Uitvoeringsregels maatschappelijke ondersteuning Drechterland 2020

Geldend van 01-01-2020 t/m heden

Intitulé

Uitvoeringsregels maatschappelijke ondersteuning Drechterland 2020

Hoofdstuk 1. Algemeen

Inleiding

Artikel 1. Doel en grondslag van de uitvoeringsregels

De Uitvoeringsregels maatschappelijke ondersteuning Drechterland 2020, (hierna: uitvoeringsregels) bevatten regels voor het hanteren van de verordening en de nadere regels ten behoeve van de uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Zij vormen het sluitstuk van de lokale regelgeving op het gebied van de Wmo 2015.

De grondslag voor deze uitvoeringsregels wordt gevormd door de Algemene wet bestuursrecht, de Wmo 2015, de Verordening maatschappelijke ondersteuning Drechterland 2020, de Nadere regels maatschappelijke ondersteuning en het Besluit maatschappelijke ondersteuning.

In deze uitvoeringsregels legt het college uit hoe het gebruik maakt van de verschillende bevoegdheden die het in dit verband heeft en hoe het diverse wettelijke omschrijvingen interpreteert. Dit bevordert de uniformiteit van het gemeentelijk handelen. En bovendien draagt het bij aan de transparantie bij de uitvoering van de wet en de rechtszekerheid voor de inwoners. Altijd moet echter in het achterhoofd worden gehouden dat de Wmo 2015, maatwerk veronderstelt en dat de toepassing van de uitvoeringsregels, zeker waar het de verstrekking van een maatwerkvoorziening of pgb betreft, wordt afgestemd op de individuele situatie van de cliënt.

Artikel 2. VN Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap

In juli 2016 is het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap van kracht geworden. Doel van dit verdrag is het volledige genot door alle personen met een handicap van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid te bevorderen, beschermen en waarborgen, en ook de eerbiediging van hun inherente waardigheid te bevorderen.

De doelgroep van het VN-verdrag omschrijft personen met een handicap als personen met langdurige fysieke, mentale, intellectuele of zintuiglijke beperkingen die hen in wisselwerking met diverse drempels kunnen beletten volledig, effectief en op voet van gelijkheid met anderen te participeren in de samenleving.

De gemeente Drechterland werkt aan een lokale inclusie-agenda met maatregelen om de geleidelijke verwezenlijking van algemene toegankelijkheid te realiseren. Deze maatregelen zijn erop gericht om personen met een handicap op voet van gelijkheid met anderen toegang te verlenen tot alle voorzieningen en diensten. Uitgangspunt bij de uitvoering van de Wmo uitvoeringsregels is het alert zijn op en waar mogelijk wegnemen van letterlijke en figuurlijke drempels in de samenleving.

Kernbegrippen

In de wet en in de verordening wordt een aantal begrippen gebruikt, die centraal staan in de ondersteuning in het kader van de Wmo 2015.

Deze begrippen worden hieronder verder uitgewerkt.

Artikel 3. Aanvaardbaar niveau

Het aanbieden van maatschappelijke ondersteuning gebeurt met het streven om de persoon op een aanvaardbaar niveau van participatie en zelfredzaamheid te laten komen en houden. Het gaat dan om een niveau dat bij zijn situatie past. Een aantal factoren speelt een rol bij de vraag of er sprake is van een aanvaardbaar niveau. Zo gaat het om de situatie van de betrokkene voordat hij geconfronteerd werd met zijn beperkingen. Maar ook om de situatie van personen in vergelijkbare omstandigheden en in dezelfde leeftijdscategorie die geen beperkingen hebben. En de eigen mogelijkheden van de cliënt, al dan niet met hulp van zijn informele netwerk, spelen hier een rol.

Aanvaardbaar wil van de andere kant zeggen, dat de persoon zich er soms bij neer moet leggen dat er belemmeringen blijven, of dat hij zich enige beperkingen zal moeten getroosten. De door het college te bieden ondersteuning beperkt zich in die zin tot wat noodzakelijk is in het licht van de versterking of het behoud van zelfredzaamheid en participatie. De ondersteuning gaat niet zover dat het college rekening kan en moet houden met wensen van de cliënt, wat betreft bijvoorbeeld persoonlijke voorkeuren, smaak, comfort en gewoontes. Steeds moet wel een afweging gemaakt worden in hoeverre dit zich verhoudt tot het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. Dit verdrag geeft aan wat de overheid moet doen om ervoor te zorgen dat de positie van mensen met een beperking verbetert.

Artikel 4. Algemeen gebruikelijk

Als een voorziening als algemeen gebruikelijk beschouwd kan worden dan betekent dit dat het college geen maatwerkvoorziening hoeft te verstrekken. In die zin is het een criterium om te voorkomen dat het college een voorziening verstrekt waarvan, gelet op de omstandigheden van de persoon met een beperking, aannemelijk is dat hij/zij hierover ook kon beschikken als er geen sprake was van een beperking.

Bij de beoordeling of een voorziening algemeen gebruikelijk is moet altijd gekeken worden naar de algemene situatie. Daarnaast moet ook beoordeeld worden of de voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de specifieke aanvrager. Het gaat zowel om de voorziening als zodanig als om de kosten. Te denken valt aan aspecten als de vraag of de voorziening specifiek is ontworpen voor mensen met een beperking en de vraag of de voorziening gewoon verkrijgbaar is.

Een algemeen gebruikelijke voorziening is een voorziening die niet bij wet, waaronder de Wmo 2015, wordt aangeboden en die, indien voorhanden, in redelijkheid een oplossing kan bieden voor de ondersteuningsbehoefte van de cliënt.

Het kan gaan om voorzieningen die:

  • niet speciaal zijn bedoeld voor mensen met een beperking;

  • in de reguliere handel verkrijgbaar zijn; en

  • niet meer kosten dan een vergelijkbaar product.

Te denken valt hierbij aan voorzieningen zoals een verhoogd toilet, een 1-greeps mengkraan, een elektrische of inductiekookplaat, een fiets met trapondersteuning, een auto. Maar ook om diensten, zoals bijvoorbeeld een boodschappendienst, maaltijdvoorziening, een klussendienst die via een thuisorganisatie worden aangeboden, hondenuitlaatdienst, niet-wettelijke kinderopvang, voorzieningen die via een aanvullende ziektekostenverzekering worden aangeboden, alarmering etc.

Daarnaast zijn er kosten waarmee iedereen te maken kan krijgen. En dus niet specifiek te maken hebben met iemands beperking. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om de kosten die samenhangen met het gebruik van een algemeen gebruikelijke voorziening of algemene voorziening, of de kosten van een verhuizing. Wel zal altijd in relatie tot de individuele situatie van de cliënt bekeken worden of de voorziening of de kosten ook in de concrete situatie algemeen gebruikelijk zijn.

Zo zijn bijvoorbeeld de kosten van een fiets met trapondersteuning voor een kind niet algemeen gebruikelijk, maar wel voor een (bijna) volwassene. De kosten van het gebruik van de eigen auto zijn wel algemeen gebruikelijk voor de middellange en lange afstanden, maar niet voor een bestemming op korte afstand waar iemand zonder beperkingen lopend of op de fiets naar toe zou gaan. De korte afstand is de afstand die normaal gesproken niet per auto wordt afgelegd en waarvoor bijvoorbeeld ook het collectief aanvullend openbaar vervoer (Regiotaxi) niet adequaat is. De korte afstand wordt door gezonde mensen lopend of met de fiets afgelegd, door mensen met een beperking wordt hier vaak een scootmobiel voor gebruikt.

Ook de financiële mogelijkheden van de cliënt kunnen hierbij een rol spelen. Hierbij geldt dat het aan de cliënt is om aannemelijk te maken een (in beginsel) algemeen gebruikelijke voorziening voor hem niet tot de (financiële) mogelijkheden behoort. Dit is uitdrukkelijk aan de cliënt. Want bij het onderzoek naar de vraag of een voorziening voor een ieder als algemeen gebruikelijk beschouwd kan worden, mag het inkomen en/of vermogen geen rol spelen. De financiële situatie speelt dus alleen een rol als een cliënt betwist dat hij een algemeen gebruikelijke voorziening kan betalen.

In zo’n geval kan het inkomen van de cliënt een rol spelen, maar ook het feit dat hij door een schuldsaneringstraject of beslag op zijn inkomen geen financiële ruimte heeft om te sparen of een lening af te sluiten. Als er sprake is van een plotseling optredende, onvoorziene noodzaak kunnen voorzieningen of kosten, die normaal gesproken als algemeen gebruikelijk worden aangemerkt, dat toch niet zijn. Zo is een verhuizing die plotseling noodzakelijk is omdat iemand een hersenbloeding heeft gekregen, niet algemeen gebruikelijk. Hetzelfde kan gelden als een voorziening plotseling noodzakelijk is en deze een recent aangeschaft algemeen gebruikelijk middel (bijvoorbeeld een fiets), vervangt.

Artikel 5. Arrangement

Een arrangement is een pakket van ondersteuning met maatwerkvoorzieningen voor dienstverlening, bestaande uit één of meer resultaatgebieden. Aanbieders hebben een integrale leveringsplicht voor het totale arrangement. Het arrangement wordt ingezet voor zover andere mogelijkheden (zoals gebruikelijke hulp, mantelzorg en algemene voorzieningen) niet mogelijk zijn of onvoldoende tegemoetkomen aan de belemmeringen van cliënt. Een arrangement is opgebouwd uit een profiel en een intensiteit. Binnen dit arrangement kan een aanbieder huishoudelijke hulp, begeleiding en dagbesteding leveren naar behoefte.

Artikel 6. Eigen kracht

Het college hoeft alleen een maatwerkvoorziening te verstrekken als het (onder andere) van oordeel is dat iemand niet op eigen kracht in staat is tot zelfredzaamheid of participatie. Of als iemand niet is aanwezen op beschermd wonen of opvang, vanwege de eigen kracht.

De eigen kracht van de cliënt heeft betrekking op de mogelijkheden van de cliënt om zelf bij te dragen aan het verbeteren van zijn situatie. Het wordt gezien als normaal om je in spannen om je eigen situatie te verbeteren. Of dat je iets doet voor een partner of een familielid. Daarbij heeft de gemeente de verantwoordelijkheid om te bevorderen dat burgers en hun omgeving hun eigen probleemoplossend vermogen benutten en versterken. En dus niet, of zo min mogelijk, aangewezen zijn op maatschappelijke ondersteuning.

De eigen kracht is afhankelijk van de individuele situatie van de cliënt, waarbij zijn beperkingen en leerbaarheid van invloed zijn.

Deze eigen kracht komt op verschillende momenten tot uitdrukking. Namelijk niet alleen als iemand al beperkingen heeft, maar ook in de situatie die daaraan voorafgaat. Bijvoorbeeld door te anticiperen op een levensfase waarin beperkingen niet ongebruikelijk meer zijn. Een jong stel bereidt zich voor op een levensfase waarin het kinderen krijgt en hiervoor kosten moet maken in verband met de aanschaf van de benodigde babyartikelen of een verhuizing naar een grotere woning. Op diezelfde wijze zal een ieder zich ook moeten voorbereiden op wat veelal hoort bij het ouder worden: de behoefte aan een kleinere woning in verband met het vertrek van kinderen, de nabijheid van winkels en gemaksdiensten, een gelijkvloerse woning in verband met verminderde mobiliteit.

Het gebruik maken van de eigen kracht betekent ook dat de cliënt zelf voorziet in de kosten/voorzieningen die algemeen gebruikelijk zijn. Een cliënt wordt geacht hiervoor op eigen kracht zorg te dragen. Gebruik maken van de eigen kracht veronderstelt daarnaast dat de cliënt zich voldoende verzekert, bijvoorbeeld door een passende aanvullende ziektekostenverzekering af te sluiten die aansluit bij de gezondheidssituatie en financiële mogelijkheden van de cliënt.

Uitdrukkelijk behoort tot de eigen kracht ook het beroep doen op voorzieningen op grond van een andere wet. In het spraakgebruik worden dit ook wel voorliggende voorzieningen genoemd. Ook in die situatie hoeft het college, met een beroep op eigen kracht, geen voorziening te verstrekken op grond van de Wmo 2015. De eigen kracht bestaat dan uit het tot gelding brengen van de aanspraak op grond van de andere wet.

Daarnaast behoort tot de eigen kracht ook het gebruik maken van de hulp van het netwerk, waar deze hulp beschikbaar is.

Bij het onderzoek naar het vaststellen van de eigen kracht zijn de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt van belang. Daarnaast is het van belang te onderkennen dat er ook grenzen kunnen zijn aan wat de eigen kracht is van een cliënt.

Artikel 7. Gebruikelijke hulp

Gebruikelijke hulp wordt in de Wmo 2015 wettekst als volgt gedefinieerd:

Hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten.

De mogelijkheid van inzet van gebruikelijke hulp heeft tot gevolg dat voor dit deel ondersteuning door het college niet noodzakelijk is.

Gebruikelijke hulp heeft, anders dan mantelzorg, een verplichtend karakter. De aanwezigheid van gebruikelijke hulp betekent dan ook dat er geen reden is om (voor dat deel van de ondersteuning) een maatwerkvoorziening of individuele voorziening toe te kennen.

Wel moet altijd onderzocht worden of de personen die gebruikelijke hulp zouden moeten leveren, hiertoe ook daadwerkelijk in staat zijn.

Gebruikelijke hulp moet dus worden onderscheiden van (niet-afdwingbare) mantelzorg.

Van mantelzorg is sprake zodra de hulpbehoefte het niveau van gebruikelijke hulp overstijgt.

Degenen van wie verondersteld wordt dat zij gebruikelijke hulp kunnen leveren (hierna voor het gemak huisgenoot genoemd), zijn verplicht om, binnen hun mogelijkheden, mee te werken aan zo’n onderzoek. Weigeren zij dit dan kan de omvang van de benodigde ondersteuning niet worden vastgesteld en kan worden besloten geen voorziening te verstrekken, een lagere omvang vast te stellen of een eerder toegekende voorziening in te trekken.

Het onderzoek richt zich op twee aspecten:

  • wat mag redelijkerwijs van de huisgenoot verwacht worden; en

  • is die huisgenoot hiertoe ook daadwerkelijk in staat? Hierbij geldt dat iemands persoonlijke voorkeur en/of levensovertuiging geen rol speelt bij de beoordeling of iemand - objectief gesproken - gebruikelijke hulp kan leveren.

