t/m heden

Intitulé

Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Doetinchem houdende regels omtrent de heffing en invordering van precariobelasting (Verordening precariobelasting 2021)

De raad van de gemeente Doetinchem;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 9 december 2020;

gelet op artikel 228 van de Gemeentewet;

b e s l u i t :

vast te stellen de volgende verordening:

Verordening op de heffing en de invordering van precariobelasting 2021

Artikel 1 Definities

Deze verordening verstaat onder:

  • -

    dag: een periode van 24 uur, aanvangende te 00.00 uur, of een gedeelte daarvan;

  • -

    jaar: een kalenderjaar;

  • -

    maand: een kalendermaand;

  • -

    vergunning: een door het gemeentebestuur verleende en in een gemeentelijke registratie opgenomen toestemming op grond waarvan een persoon een of meer voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond mag hebben;

  • -

    week: een periode van zeven achtereenvolgende dagen.

Artikel 2 Belastbaar feit

Onder de naam precariobelasting wordt een directe belasting geheven ter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, bedoeld of genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel.

Artikel 3 Belastingplicht

  • 1. De precariobelasting wordt geheven van degene die het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft, dan wel van degene ten behoeve van wie dat voorwerp of die voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond aanwezig zijn.

  • 2. In afwijking in zoverre van het eerste lid wordt, indien de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, degene aan wie de vergunning is verleend of diens rechtsopvolger aangemerkt als degene bedoeld in het eerste lid, tenzij blijkt dat hij niet het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft.

Artikel 4 Vrijstellingen

De precariobelasting wordt niet geheven voor het hebben van:

  • a.

    voorwerpen, als de gemeente ter zake van het gebruik van de voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond waarop het voorwerp of de voorwerpen zich bevinden een recht heft op grond van artikel 229, eerste lid, onderdeel a, van de Gemeentewet, dan wel een privaatrechtelijke vergoeding is overeengekomen;

  • b.

    voorwerpen, als de gemeente de voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, waarop het voorwerp of de voorwerpen zich bevinden, beschikbaar stelt aan politieke partijen en charitatieve instellingen;

  • c.

    voorwerpen, waarvan de gemeente genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is, met uitzondering van voorwerpen die in gebruik zijn bij een derde;

  • d.

    reclameborden die zich bevinden in het gebied waar reclamebelasting wordt geheven.

Artikel 5 Maatstaf van heffing en belastingtarief

De precariobelasting wordt geheven naar de maatstaven en de tarieven opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel, met inachtneming van het overigens in deze verordening bepaalde.

Artikel 6 Berekening van de precariobelasting

  • 1. Voor de berekening van de precariobelasting wordt met betrekking tot een in de tarieventabel genoemde lengte- of oppervlaktemaat een gedeelte daarvan als een volle eenheid aangemerkt.

  • 2. Indien een tarief per oppervlakte is vastgesteld, wordt de precariobelasting berekend naar de oppervlakte van de horizontale projectie van de voorwerpen, tenzij anders is bepaald.

  • 3. De oppervlakte van andere dan rechthoekige voorwerpen wordt gesteld op het product van de twee aangrenzende zijden van een om het voorwerp geplaatste denkbeeldige rechthoek.

  • 4. Indien de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, wordt voor de berekening van de precariobelasting aangesloten bij de geldigheidsduur van die vergunning, tenzij blijkt dat het belastbaar feit zich gedurende een kortere periode heeft voorgedaan. In dat geval bestaat aanspraak op ontheffing, waarbij het vijfde lid van overeenkomstige toepassing is.

  • 5. Indien in de tarieventabel voor een voorwerp tarieven voor verschillende tijdseenheden zijn opgenomen, wordt de precariobelasting berekend op de voor de belastingplichtige meest voordelige wijze.

  • 6. In afwijking van het bepaalde in artikel 1 wordt voor de berekening van de precariobelasting:

    • a.

      indien in de tarieventabel voor een voorwerp wel een weektarief, maar geen dagtarief is opgenomen, een gedeelte van een week gelijkgesteld met een week;

    • b.

      indien in de tarieventabel voor een voorwerp wel een maandtarief, maar geen dag- of weektarief is opgenomen, een gedeelte van een maand gelijkgesteld met een maand.

  • 7. Indien in de tarieventabel voor een voorwerp een dag-, week- of maandtarief is opgenomen en het belastingtijdvak een langere periode dan een dag, onderscheidenlijk een week of een maand omvat, gelden deze tarieven per dag, onderscheidenlijk week of maand van het belastingtijdvak.

  • 8. Indien in de tarieventabel voor een voorwerp een jaartarief is opgenomen en het belastingtijdvak een kortere periode betreft dan wordt per periode van een maand of een gedeelte daarvan 1/12 deel van het jaartarief in rekening gebracht.

Artikel 7 Belastingtijdvak

  • 1. In de gevallen waarin de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeente-grond, is het belastingtijdvak de periode waarvoor de vergunning is verleend, met dien verstande dat bij een kalenderjaaroverschrijdende geldigheidsduur van de vergunning het belastingtijdvak gelijk is aan het kalenderjaar.

  • 2. In andere dan de in het eerste lid bedoelde gevallen, is het belastingtijdvak de in het kalenderjaar gelegen aaneengesloten periode gedurende welke het belastbaar feit zich voordoet of heeft voorgedaan.

Artikel 8 Wijze van heffing

  • 1. De precariobelasting wordt bij wege van aanslag geheven.

