Nadere regels bijzondere bijstand en minimaregelingen Sint-Michielsgestel 2021

Geldend van 01-01-2021 t/m 31-08-2022

Intitulé

Nadere regels bijzondere bijstand en minimaregelingen Sint-Michielsgestel 2021

Inhoud

Hoofdstuk 1. Inleiding

Hoofdstuk 2. Aanvraag en draagkracht

Paragraaf 2.1 Aanvraag

Paragraaf 2.2 Draagkracht (individuele bijzondere bijstand)

Hoofdstuk 3. Individuele bijzondere bijstand

Paragraaf 3.1 Wonen en verhuizen

Paragraaf 3.2 Medische en sociaal noodzakelijke kosten

Paragraaf 3.3 Reiskosten

Paragraaf 3.4 Schoolkosten

Paragraaf 3.5 Financiën en administratie

Paragraaf 3.6 Nieuwkomers

Paragraaf 3.7 Jongeren 18 tot en met 20 jaar

Paragraaf 3.8 Kinder- en peuteropvang

Paragraaf 3.9 Uitvaart

Hoofdstuk 4. Zorgkosten

Hoofdstuk 5. Slotbepalingen

Hoofdstuk 1. Inleiding

Op basis van de verordening wordt armoede in de gemeente Sint-Michielsgestel bestreden door minimabeleid te maken en uit te voeren. Deze nadere regels maken deel uit van het minimabeleid.

Iedereen doet mee

Het uitgangspunt is dat iedereen mee kan doen in de samenleving. Daarom vormt de gemeente een financieel vangnet voor inwoners met een laag inkomen en vermogen. Deze inwoners kunnen bijzondere bijstand krijgen en meedoen met minimaregelingen. In deze nadere regels wordt vooral aandacht besteed aan de bijzondere bijstand. De bijzondere bijstand is een aanvullende inkomensondersteuning op grond van artikel 35 van de wet. Het gaat om bijzondere omstandigheden, die in het individuele geval, leiden tot noodzakelijke kosten van het bestaan en waar de inwoner niet zelf in kan voorzien. Hiermee worden armoede en schulden voorkomen. Het streven is dat inwoners blijvend een gezonde financiële huishouding hebben.

Eén pakket

De vaststelling van de verordening per 1 januari 2020 was aanleiding voor een vernieuwing van de Nadere regels. Er is daarbij gekozen voor één pakket aan regels. Dit sluit aan bij de wens van de uitvoering, om de regels makkelijker uitvoerbaar te maken. Ook kunnen inwoners de Nadere regels op deze manier eenvoudig(er) raadplegen.

Het proces

De regels over de bijzondere bijstand en de minimaregelingen zijn gebundeld en geactualiseerd. Bij de ontwikkeling van deze regels was de input van de Adviesraad Sociaal Domein erg belangrijk. Vroeg in het proces heeft er een overleg plaatsgevonden, waarbij de adviesraad van Boxtel en

Sint-Michielsgestel vertegenwoordigd waren. Vervolgens hebben de adviesraden schriftelijk kunnen reageren op de conceptversie van de Nadere regels. Deze werkwijze hebben zij als prettig ervaren.

Leeswijzer

De inhoudsopgave van de verordening is de basis voor de indeling van deze nadere regels. In deze nadere regels zijn de volgende paragrafen van hoofdstuk 7 van de verordening uitgewerkt:

  • 7.2 Bijzondere bijstand

  • 7.6 Zorgkosten

Paragraaf 7.3 en 7.4 over de individuele studie- en inkomenstoeslag en paragraaf 7.5 over het welzijnsfonds zijn niet uitgewerkt. Dit is geregeld in de verordening en er zijn geen nadere regels.

Hoofdstuk 2. Aanvraag en draagkracht

Paragraaf 2.1 Aanvraag

Artikel 1 Aanvraag

  • 1. De inwoner doet de aanvraag voor bijzondere bijstand of minimaregeling met een daarvoor bedoeld aanvraagformulier of digitaal via BerekenUwRecht.

  • 2. De inwoner geeft informatie voor een inkomens- en vermogenstoets:

    • a.

      De inwoner zonder IOAW-, IOW-, IOAZ-, Bbz- of bijstandsuitkering geeft informatie over het inkomen en vermogen.

    • b.

      De inwoner met een IOAW-, IOW- of IOAZ-uitkering geeft alleen informatie over het vermogen.

    • c.

      De inwoner met een bijstandsuitkering of Bbz-uitkering geeft geen informatie.

  • 3. De inwoner geeft alle informatie die nodig is om het recht op bijzondere bijstand of de minimaregeling te beoordelen.

Paragraaf 2.2 Draagkracht (individuele bijzondere bijstand)

Artikel 2 Noodzaak

  • 1. Bijzondere bijstand moet aangevraagd worden voordat de kosten ontstaan.

  • 2. Beoordeeld wordt of aan de volgende voorwaarden is voldaan:

    • a.

      Doen de kosten zich voor?

    • b.

      Zijn de kosten in het persoonlijke geval noodzakelijk?

    • c.

      Komen de kosten door een bijzondere persoonlijke situatie?

    • d.

      Kunnen de kosten betaald worden uit het inkomen of vermogen?