  • Uitgangspunt is, dat gebruikelijke hulp geleverd kan worden, tenzij uit het onderzoek blijkt dat dit niet het geval is. Een huisgenoot kan bijvoorbeeld geen gebruikelijke hulp leveren:

    • bij aanwezigheid van geobjectiveerde beperkingen op het gebied van de noodzakelijke ondersteuning;

    • bij gebrek aan kennis/vaardigheden om de ondersteuning te bieden. Hier geldt wel dat tijdelijk een maatwerkvoorziening of individuele voorziening ingezet kan worden om de huisgenoot de gelegenheid te bieden de noodzakelijke vaardigheden aan te leren. Het leervermogen speelt hier wel een rol;

    • bij (dreigende) overbelasting. Er wordt dan geen gebruikelijke hulp verwacht totdat deze (dreigende) belasting is opgeheven. Onderzocht moet worden welke mogelijkheden de huisgenoot heeft om de (dreigende) overbelasting op te heffen. Onder andere mag verwacht worden dat de huisgenoot bereid is maatschappelijke activiteiten te beperken om zo de (dreigende) overbelasting op te heffen;

    • bij fysieke afwezigheid. Deze afwezigheid moet wel een verplichtend karakter hebben, bijvoorbeeld vanwege werk (in het buitenland, offshore of als internationaal chauffeur). Daarnaast moet gekeken worden naar de aard van de ondersteuning en de duur van de afwezigheid. Als ondersteuning uitstelbaar is dan wordt pas uitgegaan van afwezigheid van gebruikelijke hulp als het om een aaneengesloten periode van tenminste zeven etmalen gaat.

Bij personen die niet in dezelfde woning wonen, kan geen sprake zijn van gebruikelijke hulp. Wel kan mantelzorg aan de orde zijn. Bij een huisgenoot, anders dan ouder of kind, moet duidelijk zijn dat hij in dezelfde woning woont. Dit is bijvoorbeeld niet het geval als er sprake is van twee appartementen, elk met een eigen toegangsdeur, die slechts te bereiken zijn via een gezamenlijke ingang aan de openbare weg. Bij onduidelijkheid over de vraag of er sprake is van “dezelfde woning” zoekt het college in het onderzoek aansluiting bij de uitleg over zelfstandige woonruimte in het kader van de regelgeving over de huurtoeslag.

Wat concreet valt onder “gebruikelijke hulp” wordt bepaald door wat naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de ouder of het inwonend kind of de andere huisgenoot. Dit wordt bepaald door meerdere factoren, zoals bijvoorbeeld:

  • de aard en intensiteit van de ondersteuning. Zo wordt bij het schoonhouden van de woning meer van een huisgenoot verwacht dan bij zelfzorg;

  • de verwachte duur van de ondersteuningsbehoefte. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in een kortdurende en langdurige ondersteuningsbehoefte.

Er is sprake van een kortdurende ondersteuningsbehoefte als er binnen afzienbare tijd (richtlijn: maximaal drie maanden) uitzicht is op een dusdanige verbetering van de problematiek en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de cliënt, dat ondersteuning daarna niet langer is aangewezen.

Bij een langdurige ondersteuningsbehoefte wordt in principe uitgegaan van een periode van langer dan drie maanden.

Hoe korter de verwachte duur van de ondersteuning, hoe meer men mag verwachten van een huisgenoot;

  • wat de relatie is tot degene die ondersteuning nodig heeft. Van een partner worden andere dingen verwacht dan van een huisgenoot. En van een minderjarig kind kan minder verwacht worden dan van een meerderjarig kind;

  • bij ondersteuning aan kinderen: de leeftijd van het kind.

Artikel 8. Leefeenheid

Onder een leefeenheid wordt verstaan: alle bewoners die een gemeenschappelijke woning bewonen met als doel een duurzaam huishouden te voeren. Als er sprake is van kamerverhuur, wordt de huurder van de desbetreffende ruimte niet tot het huishouden gerekend. De kamerhuurder heeft dan ook geen taken ten aanzien van de persoon met een beperking die in dezelfde woning woont. Hierbij gaat het wel om de feitelijke situatie. De kwalificatie die bewoners zelf aan hun situatie geven is niet doorslaggevend.

Artikel 9. Mantelzorg

Mantelzorg wordt in de wet als volgt gedefinieerd:

Hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie beschermd wonen of opvang, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie en niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep.

In tegenstelling tot gebruikelijke hulp is mantelzorg niet afdwingbaar. Concreet betekent dit dat (het indiceerbare deel van) de ondersteuning opgenomen wordt in het ondersteuningsplan. Wanneer de mantelzorger (al dan niet tijdelijk) wegvalt, dient de cliënt dit door te geven, zodat een professionele ondersteuner het stukje mantelzorg kan overnemen.

De mate waarin mantelzorgers bereid en in staat zijn een deel van de indiceerbare ondersteuning te bieden, is bepalend voor de omvang van de (professionele) ondersteuning die iemand feitelijk krijgt. Hierbij speelt de belastbaarheid van mantelzorgers een grote rol. Deze is niet voor iedereen gelijk. Voor de ene persoon zal het bieden van lichte begeleiding per dag het maximum zijn dat hij of zij kan dragen, terwijl voor een ander de grens hoger kan liggen. Deze verschillen worden in belangrijke mate bepaald door de persoonlijke omstandigheden van de mantelzorger (leeftijd, gezinssituatie, eigen gezondheid et cetera). Bij het indicatieproces kan de mantelzorger aangeven welke ondersteuning hij nodig heeft om mantelzorg te kunnen bieden. Het voorgaande geeft aan dat mantelzorg niet gezien kan worden als een soort voorliggende voorziening. Tijdens het onderzoek dient dit te worden nagegaan. Dit is vooral vanuit het belang van de cliënt om continuïteit van de ondersteuning te borgen.

Daarnaast hecht het college ook waarde aan de inzet van mantelzorgers. Dit komt op verschillende manieren tot uitdrukking, bijvoorbeeld in de vorm van een mantelzorgwaardering en de mogelijkheid om zelf huishoudelijke hulp te ontvangen via de HHT-regeling.

Artikel 10. Identificatieplicht Wmo 2015

De Wmo 2015 vereist dat het college de identiteit van een cliënt vaststelt. Dit moet aan de hand van een geldig document in de zin van de Wet op de identificatieplicht. Voorbeelden van geldige legitimatiebewijzen zijn een rijbewijs, Nederlandse identiteitskaart, nationaal paspoort, diplomatiek paspoort en een document in het kader van het Gemeenschapsrecht.

Ook reisdocumenten voor vreemdelingen kunnen een geldig identiteitsbewijs zijn. Het gaat dan om documenten in de zin van de Vreemdelingenwet 2000, waaruit blijkt wie de vreemdeling is en wat zijn verblijfsrechtelijke positie is. Dit laatste is belangrijk omdat een vreemdeling slechts in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening als hij rechtmatig verblijf houdt in Nederland in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l van de Vreemdelingenwet. Op (de achterkant) van het verblijfsdocument staat vermeld op welke grondslag de vreemdeling in Nederland verblijft. Op die eis van rechtmatig verblijf geldt één uitzondering. Bij (eventuele) opvang in verband met risico’s voor de veiligheid van de betrokkene als gevolg van huiselijk geweld geldt dit niet.

Daarnaast kan gelden dat een vreemdeling met een Nederlander gelijkgesteld is, dit ondanks het feit dat hij niet rechtmatig in Nederland verblijft. De situaties waarin er sprake is van zo’n gelijkstelling staan in artikel 2.1, eerste lid van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Ook vreemdelingen die niet rechtmatig in Nederland verblijven maar die al vóór 24 februari 2014 een beroep deden op maatschappelijke opvang, kunnen dit recht nog behouden.

Het vaststellen van de identiteit is onderdeel van het onderzoek dat naar aanleiding van een melding plaatsvindt. Daarnaast moet iemand die een aanvraag indient zich, als het college daar om vraagt, kunnen identificeren.

Op grond van de Wet op de identificatieplicht is een persoon pas vanaf de leeftijd van 14 jaar verplicht te beschikken over een dergelijk document. Dat betekent dat ten aanzien van een kind dat jonger is dan 14 jaar en dat niet over een geldig identiteitsbewijs beschikt, dit niet kan worden afgedwongen. Volstaan kan worden met de identificatie van de ouder die namens de cliënt de melding of aanvraag doet en een controle van de informatie uit de Basisregistratie Persoonsgegevens (BRP).

Vanuit de gemeente bestaat de mogelijkheid om met een huisbezoek namens de afdeling Burgerzaken een aanvraag te doen voor een geldig legitimatiebewijs.

Als van een cliënt in redelijkheid niet kan worden gevraagd om een nieuw identiteitsbewijs aan te vragen (bijvoorbeeld in verband met ernstige ziekte) en de identiteit van de cliënt op andere wijze afdoende kan worden vastgesteld, dan kan op deze identificatieplicht een uitzondering worden gemaakt. Dit moet wel toegelicht worden.

Als een cliënt zich alleen meldt (al dan niet telefonisch) en meteen, zonder dat een onderzoek plaatsvindt, wordt doorverwezen naar een algemene voorziening, is identificatie op grond van de wet niet noodzakelijk.

Artikel 11. Medewerkingsplicht

In het verlengde van de inlichtingenplicht ligt de medewerkingsplicht. Die houdt in dat de cliënt alle medewerking moet verlenen aan de uitvoering van de Wmo 2015 die het college noodzakelijk vindt. Zo is iemand verplicht om gehoor te geven aan een oproep van het college of om zich te onderwerpen aan onderzoek dat door (of namens) het college is ingesteld.

Bij een onderzoek naar de vraag of er sprake is van gebruikelijke hulp geldt de medewerkingsplicht óók voor de huisgenoten van de cliënt.

Als iemand niet voldoet aan de medewerkingsplicht dan kan dit gevolgen hebben voor het vaststellen van het recht op een maatwerkvoorziening. Zo kan het zijn dat het college niet kan vaststellen of iemand (nog langer) recht heeft op een maatwerkvoorziening. Of dat de omvang van de voorziening niet kan worden vastgesteld.

Van de cliënt aan wie een maatwerkvoorziening voor dienstverlening wordt toegekend, wordt verwacht dat hij naar vermogen meewerkt aan het opstellen van het ondersteuningsplan en het behalen van de daarin beschreven doelen en resultaten. Dit omvat ook de afspraken die worden gemaakt met de aanbieder in het kader van de leveringsopdracht. Onder medewerking wordt dus ook verstaan het naleven van huis- en gedragsregels en/of omgangsvormen.

Het al dan niet opzettelijk niet meewerken aan het behalen van de doelen en resultaten en/of het niet nakomen van gemaakte afspraken, kan leiden tot een tijdelijke opschorting van de ondersteuning of, in het uiterste geval, tot beëindiging daarvan. Uiteraard kan dit niet als uit de aard van iemands beperkingen voortvloeit dat die medewerking niet of in beperkte mate verleend kan worden.

Artikel 12. Onafhankelijke cliëntondersteuning

De cliënt en zijn mantelzorger worden voor het onderzoek gewezen op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning. De cliëntondersteuning is onafhankelijk en helpt bij het verduidelijken van de hulpvraag, het maken van keuzes en het organiseren van de juiste hulp. Ook draagt de cliëntondersteuning bij aan een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen.

Cliëntondersteuners zijn onafhankelijk en objectief. Een cliëntondersteuner kan meedenken met cliënt maar mag of zal zelf geen beslissing nemen over een aanvraag voor ondersteuning of voor een voorziening.

Inwoners met een ondersteuningsvraag kunnen een beroep doen op een cliëntondersteuner. Dit kan een vrijwilliger en/of een professional zijn. Deze kan helpen bij het formuleren van de hulpvraag en ondersteunend zijn bij het vinden van de weg in de toegang en zo nodig de verdere zorg en ondersteuning. Een cliëntondersteuner helpt de weg te vinden naar de oplossingen en als dat nodig is daarbij een gerichte aanspraak te doen op de gemeente.

Artikel 13. Participatie

De wetgever verstaat onder participatie:

het deelnemen aan het maatschappelijk verkeer

Dit wil zeggen dat iemand, ondanks zijn lichamelijke, verstandelijke beperkingen of psychiatrische of psychosociale problematiek, zoveel mogelijk op gelijke voet met anderen in redelijke mate mensen kan ontmoeten, contacten kan onderhouden, boodschappen kan doen en aan maatschappelijke activiteiten kan deelnemen. Daarvoor is het ook een vereiste dat hij zich kan verplaatsen.

Participatie kan op verschillende manieren worden bevorderd. Onder andere door het treffen van algemene voorzieningen en/of maatwerkvoorzieningen. Ook kan participatie worden verbeterd door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten. Een cliënt kan echter niet gedwongen worden om, in ruil voor ondersteuning, activiteiten te verrichten in die zin dat hij de (aanspraak op) ondersteuning verliest als hij dit niet wil.

Artikel 14. Resultaatgebied

Het streven is de benodigde ondersteuning zo lokaal en dichtbij mogelijk aan te bieden aan de inwoners en samen tot een plan van aanpak te komen. Het uitgangspunt is dat de inwoner zelf de regie blijft houden.

Team Inzet is een organisatie met professionals met verschillende kennis en ervaring. Er wordt ondersteuning geboden aan inwoners van de gemeente, met name waarbij sprake is van problemen op verschillende gebieden tegelijk.

De kennis van Team Inzet betreft jeugd- en opvoedproblematiek, bemoeizorg, licht verstandelijke beperkingen, psychiatrie en verslaving, veiligheid, ouderen en chronisch zieken.

Inwoners kunnen terecht voor informatie en advies. Wanneer dit niet voldoende is, kan verdere ondersteuning geboden worden, indien nodig ook op individueel niveau. De inwoner en zijn of haar gezin staan hierbij centraal en er wordt gewerkt met de methode 1 gezin – 1 plan. Team Inzet kijkt naar het versterken van de eigen kracht en het eigen netwerk. Er wordt ook daadwerkelijk ondersteuning geboden middels een hulpverleningstraject. In de verordeningen voor zowel de Jeugdwet als de Wmo is ook aangegeven dat Team Inzet als algemene voorziening de eerste aangewezen hulpvorm is voordat een aanvraag voor individuele specialistische hulp toegekend wordt op grond van de Jeugdwet of Wmo.

Bij een eventuele aanvraag of melding zal altijd eerst gekeken worden of de hulpvraag middels hulp van Team Inzet kan worden opgelost. Hier is geen toekenningsbeschikking van de gemeente voor nodig en dit is dan ook de reden dat de rol van de Team Inzet niet uitvoerig in de verordening beschreven staat. Er is slechts een vermelding dat een het oplossen van een hulpvraag middels Team Inzet de eerst aangewezen voorkeur is, conform de bedoeling van de wetgever.

