Gemeenschappelijke regeling BEL Combinatie 2020

Geldend van 01-11-2020 t/m heden

Intitulé

Gemeenschappelijke regeling BEL Combinatie 2020

Gewijzigde regeling

(3e wijziging)

INHOUD

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

HOOFDSTUK 2. BELANG, TAKEN EN BEVOEGDHEDEN

HOOFDSTUK 3. HET BESTUUR EN DE VOORZITTER

HOOFDSTUK 4. DE ORGANISATIE, DIRECTIE,SECRETARIS EN PERSONEEL

HOOFDSTUK 5. FINANCIËLE BEPALINGEN

HOOFDSTUK 6. ARCHIEF

HOOFDSTUK 7. GESCHILLEN

HOOFDSTUK 8. TOETREDING, UITTREDING, WIJZIGING, OPHEFFING

HOOFDSTUK 9. SLOTBEPALINGEN

Gemeenschappelijke Regeling BEL Combinatie

De colleges van burgemeester en wethouders;

Gelezen:

het voorstel d.d. 20 augustus 2020 van het Dagelijks Bestuur van de BEL Combinatie;

Overwegende:

  • Dat het uitvoeren van de taken betreft het uitvoeren van beleid en opdrachten van de colleges waarbij geen raadsbevoegdheden zijn betrokken en geen eigen beleid wordt vastgesteld. De samenwerking kan daarom in de vorm van een bedrijfsvoeringsorganisatie plaatsvinden. Wel zal de beleidsvoorbereiding en de ondersteuning bij de beleidsontwikkeling voor de deelnemende gemeenten binnen deze bedrijfsvoeringsorganisatie plaatsvinden;

  • Dat de deelnemende gemeenten verantwoordelijk zijn voor het vaststellen van het beleid en de verordeningen met betrekking tot de gemeentelijke taken.

  • Dat het gewenst is om de regeling op een aantal ondergeschikte onderdelen te actualiseren;

Gezien:

de toestemmingsbesluiten van de gemeenteraden van respectievelijk Blaricum, Eemnes en Laren;

Gelet op:

de toepasselijke bepalingen van de Wet gemeenschappelijke regelingen, de Gemeentewet, de Algemene wet bestuursrecht en de Archiefwet 1995;

B e s l u i t e n:

Tot wijziging (derde wijziging) van de door hen op 6 februari 2007 aangegane “Gemeenschappelijke regeling Blaricum Eemnes Laren”, zodat deze in zijn geheel komt te luiden als volgt:

Hoofdstuk 1: ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1: Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    de regeling: deze gemeenschappelijke regeling.

  • b.

    bedrijfsvoeringsorganisatie BEL Combinatie: de rechtspersoon bedoeld in artikel 2 van deze regeling

  • c.

    deelnemer: de aan deze regeling deelnemende colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten;

  • d.

    gemeenten: de gemeenten Blaricum, Eemnes en Laren;

e) bestuur: het bestuur van de BEL Combinatie als bedoeld in artikel 14a van de wet;

  • f.

    algemeen directeur: de directeur/leidinggevende van de bedrijfsvoeringsorganisatie tevens secretaris van het bestuur;

  • g.

    voorzitter: de voorzitter van het bestuur, bedoeld in artikel 11 van de regeling;

  • h.

    Gedeputeerde Staten: de colleges van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland en Utrecht;

  • i.

    de wet: de Wet gemeenschappelijke regelingen;

  • j.

    opdrachtgever: een deelnemende gemeente, vertegenwoordigd door het college;

  • k.

    opdrachtnemer: de bedrijfvoeringsorganisatie BEL Combinatie;

  • l.

    dienstverleningsovereenkomst: de opdrachtovereenkomsten die opdrachtgevers en opdrachtnemer jaarlijks sluiten over de door opdrachtnemer voor een opdrachtgever uit te voeren taken en de voorwaarden waaronder dat zal gebeuren;

  • m.

    taakvelden: het geheel van samenhangende producten en diensten (productcategorieën) op een beleidsterrein als benoemd in de programmabegroting van de deelnemende gemeenten;

  • n.

    programmabegroting: de begroting zoals de gemeenten die opstellen op basis van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten en de artikel 212 Gemeentewet-verordeningen van die gemeenten;

  • o.

    productcategorie: geheel van samenhangende producten en diensten op een bepaald taakveld;

  • p.

    gemeentesecretaris: vertegenwoordiger van opdrachtgever in vergaderingen van het bestuur.

