Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Deventer houdende regels omtrent parkeren (Parkeerverordening 2021)

Geldend van 01-01-2021 t/m heden

Intitulé

Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Deventer houdende regels omtrent parkeren (Parkeerverordening 2021)

De raad van de gemeente Deventer,

Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d.19 oktober 2020, nummer 2020-1808.

Gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en artikel 2 van de Wegenverkeerswet 1994;

BESLUIT

Vast te stellen de “Parkeerverordening 2021”.

Afdeling 1 Definities en begripsomschrijvingen

Artikel 1 Begrippen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    belanghebbendenplaats: een parkeerplaats die;

    • 1.

      is aangeduid met bord E9 uit bijlage I van het RVV, of

    • 2.

      is gelegen binnen een zone, aangeduid met bord E9 uit bijlage I van het RVV, met het opschrift “zone”, voor zover deze plaats niet is uitgezonderd;

  • b.

    centrale computer: computer van het bedrijf waarmee de Gemeente Deventer een overeenkomst heeft gesloten, bestemd voor de registratie van parkeerbewegingen in het kader van het verlenen van diensten op het gebied van betaald parkeren met gebruik van telefoon / internet;

  • c.

    houder: degene op wiens naam het voor het motorvoeruig opgegeven kenteken ten tijde van het parkeren was ingeschreven in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens of de persoon die middels een huur- of leaseovereenkomst met een rechtspersoon kan aantonen dat hij de feitelijke gebruiker is van het motorvoertuig;

  • d.

    jaar: het tijdvak van 1 januari 00.00 uur tot 31 december 24.00 uur;

  • e.

    BRP: Basis Registratie Personen;

  • f.

    natuurlijk persoon: een mens van vlees en bloed, dit in tegenstelling tot een rechtspersoon;

  • g.

    parkeerapparatuur: parkeerautomaten, parkeermeters, centrale computer en wat gewoonlijk naar maatschappelijke opvattingen overigens onder parkeerapparatuur wordt verstaan;

  • h.

    parkeerapparatuurplaats: een parkeerplaats behorende bij parkeerapparatuur;

  • i.

    parkeerautomaatplaats: een parkeerplaats behorende bij een parkeerautomaat.

  • j.

    parkeermeterplaats: een parkeerplaats behorende bij een parkeermeter.

  • k.

    parkeervergunning: een door het college verleende parkeervergunning, op basis waarvan het is toegestaan een voertuig te parkeren op daartoe aangewezen parkeerautomaat- en/of belanghebbendenplaatsen;

  • l.

    parkeervergunninghouder: de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie een parkeervergunning is verleend;

  • m.

    parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor het en gebruik wordt tot het onmiddellijk in – of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen van enig gewicht en/of enige omvang, op binnen de gemeente gelegen voor het openbare verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet als gevolg van een wettelijk voorschrift is verboden;

  • n.

    rechtspersoon (bedrijf): een juridische constructie die met een bepaald doel in het leven is geroepen, welke is ingeschreven in het register van de Kamer van Koophandel of beschikt over een BTW-nummer van de belastingdienst;

  • o.

    RVV 1990: het Reglement verkeersregels en verkeerstekens van 26 juli 1990 (Stb. 1990, 459; 1996/557)

  • p.

    voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in het RVV 1990;

  • q.

    zone: een gebied waar met de verleende parkeervergunning op een parkeerautomaatplaats en/of belanghebbendenplaats mag worden geparkeerd zoals aangegeven in het vigerende aanwijsbesluit parkeerapparatuurplaatsen en het aanwijsbesluit belanghebbende parkeren en de daarbij behorende bijlagen;

Afdeling II Plaatsen voor vergunninghouders, vergunningen en vergunningbewijzen

Artikel 2. Aanwijzen tijden en plaatsen

Het college kan, bij openbaar te maken besluit:

  • a.

    weggedeelten aanwijzen die bestemd zijn voor het parkeren door parkeervergunninghouders;

  • b.

    weggedeelten aanwijzen die bestemd zijn voor het betaald parkeren middels parkeerapparatuur (parkeerautomaten en parkeermeters);

  • c.

    tijdstippen vaststellen waarop het parkeren aan parkeervergunninghouders is toegestaan.

