Financiële verordening gemeente Westerveld 2020

Geldend van 05-11-2020 t/m heden

Intitulé

Financiële verordening gemeente Westerveld 2020

De raad van de gemeente Westerveld;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 11 februari 2020

gelet op artikel 212 van de Gemeentewet;

besluit vast te stellen de Financiële verordening gemeente Westerveld 2020.

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • Administratie: het systematisch verzamelen, vastleggen, verwerken en verstrekken van informatie ten behoeve van het besturen, functioneren en beheersen van de gemeentelijke organisatie en de verantwoording die daarover moet worden afgelegd;

  • Overheidsbedrijf: onderneming met privaatrechtelijke rechtspersoonlijkheid, niet zijnde een personenvennootschap met rechtspersoonlijkheid, waarin de gemeente, al dan niet tezamen met een of meer andere publiekrechtelijke rechtspersonen, in staat is het beleid te bepalen of een onderneming in de vorm van een personenvennootschap, waarin een publiekrechtelijke rechtspersoon deelneemt;

  • Restwaarde: De restwaarde is de schatting, tegen het prijspeil van het moment van ingebruikname, van de opbrengst die na de gebruiksduur nog gerealiseerd kan worden, verminderd met de te maken kosten voor verwijdering of vernietiging van (delen van) het actief.

Hoofdstuk 2. Begroting en verantwoording

Artikel 2. Programma-indeling
  • 1.

    De raad stelt de programma-indeling vast.

  • 2.

    De raad stelt op voorstel van het college de taakvelden per programma vast.

  • 3.

    De raad stelt op voorstel van het college per programma de beleidsindicatoren vast. Het voorstel van het college bevat ten minste de verplichte beleidsindicatoren, bedoeld in artikel 25, tweede lid, onder a, van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.

  • 4.

    De raad stelt vast over welke onderwerpen hij in extra paragrafen naast de verplichte paragrafen van de begroting en de jaarstukken kaders wil stellen en wil worden geïnformeerd.

Artikel 3. Inrichting begroting en jaarstukken
  • 1.

    Bij de begroting en de jaarstukken worden onder elk van de programma’s de baten en lasten per taakveld weergegeven.

  • 2.

    Bij de uiteenzetting van de financiële positie in de begroting wordt van de nieuwe investeringen per investering het benodigde investeringskrediet weergegeven en wordt van de lopende investeringen het geautoriseerde investeringskrediet en de raming van de uitputting van het investeringskrediet in het lopende boekjaar weergegeven.

  • 3.

    Bij de uiteenzetting van de financiële positie in begroting wordt in aanvulling op het bepaalde in artikel 20 en artikel 21 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten inzicht gegeven in de ontwikkeling van de schuldpositie als gevolg van de begroting, de meerjarenraming, de investeringen en de grondexploitatie.

  • 4.

    In de jaarrekening wordt van de investeringen en meerjarige projecten de uitputting van de geautoriseerde investeringskredieten en de actuele raming van de totale uitgaven en inkomsten weergegeven.

Artikel 4. Kaders begroting

Het college biedt voor 15 juni aan de raad de voorjaarsrapportage aan met een voorstel voor het beleid en de financiële kaders van de begroting voor het volgende begrotingsjaar en de meerjarenraming. De raad stelt de voorjaarsrapportage voor 15 juli vast.

Artikel 5. Autorisatie begroting en investeringskredieten
  • 1.

    De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting de baten en de lasten per programma.

  • 2.

    Bij de begrotingsbehandeling geeft de raad aan van welke nieuwe investeringen hij op een later tijdstip een apart voorstel voor autorisatie van het investeringskrediet wil ontvangen. De overige nieuwe investeringen worden bij de begrotingsbehandeling met het vaststellen van de financiële positie geautoriseerd.

  • 3.

