Verordening jeugdhulp gemeente Beesel

Geldend van 26-10-2020 t/m heden

Intitulé

Verordening jeugdhulp gemeente Beesel

De raad van de gemeente Beesel;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 21 september 2020;

gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1, derde lid van de Jeugdwet;

gezien het advies van de commissie in de vergadering van 5 oktober 2020;

besluit

  • 1.

    vast te stellen de Verordening jeugdhulp gemeente Beesel;

  • 2.

    in te trekken de Verordening jeugdhulp gemeente Beesel vastgesteld op 17 december 2018.

HOOFDSTUK 1: Algemene bepalingen

Artikel 1. Begrippen
  • 1.

    In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    • a.

      Algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening waarvan, gelet op de omstandigheden, aannemelijk is dat de jeugdige daarover, ook als hij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken;

    • b.

      Algemene voorziening: jeugdhulpvoorziening op grond van de wet die rechtstreeks toegankelijk is zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige of zijn ouders;

    • c.

      Andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Jeugdwet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen;

    • d.

      Budgethouder: de persoon die een pgb ontvangt op grond van de Jeugdwet;

    • e.

      Eigen kracht: de mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen om zelf of met behulp van het sociaal netwerk bij te dragen aan het verbeteren van een situatie. En het benutten van mogelijkheden die er zijn om de eigen kracht te versterken zoals: gebruikelijke hulp, mantelzorg, algemeen gebruikelijke voorzieningen, voorliggende voorzieningen en algemene voorzieningen én zelf voorzien in de kosten/voorzieningen die algemeen gebruikelijk zijn;

    • f.

      College: college van burgemeester en wethouders;

    • g.

      Gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders/ opvoeders;

    • h.

      Gezinscoachteam: een team met expertise op gebied van opvoeden en opgroeien dat samen met jeugdigen en/of hun ouders in de gemeente Beesel in kaart brengt wat er nodig is om weer verder te kunnen, indien nodig hulpverlening biedt of zorgt voor de juiste hulp/ ondersteuning;

    • i.

      Gezinsplan: het plan waarin de vraag en behoefte van de jeugdige en/ of zijn ouders is vastgelegd, samen met de doelen (beoogde resultaten) en hoe deze te bereiken. Hierin staan ook de bijdragen die zowel de hulpvrager, zijn sociale netwerk als het college hieraan kunnen leveren;

    • j.

      Hulpvraag: behoefte van een jeugdige en/of zijn ouders aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen. De hulpvraag in kaart brengen, gebeurt op basis van een integrale aanpak, waarbij de verschillende leefdomeinen (opvoeden, regie, fysieke gezondheid, mentale gezondheid, werk/ opleiding, wonen, financiën, ADL/ huishouden, mobiliteit en sociale participatie) aan de orde komen;

    • k.

      Individuele voorziening: op de jeugdige en/of zijn ouders toegesneden voorziening die door het college in natura of in de vorm van een pgb wordt verstrekt;

    • l.

      Mantelzorg: hulp/ondersteuning die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt gegeven aan een hulpbehoevende door één of meerdere leden van diens directe omgeving, waarbij de hulp/ondersteuning direct voortvloeit uit de sociale relatie;

    • m.

      Ouders: ouders en/of verzorgers;

    • n.

      Overbelasting: een disbalans tussen draagkracht (belastbaarheid) en draaglast (belasting). Factoren die van invloed zijn op de draagkracht zijn onder meer: de lichamelijke en geestelijke conditie van ouders, de wijze van omgaan met problemen (coping), motivatie voor de zorgtaak en het sociaal netwerk. Factoren die van invloed zijn op de draaglast zijn onder meer: omvang en mate van (on)planbaarheid van zorgtaken, ziektebeeld en prognose, inzicht in het ziektebeeld van de zorgvrager, woonsituatie, bijkomende sociale, emotionele, financiële en relationele problemen;

    • o.

      Persoonsgebonden budget (pgb): budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de wet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige of zijn ouders, dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken;

    • p.

      Sociaal netwerk: de persoonlijke contacten die door een persoon (kunnen) worden onderhouden;

    • q.

      Veilig Thuis: het regionale advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling als bedoeld in artikel 1.1 van de wet;

    • r.

      Voorliggende voorziening: een voorziening op grond van een andere wet dan de Jeugdwet waarmee aan de hulpvraag van de jeugdige of de ouders wordt tegemoetgekomen;

    • s.

      Wet: Jeugdwet;

  • 2.

    Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de wet, het Besluit Jeugdwet en de Algemene wet bestuursrecht.

HOOFDSTUK 2: Toegang tot jeugdhulp

Artikel 2. Vormen van jeugdhulp
  • 1.

    De volgende algemene voorzieningen zijn vrij beschikbaar:

    • a.

      Jeugdgezondheidszorg 0 – 19 jaar;

    • b.

      Het Samenlevingsloket (info en advies);

    • c.

      Het Gezinscoachteam gemeente Beesel;

    • d.

      De kindertelefoon;

    • e.

      Onafhankelijke cliëntondersteuning;

    • f.

      De vertrouwenspersoon;

    • g.

      Veilig Thuis;

    • h.

      De crisisdienst voor spoedeisende jeugdhulp.

