Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Leiden houdende regels omtrent de fysieke leefomgeving (Verordening voor de fysieke leefomgeving Leiden 2020)

Geldend van 22-07-2021 t/m heden

Intitulé

Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Leiden houdende regels omtrent de fysieke leefomgeving (Verordening voor de fysieke leefomgeving Leiden 2020)

De raad van de gemeente Leiden:

Gezien het voorstel van burgemeester en wethouders (Raadsvoorstel RV 20.0079 van 2020), mede gezien het advies van de commissie,

BESLUIT

  • 1.

    Vast te stellen de Verordening voor de fysieke leefomgeving Leiden 2020, luidende aldus:

Verordening fysieke leefomgeving Leiden

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

Bijlage 1 bij deze verordening bevat begripsbepalingen voor de toepassing van deze verordening.

Artikel 1.2 Toepassingsbereik
  • 1. Deze verordening gaat over:

    • a.

      De fysieke leefomgeving, en;

    • b.

      Activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving.

  • 2. De fysieke leefomgeving omvat in ieder geval:

    • a.

      Bouwwerken;

    • b.

      Infrastructuur;

    • c.

      Watersystemen;

    • d.

      Water;

    • e.

      Bodem;

    • f.

      Lucht;

    • g.

      Landschappen;

    • h.

      Natuur;

    • i.

      Cultureel erfgoed;

    • j.

      Werelderfgoed.

  • 3. Als gevolgen voor de fysieke leefomgeving worden in ieder geval aangemerkt gevolgen die kunnen voortvloeien uit:

    • a.

      Het wijzigen van onderdelen van de fysieke leefomgeving of het gebruik daarvan;

    • b.

      Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen;

    • c.

      Activiteiten waardoor emissies, hinder of risico’s worden veroorzaakt;

    • d.

      Het nalaten van activiteiten.

  • 4. Als gevolgen voor de fysieke leefomgeving worden ook aangemerkt gevolgen voor de mens, voor zover deze wordt, of kan worden beïnvloed door of via onderdelen van de fysieke leefomgeving.

  • 5. Deze verordening is niet van toepassing op bijzondere markten en/of braderieën waarvoor het gebruiken van gemeentegrond op grond van privaatrecht is met het college is geregeld en/of waarvoor op grond van de Algemene plaatselijke verordening een evenementenvergunning is verleend.

Artikel 1.3 Doel van deze verordening

Deze verordening is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu gericht op het in onderlinge samenhang”

  • a.

    bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en

  • b.

    doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.

Artikel 1.4 Wijze van meten
  • 1. Onder peil wordt verstaan:

    • a.

      Voor bouwwerken die in of op het water worden gebouwd: het gemiddelde waterpeil ter plaatse van het bouwwerk;

    • b.

      Voor bouwwerken waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang vermeerderd met 2 cm;

    • c.

      In andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende maaiveld of het afgewerkte bouwterrein vermeerderd met 2 cm.

  • 2. De afstand van de erfgrenslijn als bedoeld in artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek is voor bomen vastgesteld op 50 centimeter en voor heesters en heggen op 0 centimeter.

Artikel 1.5 Meest recente versie

Bij het toepassen van artikelen uit deze verordening die verwijzen naar documenten buiten deze verordening, wordt steeds uitgegaan van de meest recente versie van die documenten, tenzij anders is aangegeven.

Hoofdstuk 2 Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving

Afdeling 2.1 Bebouwde kom

Paragraaf 2.1.1

Terrassen

Artikel 2.1.1.1 Algemene voor terrassen (Regels terrassen)

Het college kan gebieden aanwijzen waar het niet is toegestaan een terras te hebben.

Paragraaf 2.1.2

Markten

Artikel 2.1.2.1 Reguliere warenmarkten (Instellingsbesluit markten)

Het college stelt de volgende reguliere warenmarkten in:

  • a.

    Dinsdag, bij winkelcentrum de Luifelbaan/Bevrijdingsplein in Leiden Zuidwest, van 08.00 tot 13.00 uur;

  • b.

    Woensdag, in het centrum, Nieuwe Rijn, Vismarkt, Visbrug, Botermarkt, Aalmarkt en de Koornbeursbrug, van 08.00 tot 17.00 uur. Een deel van deze markt is exclusief bestemd voor de biologische markt. Op de inrichtingskaart die bij het inrichtingsplan van deze markt hoort, is ingetekend welke standplaatsen daarvoor zijn bestemd;

  • c.

    Donderdag, bij winkelcentrum de Stevensbloem in de Stevenshof, van 09.00 tot 16.00 uur;

  • d.

    Vrijdag, bij winkelcentrum de Kopermolen in de Merenwijk van 10.00 tot 17.00 uur;

  • e.

    Zaterdag, in het centrum, Nieuwe Rijn, Vismarkt, Visbrug, Botermarkt, Gangetje, Karnemelksbrug, Aalmarkt, Koornbeursbrug en Koornbrugsteeg, en de Nieuwstraat, van 08.00 tot 17.00 uur.

Artikel 2.1.2.2 Inrichtingsplan (Marktverordening)
  • 1. Het college stelt voor iedere markt een inrichtingsplan vast. Dat plan bevat in ieder geval:

    • a.

      een aanduiding van de dagen en de uren waarop en eventueel de periode waarin de markt wordt gehouden (markttijd);

    • b.

      een kaart van de markt;

    • c.

      indien van toepassing: de mededeling dat het anciënniteitsstelsel van toepassing is;

    • d.

      een aanduiding van de manier waarop vergunning op grond van deze verordeningen kunnen worden verleend;

    • e.

      voor zover van toepassing: dat het verbod om te bedienen zonder vergunning geldt, en het maximum aantal bedienvergunningen dat kan worden verleend.

  • 2. Op de kaart moeten de volgende zaken worden aangegeven:

    • a.

      de grenzen van de markt;

    • b.

      de plaatsen of gebieden die bestemd zijn voor houders van een vergunning voor een vaste standplaats;

    • c.

      voor zover van toepassing: de afmetingen of maten van de standplaatsen;

    • d.

      voor zover van toepassing: de plaatsen of gebieden waar een of meer branches of artikelgroepen voorrang hebben, en indien van toepassing de maximum aantallen vaste standplaatsvergunningen die kunnen worden afgegeven voor één of meer branches of artikelgroepen, of combinaties daarvan;

    • e.

      voor zover van toepassing: de plaatsen of gebieden waar houders van een dagplaatsvergunning voorrang hebben;

    • f.

      voor zover van toepassing: de plaatsen of gebieden waar houders van een standwerkvergunning voorrang hebben;

    • g.

      voor zover van toepassing: de plaatsen of gebieden die bedoeld zijn voor standplaatsen die zijn voorzien van bakinstallaties of andere voorzieningen die bedoeld zijn voor het verhitten of warmhouden van voedingsmiddelen;

    • h.

      voor zover van toepassing: de plaatsen of gebieden die bedoeld zijn voor houders van een bedienvergunning

    • i.

      voor zover van toepassing: de plaatsen of gebieden die bedoeld zijn voor het opstellen van kraammateriaal.

  • 3. Als bij de aanvang van de markt een standplaats die is bedoeld voor de houder van een vergunning voor een vaste standplaats nog niet door de vergunninghouder of zijn plaatsvervanger is ingenomen, kan voor die plaats een dagplaatsvergunning worden afgegeven.

  • 4. Het inrichtingsplan is tijdens de markttijd bij de markt aanwezig en in te zien.

Artikel 2.1.2.3 Biologische markt (Marktverordening)
  • 1. Het college kan een biologische markt instellen.

  • 2. Op de biologische markt mogen uitsluitend biologische producten worden verhandeld.

  • 3. Voor deze markt wordt een inrichtingsplan als bedoeld in artikel 2.1.2.2 vastgesteld.

Artikel 2.1.2.4 Lakenmarkt en 3 oktobermarkt (Marktverordening)
  • 1. Het college kan een speciale markt instellen voor de Lakenmarkt tijdens de Lakenfeesten en voor de 3 oktobermarkt tijdens de viering van Leidens Ontzet.

  • 2. Voor deze markten worden een inrichtingsplan als bedoeld in artikel 2.1.2.2 vastgesteld.

Artikel 2.1.2.5 Geen markt op feestdagen (Instellingsbesluit markten)

Op Nieuwjaarsdag, eerste en tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, eerste en tweede Pinksterdag en op eerste en tweede Kerstdag wordt geen markt gehouden. Op verzoek van de Commissie Ambulante Handel kan worden bekeken of de warenmarkt op een andere dag kan worden gehouden. Als 3 oktober op een woensdag of een zaterdag valt wordt er geen markt gehouden.

Artikel 2.1.2.6 Afwijking reguliere warenmarkt (Instellingsbesluit markten)

Het college kan afwijken van artikel 2.1.2.1 en bepalen dat om dringende redenen een markt tijdelijk zal plaatsvinden op:

  • a.

    een andere dag;

  • b.

    een andere tijd, of;

  • c.

    een andere plaats.

Artikel 2.1.2.7 Afgelasten of anders inrichten markt (Instellingsbesluit markten)

Het college kan een markt geheel of gedeeltelijk afgelasten of opdragen dat een markt geheel of gedeeltelijk anders wordt ingericht, als dit nodig is in het kader van het algemeen belang, ter uitvoering van werken of in het geval van extreme weersomstandigheden.

Artikel 2.1.2.8 Mandaatverboden (Marktverordening)

De bevoegdheid om inrichtingsplannen vast te stellen en te wijzigen kan niet worden gemandateerd.

Afdeling 2.2 Water

Paragraaf 2.2.1

Ligplaatsenplan

Artikel 2.2.1.1 Categorieën bedrijfs- en pleziervaartuigen (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening)

De gemeenteraad kan bij of krachtens deze verordening in het ligplaatsenplan verschillende categorieën ligplaatsen vaststellen voor bedrijfs- en pleziervaartuigen.

Artikel 2.2.1.2 Vaststelling ligplaatsenplannen (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening)
  • 1. De gemeenteraad stelt een ligplaatsenplan vast waarin staat op welke locaties ligplaatsvergunningen voor pleziervaartuigen en bedrijfsvaartuigen zijn toegestaan (bijlage 2 van deze verordening).

  • 2. Per ligplaats kunnen voorschriften worden gegeven over:

    • a.

      De toegestane categorie of categorieën vaartuigen;

    • b.

      Het toegestane aantal vaartuigen;

    • c.

      De minimale afstand tussen vaartuigen of tussen ligplaatsen;

    • d.

      De maximale afmetingen en diepgang die vaartuigen mogen hebben om een ligplaats in te nemen.

  • 3. In het ligplaatsenplan kunnen bestaande afvaartplaatsen, opstapplaatsen, passantenplaatsen en passantenhavens worden vastgelegd.

  • 4. Het college kan aan bestaande afvaartplaatsen, opstapplaatsen, passantenplaatsen en passantenhavens nadere eisen stellen.

  • 5. Het college kan nieuwe afvaartplaatsen, opstapplaatsen, passantenplaatsen en passantenhavens aanwijzen en daaraan nadere eisen stellen.

Afdeling 2.3 Cultureel erfgoed

Paragraaf 2.3.1

Gemeentelijk erfgoedregister

Artikel 2.3.1.1 Gemeentelijk erfgoedregister (Erfgoedverordening)
  • 1. Het college houdt een gemeentelijk erfgoedregister bij waarin het op grond van deze verordening aangewezen cultureel erfgoed is opgenomen. Dit register kan door iedereen worden ingezien.

  • 2. In het gemeentelijk erfgoedregister staat:

    • a.

      Gegevens over de inschrijving van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed, waaronder de beschermde gemeentelijke monumenten;

    • b.

      Gegevens waaruit blijkt om welk aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed het gaat;

    • c.

      Gegevens over de afschriften die het college heeft ontvangen van de inschrijving van een rijksmonument in het rijksmonumentenregister zoals bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, van de Erfgoedwet.

Paragraaf 2.3.2

De aanwijzing tot beschermd gemeentelijk monument

Artikel 2.3.2.1 De aanwijzing tot beschermd gemeentelijk monument (Erfgoedverordening)
  • 1. Het college kan, eventueel op aanvraag van een belanghebbende, een onroerende zaak of terrein aanwijzen als beschermd gemeentelijk monument.

  • 2. Als het college het voornemen heeft om een onroerende zaak aan te wijzen als beschermd gemeentelijk monument, maakt zij dit schriftelijk bekend aan alle zakelijk gerechtigden op die onroerende zaak die genoemd staan in de openbare registers als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet.

  • 3. De zakelijk gerechtigden kunnen gedurende vier weken na de bekendmaking van de agenda van de Adviescommissie Cultuurhistorie Leiden schriftelijk reageren op het voornemen tot aanwijzing van een beschermd gemeentelijk monument.

  • 4. Dit artikel is niet van toepassing op:

    • a.

      Rijksmonumenten;

    • b.

      Monumenten en archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van de provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet.

Artikel 2.3.2.2 Termijn aanwijzingsbesluit

Het college beslist binnen 14 weken na ontvangst van het advies van de Adviescommissie Cultuurhistorie Leiden zoals bedoeld in artikel 6.2.1.1, maar in ieder geval binnen 26 weken na ontvangst van de aanvraag, dan wel het bekendmaken van het voornemen als bedoeld in artikel 2.3.2.1, tweede lid.

Artikel 2.3.2.3 Voorlopige aanwijzing bij spoed (Erfgoedverordening)
  • 1. In spoedeisende gevallen kan het college een onroerende zaak of terrein aanwijzen als voorlopig beschermd gemeentelijk monument, zonder toepassing van artikel 2.3.2.1, tweede en derde lid, en artikel 6.2.1.1, eerste lid.

  • 2. Zodra een belanghebbende schriftelijk in kennis is gesteld van het besluit van het college tot voorlopige aanwijzing van een onroerende zaak of terrein als beschermd gemeentelijk monument, zijn artikel 3.5.1.1, 3.5.1.2 en 6.2.3.1 van deze verordening van toepassing.