    Het college informeert de raad als ze verwacht, dat de lasten van een programma de geautoriseerde lasten dreigen te overschrijden, de investeringsuitgaven van een investeringskrediet het geautoriseerde investeringskrediet dreigen te overschrijden, of de baten van een programma de geautoriseerde baten dreigen te onderschrijden. De raad geeft aan of hij een voorstel wil voor het wijzigen van de geautoriseerde lasten van een programma, voor het wijzigen van het geautoriseerde investeringskrediet, of voor het bijstellen van het beleid.

  • 4.

    Het college is bevoegd een geautoriseerd investeringskrediet met ten hoogste 10%, tot een maximum van € 50.000, te overschrijden, mits die overschrijding plaatsvindt binnen de door de raad vastgestelde kaders. Over deze overschrijding zal uiterlijk in het jaarverslag worden gerapporteerd.

  • 5.

    Voor een investering waarvan het investeringskrediet niet met het vaststellen van de begroting is geautoriseerd, legt het college voorafgaand aan het aangaan van verplichtingen een investeringsvoorstel met een voorstel voor het vaststellen van investeringskrediet aan de raad voor.

Artikel 6. Tussentijdse rapportage
  • 1.

    Het college informeert de raad door middel van een voor- en najaarsrapportage over de realisatie van de begroting van de gemeente over de eerste vier maanden en de eerste acht maanden van het lopende boekjaar.

  • 2.

    De voor- en najaarsrapportage bevatten een uiteenzetting over de uitvoering en het bijstellen van het beleid en een overzicht met de bijgestelde raming van:

    • a.

      de baten en de lasten per programma uitgesplitst naar taakvelden;

    • b.

      het overzicht van de algemene dekkingsmiddelen uitgesplitst naar taakvelden;

    • c.

      het overzicht van de overhead en de geraamde vennootschapsbelasting;

    • d.

      het totale saldo van de baten en lasten volgend uit de onderdelen a, b en c;

    • e.

      de (beoogde) toevoegingen en onttrekkingen aan reserves per programma;

    • f.

      het resultaat, volgend uit de onderdelen d en e; en

    • g.

      de realisatie en raming van de uitputting van de investeringskredieten.

  • 3.

    In de voor- en najaarsrapportage worden afwijkingen op de oorspronkelijke ramingen van de baten en lasten van taakvelden, prioriteiten en investeringskredieten in de begroting groter dan € 10.000 toegelicht.

Hoofdstuk 3. Financieel beleid

Artikel 7. Waardering en afschrijving vaste activa
  • 1.

    Immateriële en materiële vaste activa worden afgeschreven volgens de methodiek en de termijnen zoals vermeld in de bijlage afschrijvingsbeleid bij deze verordening.

  • 2.

    Kosten voor het afsluiten van geldleningen worden direct ten laste van de exploitatie gebracht.

  • 3.

    Kosten voor onderzoek en ontwikkeling worden direct ten laste van de exploitatie gebracht, uitgezonderd de kosten die betrekking hebben op voorbereidingskosten ten behoeve van toekomstige grondexploitaties; activeren van deze kosten mag alleen als er voldaan is aan de instructies van de rijksoverheid en de relevante wet- en regelgeving.

  • 4.

    Vaste activa worden alleen geactiveerd bij een verwachte gebruiksduur van minimaal vier jaar én een totale verkrijgingsprijs van meer dan €10.000, uitgezonderd de gronden en terreinen; deze laatst genoemden worden altijd geactiveerd.

  • 5.

    Vaste activa worden afgeschreven volgens de lineaire afschrijvingsmethode waarbij rekening gehouden kan worden met een restwaarde.

  • 6.

    De afschrijving van activa start bij de ingebruikname van het desbetreffende kapitaalgoed, waarbij als uitgangspunt 1 januari van het jaar na ingebruikname wordt genomen.

  • 7.

    De rente wordt berekend over de boekwaarde per 1 januari.

  • 8.

    Voor de activa die niet genoemd zijn in de bijlage afschrijvingsbeleid en waarover twijfel is over de te hanteren afschrijvingstermijn, stelt het college de afschrijvingstermijn vast dat is gebaseerd op een realistische schatting van de gebruiksduur (economische levensduur).