  • 2.

    De volgende individuele voorzieningen zijn beschikbaar:

    • a.

      Ambulante jeugdhulpverlening:

      • Persoonlijke verzorging

      • Begeleiding: groep en individueel

      • Behandeling jeugdhulp en GGZ: groep en individueel

    • b.

      Verblijf:

      • Logeren

      • Pleegzorg

      • Gezinshuis

      • Beschermd wonen

      • Behandeling met verblijf

      • Gesloten jeugdhulp

    • c.

      Vervoer

    • d.

      Jeugdbescherming

    • e.

      Jeugdreclassering

  • 3.

    Het college kan bij nadere regeling vaststellen welke andere voorzieningen op basis van het eerste en tweede lid beschikbaar zijn.

Paragraaf 1.

Toegang tot jeugdhulp: procedureel

Artikel 3. Melding hulpvraag
  • 1.

    Jeugdigen en hun ouders kunnen een hulpvraag melden bij het college.

  • 2.

    Het college bevestigt schriftelijk/telefonisch de ontvangst van de melding.

  • 3.

    Jeugdigen en/of ouders geven het college schriftelijk toestemming om de noodzakelijke persoonsgegevens te verwerken.

  • 4.

    In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende tijdelijke voorziening of vraagt het college een machtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de wet.

Artikel 4. Onderzoek
  • 1.

    De jeugdige en/of zijn ouders verschaffen het college de gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen.

  • De beoordeling van eigen kracht gebeurt aan de hand van verschillende factoren, waaronder de eigen kracht op financieel gebied. Indien er volgens ouders sprake is van onvoldoende eigen kracht, omdat zij bij het leveren van bovengebruikelijke hulp als gezin in de financiële problemen zullen komen, dan wordt aan ouders gevraagd informatie met betrekking tot hun financiële situatie te verstrekken.

  • 2.

    Het college verzamelt alle voor het onderzoek van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de jeugdige en zijn situatie.

  • 3.

    Een of meerdere gesprekken kunnen deel uitmaken van het onderzoek. Het gesprek wordt gevoerd met de jeugdige en zijn ouders en voor zover nodig met hun familie of overige personen uit hun sociale omgeving. Jeugdigen onder de 12 jaar worden door het college in ieder geval gezien. Met jeugdigen boven de 12 jaar voert het college, indien mogelijk, een gesprek.

  • Het college kan, in het belang van het onderzoek, een reden hebben om de jeugdige (ook) alleen te spreken. De vorm van dit gesprek wordt afgestemd op de wensen, behoefte en mogelijkheden van de jeugdige. Voor jeugdigen tot 16 jaar is de toestemming van ouders nodig.

  • 4.

    Het college informeert de jeugdige en/of zijn ouders over de gang van zaken bij het gesprek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure. Het college wijst hen op de mogelijkheid een of meerdere personen uit het eigen netwerk bij de gesprekken aan te laten sluiten of gebruik te maken van onafhankelijke cliëntondersteuning.

Artikel 5. Advisering
  • 1.

    Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor het onderzoek, de jeugdige en/of zijn ouders en indien nodig diens relevante huisgenoten:

    • a.

      Op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hen te bevragen.

    • b.

      Op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door een of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen bevragen en/of onderzoeken.

  • 2.

    Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen als het college dat noodzakelijk vindt.

Artikel 6. Het gezinsplan
  • 1.

    Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek. Dit verslag, ook wel het gezinsplan genoemd, wordt ter ondertekening verstrekt aan de jeugdige en/of zijn ouders.

  • 2.

    De jeugdige en/of zijn ouders tekenen het verslag voor gezien en/ of akkoord en zorgen ervoor dat een getekend exemplaar wordt gestuurd naar het college.

  • 3.

    Als de jeugdige en zijn ouders enkel tekenen voor gezien, kunnen zij daarbij tevens aangeven wat de reden is waarom zij niet akkoord zijn.

  • 4.

    Als een individuele voorziening onderdeel is van het gezinsplan, dan geldt de ondertekening van het verslag door de jeugdige en zijn ouders als aanvraag.

  • 5.

    Het gezinsplan betreft een integraal plan. De bijdrage van de jeugdige, ouders, het sociaal netwerk en eventuele andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, huisvesting of werk en inkomen worden in het plan opgenomen.

Artikel 7. Aanvraag
  • 1.

    Jeugdigen en ouders kunnen een aanvraag voor een individuele voorziening schriftelijk bij het college indienen.

  • 2.

    Als een jeugdige of ouder de jeugdhulp zelf wenst in te kopen met een pgb, dient hij daartoe een pgb-plan in zoals bedoeld in artikel 14 lid 1 van deze verordening. Het pgb-plan heeft te gelden als een aanvraag voor een pgb.

  • 3.

    Een ondertekend verslag, zoals bedoeld in artikel 6, kan indien de jeugdige en/of zijn ouders dat aangeven, als een aanvraag worden beschouwd.

Artikel 8. Besluit
  • 1.

    Het college neemt het besluit over het al dan niet verlenen van een individuele voorziening op grond van de aanvraag, het onderzoek en het daaruit volgende gezinsplan als bedoeld in artikel 6.

  • 2.