Wanneer er wel gekozen wordt voor een individueel traject waarbij een gemeentelijke toekenningsbeschikking nodig is wordt bezien waar het zwaartepunt ligt voor wat betreft de coördinatie en contact rondom de inwoner en het gezin en de in te zetten hulp. Blijft Team Inzet bemoeienis houden met de inwoner, dan kan de aanbieder van de ondersteuning en hulp de voortgang bespreken met de contactpersoon van Team Inzet.

Het beoordelen van het uiteindelijke resultaat van de inzet van de aanbieder wordt echter altijd gedaan door een consulent van de gemeente aangezien de gemeente contractpartner is van de aanbieder.

Team Inzet is voor inwoners van Drechterland te bereiken via een verwijzer. Verwijzers kunnen zijn de huisarts, het onderwijs, de GGD, maatschappelijk werk, politie, wijkverpleegkundige, woningbouwvereniging of een Wmo- of Jeugdconsulent van de gemeente.

De ondersteuning die het college door middel van een maatwerkvoorziening of pgb verleent in de vorm van dienstverlening, vindt plaats binnen 1 of meerdere resultaatgebieden, die allemaal te maken hebben met het uiteindelijke doel van maatschappelijke ondersteuning:

  • behoud en zo mogelijk versterking van de zelfredzaamheid en participatie;

  • opvang en beschermd wonen wat uitgevoerd wordt door de (centrum)gemeente Hoorn.

De resultaatgebieden worden in hoofdstuk 2 verder uitgewerkt. Hierbij wordt ook aangegeven voor welke doelgroepen de resultaatgebieden van toepassing kunnen zijn. Ook andere ondersteuning dan dienstverlening kan worden verstrekt binnen deze resultaatgebieden. Zo zal binnen het resultaatgebied “sociaal en persoonlijk functioneren” een vervoersvoorziening voor sociaal recreatief vervoer aan de orde kunnen zijn om het de cliënt mogelijk te maken te participeren.

Binnen een resultaatgebied wordt gewerkt aan subdoelstellingen die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen. Aan welke subdoelstellingen wordt gewerkt en met welke intensiteit hangt af van de individuele situatie van de cliënt. Aan de verschillende punten kan gelijktijdig worden gewerkt.

Artikel 15. Sociaal-recreatief vervoer

Het gaat bij sociaal-recreatief vervoer om vervoer dat bestemd is voor participatie en zelfredzaamheid van een cliënt. Het gaat om vervoer naar bijvoorbeeld een buurtactiviteit, vrienden en familie, een theater, winkels en dergelijke.

Een voorziening voor sociaal-recreatief vervoer stelt de cliënt in staat zijn zelfredzaamheid te verbeteren of te handhaven, dan wel te participeren in de samenleving.

Een vervoersvoorziening is adequaat wanneer een cliënt jaarlijks 1.500 tot 2.000 kilometer kan reizen. De kilometers die iemand met bijvoorbeeld een scootmobiel aflegt, horen bij deze bandbreedte.

Artikel 16. Vertegenwoordiger

Een vertegenwoordiger is op grond van de definitie in de Wmo 2015 de persoon of rechtspersoon die een cliënt vertegenwoordigt die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake.

Als een cliënt niet zelfstandig in staat is tot het behartigen van zijn belangen, bijvoorbeeld als gevolg van een verstandelijke of psycho-geriatrische beperking, of omdat het om een kind gaat, kan deze vertegenwoordiger zijn plaats innemen bij bijvoorbeeld het indienen van de aanvraag.

Het begrip vertegenwoordiger wordt gebruikt als overkoepelend begrip en is bedoeld om aan te geven dat het hier degene betreft die een aanvraag namens de cliënt mag indienen of namens hem mag handelen in relatie tot het persoonsgebonden budget.

Er zijn in de praktijk en in het spraakgebruik diverse soorten vertegenwoordigers. Deze zijn niet automatisch gelijk aan de vertegenwoordiger die handelt namens de cliënt in het kader van de Wmo 2015. In het maatschappelijk verkeer zijn er diverse vormen van wettelijke vertegenwoordigers, zoals de curator, de bewindvoerder, de mentor, de ouders en de voogd. Voorts zijn er persoonlijk vertegenwoordigers, zoals familieleden, beroepsgroepen, bureaus en overige natuurlijke en rechtspersonen. Een persoonlijk vertegenwoordiger kan alleen als vertegenwoordiger optreden als deze expliciet door de cliënt is gevolmachtigd.

De wettelijk en persoonlijk vertegenwoordigers zijn niet per definitie de vertegenwoordiger in het kader van de Wmo 2015. Wanneer er sprake is van een (aanvraag voor een) pgb, zowel binnen de Wmo 2015 als de Jeugdwet, zijn er in de eigen regelgeving nadere eisen en voorwaarden gesteld aan degene die de rol van pgb-vertegenwoordiger op zich neemt.

Het college ziet er op toe dat de vertegenwoordiger ook werkelijk de belangen van de cliënt vertegenwoordigt. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht kan het college een gemachtigde (waarmee de vertegenwoordiger vaak gelijk gesteld wordt) weigeren als tegen die gemachtigde ernstige bezwaren bestaan.

Artikel 17. Voorliggende voorziening

Een voorliggende voorziening is onderdeel van het beroep op eigen kracht. Als voorliggende voorziening wordt beschouwd de (al dan niet bij wet geregelde) voorziening waar de cliënt daadwerkelijk een beroep op kan doen en waardoor hij geen of in mindere mate een beroep hoeft te doen op maatschappelijke ondersteuning.

Artikel 18. Zelfredzaamheid

De wetgever verstaat onder zelfredzaamheid:

In staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden.

Uit de definitie volgt dat zelfredzaamheid bestaat uit twee elementen:

  • het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen;

  • het voeren van een gestructureerd huishouden.

Algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) zijn de handelingen die mensen dagelijks in het gewone leven verrichten, met inbegrip van persoonlijke verzorging. Het gaat dan bijvoorbeeld om:

  • in en uit bed komen;

  • aan‐ en uitkleden;

  • bewegen;

  • lopen;

  • gaan zitten en weer opstaan;

  • lichamelijke hygiëne (wassen);

  • toiletbezoek;

  • eten/drinken;

  • medicijnen innemen;

  • ontspanning;

  • sociaal contact.

In sommige gevallen valt de ondersteuning voor ADL onder de reikwijdte van de Zorgverzekeringswet.

Hoofdstuk 2. Aanvragen en besluit maatwerkvoorziening

Algemeen

Naar aanleiding van een melding wordt deel 1 van het perspectiefplan ingevuld door de cliënt, zijn vertegenwoordiger of een verwijzer van de lokale toegang. Hierna wordt een onderzoek uitgevoerd ter verheldering van de hulpvraag. Het onderzoek richt zich op degene die onderwerp is van de melding. Indien degene die het onderzoek namens het college uitvoert, of de cliënt, dit wenselijk of noodzakelijk acht, worden eventuele mantelzorgers, familieleden of reeds aanwezige hulpverleners bij het onderzoek betrokken. Dit neemt niet weg dat degene die het onderzoek uitvoert te allen tijde het recht heeft cliënt zonder aanwezigheid van derden te spreken. Het college kan, in het belang van het onderzoek, een reden hebben om de cliënt (ook) alleen te spreken, bijvoorbeeld als het college de indruk heeft dat er door de aanwezige derden ongeoorloofde druk of invloed wordt uitgeoefend op de cliënt, bijvoorbeeld om bepaalde dienstverlening al dan niet te betrekken.

Een aanbieder wordt in het stadium van het onderzoek naar aanleiding van de melding niet betrokken bij het onderzoek, tenzij het onderzoek c.q. de vraagverheldering in opdracht van het college door deze aanbieder wordt verricht. Een pgb-aanbieder is derhalve niet aanwezig in het kader van het onderzoek en komt pas concreet in beeld nadat het perspectiefplan deel 2 is opgesteld, en het de wens is van de cliënt de verstrekking van de ondersteuning te laten plaatsvinden in de vorm van een pgb.

Het college onderzoekt de onderwerpen die in de wet en de verordening staan opgenomen, zoals de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt, de mogelijkheden van cliënt en/of zijn netwerk om zelf oplossingen te vinden voor zijn belemmeringen. Ook verstrekt het college de benodigde informatie. Bijvoorbeeld over beschikbare voorliggende voorzieningen, algemene voorzieningen, vrijwilligerswerk en de eigen bijdrage voor maatwerkvoorzieningen en pgb. Cliënt kan ook een persoonlijk plan overhandigen, waarin hij deze punten heeft beschreven en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest aangewezen is. Dit plan dient dan als basis voor het onderzoek.

Het onderzoek wordt afgerond met deel 2 van het perspectiefplan wat aan de cliënt wordt verstrekt.

In overleg met de cliënt zal dit perspectiefplan gedeeld worden met de beoogde aanbieder. De aanbieder zal met de cliënt deel 3 van het perspectiefplan invullen, waarin de te leveren zorg nauwkeurig omschreven wordt.

Artikel 19. Perspectiefplan

Cliënt ontvangt na het onderzoek een perspectiefplan dat in ieder geval een weergave van het gesprek bevat alsmede de mogelijkheid voor ondersteuning in de vorm van een algemene voorziening dan wel een maatwerkvoorziening.

Als de conclusie van het onderzoek is, dat cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, dan wordt aan het perspectiefplan deel 3 toegevoegd waarin wordt beschreven hoe de zorg concreet geleverd zal worden en wat dit bijdraagt aan de zelfredzaamheid of participatie.

De cliënt wordt in de gelegenheid gesteld om aanvullingen of correcties te plaatsen en ondertekent het perspectiefplan, samen met de aanbieder. Deze ondertekende versie wordt als aanvraag om een maatwerkvoorziening ingediend bij het college.

Hoofdstuk 3. Toegangs- en financieringsvormen tot een maatwerkvoorziening

Artikel 20. Algemeen, onderzoek en keuze aanbieder

In het kader van het onderzoek naar aanleiding van een melding gelden de algemene regels. Dat betekent dat ook wanneer er sprake zou kunnen zijn van een pgb, degene die het onderzoek uitvoert te allen tijde het recht heeft, om in het belang van het onderzoek, cliënt zonder aanwezigheid van derden te spreken.

De mogelijke uitvoerder van de ondersteuning wordt in het stadium van het onderzoek naar aanleiding van de melding niet betrokken bij het onderzoek, tenzij dit noodzakelijk is in het kader van de vraagverheldering of het onderzoek c.q. de vraagverheldering in opdracht van het college door deze aanbieder wordt verricht.

Een pgb aanbieder komt derhalve in beginsel pas concreet in beeld nadat het ondersteuningsplan is opgesteld, en het de wens is van de cliënt de verstrekking van de ondersteuning te laten plaatsvinden in de vorm van een pgb.

Als tot de conclusie wordt gekomen dat ondersteuning nodig is, kan de cliënt aangeven of hij de verstrekking van de ondersteuning middels (het toegelichte aanbod in) zorg in natura wil ontvangen, of opteert voor het zelf inkopen via een pgb.

Het uitgangspunt is dat een cliënt óf kiest voor Zorg in Natura, óf –daar waar mogelijk- voor een pgb.

De benodigde zorg wordt dan of via een gecontracteerde aanbieder verleend, of via een niet-gecontracteerde pgb-aanbieder. Een combinatie van ZIN en pgb is in principe niet mogelijk.

Wanneer een aanbod voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb overeenkomt met het aanbod van een gecontracteerde aanbieder, zal het college dit onder de aandacht van de cliënt brengen. Immers, de kwaliteit van de met het pgb ingekochte ondersteuning moet minimaal voldoen aan de eisen die het college stelt aan de door haar gecontracteerde aanbieders.

Artikel 21. Persoonsgebonden budget en pgb-plan

Wanneer de cliënt het onderzoeksverslag of perspectiefplan ontvangen heeft moet de cliënt (of diens vertegenwoordiger) een pgb-plan opstellen.

Dit pgb-plan wordt getoetst door een namens het college gemandateerde medewerker. Daarbij wordt beoordeeld of de omschreven ondersteuning in het pgb-plan van voldoende kwaliteit is en in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van de in het perspectiefplan opgenomen doelen. Voorts wordt getoetst op (wettelijke) verlenings- en weigeringsgronden en de pgb-vaardigheid.

In het pgb-plan motiveert de cliënt waarom er voor een pgb gekozen wordt, op welke manier de doelen uit het perspectiefplan behaald worden, bij wie de ondersteuning wordt ingekocht, hoe deze wordt georganiseerd, hoe de kwaliteit is gewaarborgd. Ook moet hij een financieel overzicht opnemen.

In dit plan legt de cliënt en, indien van toepassing, de vertegenwoordiger de pgb-verklaring af. Met het indienen van het pgb-plan verklaren de cliënt en zijn eventuele vertegenwoordiger dat de cliënt en de eventuele vertegenwoordiger het pgb op een verantwoorde wijze kunnen beheren. Dit houdt onder andere in dat de cliënt en de eventuele vertegenwoordiger zich bewust is van de verantwoordelijkheid die de rol van budgethouder, dan wel vertegenwoordiger voor het pgb, inhoudt.

Na het opstellen van het pgb-plan wordt er een gesprek ingepland met de cliënt. Wanneer er sprake is van een vertegenwoordiger, dient deze ook aanwezig te zijn bij het gesprek.

Artikel 22. Pgb-vaardigheden

Een cliënt dient in staat te zijn de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Het beheren van een pgb is geen simpele en ook geen vrijblijvende taak. Met een pgb neemt een cliënt zelf de regie in handen over zijn ondersteuning. De cliënt moet zelf zorgverleners inhuren, goede afspraken maken, zorgverleners aansturen, zorgdragen voor tijdige declaratie van ondersteuning, de administratie bijhouden, bijdragen aan tijdige en correcte betaling door de Sociale verzekeringsbank (of het college) via het zogeheten trekkingsrecht, op basis van declaraties en zorgovereenkomsten. De cliënt is er primair zelf verantwoordelijk voor dat de kwaliteit van de ondersteuning die hij inhuurt voldoende is. Ook dient hij zelf zorg te dragen voor vervanging tijdens ziekte en verlof. Derhalve is het belangrijk dat de cliënt, of in voorkomende gevallen diens vertegenwoordiger, voldoende in staat is het pgb te beheren en zijn belangen te behartigen.

Het college acht een persoon niet in staat de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren, als sprake is van de hieronder genoemde omstandigheden. Deze omstandigheden geven het signaal aan de beoordelaar dat dóór de omstandigheden, cliënt niet in staat wordt geacht zelf een pgb te kunnen beheren. In het ondersteuningsverslag (en eventueel in de afwijzende beschikking) dient de beoordeling goed onderbouwd en gemotiveerd te worden.