Artikel 2: Bedrijfsvoeringsorganisatie
  • 1. Er is een bedrijfsvoeringsorganisatie als bedoeld in artikel 8, derde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen, genaamd BEL Combinatie.

  • 2. De BEL Combinatie is statutair gevestigd te Eemnes.

Hoofdstuk 2: BELANG, TAKEN EN BEVOEGDHEDEN

Artikel 3: Belang

Doel van de regeling is het bewerkstelligen van een kwalitatief hoogwaardige en een doelmatige uitvoering door de BEL Combinatie van de door de deelnemende gemeenten opgedragen taken zoals vermeld in artikel 4 en nader opgenomen in de door de deelnemers met de BEL Combinatie gesloten dienstverleningsovereenkomsten

Artikel 4: Taken BEL Combinatie
  • 1. De deelnemers laten overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 van deze regeling door de BEL Combinatie alle gemeentelijke taken uitvoeren, voor zover deze niet –al dan niet met toepassing van de wet - aan anderen zijn opgedragen en als zodanig zijn beschreven in de door deelnemers met BEL Combinatie gesloten dienstverleningsovereenkomsten zoals bedoeld in het derde lid.

  • 2. De uitvoering als bedoeld in lid 1 heeft in ieder geval betrekking op de volgende aspecten van de aldaar bedoelde taken:

  • beleidsontwikkeling en –voorbereiding alsmede de voorbereiding van algemeen verbindende voorschriften;

  • uitvoering van het door de daartoe bevoegde gemeentelijke bestuursorganen vastgestelde beleid en wettelijke regelingen;

  • toezicht op aan derden uitbesteed werk;

  • handhaving van de hiervoor genoemde uitvoering;

  • het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen, voor zover de bedrijfsvoeringsorganisatie hiertoe bevoegd dan wel hiervoor gemachtigd is;

  • het verrichten van feitelijke handelingen;

  • het verrichten van bedrijfsvoeringstaken op het gebied van personeel, informatie, juridische zaken, organisatie, financiën, administratie, communicatie en huisvesting;

  • 3. De hierboven bedoelde bedrijfvoeringstaken worden ook uitgevoerd door de bedrijfsvoeringsorganisatie voor zover zij noodzakelijk zijn voor de medewerkers die binnen de BEL-gemeenten werkzaam zijn.

  • 4. De taken en de omvang en wijze van uitvoering en de daaraan verbonden kosten per deelnemer worden in jaarlijkse dienstverleningsovereenkomsten tussen ieder van de deelnemers en de BEL Combinatie vastgelegd, overeenkomstig de uitgangspunten van deze regeling.

  • 5. De deelnemende gemeenten zijn gehouden in alle gevallen de diensten en producten (productcategorieën), die behoren bij de overeengekomen taken, af te nemen. Een deelnemer mag bepaalde taken of aspecten daarvan pas zelf uitvoeren dan wel aan een andere uitvoerder uitbesteden na bestuurlijke besluitvorming bij meerderheid van het bestuur en afstemming met de colleges van de andere deelnemers. In dit afstemmingsoverleg zal aangetoond moeten worden waarom de betreffende taken of aspecten daarvan niet of in onvoldoende mate door de BEL uitgevoerd kunnen worden.

  • 6. De BEL Combinatie voert uitsluitend taken uit voor de deelnemers. Uitvoering voor derden is slechts toegestaan na een besluit van het bestuur. Het bestuur kan hiertoe niet besluiten, indien dit ertoe leidt dat de bedrijfsvoeringsorganisatie niet meer valt aan te merken als een inbestedende dienst voor de gemeenten.

Artikel 5: Algemene bevoegdheidstoedeling
  • 1. De deelnemers dragen geen bevoegdheden over aan de bedrijfsvoeringsorganisatie.

