Verordening op de heffing en invordering van reinigingsheffingen 2021

Geldend van 01-01-2021 t/m heden

Intitulé

Verordening op de heffing en invordering van reinigingsheffingen 2021

De raad der gemeente Putten;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 3 november 2020, nr. 1204352;

gelet op het bepaalde in artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdelen a. en b. van de Gemeentewet en artikel 15.33 van de Wet milieubeheer

besluit:

vast te stellen de Verordening op de heffing en invordering van reinigingsheffingen 2021

HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Krachtens deze verordening worden geheven:

  • a.

    een afvalstoffenheffing;

  • b.

    reinigingsrechten.

Artikel 2 Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

perceel:

een gebouwde onroerende zaak - of een gedeelte ervan - dat blijkens indeling en inrichting bestemd is om als afzonderlijk geheel door een particuliere huishouding te worden gebruikt en ook als zodanig wordt gebruikt. Met perceel worden gelijkgesteld: een stacaravan, een woonboot, een woonwagen en een demontabel zomer- of vakantiehuisje, indien gebruikt door een particuliere huishouding.

bedrijfspand:

een gebouwde onroerende zaak - of een zelfstandig gebruikt gedeelte ervan - geen perceel zijnde.

recreatieobject:

een perceel dat in het vigerende bestemmingsplan een verblijfsrecreatieve functie heeft.

HOOFDSTUK II AFVALSTOFFENHEFFING

Artikel 3 Aard der heffing

Onder de naam "afvalstoffenheffing" wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer.

Artikel 4 Belastingplicht
  • 1.

    De belasting wordt geheven van degene die in de gemeente gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

  • 2.

    De afvalstoffenheffing bedoeld in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel wordt geheven ter zake van het gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

  • 3.

    Voor de toepassing van het eerste lid wordt als gebruiker aangemerkt:

    • a.

      degene die naar de omstandigheden beoordeeld al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruik maakt van het perceel;

    • b.

      ingeval een gedeelte van een perceel ten gebruik is afgestaan: degene die dat gedeelte ten gebruik heeft afgestaan;

    • c.

      ingeval een perceel ter beschikking is gesteld voor volgtijdig gebruik: degene die het perceel ter beschikking heeft gesteld.

Artikel 5 Maatstaf van heffing en tarief

De belasting wordt geheven naar de maatstaf en het tarief, opgenomen in hoofdstuk 1.1 van de bij deze verordening behorende tarieventabel.

Artikel 6 Wijze van heffing

De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.

Artikel 7 Tijdstippen van ontstaan van de belastingschuld en termijnen van betaling
  • 1.

    De belastingschuld ontstaat bij de aanvang van het belastingjaar, of indien het gebruik van een perceel in de loop van het belastingjaar aanvangt, bij de aanvang van dat gebruik.

  • 2.

    In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later.

  • 3.

    In afwijking in zoverre van het tweede lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen afvalstoffenheffing en andere heffingen € 100,00 of meer is en zolang het totaalbedrag van dat aanslagbiljet door middel van automatische incasso van de betaalrekening van de belastingschuldige kan worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in negen gelijke termijnen, of zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog maanden in het kalenderjaar waarin de aanslagen worden opgelegd overblijven, met dien verstande dat het aantal termijnen ten minste twee en ten hoogste negen bedraagt. De eerste termijn vervalt in de laatste week van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.

  • 4.

    In afwijking in zoverre van het tweede en het derde lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen afvalstoffenheffing en andere heffingen minder is dan € 100,00 en zolang het totaalbedrag van dat aanslagbiljet door middel van automatische incasso van de betaalrekening van de belastingschuldige kan worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in twee gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt in de laatste week van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de volgende een maand later.

  • 5.

    De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

HOOFDSTUK III REINIGINGSRECHTEN

Artikel 8 Belastbaar feit

Onder de naam 'reinigingsrechten' worden rechten geheven voor het genot van door de gemeente verstrekte diensten en voor het gebruik van bezittingen, werken en inrichtingen, die bij de gemeente in beheer of in onderhoud zijn.

Artikel 9 Belastingplicht

Belastingplichtig voor de reinigingsrechten is degene op wiens verzoek dan wel ten behoeve van wie de dienst wordt verricht of degene die van de bezittingen, werken of inrichtingen, bedoeld in artikel 8, gebruikmaakt.

Artikel 10 Maatstaf van heffing en tarief
  • 1.

    De rechten worden geheven naar de maatstaven en de tarieven, opgenomen in de hoofdstukken 2 en 3 van de bij deze verordening behorende tarieventabel.

  • 2.

    Voor de berekening van de rechten wordt een gedeelte van de in de tarieventabel genoemde eenheid als een volle eenheid aangemerkt.

Artikel 11 Wijze van heffing

De rechten, bedoeld in hoofdstuk 2 van de tarieventabel, worden geheven bij wege van aanslag.

De rechten, bedoeld in hoofdstuk 3 van de tarieventabel, worden geheven door middel van een gedagtekende kennisgeving, waarop het gevorderde bedrag is vermeld.

Artikel 12 Tijdstippen van verschuldigdheid en van betaling
  • 1.