Mocht de cliënt alsnog een pgb wensen, dan dient er een vertegenwoordiger te zijn die de aan het pgb verbonden taken kan uitvoeren. De vertegenwoordiger dient ook te voldoen aan de gestelde eisen en wordt eveneens getoetst op de onderstaande aspecten.

Bij de beoordeling van pgb-vaardigheid zou gebruik gemaakt kunnen worden van de pgb-test zoals deze wordt aangeboden door Per Saldo. Voor deze test kan de cliënt niet slagen of zakken en de uitslag op zich kan dan ook geen reden zijn om een pgb af te wijzen. De test is bedoeld om cliënt meer inzicht te geven in de mate waarin cliënt beschikt over de vaardigheden die noodzakelijk zijn om een pgb te beheren.

Relevante omstandigheden met betrekking tot de pgb-vaardigheid:

a. Problematische schuldenproblematiek

Problematische schuldenproblematiek maakt de kans groot en aannemelijk dat cliënt voor het beheren van een pgb belangrijke financiële vaardigheden en verantwoordelijkheden ontbeert. Het is daarom niet wenselijk dat een cliënt, zolang hij zijn financiële zaken niet goed en zelfstandig op orde heeft, zelf een pgb beheert.

Signalen die kunnen wijzen op problematische schulden bij de cliënt (of zijn vertegenwoordiger), zijn bijvoorbeeld dat de cliënt zelf aangeeft dat er (verwijtbare) schulden zijn, cliënt in de schuldsanering zit, onder bewindvoering staat, dan wel een indicatie heeft gekregen voor het resultaatgebied ‘Financiën’, zonder een vertegenwoordiger te hebben.

b. Ernstige verslavingsproblematiek

Ernstige verslavingsproblematiek bij een cliënt maakt dat deze vanwege de verslaving niet in staat is regie te voeren over zijn eigen leven, laat staan over een pgb. Ook de omstandigheid van een problematische ex-verslaving of de omstandigheid dat de cliënt bezig is de verslaving de baas te worden maakt dat de cliënt minder in staat geacht wordt om regie te voeren over zijn eigen leven, of over een pgb. Bij vermoedens van ernstige verslaving kan daar in het onderzoek nader onderzoek naar gedaan worden, bijvoorbeeld door het opvragen van een onafhankelijk medisch advies.

Signalen die kunnen wijzen op verslavingsproblematiek bij de cliënt, zijn bijvoorbeeld dat dit onderdeel is van de melding en uit het onderzoek komt, of dat cliënt verslaving gerelateerd gedrag vertoont.

c. Aangetoonde fraude begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag

Wanneer een cliënt eerder frauduleus heeft gehandeld, op welk terrein dan ook, is het aannemelijk dat de verleidingsrisico’s bij het verstrekken van een pgb te groot zijn.

Dit geldt te meer indien de cliënt, dan wel vertegenwoordiger, dan wel het bedrijf waar de vertegenwoordiger werkt, eerder betrokken is geweest bij pgb-fraude.

d. Een aanmerkelijke verstandelijke beperking

Een indicatie voor een verstandelijke beperking is een (zeer) laag IQ. Tevens zijn er beperkingen in de sociale aanpassing die- zonder ondersteuning- participatie in de weg staan. Er is vaak sprake van moeite met concentratie en aandacht en een laag zelfbeeld; soms zijn er bijkomende lichamelijke problemen dan wel een kwetsbare gezondheid.

Een pgb-test zoals Per Saldo aanbiedt zou meer informatie hierover kunnen bieden.

e. Een ernstig psychiatrisch ziektebeeld

Bij GGZ-problematiek die in ernstige mate aanwezig is, is de kans groot dat het vrijwel onmogelijk is voor de cliënt om op stabiele en consistente wijze de regie te kunnen voeren over een pgb. Met name de beoordeling of de geleverde zorg doeltreffend en professioneel is, zal ingewikkeld zijn. Dat maakt dat er een verhoogd risico is op niet wenselijke afhankelijkheidsrelaties tussen de cliënt en de pgb-aanbieder. Een aanbod van zorg in natura past vaak beter in het (zorg)belang van de cliënt.

f. Vastgestelde blijvende cognitieve stoornis

Wanneer een cliënt een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis heeft, is het aannemelijk dat cliënt daarmee de regie over zijn leven niet in de hand heeft.

Voorbeelden van blijvende cognitieve stoornissen zijn de diverse vormen van dementie en de ziekte van Korsakov.

g. Het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal, in woord en geschrift

Het beheren van een pgb is niet mogelijk wanneer cliënt de Nederlandse taal onvoldoende beheerst. Het voldoende kunnen begrijpen (en dus kunnen lezen) van alle voorwaarden en eisen ten aanzien van een pgb, zijn niet mogelijk bij een onvoldoende beheersing van het Nederlands. Ook het opstellen en afsluiten van bijvoorbeeld zorgovereenkomsten, is dan buiten bereik. Hiervan afgeleid kan tevens worden gesteld dat men voldoende kennis dient te hebben van de Nederlandse samenleving, zodat men bijvoorbeeld de vraag kan beantwoorden wat de SVB is en doet in relatie tot het pgb.

h. Twijfels op andere gronden over de pgb-vaardigheid

Er kunnen, naast de eerder genoemde omstandigheden, ook twijfels zijn op andere gronden over de pgb-vaardigheid van de cliënt, dan wel vertegenwoordiger, waardoor sterk de indruk bestaat dat iemand niet in staat is om een pgb te beheren. Een beslissing hieromtrent dient goed onderbouwd en gemotiveerd worden.

Artikel 23. Vertegenwoordiger pgb

De cliënt kan (of moet) zich, laten vertegenwoordigen in de uitoefening van het budgethouderschap. Een derde wordt dan gemachtigd om voor hem de taken, verbonden aan het pgb, uit te voeren. De vertegenwoordiger dient pgb-vaardig te zijn.

Uitgangspunt is dat degene die de cliënt vertegenwoordigt, de belangen van de cliënt centraal stelt.

Deze vertegenwoordiger kan niet de uitvoerder zijn van de ondersteuning die met het pgb wordt ingekocht. De vertegenwoordiger mag geen financiële relatie hebben met de uitvoerder van de ondersteuning. Hierdoor wordt immers een objectieve beoordeling van wat noodzakelijk is voor de cliënt, en de aansturing van de werkzaamheden bemoeilijkt. Dit kan ten koste gaan van het bereiken van de gewenste resultaten. Zo mag de vertegenwoordiger bijvoorbeeld niet betaald worden door de aanbieder van de zorg voor de desbetreffende cliënt. Dit geldt ook voor een pgb conform het informele tarief, wanneer bijvoorbeeld een familielid de hulp verleent. Het uitgangspunt is dat er geen belangenverstrengeling mag ontstaan doordat deze informele hulp twee taken in zich verenigt, namelijk van hulpverlener en beheerder van het pgb.

In uitzonderlijke gevallen kan hier van worden afgeweken, wanneer dit, gezien de situatie van de cliënt, de aard van de ingekochte ondersteuning en de waarborgen waarmee een verantwoorde besteding van het pgb is omgeven, naar het oordeel van het college passend wordt bevonden.

Dit kan aan de orde zijn wanneer de cliënt geen andere keuze kan maken, de kwaliteit van de verleende ondersteuning voldoende gewaarborgd is en het beheer van het pgb voldoende gewaarborgd is. In deze gevallen wordt de looptijd van de verstrekking beperkt of wordt frequent tussentijds te onderzocht hoe de ondersteuning en het beheer van het pgb verlopen.

Artikel 24. Informele dienstverlening en ondersteuning

Een cliënt heeft de keuze om de ondersteuning in te kopen bij een professionele hulpverlener/organisatie of ondersteuning te betrekken van een persoon of organisatie behorende tot het informele circuit of een combinatie daarvan. De gemeente toetst of een professioneel hulpverlener voldoet aan de daarvoor gestelde kwaliteitseisen als opgenomen in de regeling. Om de kwaliteit te kunnen wegen bij de inzet van het pgb via een persoon uit het sociaal netwerk, weegt het college of dit tot gelijkwaardig of beter resultaat leidt in vergelijking met de inzet van een professional.

De cliënt kan voor het inzetten van zijn benodigde zorg een persoon of organisatie behorende tot het informele circuit inzetten alsmede een professionele pgb hulpverlener inzetten.

Aan de geboden ondersteuning door pgb-aanbieders worden bepaalde kwaliteitseisen gesteld. In eerste instantie is de budgethouder ervoor verantwoordelijk om toe te zien op de kwaliteit van de geleverde ondersteuning. Echter, het college heeft als verstrekker van de indicatie en het budget ook een rol. Er dient beoordeeld te worden of de pgb-aanbieder voldoet aan de kwaliteitscriteria van professioneel of informeel pgb-aanbieder. Ook kan het college de geboden ondersteuning periodiek toetsen aan gestelde kwaliteitseisen. Tijdens deze toets wordt gecontroleerd of de geboden ondersteuning uit het pgb-plan uitgevoerd wordt en of de gestelde doelen behaald worden.

Voor zowel voor professionele als informele pgb-aanbieders, gelden, naast de overige kwaliteitseisen de volgende voorwaarden:

  • De aanbieder biedt hulp die veilig, doeltreffend en cliëntgericht wordt verleend.

  • De aanbieder werkt actief en integraal samen met andere zorgverleners/-aanbieders in het belang van de cliënt.

  • De aanbieder werkt aantoonbaar aan de doelen van het perspectief- en pgb-plan.

  • De aanbieder is bij de gemeente niet bekend vanwege ondeskundige zorg, het handelen in strijd met relevante wetgeving of uitvoeringsregels, misleiding en/of fraude.

Artikel 25. Besteding pgb in het buitenland

Het is niet mogelijk een pgb in het buitenland, of elders in Nederland (buiten West-Friesland), te besteden, tenzij hiervoor expliciet vooraf toestemming is gegeven door het college. De cliënt heeft een inlichtingenplicht en moet de gemeente vooraf toestemming vragen.

Hoofdstuk 4 Maatwerkvoorzieningen

Algemeen

In dit onderdeel worden de te behalen resultaten van de ondersteuning beschreven. Vervolgens staat beschreven waar de ondersteuning uit kan bestaan en aan welke voorwaarden de ondersteuning moet voldoen. Onderstaande resultaten zijn niet limitatief.

Artikel 26. Resultaten
  • Cliënt is zelfredzaam. Bij zelfredzaamheid gaat het om de lichamelijke, cognitieve en psychische mogelijkheden, die de cliënt in staat stellen om binnen de persoonlijke levenssfeer te functioneren.

  • Cliënt heeft regie. Bij regie gaat het om de fysieke, cognitieve en sociaal-emotionele vaardigheden en regelvermogen waardoor de cliënt regie over het eigen leven kan voeren.

  • Cliënt woont zo zelfstandig mogelijk.

  • Cliënt is financieel stabiel, heeft overzicht van de eigen in- en uitgaven en kan verantwoorde keuzes maken.

  • Het sociaal netwerk van de cliënt is waar mogelijk en wenselijk optimaal ingezet en/of opgebouwd.

  • Cliënt heeft (naar eigen inzicht) voldoende sociale contacten.

  • Cliënt herkent problematiek bij zichzelf en kan hierdoor voor zover mogelijk adequaat reageren. Adequaat reageren houdt ook het inroepen van hulp in.

  • Cliënt kan zichzelf verzorgen (onder andere in persoonlijke en leefhygiëne, kleding, voeding), in en uit bed komen, aan- en uitkleden, bewegen, lichamelijke hygiëne, toiletbezoek, eten/drinken en medicijnen innemen.

  • Client ervaart zijn psychisch welbevinden als voldoende.

  • Cliënt heeft structuur in zijn dag: huishouden, boodschappen, maaltijden, dag- nachtritme, et cetera.

  • Cliënt participeert in de samenleving door het leveren van een arbeidsprestatie naar vermogen of deelname aan zingevende activiteiten.

  • Cliënt heeft een schoon en leefbaar huis, waaronder begrepen wordt: opgeruimde, schone, stofvrije en spinnenragvrije gebruiksruimtes, een schoon keukenblok, schoon toilet en badkamer, schoon bed, opgeruimd huishoudelijk afval, schone draagbare kleding en linnengoed in de kast, kan een boodschappenlijst opstellen en boodschappen opruimen, het bereiden van broodmaaltijd, het opwarmen van maaltijden, helpen/ondersteunen bij de persoonlijke verzorging van de kinderen < zes (6) jaar (bijv. tandenpoetsen, aan/uit kleden, wassen, luier verschonen), hulp bij eten en/of drinken bij baby’s en kinderen, broodmaaltijd bereiden/warme maaltijd opwarmen/flesje melk bereiden voor baby. Hieronder wordt begrepen ook periodiek schone ramen (binnenzijde), schone raambekleding, schone meubels, gereinigde radiatoren, en schoon keukenapparatuur, signaleren stand van zaken voorraad huishoudelijke benodigdheden.

Artikel 27. Ondersteuning

Het bij algemene, dagelijkse levensverrichtingen die zelfredzaamheid en regie tot doel hebben:

  • Ondersteunen

  • Begeleiden

  • Coachen

  • Aansturen

  • Praktische hulp bieden

  • Overnemen

  • Creëren van veiligheid en structuur

  • Aanleren, oefenen en/of onderhouden van handelingen/vaardigheden

  • Bevorderen, behouden, compenseren of actief herstellen van de belemmeringen in het functioneren

  • Stabiliseren van functioneren en voorkomen van verergering van klachten

  • Voorkomen van terugval

  • Verlichten van sociaal isolement

  • Verlichten van de zorg thuis door mantelzorgers

Artikel 28. Voorwaarden aan ondersteuning
  • De cliënt en/of mantelzorger en/of netwerk wordt betrokken bij het vormgeven en uitvoeren van de ondersteuning.

  • Persoonlijke ontplooiing en verkenning van individuele mogelijkheden van de cliënt staan voorop.

  • De ondersteuning wordt zoveel als mogelijk geboden door één vaste medewerker. In geval van afwezigheid van de vaste ondersteuner wordt voor passende vervanging gezorgd.

  • Bij belevingsgerichte activiteiten zijn de activiteiten gericht op de beleving van de cliënten, en niet op prestatie of productie. In het perspectiefplan wordt aangegeven waarom arbeidsmatige activiteiten niet mogelijk zijn.