    • e.

      Is er een voorliggende voorziening op grond van artikel 15 van de wet?

  • 3. Wanneer bijzondere bijstand wordt aangevraagd nadat de kosten zijn ontstaan, dan wordt de aanvraag alleen behandeld als:

    • a.

      de bijzondere bijstand wordt aangevraagd tot en met één jaar na het moment waarop de kosten zijn ontstaan, en

    • b.

      voldaan is aan de voorwaarden van lid 2 van dit artikel.

Artikel 3 Draagkrachtperiode

  • 1. De draagkrachtperiode is maximaal 12 maanden en loopt tot en met 31 december van het lopende kalenderjaar.

  • 2. De draagkrachtperiode begint op:

    • a.

      de eerste dag van de maand van de aanvraag, of

    • b.

      als de kosten zijn gemaakt, de eerste dag van de maand waarin de kosten zijn ontstaan.

  • 4. De draagkracht wordt bepaald in verhouding tot het aantal maanden dat de bijstand wordt verstrekt.

  • 5. Wanneer binnen een draagkrachtperiode een nieuwe aanvraag wordt gedaan, hoeft de draagkracht niet opnieuw vastgesteld te worden.

  • 6. Op verzoek van de inwoner kan de draagkracht opnieuw worden vastgesteld wanneer het inkomen tijdens de draagkrachtperiode is gedaald.

Artikel 4 Draagkracht uit inkomen

  • 1. De alleenstaande (ouder) heeft of gehuwden hebben draagkracht wanneer het inkomen hoger is dan 120% van de bijstandsnorm. De draagkracht is het inkomen dat hoger is dan 120% van de bijstandsnorm.

  • 2. De jongere van 18 tot en met 20 jaar heeft draagkracht wanneer hij:

    • a.

      alleen woont en het inkomen hoger is dan 60% van de gehuwdennorm. De draagkracht is het inkomen dat hoger is dan 60% van de gehuwdennorm.

    • b.

      de kosten deelt en het inkomen hoger is dan de bijstandsnorm vanaf 21 jaar. De draagkracht is het inkomen dat hoger is dan 120% van de bijstandsnorm.

  • 3. De bijzondere bijstand wordt verlaagd met het bedrag van de draagkracht.

  • 4. Anders dan in lid 1 tot en met 3 heeft de inwoner draagkracht wanneer het inkomen hoger is dan 100% van de bijstandsnorm als een aanvraag wordt gedaan voor woonkostentoeslag.

Artikel 5 Berekening inkomen

  • 1. Bij een onregelmatig inkomen wordt uitgegaan van het gemiddelde maandinkomen over drie maanden voorafgaand aan de eerste dag van de draagkrachtperiode.

  • 2. Bij zelfstandigen wordt uitgegaan van het gemiddelde maandinkomen van het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar van de draagkrachtperiode. Dit wordt bepaald op basis van de jaarrekening. De bijzondere bijstand wordt achteraf definitief vastgesteld op basis van de jaarrekening van het jaar waarop de bijzondere bijstand betrekking heeft.

  • 3. Er is geen draagkracht wanneer:

    • a.

      de inwoner zich heeft aangemeld voor schulddienstverlening.

    • b.

      de inwoner niet beschikt over het Vrij Te Laten Bedrag zoals berekend volgens de Recofa-methode, of als gevolg van:

      • loonbeslag;

      • verrekening huur- en zorgtoeslag;

      • maximale afloscapaciteit die wordt ingezet ten behoeve van schuldeisers;

      • specifieke omstandigheden door schulddienstverlener omschreven.

    • c.

      er een minnelijke of wettelijke schuldregeling is.

Artikel 6 Draagkracht uit vermogen

  • 1. Het vermogen wordt bepaald volgens artikel 34 van de wet.

  • 2. Het vermogen boven het vrijlatingsbedrag in artikel 34 lid 3 van de wet is draagkracht. Draagkracht moet gebruikt worden voor het betalen van bijzondere kosten.

Artikel 7 Vrijlatingen inkomen en vermogen

  • 1. Bij het bepalen van het inkomen en vermogen wordt rekening gehouden met:

    • a.

      de vermogensgrens die wordt bepaald in artikel 34 van de wet;

    • b.

      de middelen die in artikel 31 lid 2 van de wet genoemd zijn;

    • c.

      de extra vrijlating op het saldo van de betaalrekening voor lopende uitgaven. De hoogte van de vrijlating is 1,5 maal de (kostendelers-)norm exclusief vakantietoeslag;

    • d.

      De extra vermogensvrijlating voor uitvaartkosten. De hoogte van de vrijlating is het bedrag dat de Belastingdienst hanteert als aftrekpost voor de vaststelling van de nalatenschap. De voorwaarden zijn:

      • 1.

        voor de kosten van de uitvaart is geen dekkende verzekering afgesloten;

      • 2.

        het bedrag is gestort op een depositorekening bij een begrafenisonderneming;

      • 3.

        het bedrag kan alleen gebruikt worden voor uitvaartkosten;

      • 4.

        het bedrag is niet tussentijds opneembaar;

      • 5.

        de rente wordt jaarlijks bijgeschreven op de depositorekening.