Artikel 8. Voorziening voor oninbare vorderingen
  • 1.

    Vorderingen en schulden worden gewaardeerd tegen de nominale waarde.

  • 2.

    Voor openstaande vorderingen wordt een voorziening wegens oninbaarheid gevormd volgens de methodiek zoals vermeld in de bijlage waardering dubieuze debiteuren bij deze verordening.

  • 3.

    In afwijking van het eerste en tweede lid worden vorderingen en schulden van openbare lichamen niet betrokken in de berekening van de voorziening voor oninbare vorderingen.

Artikel 9. Reserves en voorzieningen
  • 1.

    In de beleidsbegroting, de financiële begroting, het jaarverslag en de jaarrekening vindt geen toerekening van rente over de reserves en voorzieningen plaats.

  • 2.

    Het college biedt eens in de vier jaar de raad een nota reserves en voorzieningen aan. De nota reserves en voorzieningen wordt door de raad vastgesteld en behandelt:

    • a.

      de vorming en besteding van reserves;

    • b.

      de vorming en besteding van voorzieningen.

  • 3.

    Bij een voorstel voor de instelling van een bestemmingsreserve voor een investeringsvoornemen wordt minimaal aangegeven:

    • a.

      het specifieke doel van de reserve;

    • b.

      de voeding van de reserve;

    • c.

      de maximale hoogte van de reserve; en

    • d.

      de maximale looptijd.

  • 4.

    Als een bestemmingsreserve voor een investeringsvoornemen binnen de aangegeven maximale looptijd niet heeft geleid tot een investering, valt de bestemmingsreserve vrij en wordt deze aan de algemene reserve toegevoegd.

Artikel 10. Kostprijsberekening
  • 1.

    Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van goederen, werken en diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, wordt een extracomptabel stelsel van kostentoerekening gehanteerd. Bij deze kostentoerekening worden naast de directe kosten, de overheadkosten en de rente van de inzet van vreemd vermogen voor de financiering van de in gebruik zijnde activa betrokken.

  • 2.

    Bij de directe kosten worden betrokken de bijdragen aan en onttrekkingen van voorzieningen voor de noodzakelijke vervanging van de betrokken activa en de afschrijvingskosten van de in gebruik zijnde activa. Voor de rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, worden daarbij ook de compensabele belasting over de toegevoegde waarde (btw) en de gederfde inkomsten van het kwijtscheldingsbeleid betrokken.

  • 3.

    Voor de toerekening van de overheadkosten aan de kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van goederen, werken, diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, wordt uitgegaan van een aandeel in de totale overheadkosten ter grootte van de geraamde directe kosten van de economische categorieën 1.1 Salarissen en sociale lasten en 3.5.1 Ingeleend personeel die worden besteed aan de desbetreffende goederen, werken, diensten en heffingen, vermenigvuldigd met het berekende overheadpercentage zoals in de begroting is vermeld.

  • 4.

    Het percentage van de omslagrente voor de toerekening van rente voor de financiering van de in gebruik zijn de activa, bedoeld in het eerste lid, wordt jaarlijks met de begroting vastgesteld. Het percentage van deze omslagrente wordt bepaald uit het gewogen gemiddelde van het bij de begroting geraamde rentepercentage van de rentekosten op de opgenomen langlopende leningen, kortlopende leningen en kredieten. De uitkomst van dit percentage van de omslagrente wordt op een half procent afgerond.

  • 5.

    In afwijking van het vierde lid wordt bij een verstrekte lening voor de bepaling van de rentekosten van de inzet van vreemd vermogen in de kostprijs uitgegaan van de rente van de lening die voor de financiering van de verstrekte lening is aangetrokken. Deze rente wordt verhoogd met een opslag voor het mogelijke debiteurenrisico.

Artikel 11. Prijzen economische activiteiten
  • 1.