Artikel 3. Het verlenen van de parkeervergunning
  • 1. Het college kan op een daartoe strekkende aanvraag een parkeervergunning verlenen;

  • 2. Het college kan regels stellen voor het aanvragen en verlenen van een vergunning.

  • 3. Een vergunning kan worden verleend aan:

    • a.

      Een natuurlijk persoon, wanneer deze volgens de BRP woonachtig is in een zone;

    • b.

      Een bedrijf, dat gevestigd is en beroep of bedrijf uitoefent in een zone en aantoont dat het in het belang van de beroeps- of bedrijfsuitvoering noodzakelijk is in die zone een motorvoertuig te parkeren;

    • c.

      Een bedrijf dat gevestigd is en/of beroep of bedrijf uitoefent buiten een zone en aantoont dat het in het belang van de beroeps- of bedrijfsuitvoering noodzakelijk is een motorvoertuig te parkeren in een zone;

    • d.

      Een natuurlijk persoon, wanneer deze volgens de BRP woonachtig is in een zone of een bedrijf dat gevestigd is en beroep of bedrijf uitoefent in een zone vergunning aanvragen voor het tijdelijk doen laten parkeren van bezoekers van vorengenoemde natuurlijke persoon en of bedrijven;

    • e.

      Bewoners en bedrijven die op grond van eenmalige bijzondere omstandigheden behoefte hebben te parkeren in een gebied waar een vergunningsplicht van toepassing is.

  • 4. Ten behoeve van huwelijksvoltrekkingen kan een beperkte dagvergunning worden verleend.

  • 5. Indien de parkeervergunning is ingetrokken op grond van artikel 7 lid 1 onder aanhef e, f en h wordt een aanvraag voor een parkeervergunning door dezelfde vergunninghouder binnen zes maanden na intrekking, afgewezen.

  • 6. Bewoners- en bedrijvenvergunningen worden alleen verleend voor de zone waarin de natuurlijke persoon of bedrijf gevestigd is en beroep of bedrijf uitoefent;

  • 7. Het college kan in bijzondere gevallen een vergunning ook verlenen aan een eigenaar of houder van een motorvoertuig die niet voldoet aan één van de in het derde lid genoemde vereisten;

  • 8. Aan de vergunning kunnen zowel beperkingen worden verbonden met betrekking tot de te gebruiken parkeerplaatsen als met betrekking tot de tijdstippen waarop de vergunning van kracht is;

  • 9. Het college kan aan een vergunning ook andere voorschriften en beperkingen verbinden. Deze voorschriften en beperkingen mogen alleen strekken tot bescherming van het belang van een goede verdeling van de beschikbare parkeerruimte;

Artikel 4. Beslistermijn
  • 1. Het college beslist binnen vier weken na ontvangst van een aanvraag voor een vergunning;

  • 2. Het college kan de in het tweede lid genoemde termijn met ten hoogste vier weken verlengen. Van een verlenging van deze termijn wordt de aanvrager schriftelijk in kennis gesteld.

Artikel 5. Nadere regels door het college

Het college stelt in een “Besluit uitgifte parkeervergunningen” het beleid vast op grond waarvan de diverse soorten parkeervergunningen worden verleend met betrekking tot:

  • a.

    het maximaal aantal uit te geven parkeervergunningen per parkeervergunninggebied;

  • b.

    het verlenen, het intrekken en het ontzeggen van parkeervergunningen;

  • c.

    de zone(s) waar de parkeervergunning geldig is;

  • d.

    het gebruik van parkeervergunningen;

  • e.

    de geldigheidsduur van een parkeervergunning.

Artikel 6. Gegevens

De parkeervergunning bevat in ieder geval de volgende gegevens:

  • a.

    de datum van ingang van de vergunning;

  • b.

    de einddatum van de parkeervergunning;

  • c.

    het gebied waarvoor de vergunning geldt;

  • d.

    de naam en het adres van de vergunninghouder;

  • e.

    de voorschriften en beperkingen die aan een parkeervergunning verbonden zijn.