  • 2. Voor zover het vermogen in de eigen woning minder is dan het bedrag in artikel 34 lid 2 sub d van de wet, telt dit niet mee voor de bepaling van het vermogen.

Artikel 8 Waardebepaling voertuigen

  • 1. Wanneer een voertuig 9 jaar of ouder is, dan wordt geen rekening gehouden met het vermogen in dit voertuig, tenzij het voertuig een duidelijk objectief te bepalen dagwaarde heeft van € 3.000,- of meer.

  • 2. Bij een voertuig jonger dan 9 jaar of met een duidelijk objectief te bepalen waarde van € 3.000,- of meer, wordt de meeneemprijs van de ANWB-koerslijst meegenomen bij de bepaling van het vermogen.

  • 3. Wanneer een uitzonderlijk model of oldtimer een aanzienlijke waarde heeft, dan kan een taxateur worden ingeschakeld om de waarde te bepalen.

Hoofdstuk 3. Individuele bijzondere bijstand

Paragraaf 3.1 Wonen en verhuizen

Artikel 9 Duurzame gebruiksgoederen, overige inrichtingskosten en babyuitzet

De regel is dat inwoners geen bijzondere bijstand krijgen voor de kosten van duurzame gebruiksgoederen, overige inrichtingskosten en een babyuitzet. De kosten kunnen betaald worden uit een inkomen op bijstandsniveau door vooraf te reserveren of achteraf gespreid te betalen. Er geldt een uitzondering voor meerjarige minima.

Meerjarige minima

Dit zijn inwoners die 3 jaar of langer een inkomen hebben dat gemiddeld lager dan of gelijk is aan 100% van de bijstandsnorm. Zij hebben vaak niet meer de financiële ruimte om vanuit het inkomen op bijstandsniveau te reserveren of achteraf gespreid te betalen. Een inwoner kan dan bijzondere bijstand krijgen voor de noodzakelijke aanschaf van (prijzen zijn volgens Nibud-prijzengids):

  • Duurzame gebruiksgoederen: wasmachine, koelkast, gasfornuis en tv of laptop.

  • Overige inrichtingskosten: vloerbedekking, raambekleding en verf of behang.

  • Babyuitzet: volgens lijst van de Nibud-prijzengids.

Voor de aanschaf van een laptop kan de inwoner maximaal eenmaal per 5 jaar bijzondere bijstand krijgen. Voor andere duurzame gebruiksgoederen dan hierboven genoemd, gaan we uit van tweedehands aanschaf (50% van de prijs in de Nibud prijzengids). Ook wordt voor andere duurzame gebruiksgoederen beoordeeld of de kosten vanuit de individuele inkomenstoeslag voldaan kunnen worden.

Artikel 10 Verhuiskosten

Een inwoner kan bijzondere bijstand krijgen voor de kosten van een noodzakelijke verhuizing. Een verhuizing is in ieder geval noodzakelijk wanneer een inwoner woonkostentoeslag of urgentie vanuit de woningbouwvereniging krijgt.

Er is een verschil tussen de kosten van het verhuizen zelf en de kosten van inrichting (duurzame gebruiksgoederen en overige inrichtingskosten). Wanneer een inwoner naar een andere gemeente verhuist, beslist de vertrekgemeente over de verhuiskosten en de vestigingsgemeente over de inrichtingskosten.

Artikel 11 Woonkostentoeslag

Een inwoner krijgt een woonkostentoeslag wanneer de woonlasten van de eigen woning of

huurwoning te hoog zijn ten opzichte van het inkomen. Een belangrijke vraag is of de ontstane situatie te voorzien en voorkomen was. De voorwaarden voor het krijgen van een woonkostentoeslag zijn:

Huurder

De huurder woont in een huurwoning en krijgt geen huurtoeslag van de belastingdienst. De huurder moet moeite doen om een woning te vinden, waarvan hij de huur (met huurtoeslag) zelf kan betalen. De huurder moet bereid zijn om te verhuizen binnen een straal van 50 kilometer van de huidige woning. De huurder krijgt maximaal 6 maanden een woonkostentoeslag. De huurder kan dan een nieuwe aanvraag doen voor de woonkostentoeslag.

Woonkosten voor huurders zijn: huur en servicekosten.

Eigenaar

De eigenaar moet moeite doen om zijn financiële situatie te verbeteren. Als het nodig is moet de eigenaar bereid zijn om de woning te verkopen voor de WOZ-waarde. De eigenaar moet bereid zijn om te verhuizen binnen een straal van 50 kilometer van de huidige woning. De eigenaar krijgt maximaal 6 maanden een woonkostentoeslag. De eigenaar kan dan een nieuwe aanvraag doen voor de woonkostentoeslag.

Woonkosten voor eigenaren zijn: rioolrechten; eigenaarsdeel waterschapslasten; erfpachtcanon; premies van verzekeringen tegen brand- en stormschade (alleen voor de opstallen); eigenaarsdeel onroerende zaakbelasting.

Artikel 12 Overbruggingsuitkering

De inwoner kan een overbruggingsuitkering krijgen wanneer hij niet voldoende middelen heeft om de periode naar de eerste uitbetaling van de algemene bijstand te overbruggen. De hoogte van de overbruggingsuitkering is 80% van de bijstandsnorm en kan verstrekt worden om de periode tot de eerste betaling van de uitkering te overbruggen. Dat is maximaal 6 weken.