    Het college beoordeelt of vervoer van een jeugdige van en naar de locatie waar jeugdhulp geboden wordt noodzakelijk is. Dit kan nodig zijn in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid.

  • 3.

    Het college legt de beslissing over het al dan niet verlenen van een individuele voorziening vast in een beschikking.

  • 4.

    Het college zorgt voor de inzet van jeugdhulp na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts, als en voor zover de jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. Het college legt de te verlenen individuele voorziening vast in een beschikking.

Artikel 9. Inhoud en geldigheidsduur beschikking
  • 1.

    In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt vastgelegd:

    • a.

      welke individuele voorziening verstrekt wordt, wie de jeugdhulp gaat bieden en wat het beoogde resultaat daarvan is;

    • b.

      de ingangsdatum, omvang en duur van de verstrekking;

    • c.

      of de voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt;

    • d.

      de verantwoordelijkheid van ouders/ de jeugdige om het college te informeren als de werkelijke inzet niet overeen komt met de beschikte inzet.

  • 2.

    Bij het verstrekken van een individuele voorziening in de vorm van pgb vermeldt de beschikking naast de in lid 1 genoemde zaken bovendien:

    • a.

      de hoogte van het pgb en hoe deze is bepaald;

    • b.

      welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;

    • c.

      welke voorwaarden aan het pgb zijn verbonden;

    • d.

      de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.

Paragraaf 2.

Toegang tot jeugdhulp: beoordeling

Artikel 10. Toegang tot jeugdhulp: beoordeling

Het college beoordeelt of een jeugdige of ouder in verband met opgroei- en opvoedproblemen, psychische problemen en stoornissen jeugdhulp nodig heeft. En treft voor zover de eigen kracht ontoereikend is voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Waardoor de jeugdige in staat gesteld wordt gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau.

Artikel 11. Inhoud van het onderzoek

Het college onderzoekt in een of meerdere gesprekken tussen deskundigen en de jeugdige, zijn ouders en voor zover nodig hun familie of overige personen uit hun sociale omgeving, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig:

  • a.

    de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en opvoed- en gezinssituatie van de jeugdige en het probleem van de hulpvraag. Dit wordt in beeld gebracht aan de hand van verschillende leefgebieden, zodat deze in samenhang worden bezien en aangepakt;

  • b.

    of sprake is van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptiegerelateerde problemen, en zo ja: welke problemen of stoornissen dat zijn;

  • c.

    de benodigde hulp naar aard en omvang, rekening houdend met leeftijd en ontwikkelingsniveau, om gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende redzaam te zijn en maatschappelijk te participeren;

  • d.

    of en in hoeverre de eigen kracht van de ouders en de personen die tot hun sociale omgeving behoren toereikend is om zelf de nodige hulp te kunnen bieden;

  • e.

    voor zover de eigen kracht ontoereikend is, de mogelijkheden om met de inzet van een andere voorziening, overige voorziening of individuele voorziening te voorzien in de nodige hulp;

  • f.

    hoe bij de bepaling van de aangewezen vorm van jeugdhulp zo goed mogelijk rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders;

  • g.

    indien van toepassing, hoe de toekenning van een individuele voorziening zo goed mogelijk kan worden afgestemd op andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, huisvesting of werk en inkomen;

  • h.

    de mogelijkheid om te kiezen voor een verstrekking van een pgb, waarbij de jeugdige en/of zijn ouders in voor hen begrijpelijke bewoordingen worden ingelicht over de gevolgen van die keuze.

Artikel 12a. Beoordeling van eigen kracht
  • 1.

    Jeugdigen of ouders kunnen slechts in aanmerking komen voor een individuele voorziening voor zover zij binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag. Hieronder wordt verstaan:

    • a.

      gebruikelijke hulp van ouders en hulp van andere personen uit het sociale netwerk;

    • b.

      bovengebruikelijke hulp van ouders voor zover zij in staat zijn deze vanuit eigen kracht te bieden;

    • c.

      mogelijkheden die er zijn om de eigen kracht te versterken zoals: gebruikelijke hulp, mantelzorg, algemeen gebruikelijke voorzieningen, voorliggende voorzieningen en algemene voorzieningen én zelf voorzien in de kosten/voorzieningen die algemeen gebruikelijk zijn. Hieronder valt ook het aanspreken van een aanvullende verzekering als die is afgesloten;

  • 2.

    Voor dat deel van de problematiek dat de jeugdige of zijn ouders binnen de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen kunnen oplossen, hoeft geen individuele voorziening te worden verstrekt.

Artikel 12b. Beoordeling van eigen kracht ouders ten aanzien van bovengebruikelijke hulp
  • 1.

    Het college beoordeelt de eigen kracht van ouders ten aanzien van de bovengebruikelijke hulp op basis van 4 vragen:

    • a.

      Is de ouder in staat de noodzakelijke hulp te bieden?

    • b.

      Is de ouder beschikbaar de noodzakelijke hulp te bieden?

    • c.

      Levert het bieden van de hulp door de ouder geen overbelasting op?

    • d.

      Ontstaan er geen financiële problemen in het gezin als de hulp door de ouder wordt geboden?

  • 2.

    Indien de vragen uit lid 1 allen met ‘ja’ beantwoord kunnen worden, zijn ouders in staat om vanuit hun eigen kracht bij te dragen aan het verbeteren van de situatie en komen zij niet aanmerking voor een individuele voorziening.