  • 2. In afwijking van het eerste lid wordt de voor een dag verschuldigde precariobelasting geheven door middel van een mondelinge kennisgeving, dan wel gedagtekende schriftelijke kennisgeving waarop het gevorderde bedrag is vermeld. Het gevorderde bedrag wordt mondeling, dan wel door toezending of uitreiking van de schriftelijke kennisgeving aan de belastingschuldige bekendgemaakt.

Artikel 9 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang

  • 1. In de gevallen bedoeld in artikel 7, eerste lid, is de precariobelasting verschuldigd bij de aanvang van het belastingtijdvak of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.

  • 2. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak aanvangt is de naar jaartarieven geheven precariobelasting verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelte van de voor dat tijdvak verschuldigde belasting als er in dat tijdvak, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

  • 3. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor de naar jaartarieven geheven precariobelasting voor zoveel twaalfde gedeelte van de voor dat tijdvak verschuldigde precariobelasting als er in dat tijdvak, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven, tenzij blijkt dat het bedrag van de ontheffing minder bedraagt dan € 50,-.

Artikel 10 Termijnen van betaling

  • 1. De aanslag moet worden betaald binnen dertig dagen na de dagtekening van het aanslagbiljet.

  • 2. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet de precariobelasting worden betaald ingeval de kennisgeving bedoeld in artikel 8, tweede lid:

    • a.

      mondeling wordt gedaan, op het moment van het doen van de kennisgeving;

    • b.

      schriftelijk wordt gedaan, op het moment van het uitreiken van de kennisgeving, dan wel in geval van toezending ervan, binnen dertig dagen na de dagtekening van de kennisgeving.

  • 3. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

Artikel 11 Kwijtschelding

Bij de invordering van de precariobelasting wordt geen kwijtschelding verleend.

Artikel 12 Overgangsrecht

De Verordening precariobelasting 2020 van 19 december 2019 wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 13, tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

Artikel 13 Inwerkingtreding

  • 1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na die van de bekendmaking.

  • 2. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2021.

Artikel 14 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als Verordening precariobelasting 2021.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering

van 17 december 2020,

griffier

voorzitter

Bijlage 1 Tarieventabel, behorende bij de Verordening precariobelasting 2021

 

Algemeen

 
 
 
 
 
 

De bedragen genoemd in deze tabel zijn inclusief omzetbelasting indien

 
 
 

deze verschuldigd is.

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

1.0

Het tarief van een standplaats bedraagt voor het gebruik

 
 
 
 
 

van onderstaande locaties

 
 
 
 
 
 
 
 

dagtarief

 

jaartarief

 
 
 
 
 
 

per dag

 

Locatie

 
 
 
 

in de week

1.1

Binnenstad

 

34,55

1.729,70

1.2

De Bongerd 1 en 2

23,20

1.160,65

1.3

Dichteren

 

15,30

765,25

1.4

De Huet (Slotlaan)

12,10

605,50

1.5

Surinameplein

10,95

552,25

1.6

Oosseld

 

13,00

655,95

1.7

Overstegen 1 en 2

14,25

717,60

1.8

Ganderije

 

10,45

529,80

1.9

Nieuw Wehl

 

7,45

403,15

1.10

de Veentjes

 

9,10

454,15

1.11

Wehl

 

7,45

403,15

1.12

Locaties grenzend aan de binnenstad

34,55

1.729,70

1.13

Overige locaties

12,05

602,70

 
 
 
 
 
 
 

2.1

De tarieven genoemd onder 1.1 tot en met 1.13 worden

 
 
 
 
 

bij gebruik van elektra verhoogd met

4,05

197,35

2.2

Het tarief bedraagt voor het gebruik van elektra middels

 
 
 
 
 

de stroomkast op het Simonsplein per dag:

34,10

 
 
 
 
 
 
 
 
 

3.0

Het tarief bedraagt voor het hebben van voorwerpen

 
 
 
 
 

onder, op of boven een terras, voor

 
 
 
 

3.1

een terras in de gebieden met horecaconcentratie

 

per m²

29,70

3.2

een terras in het overige deel van het voetgangersgebied

 

per m²

23,35

3.3

overige gebieden binnen de bebouwde kom en overige

 
 
 
 
 

terassen

 
 

per m²

17,90

 
 
 
 
 
 
 

4.0

Het tarief bedraagt voor het beschikbaar stellen van

 
 
 
 
 

betaald parkeren parkeerplaatsen, anders dan voor

 
 
 
 
 

het parkeren van een voertuig;

 
 
 
 
 

voor het gebruik van:

 
 
 
 

4.1

parkeerplaatsen centrum

 

per dag

9,60

 

(zie Verordening parkeerbelastingen)

 

per week

48,00

 
 
 
 

per maand

192,00

4.2

parkeerplaatsen ring 1

 

per dag

7,20

 

(zie Verordening parkeerbelastingen)

 

per week

36,00

 
 
 
 

per maand

144,00

4.3

parkeerplaatsen ring 2

 

per dag

6,00

 

(zie Verordening parkeerbelastingen)

 

per week

30,00

 
 
 
 

per maand

120,00

4.4

parkeerplaatsen ring 3

 

per dag

4,80

 

(zie Verordening parkeerbelastingen)

 

per week

24,00

 
 
 
 

per maand

96,00

4.5

parkeerplaatsen overig

 

per dag

2,40

 

(zie Verordening parkeerbelastingen)

 

per week

12,00

 
 
 
 

per maand

48,00

Behoort bij besluit van de raad van 17 december 2020

Mij bekend,

de griffier