  • 3. De voorlopige aanwijzing vervalt na 26 weken of op het moment dat het college een definitief besluit neemt over de aanwijzing.

  • 4. Bij het voorbereiden van het definitieve besluit over de aanwijzing zijn artikel 2.3.2.1 en 6.2.1.1 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.3.2.4 Bekendmaking en registratie (Erfgoedverordening)
  • 1. De aanwijzing als bedoeld in artikel 2.3.2.1, eerste lid, en in artikel 2.3.2.3, eerste lid, wordt schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op die onroerende zaak die genoemd staan in de openbare registers zoals bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet.

  • 2. Wanneer een aanwijzing onherroepelijk is geworden, wordt deze direct opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister.

  • 3. In het erfgoedregister staan in ieder geval de locatie en kadastrale gegevens van het beschermd gemeentelijk monument, de datum van de aanwijzing en een beschrijving van het gemeentelijk monument.

Artikel 2.3.2.5 Wijzigen van de aanwijzing (Erfgoedverordening)
  • 1. Het college kan, eventueel op aanvraag van een belanghebbende, de aanwijzing wijzigen.

  • 2. Bij het wijzigen van de aanwijzing zijn artikel 2.3.2.1, 2.3.2.2 en 6.2.1.1 van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Als de wijziging volgens het college van ondergeschikte betekenis is, zijn artikel 2.3.2.1, 2.3.2.2 en 6.2.1.1 niet van overeenkomstige toepassing.

  • 4. De inhoud en de datum van de wijziging worden in het gemeentelijk erfgoedregister aangetekend.

Artikel 2.3.2.6 Intrekken en vervallen van de aanwijzing (Erfgoedverordening)
  • 1. Het college kan de aanwijzing intrekken.

  • 2. Als het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 2.3.2.1, 2.3.2.2 en 6.2.1.1 van overeenkomstige toepassing.

  • 3. De aanwijzing van een beschermd gemeentelijk monument vervalt met ingang van de dag waarop het wordt ingeschreven in het rijksmonumentenregister of in een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet.

  • 4. De intrekking of het vervallen van de aanwijzing van het beschermd gemeentelijk monument wordt in het gemeentelijk erfgoedregister aangetekend.

Paragraaf 2.3.3

De aanwijzing tot gemeentelijk beschermd stadsgezicht

Artikel 2.3.3.1 De aanwijzing tot gemeentelijk beschermd stadsgezicht (Erfgoedverordening)
  • 1. De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, groepen van onroerende zaken aanwijzen als gemeentelijk beschermd stadsgezicht.

  • 2. Als een stadsgezicht is aanwezen op grond van artikel 35 van de Monumentenwet 1988 of op grond van een provinciale verordening, kunnen deze niet worden aangewezen als gemeentelijk beschermd stadsgezicht.

Artikel 2.3.3.2 Termijn aanwijzingsbesluit en registratie in erfgoedregister
  • 1. De gemeenteraad beslist binnen 14 weken na ontvangst van het advies van de Adviescommissie Cultuurhistorie Leiden als bedoeld in artikel 6.2.2.1, maar in ieder geval binnen 26 weken na de adviesvraag.

  • 2. Een aangewezen gemeentelijk beschermd stadsgezicht wordt direct opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister.

Artikel 2.3.3.3 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd stadsgezicht (Erfgoedverordening)
  • 1. De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 16, eerste lid, wijzigen of intrekken. Hierop zijn artikel 2.3.3.2, eerste lid, en artikel 6.2.2.1, eerste lid, van overeenkomstige toepassing, tenzij het gaat om een aanpassing van ondergeschikte betekenis, of het stadsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig teniet is gegaan.

  • 2. Een aanwijzing vervalt zodra het stadsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als:

    • a.

      Beschermd stadsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, of

    • b.

      Beschermd stadsgezicht op grond van een provinciale verordening.

  • 3. Wanneer de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing onherroepelijk is geworden, wordt dat direct opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister.

Artikel 2.3.3.4 Vaststellen beschermend bestemmingsplan (Erfgoedverordening)
  • 1. De gemeenteraad stelt een bestemmingsplan als bedoeld in de Wro vast ter bescherming van een gemeentelijk beschermd stadsgezicht. Bij een besluit tot aanwijzing van een gemeentelijk beschermd stadsgezicht wordt hier een termijn voor gesteld.

  • 2. Het college bepaalt bij het besluit tot aanwijzing van een gemeentelijk beschermd stadsgezicht of de geldende bestemmingsplannen als beschermende plannen kunnen worden aangemerkt, dan wel een beheersverordening als bedoeld in de Wro kan worden vastgesteld.

Afdeling 2.4

Groen

Paragraaf 2.4.1

Groene Norm voor waardevolle bomen en boomstructuren

Artikel 2.4.1.1 Aanwijzing waardevolle bomen
  • 1. Het college stelt een Register Ecologische Bomen vast.

  • 2. Alle aanwezige bomen in gemeente Leiden worden, voorafgaand aan activiteiten daaraan of het voornemen daartoe getoetst aan de in dit artikel onder lid 3 neergelegde aanwijscriteria, de Groene Norm.

  • 3. Een boom is in ieder geval waardevol als deze voldoet aan tenminste één of meer van de volgende waarden, toegelicht in het Beleidskader met afwegingen voor Aanwijzing en bescherming bomen Leiden:

    • a.

      monumentale waarde: op grond van leeftijd van minimaal 80 jaar of minimale grootte van 80 centimeter stamdiameter op 1,3 meter boven maaiveld (250 centimeter stamomtrek);

    • b.

      ecologische waarden: conform het Register Ecologische Bomen met minimaal 3 punten, met een minimale leeftijd van 50 jaar of minimale grootte van 50 centimeter stamdiameter op 1,3 meter boven maaiveld (157 centimeter stamomtrek);

    • c.

      cultuurhistorische waarden: als herdenkingsboom, onderdeel van monumentaal stadsgezicht, of in ensemble met monumentaal pand;

    • d.

      bijzondere waarde: door de aanwezigheid binnen de gemeentegrenzen van Leiden van maximaal 10 volwassen exemplaren van de soort.

Artikel 2.4.1.2 Aanwijzing waardevolle boomstructuren
  • 1. Alle aanwezige bomen in gemeente Leiden worden, voorafgaand aan activiteiten daaraan of het voornemen daartoe getoetst aan de in het Werkboek Groene Hoofdstructuur (2018) en het Uitvoeringsprogramma 2020-2023 beschreven groene hoofdstructuren.

  • 2. Een boom is in ieder geval onderdeel van een waardevolle boomstructuur als deze:

    • a.

      Staat in een van de parken, zoals deze zijn vastgelegd in figuur 3.3 van Uitvoeringsprogramma 2020-2023 - Leiden biodivers en Klimaatbestendig (RV 20.0027) ;

    • b.

      Onderdeel is van een van de in het Uitwerkingsplan Groene Hoofdstructuur (BW 18.0148) beschreven ecologische hoofdstructuren;

    • c.

      Vermeld staat als boomstructuur of laan op de Groene Kaart (versie 2017) en gesitueerd zijn in de openbare ruimte in eigendom van de gemeente Leiden.

Artikel 2.4.1.3 Het voorstel tot aanwijzing of afvoer (nadere regels Bomenverordening)

[vervallen]

Artikel 2.4.1.4 Jaarlijkse vaststelling van de Groene Kaart (nadere regels Bomenverordening)

[vervallen]

Hoofdstuk 3 Activiteiten in de fysieke leefomgeving

Afdeling 3.1

Inleidende bepalingen

Paragraaf 3.1.1

Algemene bepalingen

Artikel 3.1.1.1 Toepassingsbereik

Dit hoofdstuk gaat over activiteiten met gevolgen voor de fysieke leefomgeving

Artikel 3.1.1.2 Vergunningplicht

Activiteiten waarvoor op grond van deze verordening een vergunning voor nodig is, mogen niet worden uitgevoerd zonder of voordat die vergunning is verleend, of in afwijking van de verleende vergunning.

Paragraaf 3.1.2

Bepalingen ten aanzien van vergunningen

Artikel 3.1.2.1 Beslistermijn (APV)
  • 1. Het college beslist binnen acht weken na ontvangst op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing, tenzij in deze verordening anders is bepaald.

  • 2. Het college kan de termijn met maximaal acht weken verlengen.

  • 3. Als beslist wordt op een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.4.4.2, tweede lid, en een vergunning als bedoeld in artikel 3.4.4.3, tweede lid uit deze verordening, is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing.

Artikel 3.1.2.2 Voorschriften en beperkingen (APV)
  • 1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.

  • 2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.

Artikel 3.1.2.3 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing (APV)

De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.

Artikel 3.1.2.4 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing (APV)
  • 1. De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als:

    • a.

      voor het verkrijgen daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;

    • b.

      na het verlenen van de vergunning of ontheffing de omstandigheden of inzichten zijn veranderd waardoor het noodzakelijk is deze te wijzigen of in te trekken vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is verleend;

    • c.

      de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning of ontheffing zijn verbonden niet worden nageleefd;

    • d.

      van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn, of, bij het ontbreken daarvan, binnen een redelijke termijn;

    • e.

      de houder dit verzoekt.

  • 2. Naast deze intrekkings- en wijzigingsgronden kunnen voor specifieke vergunningen of ontheffingen nog aanvullende gronden gelden.

Artikel 3.1.2.5 Termijnen (APV)

De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald, of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.

Artikel 3.1.2.6 Weigeringsgronden (APV)
  • 1. Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van:

    • a.

      de openbare orde;

    • b.

      de openbare veiligheid;

    • c.

      de volksgezondheid;

    • d.

      de bescherming van het milieu.

  • 2. Als de aanvraag voor een vergunning of ontheffing minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend, kan deze ook worden geweigerd als daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.

Afdeling 3.2

Bouwactiviteiten, aanlegactiviteiten, sloopactiviteiten

Paragraaf 3.2.1

Bouwactiviteiten, aanlegactiviteiten, sloopactiviteiten

Artikel 3.2.1.1 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen (Bouwverordening)
  • 1. Het college kan voorwaarden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen verbinden, als zij van oordeel is dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel, maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt.

  • 2. Voor het vormen van dit oordeel maakt het college van een onderzoeksrapport en/of andere bij haar bekende onderzoeksresultaten zoals bedoeld in de Regeling omgevingsrecht, dan wel een saneringsplan op grond van artikel 39, eerste en tweede lid, van de Wet bodembescherming.

  • 3. Deze voorwaarden kunnen worden gesteld naast de voorwaarden uit artikel 3.2.1.2 en artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht.

Artikel 3.2.1.2 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem (Bouwverordening)

Er mag niet worden gebouwd op een bodem die zodanig verontreinigd is dat schade of gevaar voor de gezondheid van de gebruikers is te verwachten, voor zover dat bouwen betrekking heeft op:

  • a.

    een bouwwerk waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven;

  • b.

    een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist en dat de grond raakt, of waarvan het ter plaatse toegestane gebruik wordt gewijzigd.

Artikel 3.2.1.3 Het onderzoek naar bodemverontreiniging (Bouwverordening)
  • 1. Het onderzoek met betrekking tot de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit de resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek dat is verricht volgens NEN 5740 in overeenstemming met het onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1.

  • 2. Als op basis van het vooronderzoek de aanleiding bestaat te veronderstellen dat er asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of -stof, in de bodem aanwezig is, wordt het onderzoek ook uitgevoerd volgens NEN 5707.

  • 3. De verplichting om een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht in te dienen, geldt niet als het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in artikelen 2 en 3 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, met uitzondering van de in deze artikelen genoemde hoogtebepalingen.

  • 4. Als voor toepassing van artikel 3.2.1.2 bij het college al bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn, staat het college het toe geheel of gedeeltelijk af te wijken van de verplichting om een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht in te dienen.

  • 5. Als voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingstermijn, als bedoeld in artikel 2.23 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16 van het Besluit omgevingsrecht, uit het in NEN 5725 bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en de bodemgesteldheid blijkt dat de locatie onverdacht is, dan wel dat de gerezen verdenkingen een volledig onderzoek volgens NEN 5740 niet rechtvaardigen, kan het college toestaan dat gedeeltelijk wordt afgeweken van de verplichting om een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.5, onder d, van de Regeling omgevingsrecht in te dienen.

  • 6. Als er niet kan worden begonnen met bouwen nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, moet het bodemonderzoek worden uitgevoerd nadat is gesloopt, maar voordat is begonnen met de bouw.

Paragraaf 3.2.2

Huisvesting

Artikel 3.2.2.1 Aanwijzing vergunningplichtige woonruimte (Huisvestingsverordening)
  • 1. Het is niet toegestaan zonder vergunning van het college:

    • a.

      woonruimten met een koopprijs beneden de koopprijsgrens, dan wel met een huurprijs beneden de huurprijsgrens, geheel of gedeeltelijk aan de bestemming tot bewoning te onttrekken, anders dan ten behoeve van de bewoning of het gebruik als kantoor of praktijkruimte door de eigenaar;

    • b.

      woonruimten met een koopprijs beneden de koopprijsgrens, dan wel een huurprijs beneden de huurprijsgrens, geheel of gedeeltelijk samen te voegen, anders dan ten behoeve van de bewoning of het gebruik als kantoor of praktijkruimte door de eigenaar;

    • c.

      zelfstandige woonruimten om te zetten in onzelfstandige woonruimten;

    • d.

      woonruimten te verbouwen tot twee of meer zelfstandige woonruimten, als ten minste één van de te vormen woonruimten een gebruiksoppervlakte heeft van 40m2 of minder.

  • 2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing:

    • a.

      ten aanzien van woonwagens;

    • b.

      ten aanzien van woningen van een woningcorporatie die ten behoeve van herstructurering worden gesloopt;

    • c.

      in gevallen waar sprake is van inwoning.

Artikel 3.2.2.2 Aanvraag vergunning (Huisvestingsverordening)
  • 1. De aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 21 van de Huisvestingswet 2014 wordt ingediend bij het college door middel van een daartoe vastgesteld formulier.

  • 2. Bij de aanvraag worden, naast het bepaalde in artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht, ten minste de volgende gegevens verstrekt:

    • a.

