Verordening rioolheffing Voorst 2021

Geldend van 01-01-2021 t/m 31-12-2021

Intitulé

Verordening rioolheffing Voorst 2021

DE RAAD VAN DE GEMEENTE VOORST;

gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 10 november 2020, nummer 2020-61047;

gelet op artikel 228a van de Gemeentewet;

B E S L U I T:

vast te stellen de 'Verordening op de heffing en de invordering van rioolheffing Voorst 2021'.

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    perceel:

  • 1.

    de onroerende zaak, bedoeld in Hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken;

  • 2.

    een binnen de gemeente gelegen roerende zaak;

  • 3.

    een gedeelte van een roerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt;

  • 4.

    een samenstel van twee of meer roerende zaken of in onderdeel 3 bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar horen;

  • 5.

    het binnen de gemeente gelegen deel van de in onderdeel 2 bedoelde roerende zaak, van een in onderdeel 3 bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel 4 bedoeld samenstel.

  • b.

    gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij een gemeente;

  • c.

    verbruiksperiode: de periode waarop de afrekening van het waterleidingbedrijf betrekking heeft;

  • d.

    water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater, grondwater of oppervlaktewater;

  • e.

    bedrijfsverzamelgebouw: een gebouw dat dient om verschillende bedrijven in te huisvesten.

Artikel 2 Aard van de belasting

Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan:

  • a.

    de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en

  • b.

    de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht

1. De belasting wordt geheven van de gebruiker van een perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd.

2. Met betrekking tot de belasting wordt:

  • a.

    gebruik van een perceel door leden van een huishouden aangemerkt als gebruik door het door de in artikel 232, vierde lid, onder a, van de Gemeentewet bedoelde ambtenaar aangewezen lid van dat huishouden;

  • b.

    gebruik door degene aan wie een deel van een perceel in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven;

  • c.

    het ter beschikking stellen van een perceel voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die dat perceel ter beschikking heeft gesteld;

  • d.

    ingeval het perceel onderdeel is van een bedrijfsverzamelgebouw, als gebruiker aangemerkt, degene die, naar de omstandigheden beoordeeld, het perceel al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt.

Artikel 4 Maatstaf van heffing

  • 1.

    De belasting wordt geheven naar het aantal kubieke meters water dat vanuit het perceel wordt afgevoerd.

  • 2.

    Het aantal kubieke meters water wordt gesteld op het aantal kubieke meters leidingwater, grondwater of oppervlaktewater dat in de laatste aan het begin van het belastingjaar voorafgaande verbruiksperiode naar het perceel is toegevoerd of is opgepompt. Ingeval de verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode van twaalf maanden, wordt de hoeveelheid water door herleiding naar tijdsgelang bepaald. Bij die herleiding wordt een gedeelte van een kalendermaand voor een volle maand gerekend.

  • 3.

    Ingeval gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die pompinstallatie zijn voorzien van een:

  • a.

    watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan worden afgelezen, of

  • b.

    bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is geweest kan worden afgelezen.

    De eerste volzin is niet van toepassing indien vaststelling van de hoeveelheid opgepompt water geschiedt op grond van enige andere wettelijke bepaling.

  • 4.

    De op de voet van het tweede lid berekende hoeveelheid toegevoerd of opgepompt water wordt verminderd met de hoeveelheid water die niet is afgevoerd;

  • 5.

    Als het perceel een bedrijfsverzamelgebouw is, wordt de belasting als bedoeld in artikel 2 geheven als vast bedrag per bedrijfsunit.

Artikel 5 Belastingtarieven

  • 1.

    De belasting als bedoeld in artikel 2 bedraagt:

a.

€ 214,10

voor de afvoer van

0 m³

tot en met

500 m³

afvalwater

b.

€ 535,25

voor de afvoer van

501 m³

tot en met

1.000 m³

afvalwater

c.

€ 1.070,50

voor de afvoer van

1.001 m³

tot en met

5.000 m³

afvalwater

d.

€ 2.141,00

voor de afvoer van

5.001 m³

tot en met

10.000 m³

afvalwater

e.