    Voor de levering van goederen, diensten of werken door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden waarbij de gemeente in concurrentie met marktpartijen treedt, wordt ten minste de geraamde integrale kostprijs in rekening gebracht. Bij afwijking doet het college vooraf voor elk van deze activiteiten afzonderlijk een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiekbelang van de levering van de desbetreffende goederen, diensten of werken wordt gemotiveerd.

  • 2.

    Bij het verstrekken van leningen of garanties door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden worden ten minste de geraamde integrale kosten in rekening gebracht. Bij afwijking doet het college vooraf een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de lening of de garantie wordt gemotiveerd.

  • 3.

    Bij het verstrekken van kapitaal door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden gaat het college uit van een vergoeding van ten minste de geraamde integrale kosten van de verstrekte middelen. Bij afwijking doet het college vooraf een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de kapitaalverstrekking wordt gemotiveerd.

  • 4.

    Raadsbesluiten met de motivering van het publiek belang als bedoeld in de vorige leden zijn niet nodig als minder dan de integrale kostprijs in rekening wordt gebracht en sprake is van:

    • a.

      leveringen van goederen, diensten of werken en het verstrekken van leningen, garanties en kapitaal aan andere overheden voor zover deze leveringen en verstrekkingen zijn bedoeld voor de uitoefening van de publieke taak door die andere overheid;

    • b.

      een bevoordeling van activiteiten in het kader van een bij wet opgedragen publiekrechtelijke taak;

    • c.

      een bevoordeling van activiteiten in het kader van een toegekend bijzonder of uitsluitend recht waarvoor prijsvoorschriften gelden;

    • d.

      een bevoordeling van sociale werkplaatsen;

    • e.

      een bevoordeling van onderwijsinstellingen;

    • f.

      een bevoordeling van publieke media-instellingen; en

    • g.

      een bevoordeling die valt onder de reikwijdte van de staatssteunregels van het Werkingsverdrag van de Europese Unie en daarmee verenigbaar is.

Artikel 12. Financieringsfunctie
  • 1.

    Het college biedt eens in de vier jaar de raad een treasurystatuut aan. Het treasurystatuut wordt door de raad vastgesteld.

  • 2.

    Het college neemt bij het uitzetten en het aantrekken van middelen de volgende kaders in acht:

    • a.

      voor het aantrekken van financieringen met een looptijd langer dan één jaar wordt een prijsopgave bij een financiële instelling gevraagd; en

    • b.

      er wordt geen gebruik gemaakt van financiële derivaten als bedoeld in artikel 1, onder c, van de Wet financiering decentrale overheden.

Hoofdstuk 4. Paragrafen

Artikel 13. Onderhoud kapitaalgoederen
  • 1.

    Het college biedt de raad ten minste eens in de vier jaar een onderhoudsplan openbare ruimte aan. Het plan geeft het kader weer voor het beoogde onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud en de kosten van het onderhoud voor het openbaar groen, water, wegen, kunstwerken en straatmeubilair. De raad stelt het plan vast.

  • 2.

    Het college biedt de raad ten minste eens in de vier jaar een rioleringsplan aan. Het plan geeft het kader weer voor het beoogde onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud, de uitbreiding van de riolering en de kosten van het onderhoud en de eventuele uitbreidingen. De raad stelt het plan vast.

  • 3.

    Het college biedt de raad ten minste eens in de vier jaar een onderhoudsplan gebouwen aan. Het plan bevat voorstellen voor het te plegen onderhoud en de bijbehorende kosten aan de gemeentelijke gebouwen

Artikel 14. Bedrijfsvoering

Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 14 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op:

  • a.

    de omvang, de opbouw en ontwikkeling van het personeelsbestand en de loonkosten;

  • b.

    de kosten van inhuur derden;

  • c.

    de huisvestingskosten;

  • d.

    de automatiseringskosten;

  • e.

    de budgetten voor de raad, de griffie, de rekenkamer en de accountant.