      Het adres van de woonruimte waar de aanvraag betrekking op heeft;

    • b.

      De naam en het adres van de aanvrager, zijnde de eigenaar van de woonruimte of het gebouw;

    • c.

      Straat, huisnummer(s), kadastrale aanduiding(en) en huur- of koopprijs van de betrokken woonruimte(n);

    • d.

      Een omschrijving van de activiteit waarvoor een vergunning wordt aangevraagd, waarbij ten minste wordt aangegeven:

      • i.

        Ten behoeve van welke (andere) bestemming een woonruimte aan de bestemming tot bewoning wordt onttrokken, en welk deel van de woonruimte dit betreft, of;

      • ii.

        Welke woonruimten worden samengevoegd, of;

      • iii.

        Het aantal (on)zelfstandige woonruimten waarin een zelfstandige woonruimte wordt omgezet;

    • e.

      De gewenste vergunningstermijn;

    • f.

      De gegevens over de bestaande situatie, waaronder, voor zover van toepassing, de huur- of koopprijs, het aantal kamers, de gebruiksoppervlakte, de woonlaag en de staat van onderhoud;

    • g.

      De gegevens over de beoogde situatie, waaronder, voor zover van toepassing, de huurprijs, het aantal kamers, het aantal bewoners en de bouwtekening of omgevingsvergunning;

    • h.

      Bij een aanvraag om een vergunning voor het omzetten van een zelfstandige woonruimte: gegeven waaruit blijkt dat voldaan wordt aan de regels zoals gesteld in de vastgestelde Beleidsregel onttrekking en woningvorming, zoals een geluidsisolatieplan.

Artikel 3.2.2.3 Voorwaarden en voorschriften (Huisvestingsverordening)

Aan een vergunning als bedoeld in artikel 21 van de Huisvestingswet 2014 kunnen voorwaarden en voorschriften worden verbonden over onder andere:

  • a.

    een beperkte geldingsduur van de vergunning als deze voorziet in een tijdelijke behoefte;

  • b.

    de periode waarbinnen van de vergunning gebruik moet worden gemaakt;

  • c.

    de voorwaarde dat de huurprijs wordt bepaald op grond van het woningwaarderingssysteem volgens de Huurprijzenwet woonruimte;

  • d.

    geluidsisolatie-eisen;

  • e.

    goed verhuurderschap;

  • f.

    het voorkomen van overlast;

  • g.

    het belang van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de omgeving van de woning waarop de aanvraag betrekking heeft, als de vergunning betrekking heeft op het omzetten van zelfstandige naar onzelfstandige woonruimten of meerdere zelfstandige woonruimten.

Artikel 3.2.2.4 Weigeringsgronden (Huisvestingsverordening)
  • 1. Een vergunning als bedoeld in artikel 21 van de Huisvestingswet 2014 wordt in ieder geval geweigerd als:

    • a.

      Naar het oordeel van het college het belang van behoud of samenstelling van de woonruimtevoorraad groter is dan het belang dat met het onttrekken, samenvoegen, omzetten of woningvorming wordt gediend;

    • b.

      Het verlenen van de vergunning zou kunnen leiden tot een onaanvaardbare inbreuk op het woon- en leefklimaat in de omgeving van de betreffende woning;

    • c.

      De onder a en b genoemde belangen niet voldoende kunnen worden gediend door het stellen van voorwaarden en voorschriften aan de vergunning;

    • d.

      Het verlenen van de vergunning zou leiden tot strijdigheid met de voorschriften uit het bouwbesluit of het ter plaatse geldende bestemmingsplan.

  • 2. Een vergunning als bedoeld in artikel 21, onder c, van de Huisvestingswet, wordt in ieder geval ook geweigerd als:

    • a.

      Het verlenen van de vergunning zou leiden tot het overschrijden van het maximum percentage onttrokken woningen per straat, zoals bedoeld in de vastgestelde Beleidsregel onttrekking en woningvorming;

    • b.

      Er tussen de woningen met onzelfstandige ruimte horizontaal, en indien van toepassing verticaal, niet ten minste 2 aaneengesloten zelfstandige woonruimten of andere panden niet zijnde woonruimte zijn.

  • 3. Een vergunning als bedoeld in artikel 21 onder d, van de Huisvestingswet, wordt geweigerd als ten minste één van de te realiseren woonruimtes een gebruiksoppervlakte heeft van minder dan 24m2.

  • 4. Het college kan afwijken van het bepaalde in het tweede lid als de aanvraag voor een onttrekkingsvergunning is bedoeld voor het huisvesten van kwetsbare groepen.

Artikel 3.2.2.5 Intrekking (Huisvestingsverordening)

Het college kan in aanvulling op het bepaalde in artikel 26 van de Huisvestingswet 2014, een vergunning als bedoeld in artikel 3.2.2.1 intrekken als:

  • a.

    de woning niet in goede staat van onderhoud wordt gehouden;

  • b.

    er sprake is van aantoonbare en stelselmatige overlast waardoor het woon- en leefklimaat voor omliggende woningen niet langer aanvaardbaar is, en dit niet kan worden opgelost door het stellen van nadere voorwaarden en voorschriften;

  • c.

    de feitelijke situatie of het feitelijk gebruik niet meer in overeenstemming is met de vergunde situatie.

Afdeling 3.3

Milieubelastende activiteiten

Paragraaf 3.3.1

Festiviteiten en geluidhinder

Artikel 3.3.1.1 Aanwijzing collectieve festiviteiten (APV)
  • 1. Het college kan per kalenderjaar collectieve festiviteiten met daarbij dagen of dagdelen aanwijzen wanneer de geluidsnormen als bedoeld in artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 3.3.1.4 van deze verordening niet gelden.

  • 2. Het college kan per kalenderjaar collectieve festiviteiten met daarbij dagen of dagdelen aanwijzen wanneer de voorwaarden met betrekking tot verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 4.113, eerste lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet gelden.

  • 3. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid kan het college bepalen dat de aanwijzing alleen geldt in een of meerdere delen van de gemeente.

  • 4. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid kan het college het eindtijdstip bepalen en andere maximaal toelaatbare geluidsniveaus vaststellen, maar deze mogen niet meer bedragen dan 70 dB(A) én 80 dB(C), gemeten op de gevels van geluidgevoelige gebouwen.

  • 5. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid mag het equivalente geluidniveau Leq,T dat wordt veroorzaakt door de inrichting niet meer dan 55 dB(A) bedragen in een geluidgevoelige ruimte van een woning van derden terwijl de ramen en deuren van de woning gesloten zijn.

  • 6. Muziek mag alleen binnen het gebouw van de inrichting ten gehore worden gebracht. Ramen en deuren moeten hierbij gesloten blijven, behalve voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

Artikel 3.3.1.2 Melding incidentele festiviteiten (APV)
  • 1. Mits de houder van een inrichting het college minstens twee weken van tevoren op de hoogte heeft gesteld van de festiviteit, mag de inrichting mag maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar houden, waarbij de geluidnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 3.3.1.4 van deze verordening niet van toepassing zijn.

  • 2. Mits de houder van een inrichting het college minstens twee weken van tevoren op de hoogte heeft gesteld van de festiviteit, mag de inrichting maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar houden, waarbij de voorwaarden met betrekking tot verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 4.113, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing zijn.

  • 3. Het college stelt een formulier vast voor het doen van kennisgeving.

  • 4. De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan als het formulier volledig en naar waarheid is ingevuld, en tijdig is ingeleverd op de plaats die op dat formulier is vermeld.

  • 5. De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan als het college op het verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit die redelijkerwijs niet te voorzien was, meteen toestaat.

  • 6. Het equivalente geluidniveau Leq,T dat wordt veroorzaakt door de inrichting mag niet meer bedragen dan 70 dB(A) én 80 dB(C), gemeten op de gevel van geluidgevoelige gebouwen, en 55 dB(A) in een geluidgevoelige ruimte van een woning van derden terwijl de ramen en deuren van de woning gesloten zijn.

  • 7. Als dagen bedoeld in het eerste lid op een zondag tot en met donderdag vallen wordt het ten gehore brengen van muziek hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer uiterlijk om 24.00 uur beëindigd.

  • 8. Als dagen bedoeld in het eerste lid op een vrijdag of zaterdag vallen wordt het ten gehore brengen van muziek hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer uiterlijk om 01.00 uur beëindigd.

  • 9. Muziek mag alleen binnen het gebouw van de inrichting ten gehore worden gebracht. Ramen en deuren moeten hierbij gesloten blijven, behalve voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

  • 10. Op dagen als bedoeld in het tweede lid wordt de verlichting uiterlijk om 00.00 uur gedoofd.

  • 11. De drijver van de inrichting waar een incidentele festiviteit plaatsvindt, licht omwonenden binnen een straal van 50 meter van de inrichting minstens 48 uur voor het begin van de festiviteit daarover in op de manier die is aangegeven op het meldingsformulier.

  • 12. Een aanwezige omroepinstallatie mag alleen worden gebruikt voor het aankondigen van het starten of beëindigen van wedstrijd- of feestonderdelen.

Artikel 3.3.1.3 Wijze van geluidmeten (APV)
  • 1. Metingen en berekeningen ter controle van de eerder genoemde geluidniveaus worden gedaan volgens de HMRI-99.

  • 2. In tegenstelling tot de HMRI-99 worden op het gemeten signaal in dB(A) of dB(C) geen correcties meer toegepast.

  • 3. In tegenstelling tot de HMRI-99 mogen metingen ook worden uitgevoerd met een, volgens de specificaties van IEC-publicatie 60651, type 2 geluidniveaumeter.

  • 4. Metingen in de buitenlucht vinden plaats op een hoogte van minimaal 1,5 meter en maximaal 2 meter boven het plaatselijk maaiveld.

  • 5. Metingen in geluidgevoelige ruimten vinden plaats op minstens 1,5 meter boven de vloer, 1,5 meter van ramen en 1 meter van muren.

  • 6. Als het geluidniveau op de gevel van een geluidgevoelig gebouw wordt vastgesteld, wordt de gevel op de begane grond ook als gevel van het geluidgevoelig gebouw gezien als geluidgevoelige ruimten alleen op de hoger gelegen etages aanwezig zijn.

Artikel 3.3.1.4 Overige geluidhinder (APV)
  • 1. Buiten een inrichting is het niet toegestaan handelingen te verrichten, of toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben zodat daardoor voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

  • 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  • 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Bouwbesluit 2012 of de Provinciale milieuverordening.

  • 4. Op de ontheffing als bedoeld in het tweede lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

3.3.2

Overige milieubelastende activiteiten

Artikel 3.3.2.1 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke (APV)
  • 1. In het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid is het niet toegestaan op door het college aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de open lucht of buiten de weg, de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben:

    • a.

      onbruikbare, of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;

    • b.

      bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;

    • c.

      mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, ingekuild gras, loof of pulp, of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.

  • 2. Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen.

  • 3. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door of krachtens de Wet ruimtelijke ordening of de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland.

Afdeling 3.4

Activiteiten op of bij wegen of bij wateren in beheer bij de gemeente

Paragraaf 3.4.1

Algemene bepalingen met betrekking tot ligplaatsvergunningen

Artikel 3.4.1.1 Verbodsbepalingen (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening)
  • 1. Het is niet toegestaan een ligplaats in het openbaar water in te nemen met een vaartuig of ander drijvend voorwerp zonder een vergunning van het college.

  • 2. Het is niet toegestaan een vaartuig, met uitzondering van woonschepen, te gebruiken om te overnachten of voor tijdelijk of permanent woonverblijf, buiten de daarvoor in het ligplaatsenplan aangewezen passantenhavens.

Artikel 3.4.1.2 Tijdelijke ligplaatsen (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening)

Het is toegestaan een tijdelijke ligplaats in te nemen in de daartoe aangewezen passantenhavens of op de passantenligplaatsen zoals die zijn opgenomen in het ligplaatsenplan.

Artikel 3.4.1.3 Karakter van de vergunning (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening)
  • 1. Een vergunning voor een ligplaats die op grond van deze verordening is verleend kan niet worden overgedragen, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.

  • 2. De vergunninghouder mag de ligplaats waar een vergunning voor is verleend niet verhuren of op andere wijze aan een ander in gebruik geven.

  • 3. De vergunninghouder zorgt dat de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden worden nageleefd.

Artikel 3.4.1.4 Algemene weigeringsgronden (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening)
  • 1. Een vergunning voor een ligplaats op grond van deze verordening kan worden geweigerd als:

    • a.

      De aanvraag niet in overeenstemming is met de voorschriften die door het college zijn gesteld;

    • b.

      Dit in strijd is met het bestemmingsplan;

    • c.

      De toestand van het vaartuig, bijvoorbeeld de technische en uiterlijke staat van onderhoud, daartoe aanleiding geeft;

    • d.

      Alle betreffende ligplaatsen bezet zijn;

    • e.

      Het innemen van de ligplaats feitelijk onmogelijk is;

    • f.

      Dit in het belang van de veiligheid, verkeersveiligheid, het milieu of de welstand noodzakelijk is.

  • 2. Er kunnen per categorie vaartuig bij of krachtens deze verordening nog aanvullende weigeringsgronden worden bepaald.

Artikel 3.4.1.5 Algemene intrekkings- of wijzigingsgronden (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening)
  • 1. De vergunning voor een ligplaats kan worden ingetrokken of gewijzigd als:

    • a.

      De gegevens die zijn verstrekt onjuist of onvolledig blijken en op basis van de juiste gegevens een andere beslissing zou zijn genomen over de aanvraag;

    • b.

      De vergunning in strijd met wettelijke voorschriften is verleend;

    • c.

      De gegevens in de vergunning niet meer kloppen met de werkelijke situatie;

    • d.

      Niet aan de voorschriften die bij of krachtens deze verordening zijn gegeven wordt voldaan;

    • e.

      De voorschriften of beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden niet worden nagekomen;

    • f.

      De vergunninghouder hierom vraagt;

    • g.

