Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hattem houdende regels omtrent de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015

Geldend van 01-01-2021 t/m heden

Intitulé

Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hattem houdende regels omtrent de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015

Begrippenlijst

ADL: Algemeen Dagelijkse Levensverrichtingen

CAK: Centraal Administratie Kantoor

Inwoner: Hier gebruikt als synoniem voor ‘ingezetene’ volgens artikel 1.1. van de Wet basisregistratie personen: ‘Een ingezetene is een natuurlijk persoon die zijn adres heeft in een gemeente in Nederland en op wiens persoonslijst niet het gegeven van zijn overlijden of van vertrek uit Nederland als actueel is opgenomen.’

Pgb: Persoonsgebonden budget

SVB: Sociale Verzekeringsbank

Uitvoeringsbesluit Wmo 2015: Landelijk vastgestelde regeling ter uitvoering van de Wmo 2015

Wlz: Wet langdurige zorg

Wmo 2015: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015

Hoofdstuk 1 Inleiding

Sinds de komst van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 heeft de gemeentelijke overheid een andere rol: van zorgen vóór naar zorgen dat, ondersteunend en faciliterend. De overheid stelt haar inwoners in staat zo veel mogelijk de regie op het eigen leven te hebben en te behouden.

Samen met de inwoner

Meer verantwoordelijkheid voor de inwoner en meer regie betekent ook dat de gemeente zich niet langer boven de inwoner stelt, maar juist naast de inwoner gaat staan. Het is nadrukkelijk de intentie van het college van burgemeester en wethouders (hierna: college) om vanuit het Gesprek in goed overleg met de inwoner te zoeken naar oplossingen bij problemen die inwoners ervaren als het gaat om zelfredzaamheid en participatie.

Wettelijke grondslag

De Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo) geeft de gemeente in artikel 2.1.3 de opdracht om in een verordening maatschappelijke ondersteuning keuzes en werkwijzen vast te leggen. De beleidsregels Wmo zijn een nadere uitwerking van de keuzes zoals deze in de verordening gemaakt worden.

Maatschappelijke ondersteuning

De Wmo 2015 wijkt af van de oude Wmo doordat er sprake is van een andere vorm van compenseren. In tegenstelling tot de oude Wmo is in de Wmo 2015 bepaald dat een verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie die de inwoner ondervindt, plaatsvindt voor zover de inwoner deze beperkingen naar het oordeel van het college

  • niet op eigen kracht;

  • niet met gebruikelijke hulp;

  • niet met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk;

  • niet met gebruikmaking van algemene voorzieningen;

kan verminderen of wegnemen.

De Wmo 2015 draagt gemeenten op zorg te dragen voor het totale terrein van maatschappelijke ondersteuning. Onder maatschappelijke ondersteuning verstaat de Wmo 2015 in artikel 1.1.1, lid 1: Het bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsmede voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld;

Het ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving; Het bieden van beschermd wonen en opvang.

Deze beleidsregels richten zich niet op de aspecten uit het eerste lid, maar beperken zich tot het tweede en derde lid.

De onder het eerste lid genoemde aspecten van maatschappelijke ondersteuning worden niet op persoonlijk niveau beschikt. Voor deze aspecten draagt de gemeente in algemene zin zorg, in veel gevallen binnen reeds bestaande subsidierelaties (bijvoorbeeld subsidiëring van Stichting Welzijn Hattem of bij de vorming van het meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling Veilig Thuis).

De gemeente realiseert zich dat het enerzijds bevorderen van mantelzorg (Wmo 2015 artikel 1.1.1. lid 1) en het gegeven dat mantelzorgers dikwijls overbelast raken, conflicterend met elkaar kunnen zijn. Mantelzorgers zijn van grote waarde in onze maatschappij en we willen hen op een goede manier ondersteunen in hun mogelijkheden om voor kortere of langere duur mantelzorg goed in hun leven in te passen. In 2016 heeft de gemeente de nota Mantelzorgondersteuning vastgesteld. De acties uit de nota worden in overleg met Stichting Welzijn Hattem in praktijk gebracht waarbij ook gekeken wordt of de bestaande voorzieningen voor mantelzorgers kunnen worden verbeterd.

De Kanteling wettelijk verankerd

Sinds de Kanteling van de Wmo 2007 wordt de eigen verantwoordelijkheid van inwoners steeds meer aangesproken. Met de komst van de Wmo 2015 is de Kanteling in de wet verankerd.

Eigen kracht

Iedere inwoner is primair zelf verantwoordelijk voor zijn eigen leven en daarmee zijn eigen zelfredzaamheid en participatie. De inwoner wordt gestimuleerd om zelf de regie te voeren en eigen mogelijkheden te benutten. Hierbij wordt van de inwoner gevraagd dat hij gebruik maakt van de mogelijkheden in zijn omgeving. Hieronder valt ook het beroep op familie of mensen uit zijn sociaal netwerk. Eigen kracht betekent ook dat de inwoner bereid is dingen uit te proberen en stappen te zetten die niet direct zijn eerste voorkeur hebben. Wat de eigen kracht inhoudt is voor elke situatie anders en vraagt een individuele afweging, afhankelijk van de persoonlijke situatie.

Sociaal netwerk

Op grond van de Wmo 2015 wordt van inwoners verwacht dat zij elkaar bijstaan zoveel als zij kunnen. Hulp uit het sociale netwerk kan iemand niet afdwingen, maar hij kan wel onderzoeken welke mogelijkheden er zijn. Lukt het niet op eigen kracht of met hulp uit het sociale netwerk voldoende zelfredzaam te worden of voldoende te participeren, dan moet een inwoner een beroep kunnen doen op door de overheid georganiseerde ondersteuning. Deze ondersteuning moet erop gericht zijn dat hij/zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.

Gebruikelijke voorzieningen

Gebruikelijke voorzieningen zijn producten of diensten die de inwoner kunnen helpen bij de zelfredzaamheid en participatie en die algemeen verkrijgbaar of toegankelijk zijn. Waar deze voorzieningen voldoende zijn, is geen aanvullende ondersteuning vanuit de Wmo noodzakelijk.

Algemene voorzieningen

Een algemene voorziening is een aanbod van diensten en activiteiten dat zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers toegankelijk is en dat gericht is op maatschappelijke participatie (artikel 1.1.1. Wmo 2015). Algemene voorzieningen worden gefaciliteerd door de gemeente. Het kan hierbij ook gaan om voorzieningen die door vrijwilligersorganisaties worden aangeboden, mits deze gefaciliteerd zijn door de gemeente. Belangrijk is dat de algemene voorzieningen bekend en beschikbaar zijn, zowel bij inwoners, vrijwilligers als bij professionals, en dat zij gericht zijn op maatschappelijke participatie. De sociale kaart biedt hierbij ondersteuning. In de afweging of een algemene voorziening afdoende is (en dus geen maatwerkvoorziening noodzakelijk is), is doorslaggevend of de ondersteuningsvraag adequaat wordt opgelost.

Bij iedere ondersteuningsvraag zal samen met de inwoner gekeken worden naar mogelijke oplossingen. Hierbij wordt een vaste volgorde aangehouden, waarbij gestart wordt bij de eigen kracht en uiteindelijk uitgekomen wordt bij een maatwerkvoorziening, als er geen andere mogelijkheden zijn.

Ondersteuning volgens de Wmo 2015

Iedereen die behoort tot de doelgroep van de Wmo kan een beroep doen op deze wet. De wet spreekt over personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen, die behoefte hebben aan ondersteuning bij zelfredzaamheid en participatie.

Ondersteuning bij zelfredzaamheid en participatie (artikel 1.1.1. lid 1 Wmo )

Onder zelfredzaamheid verstaat de wet: in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden. Onder participatie verstaat de wet: deelname aan het maatschappelijke verkeer.

Ondersteuning in de vorm van beschermd wonen en opvang

Beschermd wonen is er voor mensen die problemen hebben met hun zelfredzaamheid en participatie en die niet in staat zijn op eigen kracht te wonen in de samenleving. Deze mensen wonen in een instelling met toezicht en begeleiding. Toezicht en begeleiding zijn gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, maar vaak ook op het voorkomen van verwaarlozing, maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de persoon zelf of diens omgeving. Psychisch en psychosociaal functioneren of het stabiliseren van een psychiatrisch ziektebeeld spelen bij deze mensen vaak een rol.

Opvang houdt in het bieden van onderdak en begeleiding voor mensen die de thuissituatie hebben verlaten. Dit kan te maken hebben met risico’s voor hun eigen veiligheid als gevolg van huiselijk geweld. Opvang is er voor die mensen die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Het gaat om maatschappelijke opvang voor dak- en thuislozen, maar ook om vrouwenopvang en andere opvangvormen in verband met huiselijk geweld. Gedacht moet worden aan volwassenen en kinderen die slachtoffer zijn van huiselijk geweld, eer-gerelateerd geweld, loverboys, jeugdprostitutie of mensenhandel.

Regiogemeente én centrumgemeente

Ook bij beschermd wonen en opvang geldt dat eerst door de regiogemeente, dat wil zeggen Hattem zelf, gekeken wordt naar: eigen kracht, sociaal netwerk, gebruikelijke voorzieningen en algemene voorzieningen. Is beschermd wonen of opvang dan nog noodzakelijk, dan wordt dit verstrekt op grond van de Wmo. Het is dan altijd een maatwerkvoorziening. Opvang en beschermd wonen worden met ingang van 2019 regionaal verstrekt vanuit de centrumgemeente Apeldoorn.

Resultaten

De wet spreekt over zelfredzaamheid en participatie. Hattem vertaalt zelfredzaamheid en participatie in een aantal resultaten.

Ten behoeve van de inwoner:

  • het kunnen participeren/het kunnen deelnemen aan het maatschappelijke verkeer, waaronder het hebben van sociale contacten met de medemens(en);

  • het behouden en/of versterken van het sociale netwerk;

  • het kunnen verrichten van de algemeen dagelijkse levensverrichtingen (ADL);

  • het kunnen voeren van een gestructureerd huishouden;

  • waaronder een schoon en leefbaar huis;

  • het kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren;

  • het kunnen wonen in een geschikt huis;

  • het zich kunnen verplaatsen in en om de woning;

  • het zich kunnen verplaatsen per vervoermiddel in de directe leefomgeving.

Ten behoeve van de mantelzorger:

  • in staat zijn en blijven om mantelzorg te verrichten.

Beleidsvrijheid

Binnen de kaders van de Wmo 2015 hebben gemeenten beleidsvrijheid ten aanzien van de wijze waarop zij inwoners ondersteunen bij hun zelfredzaamheid en participatie. Om te bepalen wie in aanmerking komt voor ondersteuning zijn toegangscriteria van belang. Hiervoor geldt een algemeen afwegingskader (hoofdstuk 4) en worden per resultaat aanvullende criteria en richtlijnen beschreven.

Hiervoor is gekozen om de volgende redenen:

  • zichtbare richtlijnen verkleinen de kans op conflicten over besluiten;

  • zichtbare richtlijnen verkleinen het risico op verschillen in de uitvoering;

  • zichtbare richtlijnen geven de inwoner inzicht in wat hij in een bepaalde situatie mag verwachten;

  • het maakt voor de inwoner meer concreet welke beslissing hij in een bepaalde situatie mag verwachten;

  • het geeft mede inhoud aan het normenkader voor toetsing van doelmatigheid en rechtmatigheid.

Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk volgen nog drie algemene hoofdstukken:

Procedurele bepalingen (h.2);

Verstrekkingswijzen en bijdragen (h.3);

Afwegingskader en algemene bepalingen maatwerkvoorzieningen (h.4).

Na deze hoofdstukken volgen de (maatwerk)voorzieningenhoofdstukken. De regelgeving vanuit de algemene hoofdstukken is onverkort van toepassing op de voorzieningenhoofdstukken.

Er wordt onderscheid gemaakt tussen:

  • Begeleiding (h.5);

  • Huishoudelijke hulp (h.6);

  • Rolstoelen (h.7);

  • Woonvoorzieningen (h.8);

  • Vervoersvoorzieningen (h.9);

  • Beschermd wonen en opvang (h.10).

De voorzieningenhoofdstukken bevatten het specifieke beleid dat van toepassing is op deze maatwerkvoorziening. De afbakening ten opzichte van de algemene voorziening is tevens in deze hoofdstukken opgenomen.

Hoofdstuk 2 Procedurele bepalingen

De Wmo 2015 kent een aantal wettelijke bepalingen over de manier waarop het college de procedure van melding, aanvraag en besluit moet inrichten. In de Wmo-verordening zijn de wettelijke bepalingen opgenomen en vertaald naar de Hattemse situatie. In dit hoofdstuk wordt de procedure nog iets gedetailleerder beschreven. Op deze manier kan de inwoner zien wat hij van de gemeente kan verwachten als hij behoefte heeft aan ondersteuning. In dit hoofdstuk wordt gesproken over het loket zorg & welzijn en niet over het college. De medewerkers van het loket zorg & welzijn handelen onder verantwoordelijkheid en vanuit de mandaten van het college.

Eigen kracht

Uitgangspunt is dat de inwoner als hij behoefte heeft aan maatschappelijke ondersteuning eerst kijkt wat hij zelf of zijn omgeving kan doen. Zonder een melding kan de inwoner ondersteuning zoeken bij informele of formele hulpverlening. Als de inwoner dat wil, kan hij altijd informatie en advies krijgen bij het loket zorg & welzijn.

Melding

Als een inwoner behoefte heeft aan maatschappelijke ondersteuning kan hij contact opnemen met het loket zorg & welzijn. In het kader van de Wmo wordt dit de melding genoemd. De melding is conform de verordening vormvrij en kan schriftelijk, telefonisch, digitaal of in persoon gedaan worden. Het loket zorg & welzijn legt de melding vast.

De melding kan door de inwoner zelf gedaan worden, maar ook namens de inwoner door diens partner, een vertegenwoordiger of gemachtigde. Wanneer een signaal wordt afgegeven door een zorgverlener zal altijd contact opgenomen worden met de inwoner of een vertegenwoordiger van de inwoner.

Het is mogelijk dat een inwoner alleen informatie en advies vraagt bij het loket zorg & welzijn. Dit is geen melding in de zin van de Wmo. Van een melding is sprake als de inwoner aangeeft dat hij behoefte heeft aan ondersteuning in zijn zelfredzaamheid of participatie.

Uitnodiging voor het Gesprek, persoonlijk plan en cliëntondersteuning

In overleg met de inwoner wordt een datum gepland voor het Gesprek. In de regel vindt dit gesprek bij de inwoner thuis plaats. Gevraagd wordt aan de inwoner welke personen er naar zijn mening aanwezig zouden moeten zijn bij het gesprek. De medewerker van het loket zorg & welzijn vraagt specifiek naar mantelzorgers. De inwoner wordt gewezen op de mogelijkheid om een persoonlijk plan voor te bereiden. De afspraak wordt door het loket zorg & welzijn schriftelijk bevestigd. Dit is tevens de schriftelijke bevestiging van de melding.

Persoonlijk plan

Bij het plannen van het Gesprek wordt de inwoner uitgenodigd een persoonlijk plan voor te bereiden. Een format kan de inwoner ondersteunen bij het opstellen van zijn persoonlijk plan. In ieder geval wordt de inwoner in de brief nogmaals schriftelijk geïnformeerd over de mogelijkheid om een persoonlijk plan in te dienen en wordt verwezen naar de gemeentelijke website, waar het format voor het persoonlijk plan ook te vinden is.

In het persoonlijk plan geeft de inwoner zijn problemen aan bij de zelfredzaamheid en participatie. Hij geeft aan op welke manier hij denkt dat de problemen opgelost kunnen worden. De inwoner is niet verplicht een persoonlijk plan aan het college te overhandigen. Wel is hij/zij verplicht om gegevens te overleggen die naar zijn oordeel van belang zijn voor het loket zorg & welzijn om de ondersteuningsvraag te kunnen behandelen.

Het persoonlijk plan is wel een verplichting als een inwoner kiest voor een persoonsgebonden budget (pgb) (zie ook hoofdstuk 3 Nadere bepalingen pgb).

Cliëntondersteuning

In de schriftelijke bevestiging van de afspraak voor het Gesprek wordt de inwoner gewezen op de mogelijkheid van kosteloze onafhankelijke cliëntondersteuning.

Cliëntondersteuning is onafhankelijke ondersteuning die bestaat uit informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen Deze cliëntondersteuning bestrijkt een breder terrein dan de Wmo.

