Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Leiden houdende regels omtrent de heffing en invordering van parkeerbelastingen (Verordening parkeerbelastingen gemeente Leiden 2021)

Geldend van 24-12-2020 t/m heden

Intitulé

Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Leiden houdende regels omtrent de heffing en invordering van parkeerbelastingen (Verordening parkeerbelastingen gemeente Leiden 2021)

De raad van de gemeente Leiden:

Gezien het voorstel van burgemeester en wethouders (Raadsvoorstel 20.0137 van 2020), mede gezien het advies van de commissie,

BESLUIT

  • 2.

    vast te stellen de navolgende

    Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen gemeente Leiden 2021

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

  • a)

    parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden:

  • b)

    houder: degene die naar de omstandigheden als houder van een voertuig moet worden beschouwd, met dien verstande dat voor een voertuig dat is ingeschreven in het - krachtens de Wegenverkeerswet 1994 - aangehouden register van opgegeven kentekens als houder wordt aangemerkt degene op wiens naam het voor het motorvoertuig of brommobiel opgegeven kenteken ten tijde van het parkeren in het register was ingeschreven;

  • c)

    parkeerapparatuur: parkeermeters en individuele, in het voertuig aanwezige parkeerapparatuur inclusief mobiele telefoons, waarmee ter zake van het parkeren van een voertuig de parkeerbelasting kan worden voldaan.

Artikel 2 Belastbaar feit

Onder de naam "parkeerbelastingen" worden de volgende belastingen geheven:

  • a.

    een belasting ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij, dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door het College van Burgemeester en Wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze;

  • b.

    een belasting ter zake van een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren van een voertuig op de in die vergunning aangegeven plaats en wijze.

Artikel 3 Belastingplicht

  • 1. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a., wordt geheven van degene die het voertuig heeft geparkeerd.

  • 2. Als degene die het voertuig heeft geparkeerd wordt mede aangemerkt:

    • a.

      degene die de belasting voldoet, dan wel te kennen geeft of heeft gegeven de belasting te willen voldoen;

    • b.

      zolang geen voldoening van de belasting genoemd in artikel 2, onderdeel a, heeft plaatsgevonden: de houder van het voertuig, met dien verstande dat

  • 3. indien een voor ten hoogste drie maanden aangegane huurovereenkomst wordt overgelegd waaruit blijkt wie ten tijde van het parkeren ingevolge deze overeenkomst de huurder van het voertuig was, niet de houder maar de huurder wordt aangemerkt als degene die het voertuig heeft geparkeerd;

  • 4. indien blijkt dat een ander in het kentekenregister had moeten staan ingeschreven, wordt die ander aangemerkt als degene die het voertuig heeft geparkeerd.

  • 5. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt niet geheven van degene die op grond van het tweede lid, onderdeel b, als degene die het voertuig heeft geparkeerd wordt aangemerkt, indien deze aannemelijk maakt dat ten tijde van het parkeren een ander tegen zijn wil van het voertuig heeft gebruik gemaakt en dat hij dit gebruik redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen.

  • 6. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt geheven van degene die de vergunning heeft aangevraagd.

  • 7. De belastingen genoemd in artikel 2, onderdeel a, zijn niet verschuldigd indien het voertuig is voorzien van een geldige gehandicaptenparkeerkaart, mits het voertuig geparkeerd is op een algemene gehandicaptenparkeerplaats en mits de gehandicaptenparkeerkaart zodanig in of aan het motorvoertuig is geplaatst, dat deze met het oog op toezicht en controle van buitenaf goed zicht- en leesbaar is.

  • 8. De belastingen genoemd in artikel 2, onderdeel a, zijn niet verschuldigd indien het kenteken van het voertuig door een houder van een geldige gehandicaptenparkeerkaart, uitgegeven door de gemeente Leiden, van tevoren op voorgeschreven wijze is aangemeld bij de gemeente (gehandicaptenvergunning).

