Gemeente Rhenen - Verordening op de heffing en de invordering van precariobelasting 2021

Geldend van 24-12-2020 t/m 31-12-2021

Intitulé

Gemeente Rhenen - Verordening op de heffing en de invordering van precariobelasting 2021

De raad van de gemeente Rhenen,

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 10 november 2020

gelet op artikel 228 van de Gemeentewet

besluit:

vast te stellen de volgende verordening:

Verordening op de heffing en de invordering van precariobelasting 2021

Artikel 1 Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • dag: een periode van 24 uren, aanvangende te 00.00 uur, of een gedeelte daarvan;

  • week: een periode van zeven achtereenvolgende dagen;

  • maand: een kalendermaand;

  • jaar: een kalenderjaar;

  • vergunning: een door het gemeentebestuur verleende en in een gemeentelijke registratie opgenomen toestemming op grond waarvan een persoon een of meer voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond mag hebben;

  • niet-commerciële activiteit: een voor iedereen toegankelijk gebeuren, georganiseerd zonder winstoogmerk.

Artikel 2 Belastbaar feit

  • 1.

    Onder de naam 'precariobelasting' wordt een directe belasting geheven ter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, bedoeld of genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel.

  • 2.

    Ter zake van het hebben van buizen, kabels, draden of leidingen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond is niet de onderhavige verordening maar de Verordening op de heffing en invordering van precariobelasting ter zake van buizen, kabels, draden of leidingen 2021 van toepassing.

Artikel 3 Belastingplicht

  • 1.

    De precariobelasting wordt geheven van degene die het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft, dan wel van degene ten behoeve van wie dat voorwerp of die voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond aanwezig is.

  • 2.

    In afwijking in zoverre van het eerste lid wordt, indien de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, degene aan wie de vergunning is verleend of diens rechtsopvolger aangemerkt als degene bedoeld in het eerste lid, tenzij blijkt dat hij niet het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft.

Artikel 4 Vrijstellingen

De precariobelasting wordt niet geheven ter zake van het hebben van:

  • a.

    voorwerpen, indien de gemeente ter zake van het gebruik van de voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond waarop het voorwerp of de voorwerpen zich bevinden een recht heft op grond van artikel 229, eerste lid, onderdeel a, van de Gemeentewet;

  • b.

    voorwerpen, waarvan de gemeente genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is, met uitzondering van voorwerpen die in gebruik zijn bij een derde;

  • c.

    ten behoeve van de publiek aangebrachte brievenbussen, postzegelautomaten, telefooncellen en niet tot reclame dienende aanwijzingen;

  • d.

    wegwijzers en verkeersaanwijzingen van de Nationale Bewegwijzeringsdienst;

  • e.

    voorzieningen, aangebracht voor mindervaliden, tot het toegankelijk maken van een eigendom;

  • f.

    buizen in de grond, tot aansluiting op het openbaar hemelwaterstelsel, het openbaar ontwateringsstelsel of het openbaar vuilwaterriool;

  • g.

    voorwerpen, uitsluitend gebezigd voor niet-commerciële doeleinden;

  • h.

    halteborden, abri's, rijwielstallingen e.d. voor openbare vervoersdiensten.

Artikel 5 Maatstaf van heffing en belastingtarief

De precariobelasting wordt geheven naar de maatstaven en de tarieven opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel, met inachtneming van het overigens in deze verordening bepaalde.

Artikel 6 Berekening van de precariobelasting

  • 1.

    Voor de berekening van de precariobelasting wordt met betrekking tot een in de tarieventabel genoemde lengte- of oppervlaktemaat een gedeelte daarvan als een volle eenheid aangemerkt.

  • 2.

    Indien een tarief per oppervlakte is vastgesteld, wordt de precariobelasting berekend naar de oppervlakte van de horizontale projectie van de voorwerpen, tenzij anders is bepaald.

  • 3.

    De oppervlakte van andere dan rechthoekige voorwerpen wordt gesteld op het product van de twee aangrenzende zijden van een om het voorwerp geplaatste denkbeeldige rechthoek.

  • 4.

    Indien de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, wordt voor de berekening van de precariobelasting aangesloten bij de geldigheidsduur van die vergunning, tenzij blijkt dat het belastbaar feit zich gedurende een kortere periode heeft voorgedaan. In dat geval bestaat aanspraak op ontheffing, waarbij het vijfde lid van toepassing is.

  • 5.

    Indien in de tarieventabel voor een voorwerp tarieven voor verschillende tijdseenheden zijn opgenomen, wordt de precariobelasting berekend op de voor de belastingplichtige meest voordelige wijze.

  • 6.

    In afwijking van het bepaalde in artikel 1 wordt voor de berekening van de precariobelasting:

    • a.

      indien in de tarieventabel voor een voorwerp wel een weektarief, maar geen dagtarief is opgenomen, een gedeelte van een week gelijkgesteld met een week;

    • b.

      indien in de tarieventabel voor een voorwerp wel een maandtarief, maar geen dag- of weektarief is opgenomen, een gedeelte van een maand gelijkgesteld met een maand.

  • 7.

    Indien in de tarieventabel voor een voorwerp een dagtarief, weektarief of maandtarief is opgenomen en het belastingtijdvak een langere periode als een dag, onderscheidenlijk een week of een maand omvat, gelden deze tarieven per dag, onderscheidenlijk week of maand van het belastingtijdvak.

Artikel 7 Belastingtijdvak

  • 1.