  • 3.

    Indien uit de antwoorden op de vragen uit lid 1 blijkt dat ouders niet in staat zijn om zelf de situatie te verbeteren, kan het college aan ouders vragen om een overzicht met de dagbesteding en ureninspanning van ouders aan te leveren.

  • 4.

    Om te kunnen bepalen wat gebruikelijke en bovengebruikelijke handelingen uit het overzicht zoals bedoeld in lid 3 zijn, gebruikt het college de richtlijn ‘gebruikelijke hulp van ouders voor kinderen met een normale ontwikkeling per leeftijd’, opgenomen in bijlage 1 van deze verordening.

  • 5.

    Voor de hulp die bovengebruikelijk is en ouders niet vanuit eigen kracht kunnen bieden, kunnen ouders in aanmerking komen voor een jeugdhulpvoorziening. Voor bepaling van de omvang van de voorziening, hanteert het college de normtijd voor persoonlijke verzorging en begeleiding opgenomen in resp. bijlage 2 en 3.

Artikel 13. Criteria individuele voorzieningen
  • 1.

    Een jeugdige en/of zijn ouders kunnen slechts in aanmerking komen voor een individuele voorziening als gemeente Beesel, conform het woonplaatsbeginsel, verantwoordelijk is en:

    • a.

      voor zover zij geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag vanuit hun eigen kracht;

    • b.

      het kind 3 jaar of ouder is. Als een kind nog jong is dan geldt dat, los van het feit of het kind beperkingen kent, ouders zorgtaken hebben ten aanzien van hun kind. Voor kinderen tot 3 jaar wordt in principe geen jeugdhulp voor begeleiding toegekend. Kinderen in deze leeftijd hebben volledige verzorging en begeleiding van een ouder nodig. Wel kan jeugdhulp worden toegekend wanneer er extra toezicht nodig is vanwege de aandoening, stoornis of beperking van het kind en het aanvullend is op het gebruikelijke ouderlijke toezicht. Het benodigde toezicht en de begeleiding wordt anders van aard als een kind ouder wordt of zich ontwikkelt;

    • c.

      er sprake is van een langdurige situatie. Het gaat dan om een situatie waarbij de hulp naar verwachting langer dan 6 maanden nodig is. Indien dit niet het geval is, is er uitzicht op herstel van het probleem en de daarmee samenhangende beperkingen en gaat het college er van uit dat het binnen de eigen mogelijkheden van ouders past om de jeugdige zelf te verzorgen of begeleiden. Heeft de ouder zelf een (geobjectiveerde) beperking, waardoor deze de verzorging of begeleiding niet kan aanleren of uitvoeren, dan kan wel in kortdurende situaties jeugdhulp worden ingezet.

  • 2.

    Indien de aanvraag betrekking heeft op kosten voor jeugdhulp die de jeugdige of ouder voorafgaand aan de aanvraag heeft gemaakt, kan het college hier slechts een voorziening voor verstrekken:

    • a.

      als op het moment van de aanvraag nog steeds sprake is van opgroei- of opvoedproblemen, psychische problemen of stoornissen waarvoor de hulp is ingezet, en;

    • b.

      voor zover het college de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen.

  • 3.

    Het college kan nadere regels stellen ter verdere uitwerking van de criteria, zoals genoemd in het eerste en tweede lid.

Artikel 14. Aanvullende criteria Persoonsgebonden budget (pgb)
  • 1.

    Als een jeugdige of zijn ouder in aanmerking komt voor een individuele voorziening, het natura aanbod van de gemeente niet passend is en de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een pgb, kan men in aanmerking komen voor een pgb. Hiervoor dient de jeugdige of zijn ouder(s) een pgb-plan in bij het college. In het pgb-plan is opgenomen:

    • a.

      waarom jeugdhulp in natura niet passend is;

    • b.

      waarom de ondersteuning van deze specifieke zorgverlener de meest geschikte vorm van zorg is;

    • c.

      welke jeugdhulp met daarbij de verwachte omvang en de duur van de ondersteuning de jeugdige of zijn ouders gezien de hulpvraag willen inkopen met het pgb en wat het beoogde resultaat is;

    • d.

      hoe het beoogde resultaat bijdraagt aan de doelen in het gezinsplan;

    • e.

      hoe de kwaliteit van de ondersteuning is gewaarborgd (o.a. kwalificatie van de zorgverlener(s));

    • f.

      hoe de veiligheid is gewaarborgd;

    • g.

      hoe en wanneer wordt geëvalueerd;

    • h.

      een begroting (o.a. wat de zorg kost en hoe deze kosten zijn berekend).

  • 2.

    De jeugdige en/of ouder(s) aan wie een pgb wordt toegekend, kunnen alleen jeugdhulp betrekken van personen die tot het sociale netwerk behoren, als aan alle voorwaarden van dit lid wordt voldaan:

    • a.

      de inzet van het sociaal netwerk is aantoonbaar beter of minimaal gelijkwaardig aan professionele ondersteuning. Inzet van het sociaal netwerk wordt in ieder geval aantoonbaar beter geacht, als één of meerdere van de volgende omstandigheden aan de orde zijn:

      • de hulp is vooraf niet goed in te plannen;

      • de hulp moet op ongebruikelijke tijden geleverd worden;

      • de hulp moet op veel korte momenten per dag geboden worden;

      • de hulp moet op verschillende locaties worden geleverd;

      • de hulp moet 24 uur per dag en op afroep beschikbaar zijn;

      • de hulp moet vanwege de aard van de beperking worden geboden door een persoon met wie de jeugdige vertrouwd is en goed contact heeft.