  • 2. De deelnemers zorgen voor de vaststelling van toereikende mandaten, volmachten en machtigingen die de bedrijfsvoeringsorganisatie nodig heeft voor de uitoefening van zijn taken.

  • 3. Ondermandaat is toegestaan, tenzij dat uitdrukkelijk is voorbehouden.

Artikel 6: Kwaliteitsborging
  • 1. De BEL Combinatie draagt zorg voor een zorgvuldige en hoogwaardige uitvoering van de taken, zoals vermeld in artikel 4 van deze regeling en zoals overeengekomen in de dienstverleningsovereenkomsten.

  • 2. De BEL Combinatie stelt ter borging van de uitvoering zoals bedoeld in het eerste lid een kwaliteitssysteem vast.

  • 3. Indien desondanks sprake is van onvoldoende kwalitatief of onzorgvuldig handelen van de BEL Combinatie ten aanzien van een of meer deelnemende gemeenten als gevolg waarvan schade is ontstaan of dreigt te ontstaan, meldt het betreffende college resp. melden de betreffende colleges dit zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen drie maanden na het constateren van de geleden of dreigende schade bij het bestuur. Het bestuur draagt zorg voor beperking en zo nodig tot herstel van geleden schade

Hoofdstuk 3: HET BESTUUR EN DE VOORZITTER

Artikel 7: Samenstelling en zittingsduur
  • 1. Het bestuur bestaat uit zes leden. De colleges wijzen elk uit hun midden twee leden van het bestuur aan. Het ene lid is de burgemeester van de gemeente en het andere lid is een wethouder.

  • 2. De colleges wijzen voor elk van de door hen aangewezen leden tevens een plaatsvervangend lid uit hun midden aan, dat het lid bij afwezigheid in het bestuur kan vervangen.

  • 3. De zittingsduur van de leden van het bestuur is gelijk aan die van de colleges van de deelnemers. De leden van het bestuur blijven na het verstrijken van de in de vorige zin genoemde termijn hun functie waarnemen tot het tijdstip dat de leden van de nieuwe colleges door hun respectieve raden als zodanig zijn benoemd.

  • 4. In het geval dat een lid van een college binnen de zittingstermijn als bedoeld in lid 2 aftreedt of wordt ontslagen, vervalt met gelijke ingang daarvan het lidmaatschap van het bestuur.

  • 5. Indien een zetel van een lid van het bestuur vacant komt, wordt deze tijdelijk vervuld door het plaatsvervangende lid, en wijst het college van de betreffende deelnemer zo spoedig mogelijk een nieuwe lid aan.

  • 6. Op plaatsvervangende leden zijn de bepalingen van dit hoofdstuk van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8: Werkwijze Bestuur
  • 1. In de eerste vergadering van elke zittingsperiode regelt het bestuur onderling de werkzaamheden.

  • 2. Het bestuur vergadert zo vaak als het daartoe heeft besloten, maar tenminste tweemaal per jaar en verder als de voorzitter of een of meer leden dit verzoeken.

  • 3. De algemeen directeur woont de vergaderingen van het bestuur bij, hij treedt daarin op als eerste adviseur.

  • 4. De gemeentesecretarissen van de deelnemende gemeenten wonen tevens de vergaderingen van het bestuur bij, zij hebben daarin een adviserende stem.

  • 5. Anderen kunnen worden uitgenodigd de vergaderingen van het bestuur bij te wonen.

  • 6. Het bestuur kan beraadslagen en besluiten wanneer de meerderheid van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig of vertegenwoordigd is en een vertegenwoordiger van iedere gemeente aanwezig is.

  • 7. Als uitgangspunt voor de besluitvorming geldt dat altijd gezocht wordt naar consensus. Voor zover bij of krachtens deze regeling niet anders is bepaald, worden besluiten van het bestuur bij volstrekte meerderheid genomen. In de vergadering van het bestuur heeft elk lid één stem.

  • 8. In afwijking van het bepaalde in het 7e lid dienen de navolgende besluiten unaniem te worden genomen:

    • a.

      vaststelling van de begroting, de kadernota en de jaarrekening van de bedrijfsvoeringsorganisatie;

    • b.

      wijziging van de begroting van de bedrijfsvoeringsorganisatie;

    • c.

      besluiten met betrekking tot de organisatie-inrichting van de bedrijfsvoeringsorganisatie;

    • d.

      taakstellingen van de bedrijfsvoeringsorganisatie;

    • e.

      bezuinigingen binnen de bedrijfsvoeringsorganisatie;

    • f.

      aanpassingen in de verdeelsleutel van de bedrijfsvoeringsorganisatie;

    • g.