  • Bij arbeidsmatige activiteiten zijn de activiteiten gericht op het leveren van een geringe arbeidsprestatie en hebben economische of maatschappelijke waarde en moeten in het perspectiefplan worden beschreven. De cliënt ontvangt geen loon voor het verrichten van de arbeidsmatige activiteiten. Wel kan er soms een onkostenvergoeding worden verstrekt. Deze vorm van ondersteuning draagt bij aan de mogelijkheid om uit te stromen naar begeleid of ondersteunend werk, betaald werk, vrijwilligerswerk of deelname aan (basis) voorzieningen in de buurt. Deze activiteiten zijn toegankelijk voor cliënten van 18 jaar en ouder die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet hebben ontvangen. Hier kan door de lokale toegang van worden afgeweken. De cliënt kan als gevolg van zijn beperking niet (meer) of nog niet werken. Ook kan de cliënt geen gebruik maken van regulier onderwijs of van de basisvoorzieningen op het gebied van participatie en activering in de wijk, omdat gespecialiseerde begeleiding en/of toezicht gedurende de activiteiten noodzakelijk is.

  • De locaties waar ondersteuning wordt geboden zijn afgestemd op de fysieke, psychische en/of zintuigelijke behoefte van de cliënt en is indien nodig rolstoeltoegankelijk en doorgankelijk.

  • Er is aandacht voor sfeer, geborgenheid, veiligheid, ritme en regelmaat.

  • Er is sprake van een veilige en stimulerende leer- en oefenomgeving.

  • Wanneer er ondersteuning in de persoonlijke verzorging bij arbeidsmatige en belevingsgerichte activiteiten noodzakelijk is en dit geen geneeskundige zorg betreft, dan wordt dit door de aanbieder geboden als integraal onderdeel van de activiteiten.

  • Er is bij de aanbieder een actieve signalerende functie ten aanzien van wijzigingen. Wijzigingen in onder andere de gezondheidssituatie, leefomstandigheden, sociale omgeving en de veranderingen in de huiselijke situatie van de cliënt (bijvoorbeeld vervuiling, maatschappelijk isolement, eerste stadia van dementie et cetera) worden gemeld aan de lokale toegang of het college.

Arrangementen voor huishoudelijke hulp, individuele begeleiding en/of dagbesteding

Voor de maatwerkvoorzieningen voor dienstverlening is van belang te kunnen bepalen onder welke profiel deze valt. Enerzijds is dat van belang om te kunnen bepalen op welk soort ondersteuning een cliënt aanspraak kan maken. Anderzijds is dit van belang om vast te kunnen stellen welke aanbieder deze ondersteuning kan leveren.

Artikel 29. Omvang indicatie

De omvang van de indicatie per resultaatgebied wordt bepaald in een intensiteit.

Het resultaatgebied of de resultaatgebieden die worden geïndiceerd vormt/vormen samen het ondersteuningsarrangement. Het arrangement bepaalt het bedrag dat de gecontracteerde aanbieder ontvangt voor de verdere invulling van de ondersteuning aan de cliënt op basis van het perspectiefplan.

De omvang van de indicatie kan ook worden bepaald door de vraag of er in één huishouden bij meerdere personen een indicatie voor het desbetreffende resultaatgebied aan de orde is en in hoeverre de ondersteuning voor deze personen gecombineerd kan worden. Als dit laatste het geval is, kan dit betekenen dat de ondersteuning of slechts voor één persoon volledig wordt toegekend (bijvoorbeeld ondersteuning bij het overnemen van het huishouden) of dat één of beide personen de ondersteuning krijgen bij het overnemen van het huishouden of dat één of beide personen de ondersteuning krijgen op basis van ieder een eigen arrangement.

De bepaling van het arrangement, is afhankelijk van de omvang van de ondersteuningsbehoefte, de mate van zelfredzaamheid, de beschikbaarheid en mogelijkheid van algemeen gebruikelijke en algemene voorzieningen etc. Daarnaast is de intensiteit afhankelijk van het totaalbeeld van resultaatgebieden waarop ondersteuning nodig wordt geacht.

Artikel 30. Keuze tussen aanbieders

Wanneer er een indicatie voor een maatwerkvoorziening mogelijk is kan de cliënt de aanbieder kiezen waarvan hij de ondersteuning wenst te ontvangen.

Indien de cliënt, ook na rappel, geen voorkeur aangeeft of wil geven, zal de medewerker die de melding in behandeling neemt, een aanbieder selecteren die op basis van het onderzoek het best aansluit bij de cliënt en zijn ondersteuningsbehoefte.

Artikel 31. Arrangementen, profielen en intensiteiten

Voor een beschrijving van de beschikbare arrangementen, profielen en intensiteiten wordt verwezen naar bijlage 1 van de Nadere regels maatschappelijke ondersteuning 2020.

Artikel 32. Huishoudelijke hulp en huishoudelijke ondersteuning

Voor een beschrijving van de normering Hulp bij het Huishouden wordt verwezen naar de bijbehorende bijlage van de Nadere regels maatschappelijke ondersteuning 2020. Het college maakt gebruik van het normenkader zoals opgesteld door KPMG/Plexus. Specifiek voor Hoorn heeft KPMG/Plexus een eigen rapport en normenkader opgesteld met het oog op de situatie zoals die geldt in de regio West-Friesland. Bij verwijzing naar het normenkader wordt dit specifieke normenkader bedoeld, aangezien voor de regio West-Friesland dezelfde beleidsmatige keuzes gemaakt zijn door de afzonderlijke gemeenten.

Artikel 33. Vervoersvoorzieningen

Sociaal recreatief vervoer is een manier om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer. Het draagt dus bij aan participatie doordat iemand die behoort tot de doelgroep van de Wmo 2015, ondanks zijn beperkingen of problemen, op gelijke voet met anderen in redelijke mate mensen kan ontmoeten, contacten kan onderhouden, boodschappen kan doen en aan maatschappelijke activiteiten kan deelnemen. Om dit te kunnen is vereist dat iemand zich kan verplaatsen. De maatwerkvoorziening sociaal recreatief vervoer voorziet hierin. Voor toekenning van een maatwerkvoorziening is vereist dat er sprake is van een concrete vervoersbehoefte en dus van een vervoersprobleem is voor het lokale vervoer.

Dit probleem moet tot gevolg hebben dat de cliënt hierdoor niet op een aanvaardbaar niveau zelfredzaam is of kan participeren. Er kan hierbij sprake zijn van:

  • een belemmering bij het voeren van een huishouden omdat de persoon niet in staat is om bijvoorbeeld boodschappen te doen of om een kind naar school te brengen en hiervoor geen adequate alternatieven zijn;

  • het niet kunnen bereiken van de voorzieningen in zijn directe leefomgeving. Het gaat daarbij om een winkelcentrum, een NS-station, het ziekenhuis, de huisarts, de tandarts; of

  • belemmeringen om andere mensen te ontmoeten en sociale verbanden aan te gaan, omdat hij zich bijvoorbeeld niet kan verplaatsen naar een buurthuis, het sportcomplex, de vereniging, het zwembad of zijn familie en vrienden of niet de gelegenheid heeft een praatje te maken op straat.

  • Een cliënt komt alleen in aanmerking voor een maatwerkvoorziening voor sociaal-recreatief vervoer als het gebruik van een algemeen gebruikelijke of een algemene voorziening geen of onvoldoende oplossing biedt of als hiermee niet volledig in de vervoersbehoefte wordt voorzien.

  • Belemmeringen in het gebruik van algemeen gebruikelijke of algemene vervoersvoorzieningen kunnen bijvoorbeeld ontstaan omdat:

    • een cliënt het openbaar vervoer in verband met zijn beperkingen niet kan bereiken;

    • de algemene vervoervoorziening onvoldoende toegankelijk is;

    • hij niet in staat is te wachten op het openbaar vervoer;

    • er sprake is van incontinentieproblemen, gedragsproblemen, allergieën of overgevoeligheid voor ziekteverwekkers waardoor geen gebruik kan worden gemaakt van algemene of algemeen gebruikelijke vervoervoorzieningen.

Het kan ook zijn dat een algemeen gebruikelijke of algemene voorziening onvoldoende oplossing biedt omdat bijvoorbeeld:

  • de vervoersbehoefte zich richt op korte afstanden;

  • een vrijwilligersdienst geen uitkomst biedt;

  • de buurtbus geen oplossing biedt;

  • er sprake is van bestemmingen waar het openbaar vervoer geen oplossing voor is;

  • er sprake is van een reisbehoefte op tijdstippen waarop het openbaar vervoer niet rijdt.

In de laatste 2 gevallen moet er dan wel sprake zijn van een beperking waardoor de cliënt geen algemene of algemeen gebruikelijk alternatief kan aanwenden. Zo kan een blinde student in veel gevallen wel gebruik maken van het openbaar vervoer, maar kan hij niet gaan fietsen op het moment dat het openbaar vervoer niet rijdt, terwijl een ziende studiegenoot dit alternatief wel kan gebruiken.

Artikel 34. Afbakening met andere vervoersregelingen

In de Wmo 2015 gaat het steeds om sociaal recreatief vervoer. Ook een aantal andere regelingen kent voorzieningen op het gebied van vervoer.

Deze regelingen zien steeds op een specifiek type vervoersbehoefte. Bij dit type vervoersbehoefte is geen voorziening voor sociaal-recreatief vervoer mogelijk op grond van de Wmo 2015.

a. Vervoer naar werk, opleiding of traject

Als reizen naar werk of opleiding lastig is vanwege een langdurige ziekte of een handicap kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) iemand een vervoersvoorziening toekennen (bijvoorbeeld op grond van de Wia). Het UWV kan zo’n vergoeding uitbreiden met een aantal privé-kilometers. Er moet wel een samenhang zijn met het vervoer voor woon-werk/scholing. Het UWV beoordeelt dit.

Als er (nog) geen sprake is van een werkgever óf als de werkgever van de gemeente een loonkostensubsidie ontvangt, dan geldt dat de gemeente verantwoordelijk is voor het reizen in het kader van re-integratie of het verrichten van arbeid. Althans, als de cliënt dit niet zelf kan. Die ondersteuning wordt dan geboden op grond van de gemeentelijke Participatieverordening (die hoort bij de uitvoering van de Participatiewet, IOAW en IOAZ). Als een cliënt met succes een beroep kan doen op zo’n vervoersvoorziening, dan is een aanvullende vervoersvoorziening op grond van de Wmo 2015 mogelijk voor sociaal-recreatief vervoer.

b. Vervoer naar dagbesteding of dagbehandeling

Een maatwerkvoorziening voor vervoer naar de dagbesteding valt niet onder sociaal-recreatief vervoer, maar wordt geïndiceerd in combinatie met de dagbesteding. De aanbieder verzorgt dan het vervoer.

c. Leerlingenvervoer

Vervoer voor kinderen en jongeren die niet zelfstandig naar school kunnen en ook geen gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer wordt geregeld via het leerlingenvervoer.

d. Ziekenvervoer

Zittend ziekenvervoer bij permanente rolstoelafhankelijkheid, chemo- of radiotherapie, nierdialyses of een dusdanig beperkt gezichtsvermogen dat begeleiding noodzakelijk is wordt geregeld via de Zorgverzekeringswet.

e. Wet langdurige zorg

Als een persoon een indicatie heeft op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) én behandeling ontvangt, wordt het vervoer geregeld via de Wlz.

Artikel 35. Algemeen gebruikelijk

Er hoeft geen vervoersvoorziening verstrekt te worden als er sprake is van een algemeen gebruikelijke vervoersbehoefte. Hieronder wordt in principe verstaan het vervoer van thuiswonende minderjarige kinderen of het vervoer van partners. In dat geval worden de ouder(s) of partner geacht het vervoer te verzorgen. Wel moet in de concrete situatie onderzocht worden of de algemeen gebruikelijke ondersteuning ook daadwerkelijk kan worden geboden. Factoren die hier een rol kunnen spelen zijn:

  • de vervoersbehoefte bestaat op tijdstippen dat degene die het vervoer zou kunnen verzorgen werkt;

  • degene die het vervoer zou kunnen verzorgen beschikt niet over een eigen vervoermiddel dat geschikt is om de cliënt te vervoeren;

  • degene die het vervoer zou kunnen verzorgen beschikt niet over een rijbewijs;

  • degene die het vervoer zou kunnen verzorgen is vanwege eigen beperkingen niet in staat de persoon te begeleiden in het openbaar vervoer of op andere wijze te vervoeren.

Dit betekent dat in zulke situaties (aanvullende) ondersteuning noodzakelijk kan zijn.

Daarnaast bestaat er ook geen aanspraak op een maatwerkvoorziening als de voorziening zelf aangemerkt kan worden als een algemeen gebruikelijke vervoersvoorziening. Voorbeelden hiervan zijn:

  • een fiets, inclusief een fiets met elektrische trapondersteuning, tandem, aankoppelfiets, fietszitje of fietsaanhanger, bakfiets, zijwieltjes aan een fiets;

  • een snorfiets, spartamet, brommer en scooter;

  • een vergoeding die iemand betaalt voor het gebruik van het vervoermiddel van een derde;

  • de eigen auto;

  • de kosten van het behalen van een (brommer)rijbewijs;

  • zittend ziekenvervoer bij bepaalde aandoeningen. Ook een hiervoor verschuldigde eigen bijdrage is algemeen gebruikelijk.

Of een fietsachtige voorziening algemeen gebruikelijk is, hangt onder andere af van de leeftijd van de cliënt. Zo zijn zijwieltjes bij een volwassene niet algemeen gebruikelijk. Een fiets met trapondersteuning voor kind jonger dan 16 jaar is evenmin algemeen gebruikelijk. Vanaf 16 jaar wel. Hierbij wordt conform geldende jurisprudentie overwogen dat de fiets in de reguliere handel verkrijgbaar is en qua prijs niet afwijkt van een brommer, die voor personen vanaf 16 jaar algemeen gebruikelijk is.

Ook kunnen de kosten van bijvoorbeeld het gebruik van een eigen auto niet algemeen gebruikelijk zijn als de auto ook gebruikt moet worden voor afstanden die een ander normaal gesproken per fiets of lopend aflegt.

Bij de vraag of er sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening moet ook altijd gekeken voor naar de individuele situatie waarin de cliënt verkeert (zie ook hoofdstuk 1). Als de cliënt stelt dat hij de voorziening niet kan betalen (bijvoorbeeld op grond van zijn inkomen of vanwege schulden) dient hij dit aan te tonen.

De kosten van het gebruik van het openbaar vervoer zijn eveneens algemeen gebruikelijk.

Artikel 36. Algemene voorzieningen

Er kan gebruik gemaakt worden van vrijwilligersdiensten waarbij vrijwilligers in een particuliere auto tegen een brandstofvergoeding cliënten kunnen helpen met hun vervoersprobleem.