Naast onafhankelijke cliëntondersteuning, waarvoor de gemeente Hattem Stichting MEE heeft gesubsidieerd, mag de inwoner zich laten ondersteunen door iemand naar eigen keuze. Dit kan een mantelzorger zijn, partner of familielid, maar ook een vrijwillige cliëntondersteuner. De eigen voorkeur van de inwoner staat voorop.

Onderzoek en het Gesprek

Het onderzoek naar de ondersteuningsvraag moet zo snel mogelijk plaatsvinden. Het moet in ieder geval binnen zes weken uitgevoerd zijn. Het is mogelijk om de onderzoekstermijn in overleg met de inwoner te verlengen. Het onderzoek start met het Gesprek. Dat voert een medewerker van het loket zorg & welzijn met de inwoner. Waar mogelijk worden mantelzorgers, huisgenoten of andere belangrijke personen uit het sociale netwerk betrokken bij het Gesprek. Ook kan een (onafhankelijke) cliëntondersteuner bij het Gesprek aanwezig zijn. Tijdens het Gesprek brengt het loket zorg & welzijn de volledige situatie van de inwoner in beeld en gaat hij na waar de problemen rond participatie en zelfredzaamheid zich voordoen. Het loket zorg & welzijn kan hierbij gebruik maken van de zelfredzaamheidsmatrix. Aanvullend op het Gesprek doet het loket zorg & welzijn onderzoek naar de door de inwoner overhandigde gegevens. Wanneer dit aan de orde is overlegt het loket zorg & welzijn (uitsluitend met toestemming van de inwoner) met artsen of hulpverleners die van de persoonlijke situatie van de inwoner op de hoogte zijn.

Extern (medisch) advies

Soms is de situatie van een inwoner zo complex dat de medewerker van het loket zorg & welzijn extra advies nodig heeft om samen met de inwoner een goed ondersteuningsplan op te stellen. Wanneer dit aan de orde is zal de medewerker zich (medisch) laten adviseren door de door de gemeente gecontracteerde adviseur.

Verslag; het ondersteuningsplan

Het verslag wordt in vorm van een ondersteuningsplan opgesteld. Hierin worden de onderzoeksresultaten verwoord.

Het ondersteuningsplan bevat een aantal onderdelen:

  • de bevindingen van het onderzoek. Dit bestaat uit:

    • -

      een beknopte weergave van het Gesprek;

    • -

      de uitkomst van het aanvullend opgevraagde (medische) advies;

    • -

      andere zaken die tijdens het onderzoek aan de orde zijn gekomen.

  • de afspraken die gemaakt zijn samen met de inwoner over eigen kracht, ondersteuning vanuit het sociale netwerk en mantelzorg;

  • de adviezen aan de inwoner over het gebruik van gebruikelijke en algemene voorzieningen;

  • als dit aan de orde is: de aanvraag voor een maatwerkvoorziening.

De aanvraag voor een maatwerkvoorziening

Er is een aantal manieren om een aanvraag in te dienen voor een maatwerkvoorziening:

  • door het ondertekenen en opsturen van het ondersteuningsplan, waar de maatwerkvoorziening onderdeel van uitmaakt;

  • door het ondertekenen en opsturen van het ondersteuningsplan en op het ondersteuningsplan op te schrijven welke (andere) maatwerkvoorziening wordt aangevraagd. Dit kan dus een maatwerkvoorziening zijn die geen onderdeel uitmaakt van het ondersteuningsplan;

  • door het direct indienen van een aanvraag zonder Gesprek en onderzoek. Dit laatste kan alleen in overleg met het loket zorg & welzijn als de situatie van de inwoner al voldoende bekend is.

Een inwoner kan een aanvraag dus in de regel niet indienen voorafgaand aan het onderzoek. Dit kan alleen in overleg met het loket zorg & welzijn als de situatie van de inwoner al voldoende bekend is. Het loket zorg & welzijn heeft 6 weken de tijd voor het onderzoek. Als de inwoner na 6 weken, geen ondersteuningsplan heeft ontvangen, mag hij wel rechtstreeks een aanvraag voor een maatwerkvoorziening indienen.

Besluit

Als de aanvraag is binnengekomen heeft het college nog 2 weken de tijd om een besluit te nemen. Deze termijn geldt ook als er geen onderzoek en Gesprek heeft plaatsgevonden. Het is mogelijk om de beslistermijn op grond van de bepalingen uit de Awb op te schorten.

Bezwaar en beroep

Het college beslist op een aanvraag om een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015. Tegen dit besluit staan bezwaar en beroep open. Op het besluit wordt aangegeven hoe de inwoner bezwaar kan maken.

Hoofdstuk 3 Verstrekkingswijzen en bijdragen

Soorten voorzieningen

De Wmo 2015 vraagt van gemeenten, dat zij bij het bepalen van de ondersteuningsbehoefte steeds meer gebruik maken van de eigen mogelijkheden van inwoner en hun sociale netwerk. Daarnaast wil de wetgever dat gemeenten algemene voorzieningen faciliteren, organiseren en stimuleren, zodat er minder inzet van maatwerkvoorzieningen noodzakelijk is. Alleen als een algemene voorziening onvoldoende ondersteuning biedt, kan een maatwerkvoorziening verstrekt worden.

Algemene voorziening

In de wet wordt de algemene voorziening als volgt gedefinieerd, artikel 1.1.1 eerste lid Wmo 2015:

Een aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning. Kenmerkend voor een algemene voorziening is dat een inwoner er zonder voorafgaand onderzoek gebruik van kan maken. Hierover hoeft door het college geen besluit te worden genomen.

Een algemene voorziening is voorliggend op een maatwerkvoorziening, als de algemene voorziening een passende oplossing biedt voor het probleem van de inwoner. Algemene voorzieningen worden gefaciliteerd of geïnitieerd door de gemeente. Te denken valt aan:

  • De Brede Basisvoorziening inclusief het Geheugensteunpunt, mantelzorg- en vrijwilligersondersteuning bij Stichting Welzijn Hattem;

  • Hulp bij thuisadministratie en financiën: “Op KO€RS” bij Stichting Welzijn Hattem.

In alle gevallen zijn algemene voorzieningen voorliggend op de maatwerkvoorziening en dienen zij gericht te zijn op maatschappelijke ondersteuning. Ook de mantelzorger kan (tijdelijk) ondersteund worden via een algemene voorziening in een situatie van (dreigende) overbelasting.

Maatwerkvoorziening

Een maatwerkvoorziening is volgens de wet, artikel 1.1.1 eerste lid Wmo:

Op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen:

  • 1.

    ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen (waaronder een rolstoel voor (semi-)permanent gebruik), woningaanpassingen en andere maatregelen.

  • 2.

    ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen (waaronder een rolstoel voor incidenteel gebruik), woningaanpassingen en andere maatregelen.

  • 3.

    ten behoeve van beschermd wonen en opvang.

Het kenmerk van de maatwerkvoorziening is het maatwerk. De voorziening moet zijn afgestemd op individuele omstandigheden en mogelijkheden van de inwoner. Bij de maatwerkvoorziening moet rekening gehouden worden met de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de inwoner. Op deze manier wordt de inwoner in staat gesteld tot zelfredzaamheid en/of participatie, zodat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven. Een voorziening die nodig is om de mantelzorger te ondersteunen of deze (tijdelijk) te ontlasten in een situatie van (dreigende) overbelasting, kan onderdeel uitmaken van een maatwerkvoorziening.

Een maatwerkvoorziening kan verstrekt worden in zorg in natura, als persoonsgebonden budget of als financiële tegemoetkoming.

Maatwerkvoorziening pgb of natura;

Het college kan op basis van de Verordening Wmo nadere regels stellen met betrekking tot een persoonsgebonden budget (pgb). Bij sommige voorzieningen is er geen keuze voor een pgb of voor een verstrekking in natura. Wanneer dit het geval is, wordt dit in het desbetreffende hoofdstuk beschreven.

Een inwoner kan onder de volgende wettelijke voorwaarden kiezen voor een pgb (artikel 2.3.6. lid 2 Wmo):

  • 1.

    De inwoner dient naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat te worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, in staat te worden geacht de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren.

  • 2.

    De inwoner dient zich gemotiveerd op het standpunt te stellen dat hij de maatwerkvoorziening als persoonsgebonden budget geleverd wenst te krijgen.

Daarnaast dient naar het oordeel van het college gewaarborgd te zijn dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt. In principe heeft de inwoner binnen de wettelijke voorwaarden dus de keuze voor een pgb. De inwoner legt de keuze voor een pgb vast in een pgb- plan. Bij de keuze voor een pgb kan het college er ook voor kiezen om de gevolgen van deze keuze nader te bespreken met de inwoner in een tweede gesprek.

Trekkingsrecht pgb

In de wet is bepaald, dat met ingang van 2015 het zogenaamde ‘trekkingsrecht’ geldt. Dit houdt in dat de inwoner een bedrag ter besteding beschikbaar gesteld krijgt, waarbij de betalingen en de pgb-verantwoording worden uitgevoerd door de Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB).

Modelovereenkomst SVB

Het is verplicht om de afspraken met de aanbieder van zorg/ondersteuning vast te leggen in de modelovereenkomst van de SVB.

Nadere bepalingen pgb

De gemeente Hattem legt de volgende aanvullende voorwaarden met betrekking tot een pgb vast:

  • 1.

    Kwaliteit

    Het onderwerp kwaliteit wordt opgenomen in het pgb-plan. In het Gesprek wordt aandacht besteed aan de kwaliteit van ondersteuning die de inwoner met het pgb wil inkopen. De kwaliteit van de hulp en ondersteuning wordt beoordeeld bij een herindicatie of controle middels een steekproef. Als bij deze controle blijkt dat de kwaliteit van de ondersteuning onvoldoende is of dat de ondersteuning onvoldoende bijdraagt aan de doelen die zijn gesteld in het ondersteuningsplan, dan kan het pgb worden ingetrokken. De hulp of ondersteuning kan vervolgens voortgezet worden als zorg in natura. Hierbij wordt rekening gehouden met de omstandigheden van de specifieke situatie.

  • 2.

    Formele en informele hulp

    Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad van de cliënt:

    • a.

      personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en die beschikken over relevante diploma’s die nodig zijn voor de uitoefening van de desbetreffende taken, of;

    • b.

      personen die aangemerkt zijn als Zelfstandige Zonder Personeel (ZZP). Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over relevante diploma’s die nodig zijn voor de uitoefening van de desbetreffende taken

  • Informele hulp is:

    • a.

      hulp die geboden wordt door personen, al dan niet uit het sociale netwerk, die niet voldoen aan de criteria als genoemd onder formele hulp;

    • b.

      hulp die wordt geboden door personen die voldoen aan de criteria als genoemd onder formele hulp, maar bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad zijn van de cliënt.

  • 3.

    Aanvullende voorwaarden pgb uit het eigen netwerk, zijnde informele hulp

    Aan het besteden van het pgb voor informele hulp (hulp vanuit het eigen netwerk) worden voorwaarden gesteld. Hulp/ondersteuning vanuit het eigen netwerk is (in ieder geval ten dele) een vorm van mantelzorg.

    De wet omschrijft mantelzorg als volgt:

    Hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep.

    Hoewel mantelzorg (waaronder hulp/ondersteuning vanuit het eigen netwerk) niet afdwingbaar is, wordt bij de inwoner wel gevraagd om een aantal zaken in het pgb- plan vast te leggen. Het gaat hierbij om de volgende zaken:

    • De inwoner moet motiveren waarom de hulp/ondersteuning die de mantelzorger levert niet onbetaald geleverd kan worden;

    • Vast moet staan dat de mantelzorger behoort tot de beroepsbevolking;

    • De inwoner moet verklaren dat de mantelzorger geen enkele druk heeft uitgeoefend bij de keuze voor een pgb;

    • De mantelzorger moet in staat zijn om de in te kopen ondersteuning/hulp te bieden zonder dat dit leidt tot overbelasting van de mantelzorger;

    • Er kan geen ondersteuning/hulp worden ingekocht bij een mantelzorger, terwijl diezelfde mantelzorger overbelast is;

    • De inwoner moet met de mantelzorger in samenspraak met het college bespreken in hoeverre de mantelzorger in staat is om structureel kwalitatief goede en kwantitatief voldoende hulp/ondersteuning te bieden, conform de beoogde doelstellingen in het ondersteuningsplan;

    • Tussenpersonen of belangenbehartigers kunnen niet uit het pgb worden betaald.

  • Wanneer aan deze voorwaarden niet voldaan wordt, kan het college besluiten dat het pgb niet ingekocht kan worden door middel van hulp vanuit het eigen netwerk.

  • 4.

    Salarisadministratie voor afdracht belastingen en premies

    Wordt de ondersteuning/hulp voor 3 dagen per week of minder ingekocht, dan is de budgethouder niet verplicht belastingen en premies in te houden. Als de budgethouder toch gebruik wil maken van een salarisadministratie, dan kunnen de kosten hiervoor niet betaald worden uit het pgb. Is het voeren van een salarisadministratie wel verplicht, dan wordt dit door de SVB uitgevoerd.

  • 5.

    Uitsluiten van pgb

    In aanvulling op de wettelijke bepalingen wordt ook geen pgb verstrekt:

    • in spoed/crisissituaties. De zorg in natura kan wel later worden omgezet in een pgb, als er voldoende tijd en rust is om een ondersteuningsplan en pgb-plan te maken;

    • wanneer de diagnose onvoldoende duidelijk is. Ook hier geldt dat wanneer dit duidelijk is de zorg in natura alsnog omgezet kan worden in een pgb;

    • bij onvoldoende coördinatie: wanneer een aanvrager of een vertegenwoordiger van de aanvrager niet zelf de regie kan voeren en coördinatie op zorg nodig heeft, is een pgb niet het juiste instrument. Er kan geen pgb worden verstrekt voor de coördinatie van het pgb. De coördinatie van het pgb kan niet belegd zijn bij de formele zorgaanbieder;

    • het college kan bepalen dat in verband met de kwaliteitsborging beschermd wonen en maatschappelijke opvang, door een formele hulp geboden moet worden.

  • 6.

    Vrij besteedbaar bedrag van een pgb voor begeleiding of huishoudelijke hulp

    Bij een pgb t.b.v. het inkopen van informele hulp is 10% van het pgb vrij besteedbaar met een maximumbedrag van € 100,00 per jaar in 2021 en daarna. Een pgb formele hulp heeft geen vrij besteedbaar bedrag.

Bijdragen

Voor het bieden van ondersteuning op grond van de Wmo 2015 mag het college een bijdrage in de kosten vragen.

Bijdrage algemene voorzieningen

Het algemene uitgangspunt is dat er geen bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen door de gemeente wordt gevraagd. Een inwoner is wel een bijdrage verschuldigd voor eventuele onkosten voor het nuttigen van consumptieve goederen en het gebruik van materiaal. Deze kosten mogen niet hoger zijn dan de redelijkerwijs vastgestelde kostprijs van het desbetreffende product. Daarnaast mag afname van deze

producten niet verplicht worden gesteld aan de inwoners die van een desbetreffende algemene

voorziening gebruik maken.

Bijdrage maatwerkvoorzieningen

Voor een maatwerkvoorziening vraagt het college een eigen bijdrage. De bijdragen voor maatwerkvoorzieningen in natura of pgb zijn gelijk aan de kostprijs tot een bedrag van ten hoogste

€ 19,00 per maand voor de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënten tezamen, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.4a, lid 5, van de wet of hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 geen of een lagere bijdrage is verschuldigd. De gemeente Hattem kiest ervoor om inwoners die vallen binnen 120% van het wettelijk minimumloon van het jaar waarin de maatwerkvoorziening wordt verstrekt, uit te zonderen van het betalen van eigen bijdragen. Zij betalen geen eigen bijdragen voor hun maatwerkvoorziening(en).

Voor maatwerkvoorziening die worden verstrekt in natura of in de vorm van een pgb wordt een eigen bijdrage gevraagd (rolstoelen zijn hiervan uitgezonderd). Voor de maatwerkvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming wordt geen eigen bijdrage gevraagd. Ook voor alle maatwerkvoorzieningen die ten behoeve van een minderjarig kind worden verstrekt, wordt geen eigen bijdrage gevraagd.

De inning van de eigen bijdrage is belegd bij het Centraal Administratie Kantoor (hierna: CAK).