Artikel 4 Maatstaf van heffing, belastingtarief en belastingtijdvak

De maatstaf van heffing, het belastingtarief en het belastingtijdvak zijn vermeld in de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende tarieventabel.

Artikel 5 Ontstaan van de belastingschuld

  • 1. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a., is verschuldigd bij de aanvang van het parkeren.

  • 2. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b., is verschuldigd op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend.

Artikel 6 Wijze van heffing, termijnen van betaling en restitutie

  • 1. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven door voldoening op aangifte. Als voldoening op aangifte wordt aangemerkt:

    • a.

      het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van de door het college gestelde voorschriften.

    • b.

      het bij aanvang van het parkeren inbellen of aanmelden op een centrale computer op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van de door het college gestelde voorschriften.

  • 2. De belasting als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte en moeten worden betaald op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend dan wel vóór het in de vergunning aangegeven tijdstip.

  • 3. De belasting als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt bij aanvang van de belastingplicht berekend vanaf de 1e dag van de maand van verlening van de vergunning.

  • 4. Indien de belastingplicht bedoeld in artikel 2, onderdeel b, uitgezonderd de bezoekersparkeervergunning, in de loop van de vergunningperiode eindigt, bestaat het recht op restitutie over zoveel volle kalendermaanden als er in die periode na het tijdstip van de belastingplicht nog resteren.

  • 5. Een naheffingsaanslag moet terstond worden betaald.

Artikel 7 Bevoegdheid tot aanwijzing parkeerplaatsen

De aanwijzing van de plaats waar, het tijdstip en de wijze waarop tegen betaling van de belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, mag worden geparkeerd geschiedt in alle gevallen door het college van burgemeester en wethouders bij openbaar te maken besluit.

Artikel 8 Kosten

  • 1. De kosten van de naheffingsaanslag ter zake van de belasting bedoeld in artikel 2 zijn vermeld in de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende tarieven- en kostentabel.

Artikel 9 Kwijtschelding

Bij de invordering van deze belasting wordt geen kwijtschelding verleend.

Artikel 10 Nadere regels door het College van Burgemeester en Wethouders

Het College van Burgemeester en Wethouders kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en invordering van de parkeerbelastingen.

Artikel 11 Intrekken oude verordening

De "Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2020",van 3 december 2019, wordt ingetrokken met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich hebben voorgedaan vóór die datum van ingang van de heffing.

Artikel 12 Overgangsrecht

Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 11, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.

Artikel 13 Inwerkingtreding

  • 1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na bekendmaking.

  • 2. De ingangsdatum van heffing is 1 februari 2021.

Artikel 14 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening parkeerbelastingen gemeente Leiden 2021.

  • 3.

    Kennis te nemen van de aanpassingen van het K.31.2 besluit (voorschriften bij parkeervergunningen)

Ondertekening

Gedaan in de openbare raadsvergadering van 15 december 2020,

de Griffier,

dhr. G.F.C. Van Leiden

de Voorzitter,

drs. H.J.J. Lenferink

Bijlage 1: TARIEVEN- EN KOSTENTABEL, BEHORENDE BIJ DE VERORDENING PARKEERBELASTINGEN 2021

Onderdeel I. In deze tabel wordt verstaan onder:

  • a.

    parkeermeter: hetgeen daaronder in het spraakgebruik wordt verstaan, met inbegrip van verzamelparkeermeters en parkeerautomaten;

  • b.

    dag: periode van 24 uur;

  • c.

    week: periode van 7 dagen;

  • d.

    maand: periode van 30 dagen;

  • e.

    kwartaal: een kalenderkwartaal;

  • f.

    jaar: een kalenderjaar;

Onderdeel II. Tarief van de belasting als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van de verordening.

  • 1.