    • b.

      de geboden hulp is veilig, doeltreffend, doelmatig en is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of ouder;

    • c.

      de zorgverlener heeft aangegeven dat de zorgverlening voor hem niet tot overbelasting leidt;

    • d.

      ouders kunnen niet zelf de ondersteuning bieden als één van de redenen voor het toekennen van jeugdhulp ontlasting van ouders van hun (buitenproportionele) zorgtaken is;

    • e.

      Indien de ouder de ondersteuning biedt, wordt van deze verwacht dat deze:

      • op een juiste manier kan begrenzen en duidelijkheid creëren;

      • kan reflecteren op de eigen rol als opvoeder en hierin verschil kan zien tussen opvoeder en de rol van niet professionele hulpverlener.

  • 3.

    Het is de beoogd (zowel professionele als niet-professionele) zorgverlener niet toegestaan zelf het pgb te beheren.

  • 4.

    De volgende kosten zijn uitgesloten voor vergoeding vanuit een pgb:

    • a.

      Kosten voor bemiddeling

    • b.

      Kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers

    • c.

      Kosten voor het voeren van een pgb-administratie

    • d.

      Reiskosten

    • e.

      Kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb

    • f.

      Kosten voor feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering

  • 5.

    Gemeente Beesel stelt geen vrij te besteden bedrag beschikbaar.

  • 6.

    Een pgb dient door de cliënt binnen 3 maanden na toekenning te worden aangewend ten behoeve van het resultaat waarvoor het is verstrekt.

Artikel 15. Hoogte Persoonsgebonden budget (pgb)
  • 1.

    De hoogte van het tarief voor professionele hulp is gebaseerd op het daadwerkelijke uurtarief van de uitvoerder met een maximum van het uurtarief dat door de gemeente voor de voorziening in natura wordt gehanteerd. Indien het tarief van de door de cliënt gewenste uitvoerder hoger is dan dit tarief dan komt het deel dat de prijs overstijgt voor rekening van de aanvrager.

  • 2.

    De hoogte van het tarief voor de inzet van een persoon die behoort tot het sociaal netwerk is bij het bestaan van een dienstbetrekking gelijk aan het minimum uurloon inclusief vakantiebijslag, zoals bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag voor een persoon van 22 jaar of ouder met een 36-urige werkweek.

  • 3.

    Het college kan nadere regels stellen over de wijze waarop de hoogte van een pgb wordt vastgesteld.

HOOFDSTUK 3: Herziening, intrekking, terugvordering en bestrijding misbruik

Artikel 16. Herziening, intrekking en terugvordering
  • 1.

    Degene aan wie volgens deze verordening een individuele voorziening is verstrekt, is verplicht op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing over een individuele voorziening.

  • 2.

    Het college kan een besluit, genomen op grond van deze verordening, beëindigen, wijzigen, herzien of intrekken als het college vaststelt dat:

    • 1.

      de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

    • 2.

      de jeugdige of zijn ouders niet langer op de individuele voorziening of op het daarmee samenhangende pgb zijn aangewezen;

    • 3.

      de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb niet meer toereikend is te achten;

    • 4.

      de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van de individuele voorziening of het pgb, of

    • 5.

      de jeugdige of zijn ouders de individuele voorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bestemd.

  • 3.

    Als het college een besluit op grond van het tweede lid heeft herzien of ingetrokken, kan het college de geldswaarde vorderen van de teveel of ten onrechte genoten individuele voorziening of het teveel of ten onrechte genoten pgb.

Artikel 17. Bestrijding oneigenlijk gebruik, misbruik en niet-gebruik
  • 1.

    Het college informeert jeugdigen en ouders in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een jeugdhulpvoorziening zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.

  • 2.

    Het college wijst een toezichthouder aan die belast is met het houden van toezicht op de naleving van rechtmatige uitvoering van de wet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van de wet.

  • 3.

    Het college kan nadere regels stellen over de bevoegdheden van de toezichthouder.

HOOFDSTUK 4: Afstemming met andere voorzieningen

Artikel 18. Afstemming met voorschoolse voorzieningen, onderwijs en leerplicht
  • 1.

    Het college zorgt ervoor dat alle locaties voor kinderopvang, primair en voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs een contactpersoon hebben bij het gezinscoachteam.

  • 2.

    Het college draagt zorg voor een goede afstemming tussen de in lid 1 genoemde contactpersonen en de leerplichtconsulent. De leerplichtconsulent maakt onderdeel uit van het gezinscoachteam.

  • 3.

    Afspraken over de afstemming van jeugdhulpvoorzieningen, onderwijszorg en leerplichtzaken worden vastgelegd in het ondersteuningsplan van de jeugdige en/of zijn ouders.

Artikel 19. Afstemming met gezondheidszorg
  • 1.