Ritbijdrage en voorwaarden vervoer PlusOV

Voor het gebruik van het vraagafhankelijk vervoer wordt een ritbijdrage gevraagd welke bestaat uit een opstaptarief en een kilometertarief. De tarieven zijn opgenomen in de geldende Wmo-verordening gemeente Hattem.

Hoofdstuk 4 Afwegingskader en algemene bepalingen maatwerkvoorzieningen

Algemene bepalingen

Goedkoopst adequaat

Een maatwerkvoorziening wordt alleen verstrekt als deze als goedkoopst adequate voorziening kan worden aangemerkt. In eerste instantie moet bepaald worden of de te verstrekken voorziening adequaat is. Zijn er twee of meer voorzieningen adequaat, dan wordt gekozen voor de goedkoopste voorziening. Met het begrip goedkoopst adequaat wordt bedoeld: volgens objectieve maatstaven toereikend.

Het gaat om de goedkoopste voorziening vanuit het gezichtspunt van het college, dus de voorziening die voor de gemeente het goedkoopst is. Toch kan het college rekening houden met een kostenafweging in bredere zin. Dit is het geval bij het vraagafhankelijk vervoer bij PlusOV. Het vraagafhankelijk vervoer heeft een bepaalde omvang nodig om te kunnen draaien. Ook kan het voorkomen dat het college volgens wet en verordening niet verplicht is om de maatwerkvoorziening te verstrekken, terwijl deze voorziening veel zorgkosten voorkomt op andere plekken in het zorgdomein. In dit laatste geval kan het college de samenwerking zoeken met andere wettelijke partijen.

Langdurig noodzakelijk

Langdurig noodzakelijk wil zeggen dat de inwoner voor langere tijd aangewezen dient te zijn op een desbetreffende aanpassing, hulpmiddel of dienst. Voor tijdelijke beperkingen wordt geen maatwerkvoorziening in het kader van de Wmo verstrekt. Dit betekent dat de eindsituatie van de inwoner bekend moet zijn alvorens een maatwerkvoorziening te verstrekken. Een uitzondering hierop kan gelden bij de maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp. Deze maatwerkvoorziening kan ingezet worden in crisissituaties en heeft dan in principe juist een tijdelijk karakter om een gezin de mogelijkheid te geven een aantal zaken te regelen. Ook kunnen huishoudelijke hulp en begeleiding kortdurend ingezet worden bij situaties waarbij herstel of verbetering van de situatie te verwachten is en er binnen korte tijd geen beroep meer gedaan hoeft te worden op een maatwerkvoorziening.

Over het algemeen wordt onder langdurig noodzakelijk voor hulpmiddelen verstaan: in ieder geval langer dan 6 maanden. Voor tijdelijke hulpmiddelen kan iemand een beroep doen op de uitleen van hulpmiddelen vanuit de thuiszorgwinkels via de Zorgverzekeringswet. Bij begeleiding wordt onder langdurig noodzakelijk langer dan 3 maanden verstaan. Als begeleiding langer dan 3 maanden noodzakelijk is, kan deze de gebruikelijke hulp overstijgen.

Er wordt niet rigide met de termijn van 3/6 maanden omgegaan. Bij een terminale inwoner wordt een maatwerkvoorziening niet zonder meer geweigerd als er mogelijk geen sprake is van een langdurig gebruik. Ook de prognose van de belemmeringen kunnen van belang zijn. Zegt de prognose dat de inwoner na enige tijd zonder de benodigde hulpmiddelen, aanpassingen of diensten kan functioneren, dan kan toch van een kortdurende noodzaak worden uitgegaan, al is dit langer dan 6 maanden.

Bij een wisselend beeld zal in de regel uitgegaan worden van een langdurige noodzaak, mits dat wisselende beeld permanent is.

In overwegende mate op het individu gericht

De maatwerkvoorziening dient vooral op het individu gericht te zijn. Met op het individu gericht zijn worden de volgende punten bedoeld:

  • een aanvraag voor een gemeenschappelijke voorziening is niet mogelijk. Er moet altijd één individuele aanvrager zijn die de voorziening aanvraagt;

  • een voorziening wordt alleen verstrekt voorzover het die specifieke aanvrager betreft.

De voorziening is dus gericht op het individu, waarbij wel rekening wordt gehouden met zijn sociale situatie en omgeving.

Kosten voorafgaand gemaakt aan de melding en/of aanvraag

Er wordt in de regel geen maatwerkvoorziening verstrekt voorzover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de aanvrager voorafgaand aan het moment van de aanvraag heeft gemaakt. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen het moment waarop de kosten gemaakt zijn. Zijn de kosten gemaakt vóór de melding bij de gemeente dan wordt er in de regel geen maatwerkvoorziening verstrekt. Zijn de kosten gemaakt na de melding en/of aanvraag (en voor beschikken) dan kan het het college besluiten tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening indien het college:

  • vooraf uitdrukkelijk schriftelijk toestemming heeft gegeven; of

  • de noodzaak, adequaatheid en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen.

De maatwerkvoorziening is reeds eerder verstrekt

Een maatwerkvoorziening wordt niet verstrekt als eenzelfde voorziening al eerder is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn nog niet is verstreken. Een uitzondering hierop wordt gemaakt als de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan buiten de schuld van de aanvrager. Is een derde partij schuldig aan het verloren gaan van de voorziening dan kan die aansprakelijk gesteld worden.

Wanneer iemand van een adequate, aangepaste woning wil verhuizen naar een niet-adequate woning dan wordt deze woning niet opnieuw aangepast. In situaties waarbij de verhuizing mogelijk niet te vermijden is, zoals bij gezinsuitbreiding of echtscheiding, kan een uitzondering gemaakt worden.

Afwegingskader

Er is voor alle maatwerkvoorzieningen een gelijkluidend afwegingskader. Wanneer dat noodzakelijk is, wordt bij de afzonderlijke resultaten specifiek ingegaan op onderdelen uit dit afwegingskader. Na het gesprek, dat gevoerd is naar aanleiding van een melding, wordt een ondersteuningsplan opgesteld. De (on)mogelijkheden worden per onderdeel van het afwegingskader in het ondersteuningsplan opgenomen. Vanuit het afwegingskader beoordeelt het college in hoeverre andere wetgeving, eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg, het sociale netwerk, gebruikelijke voorzieningen en algemene voorzieningen kunnen leiden tot het verminderen of wegnemen van de beperkingen. Dit betekent dat elke hulpvraag vanuit dezelfde methodiek wordt benaderd. Persoonskenmerken, behoeften en voorkeuren van de inwoner spelen altijd een nadrukkelijke rol binnen het onderzoek. Ogenschijnlijk gelijke aanvragen kunnen gezien de omstandigheden waarin de inwoner verkeert leiden tot verschillende oplossingen. In het onderzoek wordt samen met de inwoner en diens netwerk gezocht naar oplossingen. Hieronder volgt de verdere uitwerking van het algemene afwegingskader.

Andere wetgeving

Kunnen de beperkingen worden verminderd of weggenomen door een beroep te doen op andere wetgeving? Het college beoordeelt allereerst in hoeverre andere wetgeving voorziet in een oplossing voor de hulpvraag.

De Wmo ligt dicht aan tegen andere wetten, zoals de Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw), de Wet langdurige zorg (hierna: Wlz), de Jeugdwet, de Participatiewet en de Wet op de kinderopvang. Elke wet kent eigen regels en een eigen doel. Als een oplossing gevonden kan worden voor de beperking door een beroep te doen op andere wetgeving, dan wordt dit van de inwoner gevraagd. Overigens krijgt het college binnen de Wmo de opdracht om ondersteuning te verlenen in afstemming op andere wetgeving. Er wordt dus van het college overleg en samenwerking gevraagd met de uitvoerders van andere wetten. Waar mogelijk zorgt de gemeente dan ook voor een warme overdracht van de inwoner wanneer andere wetgeving aan de orde is.

Voorbeelden:

  • De inwoner vraagt op grond van de Wmo om in aanmerking te komen voor een rolstoel met als doel deze rolstoel voor incidentele uitstapjes te gebruiken. De inwoner dient hiervoor een beroep op de Zorgverzekeringswet te doen, die de uitleen van deze rolstoelen organiseert via de Thuiszorgwinkels;

  • De inwoner die een beroep doet op de Wmo ten aanzien van het kunnen zorgen voor de kinderen, wordt allereerst verwezen naar de mogelijkheden op grond van de Wet op de kinderopvang.

Indien er in uitzonderlijke gevallen onduidelijkheid bestaat over de vraag of een andere wettelijke regeling voorziet in het bieden van een oplossing voor de hulpvraag én het betreft een spoedeisende situatie, dan kan de gemeente besluiten om op grond van de Wmo tijdelijk ondersteuning in te zetten.

Aanspraak op verblijf en zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz)

Een maatwerkvoorziening voor begeleiding hoeft niet verstrekt te worden als een inwoner een Wlz-indicatie heeft. Dit geldt ook als een inwoner deze indicatie nog niet heeft en weigert mee te werken bij het aanvragen van deze indicatie, terwijl hij daar mogelijk wel recht op heeft. Huishoudelijke hulp voor zelfstandig wonende personen met een Wlz-indicatie is met ingang van 2017 overgegaan naar de Wlz.

Vanaf 1 januari 2020 worden mobiliteitshulpmiddelen voor bewoners van Wlz-instellingen (met of zonder behandeling) niet meer vergoed vanuit de Wmo, maar vanuit de Wlz. Voor inwoners die zelf hun woonlasten betalen, vallen mobiliteitshulpmiddelen én roerende voorzieningen onder de Wmo. Het mobiliteitshulpmiddel is een begrip uit de Wlz en omvat vanaf 1 januari 2020 naast rolstoelen ook scootmobielen, aangepaste fietsen, aangepaste wandelwagens en aangepaste autostoeltjes voor kinderen. Roerende voorzieningen voor Wlz-cliënten die wonen in een Wlz-instelling worden altijd vanuit de Wlz gefinancierd. Dit zijn hulpmiddelen voor zorg en wonen die door meerdere cliënten te gebruiken zijn.

De betrokken partijen hebben afgesproken dat er een faseringsregeling komt voor de Wlz cliënten in een instelling die nu al een mobiliteitshulpmiddel van de gemeente hebben. Deze mobiliteitshulpmiddelen blijven na 1 januari 2020 onder verantwoording van de gemeenten voor onderhoud en reparatie totdat het hulpmiddel vervangen moet worden.

Eigen kracht

Kunnen de beperkingen worden verminderd of weggenomen op eigen kracht en met eigen oplossingen? Het college beoordeelt in samenspraak met de inwoner in hoeverre de inwoner in staat is op eigen kracht zijn beperkingen te verminderen of weg te nemen.

Onder eigen kracht worden de mogelijkheden verstaan die mensen hebben om hun leven zo in te richten dat zij hun problemen bij zelfredzaamheid of ondersteuning zelf verminderen of voorkomen.

Voorbeelden:

  • Als gevraagd wordt om in aanmerking te komen voor een woningaanpassing, maar een herindeling van het meubilair maakt de huidige woning ook geschikt, dan heeft dit de voorkeur boven een maatwerkvoorziening vanuit de Wmo;

  • Een inwoner die een beroep doet op begeleiding omdat er beperkingen zijn ten aanzien van het bijhouden en het nakomen van zijn of haar gemaakte afspraken, wordt allereerst verwezen naar een agendabeheersysteem op de eventueel aanwezige computer/laptop of naar een agenda-app zoals te downloaden via de eventueel in het bezit zijnde smartphone;

  • Van iedere inwoner wordt verwacht dat hij zijn huisvesting aanpast op zijn levensfase. Voor ouderen betekent dit dat zij bijtijds nadenken over het krijgen of behouden van geschikte woonruimte bij toenemende ouderdomsgebreken;

  • Eenvoudige algemeen aanschafbare aanpassingen aan de woning om het gebruik daarvan te verbeteren, bijvoorbeeld een eenvoudige douchestoel, drempelhulpen, het aanbrengen van steunpunten of een tweede trapleuning. Bij de voorzieningenhoofdstukken worden meer voorbeelden gegeven van algemeen aanschafbare voorzieningen.

Gebruikelijke voorzieningen

Kunnen de beperkingen worden verminderd of weggenomen met gebruikelijke voorzieningen?

Het college beoordeelt in samenspraak met de inwoner bij elke hulpvraag of de inwoner gebruik kan maken van gebruikelijke voorzieningen.

Bij gebruikelijke voorzieningen gaat het om producten of diensten die de inwoner kunnen helpen bij de zelfredzaamheid en participatie en die algemeen verkrijgbaar of toegankelijk zijn. Voorzieningen of producten die gebruikelijk zijn, komen niet voor verstrekking in aanmerking. Het gaat hierbij om voorzieningen die naar de geldende maatschappelijke normen tot het gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van de aanvrager behoren. De beoordeling, wat in het betreffende geval als gebruikelijk wordt beschouwd, vindt plaats op basis van jurisprudentie en maatschappelijke ontwikkelingen.

Specifiek gaat het om voorzieningen die:

  • in de reguliere handel verkrijgbaar zijn, dus direct beschikbaar;

  • niet speciaal voor mensen met beperkingen bedoeld zijn;

  • niet aanzienlijk duurder zijn dan vergelijkbare producten met hetzelfde doel;

  • voor niet-ondersteuningsbehoevenden in een vergelijkbare positie tot het normale aanschaffingspatroon kunnen worden gerekend.

Bij de voorzieningenhoofdstukken worden voorbeelden gegeven van gebruikelijke voorzieningen.

Gebruikelijke hulp

Kunnen de beperkingen worden verminderd of weggenomen met gebruikelijke hulp? Het college beoordeelt in samenspraak met de inwoner bij elke hulpvraag of er sprake is van gebruikelijke hulp.

Gebruikelijke hulp is de normale, dagelijkse zorg, die partners, ouders, inwonende kinderen en huisgenoten geacht worden elkaar onderling te bieden. Dat betekent dat van huisgenoten verwacht wordt dat zij, bij uitval van één van de leden van die leefeenheid, elkaar ondersteunen en taken van elkaar overnemen. Gebruikelijke hulp is aan de orde bij alle huisgenoten ouder dan 18 jaar en in beperkte mate bij kinderen en jongeren onder de 18 jaar.

Bij het beoordelen of er sprake is van gebruikelijke hulp is het van belang om toeval en willekeur te voorkomen. Het hangt van de sociale relatie af welke zorg mensen elkaar moeten bieden. Hoe intiemer de relatie, des te meer hulp gebruikelijk is. Als het gebruikelijk is dat mensen elkaar in een bepaalde situatie zorg bieden, bijvoorbeeld ouders aan hun kinderen, is dat niet vrijblijvend met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning.

Per situatie wordt bekeken of de huisgenoot ook daadwerkelijk in staat is tot het verlenen van gebruikelijke hulp. Als er sprake is van een zeer korte levensverwachting, kan dit een reden zijn om geen gebruikelijke hulp te verlangen.

Gebruikelijke hulp bij huishoudelijke taken

Partners/ouders/huisgenoten:

Van partners, ouders en huisgenoten (18+) mag in beginsel worden verwacht dat zij gebruikelijke hulp kunnen bieden. Ook naast een fulltime baan of fulltime studie. Het kan hierbij gaan om huishoudelijke taken, maar ook om het begeleiden van kinderen binnen het normale patroon van dagelijkse begeleiding van ouders aan kinderen. Soms is de huisgenoot structureel een aantal dagen of nachten afwezig en kan hij dus de gebruikelijke hulp niet leveren. In dat geval kan het college ondersteuning inzetten voor taken die niet kunnen blijven liggen tot de huisgenoot weer thuis is.

Kinderen:

Kinderen leveren maar beperkt gebruikelijke hulp. Zorgvuldig moet gekeken worden naar de bijdrage die op een bepaalde leeftijd van een kind verwacht mag worden. De ontwikkelingsfase én het feitelijke vermogen van het kind spelen hierbij een rol. Bij hulp in het huishouden leveren kinderen een beperkte bijdrage afhankelijk van hun leeftijd, Tot 5 jaar leveren kinderen geen bijdrage aan het huishouden. Kinderen van 5 – 12 jaar worden binnen hun eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden zoals opruimen, tafeldekken/afruimen, afwassen/afdrogen en een boodschap doen. Kinderen vanaf 13 jaar kunnen daarnaast hun eigen kamer op orde houden (bijvoorbeeld opruimen, bed verschonen en stofzuigen).