Nieuwkomers

Er is geen noodzaak tot een overbruggingsuitkering als er sprake is van gezinshereniging. De huurtoeslag is voorliggend als een alleenstaande zijn gezin over laat komen en een grotere woning gaat huren. Daarnaast gaat de alleenstaande (ouder) uitkering omgezet worden naar een gehuwdenuitkering.

Paragraaf 3.2 Medische en sociaal noodzakelijke kosten

Artikel 13 Medische kosten

De regel is dat een inwoner geen bijzondere bijstand krijgt voor medische kosten, omdat de Zorgverzekeringswet een passende en toereikende voorliggende voorziening is.

Wanneer de voorziening in het individuele geval volgens de voorliggende voorziening wel noodzakelijk is, maar de kosten niet (volledig) vergoed worden, dan kan een inwoner (aanvullend) bijzondere bijstand krijgen voor medische kosten. Als de inwoner mee kan doen met de collectieve ziektekostenverzekering, maar hier niet voor kiest, dan wordt de vergoeding van de collectieve ziektekostenverzekering op de te verstrekken bijstand in mindering gebracht.

Er kan een medisch advies opgevraagd worden om de noodzaak vast te stellen.

Artikel 14 Eigen risico

De inwoner krijgt geen bijzondere bijstand voor het verplichte eigen risico van de ziektekostenverzekering. Een inwoner kan deelnemen aan de collectieve ziektekostenverzekering, waardoor hij via de bijzondere bijstand een tegemoetkoming in de premie krijgt.

Artikel 15 Extra kosten van bewassing, kledingslijtage en stookkosten

De regel is dat dit algemeen voorkomende noodzakelijke kosten van het bestaan zijn. Deze kosten kunnen uit een inkomen op bijstandsniveau betaald worden. Door een ziekte of gebrek kan een inwoner extra kosten hebben. Een inwoner kan bijzondere bijstand krijgen voor de kosten wanneer:

  • de inwoner een stoornis heeft die voorkomt in de Geïndexeerde GMD-lijst, en

  • er individuele bijzondere omstandigheden zijn.

Er kan een medisch advies opgevraagd worden om de noodzaak vast te stellen.

Bewassing

De individuele bijzondere omstandigheid is dat de inwoner vaker moet wassen door een ziekte of gebrek. De inwoner kan bijzondere bijstand krijgen voor de meerkosten volgens de Geïndexeerde GMD-lijst.

Kledingslijtage

Individuele bijzondere omstandigheden zijn:

  • een inwoner moet door ziekte binnen een korte tijd al zijn kleding vervangen. Dit kan niet worden opgevangen binnen de normale termijn om kleding te vervangen door het periodiek kopen en wegdoen van kleding;

  • de vervanging van kleding is noodzakelijk als gevolg van een dieet. De hoogte van de bijzondere bijstand is maximaal de helft van de bedragen in de Nibud-prijzengids.

Stookkosten

De individuele bijzondere omstandigheid is dat verhoging van de temperatuur in een of meer ruimte(n) van de woning door ziekte of gebrek nodig is. De inwoner kan bijzondere bijstand krijgen voor de meerkosten volgens de Geïndexeerde GMD-lijst.

Artikel 16 Dieetkosten

Een inwoner kan bijzondere bijstand krijgen voor dieetkosten die uitgaan boven de kosten van een normaal en gezond voedingspatroon. Een medische verklaring van een arts moet hieraan ten grondslag liggen. Er kan een medisch advies opgevraagd worden om de noodzaak vast te stellen.

Diëten, zoals zoutarm, suikervrij (diabetes) en vetarm (cholesterol), zijn onderdeel van gezonde voeding. Er zijn dan geen extra kosten. Daarom kan hiervoor geen bijzondere bijstand gegeven worden.

Artikel 17 Maaltijdvoorziening

De inwoner kan bijzondere bijstand krijgen voor de kosten van het noodzakelijke gebruik van een maaltijdvoorziening. De hoogte van de bijzondere bijstand is gelijk aan de werkelijke kosten onder aftrek van de eigen bijdrage (volgens Nibud-prijzengids) per warme maaltijd. Er kan een medisch advies opgevraagd worden om de noodzaak vast te stellen.

Artikel 18 Alarmering

Een inwoner kan bijzondere bijstand krijgen voor de kosten van personenalarmering wanneer hij een ziekte of gebrek heeft waardoor hij (medische) hulp moet kunnen inroepen. Er kan een medisch advies opgevraagd worden om de noodzaak vast te stellen.

Er zijn twee vormen van personenalarmering: sociale en professionele alarmering. De inwoner krijgt alleen bijzondere bijstand voor professionele alarmering wanneer sociale alarmering niet voldoende is. Dit kan zijn wanneer er geen of een klein sociaal netwerk is of mantelzorgers overbelast zijn.

De inwoner kan bijzondere bijstand krijgen voor de kosten van:

  • de aanschaf- en aansluitkosten (eenmalig);

  • de maandelijkse abonnementskosten;

  • de kosten van het plaatsen van een sleutelkastje;

  • de maandelijkse huur voor het sleutelkastje;

  • de kosten van het realiseren van een telefoonaansluiting.