Artikel 15. Grondbeleid

Het college biedt de raad ten minste eens in de vier jaar een nota grondbeleid aan. De raad stelt de nota vast. In de nota wordt aandacht besteed aan:

  • a.

    de strategische visie van het toekomstig grondbeleid van de gemeente;

  • b.

    te ontwikkelen en in ontwikkeling genomen projecten;

  • c.

    het verloop van de grondvoorraad;

  • d.

    de uitgangspunten voor de verkoopprijzen van gronden.

Hoofdstuk 5. Financiële organisatie en financieel beheer

Artikel 16. Administratie

De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij in ieder geval dienstbaar is voor:

  • a.

    het sturen en beheersen van activiteiten en processen bij de bedrijfsvoeringsorganisatie;

  • b.

    het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang van balansposten;

  • c.

    het verschaffen van informatie aan de budgethouders en voor het maken van kostencalculaties;

  • d.

    het bevorderen van de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en ter zake geldende wet- en regelgeving;

  • e.

    het afleggen van verantwoording over de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en ter zake geldende wet- en regelgeving; en

  • f.

    de controle van registratie van gegevens als zodanig en van de daaraan ontleende informatie evenals de controle op rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van de taakuitvoering in relatie tot de gestelde doelen.

Artikel 17. Financiële organisatie

Het college draagt zorgt voor:

  • a.

    een eenduidige indeling van de gemeentelijke organisatie en een eenduidig toewijzing van de gemeentelijke taken aan de afdelingen;

  • b.

    een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden en verantwoordelijkheden;

  • c.

    de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en investeringskredieten;

  • d.

    de interne regels voor taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening van de financieringsfunctie;

  • e.

    de te maken afspraken met de afdelingen over de te leveren prestaties, de daarvoor beschikbare middelen en de wijze en frequentie van rapportage over de voortgang van de activiteiten en uitputting van middelen;

  • f.

    de kostenverdeelsleutels voor het eenduidig toewijzen van baten en lasten aan de taakvelden;

  • g.

    het beleid en de interne regels voor de inkoop en de aanbesteding van goederen, werken en diensten;

  • h.

    het beleid en de interne regels voor de steunverlening en de toekenning van subsidies aan ondernemingen en instellingen; en

  • i.

    het beleid en de interne regels voor het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen, opdat aan de eisen van rechtmatigheid, controle en verantwoording wordt voldaan.

Artikel 18. Interne controle
  • 1.

    Het college zorgt ten behoeve van het getrouwe beeld van de jaarrekening, bedoeld in artikel 213, derde lid, onder a, van de Gemeentewet, en de rechtmatigheid van de baten en lasten en de balansmutaties, bedoeld in artikel 213, derde lid, onder b, van de Gemeentewet, voor de jaarlijkse interne toetsing van de getrouwheid van de informatieverstrekking en de rechtmatigheid van de beheershandelingen. Bij afwijkingen neemt het college maatregelen tot herstel.

  • 2.

    Het college zorgt voor de systematische controle van de registratie en de ontwikkeling van de bezittingen en het financieel vermogen van de gemeente met dien verstande dat de waardepapieren, de voorraden, de uitstaande leningen, de debiteurenvorderingen, de liquiditeiten, de opgenomen leningen, de kortlopende schulden en de vorderingen van crediteuren jaarlijks worden gecontroleerd en registergoederen en bedrijfsmiddelen ten minste eenmaal in de 5 jaar. Bij afwijkingen in de registratie neemt het college maatregelen voor herstel van de tekortkomingen.

Hoofdstuk 6. Slotbepalingen

Artikel 19. Intrekken oude verordening en overgangsrecht
  • 1.

    De Financiële verordening gemeente Westerveld 2017 wordt ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de jaarrekening en het jaarverslag en bijbehorende stukken van het begrotingsjaar voorafgaand aan het jaar waarin deze verordening in werking treedt.

  • 2.