Jongeren van 18 tot 23 jaar:

Vanaf 18 jaar wordt iemand verondersteld in verband met studie op kamers te kunnen wonen en een eenpersoonshuishouden te kunnen voeren. Vanaf 23 jaar wordt men verondersteld een volledig huishouden te kunnen voeren. De gebruikelijke hulp wordt bij jongeren tot 23 jaar die bijvoorbeeld bij één van de ouders wonen die ondersteuning nodig heeft, afgestemd op de capaciteiten die van hem verwacht worden.

Gebruikelijke hulp bij het bieden van begeleiding en het voeren van regie

Bij begeleiding is het noodzakelijk onderscheid te maken tussen kortdurende en langdurige situaties.

Hoofdregel:

  • Als er sprake is van een kortdurende situatie, wordt van de partner, ouder of inwonende huisgenoot verwacht dat hij gebruikelijke hulp verleent voor die periode. Het gaat hierbij om een periode van maximaal 3 maanden;

  • Als er sprake is van een chronische situatie, wordt van de partner, ouder of inwonende huisgenoot verwacht dat hij gebruikelijke hulp verleent binnen algemeen aanvaarde maatstaven.

Binnen algemeen aanvaardbare maatstaven is in ieder geval:

  • het bieden van begeleiding op het gebied van maatschappelijke participatie;

  • het begeleiden bij het normaal maatschappelijke verkeer binnen de persoonlijke levenssfeer zoals het bezoeken van familie/vrienden, huisarts enzovoort;

  • het bieden van hulp bij of het overnemen van taken die bij een gezamenlijk huishouden horen, zoals het doen van de administratie;

  • het leren omgaan door derden, zoals familie en vrienden, met de persoon met beperkingen (waaronder kinderen).

Grenzen aan gebruikelijke hulp

In de volgende situaties zal gebruikelijke hulp in de regel niet of niet volledig aan de orde zijn:

  • Een werkende partner/huisgenoot is beroepshalve minimaal 7 etmalen aaneengesloten van huis. Bijvoorbeeld in het geval van een internationale vrachtwagenchauffeur of bij offshore werkzaamheden;

  • Er is sprake van een dreigende (medische) overbelasting van de gebruikelijke zorgverlener. Bijvoorbeeld als gevolg van een combinatie van gebruikelijke zorg met grote psychische belasting;

  • In crisissituaties bij bijvoorbeeld het plotselinge overlijden van de (verzorgende) partner/ouder met jonge kinderen of bij een korte levensverwachting van de zorgvrager;

  • Bij personen waar in redelijkheid niet meer verwacht kan worden dat de gebruikelijke hulp aangeleerd kan worden;

  • Kinderen bieden in de regel geen gebruikelijke hulp als het gaat om het begeleiden van hun ouders of broertjes en zusjes. Ook hier geldt net als bij huishoudelijke taken dat naarmate het kind ouder wordt er meer ondersteuning verwacht kan worden.

Mantelzorg

Kunnen de beperkingen worden verminderd of weggenomen met mantelzorg?

Het college beoordeelt in samenspraak met de inwoner bij elke hulpvraag of er sprake is van mantelzorg.

De wet omschrijft mantelzorg als, artikel 1.1.1 eerste lid Wmo:

hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep.

Bij het verlenen van mantelzorg gaat het om ondersteuning die niet afgedwongen kan worden. Mantelzorg overstijgt de gebruikelijke hulp, het is geen zorg in het kader van een hulpverlenend beroep. Van belang is dus een goede balans tussen draagkracht en draaglast van de mantelzorger. In tegenstelling tot vrijwilligerswerk is er bij mantelzorg sprake van zorg vanuit de relatie die de mantelzorger met de inwoner heeft.

In de in 2016 vastgestelde Nota Mantelzorgondersteuning stelt de gemeente Hattem zich ten doel om mantelzorgers op een goede manier te ondersteunen in hun mogelijkheden om voor kortere of langere duur mantelzorg goed in hun leven in te passen.

Voorbeelden:

De begeleiding die een dementerende inwoner (die zonder toezicht niet alleen thuis kan blijven) krijgt van zijn partner. Als zoon of dochter wekelijks een dag bij een ouder zijn, zodat de andere ouder eigen activiteiten kan ontplooien.

Sociaal netwerk

Kunnen de beperkingen worden verminderd of weggenomen met hulp van andere personen uit het sociale netwerk? Het college beoordeelt in samenspraak met de inwoner bij elke hulpvraag in hoeverre er hulp geboden wordt of kan worden vanuit het sociale netwerk.

Wettelijk gezien is er weinig verschil tussen mantelzorg en hulp vanuit het sociale netwerk.

De wet omschrijft het sociale netwerk als:

  • personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de inwoner een sociale relatie onderhoudt.

Onder huiselijke kring wordt verstaan een familielid, huisgenoot of mantelzorger.

Toch noemt de wetgever mantelzorg en hulp uit het sociale netwerk apart. Bij mantelzorg gaat het in de regel om hulp/ondersteuning van iemand die dicht tot zeer dicht bij de inwoner staat. Bovendien is mantelzorg naar zijn aard intensiever dan hulp vanuit het sociale netwerk.

Onder het sociale netwerk vallen niet alleen huisgenoten of mantelzorgers, maar iedereen met wie

de inwoner regelmatig contacten onderhoudt, zoals buren, vrienden, geloofsgenoten of leden van de hobbyclub. De Wmo 2015 vindt het redelijk om van de inwoner te vragen dat hij binnen zijn sociale netwerk hulp en ondersteuning zoekt.

Veel inwoners vinden dit moeilijk. Van het loket zorg & welzijn wordt verwacht dat zij de inwoner ondersteunen bij het stellen van de vraag om hulp/ondersteuning binnen zijn sociale netwerk. Daarom is het goed om hier nadrukkelijk bij stil te staan tijdens het onderzoek dat verricht wordt na de melding.

Voorbeelden:

Het structureel doen van boodschappen door de buurvrouw. Het ondersteunen bij de administratie door een gemeentelid.

Algemene voorzieningen

Kunnen de beperkingen worden verminderd of weggenomen met algemene voorzieningen die de gemeente zelf heeft georganiseerd of die andere organisaties realiseren?

Het college beoordeelt in samenspraak met de inwoner of er algemene voorzieningen zijn waarvan de inwoner gebruik kan maken.

In de wet wordt de algemene voorziening als volgt gedefinieerd, artikel 1.1.1 eerste lid Wmo 2015:

  • Een aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning.

Er zijn veel verschillende algemene voorzieningen. Een algemene voorziening wordt bekostigd of gefaciliteerd door de gemeente.

Voorbeelden:

  • -

    De Brede Basisvoorziening inclusief het Geheugensteunpunt, mantelzorg- en vrijwilligersondersteuning bij Stichting Welzijn Hattem;

  • -

    Hulp bij thuisadministratie en financiën: “Op KO€RS” bij Stichting Welzijn Hattem.

Het is van belang dat algemene voorzieningen gericht zijn op maatschappelijke ondersteuning en inzichtelijk zijn voor zowel inwoners, vrijwilligers als professionals. De sociale kaart biedt hierbij belangrijke ondersteuning.

Maatwerkvoorziening

Als het bovenstaande afwegingskader geen oplossingen biedt die leiden tot het verminderen of wegnemen van de beperkingen, zal het college beoordelen of de inwoner in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening. De maatwerkvoorziening is aanvullend op wat iemand zelf kan bijdragen, en vormt samen met de inzet van eigen kracht of, indien van toepassing, gebruikelijke hulp, mantelzorg of hulp uit het sociale netwerk, een samenhangend ondersteuningsaanbod, ofwel maatwerk. De volgende hoofdstukken bevatten een afwegingskader voor de maatwerkvoorzieningen en geven de relatie aan met de algemene voorziening.

Hoofdstuk 5 Begeleiding

De resultaten

Het college verstrekt begeleiding in de vorm van een maatwerkvoorziening om een bijdrage te leveren aan de volgende resultaten:

  • het kunnen verrichten van de algemeen dagelijkse levensverrichtingen (verder ADL);

  • het kunnen voeren van een gestructureerd huishouden;

  • het kunnen participeren/het kunnen deelnemen aan het maatschappelijke verkeer, waaronder het hebben van sociale contacten met de medemens(en);

  • het behouden en/of versterken van het sociale netwerk.

Het kunnen verrichten van ADL

Mensen zijn ADL-zelfredzaam als zij de volgende dingen kunnen:

  • in en uit bed komen;

  • aan- en uitkleden;

  • bewegen/lopen, gaan zitten en weer opstaan;

  • lichamelijke hygiëne, toiletbezoek;

  • eten/drinken;

  • medicijnen innemen;

  • ontspanning en sociaal contact.

Het voeren van een gestructureerd huishouden

Binnen een gestructureerd huishouden is een inwoner in staat om zelf structuur aan te brengen in zijn leven en huishouden. De inwoner is in staat om zelfstandig te wonen. Zijn administratie en financiën zijn op orde.

Afbakening begeleiding en persoonlijke verzorging (PV)

Veel ondersteuning bij ADL wordt gegeven als Persoonlijke verzorging (hierna: PV) vanuit de Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw). Dit is voorliggend aan begeleiding vanuit de Wmo. In de regel gaat het bij ondersteuning vanuit de Wmo om het bieden van begeleiding tijdens het uitvoeren van deze algemene levensverrichtingen en in mindere mate om het overnemen daarvan.

Een uitzondering vormt de PV die binnen de Wmo wordt verstrekt op basis van de 5%-regel. Vijf procent van het PV-budget is overgedragen aan de Wmo om vanuit de Wmo doelmatige en doeltreffende ondersteuning te kunnen verlenen. Hier gaat het om de persoonlijke verzorging die wordt gegeven in combinatie met overige begeleiding. Voorbeelden hiervan zijn:

  • de persoonlijke verzorging die aan ouderen wordt verstrekt gedurende de begeleiding groep;

  • het douchen van een inwoner tijdens reguliere begeleidingsuren.

In het kader van begeleiding gaat het om de volgende activiteiten:

  • het ondersteunen bij of het oefenen van vaardigheden of handelingen;

  • het ondersteunen bij of aanbrengen van structuur of het voeren van de regie;

  • het overnemen van toezicht op de inwoner.

Aanvullend afwegingskader begeleiding 

  • Het afwegingskader zoals opgenomen in hoofdstuk 4 is van toepassing. Er zijn alleen aanvullende bepalingen opgenomen.

  • Voorliggend aan een maatwerkvoorziening begeleiding is een algemene voorziening. Hattem kent diverse algemene voorzieningen. Specifiek genoemd worden in dit de kader: De Brede Basisvoorziening inclusief Geheugensteunpunt, mantelzorg- en vrijwilligersondersteuning en OP KO€RS. 

    De Brede Basisvoorziening is bedoeld voor inwoners met lichte regieproblemen ten aanzien van:

    • o

      de zelfredzaamheid die nodig is voor het uitvoeren van de noodzakelijke ADL-handelingen; en/of;

    • o

      het voeren van een gestructureerd huishouden;

    • o

      het voeren van een gestructureerd huishouden;

    • o

      het ondersteunen van vrijwilligers en mantelzorgers.

  • Op KO€RS ondersteunt inwoners met regieproblemen op het gebied van administratie en financiën.

De Brede Basisvoorziening is een dagelijks geopende voorziening die kan worden bezocht door iedereen die een kop koffie wil drinken, een praatje wil maken of hulp nodig heeft bij het invullen van formulieren. Zij zal zich richten op de thema’s signalering, ontmoeting, voorlichting en preventie en activiteiten hier omtrent ontwikkelen. Naast de inloop worden mensen ondersteund via kortdurende, lichte individuele begeleiding en kortdurende groepsgerichte dagbesteding.

Het gaat hierbij om de mogelijkheid deel te nemen aan recreatieve, maatschappelijke en religieuze activiteiten, dat wil zeggen deel te kunnen nemen aan het leven van alledag. Een belangrijke voorwaarde hiervoor zit in een ander te bereiken resultaat: het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel.

  • Denk bij algemene en gebruikelijke voorzieningen ook aan:

    • o

      welzijnswerk, kinderopvang, sport;

    • o

      gebruikelijke oplossingen kunnen gevonden worden in planningshulpmiddelen, zoals een agenda, een computer met software op het gebied van planning, administratie of financiën, het automatisch inrichten van administratie etc.;

    • o

      algemene voorzieningen zijn er in de vorm van professionele- en vrijwilligersorganisaties die inwoners ondersteunen, bijvoorbeeld hulp bij het omgaan met geld etc.;

  • Niet relevant is of men gebruik wil maken van een dergelijke voorziening. Wel belangrijk is dat de inwoner in staat is de voorziening te gebruiken.

Individuele begeleiding en begeleiding groep

Begeleiding kan individueel verstrekt worden of in een groep. Bij de afweging welke vorm geschikt is, zal vanzelfsprekend gekeken worden naar de goedkoopst adequate oplossing. Dit betekent dat bij gelijke geschiktheid de voorkeur uitgaat naar begeleiding groep.

Begeleiding; producten, zwaarte en omvang

De gemeente Hattem neemt deel aan de regionale raamovereenkomst individuele voorzieningen/maatwerkvoorzieningen Jeugdhulp/Wmo/MOBW regio Midden-IJssel/Oost-Veluwe (nieuwe integrale inkoop 2019). Het Zorgproductenboek is onderdeel van deze raamovereenkomst en biedt het kader voor de inzet van de producten inclusief de zwaarte en omvang ervan. Het Zorgproductenboek is te vinden op de website www.zorgregiomijov.nl. Bij de productenstructuur in het Zorgproductenboek wordt uitgegaan van vier cliënttypen, te weten: Crisis, Intensief, Perspectief en Duurzaam. Bij het indiceren van begeleiding zal beoordeeld worden onder welk cliënttype een inwoner valt. Voor elk cliënttype zijn specifieke zorgproducten ontwikkeld. Het Zorgproductenboek is een leidraad in het bepalen om welk cliënttype het gaat en welk zorgproduct toegekend kan worden.

Per zorgproduct is in het Zorgproductenboek beschreven welke cliënt er bij hoort, wat de opdracht aan de opdrachtnemer is, wat de eisen aan de inhoud van de begeleiding zijn, aan welke eisen de zorgprofessional moet voldoen en eventueel andere informatie die van belang is.

Omvang van de maatwerkvoorziening

De omvang van de ondersteuning is in de meeste gevallen maatwerk en moet afgestemd zijn op de situatie van de gebruiker en diens mantelzorger. Er is geen rechtstreeks verband tussen de keuze voor het product en de omvang.

Duur van de maatwerkvoorziening

De periode waarvoor een maatwerkvoorziening begeleiding of begeleiding groep afgegeven wordt, wordt op de specifieke situatie van de inwoner afgestemd en per cliënttype zijn de volgende richtlijnen van belang:

  • Crisis

    Bij de producten die bij het cliënttype Crisis horen is de duur in de regel niet langer dan 8 weken, daar de crisissituatie of acute situatie binnen maximaal 8 weken dient te worden weggenomen, zodanig dat crisisinterventie niet meer nodig is.

  • Intensief

    Het cliënttype Intensief kenmerkt zich door complexe problematiek in combinatie met het niet kunnen voeren van de regie door de cliënt. Richtlijn voor de duur is maximaal 6 tot 12 maanden, afhankelijk van de verwachting ten aanzien van de mogelijkheden tot afschalen. Concrete doelen en acties voor de zorgaanbieder zijn belangrijk.

  • Perspectief

    Het cliënttype Perspectief kenmerkt zich door de ontwikkelmogelijkheden die de cliënt heeft. Voortdurende aandacht voor afschaling is van belang. Richtlijn voor de duur is maximaal 12 maanden. Afbouwen van de ondersteuning in de afgegeven periode is een mogelijkheid, zolang dit passend is bij de ontwikkeling die de cliënt laat zien.

  • Duurzaam

    Het cliënttype Duurzaam kenmerkt zich door een structurele ondersteuningsbehoefte, terwijl er niet veel verandering meer te verwachten is. Richtlijn voor de duur is maximaal 24 maanden afhankelijk van de te verwachten stabiliteit van de situatie. Het is van belang om goede afspraken met de zorgaanbieder te maken ten aanzien van de signaleringsfunctie.