Artikel 37. Reikwijdte maatwerkvoorziening sociaal recreatief vervoer

Een cliënt kan een maatwerkvoorziening voor sociaal-recreatief vervoer krijgen om voor zijn lokale vervoersbehoefte. Hieronder wordt verstaan het vervoer tussen een vertrekpunt en een bestemming die allebei gelegen zijn binnen het grondgebied van de regio Westfriesland; over maximaal vijf reiszones (o.b.v. openbaar vervoer). De maatwerkvoorziening wordt vastgesteld op basis van de individuele reisbehoefte van de cliënt. Hierbij wordt uitgegaan van een maximum van 1.500 km per jaar.

Bij het gebruik van het collectief aanvullend vervoerssysteem (De Regiotaxi) of taxi betekent dit maximaal 500 zones per jaar.

Door in de cliënt gelegen omstandigheden kan een hoger aantal kilometers of ritten noodzakelijk zijn. Op individuele gronden kan dan van dit maximum naar boven worden afgeweken. Factoren die hierbij een rol spelen zijn:

  • de mate waarin de cliënt volledig en gedurende het gehele jaar is aangewezen op de maatwerkvoorziening;

  • de reden waarom de vervoersbehoefte afwijkt van het maximum. Zo kan er bijvoorbeeld sprake zijn van vrijwilligerswerk, intensieve sportbeoefening, bezoek aan een partner die in een verpleeghuis verblijft.

Artikel 38. Een scootmobiel, driewielfiets of ander vervoermiddel en indien noodzakelijk een woontechnische aanpassing om de voorziening veilig te kunnen stallen.

Een indicatie voor vervoer per eigen vervoermiddel kan betrekking hebben op:

  • a.

    een (deels) met spierkracht voortbewogen vervoermiddel;

  • b.

    en open of gesloten gehandicaptenvoertuig;

  • c.

    een al dan niet aangepaste personenauto;

  • d.

    aanpassingen aan de personenauto.

Ad a Met spierkracht voortbewogen vervoermiddel

Als een cliënt zijn vervoersbehoefte geheel of gedeeltelijk kan invullen per fiets en het gebruik van een gewone fiets, al dan niet met elektrische trapondersteuning of in de vorm van een tandem, niet mogelijk is, kan een maatwerkvoorziening in bruikleen worden verstrekt voor het gebruik van een door spierkracht voortbewogen vervoermiddel. Een dergelijke maatwerkvoorziening is dus ook mogelijk als een cliënt gebruik zou kunnen maken van het openbaar vervoer of in combinatie met een maatwerkvoorziening voor de lange afstand, zoals een pas voor de Regiotaxi.

De maatwerkvoorziening kan bestaan uit:

  • de aanpassing van of een aangepaste versie van een aankoppelfiets, fietsaanhanger of fietszitje ten behoeve van een kind met een beperking. Een aankoppelfiets is een kinderfiets die bestaat uit één wiel met een stang die aan de zadelpen van de fiets van de volwassene wordt gekoppeld. De maatwerkvoorziening kan bestaan uit bijvoorbeeld de plaatsing van zijwielen, aanpassing van het stuur, een speciaal zadel of aanpassing bij een aankoppelfiets.

  • de verstrekking van een aangepaste fiets, rolstoelfiets of handbike. Een handbike wordt gekoppeld aan de handbewogen rolstoel waardoor met armkracht zelfstandig “gefietst” kan worden. Een rolstoelfiets is een fiets waar een rolstoel op geplaatst wordt.

Ad b Open of gesloten gehandicaptenvoertuig

Bij een open gehandicaptenvoertuig kan het gaan om bijvoorbeeld een scootmobiel, een Pendel of driewielbromscooter. Het open gehandicaptenvoertuig is bestemd als vervoervoorziening voor de korte en middellange afstanden, als de Regiotaxi hiervoor geen oplossing biedt. De Regiotaxi is dan voorliggend op het verstrekken van een voertuig.

Bij een gesloten gehandicaptenvoertuig gaat het om bijvoorbeeld een overdekte scootmobiel of een brommobiel.

De cliënt moet in staat zijn om op verantwoorde wijze deel te nemen aan het verkeer.

Een gesloten gehandicaptenvoertuig is slechts aan de orde als een cliënt voor de korte of middellange afstanden aangewezen is op gesloten vervoer en de cliënt met een pas voor de Regiotaxi onvoldoende wordt gecompenseerd. Medisch gezien moet er een contra-indicatie bestaan voor het verblijven in de buitenlucht. De reden voor verstrekking kan ook technisch van aard zijn, mocht een vervoermiddel niet aan de gebruiksbenodigdheden van de cliënt kunnen worden aangepast.

De cliënt moet beschikken over de rijgeschiktheid en rijvaardigheid als beginnend bestuurder.

Eventueel kan de cliënt in aanmerking komen voor aanvullende lessen voor het op een aanvaardbaar niveau brengen van de rijgeschiktheid en rijvaardigheid. Als blijkt dat een cliënt desondanks onvoldoende rijgeschikt en rijvaardig blijft, kan een gehandicaptenvoertuig niet worden geïndiceerd.

Ook nadat het gehandicaptenvoertuig is verstrekt, kan het noodzakelijk zijn de rijvaardigheid opnieuw te onderzoeken. Blijkt dat die rijvaardigheid niet langer aanwezig is, dan wordt de indicatie voor het gehandicaptenvoertuig ingetrokken en moet de cliënt deze inleveren.

Scootmobielen zijn leverbaar met verschillende snelheden. Bij de afweging welke snelheid gepast is wordt in ieder geval gekeken naar de volgende aspecten:

  • de door de cliënt gewenste snelheid van de scootmobiel;

  • het reisgedrag van de cliënt: de af te leggen afstanden, maar ook of de cliënt bijvoorbeeld samen met een fietser (kind, partner, vriend) op pad wil kunnen;

  • de rijvaardigheden: een snelle scootmobiel vergt meer rijvaardigheden en verkeersinzicht dan een langzamer model;

  • de mogelijkheden voor stalling van de scootmobiel.

De goedkoopst adequate scootmobiel komt in aanmerking voor toekenning. Dat betekent dat een scootmobiel adequaat moet zijn voor het doel waar hij voor geïndiceerd is. Wanneer meer scootmobielen adequaat zijn wordt de goedkoopste verstrekt.

Ad c (Aangepaste) personenauto, gesloten buitenwagen of brommobiel

Als de Regiotaxi of een combinatie van vervoervoorzieningen geen adequate oplossing biedt voor het vervoersprobleem én in de vastgestelde vervoersbehoefte alleen door middel van een eigen personenauto (of brommobiel) kan worden voorzien, kan een maatwerkvoorziening hiervoor aan de orde zijn als de cliënt heeft aangetoond dat de personenauto of brommobiel in zijn situatie niet algemeen gebruikelijk is.

Voorwaarde is wel dat de cliënt beschikt over de rijgeschiktheid en rijvaardigheid voor een dergelijk vervoermiddel en ook over een geldig rijbewijs. Voor een brommobiel is dat een geldig bromfietsrijbewijs.

Als vervoer per personenauto voor een cliënt noodzakelijk is, kan hij eveneens in aanmerking komen voor aanpassing van de personenauto. Dit kan de in bruikleen verstrekte personenauto betreffen, maar ook de eigen personenauto die voor hem algemeen gebruikelijk is. De aanpassing van een auto is niet algemeen gebruikelijk.

Een gesloten buitenwagen is een overdekt voertuig dat niet harder dan 45 km rijdt en waarvoor aparte (verkeers)regels gelden. De gesloten buitenwagen dient onderscheiden te worden van de brommobiel, die eveneens niet harder dan 45 km rijdt maar waarvoor geen aparte verkeersregels gelden. De brommobiel is niet specifiek voor gehandicapten bedoeld en wordt als algemeen gebruikelijk beschouwd. Een gesloten buitenwagen wordt door de aanvrager vaak als gewenste oplossing voor het vervoersprobleem beschouwd maar is niet de goedkoopst oplossing. Een personenauto, gesloten buitenwagen of brommobiel wordt in principe alleen verstrekt wanneer er medisch gezien een contra-indicatie bestaat voor het verblijf in de buitenlucht.

De autoaanpassing kan bestaan uit:

  • een volledige vergoeding voor de aanpassing van de eigen personenauto, mits de personenauto nog geen 5 jaar oud is; in sommige gevallen is ook bij een oudere auto een aanpassing mogelijk, afhankelijk van de soort aanpassing, de meeneembaarheid daarvan en de kilometerstand. Daarbij geldt als uitgangspunt dat boven een kilometerstand van 80.000 km geen aanpassing wordt gedaan;

  • een aanpassing van de in bruikleen verstrekte personenauto;

  • een persoonsgebonden budget in de meerkosten van een personenauto in specifieke uitvoering. De meerkosten worden berekend als het verschil tussen een personenauto (merk, type) die voor een persoon als meest doelmatig wordt geacht en de prijs van deze personenauto in specifieke uitvoering.

  • een vervoervoorziening in de vorm van een autoaanpassing is maximaal eenmaal per zeven jaar mogelijk, onverlet bijzondere individuele omstandigheden.

Artikel 39. Stallingruimte

Toekenning van een voorziening in de vorm van een open gehandicaptenvoertuig of een aangepaste fiets kan alleen als de cliënt de beschikking heeft over een adequate stallingsruimte dan wel dat deze kan worden gerealiseerd.

Een adequate stallingruimte wil zeggen dat de voorziening droog staat in een afgesloten ruimte. Dit om beschutting te bieden tegen weersinvloeden, diefstal en vernieling. Dat kan een afgesloten eigen ruimte zijn, zoals een tuin of schuur. Maar het kan ook gaan om een hal of parkeergarage in een appartementencomplex. Voorwaarde hierbij is dat de stalling van de scootmobiel de (brand)veiligheid in het complex niet in gevaar brengt.

Zo nodig kan voor de stalling van het voertuig een maatwerk woonvoorziening worden geïndiceerd.

Artikel 40. Persoonsgebonden budget voor een vervoersvoorziening

Wanneer een cliënt er voor kiest de vervoersvoorziening zelf aan te schaffen middels een pgb, wordt de hoogte van het pgb vastgesteld op basis van de offerte die de cliënt overlegt voor de levering van een adequate vervoersvoorziening zoals een scootmobiel.

Het pgb wordt gemaximeerd op de kosten die de gemeente verschuldigd zou zijn voor de rolstoel als maatwerkvoorziening gedurende de technische afschrijvingsduur van de rolstoel. De technische afschrijvingsduur wordt voor een volwassene vastgesteld op 6 jaar.

Artikel 41. Een pas voor het collectief aanvullend openbaar vervoer, de Regiotaxi

Het college legt het primaat bij het collectief aanvullend vervoerssysteem. Dit geldt in ieder geval als de vervoersbehoefte betrekking heeft op de middellange en lange afstanden. Eventueel kan een pas voor de Regiotaxi gecombineerd worden met een vervoervoorziening voor de korte afstand, zoals een fietsvoorziening of een scootmobiel.

Dit primaat betekent het volgende. Pas als het gebruik van de Regiotaxi, al dan niet in combinatie met een (algemeen gebruikelijke, algemene of maatwerk) vervoervoorziening voor de korte afstand, onvoldoende compensatie biedt voor aanvaardbare participatie dan beoordeelt het college of een andere vervoersvoorziening meer aangewezen is.

De Regiotaxipas geeft recht op toegang tot en gebruik van de vervoersservice.

Voor de uitvoering van het vervoer van deur tot deur wordt de cliënt opgehaald bij de op straatniveau gelegen voordeur van het ophaaladres en wordt hij gebracht tot aan de op straatniveau gelegen voordeur van het bestemmingsadres. Met voordeur wordt bedoeld de deur van de woning of de deur van de bestemming. Voor adressen in flatgebouwen of gestapelde bouw geldt de op straatniveau gelegen ingang van het portiek of de centrale ingang. De chauffeur begeleidt de cliënt, indien nodig, bij het in -en uitstappen en bij het opbergen van hulpmiddelen. Dit is de standaard service.

Extra begeleiding kan verder bestaan uit het openen van deuren, het duwen van de rolstoel, of ondersteuning bij het overbruggen van een drempel/opstap. Deze service geldt niet als er treden moeten worden gebruikt om bij het huis te komen en cliënt niet in staat is dit hoogteverschil te overbruggen.

Bij vervoer per personenauto komt er geen busje voorrijden.

In principe geldt dat het college vervoer van deur tot deur toekent.

Voor het gratis meenemen van een begeleider gelden extra indicaties. Als bij de in de indicatiestelling voor de Regiotaxi blijkt dat de cliënt aangewezen is op persoonlijke ondersteuning en begeleiding bij zijn vervoer kan deze cliënt gratis een begeleider meenemen. Aanspraak op begeleiding bij het vervoer kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als er een aanzienlijke kans is dat er ten behoeve van de cliënt tijdens de reis medische of verzorgende handelingen verricht moeten worden, of omdat er sprake is van ernstige gedragsproblemen waarop sturing vereist is. De begeleider mag om technische redenen niet zelf in een rolstoel zitten en ook mag de begeleider geen scootmobiel meenemen.

Artikel 42. Een rolstoel

Een maatwerkvoorziening voor een rolstoel kan aan de orde zijn als er sprake is van belemmeringen in het zich verplaatsen in of om de woning, die niet afdoende opgelost kunnen worden met een algemeen gebruikelijke of algemene voorziening.

Bij verplaatsingen om de woning gaat het om verplaatsingen in de directe omgeving van de eigen woning: om het huis, naar de buren of bestemmingen in de wijk die op loopafstand liggen.

Ook kan een rolstoel worden gebruikt voor het zich verplaatsen op de plek van bestemming, zoals een winkelcentrum of een park waarbij de cliënt zich zelf kan voortbewegen of kan worden geduwd door een ander. In hoeverre een rolstoel aan de orde kan zijn voor het zich verplaatsen op de plek van bestemming, is vooral afhankelijk van de vraag in hoeverre dit bijdraagt aan zijn zelfredzaamheid of participatie.

Artikel 43. Algemeen gebruikelijk

Er zijn diverse hulpmiddelen die de cliënt behulpzaam kunnen zijn bij het zich verplaatsen in of om de woning. Hierbij valt te denken aan een wandelstok, looprek of een rollator. Deze voorzieningen zijn voor een ieder algemeen gebruikelijk voorzieningen.

De uitleenservice via een thuiszorgwinkel is een algemeen gebruikelijke service die aan de orde kan zijn als de cliënt slechts incidenteel of tijdelijk een rolstoel nodig heeft.

Artikel 44. Selectie rolstoelen

Er zijn diverse typen rolstoelen te verkrijgen.