€ 3.211,50

voor de afvoer van

10.001 m³

tot en met

20.000 m³

afvalwater

f.

€ 4.282,00

voor de afvoer van

20.001 m³

tot en met

40.000 m³

afvalwater

g.

€ 5.352,50

voor de afvoer van

40.001 m³

en meer

afvalwater

  • 2.

    Het tarief bedraagt voor een perceel zoals bedoeld in artikel 4, lid 5:

a.

in een bedrijfsverzamelgebouw met maximaal 2 bedrijfsunits

€ 107,05

per unit

b.

in een bedrijfsverzamelgebouw met meer dan 2 maar maximaal 4 bedrijfsunits

€ 53,50

per unit

c.

in een bedrijfsverzamelgebouw met meer dan 4 maar maximaal 6 bedrijfsunits

€ 35,65

per unit

d.

in een bedrijfsverzamelgebouw met meer dan 6 maar maximaal 8 bedrijfsunits

€ 26,75

per unit

e.

in een bedrijfsverzamelgebouw met meer dan 8 maar maximaal 10 bedrijfsunits

€ 21,40

per unit

f.

In een bedrijfsverzamelgebouw met meer dan 10 bedrijfsunits

€ 17,80

per unit

Artikel 6 Belastingjaar

Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 7 Wijze van heffing

De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.

Artikel 8 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang

  • 1.

    De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.

  • 2.

    Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd over zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

  • 3.

    Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

  • 4.

    Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige, die voor het betreffende belastingjaar al een aanslag rioolheffing heeft ontvangen, binnen de gemeente Voorst verhuist en aldaar een ander perceel in gebruik neemt en waarbij er geen sprake is van wijziging van de maatstaf van heffing.

Artikel 9 Termijnen van betaling

  • 1.

    In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet de aanslag worden betaald uiterlijk op de laatste dag van de eerste maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld.

  • 2.

    In afwijking in zoverre van het eerste lid geldt, ingeval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, meer is dan € 50 maar minder dan € 10.000 en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog maanden in het belastingjaar waarin de aanslagen worden opgelegd overblijven, met dien verstande dat het aantal termijnen ten minste drie en ten hoogste tien bedraagt. De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op die welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.

  • 3.

    De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

Artikel 9A Aangifte

  • 1.

    In afwijking van artikel 237, eerste lid, van de Gemeentewet geschiedt het uitnodigen tot het doen van aangifte door het uitreiken of toezenden van een aangiftebrief waaruit blijkt dat de wijze van het doen van aangifte, een omschrijving van de gevraagde gegevens of bescheiden en de termijn waarbinnen aangifte moet worden gedaan.

  • 2.

    In afwijking van artikel 237, tweede lid, van de Gemeentewet wordt aangifte gedaan door het op de in de aangiftebrief aangegeven wijze, inleveren of toezenden van de gevraagde gegevens of bescheiden.

  • 3.

    Indien de aangifte lang elektronische weg wordt gedaan kan de aangiftebrief langs elektronische weg worden verzonden.

Artikel 10 Overdracht van bevoegdheden

Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd tot het wijzigen van deze verordening, indien wijzigingen:

  • a.

    van zuiver redactionele aard zijn;

  • b.

    een gevolg zijn van nieuwe of gewijzigde rijksregelgeving die in werking treedt binnen drie maanden na de officiële bekendmaking van de inwerkingtreding ervan in het Staatsblad of de Staatscourant;

    een en ander voor zover de met deze wijzigingen niet al bij het vaststellen of latere wijziging van deze verordening bij raadsbesluit rekening is gehouden.

Artikel 11 Overgangsrecht

De Verordening rioolheffing Voorst 2020 van 16 december 2019, wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 12, tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

Artikel 12 Inwerkingtreding

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2021.

  • 2.

    De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2021.

Artikel 13 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als de Verordening rioolheffing Voorst 2021.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 14 december 2020.

drs. B.J.M. Jansen, griffier

drs. J.T.H.M. Penninx, burgemeester