Arbeidsmatige dagbesteding (begeleiding groep)

Arbeidsmatige dagbesteding is het leveren van een geringe arbeidsprestatie onder begeleiding waardoor er een bijdrage aan de samenleving geboden wordt. De activiteiten zijn gericht op productie of dienstverlening in het kader van het leveren van een bijdrage aan de samenleving. Er wordt een geringe arbeidsprestatie verwacht. De begeleiding is in eerste plaats gericht op het creëren van veiligheid en structuur. De mogelijke opbrengst van de productie wordt ingezet als bijdrage aan de kosten of als ondersteuning aan de maatschappij. Voor de inwoner heeft deze vorm van begeleiding groep veelal de functie van werk zonder daarvoor loon te ontvangen. Ook voor deze vorm van begeleiding groep geldt het Zorgproductenboek als kader.

Vervoer van en naar begeleiding groep

De bouwstenen Vervoer en Vervoer Plus voor vervoer door de zorgaanbieder, van en naar begeleiding groep kan toegevoegd worden als vervoer niet geregeld kan worden vanuit eigen kracht, sociaal netwerk, gebruikelijke voorzieningen, algemene voorzieningen of PlusOV. Het route gebonden vervoer van PlusOV is voorliggend aan de bouwstenen Vervoer en Vervoer Plus. De bouwstenen Vervoer en Vervoer Plus omvatten het brengen en halen van de inwoner naar de voorziening die begeleiding groep biedt. De bouwstenen Vervoer en Vervoer Plus worden alleen ingezet als het vervoer noodzakelijk is voor de inzet van de begeleiding groep en als PlusOV het vervoer om specifieke redenen niet kan bieden. Zie ook hiervoor de aanvullende kaders in het Zorgproductenboek.

Respijtzorg in de vorm van kortdurend verblijf

Onder de Wmo is het mogelijk om kortdurend verblijf in te zetten om een (dreigend) overbelaste mantelzorger te ontlasten (respijtzorg). Dit is alleen mogelijk als er geen sprake is van een noodzaak voor 24-uurs zorg. Bij een noodzaak voor 24-uurs zorg wordt een inwoner verwezen naar de Wlz. Voor de inwoner die de Wlz in de thuissituatie verzilvert is het vanuit de Wlz mogelijk om kortdurend verblijf in te zetten. Veel zorgverzekeraars hebben tegenwoordig ook een mogelijkheid voor mantelzorgvervanging. Soms behoort ook kortdurend verblijf tot de mogelijkheden. Indien de (aanvullende) verzekering van een inwoner deze optie biedt, dan wordt aan de inwoner gevraagd om deze optie als eerste te onderzoeken. De inzet van kortdurend verblijf is sterk afhankelijk van de persoonlijke situatie van de inwoner en daarom altijd maatwerk. Ook hiervoor gelden de kaders van het Zorgproductenboek.

Hoofdstuk 6 Huishoudelijke hulp

De resultaten

Het college verstrekt huishoudelijke hulp in de vorm van een maatwerkvoorziening om een bijdrage te leveren aan de volgende resultaten:

  • het kunnen voeren van een gestructureerd huishouden.

Aanvullend afwegingskader Huishoudelijke hulp

  • Het afwegingskader zoals opgenomen in hoofdstuk 4 is van toepassing. Er zijn alleen aanvullende bepalingen opgenomen.

  • Bij andere wettelijke voorzieningen moet gedacht worden aan de Wet langdurige zorg en de Wet arbeid en zorg. In sommige gevallen kunnen mensen in crisissituaties een beroep doen op thuiszorg vanuit de aanvullende zorgverzekering.

  • Alle vormen van voor- en naschoolse opvang en kinderopvang zijn voorliggend op een voorziening vanuit de Wmo. Denk in dit kader ook aan ouderschapsverlof of zorgverlof.

  • Zijn er vanuit het sociale netwerk familieleden, buren of vrienden die kinderen (tijdelijk) kunnen opvangen.

  • Denk bij eigen mogelijkheden van de inwoner ook aan een particuliere hulp. Wanneer een inwoner voor het ontstaan van de beperkingen al een particuliere hulp had, bestaat er in de regel geen noodzaak om een voorziening op grond van de Wmo te treffen.

  • Voor huishoudelijke taken zijn er diverse gebruikelijke oplossingen. Denk bijvoorbeeld aan een glazenwasser voor het reinigen van de buitenkant van de ramen. Het schoonhouden van de ramen buiten evenals andere ruimte buiten (tuin, balkon etc.) maken geen onderdeel uit van een maatwerkvoorziening voor huishoudelijke hulp. Er zijn ook vele technische, gebruikelijke oplossingen, zoals een (robot)stofzuiger, (af)wasmachine, wasdroger of magnetron. Het eventueel aanschaffen van deze voorzieningen wordt als voorliggend gezien ten opzichte van het inzetten van de maatwerkvoorziening.

  • Boodschappen kunnen gedaan worden met gebruik van een boodschappendienst of met hulp uit het sociaal netwerk.

  • Ten aanzien van de wasverzorging geldt, dat het de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner is om kleding aan te schaffen die strijkvrij is. Het strijken van linnengoed wordt zonder een medische indicatie niet noodzakelijk geacht.

  • Voor het bereiden van de maaltijden is het gebruik van vriesversmaaltijden of andere vormen van kant-en-klaarmaaltijden voorliggend. Bij het gebruik van de broodmaaltijden wordt de inwoner gevraagd creatief te zijn en brood klaar te (laten) zetten, wanneer zijn belemmeringen hem beperken om deze maaltijden zelf te verzorgen. Het kiezen voor producten die gemakkelijk in het gebruik zijn is de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner.

  • Redenen als 'niet gewend zijn om’ of ‘geen huishoudelijke werk willen en/of kunnen verrichten', leiden niet tot een indicatie voor huishoudelijke hulp.

Basismodule: Schoon Huis

In situaties waarin de inwoner beperkingen ervaart bij het voeren van een gestructureerd huishouden maar waarin de inwoner nog wel regie kan voeren, kan de basismodule Schoon Huis als maatwerkvoorziening ingezet worden. Het resultaat van de basismodule is het bereiken van een schoon en leefbaar huis. Dit betekent dat men gebruik moet kunnen maken van een schone woonkamer, als slaapkamer in gebruik zijnde ruimtes, de keuken, sanitaire ruimtes en hal/trap. De genoemde ruimtes dienen met enige regelmaat schoongemaakt te worden om een basishygiëne te borgen waarbij vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s van bewoners worden voorkomen. Een leefbaar huis is opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen

Het huis dient zodanig schoon te zijn dat het niet vervuilt en zo een algemeen aanvaard basisniveau van schoon huishouden wordt gerealiseerd. Dit wil niet zeggen dat alle vertrekken wekelijks schoon gemaakt hoeven te worden. De inwoner die regie kan voeren over zijn huishouden is in de regel prima in staat om keuzes te maken ten aanzien van het schoonmaken en hierbij prioriteiten te stellen.

In het Gesprek zal altijd eerst onderzocht worden wat de inwoner met beperkingen nog op eigen kracht of met behulp van gebruikelijke zorg, mantelzorg of het sociale netwerk kan uitvoeren op het gebied van het huishouden. Als blijkt dat met de inzet van deze hulp het resultaat een schoon en leerbaar huis niet behaald kan worden, dan kan de basismodule ingezet worden als aanvulling. De basismodule omvat het lichte en zware schoonmaakwerk. Hierbij zijn er taken te onderscheiden die wekelijks of tweewekelijks uitgevoerd moeten worden, maar ook taken met een incidenteel karakter. De taken welke onder de basismodule vallen zijn te vinden in bijlage I.

Omvang basismodule

Met de basismodule krijgt een inwoner de beschikking over 108 uren huishoudelijke hulp per jaar. Deze uren kunnen naar eigen inzicht gebruikt worden voor het realiseren van een schoon en leefbaar huis. In principe komt deze ondersteuning neer op gemiddeld 2 uur hulp per week. Een inwoner kan ervoor kiezen om meer of minder hulp per week in te zetten al naar gelang de ondersteuningsbehoefte. Deze behoefte kan van tijd tot tijd wisselen. De inwoner kan over de in te zetten hulp (welke taken en met welke frequentie) zelf afspraken maken met de zorgaanbieder. Daarbij dienen de inwoner en de zorgaanbieder goed bij te houden hoeveel uren er ingezet worden en dat het jaarbudget van 108 uren niet overschreden wordt.

Doordat de inwoner naar eigen inzicht de hulp in kan zetten wordt er niet direct rekening gehouden met factoren die schoonmaakactiviteiten, schoonmaakfrequentie en schoonmaaktijd beïnvloeden. Deze factoren kunnen elkaar (gedeeltelijk) compenseren. De basismodule is geschikt voor een ‘gemiddelde cliëntsituatie’. Onder deze gemiddelde cliëntsituatie wordt verstaan:

  • -

    een huishouden met 1 of 2 volwassenen zonder thuiswonende kinderen;

  • -

    wonend in een zelfstandige huisvestingssituatie, gelijkvloers of met een trap;

  • -

    er zijn geen huisdieren aanwezig die extra inzet van ondersteuning vragen;

  • -

    de inwoner kan de woning dagelijks op orde houden (bijvoorbeeld aanrecht afnemen, algemeen opruimen) zodat deze gereed is voor de schoonmaak;

  • -

    de inwoner heeft geen of verminderde mogelijkheden om zelf bij te dragen aan de activiteiten die moeten worden uitgevoerd;

  • -

    er is geen ondersteuning van mantelzorgers, netwerk en vrijwilligers bij activiteiten die moeten worden uitgevoerd of deze ondersteuning is niet in afdoende mate aanwezig;

  • -

    er zijn geen beperkingen of belemmeringen aan de orde bij de inwoner die maken dat de woning extra vervuilt of dat de woning extra schoon moet zijn;

  • -

    de woning heeft geen uitzonderlijke inrichting en is niet extra bewerkelijk of extra omvangrijk.

Bij elke cliëntsituatie dient afgewogen te worden of andere kenmerken dan bovenstaand leiden tot extra vervuiling of vraagt om een extra niveau van schoon, waardoor meer inzet nodig is. Als er extra inzet noodzakelijk is kunnen er naast de basismodule mogelijk een of meerdere aanvullende modules verstrekt worden. Dit dient in het Gesprek nader bepaald te worden. Een aantal van deze factoren kunnen ook door de inwoner zelf beïnvloed worden. Hierbij valt te denken aan de inrichting en stoffering van de woning en de aanwezigheid van huisdieren. De gevolgen van deze factoren op omvang van de schoonmaaktaak en het zoeken naar oplossingen daarvoor behoren, in de eerste plaats, tot de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner. Als dit niet tot een afdoende oplossing leidt, dan is altijd een individuele afweging noodzakelijk als het gaat om extra inzet.

Bijvoorbeeld: de aanwezigheid van huisdieren op zich leidt niet tot meer inzet. Alleen als er door de aanwezigheid van het huisdier meer schoongemaakt moet worden, kan eventueel extra hulp ingezet worden. De gehele situatie dient bij een dergelijke afweging in het oog gehouden te worden. Er kan wel extra vervuiling van een huisdier zijn, maar het huis is klein en snel schoon te maken waardoor extra inzet niet noodzakelijk hoeft te zijn. De eigen schoonmaakstandaard van een inwoner geldt niet als norm voor de inzet van huishoudelijke hulp.

De inzet van de 108 uren huishoudelijke hulp per jaar is gebaseerd op het HHM Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2019. Dit normenkader is tot stand gekomen doordat de uitkomsten van een empirisch onderzoek uitgevoerd door KPMG Plexus en Bureau HHM in 2016, in een groot aantal gemeenten is getoetst aan het lokale situatie. Het normenkader uit het empirische onderzoek is in december 2018 door de Centrale Raad van Beroep beoordeeld als ‘objectief, onafhankelijk en deugdelijk’. De activiteiten en de frequentie waarmee de uren uitgevoerd moeten worden, zoals opgenomen in het normenkader zijn leidend voor de inzet van de huishoudelijke hulp. Zie bijlage I.

Aanvullende modules

Als tijdens het Gesprek of gedurende de inzet van de basismodule Schoon Huis blijkt dat de ingezette huishoudelijke hulp ontoereikend is, dan is het mogelijk om een of meerdere aanvullende modules te verstrekken. Ook voor specifieke situaties kan een aanvullende module ingezet worden. Met een aanvullende module krijgt de inwoner de beschikking over meer uren huishoudelijke hulp.

Omvang aanvullende modules

De omvang van de aanvullende modules wordt bepaald aan de hand van het overzicht in bijlage I. Deze bijlage is gebaseerd HHM Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning uit 2019 (voor de module Plus) en de Wmo-richtlijn van het CIZ uit 2006 (voor de overige modules). Het betreft hier een richtlijn. De exacte omvang is altijd maatwerk en toegesneden op de specifieke situatie en eigen mogelijkheden van de inwoner. De aard van de ondersteuning, frequentie en intensiteit wordt afgestemd op het minimaal te behalen noodzakelijke resultaat. Hierbij is het uitgangspunt dat de ondersteuning via de goedkoopste en meest efficiënte wijze vorm krijgt.

Bij het inzetten van de module Plus kan er sprake zijn invloedsfactoren van de inwoner, het huishouden en de woning waardoor er meer ondersteuning nodig is. Bij het inzetten van aanvullende modules dient er sprake te zijn van objectiveerbare (medische) beperkingen waardoor er meer ondersteuning nodig is.

De volgende aanvullende modules kunnen ingezet worden:

  • Module Plus

  • Module wasverzorging;

  • Module maaltijden;

  • Module organisatie huishouden;

  • Module verzorging van kinderen;

  • Module aanleren huishouden;

    Module overgang AVHH (alleen geldig bij overgangsklanten per 01-01-2018; module vervalt per 31-12-2022).

Module Plus

Als gevolg van de beperkingen en belemmeringen van de inwoner kan extra ondersteuning noodzakelijk zijn. Denk aan:

  • -

    Extra schoonmaken, doordat er meer vervuiling optreedt of ter voorkoming van problemen voortkomend uit allergie, astma, longemfyseem, COPD.

  • -

    De samenstelling van het huishouden kan zorgen voor extra inzet. Als er sprake is van een tweepersoonshuishouden, is niet per se extra inzet nodig. Dit kan wel het geval zijn als beiden apart slapen en er een extra slaapkamer in gebruik is.

  • -

    Bij meerdere personen in een leefeenheid kan de inzet van gebruikelijke hulp ertoe leiden dat extra inzet niet noodzakelijk is, omdat men onderling de taken verdeeld. De benodigde extra inzet kan hierdoor beperkt of opgeheven worden. Zie hiervoor ook de passage over gebruikelijke hulp in hoofdstuk 4 van deze beleidsregels.

  • -

    Als uit de individuele afweging blijkt dat er extra inzet nodig is door de aanwezigheid van huisdieren, kan de extra tijd middels deze module ingezet worden. Hierbij geldt ook de notie over huisdieren zoals genoemd bij de omvang van de basismodule. In voorkomende gevallen dient overleg met de inwoner plaats te vinden over aantal of aard van de huisdieren en welke gevolgen hiervan wel of niet ‘voor rekening’ van de gemeente komen.

  • -

    De omvang van de woning kan, maar hoeft niet per se meer inzet te vragen. Bijvoorbeeld: een extra grote oppervlakte van de in gebruik zijnde ruimtes kan meer tijd vergen om stof te zuigen, maar kan het stofzuigen ook makkelijker maken omdat je makkelijk overal omheen kunt werken. Een extra slaapkamer die daadwerkelijk in gebruik is als slaapkamer vergt wel extra tijd.

Module wasverzorging

Het resultaat van deze module is het beschikken over schone kleding en omvat het wassen, drogen en vouwen van kleding. Het aantal in te zetten uren wordt aangepast aan dat wat de inwoner zelf nog kan t.a.v. de wasverzorging. Daarbij wordt per situatie bekeken welke taken wel of niet uitgevoerd kunnen worden. Bijvoorbeeld het sorteren en het vullen van de wasmachine met kleding zijn veelal lichte werkzaamheden die meestal niet direct overgenomen hoeven te worden. Gaat het om beddengoed dan is dit vaak zwaarder en dient dit mogelijk wel overgenomen te worden. Ook het vouwen van kleding is een taak die veelal zittend uitgevoerd kan worden door de inwoner zelf. Is dit niet mogelijk, dan kan de taak overgenomen worden. Een wasdroger is een gebruikelijke voorziening en daarom voorliggend. Ook de aanwezigheid van een was-service is voorliggend op de inzet van deze module.