    Het tarief voor het parkeren bij een parkeermeter bedraagt:

    • Parkeerzone A, tariefzone I, zoals aangegeven op de bij het geldende aanwijzingsbesluit K.31.1 behorende kaart en gedurende de in dat besluit vermelde tijd:

    • per 60 minuten € 3,20, minimaal belastingbedrag € 0,20;

    • Parkeerzone B1, tariefzone II, zoals aangegeven op de bij het geldende aanwijzingsbesluit K.31.1 behorende kaart en gedurende de in dat besluit vermelde tijd: per 60 minuten € 2,50, minimaal belastingbedrag € 0,20

    • Parkeerzone B2, tarief II zoals aangegeven op de bij het geldende aanwijzingsbesluit K.31.1 behorende kaart en gedurende de in dat besluit vermelde tijd:

      • -

        1e en 2e uur; per 60 minuten € 0,10, minimaal belastingbedrag € 0,10;

      • -

        3e uur en langer; per 60 minuten € 2,50;

    • voor alle tariefzones per dag € 20,00;

    • voor alle tariefzones per week € 90,00;

    • voor alle tariefzones per maand € 280,00;

    • voor alle tariefzones per jaar € 2.800,00;

  • 2.

    Het tarief voor het parkeren op een vergunninghoudersplaats, anders dan krachtens een parkeervergunning, inclusief bezoekersparkeervergunning, bedraagt:

    • voor alle tariefzones per dag € 20,00;

    • voor alle tariefzones per week € 90,00;

    • voor alle tariefzones per maand € 280,00;

    • voor alle tariefzones per jaar € 2.800,00;

Onderdeel III. Tarief van de belasting als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van de verordening.

Het tarief voor een parkeervergunning, voor het parkeren op bepaalde wegen of gedeelten van wegen en/of bepaalde tijden, bedraagt per aangegeven tijdseenheid bij een:

Vergunning

tijdseenheid

zone A

zone B

1e bewonersparkeervergunning

kwartaal

€ 47,15

1e bewonersparkeervergunning

Jaar

€ 53,50

2e bewonersparkeervergunning

kwartaal

€ 141,42

2e bewonersparkeervergunning

Jaar

€ 188,50

3e bewonersparkeervergunning

Jaar

€ 377,20

Bedrijfsparkeervergunning

kwartaal

€ 117,30

Bedrijfsparkeervergunning

Jaar

€ 364,55

Zorgparkeervergunning

kwartaal

€ 94,30

€ 94,30

Jaar

€ 376,05

€ 376,05

Klussenbusparkeervergunning

Kwartaal

€ 94,30

€ 94,30

Jaar

€ 376,05

€ 376,05

Verenigingsparkeervergunning

Jaar

€ 187,55

€ 53,45

Deelautoparkeervergunning

Jaar

€ 187,55

€ 53,45

Bezoekersparkeervergunning

+ 20 uur parkeertijd

1ste aanschaf

€ 14,70

€ 6,30

Opwaarderen bezoekersvergunning

Per uur

€ 0,73

€ 0,32

Mantelzorgparkeervergunning

Jaar

€ 45,00

€ 45,00

Autodateparkeervergunning

Kwartaal

€ 47,10

€ 47,10

Werknemersparkeervergunning

Kwartaal

€ 108,95

Werknemersparkeervergunning

Jaar

€ 435,80

€ 149,80

Werknemersparkeervergunning Z

Jaar

€ 435,80

€ 149,80

Functionele parkeervergunning

Jaar

€ 364,55

€ 364,55

Onderdeel IV. Kosten van de naheffingsaanslag als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van de verordening.

De kosten van de naheffingsaanslag wordt, met inachtneming van het “Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen” vastgesteld op € 65,30

Bijlage 2: Kaart

foto

Kaart behorende bij Aanwijzing terreinen, weggedeelten en tijdstippen voor betaald parkeren als bedoeld in de geldende parkeerverordening en de geldende verordening parkeerbelastingen (parkeerrestrictiegebied) K.31.1