Bij de selectie van het type rolstoel wordt gekeken naar de volgende aspecten:

  • hoe vaak en voor welk doel wordt de rolstoel gebruikt;

  • de fysieke mogelijkheden van de cliënt om een rolstoel zelf voort te bewegen;

  • of de cliënt de rolstoel zelf moet kunnen voortbewegen of dat het volstaat als een ander de rolstoel voortbeweegt, of;

  • als een elektrische rolstoel is aangewezen, de cliënt in staat is om deze te besturen.

Geprobeerd wordt om een cliënt, binnen zijn fysieke mogelijkheden en indien dit past binnen de medische behandeling, fysieke spierkracht te laten gebruiken om de conditie zoveel mogelijk op peil te houden.

Indien nodig, worden er door de leverancier individuele aanpassingen aangebracht aan de rolstoel. Deze kunnen bestaan uit aanpassingen aan:

  • zit-, rug- en ondersteuningsdelen, voor zover deze een vast onderdeel vormen van de rolstoel.

  • rijgedeelte;

  • bediening en/of besturing.

Artikel 45. Stallingruimte elektrische rolstoel

Voor het gebruik van een elektrische rolstoel is het noodzakelijk dat de cliënt de beschikking heeft over een adequate stallingruimte, dan wel dat deze kan worden gerealiseerd.

De rolstoel moet daarbij beschermd zijn tegen diefstal, vernieling en weersinvloeden. Dat betekent dat er sprake moet zijn van veilige stalling in een afgesloten ruimte (hal van wooncomplex, afgesloten tuin, garage) en een (af)dak waar de rolstoel onder gestald kan worden. Deze stallingruimte moet voor de cliënt eenvoudig bereikbaar zijn.

Artikel 46. Persoonsgebonden budget rolstoel

Als een cliënt ervoor kiest de rolstoel zelf aan te schaffen met een pgb, wordt de hoogte van het pgb vastgesteld op basis van de offerte die de cliënt overlegt voor de levering van een adequate rolstoel.

Het pgb wordt gemaximeerd op de kosten die de gemeente verschuldigd zou zijn voor de rolstoel als maatwerkvoorziening gedurende de technische afschrijvingsduur van de rolstoel. De technische afschrijvingsduur wordt voor een volwassene vastgesteld op 6 jaar.

Voor kinderen wordt niet uitgegaan van de technische afschrijvingsduur maar van de te verwachten gebruiksduur van de desbetreffende rolstoel, omdat een kind nog groeit en er daardoor binnen een kortere termijn dan de technische afschrijvingsduur een nieuwe rolstoel nodig kan zijn.

Artikel 47. Woonvoorzieningen

Een woonvoorziening kan bestaan uit:

  • a.

    Hulpmiddel of losse woonvoorziening bij het wonen, zoals een douchestoel.

  • b.

    Bouwkundige aanpassing van de woning, zoals een traplift, badkameraanpassing.

  • c.

    Tegemoetkoming in de verhuiskosten.

Een van de doelen van de Wmo 2015 is om cliënten in staat te stellen om langer thuis (dat wil zeggen in de eigen woonomgeving) te wonen. Een woonvoorziening (al dan niet in de vorm van een verhuizing) kan compensatie bieden in de zelfredzaamheid van een cliënt door hem in staat te stellen tot het verrichten van algemene dagelijkse levensverrichtingen. Dit hoort namelijk bij het normale gebruik van de woning.

Bij het normale gebruik van de woning gaat het om het verrichten van elementaire woonfuncties. Dit wordt onderscheiden in verschillende typen problemen en daarmee verband houdend gebruik:

Artikel 48. Bouwkundige/woontechnische problemen

De cliënt moet in staat zijn tot het normale gebruik van de woning. Dat wil zeggen dat:

  • de woning voor de cliënt toegankelijk is;

  • de buitenruimte (tuin of balkon) veilig moet kunnen worden bereikt;

  • de cliënt het toilet, de badkamer, keuken, woonkamer, slaapkamer en de slaapkamers van jonge kinderen moet kunnen bereiken en gebruiken;

  • dat kinderen zonder gevaar voor eigen gezondheid in de woonruimte kunnen spelen.

  • Het bereik en/of gebruik van hobby-, werk- of recreatieruimten behoort niet tot de elementaire woonfuncties.

Als een cliënt belemmerd wordt in zijn zelfredzaamheid door bouwkundige of woontechnische kenmerken van de woning, kan een woonvoorziening aan de orde zijn. Bij het onderzoek wordt ook gekeken naar andere typen oplossingen.

Bijvoorbeeld:

  • in hoeverre een herverdeling van taken binnen het gezin een oplossing kan bieden (in het kader van gebruikelijke hulp);

  • of door gebruikmaking van voorzieningen in de wijk een woonvoorziening achterwege kan blijven. Te denken valt aan een maaltijdservice, wasservice (in het kader van algemeen gebruikelijk);

  • of verhuizing naar een meer geschikte woning een betere oplossing is (in het kader van goedkoopst adequaat).

Artikel 49. Stallingruimte

Als een cliënt voor zijn participatie of zelfredzaamheid afhankelijk is van een open gehandicaptenvoertuig (scootmobiel), aangepaste fiets of elektrische rolstoel, moet de cliënt kunnen beschikken over een adequate stallingruimte. Het vervoermiddel of de rolstoel moet daarbij beschermd zijn tegen weersinvloeden, diefstal en vernieling. Dat betekent dat er sprake moet zijn van veilige stalling in een afgesloten ruimte (hal van wooncomplex, een afgesloten tuin, garage) en/of een (af)dak waar het voertuig of de rolstoel onder gestald kan worden. Deze stallingruimte moet voor de cliënt bereikbaar zijn.

Artikel 50. Ontbreken voorzieningen belemmert zelfredzaamheid

Ook het ontbreken van voorzieningen in de directe omgeving, waardoor een persoon belemmerd wordt in het zelfstandig functioneren, kan reden zijn om een woonvoorziening te verstrekken. In veel gevallen zal het dan de voorkeur hebben dat de cliënt verhuist naar een andere woning, waar wel voldoende voorzieningen voorhanden zijn.

Artikel 51. Woonsituatie belemmert participeren

Als uitgangspunt geldt, dat de ondervonden beperkingen bij het normale gebruik van de woning een rechtstreeks oorzakelijk verband moeten hebben met de beperkingen van de cliënt. Onder andere als de woonsituatie een cliënt belemmert om mensen te ontmoeten of sociale verbanden aan te gaan, kan ook een woonvoorziening aan de orde zijn. In het algemeen zal het hierbij gaan om de locatie van de woning, waardoor een persoon in sociaal isolement dreigt te geraken of is geraakt en dan is verhuizing de beste oplossing. In dat geval wordt beoordeeld of de verhuizing algemeen gebruikelijk is.

Persoonlijke zaken, zoals schaamte voor de staat van onderhoud van de woning, waardoor een cliënt geen bezoek durft uit te nodigen, zijn geen aanleiding voor het treffen van een woonvoorziening. Het onderhoud van een woning behoort immers tot de algemeen gebruikelijke kosten. Ook omgevingsfactoren, zoals ruzie met de buren of door drugsgebruikers veroorzaakte geluidsoverlast zijn in het algemeen geen reden om een woonvoorziening aan te bieden. Vanuit het beroep op eigen kracht mag dan van de cliënt verwacht worden dat hij zich inspant om die omgevingsfactoren te beïnvloeden. Onveiligheid kan wel een omgevingsfactor zijn waar het college rekening mee moet houden.

Artikel 52. Uitraaskamer

Een bijzondere woonvoorziening die verstrekt kan worden is een uitraaskamer voor een persoon die, vanwege een gedragsstoornis, ernstig ontremd gedrag vertoont. In deze kamer kan hij zich afzonderen en tot rust komen, waardoor de kans groter is dat hij daarna weer in staat is in contact te treden met anderen.

Er is sprake van ernstig ontremd gedrag als de persoon niet in staat is te voorkomen dat hij schade aan zichzelf en/of de omgeving toebrengt en dat een verzorger dit redelijkerwijs niet kan beïnvloeden.

Artikel 53. Aanpassing van een tweede woning bij gescheiden ouders

Uitgangspunt is, dat een woning wordt aangepast waar een cliënt zijn hoofdverblijf heeft. Er kunnen zich echter situaties voordoen met minderjarige kinderen met een beperking waarbij van dit uitgangspunt in het belang van het kind afgeweken moet worden.

Co-ouderschap

Als ouders voor co-ouderschap hebben gekozen, heeft het minderjarige kind feitelijk 2 adressen waar hij zijn hoofdverblijf heeft. Van co-ouderschap wordt gesproken als het kind ten minste 2 nachten per week op het adres van beide ouders verblijft. Aanpassing van beide woningen kan dan aan de orde zijn, zodat het kind in beide woningen kan wonen. Of aanpassing van beide woningen noodzakelijk is, zal verder op dezelfde manier worden beoordeeld als de woningaanpassing van 1 woning. Zo wordt daarbij onder andere beoordeeld in hoeverre verhuizing een optie is. Maar ook in hoeverre de ouder die een andere woning heeft betrokken al rekening heeft kon houden met de beperking van het kind en een adequate woning is gaan bewonen. Als het kind na aanvang van het co-ouderschap pas een beperking heeft gekregen dan speelt dit aspect uiteraard niet. Per kind en per situatie zal beoordeeld moeten worden wat voor het kind noodzakelijk is.

a. Bezoekregeling voor één van de ouders

Het hoofdverblijf van het minderjarige kind zal moeten voldoen om het kind te laten wonen op dit adres. Afhankelijk van hoe de bezoekregeling is vormgegeven, kan worden onderzocht of er noodzaak is om het bezoekadres aan te passen, zodat het kind er kan slapen en verzorgd kan worden (logeerbaar). Is er sprake van een bezoekregeling waarbij het kind niet overnacht in de woning van de andere ouder, dan kan worden volstaan met het bezoekbaar maken van de woning, zoals ook gebeurt als een kind in een instelling verblijft.

Het logeerbaar maken van de woning waar het kind niet zijn hoofdverblijf heeft wil niet altijd zeggen dat bijvoorbeeld ook de doucheruimte wordt aangepast of dat er een aparte slaapkamer nodig is. De noodzaak hiervoor wordt individueel vastgesteld.

b. Het kind heeft het hoofdverblijf in een instelling

Als het kind (dat kan in dit geval ook een volwassen kind zijn) het hoofdverblijf heeft in een instelling, moet het kind in de gelegenheid zijn de ouders thuis te bezoeken. Bij co-ouderschap kan het noodzakelijk zijn beide woningen aan te passen, zodat het kind beide ouders kan bezoeken.

Artikel 54. Algemeen gebruikelijk

Er hoeft geen maatwerkvoorziening verstrekt te worden als het gaat om diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen of andere maatregelen die naar hun aard algemeen gebruikelijk zijn.

In principe zijn verhuiskosten aan te merken als algemeen gebruikelijke kosten. Het zijn namelijk kosten die niet specifiek zijn voor iemand met een beperking en die iedereen geacht wordt in bepaalde levensfasen te maken en te kunnen dragen. Bijna iedereen verhuist wel één of meerdere keren in zijn leven. Bijvoorbeeld bij het vinden van een nieuwe werkkring, gezinsuitbreiding of juist omdat de kinderen de woning hebben verlaten en de woning hierdoor te groot is geworden.

Een verhuizing omdat de woning in verband met beperkingen minder geschikt wordt, kan dit anders maken. Vooral als er sprake is van een plotseling optredende noodzaak tot verhuizen, bijvoorbeeld als gevolg van een hersenbloeding of ongeluk. Ook kan de verhuizing noodzakelijk zijn in verband met de beperking van een kind, terwijl de ouders juist in een voor een gezin met kinderen zonder beperkingen geschikte woning wonen. In dat geval kan besloten worden dat de cliënt in aanmerking komt voor een woonvoorziening ten behoeve van de verhuizing.

Als algemeen gebruikelijk gelden ook woonvoorzieningen die in een normale winkel, bouwmarkt of thuiszorgwinkel verkrijgbaar zijn. Het gaat dan bijvoorbeeld om zaken als:

  • een inductiekookplaat of keramische kookplaat;

  • een 1-hendelmengkraan;

  • keukenapparatuur;

  • een verhoogd toilet;

  • een airco;

  • vervanging van stoffen meubilair door glad meubilair;

  • sta-op stoelen.

Het anders organiseren van het huishouden, waarbij gezinsleden hun verantwoordelijkheid nemen in het verlenen van gebruikelijke hulp, kan betekenen dat bepaalde woonvoorzieningen niet noodzakelijk zijn. Hetzelfde geldt voor het gebruik van de woning door de cliënt zelf: door het verplaatsen van functies in of naar (andere) vertrekken of door het aanbrengen van simpele aanpassingen (denk aan het zittend aan de keukentafel voorbereiden van maaltijden) kan de zelfredzaamheid in bepaalde gevallen al aanmerkelijk verbeterd worden.

Ook een boodschappenservice of maaltijdvoorziening kan ertoe leiden dat een woningaanpassing niet of slechts beperkt noodzakelijk is.

Artikel 55. Algemene voorzieningen

Er is geen sprake van algemene voorzieningen in relatie tot woonvoorzieningen. Wel kunnen algemene voorzieningen op andere terreinen een woonvoorziening (met name een verhuizing) in sommige situaties overbodig maken.

Bijvoorbeeld in de situatie dat cliënt wenst te verhuizen in verband met beperkte participatiemogelijkheden, kan het lokale welzijnsaanbod een mogelijkheid zijn om cliënt hierin tegemoet te komen.

Artikel 56. Woningaanpassing

Een woonvoorziening in de vorm van een woningaanpassing kan bestaan uit:

  • bouwkundige ingrepen, zoals het verwijderen van drempels, verbreden van deuren, aanpassen van sanitaire ruimtes en keuken, aanbouwen van een gelijkvloerse slaapkamer en/of badkamer, plaatsen van een tijdelijke woonunit;

  • losse woonvoorzieningen, zoals tilliften, aankleedtafels, douchehulpmiddelen;

  • hulpmiddelen om een hoogteverschil te overbruggen, zoals een traplift of vlonder.

Als uitgangspunt geldt dat wordt gekeken of hergebruik mogelijk is. Zo ja, dan wordt een woonvoorziening verstrekt in bruikleen. Dit geldt bijvoorbeeld voor tijdelijke woonunits en trapliften, maar ook voor was- en föhninstallaties, aankleedtafels en tilliften. Een voorziening die in bruikleen wordt verstrekt, blijft eigendom van de gemeente. Bij nagelvaste, bouwkundige ingrepen, kan de voorziening door natrekking onderdeel worden van de woning. Daarmee wordt de woningeigenaar ook eigenaar van de voorziening.