Paragraaf 3.3 Reiskosten

De inwoner kan bijzondere bijstand krijgen voor bepaalde reiskosten. De hoogte van de bijzondere bijstand is gelijk aan de voor de inwoner goedkoopst mogelijke manier van reizen. De kosten van het openbaar vervoer kunnen vergoed worden of een kilometerprijs voor het reizen met een gemotoriseerd voertuig.

Artikel 19 Woon-werkverkeer

De inwoner krijgt geen bijzondere bijstand voor de reiskosten van woon-werkverkeer.

Artikel 20 Bezoek zieke familieleden

De inwoner kan bijzondere bijstand krijgen voor de vervoerskosten van het woonadres van de inwoner naar het verpleegadres waar de zieke verblijft. Het bezoek is noodzakelijk wanneer:

  • de zieke deel is van het gezin van de inwoner;

  • de zieke in een inrichting verblijft, en

  • de inrichting buiten de gemeente ligt, maar binnen Nederland.

De bezoekfrequentie is afhankelijk van de omstandigheden.

Artikel 21 In inrichting verblijvende inwoner

De inwoner kan bijzondere bijstand krijgen voor reiskosten van bezoek aan huis.

Artikel 22 Medische behandeling of periodieke controle

Voor regelmatig terugkerende reis- en parkeerkosten voor een medische behandeling of periodieke controle kan de inwoner bijzondere bijstand krijgen. Reis- en parkeerkosten die incidenteel voorkomen moeten uit een inkomen op bijstandsniveau betaald worden.

Artikel 23 Scholing

Schoolgaande kinderen en inburgeraars kunnen bijzondere bijstand krijgen voor reiskosten, wanneer de scholing noodzakelijk is, en:

  • de afstand van het woonadres naar school meer is dan 10 kilometer enkele reis, of

  • gebruik van het openbaar vervoer nodig is om medische redenen, of

  • het kind of de inburgeraar niet kan fietsen, maar dit wel wil leren en staat ingeschreven voor een fietscursus. Het kind of de inburgeraar krijgt dan voor de duur van maximaal één schooljaar bijzondere bijstand voor reiskosten.

Het kind of de inburgeraar krijgt een vergoeding voor de reiskosten naar de passende school die het dichtstbij is of waarnaar de reiskosten het goedkoopst zijn. Het gaat om kosten voor het openbaar vervoer vanaf het (bus)station in de eigen woonplaats naar de plaats waarin de school staat. Wanneer de school verder dan 2 kilometer van het station is, kunnen de kosten voor het reizen met de bus van het station naar school ook vergoed worden. In de maanden juli en augustus krijgt de inwoner geen bijzondere bijstand, omdat er per schooljaar 12 vakantieweken zijn. Het verstrekken van bijzondere bijstand voor 10 maanden is daarom genoeg.

Paragraaf 3.4 Schoolkosten

Artikel 24 Computers

Inwoners met ten laste komende kinderen in het voortgezet onderwijs kunnen bijzondere bijstand krijgen voor de kosten van een computer of laptop. Scholen verwachten dat leerlingen thuis een computer of laptop hebben. Het is belangrijk dat kinderen op school volwaardig mee kunnen doen.

Bijdrage

De hoogte van de bijdrage is maximaal € 550,00. De bijdrage wordt éénmaal verstrekt per kind. De bijdrage mag alleen gebruikt worden voor de aanschaf van een nieuwe computer of laptop, randapparatuur (zoals printer en toetsenbord), software die nodig is voor het volgen van de opleiding (Office is altijd nodig) en een laptoptas.

De computer of laptop moet aangeschaft worden bij een officiële leverancier. Gelet op de snelle ontwikkelingen in deze sector moet uitgegaan worden van nieuwe apparatuur. De bijdrage mag ook gebruikt worden voor het huren van een laptop.

In uitzonderlijke situaties kan deze bijdrage ook gebruikt worden voor een tablet. De tablet moet nodig zijn om het onderwijs te kunnen volgen.

Artikel 25 Hogere studiekosten

Jongeren van 16 en 17 jaar die geen startkwalificatie hebben, hebben een kwalificatieplicht. Een startkwalificatie is (minimaal) een diploma havo, vwo of mbo (niveau 2 of hoger). Jongeren met een kwalificatieplicht, kunnen bijzondere bijstand krijgen voor extra studiekosten.

De voorwaarden zijn dat:

  • de kosten naar aard en hoogte noodzakelijk zijn, en

  • de leerling het onderwijs niet kan beginnen of afronden door het gemis van een adequate beroepsuitrusting.

De hoogte van de bijzondere bijstand is maximaal € 800,00 per leerling per schooljaar.

Artikel 26 Vrijwillige bijdrage basisonderwijs

Bijna alle basisscholen vragen een vrijwillige (inkomensafhankelijke) bijdrage aan ouders, bijvoorbeeld voor uitstapjes, museumbezoek, festiviteiten en een schoolkamp. Deze bijdrage is noodzakelijk. Een kind moet mee kunnen doen met deze activiteiten.