      De vergunninghouder het verschuldigde binnenhavengeld, als bedoeld in de Verordening binnenhavengeld, niet betaalt;

    • h.

      Het college van mening is dat het woon- en leefklimaat in de omgeving van het vergunde negatief wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het vergunde;

    • i.

      De toestand van het vaartuig, bijvoorbeeld de technische en uiterlijke staat van onderhoud, daartoe aanleiding geeft, of als de toestand het uiterlijk aanzien van de gemeente aantast, of het landschap verstoort;

    • j.

      De ligplaats niet wordt gebruikt waarvoor deze is bedoeld.

  • 2. Er kunnen per categorie vaartuig bij of krachtens deze verordening nog aanvullende intrekkings- of wijzigingsgronden worden bepaald.

Artikel 3.4.1.6 Voorschriften en beperkingen (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening)
  • 1. Een vergunning voor een ligplaats kan voor bepaalde of onbepaalde tijd worden verleend, afhankelijk van waar de vergunning voor bedoeld is.

  • 2. Aan een vergunning kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden ter bescherming van de hierna genoemde belangen.

  • 3. De voorschriften en beperkingen, zoals bedoeld in het eerste lid, kunnen betrekking hebben op:

    • a.

      De bescherming van de kwaliteit van het water of de bodem;

    • b.

      Het voorkomen van gevaar, schade of hinder;

    • c.

      De verkeersveiligheid en goede doorstroming van het verkeer, zowel op het water als op het land;

    • d.

      De bescherming en het ongestoorde gebruik van naburige ligplaatsen;

    • e.

      De afstemming met andere gebruikers van het openbaar water;

    • f.

      Het bepalen van het tijdstip waarop de ligplaats feitelijk in gebruik mag of moet worden genomen;

    • g.

      De omvang van de ligplaats waarbinnen het vaartuig moet worden aangelegd;

    • h.

      Het uiterlijk van het vaartuig als naar mening van het college afbreuk doet aan het aanzien van de gemeente of het landschap verstoort;

    • i.

      De bescherming van het historisch- en archeologisch erfgoed.

  • 4. Het college kan de vergunning wijzigen met het oog op de in het tweede lid genoemde belangen.

  • 5. De vergunninghouder is verplicht de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.

Artikel 3.4.1.7 Verplaatsen van vaartuigen (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening)
  • 1. Het college kan de vergunninghouder schriftelijk de opdracht geven een vaartuig te verplaatsen of te doen verplaatsen naar een andere ligplaats, als dit nodig is in het kader van de bescherming van de openbare orde, de veiligheid of het milieu in, op of aan het water.

  • 2. Als de vergunninghouder de opdracht uit het eerste lid niet opvolgt, kan het college besluiten het vaartuig te verplaatsen of te doen verplaatsen. Het risico en de kosten zijn hierbij voor de vergunninghouder.

  • 3. In spoedeisende gevallen, of als de vergunninghouder niet bekend is, kan het college besluiten het vaartuig direct te verplaatsen of te doen verplaatsen. Het risico en de kosten zijn voor de vergunninghouder.

Artikel 3.4.1.8 Nakoming aanwijzingen (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening)

De vergunninghouder is bij het innemen van een ligplaats en bij het uitvoeren van werkzaamheden door de gemeente aan of nabij de ligplaats verplicht de aanwijzingen op te volgen die door of namens het college worden gegeven.

Artikel 3.4.1.9 Meldingsplicht (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening)

De vergunninghouder is verplicht verontreiniging, gevaar of hinder, en beschadigingen, die betrekking hebben op zijn ligplaats direct te melden aan het college.

Artikel 3.4.1.10 Termijn voor verwijdering (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening)

Als de ligplaatsenvergunning (van rechtswege) vervalt, wordt opgezegd of ingetrokken moet de vergunninghouder het/de vaartuig(en) direct, dan wel binnen een door het college te bepalen termijn, verwijderen en verwijderd houden.

Paragraaf 3.4.2

Ligplaatsen voor pleziervaartuigen

Artikel 3.4.2.1 Aanvraag ligplaatsvergunning voor pleziervaartuigen (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening)
  • 1. De aanvraag voor een ligplaatsvergunning voor een pleziervaartuig wordt digitaal ingediend. Het college stelt hiervoor een aanvraagformulier beschikbaar op de website van de gemeente Leiden.

  • 2. Het college beslist binnen acht weken over de aanvraag van een ligplaatsvergunning voor een pleziervaartuig, gerekend vanaf de dag nadat het aanvraagformulier is ingediend.

  • 3. Een ligplaatsvergunning voor een pleziervaartuig wordt, naast de redenen genoemd in artikel 3.4.1.4, geweigerd als:

    • a.

      De aanvrager niet staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen van de gemeente Leiden;

    • b.

      De aanvrager niet beschikt over een pleziervaartuig en/of het niet aannemelijk is dat de aanvrager de betreffende ligplaats binnen 12 weken na het indienen van de aanvraag kan innemen met een pleziervaartuig;

    • c.

      De lengte van het pleziervaartuig, wanneer het is gelegen aan een particuliere wal, groter is dan de maat van het aan het water grenzende deel van het betreffende perceel.

  • 4. De ligplaatsvergunning voor een pleziervaartuig wordt gekoppeld aan de naam van de aanvrager. De vergunning vermeldt de plaatsaanduiding van de betreffende ligplaats en de kenmerken van het pleziervaartuig, waaronder in ieder geval de lengte, breedte, kleur en naam.

Artikel 3.4.2.2 Karakter van de vergunning (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening)
  • 1. Een verleende ligplaatsvergunning voor een pleziervaartuig is persoonsgebonden.

  • 2. Als de vergunninghouder komt te overlijden vervalt zes maanden na de datum van overlijden de ligplaatsvergunning van rechtswege.

  • 3. Als de vergunninghouder niet meer staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen van de gemeente Leiden, vervalt een jaar na de datum van uitschrijving uit de gemeente Leiden de ligplaatsvergunning van rechtswege.

  • 4. Als de vergunninghouder komt te overlijden, kan het college de vergunning overschrijven op naam van de gehuwd of geregistreerd partner. Dit gebeurt met instemming van de gehuwd of geregistreerd partner. De overschrijving wordt binnen zes maanden geregeld.

  • 5. Als de gehuwd of geregistreerd partner als bedoeld in het vierde lid zelf al een ligplaatsvergunning heeft, kan de vergunning van de overleden vergunninghouder niet worden overgeschreven.

Artikel 3.4.2.3 Wachtlijst ligplaatsvergunning pleziervaartuig (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening)
  • 1. Gegadigden voor het verkrijgen van ligplaatsvergunning voor een pleziervaartuig kunnen zich (laten) inschrijven op een wachtlijst die wordt gepubliceerd op de website van de gemeente Leiden. Het college stelt hiervoor een formulier beschikbaar op de website van de gemeente Leiden.

  • 2. Vergunninghouders die al in het bezit zijn van een ligplaatsvergunning voor een pleziervaartuig die in aanmerking willen komen voor een andere ligplaats kunnen zich ook op de wachtlijst (laten) plaatsen.

  • 3. De volgorde op de wachtlijst wordt bepaald op basis van de datum en het tijdstip waarop de aanvraag is binnengekomen.

  • 4. Het college stelt periodiek vrijgekomen ligplaatsen beschikbaar aan alle op de wachtlijst geplaatste gegadigden.

  • 5. Nadat een ligplaats is toegewezen aan een gegadigde die op de wachtlijst stond ingeschreven, vervalt deze registratie.

  • 6. Als aan een gegadigde zoals bedoeld in lid twee een ligplaatsvergunning voor een pleziervaartuig wordt verleend, vervalt de eerder aan deze gegadigde verleende ligplaatsvergunning voor een pleziervaartuig.

Artikel 3.4.2.4 Geldigheidsduur, intrekkings- en wijzigingsgronden (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening)
  • 1. Als de vergunninghouder niet binnen zes maanden na het onherroepelijk worden van de ligplaatsvergunning voor een pleziervaartuig is begonnen met het zichtbaar gebruiken van de ligplaats zoals beschreven in de vergunning, komt de vergunning van rechtswege te vervallen. Het college kan hiervan afwijken in het besluit tot toekenning van de vergunning.

  • 2. Het college kan, naast de redenen genoemd in artikel 3.4.1.5, eerste lid, de ligplaatsvergunning voor een pleziervaartuig wijzigen of intrekken als:

    • a.

      Dit nodig is vanwege het uitvoeren van werken en/of evenementen;

    • b.

      Het pleziervaartuig bedrijfsmatig wordt gebruikt.

Artikel 3.4.2.5 Voeren vergunningsticker (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening)
  • 1. De vergunninghouder ontvangt jaarlijks een vergunningsticker van het college.

  • 2. De vergunninghouder is verplicht de vergunningsticker aan te brengen op zijn vaartuig. De vergunningsticker moet zo zijn aangebracht dat deze van buitenaf goed zichtbaar is.

Paragraaf 3.4.3

Ligplaatsen voor bedrijfsvaartuigen

Artikel 3.4.3.1 Nadere regels omtrent vergunningverlening (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening)

Het college stelt nadere regels op met betrekking tot het proces van vergunningverlening, waaronder begrepen – maar niet beperkt tot – de vorm en de inhoud van de aanvraag, de verdelings- en verleningssystematiek, en de wachtlijst en wijze waarop deze wordt gebruikt.

Artikel 3.4.3.2 Karakter van de vergunning (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening)
  • 1. Een verleende ligplaatsvergunning voor bedrijfsvaartuigen is gebonden aan de (rechts)persoon aan wie de vergunning is verleend.

  • 2. De verleende ligplaatsvergunning voor bedrijfsvaartuigen vervalt bij het faillissement van de (rechts)persoon van rechtswege.

Artikel 3.4.3.3 Weigeringsgronden (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening)

Een ligplaatsvergunning voor bedrijfsvaartuigen wordt, naast de redenen genoemd in artikel 3.4.1.4, geweigerd als:

  • a.

    De aanvrager niet beschikt over een bedrijfsvaartuig en/of het niet aannemelijk is dat de aanvrager de betreffende ligplaats binnen 12 weken na het indienen van de aanvraag kan innemen met een bedrijfsvaartuig;

  • b.

    De lengte van het bedrijfsvaartuig, wanneer het is gelegen aan een particuliere wal, groter is dan de maat van het aan het water grenzende deel van het betreffende perceel waar de beoogde ligplaats is gesitueerd en waarvan de aanvrager eigenaar of gebruiker is.

Artikel 3.4.3.4 Overdracht vergunning in geval van bedrijfsoverdracht en wijzigen rechtsvorm (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening)
  • 1. In afwijking van artikel 3.4.1.3 kan een ligplaatsvergunning voor bedrijfsvaartuigen worden overgedragen, als de vergunninghouder zijn gehele onderneming (waarin als activum de vergunning is opgenomen) of een afgebakend bedrijfsonderdeel (waarin als activum de vergunning is opgenomen) verkoopt en in eigendom aan een derde overdraagt. De oude en de nieuwe vergunninghouder melden dit direct schriftelijk aan het college.

  • 2. Als de vergunninghouder in een andere rechtsvorm wordt omgezet, meldt deze dit direct schriftelijk aan het college.

  • 3. De aanvraag voor het overschrijven van de ligplaatsvergunning voor bedrijfsvaartuigen wordt ten minste zes weken voor de juridische eigendomsoverdracht digitaal ingediend. Het college stelt hiervoor een formulier beschikbaar op de website van de gemeente Leiden. Het college beslist binnen acht weken na ontvangst op de aanvraag. Deze termijn kan met acht weken worden verlengd.

  • 4. Het overschrijven van de ligplaatsvergunning voor bedrijfsvaartuigen wordt in ieder geval geweigerd als niet wordt voldaan aan wat daarover is bepaald bij of krachtens deze verordening.

Artikel 3.4.3.5 Het gebruik van de ligplaats (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening)
  • 1. De vergunninghouder van één of meerdere ligplaatsen voor bedrijfsvaartuigen mag die ligplaatsen voor al zijn bedrijfsvaartuigen gebruiken, mits de buitengrenzen van de individuele ligplaats niet worden overschreden.

  • 2. De vergunninghouder van aaneengesloten ligplaatsen voor bedrijfsvaartuigen mag die ligplaatsen voor al zijn bedrijfsvaartuigen gebruiken, inclusief de vaartuigvrije zone van twee meter die tussen ligplaatsen wordt gerekend, mits de buitengrenzen van de gezamenlijk aaneengesloten ligplaatsen niet worden overschreden.

  • 3. De vergunninghouder van een ligplaatsvergunning voor bedrijfsvaartuigen is verplicht het bedrijfsvaartuig op duidelijke wijze te voorzien van de naam van de vergunninghouder.

Artikel 3.4.3.6 Voorschriften en beperkingen (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening)
  • 1. In de ligplaatsvergunning voor bedrijfsvaartuigen staat met welke categorie of categorieën bedrijfsvaartuigen de betreffende ligplaats mag worden ingenomen.

  • 2. Door het college kunnen aan de ligplaatsvergunning voor bedrijfsvaartuigen voorschriften en beperkingen worden verbonden ter bescherming van het oogmerk van deze verordening.

Artikel 3.4.3.7 Geldigheidsduur, intrekkings- en wijzigingsgronden (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening)
  • 1. Als de vergunninghouder niet binnen zes maanden na het onherroepelijk worden van de ligplaatsvergunning voor bedrijfsvaartuigen is begonnen met het zichtbaar gebruiken van de ligplaats zoals beschreven in de vergunning, komt de vergunning van rechtswege te vervallen. Het college kan hiervan afwijken in het besluit tot toekenning van de vergunning.

  • 2. Het college kan, naast de redenen genoemd in artikel 3.4.1.5, eerste lid, de ligplaatsvergunning voor bedrijfsvaartuigen wijzigen of intrekken als:

    • a.

      Dit nodig is vanwege het uitvoeren van werken en/of evenementen;

    • b.

      Het vaartuig dat op de ligplaats is afgemeerd niet behoort tot of niet herkenbaar is als een van de bedrijfsvaartuigen van de vergunninghouder.