    Het college zorgt ervoor dat de jeugdgezondheidszorg en huisartsen een contactpersoon hebben bij het gezinscoachteam.

  • 2.

    Het college maakt afspraken met de huisartsen, medisch specialisten, jeugdartsen en de zorgverzekeraars over de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de verwijzing, als bedoeld in artikel 2.6 eerste lid, onderdeel g van de wet, plaatsvindt.

  • 3.

    Het college draagt zorg dat de jeugdige en/of zijn ouders ondersteund worden richting het CIZ, indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg.

Artikel 20. Afstemming over huisvesting

Afstemming over huisvesting loopt via het lokaal zorgnetwerk van gemeente Beesel, waarin de woningbouwvereniging vertegenwoordigd is. Eventuele ontruiming in geval van gezinnen met kinderen wordt zoveel mogelijk voorkomen.

Artikel 21. Afstemming met voorzieningen werk en inkomen

Het college draagt zorg dat het gezinscoachteam, jeugdhulpaanbieders en de gecertificeerde instellingen financiële belemmeringen voor het slagen van preventie en jeugdhulp vroegtijdig signaleren en waar nodig jeugdigen en hun ouders helpen de juiste ondersteuning vanuit de gemeentelijke voorzieningen –zoals schuldhulpverlening, inkomensvoorzieningen, re-integratievoorzieningen en armoedevoorzieningen - te krijgen om deze belemmeringen weg te nemen.

Artikel 22. Afstemming met Veilig Thuis

Het college maakt samenwerkingsafspraken met Veilig Thuis over de werkwijze en afstemming.

Artikel 23. Afstemming met gecertificeerde instellingen
  • 1.

    Het college maakt afspraken met de gecertificeerde instellingen over de aansluiting tussen de algemene voorzieningen als bedoeld in hoofdstuk 2 en de gecertificeerde instellingen.

  • 2.

    Het college maakt afspraken met de gecertificeerde instellingen over:

    • a.

      het overleg over de aangewezen jeugdhulp in het kader van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering, zoals bedoeld in artikel 3.5 lid 1 van de wet,

    • b.

      het overleg over de eventueel gewenste jeugdhulp na beëindiging van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering,

    • c.

      de vorm en inhoud van het besluit tot inzet van jeugdhulp van de gecertificeerde instelling en hoe het college daarvan op de hoogte gesteld wordt,

    • d.

      wanneer en onder welke voorwaarden de gecertificeerde instelling budgethouder van een persoonsgebonden budget kan zijn namens de jeugdige en zijn ouders,

    • e.

      hoe te handelen wanneer de gecertificeerde instelling meent dat niet gecontracteerde jeugdhulp ingezet dient te worden,

    • f.

      de samenwerking met pleegzorgaanbieders en de gemeentelijke toegang in het geval van pleegzorg.

  • 3.

    Het college en de gecertificeerde instelling leggen de afspraken als bedoeld in het tweede lid vast in een protocol als bedoeld in artikel 3.5 lid 3 lid van de wet.

Artikel 24. Afstemming met het justitiedomein
  • 1.

    Het college maakt afspraken met de gecertificeerde instellingen, de Raad voor de Kinderbescherming en Justitiële Jeugdinrichtingen over het overleg over de inzet van jeugdhulp bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing en jeugdreclassering als bedoeld in artikel 2.4 lid 2 onderdeel b van de wet.

  • 2.

    Het college en de betrokken instellingen nemen de afspraken zoals bedoeld in het eerste lid op in het protocol zoals bedoeld in artikel 3.1 lid 5 van de wet.

Artikel 25. Afstemming bij overgang naar volwassenheid
  • 1.

    Wanneer de jeugdige die gebruik maakt van een individuele voorziening de leeftijd van 18 jaar bereikt en voortzetting van de voorziening van belang is voor zijn/ haar ontwikkeling, verandert mogelijk de partij die verantwoordelijk is voor inzet van deze voorziening. Het college draagt zorg voor afstemming met deze partij; de gemeente (Wmo), het zorgkantoor (Wet langdurige zorg) of de zorgverzekeraar (Zorgverzekeringswet).

  • 2.

    Het college maakt afspraken met de zorgverzekeraars en het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) hoe de continuïteit van zorg te garanderen voor jeugdigen die jeugdhulp ontvangen en de leeftijd van 18 jaar bereiken en daarmee onder de Zorgverzekeringswet of Wet langdurige zorg komen te vallen, en hoe te voorkomen dat jeugdigen tussen wal en schip vallen wanneer er discussie is over het wettelijke kader.

  • 3.

    Nadat de jeugdige de leeftijd van 16,5 jaar heeft bereikt, draagt het college in afstemming met alle betrokken partijen, zorg voor het opstellen van een plan voor de toekomst waarin helder omschreven staat wat de jeugdige na het bereiken van de leeftijd van 18 jaar nodig heeft om zich goed te kunnen blijven ontwikkelen.

  • 4.

    Bij het bereiken van de leeftijd van 18 jaar draagt het college de verantwoordelijkheid over aan de betrokken partij.