Artikel 27 Overblijfkosten

De regel is dat een inwoner voor deze kosten geen bijzondere bijstand krijgt, omdat het overblijven van het kind op school niet verplicht is. Als er bijzondere omstandigheden zijn waardoor overblijven noodzakelijk is, kan een inwoner wel bijzondere bijstand krijgen voor de overblijfkosten.

Paragraaf 3.5 Financiën en administratie

Artikel 28 Bewindvoering, curatele en mentorschap

De inwoner kan bijzondere bijstand krijgen voor de kosten van bewindvoering, mentorschap of curatele als er een beschikking is van de rechtbank. De hoogte van de kosten staat in de beschikking van de rechtbank en de ‘Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren’. Voor de kosten van bewindvoering in het kader van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp) krijgt de inwoner geen bijzondere bijstand. Het ‘Besluit subsidie bewindvoerder schuldsanering’ is een voorliggende voorziening. Wel kan een inwoner naast de Wsnp-bewindvoerder een gewone bewindvoerder hebben. Hiervoor kan de inwoner bijzondere bijstand krijgen.

Artikel 29 Budgetbeheer

Budgetbeheer kan worden ingezet op verzoek van de inwoner zelf of van de hulpverlening. Dit kan wanneer de inwoner zonder hulp niet in staat is om zijn inkomen en vermogen verantwoord te beheren en besteden. Voor de kosten van budgetbeheer kan de inwoner bijzondere bijstand krijgen.

Artikel 30 Rechtsbijstand

Een inwoner kan bijzondere bijstand krijgen voor kosten in verband met procedures bij de rechter.

Eigen bijdrage advocaat en griffierecht

Een inwoner kan bijzondere bijstand krijgen voor deze kosten, wanneer op grond van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) een toevoeging voor rechtsbijstand is gegeven. Wanneer om een proceskostenveroordeling is gevraagd, wordt de eigen bijdrage teruggevorderd.

Overige kosten

Voor de volgende kosten krijgt de inwoner geen bijzondere bijstand:

  • vertaalkosten. Advocaten kunnen gebruik maken van een gesubsidieerd tolkencentrum;

  • reiskosten van de inwoner voor het bijwonen van rechtszittingen. Het is niet noodzakelijk dat de inwoner in persoon aanwezig is bij de rechtszitting. Daarom zijn reiskosten niet noodzakelijk. Een proceskostenvergoeding kan een voorliggende voorziening zijn.

Artikel 31 Leges

De regel is dat een inwoner geen bijzondere bijstand krijgt voor leges. Dit zijn algemene bestaanskosten die betaald kunnen worden uit een inkomen op bijstandsniveau door vooraf te reserveren.

Artikel 32 Schulden

Een inwoner krijgt geen bijzondere bijstand voor (de aflossing van) schulden, maar wel voor bijzondere kosten. De vorm van de bijstand is afhankelijk van de aard van en de sociale en financiële omstandigheden waarin en waaronder de schulden zijn ontstaan. Het uitgangspunt van de integrale schuldhulpverlening is belangrijk. De hulp moet gericht zijn op een blijvende oplossing van het totale schuldenpakket. Een situatie tot terugval in schulden moet voorkomen worden.

Paragraaf 3.6 Nieuwkomers

Artikel 33 Voorschot

Een inwoner kan een of meerdere voorschotten krijgen op een aangevraagde persoonlijke lening. Het voorschot is bedoeld voor het opknappen en inrichten van de woning. De inwoner krijgt het voorschot in de vorm van terugvorderbare bijzondere bijstand, zodat het voorschot verrekend kan worden met de persoonlijke lening van de gemeente. De gemeentelijke administratie verrekend de voorschotten. Het resterende bedrag wordt aan de inwoner uitbetaald.

Artikel 34 Ontheffing inburgeringsplicht

Inwoners kunnen een advies aanvragen voor de ontheffing van de inburgeringsplicht. De inwoner krijgt alleen bijzondere bijstand voor de advieskosten wanneer uit het advies blijkt dat de inwoner daadwerkelijk ontheven wordt van de inburgeringsplicht.

Paragraaf 3.7 Jongeren 18 tot en met 20 jaar

Artikel 35 Bestaanskosten (jongeren niet in instelling)

De bijstandsnorm voor jongeren van 18 tot en met 20 jaar is laag. Als een jongere aantoonbaar hogere bestaanskosten voor levensonderhoud heeft, dan kan de jongere aanvullend bijzondere bijstand krijgen voor de deze kosten. Over dit bedrag zijn belastingen en premies verschuldigd.

Thuiswonende en uitwonende jongeren

  • Thuiswonend: ouders kunnen aan hun onderhoudsverplichting voldoen door hun kind te laten inwonen. Een jongere kan daarmee een beroep doen op zijn ouders. De jongere krijgt geen aanvullende bijzondere bijstand voor de kosten van levensonderhoud.

  • Uitwonend: als de jongere geen beroep op zijn ouders kan doen, dan kan hij aanvullend bijzondere bijstand krijgen voor de kosten van levensonderhoud. Dit moeten hogere bestaanskosten zijn dan kosten waarin de bijstandsnorm voorziet.