      (gevolgen van) het wijzigen dan wel opheffen van de regeling.

    • h.

      overige door het bestuur aan te wijzen besluiten.

  • 9. Vergaderingen van het bestuur zijn besloten. Besluitvorming over de in het 8e lid onder a tot en met g genoemde onderwerpen dienen in een openbare vergadering plaats te vinden.

  • 10. De leden van het bestuur ontvangen voor hun werkzaamheden geen vergoeding in welke vorm dan ook.

Artikel 9: Bevoegdheden Bestuur
  • 1. Alle bevoegdheden bij of krachtens enige wet van toepassing op de bedrijfsvoeringsorganisatie komen toe aan het bestuur.

  • 2. Naast de uitoefening van de taken en bevoegdheden op grond van het elders in deze regeling bepaalde is het bestuur in elk geval belast met en bevoegd tot:

  • a. het vaststellen en wijzigen van de begroting van de bedrijfsvoeringsorganisatie;

  • b. het vaststellen van de jaarrekening van de bedrijfsvoeringsorganisatie;

  • c. het vaststellen van de jaarlijkse kadernota van de bedrijfsvoeringsorganisatie;

  • d. het houden van toezicht op het functioneren van de bedrijfsvoeringsorganisatie;

  • e. het vaststellen van de benodigde verordeningen, regelingen en nota’s ten behoeve van de bedrijfsvoeringsorganisatie;

  • f. de aanwijzing van een of meer accountants, bedoeld in artikel 35, zesde lid, van de Wgr juncto artikel 213, tweede lid, van de Gemeentewet”;

  • g. het beheer van de inkomsten en uitgaven van de bedrijfsvoeringsorganisatie;

  • h. het vaststellen van rechtspositionele regelingen ten behoeve van het personeel;

  • i. aangaan van arbeidsovereenkomsten met alsmede schorsing en ontslag van het personeel van de bedrijfsvoeringsorganisatie;

  • j. het doen van voorstellen tot toetreding alsmede voorbereiding voor besluitvorming in geval van uittreding;

  • k. het voeren van rechtsgedingen, bezwaarprocedures of administratieve beroepsprocedures, het instellen van bezwaar en beroep alsmede het vragen om een voorlopige voorziening ten behoeve van de bedrijfsvoeringsorganisatie;

  • l. het besluiten tot privaatrechtelijke rechtshandelingen ten behoeve van de bedrijfsvoering van de bedrijfsvoeringsorganisatie;

  • m. het behartigen van de belangen van de bedrijfsvoeringsorganisatie bij andere overheden, instellingen, bedrijven of personen.

  • 3. Een bevoegdheid kan niet worden overgedragen of gemandateerd als de aard van de bevoegdheid zich hiertegen verzet.

  • 4. Het bestuur neemt alle conservatoire maatregelen en doet wat nodig is ter voorkoming van verjaring of verlies van recht of bezit van de bedrijfsvoeringsorganisatie;

  • 5. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 31a, tweede lid, van de wet kan het bestuur besluiten tot het oprichten van en deelnemen in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen als dat bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang en niet voordat de colleges zijn gevraagd om de raden in de gelegenheid te stellen hun wensen en bedenkingen bij het bestuur naar voren te brengen.

  • 6. De voorbereiding en uitvoering van de hiervoor genoemde bevoegdheden worden door het bestuur middels een vast te stellen directiestatuut opgedragen aan de algemeen directeur van de BEL Combinatie.

Artikel 10: Informatie- en verantwoordingsplicht
  • 1. Een lid van het bestuur legt aan het college dat hem heeft aangewezen verantwoording af over het door hem in het bestuur gevoerde en te voeren beleid. Het lid kan zowel mondeling als schriftelijk verantwoording afleggen.