HOOFDSTUK 5: Waarborgen verhouding prijs en kwaliteit

Artikel 26. Verhouding prijs en kwaliteit jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen

Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, rekening met:

  • a.

    de aard en omvang van de te verrichten taken;

  • b.

    de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie;

  • c.

    een redelijke toeslag voor overheadkosten;

  • d.

    een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg, en

  • e.

    kosten voor bijscholing van het personeel.

HOOFDSTUK 6: Klachten en medezeggenschap

Artikel 27. Klachtenregeling

Het college behandelt klachten van de jeugdige of zijn ouders die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van aanvragen als bedoeld in deze verordening volgens de bepalingen van de klachtenverordening gemeente Beesel.

Artikel 28. Betrekken van inwoners bij het beleid
  • 1.

    Het college stelt de adviescommissie sociaal domein vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid over jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen over jeugdhulp, en voorziet de commissie van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.

  • 2.

    Het college betrekt de inwoners van de gemeente bij de voorbereiding van het beleid over jeugdhulp volgens de in artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels over de wijze waarop inspraak wordt verleend.

HOOFDSTUK 7: Slotbepalingen

Artikel 29. Evaluatie

De gemeenteraad stelt de verordening voor onbepaalde tijd vast. Als gevolg van ontwikkelingen op inhoud wordt de verordening geëvalueerd.

Artikel 30. Hardheidsclausule
  • 1.

    In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.

  • 2.

    Indien de toepassing van deze verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt, kan het college in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige of zijn ouders afwijken van de bepalingen in deze verordening.

Artikel 31. Intrekking oude verordening en overgangsrecht
  • 1.

    De verordening jeugdhulp gemeente Beesel, vastgesteld op 17 december 2018, wordt ingetrokken.

  • 2.

    Een jeugdige of zijn ouder houdt recht op een lopende voorziening, verstrekt op grond van de verordening in lid 1, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen.

  • 3.

    Aanvragen die zijn ingediend onder de verordening genoemd in lid 1 en waarop nog niet is beslist bij het inwerking treden van deze verordening, worden afgehandeld volgens deze verordening.

Artikel 32. Inwerkingtreding en citeertitel

1. Deze verordening treedt in werking op 26 oktober 2020.

2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening jeugdhulp gemeente Beesel.

Ondertekening

Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Beesel in de openbare vergadering van 26 oktober 2020.

griffier,

N.H.P. Vintcent MA

voorzitter,

B.C.M. Vostermans

Bijlage 1 Richtlijn gebruikelijke hulp van ouders voor kinderen met een normale ontwikkeling per leeftijd

Normaal ontwikkelingsprofiel kind

Onderstaande tabel laat zien in hoeverre een jeugdige gezien zijn leeftijd ontwikkeld zou moeten zijn op de genoemde gebieden om veilig op te groeien tot een zelfstandig en gelukkig persoon. Waarbij:

1 = jeugdige heeft bij alles ondersteuning nodig

2 = kan het samen met iemand

3 = kan sommige dingen zelf, maar meestal steun nodig

4 = kan het als iemand mee kijkt

5 = kan het als hij vooraf geïnstrueerd wordt of als het in zijn routine zit

6 = kan het zelf, maar krijgt af en toe nog tips

7 = heeft geen enkele ondersteuning nodig

Gebied

1

2

3

4

5

6

7

Persoonlijke verzorging: douchen, aankleden, tanden poetsen, gebruik maaltijden, kamer

opruimen, bijdragen aan huishouden.

0-4 jr.

0-4 jr.

5-8 jr.

5-8 jr.

9-12 jr.

9-12 jr.

13-15 jr.

16-18 jr.

18+

Daginvulling: school, stage, werk, sport en vrije tijd. Weekenden en vakanties,

0-4 jr.

5-8 jr.

5-8 jr.

9-12 jr.

9-12 jr.

13-15 jr.

13-15 jr.

16-18 jr.

16-18 jr.

18+

Regie en reflectie: ontwikkelen en leren, keuzes maken, notie van oorzaak – gevolg, zelfvertrouwen.

0-4 jr.

5-8 jr.

5-8 jr.

9-12 jr.

9-12 jr.

13-15 jr.

13-15 jr.

16-18 jr.

16-18 jr.

18+

Sociaal netwerk: vrienden maken en vriendschappen onderhouden

0-4 jr.

5-8 jr.

5-8 jr.

9-12 jr.

9-12 jr.

13-15 jr.

13-15 jr.

16-18 jr.

16-18 jr.

18+

Fysieke en sociale veiligheid: beschermd voelen, zelf veilige omgeving creëren, vertrouwd

zonder toezicht kunnen zijn.

0-4 jr.

5-8 jr.

5-8 jr.

9-12 jr.

9-12 jr.

13-15 jr.

13-15 jr.

16-18 jr.

16-18 jr.

18+

Reizen: verplaatsen in de directe omgeving. Vervoer op kleine en grote afstand.

0-4 jr.

5-8 jr.

5-8 jr.

9-12 jr.

9-12 jr.

13-15 jr.

16-18 jr.

18+

Bijlage 2 Tabel normtijden persoonlijke verzorging 1

Op het moment dat is vastgesteld voor welke activiteiten van ouders niet verwacht kan worden dat zij deze op zich nemen, moet worden bepaald hoeveel tijd per week hiervoor aan jeugdhulp toegekend kan worden. Het aantal uren en minuten jeugdhulp dat voor persoonlijke verzorging wordt toegekend, is basaal en niet meer dan nodig om verantwoorde zorg te geven.