Artikel 7. Vergunning intrekken of wijzigen
  • 1. Het college kan een vergunning intrekken of wijzigen:

    • a.

      op verzoek van de vergunninghouder;

    • b.

      wanneer de vergunninghouder het gebied, waarvoor de vergunning is verleend, daadwerkelijk verlaat of het daar uitgeoefende beroep of bedrijf beëindigt;

    • c.

      wanneer er zich een wijziging voordoet in een van de omstandigheden die relevant waren voor het verlenen van de vergunning;

    • d.

      wanneer voor het betreffende gebied het stelsel van vergunningen komt te vervallen;

    • e.

      wanneer de vergunninghouder handelt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften;

    • f.

      wanneer blijkt dat bij de aanvraag van de vergunning onjuiste gegevens zijn verstrekt;

    • g.

      wanneer het college een administratieve fout heeft gemaakt;

    • h.

      wanneer niet tijdig is betaald;

    • i.

      om redenen van openbaar belang;

  • 2. Intrekking van een parkeervergunning op grond van lid 1 aanhef onder a,b,c,e,f,h en i geschiedt terstond. De intrekking van een parkeervergunning op grond van lid 1 aanhef onder g geschiedt met een termijn van drie maanden.

Afdeling III Verbodsbepalingen

Artikel 8. Verkeerd gebruik
  • 1. Het is verboden om enig voorwerp, niet zijnde een voertuig te plaatsen of te laten staan:

    • a.

      op een parkeerapparatuurplaats;

    • b.

      op een belanghebbendenplaats.

  • 2. Het is verboden een fiets, een bromfiets of enig ander voorwerp op zodanige wijze tegen of bij parkeerapparatuur te plaatsen of te laten staan, dat daardoor een normaal gebruik daarvan wordt belemmerd of verhinderd.

  • 3. Het college kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste en tweede lid.

Artikel 9. Wijze van betalen

Het is verboden parkeerapparatuur op andere wijze of met andere middelen, dan wel met andere munten dan die welke in de kennisgeving op de parkeerapparatuur staan aangegeven in werking te stellen.

Artikel 10. Wijze van gebruik
  • 1. Het is verboden gedurende de tijden waarop het parkeren op een belanghebbendenplaats slechts aan vergunninghouders is toegestaan aldaar een motorvoertuig te parkeren of geparkeerd te houden:

    • a.

      zonder vergunning;

    • b.

      in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften.

  • 2. Het college kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel.

Afdeling IV Strafbepaling

Artikel 11. Overtreding

Overtreding van het bepaalde in afdeling III van deze verordening wordt gestraft met hechtenis van

ten hoogste een maand of een geldboete van de eerste categorie.

Afdeling V Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 13. Toezicht
  • 1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij en krachtens deze verordening zijn belast de toezichthouders werkzaam bij of in opdracht van Team Toezicht en handhaving;

  • 2. Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening belast de door het college aangewezen personen.

Artikel 14. Hardheidsclausule

Het college is bevoegd, in gevallen waarin toepassing van deze verordening naar haar oordeel leidt tot onaanvaardbare gevolgen voor betrokkenen, ten gunste van de aanvrager af te wijken.

Artikel 15. Inwerkingtreding, overgangsbepaling en citeertitel
  • 1. De Parkeerverordening 2020, zoals vastgesteld bij Raadsbesluit van 13 november 2019 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid van dit artikel vastgestelde datum van inwerkingtreding, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de omstandigheden die zich hebben voorgedaan voordat deze verordening in werking treedt;

  • 2. Het op grond van de Parkeerverordening 2020 vigerende aanwijzingsbesluit belanghebbendenparkeren en het vigerende aanwijzingsbesluit parkeerapparatuurplaatsen, worden geacht mede op grond van deze verordening te berusten en blijven dus van kracht;

  • 3. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2021;

  • 4. Deze verordening kan worden aangehaald als “Parkeerverordening 2021”.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 11 november 2020

De raad voornoemd,

de griffier,

A. Kerver

de voorzitter,

R.C. König