  • 2. Een lid van het bestuur verstrekt het college dat hem heeft aangewezen alle door een of meer leden van dat college gevraagde inlichtingen voor zover zulks niet strijdig is met het openbaar belang. De inlichtingen worden mondeling of schriftelijk verstrekt. De vragen en antwoorden aan een college of een of meer leden van dat college worden ter kennis gebracht van de andere colleges.

  • 3. Het bestuur verstrekt aan de raden of de door een of meer leden van die raden gevraagde inlichtingen. De inlichtingen worden schriftelijk verstrekt. De vragen en antwoorden aan een raad of een of meer leden van die raad worden ter kennis gebracht van de andere raden.

  • 4. Het bestuur geeft daarnaast aan de colleges en de raden van de gemeenten ongevraagd alle inlichtingen die voor een juiste beoordeling van het door het bestuur gevoerde en te voeren beleid nodig is. De inlichtingen worden schriftelijk verstrekt.

  • 5. Indien een lid van het bestuur niet meer het vertrouwen geniet van het college welk hem heeft aangewezen, kan dit college hem als zodanig ontslaan.

  • 6. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de raad of een of meer leden van de raad van de betreffende gemeente, onverminderd het bepaalde in artikel 169 van de Gemeentewet.

  • 7. De colleges van de deelnemende gemeenten zijn gehouden het bestuur in kennis te stellen van de bij hen in voorbereiding zijnde plannen en/of maatregelen met betrekking tot de in artikel 4 bedoelde taakgebieden en taakaspecten daarbinnen, voor zover deze redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor het functioneren van de BEL Combinatie.

  • Artikel 11: Voorzitter

  • 1. Het bestuur wijst uit zijn midden een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter aan waarbij het voorzitterschap en plaatsvervangend voorzitterschap iedere twee jaar wisselt aan de hand van de volgorde Blaricum, Eemnes, Laren.

  • 2. De voorzitter alsmede de plaatsvervangend voorzitter is een burgemeester van een van de gemeenten.

  • 3. De voorzitter ondertekent samen met de secretaris de stukken die van het bestuur uitgaan.

  • 4. De voorzitter is verantwoordelijk voor de voorbereiding van de vergaderingen van het bestuur en tevens voor de vergaderorde binnen het bestuur.

  • 5. Het bestuur kan de voorzitter machtigen om namens het bestuur te handelen.

  • 6. De voorzitter vertegenwoordigt de bedrijfsvoeringsorganisatie in en buiten rechte. Hij kan deze vertegenwoordiging opdragen aan een door hem aan te wijzen persoon.

  • 7. De voorzitter kan in het directiestatuut zoals genoemd in artikel 14 zijn bevoegdheden mandateren aan de algemeen directeur.

Hoofdstuk 4: DE ORGANISATIE, DIRECTIE, SECRETARIS EN PERSONEEL

Artikel 12: Organisatiestructuur
  • 1. De algemeen directeur stelt de organisatiestructuur vast. Het besluit dient te worden goedgekeurd door het bestuur.

  • 2. De algemeen directeur evalueert periodiek de doeltreffendheid en doelmatigheid van de organisatiestructuur en rapporteert daarover aan het bestuur.

Artikel 13: Algemeen directeur
  • 1. Het bestuur wordt ondersteund door een algemeen directeur, die in de vergaderingen van dit bestuursorgaan als eerste adviseur optreedt.

  • 2. De algemeen directeur is tevens secretaris van het bestuur.

  • 3. Alle stukken uitgaand van het bestuur worden door hem medeondertekend.

  • 4. De algemeen directeur is in dienst van de bedrijfsvoeringsorganisatie.

  • 5. Het bestuur beslist over indiensttreding, schorsing en ontslag van de directeur.

  • 6. De algemeen directeur is belast met de dagelijkse leiding van de bedrijfsvoeringsorganisatie en eindverantwoordelijk voor het functioneren daarvan.

  • 7. De algemeen directeur is verantwoording schuldig aan het bestuur. De directeur verschaft daartoe aan het bestuur alle de informatie om het functioneren en de bedrijfsvoering van de BEL Combinatie te kunnen beoordelen.

  • 8. Het bestuur kan de directietaken (tijdelijk) aan één of meerdere projectdirecteuren toewijzen.