Hoogte bijzondere bijstand

De hoogte van de bijzondere bijstand is afhankelijk van de mogelijkheid tot kostendeling:

  • Geen kostendeling: de bijstandsnorm kan aangevuld worden tot 60% van de gehuwdennorm. Een hogere aanvulling tot de bijstandsnorm voor een alleenstaande vanaf 21 jaar is onwenselijk, omdat dit hoger is dan het bedrag aan studiefinanciering voor een mbo’er of het wettelijk minimumloon van een 18 tot en met 20 jarige.

  • Wel kostendeling: de bijstandsnorm kan via de bijzondere bijstand aangevuld worden tot de kostendelersnorm vanaf 21 jaar. De kostendelersnorm vanaf 21 jaar is namelijk lager dan 60% van de gehuwdennorm.

Artikel 36 Bestaanskosten (jongeren in instelling)

Jongeren van 18 tot en met 20 jaar die in een instelling verblijven, hebben geen recht op algemene bijstand. In hun bestaanskosten wordt grotendeels voorzien door de instelling waar ze blijven.

Onderhoudsbijdrage ouders

Voor zover niet in de bestaanskosten wordt voorzien door de instelling waar de jongere blijft, zoals de ouderbijdrage, zak- en kleedgeld en overige bijzondere kosten, wordt een beroep op de ouders gedaan. Een jongere kan voor zijn bestaanskosten niet altijd (volledig) een beroep op zijn ouders doen. Dan kan een jongere bijzondere bijstand krijgen op basis van artikel 12 van de wet. Een juiste aansluiting op de bestaanskosten van de jongere en de ouderlijke onderhoudsplicht wordt alleen bereikt door de hoogte van de bijzondere bijstand geheel af te stemmen op de individuele omstandigheden. Over dit bedrag zijn belastingen en premies verschuldigd.

Hoogte bijzondere bijstand

De hoogte van de bijzondere bijstand wordt afgestemd op de algemene bijstandsnormen voor personen van 18 tot en met 20 jaar. Kinderbijslag wordt, als deze voor de jongere kan worden aangewend, in mindering gebracht. Bij plaatsing in een voorziening ingevolge de Wet op de jeugdzorg is zak- en kleedgeld in de dagprijs begrepen.

Artikel 37 Bijzondere kosten

De hoogte van bijzondere bijstand voor bijzondere kosten wordt vastgesteld volgens de normale regels. Wel zal eerst onderzocht moeten worden of voldaan is aan de eisen van artikel 12 van de wet. Ook voor bijzondere kosten moet de jongere eerst een beroep op zijn ouders doen.

Paragraaf 3.8 Kinder- en peuteropvang

Artikel 38 Sociaal Medische Indicatie

Een inwoner kan bijzondere bijstand krijgen voor de noodzakelijke kosten van kinderopvang op grond van een SMI of als aanvulling op de kinderopvangtoeslag van de belastingdienst. De hoogte van de bijzondere bijstand is maximaal € 10,00 per uur.

Artikel 39 Vroeg en Voorschoolse Educatie

Een inwoner kan voor een VVE-doelgroepkind bijzondere bijstand krijgen. De hoogte van de bijzondere bijstand is maximaal de hoogte van de jaarlijkse ouderbijdrage.

Paragraaf 3.9 Uitvaart

Artikel 40 Uitvaartkosten

Kosten van een uitvaart behoren tot de schulden van de nalatenschap. De overledene heeft zelf geen recht op bijzondere bijstand. Dit betekent dat:

  • Erfgenamen of bloed- of aanverwanten, die volgens artikelen 1:392 tot en met 1:396 van het Burgerlijk Wetboek tot onderhoud van de overledene verplicht zouden zijn geweest, bijzondere bijstand kunnen krijgen voor de uitvaartkosten. Erfgenamen kunnen alleen bijzondere bijstand krijgen naar rato van hun erfrechtelijk deel.

  • Een voorwaarde is dat de kosten niet uit het nalatenschap betaald kunnen worden en dat de erfgenaam dan wel bloed- of aanverwante niet over toereikende middelen beschikt om (zijn aandeel in) de uitvaartkosten te voldoen. Het is daarbij niet relevant of de andere erfgenamen de nalatenschap hebben aanvaard of verworpen.

Voorliggende voorziening

De Wet op de lijkbezorging (Wlb) is geen verplichte ‘voorliggende voorziening’. Het uitgangspunt van de Wlb is dat nabestaanden verantwoordelijk zijn voor het regelen van de uitvaart. Pas als de nabestaanden geen opdracht geven voor de uitvaart is de Wlb van toepassing. Een uitvaart-, levens- of ongevallenverzekering en/of nalatenschap zijn wel voorliggende voorzieningen.

Noodzakelijke kosten

Een erfgenaam dan wel bloed- of aanverwant kan bijzondere bijstand krijgen voor de noodzakelijke kosten van de begrafenis of crematie van een overledene. De volgende kosten zijn noodzakelijk:

  • akte van overlijden;

  • basistarief uitvaartverzorger begrafenis;

  • 100 rouwkaarten;

  • overbrengen van overledene naar rouwcentrum of woonhuis;

  • verzorging van overledene;

  • kist;

  • opbaren in het uitvaartcentrum;

  • condoleancebezoek;

  • uitvaartmis in kerk of afscheid in het crematorium;

  • laatste vervoer overledene per lijkwagen;

  • vier dragers;

  • begraafkosten begraafplaats;

  • huurgraf voor een bepaalde periode;

  • verstrooiing as bij crematorium.