    In de gevallen waarin de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, is het belastingtijdvak de periode waarvoor de vergunning is verleend, met dien verstande dat bij een kalenderjaaroverschrijdende geldigheidsduur van de vergunning het belastingtijdvak gelijk is aan het kalenderjaar.

  • 2.

    In andere dan de in het eerste lid bedoelde gevallen, is het belastingtijdvak de in het kalenderjaar gelegen aaneengesloten periode gedurende welke het belastbare feit zich voordoet of heeft voorgedaan.

Artikel 8 Wijze van heffing

  • 1.

    De precariobelasting wordt bij wege van aanslag geheven.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid wordt de voor een dag verschuldigde precariobelasting geheven door middel van een mondelinge kennisgeving, dan wel gedagtekende schriftelijke kennisgeving waarop het gevorderde bedrag is vermeld. Het gevorderde bedrag wordt mondeling, dan wel door toezending of uitreiking van de schriftelijke kennisgeving aan de belastingschuldige bekendgemaakt.

Artikel 9 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang

  • 1.

    In de gevallen bedoeld in artikel 7, eerste lid, is de precariobelasting verschuldigd bij de aanvang van het belastingtijdvak of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.

  • 2.

    Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak aanvangt is de naar jaartarieven gelieven precariobelasting verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat tijdvak verschuldigde belasting als er in dat tijdvak, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

  • 3.

    Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor de naar jaartarieven geheven precariobelasting voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat tijdvak verschuldigde precariobelasting als er in dat tijdvak, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

  • 4.

    Belastingbedragen van minder dan € 10,00 worden niet geheven.

  • 5.

    Voor de toepassing van het bepaalde in het vierde lid wordt het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen precariobelasting aangemerkt als één belastingbedrag.

Artikel 10 Termijnen van betaling

  • 1.

    De aanslag moet worden betaald in één termijn, welke vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet.

  • 2.

    In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet de precariobelasting worden betaald ingeval de kennisgeving bedoeld in artikel 8, tweede lid:

    • a.

      mondeling wordt gedaan, op het moment van het doen van de kennisgeving;

    • b.

      schriftelijk wordt gedaan, op het moment van het uitreiken van de kennisgeving, dan wel ingeval van toezending ervan, binnen 30 dagen na dagtekening van de kennisgeving.

  • 3.

    De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste en tweede lid gestelde termijnen.

Artikel 11 Kwijtschelding

Bij de invordering van precariobelasting wordt geen kwijtschelding verleend.

Artikel 12 Overgangsrecht

De ‘Verordening precariobelasting 2020’ van 10 december 2019 wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 13, tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

Artikel 13 Inwerkingtreding

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking.

  • 2.

    De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2021.

Artikel 14 Citeertitel

Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Verordening precariobelasting 2021’.

De raadsgriffier,

de voorzitter,

Ir. C.A.M. Apell

drs. J.A. van der Pas

TARIEVENTABEL BEHORENDE BIJ DE VERORDENING PRECARIOBELASTING 2021

Nr.

Omschrijving

Eenheid

Tarief

1.

Kiosk, kraamtafel, auto, verkoopwagen e.d., per standplaats, anders dan bedoeld in de verordening marktgelden;

1.1

voor een vaste( jaar-) standplaatsvergunning, voor het aanbieden van handelswaar, per jaar;

 
 

900,00

2 dagen per week

1.740,00

3 dagen per week

2.520,00

4 dagen per week

3.240,00

5 dagen per week

3.895,00

6 dagen per week

4.495,00

1.2

voor een tijdelijke standplaatsvergunning, voor het aanbieden van handelswaar;

 
 

18,00

voor 2 dagen

34,00

voor 3 dagen

49,00

voor 4 dagen

63,00

voor 5 dagen

75,00

voor 6 dagen

87,00

voor 1 maand

350,00

voor 2 maanden

635,00

voor 3 maanden

865,00

1.3

voor een tijdelijke standplaatsvergunning, voor het aanbieden van informatie, promotiemateriaal e.d.;

 
 

6,95

voor 2 dagen

13,00

voor 3 dagen

18,00

voor 4 dagen

21,00

voor 5 dagen

24,00

voor 6 dagen

25,00

voor 1 maand

87,00

voor 2 maanden

145,00

voor 3 maanden

175,00

2.

Terras, zoals omschreven in artikel 2.27 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV);

 
 

37,00

per m² per maand

3,05

3.

Uitstallen van goederen ten behoeve van de verkoop bij een winkel e.d.;

 
 

44,00

per m² per maand

4,45

per m² per week

2,25

4

Bouwmaterialen, bouwsteiger, bouwschutting, loods of ander tijdelijk getimmerde, grond, puin, afbraak of afval, al dan niet bij de uitvoering van enige (bouw)werk;

per m² per jaar

28,00

per m² per maand

2,75

per m² per week

0,55

5.

Stut, schoor of paal;

per m² per stuk

21,00

6.

Voor het hebben van voorwerpen onder, op of boven de openbare gemeentegrond, voor zover daarvoor niet elders in deze tabel een tarief is opgenomen;

per m² per jaar

23,00

per m² per maand

2,25

per m² per week

1,20

Bij de berekening van de hiervoor genoemde tarieven geldt dat een periode anders dan een jaar, maand, week of dag, wordt berekend op de voor belanghebbende meest gunstige wijze.

Behoort bij raadsbesluit van 15 december 2020

De raadsgriffier,

de voorzitter,

Ir. C.A.M. Apell

drs. J.A. van der Pas

Ondertekening

Vastgesteld in de openbare vergadering van 15 december 2020