Paragraaf 3.4.4

Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare ruimten

Artikel 3.4.4.1 Voorwerpen op of aan de weg (APV)
  • 1. Het gebruiken van de weg of een weggedeelte, anders dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, is alleen toegestaan als het college daar een vergunning voor heeft verleend.

  • 2. De vergunning wordt als omgevingsvergunning verleend als het gebruik als bedoeld in het eerste lid een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

  • 3. Naast de weigeringsgronden in artikel 3.1.2.6 kan een vergunning worden geweigerd:

    • a.

      Als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;

    • b.

      Als het beoogde gebruik, op zichzelf of in verband met de omgeving, niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand.

    • c.

      Om overlast voor gebruikers van een nabij gelegen onroerende zaak te voorkomen of te beperken.

  • 4. Het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a.

      evenementen als bedoeld in artikel 2:24 van de APV;

    • b.

      terrassen als bedoeld in artikel 2:27, tweede lid, van de APV;

    • c.

      standplaatsen als bedoeld in artikel 3.4.9.1;

    • d.

      voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard;

    • e.

      categorieën van voorwerpen die door het college zijn aangewezen;

    • f.

      situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland.

  • 5. De weigeringsgrond als bedoeld in het derde lid, onder a, is niet van toepassing als in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeersweg 1994.

  • 6. De weigeringsgrond als bedoeld in het derde lid, onder b, is niet van toepassing op bouwwerken.

  • 7. De weigeringsgrond als bedoeld in het derde lid, onder c is niet van toepassing als in de voorkoming van overlast wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

  • 8. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Artikel 3.4.4.2 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg (APV)
  • 1. Het is niet toegestaan om zonder vergunning of in afwijking daarvan een weg aan te leggen, of de aanleg, de aard of de wegverharding op enige manier te veranderen.

  • 2. De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning als de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.

  • 3. Het verbod is niet van toepassing als de werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam worden verricht.

  • 4. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur, de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening.

  • 5. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Artikel 3.4.4.3 Maken, veranderen van een uitweg (APV)
  • 1. Het maken van een uitweg naar de weg, of een verandering aanbrengen in een bestaande uitweg naar de weg, is alleen toegestaan als het college daar een omgevingsvergunning voor heeft verleend.

  • 2. Naast de weigeringsgronden in artikel 3.1.2.6 moet een vergunning worden geweigerd:

    • a.

      Om gevaar op de weg te voorkomen;

    • b.

      Als een openbare parkeerplaats door de uitweg verdwijnt, zonder dat dat nodig is;

    • c.

      Als door de uitweg het openbaar groen op een onaanvaardbare manier wordt aangetast;

    • d.

      Als de uitweg is bedoeld om een perceel te ontsluiten dat al door een andere uitweg wordt ontsloten en door de aanleg van de tweede uitweg een openbare parkeerplaats of openbaar groen verdwijnen.

  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur of de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland.

Artikel 3.4.4.4 Winkelwagentjes (APV)
  • 1. De rechthebbende op een bedrijf dat winkelwagentjes ter beschikking stelt die mede zijn bedoeld om winkelwaren over de weg te vervoeren, is verplicht deze te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken.

  • 2. De rechthebbende als bedoeld in het eerste lid mag buiten het door het college aangewezen winkelgebied geen onbeheerde winkelwagentjes hebben, met uitzondering van de door het betreffende bedrijf aangebrachte uitgifte-/verzamelpunten voor deze winkelwagentjes.

  • 3. De gebruiker van een winkelwagentje mag deze niet buiten het door het college aangewezen winkelgebied gebruiken, aanwezig hebben of achterlaten, met uitzondering van het achterlaten van het winkelwagentje op een door het betreffende bedrijf aangebracht uitgifte-/verzamelpunt.

Artikel 3.4.4.5 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp (APV)

Het is niet toegestaan een voorwerp of beplanting te hebben of aan te brengen op een manier dat voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat, of voor het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd.

Artikel 3.4.4.6 Voorzieningen voor verkeer en verlichting (APV)
  • 1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing waarin wordt voorzien door de Waterstaatsweg 1900, de Onteigeningswet, de Belemmeringenwet Privaatrecht, of de Verordening naamgeving van de openbare ruimte en nummering Leiden.

Artikel 3.4.4.7 Objecten onder hoogspanningslijn (APV)
  • 1. Binnen een afstand van 6 meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen is het niet toegestaan voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan 2 meter, te plaatsen of te hebben.

  • 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid als de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat.

  • 3. Het verbod is niet van toepassing op objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn.

Artikel 3.4.4.8 Veiligheid op het ijs (APV)
  • 1. Het is niet toegestaan:

    • a.

      IJsvlakten die voor het publiek toegankelijk zijn te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op welke manier dan ook te belemmeren of in gevaar te brengen;

    • b.

      Bakens of andere voorwerpen ten behoeven van de veiligheid op de ijsvlakten als bedoeld onder a, te verplaatsen, weg te halen, te beschadigen of op welke manier dan ook het gebruik daarvan te verhinderen of te belemmeren.

  • 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland.

Artikel 3.4.4.9 Voorwerpen op, in of boven openbaar water (APV)
  • 1. Het is niet toegestaan een voorwerp, anders dan een vaartuig, op, in of boven openbaar water te hebben of aan te brengen als dit op enige manier gevaar of belemmering oplevert voor het doelmatig en veilig gebruiken, beheren of onderhouden van het openbaar water.

  • 2. Het plaatsen van een steiger, meerpaal of ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven het openbaar water is alleen toegestaan als daarvan minimaal twee weken van tevoren een melding aan het college is gedaan.

  • 3. De melding als bedoeld in het tweede lid bevat in ieder geval de naam, het adres en de contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en de omvang van het voorwerp.

  • 4. De melding wordt op de gebruikelijke manier bekendgemaakt.

  • 5. Het verbod als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepsvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterwet, de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.

Paragraaf 3.4.5

Terrassen

Artikel 3.4.5.1 Terrasvergunning (APV)
  • 1. Het is niet toegestaan om zonder vergunning van het college en daarnaast in afwijking van de regels als bedoeld in deze paragraaf, een terras in te richten, te exploiteren of in gebruik te geven op een openbare ruimte, op openbaar water of op een voor publiek toegankelijk terrein.

  • 2. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt geweigerd als:

    • a.

      Een terras (op het water) niet direct grenst aan, of zich in de directe nabijheid van de horeca-inrichting van de aanvrager bevindt;

    • b.

      Blijkt dat het terras gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg en het openbaar water, of voor het doelmatig beheer van de weg en het openbaar water;

    • c.

      Blijkt dat het terras breder is dan de gevelbreedte van de horeca-inrichting, tenzij het college vindt dat een afwijkende breedtemaat vereist of aanvaardbaar is, gelet op onder meer de belangen van de eigenaren/gebruikers van aangrenzende percelen;’

    • d.

      De aanvraag betrekking heeft op een terras op een binnenplaats of binnenterrein omsloten door woningen, tenzij het college vindt dat overlast voor de eigenaren/gebruikers van aangrenzende percelen kan worden voorkomen door het verbinden van voorschriften aan de vergunning;

    • e.

      De aanvraag betrekking heeft op een terras op het water voor het Rapenburg (met uitzondering van de locatie hoek Rapenburg/Noordeinde), de Herengracht, de Zoeterwoudsesingel, de Witte Singel, de Morssingel, de Rijnsburgersingel, de Maresingel, de Herensingel en de Zijlsingel;

    • f.

      Het verlenen van de vergunning de rechten en/of vrijheden van anderen zal aantasten, dan wel voor ontoelaatbare overlast zal zorgen;

    • g.

      Voor het terras ook andere vergunningen, ontheffingen, vrijstellingen en dergelijke zijn vereist, die krachtens de desbetreffende wettelijke bepalingen niet kunnen worden verleend.

  • 3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

  • 4. Op de vergunning als bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

  • 5. Het college kan nadere regels vaststellen ten aanzien van:

    • a.

      het waarborgen van de verkeersveiligheid op en nabij het terras;

    • b.

      de inrichting van terrassen, inclusief het voeren van reclame op terrassen;

    • c.

      het voorkomen van overlast voor eigenaren/gebruikers van belendende percelen;

    • d.

      de veiligheid en gezondheid op het water vanwege een terras;

    • e.

      de inrichting van terrassen in relatie tot de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving.

Artikel 3.4.5.2 Aanvraag terrasvergunning en nadere regels voor gebruik van een terras (Regels terrassen)
  • 1. Een terras en/of een terras op het water ligt direct aangrenzend aan, of in de directe nabije omgeving van de horeca-inrichting van de aanvrager.

  • 2. Terrassen zijn alleen toegestaan binnen het vlak dat loodrecht op de voorgevel ligt, binnen de zijdelingse perceelgrenzen ter hoogte van de voorgevel (zie bijlage 3, voorbeeldkaartjes 1 en 2).

  • 3. Terrassen die niet tegen de eigen gevel liggen mogen daarnaast ook niet binnen een afstand van 4 meter tot panden van derden worden geplaatst, tenzij met de eigenaar van deze panden overeenstemming is bereikt (zie bijlage 3, voorbeeldkaartje 3).

  • 4. Een terrasboot op het water mag niet meer dan 10 centimeter boven de kademuur uitsteken.

  • 5. Het is niet toegestaan voorwerpen zwaarder dan 15 kilogram te plaatsen, of voorwerpen in de grond te verankeren, binnen een straal van 90 centimeter rondom een brandkraan of -deksel, gemeten vanuit het hart van de brandkraan of –deksel.

  • 6. Het is niet toegestaan nooduitgangen en –toegangen voor derden met de daarbij behorende looproutes te blokkeren.

  • 7. Het is niet toegestaan objecten te plaatsen binnen een afstand van 50 centimeter van een geleidelijn, markering of natuurlijke gidslijn die is bedoeld ter aanduiding van looproutes voor mensen met een visuele beperking.

  • 8. Het is niet toegestaan een terras te hebben op een binnenplaats, binnenterrein of andere door woningen omsloten terrein, tenzij het college anders besluit.

  • 9. Als zich in straten trottoirs bevinden moet de vrije breedte voor voetgangers op trottoirs minimaal 1,5 meter bedragen. De vrije breedte moet minimaal 2 meter bedragen bij de trottoirs van de Stationsweg, de Steenstraat, de Nieuwe Beestenmarkt, de Turfmarkt, de Prinsessekade, het Kort Rapenburg, de Breestraat, de Korevaarstraat, de Lange Mare en de Doezastraat.

  • 10. In stegen en straten die smaller zijn dan 4 meter en waar alleen voetgangers zijn toegestaan, zijn terrassen mogelijk tot 1 meter uit de eigen gevel, mits deze geen overlast (ten aanzien van geluid en vrije doorgang) voor omwonenden zullen veroorzaken en mits de looproute minimaal 1,5 meter breed blijft.

  • 11. Op de Beestenmarkt moet voor de toegang van calamiteitendiensten een vrije breedte van minimaal 4 meter bestaan tussen de gevelterrassen en de eilandterrassen. De vrije breedte wordt gerekend vanaf de lijngoot (richting het plein) (zie bijlage 3, voorbeeldkaartje 4).

Artikel 3.4.5.3 Nadere regels met betrekking tot ruimtelijke kwaliteit van terrasmeubilair (Regels terrassen)
  • 1. Onder terrasmeubilair vallen alle losstaande elementen op een terras.

  • 2. De losse onderdelen van het terrasmeubilair mogen niet hoger zijn dan 1,5 meter en niet breder dan 2,5 meter.

  • 3. Terrasmeubilair dat in aanleg niet binnen kan worden opgeslagen, kan worden aangemerkt als bouwwerk. Hiervoor moet een omgevingsvergunning voor een bouwwerk zijn verleend.

  • 4. Terrasmeubilair moet passen bij de functie en beeldkwaliteit van de directe omgeving.

  • 5. Terrasmeubilair moet in goede constructieve en onderhouden toestand zijn.

  • 6. Terrasmeubilair mag niet in een fluorescerende kleur zijn uitgevoerd.

  • 7. Terrasmeubilair en/of plantenbakken mogen niet worden geplaatst op een manier waardoor ze fungeren als zijwand of terrasafscheiding.

  • 8. Terrasmeubilair en/of plantenbakken mogen niet meer dan 50% van een zijkant/rand van een terras vullen.

  • 9. Plantenbakken mogen maximaal 70 centimeter hoog zijn en een oppervlakte hebben van maximaal 0,7 m2.

  • 10. Het is niet toegestaan de (straat)verharding tijdelijk dan wel permanent te bedekken.

  • 11. Verwijderbare en/of tijdelijke schermen zijn alleen toegestaan als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      De zijschermen worden loodrecht op de gevel geplaatst, binnen de grenzen van het terras en mogen niet langer zijn dan de diepte van het terras;

    • b.

      De zijschermen mogen maximaal 1,5 meter hoog zijn, waarbij een eventueel ondoorzichtig deel maximaal 70 centimeter hoog (vanaf het maaiveld) mag zijn;

    • c.

      Het doorzichtig deel van de zijschermen bestaat uit helder kleurloos glas of helder kunststof;

    • d.

      De zijschermen mogen geen hinder voor het verkeer veroorzaken;

    • e.

      Eventueel aangebrachte logo’s of teksten op het dichte deel of het transparante deel mogen maximaal 15% van het oppervlak van dat schermdeel beslaan;

    • f.

      De zijschermen moeten buiten de terrasuren worden weggehaald;

    • g.

      De zijschermen moeten voldoen aan de kwaliteitseisen uit de welstandsnota;

    • h.

      Terrasschermen op terrasboten zijn niet toegestaan.

  • 12. Voor permanente zijwanden, vaste parasols of vaste parasolvoeten bij terrassen in de openbare ruimte moet een omgevingsvergunning worden verleend.

  • 13. Het overkappen van een terras is niet toegestaan, met uitzondering van de gevallen in artikel 5 of een uitvalscherm waarvoor een vergunning is verleend.