Module maaltijden

Onder deze module wordt verstaan het verzorgen van de broodmaaltijd en het opwarmen van de warme maaltijd. Zoals ook in het aanvullende afwegingskader opgenomen, bestaan er diverse voorliggende voorzieningen ten aanzien van het bereiden van de maaltijden. Deze mogelijkheden dienen als eerste benut te worden. Verder is er soms een samenloop met zorg vanuit de Zorgverzekeringswet mogelijk voor het bereiden en/of klaarzetten van de maaltijden. Ook deze optie dient benut te worden. Verder worden er voor deze taken zoveel mogelijk eigen oplossingen van de inwoner verwacht (benutten sociale netwerk, vrijwilligers etc.). In het voorkomende geval dat er geen mogelijkheden bestaan ten aanzien van het bereiden en/of klaarzetten van maaltijden, is het mogelijk om hiervoor de module maaltijden in te zetten. Het uitgangspunt voor het te behalen resultaat is dat indien nodig één keer per dag de broodmaaltijd wordt bereid en klaargezet (waarbij een tweede broodmaaltijd klaargezet kan worden in de koelkast) en één keer per dag een warme maaltijd wordt opgewarmd en/of klaargezet.

Module organisatie huishouden

In sommige situaties is het wenselijk een specifieke toegeruste professional in te zetten voor de uitvoering van de huishoudelijke hulp. Dit kan het geval zijn, wanneer er sprake is van ernstige psychiatrische, psycho-geriatrische of psychosociale problemen bij de inwoner. In deze situaties kan er sprake zijn van regieverlies van de inwoner waardoor overname van de organisatie van het huishouden op zijn plaats is. De hulp neemt naast de huishoudelijke taken ook de aansturende en regietaken ten aanzien van het huishouden over. De hulp heeft daarnaast ook een signalerende functie van ongewenste situaties of toenemende kwetsbaarheid bij de inwoner.

Module verzorging van kinderen

In situaties waarbij kinderen betrokken zijn kan het nodig zijn om direct huishoudelijke hulp in te zetten. Hiervan kan sprake zijn bij een combinatie van de volgende situaties: het tijdelijk bieden van opvang voor kinderen in crisissituaties en/of het overnemen van zorgtaken voor kinderen (wassen, kleden, maaltijden). Maar ook dan wordt eerst gekeken naar wat de inwoner zelf kan doen, met het sociale netwerk, gebruikelijke hulp, mantelzorg etc. Huishoudelijke hulp ten behoeve van opvang en verzorging van kinderen wordt altijd voor een beperkte duur ingezet (maximaal 3 maanden). Dit geeft het gezin de gelegenheid om te werken naar een structurele oplossing. De omvang van hulp wordt in deze gevallen gemaximeerd tot 40 uur per week totaal (inclusief eventuele begeleidingsuren). De maximale omvang wordt alleen verstrekt als er kinderen tot het gezin behoren die niet naar school (kunnen) gaan. De opvang tijdens de reguliere vakantieperiodes wordt voor schoolgaande kinderen onder alle omstandigheden gezien als gebruikelijk. Hier wordt geen (extra) huishoudelijke hulp voor geïndiceerd.

Module aanleren huishouden

In sommige gevallen kan het voorkomen dat een inwoner niet gewend is om huishoudelijke taken te verrichten, maar dat hij daar wel leerbaar in is. Binnen de module ‘aanleren huishouden’ kunnen aan de inwoner instructies worden gegeven voor het aanleren van vaardigheden op huishoudelijk gebied. Ook het aanleren van huishoudelijke vaardigheden aan de huisgenoot van de inwoner kan met deze module bereikt worden. Op basis van een concreet leerplan gaat een huishoudelijke professional samen met de inwoner aan de slag. Het stimuleren, samen opwerken en coachen maken hier onderdeel van uit. Het gaat hierbij altijd om een kortdurende inzet welke gestopt kan worden zodra de taken voldoende aangeleerd zijn. Ook middels de inzet van begeleiding individueel kan het huishouden aangeleerd worden. Dit laatste is alleen mogelijk als er ook andere begeleidingsdoelen aanwezig zijn. Bij alleen aanleren van huishoudelijke taken gaat de inzet van huishoudelijke hulp voor op de inzet van begeleiding individueel.

Module overgang AVHH

Tot 1 januari 2018 konden de inwoners van Hattem voor huishoudelijke hulp een beroep doen op de algemene voorziening hulp bij het huishouden (AVHH). Deze algemene voorziening is beëindigd, waarbij de zorg voor de inwoners veelal ongewijzigd kon worden overgezet naar een maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp. Indien men bij de overgang niet voldoende had aan alleen de basismodule, dan kan deze aanvullende module ingezet worden. De module overgang AVHH kon alleen ingezet worden bij overgangscliënten die eind 2017 gebruik hebben gemaakt van de AVHH en per 1 januari 2018 over zijn gegaan naar de maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp. De module is geldig gedurende de duur van de indicatie. De module overgang AVHH kan niet ingezet worden bij inwoners die na 1 januari 2018 huishoudelijke hulp toegekend krijgen. Deze module vervalt per 31-12-2022.

Productbepaling

Ook huishoudelijke hulp maakt deel uit van de regionale raamovereenkomst individuele voorzieningen/maatwerkvoorzieningen Jeugdhulp/Wmo/MOBW regio Midden-IJssel/Oost-Veluwe. Ook hiervoor gelden de producten uit het Zorgproductenboek. Het Zorgproductenboek is te vinden op de website www.zorgregiomijov.nl. Na de bepaling welke modules noodzakelijk zijn, dient bezien te worden middels welk product de hulp van deze modules ingezet kan worden. Er is sprake van twee producten: schoon huis (HH1) en regie op gestructureerd huishouden (HH2). Standaard wordt het product schoon huis (HH1) ingezet. Zodra het noodzakelijk is om een van de volgende modules in te zetten: module organisatie huishouden, module verzorging van kinderen of module aanleren huishouden, dan zal het product regie op gestructureerd huishouden (HH2) ingezet worden. Als deze modules in combinatie met de basismodule ingezet worden, dan wordt ook het te leveren product van de basismodule regie op gestructureerd huishouden (HH2).

Duur van de maatwerkvoorziening

De periode waarvoor een maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp afgegeven wordt, wordt op de specifieke situatie van de inwoner afgestemd en bedraagt in de regel niet langer dan 5 jaar.

Hoofdstuk 7 Rolstoelen

De resultaten

Het college verstrekt een rolstoel in de vorm van een maatwerkvoorziening om een bijdrage te leveren aan het volgende resultaat:

  • het zich kunnen verplaatsen in en om de woning.

Verplaatsing in en om de woning betreft het zich verplaatsen met een rolstoel voor dagelijks zittend gebruik.

Voor het resultaatgebied:

  • het hebben van contacten met medemensen en deelnemen aan recreatieve, maatschappelijke en religieuze activiteiten is het mogelijk een sportvoorziening te verstrekken.

Aanvullend afwegingskader rolstoelen

  • Het afwegingskader zoals opgenomen in hoofdstuk 4 is van toepassing. Er zijn alleen aanvullende bepalingen opgenomen.

  • Het gaat om het zich verplaatsen in en om de woning. Dat betekent dat het om verplaatsingen gaat die in en direct vanuit de woning worden gedaan. Het gaat hierbij om inwoners die voor het dagelijks verplaatsen zijn aangewezen op zittend verplaatsen met een rolstoel.

  • Bekeken wordt of de loop- en stahulpmiddelen vanuit de Zorgverzekeringswet een oplossing bieden.

  • Hattem definieert een rolstoel als een voorziening waar de inwoner (semi)permanent gebruik van maakt. Rolstoelen voor incidenteel gebruik, waarbij de rolstoel in de auto wordt meegenomen om elders, bij het winkelen of bij uitstapjes te gebruiken, vallen niet onder deze definitie.

  • Bij een aanvraag voor een sportvoorziening (in de vorm van een tegemoetkoming) in het kader van de Wmo moet er sprake zijn van een voorziening voor deelname aan sportieve activiteiten in het maatschappelijk leven. Met de sportvoorziening wordt de deelname aan het maatschappelijke verkeer van personen met beperkingen bevordert. In de regel zal een sportvoorziening worden toegekend als de gebruiker actief lid is van een sportvereniging en/of aantoonbaar deelneemt aan sportieve activiteiten, zoals wedstrijden.

  • Er geldt een maximumbedrag voor een sportvoorziening inclusief verzekering en onderhoud.

  • Het college heeft geen resultaatsplicht voor topsportvoorzieningen. Belanghebbenden die speciale sportvoorzieningen nodig hebben om sport op topniveau te bedrijven, dienen uit eigen middelen, fondsenwerving of door middel van sponsoring de financiën bijeen te brengen. Dit laat onverlet dat een topsporter eventueel wel in aanmerking kan komen voor een “normale” sportvoorziening, die voldoende geschikt is om sport te kunnen beoefenen op een lager niveau.

Accessoires

Accessoires voor rolstoelen worden alleen verstrekt wanneer deze medisch noodzakelijk zijn en ze niet als gebruikelijk worden beschouwd.

De volgende accessoires zijn gebruikelijk:

  • (rolstoel)handschoenen, regenkleding, boodschappenmandje/-tas, bandenpomp, spiegels, schootskleed/voetenzak, zonnekap/-scherm.

  • In de regel medisch noodzakelijk zijn:

  • Orthesejas, zuurstoffleshouder, stokhouder en in sommige situaties spaakbeschermers.

Training

Rolstoeltraining is een eerstelijnsvoorziening (ergotherapeut) en wordt niet verstrekt in het kader van de Wmo.

Hoofdstuk 8 Woonvoorzieningen

De resultaten

Het college verstrekt een woonvoorziening in de vorm van een maatwerkvoorziening om een bijdrage te leveren aan de volgende resultaten:

  • het kunnen wonen in een geschikt huis;

  • het kunnen verrichten van de ADL;

  • het kunnen voeren van een gestructureerd huishouden.

Het verkrijgen van een woning valt niet onder de reikwijdte van de Wmo. Een inwoner dient zelf voor een woning te zorgen, waarbij verwacht wordt dat hij rekening houdt met de eigen (toekomstige) situatie. Dit betekent dat er met bestaande of te verwachten komende beperkingen rekening wordt gehouden.

Aanvullend afwegingskader woonvoorzieningen

  • Het afwegingskader zoals opgenomen in hoofdstuk 4 is van toepassing. Er zijn alleen aanvullende bepalingen opgenomen.

  • Een geschikt huis omvat de meest elementaire woonfuncties zoals toegang tot de woning en verblijf in de woning. Belangrijke functies hierbij zijn slapen, lichaamsreiniging, het bereiden en gebruiken van maaltijden.

  • Hattem past het verhuisprimaat toe. Als verhuizen de goedkoopst adequate oplossing is, is dit voorliggend.

  • Het verhuisprimaat wordt niet toegepast als de kosten lager zijn dan het normbedrag dat wordt gehanteerd als financiële tegemoetkoming in de verhuiskosten (zie geldende Wmo-verordening).

  • Een verhuiskostenvergoeding wordt alleen verstrekt bij het plotseling optreden van de noodzaak tot verhuizen. Van de inwoner wordt verwacht dat hij zelf zorgdraagt voor een bij zijn levenssituatie passende woonruimte.

  • Een woonvoorziening wordt uitsluitend verstrekt bij een hoofdverblijf en in ieder geval niet in geval van: hotels/pensions, trekkerswoonwagens/toer- en stacaravans, kloosters, tweede woningen/vakantiewoningen/recreatiewoningen, gehuurde kamer, specifiek op gehandicapten en ouderen gerichte woongebouwen voor wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden.

  • Een losse unit (tijdelijke unit met slaapkamer en/of natte cel) is voorliggend in geval van een grote woningaanpassing, zoals een verbouwing of een aanbouw.

  • De losse woonunit of aanbouw wordt niet gerealiseerd als wens om een mantelzorgwoning te realiseren.

  • Het kan noodzakelijk zijn om extra grond te verwerven ten behoeve van een aanbouw of uitbreiding van een bepaald vertrek. Het aantal m2 dat voor vergoeding in aanmerking komt is gemaximeerd, zie geldende Wmo-verordening.

  • Er wordt geen voorziening toegekend voor zover de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen.

De eigen verantwoordelijkheid voor een passende woning

Een inwoner is zelf verantwoordelijk voor het verkrijgen van een bij zijn (levens)situatie passende woning. Toch kan het voorkomen dat een inwoner niet langer woont in een voor hem geschikt huis. Als eerste wordt beoordeeld of inwoner heeft geanticipeerd op de ontstane situatie en heeft gezocht naar eigen mogelijkheden. Is dit niet het geval, dan wordt van de inwoner gevraagd dat hij eerst op eigen kracht een oplossing zoekt voor het ontstane probleem in de woning. Verhuizen naar een voor hem meer geschikte woning kan hierbij een oplossing zijn. Het opleggen van het verhuisprimaat is in deze fase (nog) niet aan de orde.

Het verhuisprimaat

Bij een plotseling optredend woonprobleem wordt bekeken wat de goedkoopst adequate oplossing is. Wanneer dit verhuizen is, wordt in de regel het verhuisprimaat toegepast.

Er kunnen redenen zijn om het verhuisprimaat niet toe te passen:

  • De kosten voor de woningaanpassing bedragen minder dan het normbedrag voor een verhuiskostenvergoeding (zie geldende Wmo-verordening);

  • De gevolgen van een verhuizing (dus niet de verhuizing zelf) zijn voor het gezin financieel niet op te brengen;

  • Er is mantelzorg beschikbaar in de oude woning en die komt in gevaar bij een verhuizing.

Het niet-willen verhuizen leidt niet tot het verstrekken van een woningaanpassing.

Procedure primaat van verhuizen

  • Inwoner gaat actief op zoek naar een geschikte woning en houdt de gemeente op de hoogte van zijn inspanningen;

  • Er wordt met het opleggen van het verhuisprimaat een urgentie voor een woning gevraagd;

  • Na een periode van 6 maanden wordt beoordeeld of

    • o

      er nog steeds geen geschikte woning is;

    • o

      er ook geen zicht is op korte termijn op een geschikte woning;

    • o

      de inwoner zich aantoonbaar maximaal heeft ingespannen om een geschikt huis te vinden.

Tegemoetkoming in de verhuiskosten

Wanneer verhuizen de goedkoopst adequate oplossing is én het verhuisprimaat is opgelegd, kan iemand in aanmerking komen voor een tegemoetkoming in de verhuiskosten. De hoogte van deze tegemoetkoming is vastgelegd in de geldende Wmo-verordening. Het opleggen van het verhuisprimaat is dus een noodzakelijke voorwaarde voor de verhuiskostenvergoeding. Dit betekent dat verhuizingen die passen binnen de eigen verantwoordelijkheid om een bij de (levens)situatie passende woonruimte te verkrijgen niet in aanmerking komen voor een verhuiskostenvergoeding. Een verhuiskostenvergoeding kan ook verstrekt worden aan een inwoner die op verzoek van het college een aangepaste woning vrijgemaakt voor bewoning door iemand met een beperking.

Bezoekbaar maken

Soms is het wenselijk dat ten behoeve van een inwoner een woning bezoekbaar wordt gemaakt. In de regel gaat het dan om één woning, die door de inwoner ook regelmatig bezocht wordt (bijvoorbeeld wekelijks of tweewekelijks). Bezoekbaar betekent dat de inwoner de woonruimte kan bereiken, de woonkamer en een toilet kan gebruiken. Voor het bezoekbaar maken van een woning wordt een maximumbedrag gehanteerd. Dit bedrag is opgenomen in de geldende Wmo-verordening. Een woning kan alleen bezoekbaar gemaakt worden als de inwoner gevestigd is in de gemeente Hattem. Personen die niet woonachtig zijn in de gemeente Hattem, dienen een verzoek voor het bezoekbaar maken van de woning in bij de gemeente waar hij/zij woonachtig is.

Woningaanpassingen

Bereikbaarheid en toegankelijkheid van de woning

Het uitgangspunt is dat een woning in ieder geval via één ingang bereikbaar is. Een tweede ingang kan noodzakelijk zijn om de berging, de tuin of het terras te bereiken. Het is niet noodzakelijk om de auto in de garage te kunnen stallen. Auto’s in de buitenlucht parkeren is gebruikelijk.