    De rechten, bedoeld in hoofdstuk 2 van de tarieventabel, zijn verschuldigd bij de aanvang van het belastingjaar of, indien de belastingplicht op een later tijdstip aanvangt, bij de aanvang van de belastingplicht.

  • 2.

    De rechten, bedoeld in hoofdstuk 2 van de tarieventabel, zijn invorderbaar twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet.

  • 3.

    De rechten, bedoeld in hoofdstuk 3 van de tarieventabel, worden verschuldigd bij de aanvang van de dienstverlening of bij de aanvang van het gebruik van de bezittingen, werken of inrichtingen.

  • 4.

    De rechten, bedoeld in hoofdstuk 3 van de tarieventabel, moeten worden betaald:

    • a.

      ingeval van uitreiking van de kennisgeving: op het tijdstip van uitreiking;

    • b.

      ingeval van toezending van de kennisgeving: binnen 30 dagen na de dagtekening.

Artikel 13 Kwijtschelding

Met betrekking tot de in de artikelen 10 en 11 genoemde rechten wordt geen kwijtschelding verleend.

HOOFDSTUK IV ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 14 Belastingjaar

Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 15 Aanvang belastingplicht in de loop van het belastingjaar

Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, wordt de heffing, bedoeld in hoofdstuk 1.1, en worden de rechten, bedoeld in hoofdstuk 2, met uitzondering van 2.1.2. van de tarieventabel, geheven over zoveel twaalfde gedeelten als na de aanvang van de belastingplicht nog volle kalendermaanden in het belastingjaar overblijven.

Artikel 16 Ontheffing in geval van beëindiging van de belastingplicht in de loop van het belastingjaar

Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing over zoveel twaalfde gedeelten van de ingevolge de hoofdstukken 1.1 en 2, met uitzondering van 2.1.2 van de tarieventabel, voor dat jaar verschuldigde belasting of rechten als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

Artikel 17 Inwerkingtreding en citeertitel
  • 1.

    De Verordening reinigingsheffingen van 4 december 2019 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten, die zich voor die datum hebben voorgedaan.

  • 2.

    Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die van de bekendmaking.

  • 3.

    De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2021.

  • 4.

    De verordening wordt aangehaald als ‘Verordening reinigingsheffingen 2021’.

TARIEVENTABEL, behorende bij de Verordening reinigingsheffingen 2021

Algemeen

De bedragen genoemd in deze tabel zijn inclusief omzetbelasting indien deze verschuldigd is, tenzij achter de genoemde bedragen anders is aangegeven.

Hoofdstuk 1.1. Maatstaf en tarief afvalstoffenheffing

1.1.

De belasting bedraagt voor een recreatieobject per belastingjaar

29,25

1.2.

De belasting bedraagt voor alle overige percelen per belastingjaar

€ 

116,90

Hoofdstuk 1.2. Maatstaf en overige tarieven afvalstoffenheffing

1.2.1.

Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1.1. bedraagt de belasting voor het ter beschikking stellen van afvalzakken voor verschillende afvalcategorieën, per afvalzak van:

50 liter, voor restafval

1,50

10 liter, voor groente-, fruit- en tuinafval

0,15

30 liter, voor groente-, fruit- en tuinafval

0,25

50 liter, voor tuinafval

0,75

50 liter, zakken voor plastic, metaal en drankkartons

0,15

Hoofdstuk 2 Maatstaf en jaarlijkse tarieven reinigingsrechten

Afvalzakken:

2.1.

Het recht bedraagt per belastingjaar voor het:

2.1.1.

periodiek verwijderen van bedrijfsafval, per bedrijfspand

116,90

excl. btw

2.1.2.

periodiek verwijderen van afvalstoffen van vakantieonderkomens die zich bevinden op een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein en als zodanig worden geëxploiteerd, per onderkomen

29,25

excl. btw

Hoofdstuk 3 Maatstaven en tarieven overige reinigingsrechten

3.1.1.

het achterlaten van grove huishoudelijke afvalstoffen op het gemeentelijke afvalbrengstation:

bouw- en sloopafval, per aanbieding van 10 kilogram of gedeelte daarvan

restafval, per aanbieding van 10 kilogram of gedeelte daarvan

puinafval, per aanbieding van 10 kilogram of gedeelte daarvan

groenafval, per motorvoertuig bestemd voor vervoer van personen

groenafval, per bestelauto, motorvoertuig met aanhangwagen of ander motorvoertuig bestemd voor het vervoer van goederen

matrassen, per stuk

1,50

1,50

0,30

2,00

5,00

10,00

3.1.2.

indien de afvalstoffen, als bedoeld in het vorige lid, van gemeentewege worden opgehaald, bedraagt het recht per aanbieding tot 100 kilogram voor:

groenafval

overig afval

en vervolgens eenzelfde bedrag per 100 kilogram of een gedeelte daarvan.

11,00

22,00

3.1.3.

De onder 1.2.1. genoemde bedragen zijn ook van toepassing op het periodiek verwijderen van bedrijfsafval, afkomstig van bedrijfspanden en vakantieonderkomens, als bedoeld in hoofdstuk 2, onderdeel 2.1.1. en 2.1.2.

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Putten van 3 december 2020,

Ondertekening

de griffier,

E.G. van Drie-Timmer

de voorzitter,

H.A. Lambooij