  • 14. Een terras op het water is gelegen op een dekschuit met een historische uitstraling die is uitgevoerd in een gedekte kleur.

  • 15. Het voeren van reclame is toegestaan op terrasmeubilair dat hoort bij het terras. De reclameboodschap mag maximaal 15% van het oppervlak van het object beslaan.

  • 16. Gedrukte reclame op markiezen, uitvalschermen en parasols is alleen toegestaan op de volant tot maximaal 50% van de volantbreedte en een maximale hoogte van 20 centimeter.

  • 17. Reclameboodschappen mogen uitsluitend de volgende zaken bevatten:

    • a.

      De naam of het beeldmerk van het bedrijf of de inrichting waar het terras bij hoort;

    • b.

      De naam van de betreffende eigenaar;

    • c.

      De naam of een afbeelding van een product dat in het bedrijf wordt verkocht, en/of;

    • d.

      De naam of het logo van een merk dat in het bedrijf wordt verkocht.

  • 18. Het college kan op verzoek ontheffing verlenen van dit artikel.

Artikel 3.4.5.4 Parasols (Regels terrassen)
  • 1. Parasols die in aanleg niet binnen kunnen worden opgeslagen, kunnen worden aangemerkt als bouwwerk. Hiervoor moet een omgevingsvergunning voor een bouwwerk zijn verleend.

  • 2. De afmetingen van uitgeklapte parasols mogen de grenzen van het terras niet overschrijden.

  • 3. Tussen de bestrating en de onderkant van de volant moet minimaal 2,3 meter doorloophoogte blijven.

  • 4. De vaste parasol mag in uitgeklapte stand niet hoger zijn dan de eerste verdiepingsvloer van het aangrenzende pand, met een maximum van 3,5 meter.

  • 5. Een uitgeklapt, aaneengesloten parasoldak mag maximaal 36 m2 beslaan.

  • 6. Tussen de verschillende aaneengesloten parasoldaken moet rondom minimaal 1 meter tussenruimte worden vrijgehouden.

  • 7. Parasols moeten worden uitgevoerd in een gedekte kleur.

Paragraaf 3.4.6

Stadsschoon en handelsreclame

Artikel 3.4.6.1 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame (APV)
  • 1. Het is niet toegestaan om op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken met een opschrift, aankondiging of afbeelding als daardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder voor de omgeving ontstaat.

  • 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Artikel 3.4.6.2 Reclamevoertuigen (APV)
  • 1. Het is niet toegestaan een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame op de weg te parkeren met het doel daarmee handelsreclame te maken.

  • 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid.

  • 3. Op de ontheffing als bedoeld in het tweede lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Artikel 3.4.6.3 Vergunningsplicht stadsschoon en handelsreclame (APV)
  • 1. Zonder vergunning is het niet toegestaan voor de eigenaar of gebruiker van een onroerend goed daarop of daarin opschriften, aankondigingen of afbeeldingen te hebben, in welke vorm dan ook en op welke manier dan ook.

  • 2. Het verbod uit het eerste lid geldt alleen voor opschriften, aankondigingen of afbeeldingen, in welke vorm dan ook, die zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte, het openbaar water, de spoorbaan of enige andere voor het publiek toegankelijke plaats, voor zover de bedoeling hiervan is een boodschap naar die plaatsen over te brengen.

  • 3. Het verbod uit het eerste lid geldt niet voor:

    • a.

      onroerend goed dat is gelegen in het landelijke gedeelte van de gemeente, als bedoeld in de provinciale verordening bescherming landschap en natuur Zuid-Holland;

    • b.

      naamborden en opschriften die betrekking hebben op de dienst, het beroep of het bedrijf dat daar wordt uitgeoefend, mits het naambord of opschrift niet groter is dan 0,15 m2 waarbij geen afmeting groter is dan 0,50 meter;

    • c.

      aankondigingen die worden gedaan om te voldoen aan een wettelijke verplichting, waarbij de in het wettelijk voorschrift genoemde minimum afmetingen niet mogen worden overschreden. Als er geen maten zijn vastgesteld dan geldt als maximum een oppervlakte van 0,15 m2 waarbij geen afmeting groter is dan 0,50 meter;

    • d.

      aankondigingen waarbij een onroerend goed geheel of gedeeltelijk te koop of te huur wordt aangeboden, mits deze worden aangebracht op dat onroerend goed dan wel daar waar de verkoping zal plaatsvinden en de aankondiging niet groter is dan 0,35 m2 en geen afmeting groter is dan 1 meter. Per onroerend goed zijn maximaal twee aankondigingen toegestaan. De aankondigingen zijn slechts toegestaan zolang zij feitelijk betekenis hebben;

    • e.

      aankondigingen die van tijdelijke aard zijn, mits de aankondiging niet groter is dan 0,75 m2 en geen afmeting groter is dan 1 meter. De aankondiging mag maximaal vier weken aanwezig zijn. Aankondigingen aan een onroerend goed die betrekking hebben op daar in gehouden wettelijk toegestane uitverkopen of opruimingen mogen niet groter zijn dan 3 m2 waarbij geen afmeting groter is dan 3 meter. Voor aankondigingen aan een bioscoop van de daarin te vertonen films gelden geen maximummaten;

    • f.

      opschriften, aankondigingen en afbeeldingen in een onroerend goed voor zover deze niet de bedoeling hebben om een boodschap over te brengen naar de openbare ruimte, het openbaar water, de spoorbaan of enige andere voor het publiek toegankelijke plaats;

    • g.

      opschriften, aankondigingen en afbeeldingen op zuilen, borden en muren die daarvoor door de gemeente zijn aangewezen;

    • h.

      opschriften, aankondigingen en afbeeldingen op stationsemplacementen;

    • i.

      opschriften, aankondigingen en afbeeldingen die zijn aangebracht op een gebouw en waarvoor een omgevingsvergunning voor de activiteit Bouwen als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is verleend;

    • j.

      opschriften, aankondigingen en afbeeldingen die dienen ter uitoefening van artikel 7 van de Grondwet;

    • k.

      monumenten in de zin van de Erfgoedwet en de Erfgoedverordening;

    • l.

      handelsreclame, voor zover deze voldoet aan de in deze verordening opgenomen regels.

  • 4. Een opschrift, aankondiging of afbeelding dat op, aan of in een onroerend goed is aangebracht volgens het bepaalde in het derde lid, onder b tot en met h, mag niet in ernstige mate in strijd zijn met de redelijke eisen van welstand. Bij overtreding is het college bevoegd de eigenaar of de gebruiker van het onroerend goed aan te schrijven het opschrift, de aankondiging of de afbeelding binnen een gestelde termijn te verwijderen of op de aan te geven manier te wijzigen.

  • 5. Als het college een eigenaar of gebruiker van een onroerend goed herhaaldelijk heeft aangeschreven op grond van het vierde lid, kan zij besluiten dat het verbod uit het eerste lid toch van toepassing is.

  • 6. Bij het aanvragen van een vergunning als bedoeld in het eerste lid moet een tekening of foto worden geleverd die aangeeft hoe het opschrift, de aankondiging of de afbeelding eruitziet, waarbij in ieder geval de materialen en kleuren worden vermeld. Deze stukken moeten in tweevoud worden aangeleverd. Het college beslist binnen acht weken nadat zij de aanvraag heeft ontvangen.

  • 7. Het college kan een vergunning weigeren als het onroerend goed of de omgeving daarvan dreigen te worden ontsierd, of als het stadsschoon in het algemeen wordt geschaad.

  • 8. Het college kan een vergunning in ieder geval intrekken als daar binnen zes maanden na dagtekening geen gebruik van is gemaakt, of, als de vergunning eerst wel is gebruikt, het gebruik hiervan ten minste zes achtereenvolgende maanden is gestaakt.

  • 9. Als een opschrift, aankondiging, of afbeelding is aangebracht op, in of aan een roerend goed en deze het stadsschoon ontsiert, is het college bevoegd de eigenaar of gebruiker van dat goed aan te schrijven het opschrift, de aankondiging of de afbeelding binnen een gestelde termijn te verwijderen of op de aan te geven manier te wijzigen.

  • 10. Het bepaalde in het negende lid geldt ook voor voorwerpen of inrichtingen op, in of aan een onroerend goed die zijn bestemd of worden gebruikt voor het aanbrengen van opschriften, aankondigingen of afbeeldingen.

  • 11. De eigenaar of gebruiker van een gebouwd onroerend goed mag de muren daarvan niet zelf, of door een ander laten, verven, sausen of bepleisteren in een kleur die afwijkt van de omgeving, voor zover deze muren zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte, het openbaar water, de spoorbaan of enige andere voor het publiek toegankelijke plaats.

  • 12. De eigenaar of gebruiker van gebouwd onroerend goed mag de ruiten daarvan niet zelf, of door een ander laten, verven, voor zover deze muren zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte, het openbaar water, de spoorbaan of enige andere voor het publiek toegankelijke plaats.

  • 13. Het bepaalde in het elfde en twaalfde lid is niet van toepassing als het college hiervoor een vergunning heeft verleend. Het bepaalde in het zevende en achtste lid is hierop van toepassing.

  • 14. Het bepaalde in het elfde en twaalfde lid is niet van toepassing op opschriften, aankondigingen en afbeeldingen als bedoeld in het eerste en tweede lid.

  • 15. Als de kleur(en) van een gebouwd onroerend goed in samenhang met de omgeving het stadsschoon ontsiert/ontsieren, is het college bevoegd de eigenaar of gebruiker van dat goed aan te schrijven de kleur(en) binnen een gestelde termijn te verwijderen of op de aan te geven manier te wijzigen.

  • 16. Als geblindeerde ramen van een gebouwd onroerend goed in samenhang met de omgeving het stadsschoon ontsieren, is het college bevoegd de eigenaar of gebruiker van dat goed aan te schrijven de blindering binnen een gestelde termijn te verwijderen of op de aan te geven manier te wijzigen.

  • 17. Als een erf dat bij een bouwwerk hoort wordt gebruikt voor het stallen van één of meer motorrijtuigen op meer dan twee wielen op een manier waardoor het stadsschoon wordt ontsierd, is het college bevoegd de eigenaar of gebruiker van dat erf aan te schrijven dat deze moet zorgen dat de betreffende motorrijtuigen van het erf of een aangewezen deel daarvan worden verwijderd en verwijderd gehouden.

  • 18. Het bepaalde in het negende, tiende, vijftiende, zestiende en zeventiende lid geldt alleen voor zover de ontsiering van het stadsschoon zichtbaar is vanaf de openbare ruimte, het openbaar water, de spoorbaan of enige andere voor het publiek toegankelijke plaats.

  • 19. Om te bepalen of er sprake is van ontsiering van het stadsschoon als bedoeld in dit artikel, wordt advies gevraagd aan de Welstands- en monumentencommissie Leiden, dan wel de opvolger daarvan. De commissie betrekt de Welstandsnota bij haar oordeel.

  • 20. Het bepaalde in het elfde tot en met het vijftiende, en het zeventiende lid is niet van toepassing op monumenten in de zin van de Erfgoedwet en de Erfgoedverordening.

Artikel 3.4.6.4 Vergunningsvrij (Nadere regels handelsreclame)
  • 1. Het verbod als bedoeld in artikel 3.4.6.3, eerste lid geldt niet voor:

    • a.

      Het wijzigen van het opschrift, de aankondiging of afbeelding van een bestaande en vergunde reclameaanduiding.

    • b.

      Reclameaanduidingen waarvoor het glas wordt beplakt, mits het glasoppervlakte van de winkelpui voor niet meer dan 15% wordt beplakt;

    • c.

      Opschriften, aankondigingen of afbeeldingen die zijn aangebracht op borden op of bij in uitvoering zijnde bouwwerken voor zover ze betrekking hebben op de naam of aard van die bouwwerken of op de namen van degenen die bij het ontwerp of de uitvoering van het bouwwerk betrokken zijn, voor zo lang als zij feitelijk van betekenis zijn.

  • 2. Voor de criteria als bedoeld in het eerste lid geldt dat de reclameaanduiding betrekking moet hebben op de goederen of diensten die in het bedrijf worden verkocht.

Paragraaf 3.4.7

Voertuigen

Artikel 3.4.7.1 Voertuigen van autobedrijf en dergelijke (APV)
  • 1. Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt onder andere begrepen:

    • a.

      het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen;

    • b.

      het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.

  • 2. Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend:

    • a.

      voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die niet langer dan een uur duren, voor zo lang als die werkzaamheden duren;

    • b.

      voertuigen voor persoonlijk gebruik van de persoon als bedoeld in het derde lid.

  • 3. Het is niet toegestaan voor de persoon die er zijn bedrijf, nevenbedrijf of gewoonte van heeft gemaakt om voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen om:

    • a.

      drie of meer voertuigen die aan hem toebehoren of zijn toevertrouwd op de weg te parkeren binnen een straal van 25 meter van een van deze voertuigen;

    • b.

      de weg als werkplaats te gebruiken.

  • 4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het derde lid.

  • 5. Op de ontheffing als bedoeld in het tweede lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

Artikel 3.4.7.2 Te koop aanbieden van voertuigen (APV)
  • 1. Het is niet toegestaan een voertuig te parkeren op een door het college aangewezen weg, met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.

  • 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid.

  • 3. Op de ontheffing als bedoeld in het tweede lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

Artikel 3.4.7.3 Defecte voertuigen (APV)

Een voertuig waarmee niet kan of mag worden gereden door gebreken die niet eenvoudig te verhelpen zijn, mag niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geparkeerd.

Artikel 3.4.7.4 Voertuigen met verlopen APK (APV)

Het is niet toegestaan om een voertuig op de weg te parkeren waarvan de Algemene Periodieke Keuring langer dan één maand is verlopen.

Artikel 3.4.7.5 Staat voertuigen (APV)
  • 1. Het is niet toegestaan om een voertuig dat rijtechnisch onvoldoende is onderhouden en dat in een verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren.