  • 9. Het bestuur regelt de vervanging van de algemeen directeur. De plaatsvervangend algemeen directeur is tevens plaatsvervangend secretaris.

Artikel 14: Directiestatuut
  • 1. De taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de directeur worden vastgelegd in een door het bestuur vast te stellen directiestatuut. In dit statuut legt het bestuur tevens vast dat de directeur mandaat, volmacht en machtiging wordt verleend omtrent deze taken.

  • 2. In het directiestatuut wordt de directeur de bevoegdheid verleend om ten aanzien van specifiek door het bestuur bepaalde bevoegdheden ondermandaat, -volmacht en/of - machtiging te verlenen aan verschillende, daartoe expliciet aangewezen, medewerkers van de bedrijfsvoeringsorganisatie.

  • 3. De leden 1 en 2 zijn mede van toepassing op de plaatsvervangend algemeen directeur en de projectdirecteur(en).

Artikel 15: Overleg algemeen directeur en gemeentesecretaris
  • 1. Er is een overleg tussen de algemeen directeur van de BEL Combinatie en de gemeentesecretarissen van de deelnemende gemeenten.

  • 2. Het overleg is belast met de systeemverantwoordelijkheid en afstemming tussen de verschillende rollen en posities van eigenaar en opdrachtgever.

Artikel 16: Personeel
  • 1. Het bestuur beslist over de indiensttreding en het ontslag van het personeel van de BEL Combinatie. Deze bevoegdheid kan het bestuur middels het directiestatuut overdragen aan de algemeen directeur van de BEL Combinatie.

  • 2. Het Bestuur regelt de rechtspositie van het personeel van de BEL Combinatie. Het Bestuur draagt er in dat kader zorg voor, dat als grondslag daarvoor de CAO Samenwerkende Gemeentelijke Organisaties gehanteerd wordt.

Hoofdstuk 5: FINANCIËLE BEPALINGEN

Artikel 17: Financiële administratie en controle
  • 1. Op het financieel beleid, het financieel beheer, de inrichting van de financiële organisatie en de controle daarop zijn de artikelen 212 en 213 Gemeentewet van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Het bestuur stelt in dat kader de vereiste verordeningen vast, waarbij rekening gehouden wordt met de taakstelling en taakgebieden en de wijze van uitvoering daarvan zoals bepaald in de artikelen 4 tot en met 6 van deze regeling.

Artikel 18: Dienstjaar

Het dienstjaar loopt van 1 januari tot en met 31 december.

Artikel 19: Algemene financiële en beleidsmatige kaders

Het bestuur zendt vóór 15 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders aan de raden van de deelnemende gemeenten.

Artikel 20: Begroting
  • 1. Het bestuur stelt met inachtneming van artikel 186 Gemeentewet en wettelijke vormvereisten elk jaar een programmabegroting van inkomsten en uitgaven voor het komend dienstjaar op, voorzien van de nodige toelichting en specificaties.

  • 2. Het bestuur zendt de ontwerpbegroting toe aan de raden van de gemeenten.

  • 3. De ontwerpbegroting worden door de zorg van de deelnemende gemeentebesturen voor een ieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld. Van de ter inzage legging en de verkrijgbaar stelling van de ontwerpbegroting en de meerjarenbegroting wordt openbaar kennis gegeven.

  • 4. De raden van de gemeenten kunnen op grond van artikel 35 van de wet binnen acht weken na toezending van de ontwerpbegroting het bestuur hun zienswijze schriftelijk doen blijken.

  • 5. Het bestuur stelt, met inachtneming van lid 4, de begroting vast. De begroting wordt na

  • vaststelling door het bestuur aan de raden toegezonden.

  • 6. Het bestuur zendt de begroting binnen twee weken na vaststelling, in ieder geval vóór 1 augustus van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan Gedeputeerde Staten.

  • 7. Op de wijzigingen van de begroting zijn de voorafgaande bepalingen van dit artikel – met uitzondering van de genoemde data - van overeenkomstige toepassing voor zover het betreft wijzigingen die leiden tot een verhoging van de bijdrage van de deelnemende gemeenten.