    Op investeringen die voor 1 januari 2020 zijn gedaan, blijft de Financiële verordening gemeente Westerveld 2017 van toepassing zoals deze gold op de dag voor de inwerktreding van deze verordening.

Artikel 20. Inwerkingtreding en citeertitel
  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2020, met dien verstande dat zij van toepassing is op de begroting, de jaarstukken en bijbehorende stukken vanaf het begrotingsjaar 2020.

  • 2.

    Deze verordening wordt aangehaald als: Financiële verordening gemeente Westerveld 2020.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de vergadering van de raad van 28 april 2020.

de raadsgriffier, de voorzitter,

M. Frensel H. Jager

Bijlage afschrijvingsbeleid bij artikel 7

Afschrijvingsbeleid immateriële vaste activa

Kosten voor het afsluiten van een geldlening en kosten voor onderzoek en ontwikkeling worden niet geactiveerd. Hierop zijn uitgezonderd de ontwikkel- en onderzoekskosten die betrekking hebben op de voorbereidingskosten ten behoeve van toekomstige grondexploitaties; activeren van deze kosten mag alleen als er voldaan is aan de instructies van de rijksoverheid en de relevante wet- en regelgeving.

De volgende immateriële vaste activa worden lineair afgeschreven in:

a. Maximaal looptijd lening: agio, disagio en boeterentes

b. Maximaal 5 jaar: kosten voor onderzoek en ontwikkeling toekomstige grondexploitaties

c. Maximaal afschrijvingsduur derde partij: bijdragen aan activa in eigendom van derden

Afschrijvingsbeleid materiële vaste activa met economisch of maatschappelijk nut

Activa met een verkrijgingsprijs van minder dan € 10.000 worden niet geactiveerd, uitgezonderd gronden en terreinen. Gronden en terreinen worden altijd geactiveerd. Op gronden en terreinen wordt niet afgeschreven.

De volgende materiële vaste activa worden lineair afgeschreven in:

Gronden en terreinen

a: 38 jaar: aanleg begraafplaatsen

b. 13 jaar: aanpassing/uitbreiding begraafplaatsen

c. 38 jaar: aanleg sportterreinen (groen)

d. 13 jaar: aanpassing/uitbreiding sportterreinen (groen)

e. 20 jaar: renovatie sportterreinen (groen)

Woonruimten

f. 50 jaar: nieuwbouw woningen

g. 30 jaar: uitbreiding/verbouw- en herstelkosten woningen (levensduur verlengend)

i. 30 jaar: woonwagens nieuw

j 18 jaar: woonwagens bestaand

Bedrijfsgebouwen

k 50 jaar: nieuwbouw permanent

l. 20 jaar: nieuwbouw semi-permanent

m. 30 jaar: aankoop bestaand gebouw permanent

n. 13 jaar: aankoop bestaand gebouw semi-permanent

o. 30 jaar: uitbreiding-/verbouw en herstelkosten bedrijfsgebouwen (levensduur verlengend)

q. 20 jaar: uitbreiding tijdelijke huisvesting

r. 20 jaar: energiebesparende maatregelen

s. 18 jaar: inrichtingskosten

t. 18 jaar: technische installaties

Openlucht zwembaden

u. 38 jaar: bouw openlucht zwembad

v. 19 jaar: uitbreiding-/verbouw- en herstelkosten (levensduur verlengend)

x. 18 jaar: inrichtingskosten

y. 18 jaar: technische installaties

Grond-, weg en waterbouw

a. 30 jaar: aanleg wegen, straten en pleinen

b. 25 jaar: reconstructie wegen, straten en pleinen

c. 25 jaar: herinrichting/duurzaam veilige wegen straten en pleinen

d. 25 jaar: openbare verlichting lantaarnpalen (inclusief armaturen)