In de tabel hieronder is per activiteit en handeling de gemiddelde tijd per keer opgenomen. Ook is aangegeven met welke frequentie de handeling plaats moet vinden.

De gemiddelde tijden zijn inclusief indirecte zorg (3,5 minuut) zoals het binnenkomen, gedag zeggen, handen wassen, zorgdossier kort inkijken of bijwerken. Het gaat om de tijd die nodig is voor kinderen die zich ‘normaal’ kunnen bewegen, meewerken, geen gedragsproblemen hebben, enz. Dit betekent dat als er vanwege de beperkingen van het kind aantoonbaar meer tijd nodig is dan de gemiddelde normtijd, er gemotiveerd meer tijd kan worden toegekend. Kunnen er meerdere handelingen tijdens hetzelfde zorgmoment worden uitgevoerd, dan is er sprake van ‘samenvallende activiteiten’. Daarvoor wordt minder tijd toegekend, omdat de zorg efficiënter wordt geboden.

Voorbeeld: in de ochtend moet een kind worden geholpen met het uit bed gaan (10 min.), het zich wassen (20 min.), verwisselen incontinentiemateriaal (15 min.) en aankleden (15 min.). Bij al deze normtijden is de indirecte zorg meegerekend; vier keer 3,5 min. In deze situatie kan drie keer 3,5 min. in mindering worden gebracht (=10 min.). Dat betekent dat er 50 min. worden toegekend i.p.v. 60 min.

Activiteiten als onderdeel van persoonlijke verzorging

Handelingen als onderdeel van de activiteit

Gemiddelde tijd per keer (in min)

Frequentie per dag

Zich wassen

Delen van het lichaam

10

1x

Hele lichaam

20

1x

Aankleden

Volledig aankleden/uitkleden

15

2x

Gedeeltelijk aankleden

10

1x

Gedeeltelijk uitkleden

10

1x

In en uit bed gaan

Hulp bij uit bed komen

10

1x

Hulp bij in bed gaan

10

1x

Helpen met het verplaatsen (met tillift) van bed naar (rol)stoel

Hulp bij bewegen

20

Naar noodzaak

Naar toilet gaan/ incontinentiemateriaal verwisselen

15

Naar noodzaak

Eten en drinken

Hulp bij brood eten

10

2x

Hulp bij warme maaltijd eten

15

1x

Hulp bij drinken

10

6x

Persoonlijke zorg voor tanden, haren, nagels, huid

Zorg voor tanden

5

2x

Zorg voor haren

5

1x

Zorg voor nagels

5

1x per week

Aanleren en begeleiden van persoonlijke verzorgingsactiviteiten

Aanleren aan de jeugdige, gebruikelijke verzorger of mantelzorger

van bovengenoemde activiteiten

Gelijk aan de aan te leren activiteit

+ max 30 min. per week

Begeleiding van de jeugdige, gebruikelijke verzorger of mantelzorger

(het gaat hier om onderhouden en borgen van de kwaliteit van de zorg)

30 min. per week

Bijlage 3 Tabel maximale tijden en bandbreedte begeleiding 2

Op het moment dat is vastgesteld voor welke begeleidingsactiviteiten van ouders niet verwacht kan worden dat zij deze op zich nemen, moet worden bepaald hoeveel tijd per week hiervoor aan jeugdhulp toegekend kan worden. Het aantal uren en minuten jeugdhulp dat wordt toegekend is basaal en niet meer dan nodig om verantwoorde zorg te geven.

In de tabel hieronder is per activiteit de frequentie, de maximale duur per keer en de maximale omvang per week opgenomen. Omdat de maximale duur per keer en de maximale omvang per week zijn opgenomen, worden er in de praktijk vaak minder uren toegekend. De beoordeling daarvan is aan de gezinscoach. De precies benodigde tijd is afhankelijk van de behoeften van het kind en de resultaten waaraan gewerkt moet worden. De maximale tijden zijn inclusief indirecte zorg (3,5 min.) zoals het binnenkomen, gedag zeggen, handen wassen, zorgdossier kort inkijken of bijwerken.

Activiteiten als onderdeel van begeleiding

Frequentie

Max bandbreedte duur per keer

Max omvang en band breedte per week in uren

Het ondersteunen bij het aanbrengen van structuur of het voeren van regie en/of

1x per week

2x per week

0-180 minuten

0-180 minuten

0 - 3 uur

0 - 6 uur

Het ondersteunen bij praktische handelingen ten behoeve van de zelfredzaamheid

3x per week

4x per week

0-90 minuten

0-90 minuten

0 - 4,5 uur

0 - 6 uur

Oefenen

0 - 3 uur

Het bieden van toezicht

0 - 4 uur

Het bieden van toezicht tijdens onderwijs

0 - 4 uur

Het bieden van toezicht tijdens onderwijs + zeer ernstige gedragsproblematiek (gemotiveerd toekennen)

0 - 7 uur


Noot
1

Bron: CIZ indicatiewijzer 7.0, januari 2014

Noot
2

Bron: CIZ indicatiewijzer 7.0, januari 2014.