Hoogte bijzondere bijstand

De hoogte van de bijzondere bijstand voor de uitvaartkosten is maximaal € 5.000,-. Dit bedrag mag op basis van de lijst van noodzakelijke kosten naar eigen inzicht worden besteed. Bij de bepaling van de hoogte van de bijstand worden twee situaties onderscheiden:

  • Als één van de ouders overlijdt, gaat de boedel naar de langstlevende ouder. De kinderen hebben een vordering op deze ouder. Er wordt op basis van de wet geen rekening gehouden met toekomstige vorderingen, omdat de kinderen hier nog niet over kunnen beschikken. Als de langstlevende ouder bijzondere bijstand aanvraagt, dan houden we rekening met de volledige baten uit het nalatenschap, zonder rekening te houden met de vorderingen van de kinderen. De kinderen komen niet voor bijzondere bijstand in aanmerking, omdat de langstlevende ouder alle begrafeniskosten uit de boedel moet betalen.

  • Als de langstlevende ouder overlijdt, kan een kind bijzondere bijstand aanvragen.

Wanneer voor dezelfde uitvaartkosten door meerdere personen bijzondere bijstand aangevraagd wordt in verschillende gemeenten, moet er afstemming plaatsvinden met de andere gemeente(n).

Uitzondering

Als er geen nabestaanden zijn en de bijzondere bijstand wordt aangevraagd door iemand die zich daartoe moreel verplicht voelt, dan moet het volledige nalatenschap van de overledene in mindering worden gebracht op het bedrag van de noodzakelijke kosten. Het verzoek wordt opgemaakt op naam van de overledene en de kosten worden vergoed zonder rekening te houden met het inkomen van degene die de opdracht tot uitvaart heeft gedaan.

Hoofdstuk 4. Zorgkosten

Artikel 41 Collectieve ziektekostenverzekering

Een inwoner kan mee doen met de collectieve ziektekostenverzekering (CZV) bij CZ of VGZ. Dit is geregeld in de verordening. De inwoner kan kiezen uit de volgende pakketten:

Gemeentepakket

Gemeentelijke bijdrage

CZ

CZ gemeenten start

€ 15,00

CZ gemeenten extra

€ 20,00

CZ gemeenten extra uitgebreid

€ 28,00

VGZ

VGZ gemeentepakket compact

€ 15,00

VGZ gemeentepakket compleet

€ 20,00

VGZ gemeentepakket compleet plus (inclusief eigen risico)

€ 28,00

Hoofdstuk 5. Slotbepalingen

Artikel 42 Begripsbepalingen

  • 1. Alle begrippen die in deze Nadere regels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de Algemene wet bestuursrecht, de Gemeentewet, het Burgerlijk Wetboek en de Wet op de huurtoeslag.

  • 2. In deze Nadere regels wordt verstaan onder:

    • a.

      wet: de Participatiewet;

    • b.

      verordening: de Verordening Sociaal Domein 2020 Sint-Michielsgestel;

    • c.

      gemeente: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sint-Michielsgestel;

    • d.

      inwoner: de alleenstaande of het gezin die in aanmerking wenst te komen voor bijzondere bijstand;

    • e.

      voertuig: een auto, motor of brommer;

    • f.

      kinderopvang: de opvang van kinderen tussen 0 en 12 jaar;

    • g.

      sociaal medische indicatie (SMI): noodzakelijke indicatie om in aanmerking te kunnen komen voor een tegemoetkoming in kosten voor noodzakelijke kinderopvang: als gevolg van lichamelijke, verstandelijke en/of psychische beperkingen van de ouder of; om een dreigende ernstige ontwikkelingsachterstand van het kind op te heffen of te verminderen;

    • h.

      voor en vroegschoolse educatie (VVE): een verzamelnaam voor landelijk vastgestelde programma’s die jonge kinderen spelenderwijs stimuleren in hun ontwikkeling vanaf 2,5 jaar.

Artikel 43 Intrekking, inwerkingtreding en citeertitel

  • 1. Bij inwerkingtreding van deze Nadere regels worden de volgende regels ingetrokken:

    • Beleidsregels draagkracht bijzondere bijstand Sint-Michielsgestel 2018.

    • Beleidsregels bijzondere bijstand voor computers aan schoolgaande kinderen Sint-Michielsgestel 2018.

    • Beleidsregels tegemoetkoming kosten kinderopvang Sint-Michielsgestel 2018.

  • 2. Deze Nadere regels treden na bekendmaking in werking met ingang van 1 januari 2021.

  • 3. Deze Nadere regels worden aangehaald als: “Nadere regels bijzondere bijstand en minimaregelingen Sint-Michielsgestel 2021”.

Ondertekening

Aldus besloten door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sint-Michielsgestel in de vergadering van 27 oktober 2020.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sint-Michielsgestel,

De burgemeester,

Han Looijen

De secretaris,

Marloes van Rijswijk-van Mook