  • 2. Het verbod is niet van toepassing situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

Artikel 3.4.7.6 Grote voertuigen (APV)
  • 1. Het is niet toegestaan een voertuig dat inclusief de lading een lengte heeft van meer dan 6 meter, of een hoogte van meer dan 2,4 meter, te parkeren op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit volgens het college schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

  • 2. Het is niet toegestaan een voertuig dat inclusief de lading een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit volgens het college buitensporig is met het oog op de beschikbare parkeerruimte.

  • 3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, die niet langer dan zeven achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden.

  • 4. Het tweede lid is niet van toepassing op werkdagen, van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.

  • 5. Het college kan ontheffing verlenen van de verboden als bedoeld in het eerste en tweede lid.

  • 6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Artikel 3.4.7.7 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen (APV)
  • 1. Het is niet toegestaan een voertuig dat inclusief de lading een lengte heeft van meer dan 6 meter, of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een gebouw dat gebruikt wordt voor bewoning of ander dagelijks gebruik op een manier dat het uitzicht van de bewoners of gebruikers op een hinderlijke manier wordt verstoord of zij op een andere manier hinder of overlast ervaren.

  • 2. Het verbod als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing voor de tijd dat er werkzaamheden worden uitgevoerd waarvoor de aanwezigheid van het voertuig nodig is.

Artikel 3.4.7.8 Parkeren nabij een wijkcontainer (APV)

Het is niet toegestaan een voertuig op de weg bij een wijkcontainer te parkeren op een manier dat het legen daarvan op een hinderlijke manier wordt belemmerd.

Artikel 3.4.7.9 Parkeren of laten stilstaan van voertuigen anders dan op de rijbaan (APV)
  • 1. Het is niet toegestaan een voertuig te parkeren of te laten stilstaan op een weggedeelte, anders dan de rijbaan, dat door het college is aangewezen.

  • 2. Het verbod als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden die in opdracht van een bestuursorgaan of een openbaar lichaam worden verricht.

Artikel 3.4.7.10 Overlast van fietsen of bromfietsen (APV)
  • 1. Het is niet toegestaan fietsen of bromfietsen onbeheerd te laten staan op de door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente aangewezen plaatsen buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen, om overlast of schade aan de openbare gezondheid te voorkomen of op te heffen.

  • 2. Het is niet toegestaan fietsen of bromfietsen die rijtechnisch onvoldoende zijn onderhouden en die in een verwaarloosde toestand verkeren op de weg te laten staan.

Artikel 3.4.7.11 Weesfietsen (APV)

Het is niet toegestaan om een fiets langer dan de door het college vastgestelde periode onafgebroken te stallen in de fietsparkeervoorzieningen in de door het college aangewezen gebieden.

Paragraaf 3.4.8

Kampeermiddelen

Artikel 3.4.8.1 Kampeermiddelen en andere voertuigen (APV)
  • 1. Het is niet toegestaan om een voertuig dat voor recreatie wordt gebruikt:

    • a.

      langer dan zeven achtereenvolgende dagen op de weg te hebben of te plaatsen;

    • b.

      op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit volgens het college schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

  • 2. Het is niet toegestaan een woonwagen, magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen of ander dergelijk voertuig dat niet voor verkeersdoeleinden wordt gebruikt:

    • a.

      langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg te hebben of te plaatsen;

    • b.

      op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit volgens het college schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

  • 3. Het verbod als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland.

Artikel 3.4.8.2 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen (APV)
  • 1. Het is niet toegestaan om kampeermiddelen ten behoeve van recreatief nachtverblijf te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat daarvoor in het bestemmingsplan, de beheersverordening, exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit is bestemd of mede bestemd.

  • 2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.

  • 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  • 4. Naast de weigeringsgronden in artikel 3.1.2.6 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van:

    • a.

      natuur en landschap; of

    • b.

      een stadsgezicht.

Artikel 3.4.8.3 Aanwijzing kampeerplaatsen (APV)
  • 1. Artikel 3.4.8.2, eerste lid, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

  • 2. Het college kan nadere regels stellen ter bescherming van de belangen als genoemd in artikel 3.4.8.2, vierde lid.

Paragraaf 3.4.9

Standplaatsen

Artikel 3.4.9.1 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden (APV)
  • 1. Het innemen van een standplaats is alleen toegestaan als het college daar een vergunning voor heeft verleend.

  • 2. Het college weigert de vergunning als deze in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.

  • 3. Naast de weigeringsgronden in artikel 3.1.2.6 kan een vergunning worden geweigerd als:

    • a.

      De standplaats op zichzelf of in verband met de omgeving niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand;

    • b.

      Een beperking in aantal of in plaats als gevolg van bijzondere omstandigheden nodig is in verband met een dwingende reden van algemeen belang in de gemeente of een deel daarvan.

  • 4. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland.

  • 5. De weigeringsgrond als bedoeld in het derde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken.

  • 6. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

Artikel 3.4.9.2 Toestemming rechthebbende (APV)

De rechthebbende op een perceel mag daarop alleen een standplaats toestaan als het college daar een vergunning voor heeft verleend.

Paragraaf 3.4.10

Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden

Artikel 3.4.10.1 Crossterreinen (APV)
  • 1. Het is niet toegestaan op enig terrein, anders dan een weg, met een motorvoertuig of bromfiets een wedstrijd, trainings- of proefrit te houden, voor te bereiden of daaraan deel te nemen of een motorvoertuig of bromfiets daar aanwezig te hebben met het doel dat te doen.

  • 2. Het verbod als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op terreinen die door het college zijn aangewezen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van:

    • a.

      Het voorkomen of beperken van overlast;

    • b.

      De bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden;

    • c.

      De veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten, of van het publiek.

  • 3. Het verbod als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, het Besluit omgevingsrecht, de Zondagswet of het Besluit geluidproduktie sportmotoren.

Artikel 3.4.10.2 Beperking verkeer in natuurgebieden (APV)
  • 1. Het is niet toegestaan om zich met een motorvoertuig, bromfiets, fiets of paard te bevinden binnen voor het publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of andere terreinen die voor recreatief gebruik beschikbaar zijn.

  • 2. Het verbod als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op terreinen die door het college zijn aangewezen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van:

    • a.

      Het voorkomen van overlast;

    • b.

      De bescherming van natuur- of milieuwaarden;

    • c.

      De veiligheid van het publiek.

  • 3. Het verbod als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden:

    • a.

      Die worden gebruikt door de politie, brandweer, geneeskundige hulpverlening of andere hulpverleningsdiensten die krachtens artikel 29, eerste lid van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister zijn aangewezen.

    • b.

      Die worden gebruikt in verband met het beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als bedoeld in het eerste lid;

    • c.

      Die worden gebruikt in verband met werken die krachtens een wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;

    • d.

      Van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die binnen de terreinen als bedoeld in het eerste lid liggen;

    • e.

      Voor het verkeer ten behoeve van het bezoek of verzorging van de personen als bedoeld onder d.

  • 4. Het verbod is verder niet van toepassing:

    • a.

      Op wegen die liggen binnen de terreinen of gebieden als bedoeld in het eerste lid;

    • b.

      Voor motorvoertuigen die bij of krachtens de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland zijn aangewezen als toestel binnen de bij of krachtens die verordening aangewezen stiltegebieden.

  • 5. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid.

Paragraaf 3.4.11

Markten

Artikel 3.4.11.1 Vergunningen (Marktverordening)
  • 1. Het is niet toegestaan om op een markt een standplaats voor het uitoefenen van markthandel in te nemen zonder een vergunning van het college voor een vaste standplaats, een seizoensplaats of een dagplaats.

  • 2. Een vergunning voor een vaste standplaats geldt voor onbepaalde tijd en voor de standplaats die op de vergunning is vermeld, tenzij de vergunning anders bepaalt. Het college kan in bijzondere gevallen een andere standplaats aanwijzen.

  • 3. Een dagplaatsvergunning geldt voor één dag en voor de standplaats die op de vergunning is vermeld.

  • 4. Het is niet toegestaan om op een markt als standwerker op te treden zonder een standwerkvergunning van het college.

  • 5. Het is niet toegestaan om voedsel en dranken die bedoeld zijn om ter plaatse te consumeren te verkopen aan vergunninghouders en degenen die hen vervangen of bijstaan zonder een bedienvergunning van het college. Een bedienvergunning geldt voor onbepaalde tijd, tenzij de vergunning anders bepaalt.

  • 6. Het is niet toegestaan om marktkramen te plaatsen of daarvoor voorbereidingen te treffen zonder een vergunning van het college.

  • 7. Er kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden aan een vergunning die is verleend op grond van deze verordening.

  • 8. Een vergunning kan alleen worden verleend aan een natuurlijk persoon die handelingsbekwaam is, die gerechtigd is in Nederland arbeid te verrichten en die geen vergunning heeft voor een vaste standplaats voor de betreffende markt.

  • 9. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

Artikel 3.4.11.2 Mandaatverboden (Marktverordening)

De bevoegdheid om een vergunning te verlenen of in te trekken als bedoeld in deze paragraaf kan niet worden gemandateerd aan de marktmeester of een andere toezichthouder. De dagplaatsvergunning kan als uitzondering hierop wel aan de marktmeester of een andere toezichthouder worden gemandateerd.

Artikel 3.4.11.3 Overschrijven vergunning vaste standplaats (Marktverordening)
  • 1. De vergunning voor een vaste standplaats, inclusief de daarbij behorende opgebouwde rechten, kan door het college worden overgeschreven op naam van de gehuwd of geregistreerd partner van de vergunninghouder, of een andere persoon met wie hij een duurzame gemeenschappelijke huishouding vormt of vormde:

    • a.

      op verzoek van de vergunninghouder als hij zelf geen gebruik meer wil maken van de vergunning;

    • b.

      op verzoek van de curator van de vergunninghouder als hij onder curatele is gesteld;

    • c.

      op verzoek van de erven van de vergunninghouders als hij is overleden.

  • 2. Als de overschrijving als bedoeld in het eerste lid niet kan worden gedaan, dan kan de vergunning, exclusief de daarbij opgebouwde rechten, op aanvraag van de vergunninghouder, zijn erven of zijn curator worden overgeschreven op:

    • a.

      zijn kind, als deze ten minste drie aaneengesloten jaren in loondienst bij de vergunninghouder heeft gewerkt direct voorafgaand aan de gebeurtenis als bedoeld in het eerste lid;

    • b.

      de mede-eigenaar van diens bedrijf, als deze ten minste drie aaneengesloten jaren mede-eigenaar was direct voorafgaand aan de gebeurtenis als bedoeld in het eerste lid;

    • c.

      zijn medewerker, als deze ten minste drie aaneengesloten jaren in loondienst bij de vergunninghouder heeft gewerkt direct voorafgaand aan de gebeurtenis als bedoeld in het eerste lid.

  • 3. In het geval van het overlijden of de ondercuratelestelling van de vergunninghouder moet de aanvraag om de vergunning over te schrijven binnen twee maanden na die gebeurtenis worden ingediend.

  • 4. Het college kan van het bepaalde in dit artikel afwijken als het toepassen hiervan voor één of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die vanwege de bijzondere omstandigheden niet in verhouding staan tot het doel van dit artikel.

  • 5. De aanvraag om een vergunning over te schrijven wordt alleen geweigerd als niet wordt voldaan aan de eisen uit dit artikel of aan een eis waar een houder van een vergunning voor een vaste standplaats volgens deze verordening aan moet voldoen.

  • 6. Als de nieuwe vergunninghouder al een vergunning voor een vaste standplaats voor de betreffende markt heeft, wordt deze vergunning ingetrokken.

Artikel 3.4.11.4 Intrekking en vervallen vergunning voor vaste standplaats (Marktverordening)
  • 1. De vergunning voor een vaste standplaats wordt door het college ingetrokken als:

    • a.

      de vergunninghouder daar schriftelijk om verzoekt;

    • b.

      binnen twee maanden na het overlijden of na de ondercuratelestelling van de vergunninghouder geen verzoek tot overschrijving is ingediend als bedoeld in artikel 3.4.11.3.

  • 2. De vergunning voor een vaste standplaats kan door het college worden ingetrokken als:

    • a.

      voor het verkrijgen van de vergunning onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;

    • b.

      de gegevens in de vergunning niet meer kloppen met de werkelijke situatie;

    • c.

      de vergunninghouder, degene die hem vervangt of iemand die hem bijstaat op de markt zich schuldig heeft gemaakt aan wangedrag of bedrog, of een bij of krachtens deze verordening gestelde bepaling heeft overtreden;

    • d.

      van de vergunning gedurende ten minste twee maanden geen gebruik is gemaakt;

    • e.

      de vergunninghouder niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld betaalt dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet.

  • 3. Als de vergunninghouder, of zijn vervanger als bedoeld in artikel 3.4.11.6, zijn standplaats niet uiterlijk bij de aanvang van de markt heeft ingenomen, dan vervalt de vergunning voor de rest van de dag. De standplaats komt dan in aanmerking voor een dagplaats. De regels over het in acht nemen van de markttijden uit het inrichtingsplan gelden hierbij.

Artikel 3.4.11.5 Tijdelijke intrekking van een vergunning voor een vaste standplaats (Marktverordening)

Het college kan, eventueel voorwaardelijk, een vergunning voor een vaste standplaats telkens voor ten hoogste vier achtereenvolgende marktdagen intrekken, als de vergunninghouder of degene die hem bijstaat:

  • a.

    een bij of krachtens deze verordening gestelde bepaling overtreedt;

  • b.

    zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog;

  • c.

    niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld betaalt dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet.

Dit geldt naast het bepaalde in artikel 3.4.11.4.

Artikel 3.4.11.6 Persoonlijk innemen standplaats; vervanging (Marktverordening)
  • 1. De houder van een vergunning voor een vaste standplaats neemt de standplaats die aan hem is toegewezen persoonlijk in.

  • 2. Het college kan toestaan dat de standplaats door een vervanger wordt ingenomen in geval van vakantie, ziekte of bijzondere omstandigheden. Bij de aanvraag daarvoor worden de reden en de verwachte duur van de afwezigheid (maximaal zes aaneengesloten weken) en de naam van de vervanger vermeld.