Veel oplossingen zijn gebruikelijk of algemeen aanschafbaar en vallen onder de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner. Hierbij kan gedacht worden aan (geen limitatieve lijst): de ondergrond van het toegangspad, de bestrating van het toegangspad, de aanleg van het benodigde (brede) toegangspad, drempelhulpen bij de toegangsdeuren, het aanbrengen van een steunpunt bij/op de deurpost.

Doorgankelijkheid van de woning

Met de doorgankelijkheid van de woning wordt bedoeld het kunnen bereiken van de ruimten in het huis. Veel oplossingen om de doorgankelijkheid te verbeteren zijn gebruikelijk of algemeen aanschafbaar en vallen onder de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner. Hierbij kan gedacht worden aan (geen limitatieve lijst): het aanbrengen van steunpunten, het plaatsen van een drempelhulp, het verwijderen van drempels, een tweede trapleuning, aanpassen van hang- en sluitwerk.

Trap:

Bij problemen bij traplopen, kan een traplift een oplossing zijn.Veel ouderen krijgen op den duur problemen bij het gebruiken van de trap. Het verstrekken van een traplift is in dergelijke situaties geen vanzelfsprekendheid.

De afweging kent de volgende stappen:

  • -

    Is er sprake van eigen verantwoordelijkheid voor een passende woonruimte?

  • -

    Zo, nee is het verhuisprimaat van toepassing?

  • -

    Zo, nee dan kan een traplift worden verstrekt.

In de regel zal een traplift worden verstrekt bij plotselinge beperkingen, waar de inwoner niet op heeft kunnen anticiperen. Voorwaarde voor het verstrekken van een traplift is eveneens dat de gebruiker in staat moet zijn om de traplift veilig te gebruiken.

Deuren:

Deuren zijn met name een belemmering bij gebruik van een rolstoel. Noodzakelijke oplossingen kunnen zijn: verbreden van een deur, elektrische deuropener, schuifdeur.

Bruikbaarheid van de woning

Keuken:

Een keuken kan aangepast worden als de inwoner in belangrijke mate ook de keukenactiviteiten op zich neemt. Bij een huisgenoot zal ook worden gekeken naar gebruikelijke hulp. Een keuken wordt aangepast tot het niveau aan voorzieningen in de sociale woningbouw. Een keuken wordt niet zonder meer aangepast als deze feitelijk technisch is afgeschreven (na ongeveer 20 jaar). In overleg met de eigenaar (of verhuurder) wordt dan bekeken welke meerkosten er zijn ten opzichte van de gebruikelijke renovatie. Veel oplossingen om het gebruik van de keuken te verbeteren zijn gebruikelijk of algemeen aanschafbaar en vallen onder de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner. Hierbij kan gedacht worden aan (geen limitatieve lijst): hendelkranen, keramische kookplaat, inductiekookplaat, korfladen.

Natte cel, toilet:

Veel oplossingen om het gebruik van de natte cel of toilet te verbeteren zijn gebruikelijk of algemeen aanschafbaar en vallen onder de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner. Hierbij kan gedacht worden aan (geen limitatieve lijst):

Steunpunten, drempelhulpen, bad vervangen door een douche, douchebak vervangen door een inloopdouche, antisliptegels, thermostaatkranen, een eenvoudig douchezitje, verhoogde toiletpot.

Slechts in uitzonderlijke situaties zal het nodig zijn om een voorziening te treffen om het bad te kunnen gebruiken. Een tweede toilet op de verdieping is gebruikelijk en wordt in de regel niet verstrekt.

Omgevingsbediening, zonnewering en ramen:

Indien het bedienen van bepaalde elementen in de woonkamer niet mogelijk is op basis van medisch/ergonomische belemmeringen en er geen hulp van huisgenoten aanwezig is, kunnen specifieke aanpassingen gericht op omgevingsbediening worden overwogen. Om frisse lucht in de woonruimtes te krijgen is het uitgangspunt dat één van de aanwezige ramen of deuren door de inwoner opengezet moet kunnen worden. Zonnewering is gebruikelijk en wordt niet verstrekt in het kader van de Wmo, behoudens specifieke zintuigelijke beperkingen.

Niet elementaire gebruiksruimten:

Een hobby-, werk- of speel-/recreatieruimte wordt niet gerekend tot de elementaire woonfuncties en wordt dan ook niet aangepast in het kader van de Wmo. Dit geldt ook voor het treffen van een voorziening uit oppas- of verzorgingsoogpunt.

Gemeenschappelijke ruimten:

In principe worden geen woningaanpassingen uitgevoerd aan gemeenschappelijke ruimten. Een uitzondering betreft het toegankelijk maken van de gemeenschappelijke ruimte. Dit laatste geldt niet voor woongebouwen die specifiek gericht zijn op ouderen en mensen met beperkingen, wanneer het gaat om voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie meegenomen kunnen worden.

Overige woonvoorzieningen

Voorzieningen, die tijdelijk (korter dan 6 maanden) nodig zijn, kunnen worden geleend bij de thuiszorgwinkel. Dit wordt vergoed vanuit de Zorgverzekeringswet. Verschillende losse woonvoorzieningen zijn gebruikelijk of algemeen aanschafbaar en vallen onder de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner. Hierbij kan gedacht worden aan (geen limitatieve lijst): een eenvoudige douchestoel (niet verrijdbaar) of douchekruk, badplank, toiletstoel, vloerbedekking.

Wanneer een tillift noodzakelijk is om eventueel met assistentie, de transfers van en uit bed e.d. te maken, gaat de voorkeur uit naar de verrijdbare tillift boven de plafondlift. Het college houdt rekening met de belangen van mantelzorgers, zoals bij tilliften en andere hulpmiddelen die door mantelzorgers bediend moeten worden. Een tillift uitsluitend ten behoeve van de zorg door professionele aanbieders wordt door de aanbieder geleverd.

Tijdelijke huisvesting/huurderving en het verwijderen van voorzieningen

In uitzonderlijke situaties kan het niet mogelijk zijn om de woning te bewonen tijdens het aanpassen. Het college vergoedt dubbele woonlasten als deze niet te vermijden zijn en te maken hebben met het aanpassen van de woning. In de regel worden deze kosten nooit langer dan 6 maanden vergoed. Huurderving is bedoeld als vergoeding voor de verhuurder om een aangepaste woning niet direct te verhuren, maar eerst te kijken of er iemand is die de aanpassing kan gebruiken. De eerste maand leegstand komt niet voor vergoeding in aanmerking. In de regel worden deze kosten nooit langer dan 6 maanden vergoed.

Wanneer een huurder van een aangepaste woning verhuist, hoeft de woningaanpassing noch door de huurder noch door de gemeente verwijderd te worden. Dit is als nieuwe bepaling opgenomen in de Wmo 2015.

Uitraasruimte

Bepaalde psychische problemen van een inwoner, bijvoorbeeld hyperactiviteit of moeilijkheden in het doseren van omgevingsprikkels, kunnen (op bepaalde tijden) aanleiding geven tot problemen bij het verblijf van deze inwoner in de woonruimte. Deze problemen kunnen worden opgevangen door in de woning over een uitraaskamer te beschikken. Wanneer er noodzaak is tot een uitraasruimte gaat het vaak om minderjarige kinderen. Onder een uitraaskamer wordt verstaan een kamer (verblijfsruimte), waarin een inwoner met gedragsproblemen zich kan afzonderen of tot rust kan komen.

De criteria voor een uitraaskamer zijn:

  • Betrokkene beschadigt zichzelf (zelfverwonding);

  • Betrokkene beschadigt de omgeving (vernielzucht);

  • Er is sprake van ongecontroleerde driftbuien of overmatige apathie.

Het vaststellen van deze criteria zal in eerste instantie gebeuren door een orthopedagoog, gevolgd door een medisch advies.

Hoofdstuk 9 Vervoersvoorzieningen

De resultaten

Het college verstrekt een vervoersvoorziening om een bijdrage te leveren aan de volgende resultaten:

  • het zich kunnen verplaatsen per vervoermiddel in de directe leefomgeving;

  • het kunnen participeren/het kunnen deelnemen aan het maatschappelijke verkeer, waaronder het hebben van sociale contacten met medemensen;

  • het behouden en/of versterken van het sociale netwerk.

Het lokaal verplaatsen per vervoermiddel is de mogelijkheid om in de eigen woon- en leefomgeving te gaan en staan waar men wil. Onder directe woonomgeving wordt verstaan een straal van 15 tot 20 kilometer. Het gaat om het dagelijkse vervoer zoals boodschappen doen, kinderen van en naar school brengen, familie- en vrienden bezoek, deelname aan sociaal-culturele activiteiten. Het vervoer ten behoeve van werk (of scholing) valt niet onder de Wmo.

Aanvullend afwegingskader vervoersvoorzieningen

  • Het afwegingskader zoals opgenomen in hoofdstuk 4 is van toepassing. Er zijn alleen aanvullende bepalingen opgenomen;

  • Een ieder kan gebruik maken van het vraagafhankelijk vervoer van PlusOV;

  • Personen met een beperking kunnen via een Wmo-indicatie in aanmerking komen voor een tariefkorting voor het vraagafhankelijk vervoer van PlusOV;

  • Een maatwerk-vervoersvoorziening van en naar begeleiding groep is alleen mogelijk als PlusOV niet passend of toereikend is voor de vervoersbehoefte van een inwoner;

  • Er worden geen dubbele voorzieningen verstrekt voor lokale verplaatsingen. De keuze voor één vervoermiddel wordt toereikend geacht;

  • Het vervoermiddel wordt alleen dan verstrekt als het een functie heeft in het leven van alledag en niet uitsluitend voor incidentele en/of recreatieve doeleinden;

  • De inwoner beschikt over voldoende rijvaardigheid en verkeersinzicht om het vervoermiddel te kunnen gebruiken;

  • De inwoner is in staat zorg te dragen voor dagelijks onderhoud van de voorziening en is in staat om de voorziening veilig, droog en vorstvrij te stallen en op te laden.

PlusOV

PlusOV is een algemeen toegankelijke vervoersvoorziening binnen de regio Stedendriehoek. PlusOV is toegankelijk voor inwoners met beperkingen, ook als zij hun rolstoel of scootmobiel mee moeten nemen. De vervoersvoorziening van PlusOV is voorliggend op een maatwerkvoorziening. Wanneer iemand tot de doelgroep van de Wmo behoort, is een tariefskorting mogelijk.

Criteria voor de tariefskorting:

  • De inwoner kan de bushalte niet zelfstandig bereiken;

  • De inwoner kan de wachttijden bij de bushalte niet overbruggen;

  • De inwoner kan niet instappen in het reguliere openbaar vervoer;

  • De inwoner (ouder dan 10 jaar) kan niet zonder begeleiding gebruik maken van het openbaar vervoer;

  • De inwoner beschikt over een rolstoel of het is noodzakelijk dat hij zijn scootmobiel mee vervoert.

PlusOV kent twee vormen:

  • Vraagafhankelijk vervoer (vrij, afroepbaar);

  • Route gebonden vervoer (vast, traject - zoals vervoer van en naar begeleiding groep).

Begeleiding in het PlusOV :

In sommige situaties kan één medisch begeleider gratis mee.

Dit is het geval als:

  • men in het kader van de Wmo reist met PlusOV; én

  • de begeleiding van de chauffeur onvoldoende is. Hiervan kan sprake zijn wanneer:

    • -

      tijdens de rit medische zorg nodig is;

    • -

      sprake is van gedragsproblematiek of angst die door begeleiding wordt opgeheven;

    • -

      tijdens de rit ADL-hulp noodzakelijk is.

Inwoners met een Wmo-indicatie mogen één persoon extra tegen Wmo-tarief meenemen. Dit noemen we sociale begeleiding. Overige meereizenden betalen het reguliere OV-tarief.

Bovenregionaal vervoer

Valys is een landelijk systeem voor inwoners met een mobiliteitsbeperking. Valys is bedoeld voor sociaal recreatieve uitstapjes op bovenregionale afstanden. Bovenregionaal betekent dat de bestemming óf het vertrekpunt van de reis op meer dan 25 kilometer afstand van het woonadres ligt.

Vervoermiddelen voor lokale verplaatsingen

Veel vervoermiddelen zijn ook geschikt voor inwoners met een beperking. Deze vervoermiddelen zijn gebruikelijk of algemeen aanschafbaar en vallen onder de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner. Hierbij kan gedacht worden aan (geen limitatieve lijst): elektrische fietsen, fietsen met trapondersteuning, zijwielen aan een fiets, fietsen met hulpmotor. Voorop staat dat een vervoermiddel wordt gekozen dat goed aansluit bij de vervoersbehoefte van de inwoner en dat kan worden aangemerkt als het goedkoopst adequaat.

Mogelijke oplossingen zijn:

Scootmobiel, driewielfiets, tandem, rolstoelfiets, handbike, incidentele rolstoel, sportrolstoel. Bij het kiezen van het juiste middel wordt zo nodig de ergotherapeut betrokken. In zeer uitzonderlijke situaties kan een rolstoelscooter een oplossing zijn. Dit is in de regel uitsluitend aan de orde bij een intensief verplaatsingspatroon in combinatie met het niet adequaat zijn van andere oplossingen.

Accessoires

Accessoires aan vervoersvoorzieningen worden alleen verstrekt wanneer deze medisch noodzakelijk zijn en niet als gebruikelijk worden beschouwd.

De volgende accessoires zijn gebruikelijk: (rolstoel)handschoenen, regenkleding, boodschappenmandje/-tas, bandenpomp, spiegels, schootskleed/voetenzak, zonnekap/-scherm.

In de regel medisch noodzakelijk zijn: orthesejas, zuurstoffleshouder, stokhouder en in sommige situaties spaakbeschermers.

Training

Noodzakelijke training om een vervoermiddel te kunnen gebruiken is een eerstelijnsvoorziening (ergotherapeut) en wordt niet verstrekt in het kader van de Wmo.

Financiële tegemoetkoming

In een enkel geval kan het voorkomen dat het PlusOV, in combinatie met, of een andere vervoermiddel geen passende oplossing biedt voor het ondervonden vervoersprobleem. In dat geval kan een financiële tegemoetkoming verstrekt worden voor de extra kosten van vervoer. Een financiële tegemoetkoming is alleen aan de orde bij ernstige beperkingen, waarbij gedacht kan worden aan sociaal/psychische factoren ten gevolge waarvan de privacy of de veiligheid van de inwoner of medepassagiers niet is gegarandeerd, zoals:

  • privacygevoelige zaken die een extreme schaamte of gêne ten gevolge hebben voor de

  • inwoner;

  • extreme gedragsstoornissen;

  • extreme fobieën, die ook na uitvoerige therapeutische behandeling niet zijn verholpen.

De financiële tegemoetkoming kan aangewend worden voor een vergoeding voor het gebruik van een (rolstoel)taxi of het gebruik van de eigen, bruikleen- of leaseauto (alleen mogelijk als er voor het vervoersprobleem een auto aangeschaft moet worden). De maximale bedragen van deze tegemoetkomingen zijn opgenomen in de geldende Wmo-verordening.

Autoaanpassing

Wanneer een inwoner reeds in het bezit is van auto, kan het in sommige gevallen het goedkoopst adequaat zijn om een aanpassing aan de auto te doen. Hiervoor kan bekeken worden wat de kosten zouden zijn van gebruik van PlusOV eventueel in combinatie met een ander vervoermiddel.

Aanpassingen aan een auto om de voorziening voor lokale verplaatsing mee te kunnen nemen in de auto komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Voorwaarde is dat de inwoner in het bezit is van een auto.

Aanvullend zijn er de volgende voorwaarden:

  • De aan te passen auto is niet ouder dan 7 jaar;

  • De beoordeling of iemand met een beperking in staat is om op een veilige manier met een auto deel te nemen aan het verkeer wordt gedaan door het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR). Via de afdeling aanpassingen van het CBR wordt advies gegeven over de noodzakelijke technische aanpassingen om de auto veilig te kunnen besturen. De kosten voor dit advies komen voor rekening van de inwoner;

  • Vergoeding voor aanpassing wordt maximaal eenmaal per 7 jaar verstrekt;

  • Er wordt rekening gehouden met de verwachte termijn dat de autoaanpassing adequaat is.