e. 25 jaar: parkeervoorzieningen aanleg

f. 20 jaar: abri’s bouw

g. 20 jaar: straatmeubilair

h. 50 jaar: bruggen beton

i. 25 jaar: bruggen hout

j. 25 jaar: groenvoorziening aanleg

k. 15 jaar: groenvoorziening renovatie

l. 20 jaar: speeltuinen aanleg

m. 15 jaar: speeltuinen inrichting/speeltoestellen

n. Op basis van het GRP: riolering

Onderwijs

r. 10 jaar: onderwijs, eerste inrichting onderwijsleerpakket

s. 25 jaar: onderwijs, eerste inrichting meubilair

Automatisering

t. 4 jaar: pc’s en monitoren

u. 5 jaar: servers

v. 13 jaar: bekabeling

w. 6 jaar: overige automatisering

Kantoorinrichting

x. 6 jaar: kantoormiddelen/machines

y. 13 jaar: kantoormeubilair/inrichting

z. 6 jaar: communicatie-/foto-/videoapparatuur

Materieel buitendienst

a. 8 jaar: vrachtauto’s

b. 10 jaar: bestel-/personenauto’s

c. 13 jaar: tractoren

d. 15 jaar: shovel

e. 15 jaar: aanhangwagens

f. 8 jaar: materieel gladheidsbestrijding

g. 15 jaar: schaftwagen

h. 10 jaar: gereedschappen

Restwaarden

Normaal gesproken is de boekwaarde van een activum aan het eind van de afschrijvingstermijn afgeschreven tot nihil. Voor sommige activa wordt echter van tevoren vastgesteld dat sprake dient te zijn van een restwaarde, omdat een deel van het actief geacht wordt altijd zijn waarde te behouden. Voor deze activa mag dan ook een restwaarde worden gehanteerd (bijvoorbeeld bij vastgoed en vervoersmiddelen). De restwaarde dient reëel en per actief te worden geschat. Het hanteren van een vast percentage restwaarde is daarbij niet toegestaan. De restwaarde mag daarnaast ook niet zodanig hoog worden geschat, dat feitelijk geen of te weinig afschrijving plaatsvindt.

Bijlage waardering dubieuze debiteuren bij artikel 8

Vorderingen worden gewaardeerd tegen de nominale waarde onder aftrek van een voorziening

voor oninbaarheid. Voor openstaande vorderingen wordt, met uitzondering van individuele vorderingen groter dan € 10.000, een voorziening wegens oninbaarheid gevormd ter grootte van het historische percentage van oninbaarheid. Bij alle vorderingen boven € 10.000 wordt altijd een individuele beoordeling uitgevoerd. Deze individuele beoordeling kan leiden tot het bijstellen van de berekende voorziening dubieuze debiteuren.

Ten behoeve van de bepaling van de hoogte van de voorziening dubieuze debiteuren worden de debiteuren gecategoriseerd naar aard en omvang van de vordering. De volgende soorten vorderingen zijn te onderscheiden:

- Vordering door opgelegde belastingen conform de belastingverordeningen (1)

- Vorderingen Sociale Dienst (2)

- Overige vorderingen (3)

Belastingdebiteuren (1)

De voorziening wordt gevormd op basis van de volgende indeling naar ouderdom:

- 100%: t-8 en ouder

- 90%: t-6 t/m t-7

- 70%: t-3 t/m t-5

- 60%: t-2

- 20%: t-1

- 10%: t

Vorderingen Sociale Dienst (2)

De voorziening wordt gevormd op basis van de volgende indeling naar ouderdom:

- 100%: Vordering > 1 jaar zonder ontvangst

- 90%: t-10 en ouder

- 75%: t-5 t/m t-9

- 60%: t-2; t/m t-4

- 50%: t

Privaatrechtelijke vorderingen (3a)

De voorziening wordt gevormd op basis van de volgende indeling naar ouderdom:

- 100%: t-3 en ouder

- 50%: t-2

- 25%: t-1

- 0%: t

Vorderingen openbare lichamen (3b)

Vorderingen en schulden van openbare lichamen worden niet betrokken in de berekening van de voorziening voor oninbare vorderingen.