Bij een bouwkundige ingreep moet gekeken worden naar de eigendom van de woning. Als dit niet de cliënt zelf is, dan zal ook overleg gezocht moeten worden met de eigenaar van de woning. Die moet namelijk in de gelegenheid gesteld te worden om te worden gehoord. Toestemming van de eigenaar is niet vereist om de aanpassing te kunnen realiseren. De woningaanpassing hoeft niet ongedaan gemaakt te worden als de cliënt er niet langer gebruik van maakt. Wel kan, al dan niet in overleg met de eigenaar van de woning, gekeken worden in hoeverre de aanpassing blijvend benut kan worden.

Van de toegekende maatwerkvoorziening maakt ook het onderhoud van de voorziening deel uit. Dat betekent dat het onderhoud van bouwkundige ingrepen voor rekening van de gemeente komt, tenzij dit onderhoud niet anders zou zijn dan waarvoor de woningeigenaar of bewoner van de woning ook al moest zorgen.

Als de cliënt in verband met de aanpassing van de woning tijdelijk elders gehuisvest moet worden, kan hij gedurende deze periode een tegemoetkoming ontvangen voor de dubbele woonkosten.

Artikel 57. Afweging verhuizen of woning aanpassen

Een van de doelen van de Wmo 2015 is, dat cliënten langer thuis kunnen blijven wonen. Dit hoeft niet onder alle omstandigheden in dezelfde woning te zijn. Het gaat vooral om het wonen in een “eigen” woonomgeving. Dit kan dus ook op een andere locatie zijn. Hieruit vloeit voort dat het college afweegt of een woonvoorziening moet worden aangeboden in de vorm van een woningaanpassing of een tegemoetkoming in de kosten van een verhuizing. Aan het maken van die afweging ligt het uitgangspunt ten grondslag dat het college gehouden is om de goedkoopst adequate voorziening te verstrekken. In dat verband onderzoekt het college onder andere de volgende aspecten:

  • in de persoon gelegen factoren: wat is de aard van de beperkingen en wat kan er gezegd worden over de ontwikkeling van die beperkingen in de toekomst? Kan van de cliënt in redelijkheid verlangd worden om te verhuizen, bijvoorbeeld op grond van de sociale contacten die hij in zijn woonomgeving heeft, zijn leeftijd, zijn gezondheid? Wil de cliënt zelf liever in zijn woning blijven of verhuizen naar een andere woning?

  • is er sprake van mantelzorg die in gevaar komt als de cliënt zou verhuizen?

  • kan woningaanpassing een oplossing bieden voor de belemmeringen die de cliënt nu ondervindt. Ook voor de toekomst? Met andere woorden: kan woningaanpassing naar verwachting een duurzame oplossing zijn? Uitgangspunt is hierbij dat de cliënt nog ten minste 5 jaar met de aanpassingen in de woning kan blijven wonen.

  • is er op korte termijn geschikte, voor de cliënt acceptabele alternatieve woonruimte beschikbaar? En ook tegen een voor de cliënt betaalbare prijs? En waar? Dit laatste ook gezien in het licht van het kunnen handhaven van de sociale contacten en eventuele mantelzorg. Zijn daar dan sowieso ook nog aanpassingen nodig?

  • als er sprake is van een eigen woning: leidt een verhuizing tot een onacceptabel financieel nadeel als gevolg van de verkoop van de huidige woning? Zal de woning naar verwachting binnen een redelijke termijn verkocht kunnen worden?

Als uit het onderzoek blijkt dat een verhuizing geen adequate oplossing is voor de cliënt, zal worden overgegaan tot aanpassing van de huidige woning.

Als uit het onderzoek blijkt dat aanpassing van de huidige woning geen adequate, duurzame oplossing biedt voor de cliënt, zal de cliënt het advies krijgen te verhuizen naar een meer geschikte woning. Aanpassing van de woning is dan niet aan de orde. Een eventueel te verstrekken woonvoorziening bestaat dan uit een tegemoetkoming in de kosten van die verhuizing, althans als de cliënt er ook voor kiest om daadwerkelijk te verhuizen.

Dit is ook het geval als de kosten van een woningaanpassing niet in verhouding staan tot de kosten van een verhuizing en er ook geen objectieve bezwaren zijn tegen een verhuizing. De kosten van de woningaanpassing worden in dat geval afgezet tegen de maximale richtbedragen voor de tegemoetkoming voor verhuiskosten.

Als een verhuizing de goedkoopst adequate oplossing is, maar de cliënt kiest ervoor om toch niet te verhuizen, dan kan hij de tegemoetkoming voor de verhuizing gebruiken om de eigen woning aan te passen. Uit het door de cliënt in te dienen zorg- en budgetplan moet voldoende blijken dat de door de cliënt aan te brengen voorzieningen een duurzame oplossing bieden voor de problematiek van de cliënt. De cliënt komt de komende vijf jaar niet in aanmerking voor een woonvoorziening, afgezien van niet-voorziene wijzigingen in de beperkingen van de cliënt.

Als er sprake is van problemen in de zelfredzaamheid of participeren in verband met de ligging van de woning, zal een woningaanpassing geen oplossing bieden. In dat geval kan slechts sprake zijn van een advies voor verhuizing.

Artikel 58. Aanpassingen in een wooncomplex

Woont een cliënt in een wooncomplex, dan kunnen op de persoon gerichte aanpassingen worden aangebracht in de algemene ruimte van dat wooncomplex, om de woning voor de cliënt bereikbaar en toegankelijk te maken.

Als een cliënt woont in een wooncomplex dat specifiek bedoeld is voor ouderen of personen met een lichamelijke beperking, dan mag worden verwacht dat dit wooncomplex voldoet aan de basiseisen van toegankelijkheid voor deze doelgroepen. Dat wil zeggen dat iemand zonder problemen zijn eigen woning moet kunnen bereiken, ook als de betrokkene rolstoelgebonden is. Een woonvoorziening voor de algemene ruimte is dan in principe niet aan de orde. De woningeigenaar is hiervoor verantwoordelijk. Woonvoorzieningen die in de algemene ruimtekunnen worden aangebracht beperken zich in principe tot de volgende voorzieningen:

  • het verbreden van toegangsdeuren;

  • het aanbrengen van elektrische toegangsdeuren;

  • de aanleg van een hellingbaan van de openbare weg naar de toegang van het gebouw;

  • het plaatsen van drempelhulpen of vlonders;

  • het realiseren van een opstelplaats voor een rolstoel of scootmobiel bij de toegangsdeur van het wooncomplex.

Artikel 59. Woonwagens, woonschepen en binnenschepen

Een woonvoorziening is alleen aan de orde als de woning geschikt is om het hele jaar te worden bewoond. Ook woonwagens en woonschepen kunnen hier onder vallen. Wel stelt het college hiervoor een aantal aanvullende eisen. Dit heeft te maken met het duurzame karakter van woonvoorzieningen. Als uitgangspunt geldt dat de cliënt ten minste gedurende vijf jaar gebruik kan maken van de aanpassingen. Dit stelt dus eisen aan de staat waarin de woonwagen of het schip verkeert. Concreet betekent dit dat een voorziening voor aanpassing van een woonwagen of woonschip slechts wordt verstrekt als:

  • de technische levensduur van de woonwagen of het woonschip nog minimaal vijf jaar is;

  • de woonwagen of het woonschip ten tijde van de indiening van de aanvraag in de gemeente een standplaats of ligplaats heeft die nog minimaal vijf jaar beschikbaar blijft voor de persoon.

Aanpassing van een binnenschip is mogelijk als de aanpassing betrekking heeft op het voor de persoon bestemde gedeelte van het verblijf van een binnenschipruimte die bestemd is voor het gebruik door de persoon, met inbegrip van een keuken, provisiekamer, toilet, wasgelegenheid, verblijfsruimte en slaapruimte, met uitzondering van het stuurhuis. Vastgesteld moet worden dat het binnenschip als zodanig te boek gesteld is in het register, als bedoeld inboek 3, titel 1, afdeling 2 BW en ook als binnenschip worden gebruikt.

Artikel 60. Persoonsgebonden budget en tegemoetkoming

Het pgb voor de kosten van aanpassing van de woning wordt bepaald op basis van de door de cliënt in te dienen begroting en offertes. Het pgb wordt gemaximeerd op 100% van de kosten van een vergelijkbare maatwerkvoorziening gedurende de technische afschrijvingsduur van de woonvoorziening. De kosten van een vergelijkbare maatwerkvoorziening zijn bepaald op basis van bestaande contracten met aannemers of marktonderzoek. Wanneer een aanpassing meer kost dan € 20.000,00 zijn twee offertes nodig om te beoordelen wat de goedkoopste optie is.

De dubbele woonkosten en de verhuiskosten worden door het college verstrekt op basis van een tegemoetkoming in de kosten.

De kosten voor de noodzakelijke dubbele woonkosten in verband met tijdelijke huisvesting elders in verband met het aanpassen van de huidige of nog te betrekken woning wordt vastgesteld op de huurkosten van de tijdelijk te betrekken woonruimte.

De kosten voor een verhuizing wordt vastgesteld op basis van de begroting van de cliënt, met een maximum zoals opgenomen in het financieel besluit.

Artikel 61. Periode of duur van de indicatie

De periode waarvoor een indicatie wordt afgegeven is afhankelijk van meerdere factoren, waaronder:

  • a.

    de beperkingen van de cliënt en de veranderingen die zich daarin kunnen voordoen;

  • b.

    de woonomstandigheden en de samenstelling van het huishouden van de cliënt en de veranderingen die zich daarin kunnen voordoen;

  • c.

    de levensverwachting van de cliënt;

  • d.

    de leeftijd van de cliënt.

Ad a.

Bij een indicatie voor dienstverlening is het uitgangspunt dat deze voor langere tijd, maar maximaal voor de duur van 5 jaar wordt afgegeven. Uit het onderzoek moet wel blijken dat er sprake is van een stabiele situatie.

Als sprake is van de verwachting dat de situatie van de cliënt verslechtert, bijvoorbeeld als gevolg van een progressief verlopende aandoening, kan de indicatie eveneens voor langere tijd worden afgegeven.

In beide situaties is het mogelijk dat de omvang van de indicatie op verzoek van de cliënt wordt gewijzigd.

Is er sprake van een situatie waarbij de verwachting bestaat dat er verbetering mogelijk is in de eigen kracht, al dan niet door inzet van gebruikelijke hulp, (niet-afdwingbare) mantelzorg of algemene voorzieningen, zal de indicatieduur worden beperkt tot de termijn waarbinnen deze verbeteringen verwacht worden.

Ad b.

Als het maatwerk bestaat uit dienstverlening kunnen ook de woonomstandigheden en samenstelling van het huishouden invloed hebben op de indicatieduur. Bij overige maatwerkvoorzieningen speelt dit minder. Als er bijvoorbeeld sprake is van kinderen in het gezin, zullen deze mogelijkerwijs naarmate zij ouder worden meer gebruikelijke hulp kunnen verlenen. Ook kan het zijn dat na een beperkte ondersteuning van het gezin, bijvoorbeeld bij het anders organiseren van het huishouden of het aanleren van bepaalde vaardigheden, minder ondersteuning nodig is, omdat gezinsleden meer gebruikelijke hulp kunnen verlenen.

Ad c.

Als er sprake is van een ondersteuningsbehoefte als gevolg van een cliënt met een beperkte levensverwachting, bijvoorbeeld bij een terminale aandoening, kan de indicatie voor dienstverlening worden afgegeven totdat de cliënt komt te overlijden of wordt opgenomen in een intramurale setting in het kader van de Wet langdurige zorg.

Ook hier geldt dat de indicatie tussentijds kan worden gewijzigd als er een wijziging in de omvang van de ondersteuning noodzakelijk is.

Het toekennen van een voorziening voor een langere periode betekent niet dat de cliënt tijdens deze periode een onvoorwaardelijke aanspraak houdt op de voorziening. Het college is altijd bevoegd om tussentijds onderzoek te verrichten naar de vraag of de voorziening nog adequaat en noodzakelijk is of dat het verstrekte pgb nog passend is. Aan zo’n heronderzoek zijn dezelfde inhoudelijke voorwaarden verbonden als bij een onderzoek naar aanleiding van een melding.

Hoofdstuk 5. Mantelzorgwaardering

Artikel 62. Algemeen

Veel inwoners zorgen regelmatig voor een familielid, kennis of buurman. Deze mensen wil de gemeente bedanken door ze uit te nodigen voor een speciale mantelzorgmiddag. Er is dan tijd om te ontspannen, maar ook tijd om met andere mantelzorgers te praten en ervaringen uit te wisselen, onder het genot van een hapje en een drankje.

Om deel te kunnen nemen aan de middagen moet de mantelzorger als zodanig bij de gemeente geregistreerd. Iedereen die geregistreerd staat ontvangt van het college een persoonlijke uitnodiging.

Een mantelzorger is iemand die minimaal 8 uur per week en minimaal 3 maanden achtereen onbetaald zorgt voor een chronisch zieke, gehandicapte of hulpbehoevende partner, ouder, kind, of ander familielid, vriend of kennis. Een mantelzorger is geen beroepsmatige zorgverlener, maar geeft zorg omdat hij of zij een persoonlijke band heeft met diegene voor wie hij of zij zorgt. Mantelzorg is niet de alledaagse zorg voor bijvoorbeeld een gezond kind. Een mantelzorger kiest er niet voor om te zorgen: het overkomt je omdat je een emotionele band hebt met degene die zorg nodig heeft.

Artikel 63. HHT regeling

Mantelzorgers verdienen een steuntje in de rug. Via de gemeente krijgt een geregistreerde mantelzorger korting op hulp in de huishouding aangeboden bij:

  • de badkamer en/of keuken schoonmaken

  • ramen lappen en kozijnen schoonmaken

  • de vloeren stofzuigen en dweilen

  • kasten en plinten afstoffen enz.

De schoonmaker kan 1 tot 12 dagdelen per jaar bij de mantelzorger langskomen.

  • 1 dagdeel is 3 uur

  • de mantelzorger betaalt € 5,00 per uur

  • de gemeente betaalt het aanvullende deel aan de aanbieder

Hoofdstuk 6. Slotbepalingen

Artikel 64. Inwerkingtreding
  • 1. De uitvoeringsregels treden in werking met ingang van 1 januari 2020.

  • 2. De Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning 2017 en eerder worden met ingang van 1 januari 2020 ingetrokken.

  • 3. De Beleidsregels gebruikelijke hulp gemeente Drechterland 2018 worden met ingang van 1 januari 2020 ingetrokken.

Artikel 65. Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als Uitvoeringsregels maatschappelijke ondersteuning Drechterland 2020.

Ondertekening

Vastgesteld bij collegebesluit in de vergadering van 10 november 2020.

De secretaris,

C.M. Minnaert

De Burgemeester,

M. Pijl