Veel autoaccessoires/aanpassingen zijn gebruikelijk of algemeen aanschafbaar geacht en worden niet verstrekt op grond van de Wmo. Hierbij kan gedacht worden aan (geen limitatieve lijst): automatische transmissie, elektrische ruitenwisser en sproeier achter, driepuntsgordels, hoofdsteunen, kunststoffen bekleding, buitenspiegel van binnenuit verstelbaar, elektrische bedienbare portierruiten, neerklapbare of inklapbare achterbank (in verband met meenemen rolstoel), uitneembare hoedenplank (in verband met meenemen rolstoel), derde of vijfde deur in verband met meenemen rolstoel, warmtewerend glas, achterruitverwarming, verstelbare voorstoelen, stoffen bekleding van stoelen, handgrepen bij de passagiersplaats voorin, comfort rembekrachtiging, gelaagde voorruit, interval op de voor- en achterruitwisser, stuurbekrachtiging, airconditioning, trekhaak, verwarmde buitenspiegels.

Aanpassingen die voor vergoeding in aanmerking kunnen komen mits medisch of anderszins noodzakelijk:

  • aanpassingen aan de stoel van de chauffeur of bijrijderstoel;

  • autostoeltjes voor kinderen (geen gebruikelijke stoeltjes);

  • aanpassingen voor het meenemen van de rolstoel in de auto;

  • aanpassingen voor vervoer van een rolstoelgebruiker in de auto;

  • aanpassingen voor het veilig vervoeren van hulpapparatuur zoals zuurstofflessen, in uitzonderlijke situaties een extra verwarmingselement.

Hoofdstuk 10 Beschermd wonen/Verblijf en opvang

Voor een inwoner met psychische of psychosociale problemen of voor een inwoner die, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, de thuissituatie heeft verlaten, voorziet de gemeente in de behoefte aan beschermd wonen en opvang. Beschermd wonen en opvang wordt met ingang van 2019 voor de inwoners van de gemeente Hattem gerealiseerd door centrumgemeente Apeldoorn. Voor vrouwenopvang is dat ook de gemeente Apeldoorn. Beleidskeuzes met betrekking tot beschermd wonen en opvang worden in regionaal verband gemaakt en Hattem sluit aan bij deze keuzes. Wanneer dit noodzakelijk is zullen afspraken en richtlijnen separaat van deze beleidsregels worden vastgesteld door het college.

Resultaten Beschermd wonen

  • Wonen in een accommodatie van een instelling;

  • Met het daarbij behorende toezicht en begeleiding;

  • Gericht op het bevorderen en herstel van zelfredzaamheid en participatie;

  • Gericht op het bevorderen van het psychisch en psychosociaal functioneren;

  • Gericht op stabilisatie van het ziektebeeld;

  • Gericht op het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast;

  • Gericht op het afwenden van gevaar voor de inwoner of anderen.

Resultaten (maatschappelijke) Opvang

Er dient onderscheid gemaakt te worden tussen maatschappelijke opvang en opvang wegens huiselijk geweld. Maatschappelijke opvang is vaak voor langere duur in tegenstelling tot opvang wegens huiselijk geweld, wat meestal een kortdurend karakter heeft.

  • Onder opvang wordt verstaan het bieden van onderdak en begeleiding aan personen die de thuissituatie hebben verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving;

  • Onder maatschappelijke opvang wordt verstaan het bieden van tijdelijk verblijf aan mensen zonder dak boven hun hoofd, gekoppeld aan zorg en begeleiding en/of het verhelpen van een crisis. Opvang wegens huiselijk geweld wordt geboden aan personen voor wie opvang noodzakelijk is wegens geweld in de huiselijke kring (zowel mannen als vrouwen, al dan niet gezamenlijk met hun kinderen).

Afwegingskader

Aangesloten wordt bij het afwegingskader en de producten in het Zorgproductenboek binnen de raamovereenkomst individuele voorzieningen/maatwerkvoorzieningen Jeugdhulp/Wmo/Maatschappelijke Opvang/Beschermd Wonen regio Midden-IJssel/Oost-Veluwe.

De zorg- en ondersteuningsproducten voor (Beschermd) Wonen/Verblijf zijn als volgt ingekocht 1

:

  • (Beschermd) Wonen/Verblijf Individueel met begeleiding Perspectief: Cliënt is stabiel, maar ondervindt problemen op meerdere leefgebieden. Cliënt beschikt over dusdanige zelfregie en zelfinzicht dat zelfstandig wonen op korte termijn realistisch is. De begeleiding is gericht op het aanleren van vaardigheden voor zelfstandig wonen, passend bij de ontwikkelfase. Cliënt kan vervolgstap maken richting reguliere woonplek. Dat betekent uitstroom en eventueel nog ambulante begeleiding. De cliënt krijgt ondersteuning bij het realiseren van een passende vervolgplek. De begeleiding is niet 24 uur per dag aanwezig, maar wel op afroep beschikbaar.

  • (Beschermd) Wonen/Verblijf Groep met begeleiding Perspectief: Cliënt is stabiel, maar ondervindt problemen op meerdere leefgebieden. Cliënt beschikt over enige matige van zelfinzicht en zelfregie. Cliënt heeft behoefte aan groepsstructuur. Zelfstandig wonen is (nog) geen optie. Begeleiding is gericht op het aanleren van vaardigheden m.b.t. zelfstandigheid, passend bij de ontwikkelfase. Cliënt kan vervolgstap maken. Als volledige zelfstandigheid (nog) niet mogelijk is, dan naar lichtere vormen van (ambulante) ondersteuning. De begeleiding is niet 24 uur per dag aanwezig, maar wel op afroep beschikbaar.

  • (Beschermd) Wonen/Verblijf Groep met begeleiding Intensief: Cliënt is instabiel, maar niet in crisis. Intensieve, maar niet planbare zorgvraag. Regie moet (tijdelijk) worden overgenomen. Focus ligt op stabiliseren van cliënt en zijn omgeving, doorbreken van bestaande patronen en het aanleren van vaardigheden m.b.t. zelfstandigheid, passend bij de levensfase. Cliënt is gestabiliseerd. De zorgvraag is nog niet weggenomen, maar wel planbaar. Doorstromen naar een lichtere vorm van (ambulante) ondersteuning. De begeleiding is 24 uur per dag aanwezig.

  • (Beschermd) Wonen/Verblijf Groep met begeleiding Duurzaam: Cliënt is reeds enige tijd stabiel. De kans op herstel is niet in te schatten en heeft niet de primaire focus. Gezien problematiek en leefbaarheid zijn op korte termijn geen grote ontwikkelstappen te verwachten. Stabiel houden en bestendigen van aangeleerde vaardigheden. Het bieden van een stabiele omgeving en het creëren van routine. Vasthouden wat de cliënt heeft bereikt, voorkomen van terugval. De begeleiding is niet 24 uur per dag aanwezig, maar wel op afroep beschikbaar.

  • Time-Out Voorziening: Het is een kortdurende voorziening, cliënt verblijft er tussen de vier en de zes weken. De cliënt is door zijn of haar zorgbehoefte, waar psychiatrische en/of gedragsproblematiek en/of verslavingsproblematiek onderdeel van uitmaakt, (tijdelijk) aangewezen op zorg die gepaard gaat met permanent toezicht (24 uur). Ook kan dit product worden ingezet bij schorsing, bijvoorbeeld vanwege overlast binnen de leefgroep. Deze hulp wordt op een locatie van een opdrachtnemer geboden. Er is 24 uur (pedagogische) begeleiding aanwezig voor ondersteuning aan de cliënt en/of voor het organiseren van dagactiviteiten. Professionele ondersteuning die al betrokken is bij de cliënt of cliëntsysteem wordt zo optimaal mogelijk benut. Begeleiding Individueel is onderdeel van dit product (hoeft niet apart te worden beschikt).

Het college stelt aan de hand van onderstaande criteria vast of de cliënt in aanmerking komt voor één van bovenstaande (Beschermd) Wonen/Verblijf producten:

  • a)

    De cliënt is 18 jaar of ouder en heeft de Nederlandse nationaliteit of verblijft legaal in Nederland (artikel 1.2.2. lid 1 Wmo 2015).

  • b)

    De problemen die de cliënt ondervindt in het zelfstandig handhaven in de samenleving zijn niet op te lossen op eigen kracht, bijvoorbeeld met gebruikelijke hulp, mantelzorg, hulp van andere personen uit het sociale netwerk, gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen, algemene voorzieningen of voorliggende voorzieningen, (para)medische zorg en/of door extramurale begeleiding.

  • c)

    Er is met behulp van de ZRM vastgesteld dat de cliënt niet zelfstandig kan wonen. Zie bijlage 7 ZRM met de scores per levensdomein die van toepassing zijn voor Wonen/ Verblijf.

  • d)

    Intramurale behandeling voor de psychiatrische aandoening/beperking is afgerond of staat niet (meer) op de voorgrond. Gebaseerd op de mogelijkheden van de cliënt staat de op participatie gerichte ondersteuning vanuit de beschermende woonomgeving op de voorgrond.

  • e)

    De cliënt accepteert een begeleiding/ontwikkelingstraject dat met inachtneming van zijn mogelijkheden gericht is op het realiseren van een situatie waarin hij in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

  • f)

    Er is geen sprake van een andere (voorliggende) voorziening, zoals de Zorgverzekeringswet (Zvw), Wet langdurige zorg (Wlz), Jeugdwet of de Wet forensische zorg.

  • g)

    Er is geen sprake van een acute crisissituatie in de geestelijke gezondheid en/of op andere levensdomeinen en als gevolg hiervan mogelijkheden zijn voor crisisopvang/opname in de Zvw.

  • h)

    Het (feitelijk) dakloos zijn of slachtoffer zijn van huiselijk geweld is op zichzelf geen grond voor de toegang tot (Beschermd) Wonen/Verblijf.

In het werkproces hanteert de regio de Werkwijzer ‘Medisch noodzakelijk verblijf GGZ’.

Alle colleges in de regio hebben een besluit genomen om zich te houden aan:

  • Convenant ‘Landelijke toegankelijkheid maatschappelijke opvang’ (2019) en de daarbij behorende handreiking en beleidsregels ‘Landelijke toegang maatschappelijke opvang’.

  • Convenant ‘Landelijke toegankelijkheid Beschermd Wonen’ (2016) en de daarbij behorende handreiking en beleidsregels ‘Landelijke toegang Beschermd Wonen’.

De colleges hebben tevens het besluit genomen om de bij deze convenanten behorende beleidsregels ook ongewijzigd vast te stellen als beleidsregels van de desbetreffende gemeenten.

Naast hetgeen in artikel 19, lid 5 van de verordening is geregeld, kan het college een maatwerkvoorziening (Beschermd) Wonen/Verblijf tevens weigeren of intrekken indien:

  • a)

    De cliënt in staat is om mee te werken aan een passend ondersteuningstraject, maar niet

    bereid is mee te werkern.

  • b)

    De cliënt zich ernstig misdraagt jegens andere cliënten in de instelling of jegens de

    medewerkers

Overgangsregime

Voor burgers die voor 1 januari 2015 al een indicatie voor een GGZ C pakket vanuit de AWBZ kregen, geldt dat er sprake is van overgangsrecht. In deze overgangsperiode moet de gemeente in overleg met de cliënt een ondersteuningsarrangement vaststellen, tegen de op dat moment geldende tarieven voor deze ondersteuning.

Wie op 1 januari 2015 een geldige indicatie op grond van de AWBZ heeft voor een ZZP GGZ-C gaat in eerste instantie over naar (Beschermd) Wonen/Verblijf in de Wmo. De cliënt behoudt zijn aanspraken op zijn oorspronkelijke Awbz-indicatie tenminste voor een periode van 5 jaar of indien de lopende indicatie voor een kortere periode geldt, voor de nog resterende duur van die indicatie en uiterlijk tot 1-1-2020.

Indien een cliënt sinds 1-1-2015 ononderbroken gebruik maakt van een intramurale voorziening en met instemming van de cliënt is een ondersteuningsplan opgesteld waarbij de cliënt zelfstandig gaat wonen, schort het college het overgangsrecht op de oorspronkelijke indicatie voor intramuraal verblijf op gedurende een periode van 90 dagen.

Voor mensen die gebruikmaken van het PGB geldt dat zij gedurende de periode van één jaar recht houden op dit PGB (uiterlijk tot 1-1-2016) en dat zij vervolgens tot de einddatum van de indicatie of uiterlijk tot 1-1-2020 wél recht houden op hun indicatie.

Bijlage I Taken Schoon Huis en omvang aanvullende modules bij maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp (behorend bij hoofdstuk 6)

Basismodule Schoon Huis

Onderstaande tabel geeft de taken weer die behoren bij de basismodule Schoon Huis. Het gaat hierbij om taken die wekelijks of tweewekelijks uitgevoerd moeten worden, maar ook om incidentele taken. Naast de taken wordt ook de frequentie weergegeven. Deze norm geeft aan hoe vaak een taak uitgevoerd zou moeten worden om een basishygiëne te borgen, om vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s van de bewoners te voorkomen. Activiteiten kunnen in overleg met inwoners in een andere frequentie worden uitgevoerd, als door de zorgaanbieder de basishygiëne geborgd wordt.

Deze norm is ontleend aan het HHM Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2019.

Aanvullende modules 

Voor de inzet van de aanvullende modules wordt gebruik gemaakt van het HHM Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning (voor module Plus) en de Wmo richtlijn van het CIZ 2006 (voor de overige aanvullende modules).

Module plus(kan alleen afgegeven worden in combinatie met de basismodule: Schoon Huis)

Beperkingen en belemmeringen vanuit een medische aandoening die leiden tot extra inzet:

  • -

    enige extra inzet: 30 minuten per week

  • -

    veel extra inzet: 60 minuten per week

Samenstelling huishouden: 30 minuten per week

Extra kamer ‘in gebruik’: 20 minuten per week

Extra kamer ‘niet in gebruik’: 5 minuten per week

Extra vervuiling huisdier: 15 minuten per week

Overige kenmerken: 15 minuten per week

Module wasverzorging

60-90 minuten per week.

Bij kinderen <16 jaar, 30 minuten per kind extra per week. Bij bedlegerige patiënten en bij extra bewassing i.v.m. overmatige transpiratie, incontinentie (welke niet op te vangen is met incontinentiemateriaal) speekselverlies etc. + 30 minuten per week.

Module maaltijden

Af te geven in zeer uitzonderlijke situaties waarbij het niet mogelijk is om de maaltijden op andere wijze te organiseren. In samenspraak met de andere zorgaanbieders, het netwerk/mantelzorg moet bekeken worden, op welke tijdstippen iemand aanwezig is om een maaltijd aan te reiken. Indien noodzakelijk in te zetten voor alle dagen van de week.

Broodmaaltijden, max. 15 minuten per keer. Een tweede broodmaaltijd kan tegelijk klaar gemaakt worden en in de koelkast klaargezet worden.

Warme maaltijden, max. 20 minuten per dag. Betreft opwarmen en klaarzetten van kant-en-klaarmaaltijden. In geval van aanwezigheid van kinderen <12 jaar is gebruik van kant-en-klaarmaaltijden niet voorliggend en dient maatwerk afgegeven te worden.

Module organisatie huishouden

30 minuten per week. Deze module kan alleen afgegeven worden in combinatie met de Basismodule Schoon Huis.

Module verzorging van kinderen

Max. 40 uur per week indien er sprake is van crisis en er geen andere mogelijkheden zijn.

Normering activiteiten t.b.v. verzorging kinderen:

Naar bed brengen 10 minuten per keer per kind

Uit bed halen 10 minuten per keer per kind

Wassen en kleden 30 minuten per dag per kind

Eten en/of drinken geven 20 minuten per maaltijd

Babyvoeding (flesje/potje) 10 minuten per keer per kind

Brengen/halen naar school/opvang 15 minuten per keer per gezin

Het is mogelijk om taken te combineren. Als kinderen op hetzelfde tijdstip naar bed gaan, telt dat voor 1 keer en niet per kind. De frequentie is gerelateerd aan de leeftijd en ontwikkelingsfase van het kind.

Module aanleren huishouden

30 minuten per week. Deze module kan alleen afgegeven worden in combinatie met de Basismodule Schoon Huis.

Module overgang AVHH

Maatwerk, afgestemd op de overgangssituatie van de inwoner. Alleen voor inwoners die eind 2017 hulp kregen vanuit de algemene voorziening hulp bij het huishouden (AVHH).

Aldus besloten in de collegevergadering d.d. 8 december 2020.

burgemeester,

secretaris,


Noot
1

Beschrijving van deze zorgproducten is gebaseerd op het zorgproductenboek. Wanneer de producten in het zorgproductenboek wijzigen, wijzigen de producten in de beleidsregels mee.