  • 8. De deelnemers zullen er steeds zorg voor dragen dat de BEL Combinatie te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen.

  • 9. Indien aan het bestuur van de BEL Combinatie blijkt dat een deelnemer weigert deze uitgaven op de begroting te zetten, doet het Bestuur onverwijld aan gedeputeerde staten het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 194 en 195 van de Gemeentewet.

Artikel 21: Jaarrekening
  • 1. Het bestuur maakt elk jaar de rekening van baten en lasten (inclusief de balans) van het voorgaande jaar op, met inachtneming van artikel 186 Gemeentewet. Het bestuur zendt de rekening ter controle naar de door het Bestuur aangewezen accountant, met het verzoek zo spoedig mogelijk het controlerapport uit te brengen.

  • 2. Het bestuur zendt voor 15 april de voorlopige jaarrekening en zodra beschikbaar het verslag van bevindingen van de accountant aan de raden van de deelnemende gemeenten ter kennisneming.

  • 3. De colleges en de raden van de gemeenten kunnen binnen acht weken na toezending van de voorlopige rekening het bestuur hun zienswijze schriftelijk doen blijken.

  • 4. Nadat het controlerapport bedoeld in lid 1 is ontvangen, stelt het bestuur de rekening vast waarna deze door hem binnen twee weken, maar in ieder geval vóór 15 juli van dat jaar wordt toegezonden aan Gedeputeerde Staten.

  • 5. Het besluit van het bestuur, houdende vaststelling van de rekening, strekt voor zover het daarin opgenomen ontvangsten en uitgaven betreft het bestuur tot decharge, behoudens later in rechte gebleken onregelmatigheden.

Hoofdstuk 6: ARCHIEF

Artikel 22: Archiefbeheer
  • 1. Het bestuur is belast met de zorg op de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden van de BEL Combinatie en zijn bestuursorganen overeenkomstig een door het Bestuur met inachtneming van artikel 41, lid 2 Archiefwet 1995 vast te stellen regeling.

  • 2. De secretaris is belast met de bewaring van de archiefbescheiden als bedoeld in het vorige lid overeenkomstig de door het bestuur vast te stellen nadere regels.

  • 3. Bij opheffing van de regeling worden de archiefbescheiden geplaatst in een door het Bestuur aan te wijzen archiefbewaarplaats.

Hoofdstuk 7: GESCHILLEN

Artikel 23
  • 1. Indien er tussen de BEL Combinatie en een der deelnemende gemeenten een geschil ontstaat over de uitvoering van de taken zoals opgenomen in de artikel 4 van deze regeling, treden het bestuur en het betreffende college terstond in overleg met elkaar teneinde het geschil verder te verkennen en zo mogelijk op te lossen.

  • 2. Indien dit overleg niet binnen twee maanden na de begindatum ervan tot een oplossing heeft geleid, zullen betrokken partijen een mediator inschakelen teneinde hun geschil te beslechten.

  • 3. Met betrekking tot geschillen tussen de deelnemers onderling, dan wel tussen de deelnemers en de BEL Combinatie omtrent de toepassing -in de ruimste zin- van deze regeling is artikel 28 van de wet van toepassing.

Hoofdstuk 8: Toetreding, uittreding, wijziging, opheffing

Artikel 24: Toetreding
  • 1. Het college van een gemeente die wenst toe te treden, richt het verzoek ter zake aan de overeenkomstige bestuursorganen van de deelnemende gemeenten en aan het bestuur .

  • 2. Toetreding vindt plaats indien de colleges van de deelnemende gemeenten daartoe besluiten en het bestuur van de BEL Combinatie en de raden van de deelnemende gemeenten daarmee instemmen.

  • 3. Aan de toetreding kan het bestuur voorwaarden verbinden.

  • 4. Het besluit van de deelnemende gemeenten als bedoeld in het 2e lid geeft de datum van toetreding aan.

  • 5. Van elk bericht van toetreding van een gemeente wordt kennis gegeven aan Gedeputeerde Staten.

Artikel 25: Uittreding
  • 1. Het college van elke deelnemende gemeente kan, na vooraf verkregen instemming van de raad van die gemeente, besluiten dat de deelneming aan deze regeling wordt opgezegd. De Raden van de overige gemeenten worden over de besluiten geïnformeerd. Een dergelijk besluit kan voor de eerste keer worden genomen zes jaar na het besluit tot deelname aan / toetreding tot deze regeling.

  • 2. Een uittredingsbesluit gaat twee kalenderjaren na het verstrijken van het jaar waarin het besluit tot opzegging is genomen, in.

  • 3. Alvorens de deelnemende gemeente tot besluitvorming komt als bedoeld in het 1e lid, wordt eerst over het voornemen overleg met de andere deelnemende gemeenten gevoerd.

  • 4. In het voornemen als bedoeld in het 1e en 3e lid worden de motieven gegeven op grond waarvan de deelnemende gemeente wenst uit te treden.

  • 5. Het besluit als bedoeld in het 1e lid wordt terstond ter kennis gebracht van het bestuur.

  • 6. Het bestuur regelt de financiële verplichtingen alsmede de overige gevolgen van de uittreding.

  • 7. Van elk besluit tot uittreding van een gemeente wordt terstond kennis gegeven aan de overige deelnemende gemeenten en Gedeputeerde Staten.

Artikel 26: Wijziging en opheffing
  • 1. De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd.

  • 2. Wijziging of opheffing van de regeling vindt plaats indien de colleges van tenminste tweederde van de deelnemende gemeenten daartoe besluiten.

  • 3. Indien het bestuur wijziging van de regeling wenselijk acht, doet zij een daartoe strekkend voorstel aan de betrokken bestuursorganen van de deelnemende gemeenten.

  • 4. In geval van opheffing van de regeling stelt het Bestuur een regeling op met betrekking tot de gevolgen van de opheffing. Deze opheffings-/liquidatieregeling wordt vastgesteld door de colleges van de deelnemende gemeenten, de raden van die gemeenten gehoord.

  • 5. De regeling als bedoeld in lid 4 :

    • a.

      voorziet in de gevolgen die de opheffing heeft voor het personeel als bedoeld in hoofdstuk 6 van deze gemeenschappelijke regeling.

    • b.

      geeft regels voor de wijze waarop de deelnemende gemeenten, voor zover het saldo ontoereikend is, zorgdragen voor de nakoming van de verplichtingen van het samenwerkingsverband.

  • 6. Het bestuur is belast met de uitvoering van de liquidatie.

  • 7. Zo nodig blijft het Bestuur functioneren tot de liquidatie voltooid is.

  • 8. Alle rechten en verplichtingen van de regeling die resteren na uitvoering van het liquidatieplan gaan bij vereffening over naar de gemeenten, naar evenredigheid van de grootte van hun bijdrage aan de regeling in het jaar voorafgaande aan de opheffing.

  • 9. Van elk besluit tot wijziging dan wel opheffing van deze regeling wordt terstond bericht gezonden aan de deelnemende gemeenten en Gedeputeerde Staten.

Hoofdstuk 9: SLOTBEPALINGEN

Artikel 27: Inwerkingtreding en overige bepalingen
  • 1. De regeling treedt in werking met ingang van de dag na bekendmaking en kan worden aangehaald onder de titel 'Gemeenschappelijke regeling BEL Combinatie’.

  • 2. Het gemeentebestuur van de gemeente Eemnes is aangewezen als het gemeentebestuur bedoeld in artikel 26 van de wet.

  • 3. Het college zoals genoemd in het eerste lid draagt zorg voor toezending van deze regeling aan gedeputeerde staten en bekendmaking van de regeling overeenkomstig artikel 26 van de wet.

  • 4. In alle gevallen waarin deze regeling niet voorziet, beslist het bestuur.

Ondertekening

Aldus vastgesteld door het college van de gemeente Blaricum op 24 augustus 2020,

de secretaris wnd, de burgemeester,

P. van Dijk J.N. de Zwart-Bloch

Aldus vastgesteld door het college van de gemeente Eemnes op 25 augustus 2020,

de secretaris wnd, de burgemeester,

A. Griekspoor R. van Benthem RA

Aldus vastgesteld door het college van de gemeente Laren op 25 augustus 2020,

de secretaris wnd, de burgemeester,

S. van Waveren N. Mol