  • 3. Het college kan op aanvraag van de vergunninghouder ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid in het geval van ziekte of bijzondere omstandigheden die langer duren dan zes weken.

  • 4. Voor de aanvraag als bedoeld in het tweede en het derde lid wordt het formulier gebruikt dat door het college is vastgesteld.

  • 5. Als de vergunninghouder langer dan zes maanden ziek is moet hij zich laten keuren door een instantie die door het college wordt vastgesteld.

  • 6. De vervanger treedt op namens de vergunninghouder. De rechten en verplichtingen die bij of krachtens deze verordening gelden voor de vergunninghouder gelden gelijk voor de vervanger, met uitzondering van het recht op vervanging als bedoeld in dit artikel.

Artikel 3.4.11.7 Vergunning voor een seizoensplaats (Marktverordening)
  • 1. Een vergunning voor een seizoensplaats kan worden verleend voor het innemen van een standplaats voor het uitoefenen van markthandel op een markt, voor de periode van 5 oktober tot en met 4 april, op plaatsen die daarvoor in aanmerking komen op grond van het inrichtingsplan.

  • 2. Als een seizoensplaats vrijkomt zal door middel van adverteren worden geprobeerd om deze op te vullen met een ontbrekende artikelgroep of een ontbrekend product uit een artikelgroep.

  • 3. De seizoensplaats zal worden vrijgegeven voor alle artikelgroepen als na vier weken adverteren niet kan worden voorzien in een ontbrekende artikelgroep of een ontbrekend product uit een artikelgroep.

  • 4. De vergunningen voor seizoensplaatsen worden verleend aan de gegadigden die in aanmerking komen op volgorde van wanneer de aanvragen zijn ontvangen.

  • 5. Een vergunning voor een seizoensplaats is gelijk aan een vergunning voor een vaste standplaats voor wat betreft de regels voor overdracht, bijstand en vervanging.

Artikel 3.4.11.8 Vergunning voor een dagplaats (Marktverordening)
  • 1. Een vergunning voor een dagplaats kan worden verleend voor het innemen van een standplaats voor het uitoefenen van markthandel op een markt:

    • a.

      op plaatsen die daarvoor in aanmerking komen op grond van het inrichtingsplan, en;

    • b.

      op plaatsen die niet zullen worden ingenomen door de houder van een vergunning voor een vaste standplaats omdat:

      • i.

        voor de plaats geen vergunning geldt;

      • ii.

        de vergunning (tijdelijk) is vervallen, of;

      • iii.

        de vergunninghouder niet in staat is de plaats in te nemen en niet is vervangen als bedoeld in artikel 3.4.11.6.

  • 2. Voor een vergunning voor een dagplaats komen degenen in aanmerking die:

    • a.

      staan ingeschreven op de meeloperslijst,

    • b.

      zich minstens 15 minuten vóór de aanvang van de markttijd bij de marktmeester hebben gemeld, en;

    • c.

      die niet zijn uitgesloten omdat zij tijdens een of meer van de vier voorafgaande marktdagen:

      • i.

        een bij of krachtens deze verordening gestelde bepaling hebben overtreden;

      • ii.

        zich schuldig hebben gemaakt aan wangedrag of bedrog;

      • iii.

        niet of niet tijdig heb verschuldigde marktgeld hebben betaald dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet.

  • 3. Het college kan bepalen dat ten aanzien van een gegadigde een uitsluitingsgrond niet geldt, of dat voor de toepassing van het vorige lid een langere termijn geldt.

  • 4. De vergunningen voor een dagplaats worden verleend aan de gegadigden die in aanmerking komen in de volgorde van hun positie op de meeloperslijst.

  • 5. Een dagplaatsvergunning kan niet worden overgedragen. De vergunninghouder kan zich niet laten vervangen.

  • 6. Het is niet toegestaan om deel te nemen aan de loting als bedoeld in artikel 3.4.11.9 en daarnaast in aanmerking te willen komen voor een vergunning voor een dagplaats voor dezelfde dag.

Artikel 3.4.11.9 Standwerkvergunning (Marktverordening)
  • 1. Een standwerkvergunning kan worden verleend voor die plaatsen of gebieden die zijn aangewezen voor standwerken op grond van het inrichtingsplan.

  • 2. In de standwerkvergunning staat vermeld voor welke markt, dag en standwerkplaats deze geldt, en welk(e) artikel(en) mag/mogen worden verkocht.

  • 3. Een standwerkvergunning wordt verleend door middel van een loting.

  • 4. De loting vindt plaats op de marktdag bij aanvang van de markt.

  • 5. Iemand die staat ingeschreven op de meeloperslijst mag niet deelnemen aan de loting zolang deze inschrijving niet definitief is vervallen.

  • 6. Als een standwerker zich wil laten bijstaan, moet hij dit vooraf aan de marktmeester melden samen met de naam van degene die hem zal bijstaan. Degene die hem zal bijstaan mag niet op eigen naam deelnemen aan de loting.

  • 7. Een standwerker mag geen weegapparatuur gebruiken of prijskaartjes tonen bij zijn producten of aan zijn kraam.

Artikel 3.4.11.10 Bedienvergunning (Marktverordening)
  • 1. Het college kan op aanvraag een bedienvergunning verlenen. In de vergunning staat vermeld voor welke artikelen deze geldt.

  • 2. Artikel 3.4.11.2 van deze verordening is hierop van toepassing.

Artikel 3.4.11.11 Opbouwvergunning (Marktverordening)
  • 1. Het college kan op aanvraag een opbouwvergunning verlenen. In de vergunning staat vermeld voor welke artikelen deze geldt.

  • 2. Het college kan in de opbouwvergunning nadere eisen stellen over de opbouwtijden, het te gebruiken materiaal en de opstelplaatsen daarvan.

  • 3. Artikel 3.4.11.2 van deze verordening is hierop van toepassing.

Artikel 3.4.11.12 Uitsluiting standwerker of houder van een vergunning voor een dagplaats (Marktverordening)
  • 1. Het college kan een verleende vergunning voor een dagplaats of een standwerkvergunning intrekken als de vergunninghouder of een persoon die hem bijstaat:

    • a.

      een bij of krachtens deze verordening gestelde bepaling overtreedt;

    • b.

      zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog;

    • c.

      niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld betaalt dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet;

    • d.

      niet als standwerker actief is op de standwerkplaats die aan hem is toegewezen;

    • e.

      direct of indirect de goede gang van zaken op de markt in gevaar brengt of verstoort.

  • 2. Het college kan een houder van een vergunning voor een dagplaats of van een standwerkvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd uitsluiten van de toewijzing van een dagplaats of standwerkplaats als de vergunninghouder of een persoon die hem bijstaat:

    • a.

      een bij of krachtens deze verordening gestelde bepaling of de voorschriften van de vergunning overtreedt;

    • b.

      zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog;

    • c.

      niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld betaalt dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet;

    • d.

      niet als standwerker actief is op de standwerkplaats die aan hem is toegewezen;

    • e.

      direct of indirect de goede gang van zaken op de markt in gevaar brengt of verstoort.

Artikel 3.4.11.13 Bijstand (Marktverordening)

De houder van een vergunning voor een vaste standplaats, voor een seizoensplaats, voor een dagplaats of van een bedienvergunning kan zich laten bijstaan door één of meer andere personen.

Artikel 3.4.11.14 Markt schoonhouden (Marktverordening)
  • 1. Een vergunninghouder is verplicht afval dat vrijkomt tijdens de door hem uitgeoefende verkoop op zijn standplaats te bewaren op een manier dat het marktterrein daardoor niet wordt verontreinigd en het afval niet door onbevoegden kan worden verwijderd. Daaronder valt verpakkingsmateriaal. De vergunninghouder voert het afval onmiddellijk na afloop van de markt af.

  • 2. Een vergunninghouder is verplicht na afloop van de markt de standplaats die door hem is ingenomen en de naaste omgeving daarvan veegschoon achter te laten.

Artikel 3.4.11.15 Versterkt geluid en muziek (Marktverordening)
  • 1. Het is niet toegestaan om tijdens de markt op het marktterrein:

    • a.

      luidsprekers, versterkers en andere middelen om geluid te versterker te gebruiken;

    • b.

      radiotoestellen, afspeelapparatuur of dergelijke apparatuur te gebruiken.

  • 2. Het college kan in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 1.

Artikel 3.4.11.16 Vervroegd einde markt (Instellingsbesluit markten)

De marktmeester kan toestemming geven aan standplaatshouders om af te wijken van de plicht om tot het einde van de markt aanwezig te blijven, in het geval van weersomstandigheden of andere dringende redenen.

Afdeling 3.5 Activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed en werelderfgoed

Paragraaf 3.5.1

Activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed en werelderfgoed

Artikel 3.5.1.1 Verbodsbepalingen en vergunning (Erfgoedverordening)
  • 1. Het is niet toegestaan een beschermd gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen, of aan het monument onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding ervan noodzakelijk is.

  • 2. Het is niet toegestaan zonder vergunning van het college, of in strijd met de voorschriften bij die vergunning:

    • a.

      een beschermd gemeentelijk monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of te wijzigen;

    • b.

      een beschermd gemeentelijk monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een manier dat het monument wordt aangetast, ontsierd of in gevaar gebracht.

  • 3. Het verbod en de vergunningplicht als bedoeld in het tweede lid gelden niet als:

    • a.

      het college nadere regels stelt met betrekking tot de manier waarop de werkzaamheden moeten worden uitgevoerd, of;

    • b.

      de activiteit betrekking heeft op normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort, kleur, en aanleg (in geval van een tuin, park of andere aanleg) niet wijzigt, of;

    • c.

      de activiteit alleen leidt tot inpandige veranderingen van een onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft.

  • 4. De vergunning als bedoeld in het tweede lid kan alleen worden verleend als het belang van de monumentenzorg zich daar niet tegen verzet. Bij de beslissing houdt het college rekening met het gebruik van het monument.

  • 5. Wanneer de wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening van een beschermd religieus monument in het geding zijn, geeft het college geen vergunning als bedoeld in het tweede lid, zonder overeenstemming met de eigenaar.

Artikel 3.5.1.2 Intrekken van de vergunning (Erfgoedverordening)

De vergunning kan door het college worden ingetrokken als:

  • a.

    blijkt dat de vergunning is verleend op basis van een onjuiste of onvolledige opgave;

  • b.

    blijkt dat de vergunninghouder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3.5.1.1 niet naleeft;

  • c.

    de omstandigheden van de vergunninghouder zodanig zijn gewijzigd, dat het belang van monument zwaarder moet wegen;

  • d.

    gedurende 26 weken geen gebruik is gemaakt van de vergunning;

  • e.

    de vergunningverlener hierom verzoekt en het belang van het monument zich hier niet tegen verzet.

Artikel 3.5.1.3 Verbodsbepaling en aanvraag sloopvergunning (Erfgoedverordening)
  • 1. Het is niet toegestaan zonder omgevingsvergunning een bouwwerk in een gemeentelijk beschermd stadsgezicht geheel of gedeeltelijk te slopen.

  • 2. De omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd als het college het niet aannemelijk acht dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.

  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen:

    • a.

      Als gevolg van een verplichting als bedoeld in de artikelen 13, 13a of 13b van de Woningwet;

    • b.

      Waarvoor op grond van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht geen vergunning is vereist.

Artikel 3.5.1.4 Intrekken van de vergunning voor sloop in gemeentelijk beschermd stadsgezicht (Erfgoedverordening)

De vergunning kan door het college worden ingetrokken als:

  • a.

    blijkt dat de vergunning is verleend op basis van een onjuiste of onvolledige opgave;

  • b.

    er geen begin met de werkzaamheden is gemaakt binnen de termijn die bij de vergunning is bepaald;

  • c.

    de werkzaamheden langer dan een in de vergunning bepaalde termijn zijn gestaakt;

  • d.

    er wordt gehandeld in strijd met de beperkingen waaronder de vergunning is verleend, of met de voorwaarden die aan de vergunning zijn verbonden.

Afdeling 3.6

Activiteiten met betrekking tot planten en dieren

Paragraaf 3.6.1

Activiteiten met betrekking tot houtopstanden

Artikel 3.6.1.1 Activiteiten met betrekking tot houtopstanden

Deze paragraaf gaat over de activiteiten die een tenietdoende invloed hebben op de houtopstanden in gemeente Leiden. Deze activiteiten omvatten:

  • a.

    het vellen van bomen;

  • b.

    het direct of indirect onomkeerbaar aantasten van bomen.

Artikel 3.6.1.2 Vergunningsplicht voor waardevolle houtopstand 
  • 1. Het is niet toegestaan om zonder vergunning van het college een boom die voldoet aan de criteria voor waardevolle bomen of onderdeel is van een waardevolle boomstructuur in Leiden te vellen of te doen vellen.

  • 2. Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor een houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of krachtens een last onder bestuursdwang van het college. De bepalingen in deze verordening over herplant en schadevergoeding blijven daarbij van kracht.

  • 3. Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor een houtopstand die slecht groeit (“kwarrende boom”).

Artikel 3.6.1.3 Vergunningsplicht voor vellen van houtopstanden in van een boomstructuur
  • 1. Het is niet toegestaan om zonder vergunning van het college een als zodanig te herkennen boomstructuur voor geheel of gedeeltelijk te vellen;

  • 2. Het bepaalde in het eerste lid geldt cumulatief voor alle vellingen binnen een als eenheid te herkennen boomstructuur binnen 1 groeiseizoen.

  • 3. De vergunningsplicht zoals bedoeld in het eerste lid wordt omgezet in een meldplicht als bedoeld in artikel 3.6.1.6 van deze verordening als het gaat om een individuele boom in een boomstructuur die verwijderd wordt in het kader van overlast of veiligheid, niet zijnde een ruimtelijke ontwikkeling, en met het verwijderen van die boom het structuurverband niet verslechtert, ook met inachtneming van het tweede lid.

  • 4. Het verbod als bedoeld in het eerste en tweede geldt niet voor een houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of krachtens een last onder bestuursdwang van het college. De bepalingen in deze verordening over herplant en schadevergoeding blijven daarbij van kracht.

Artikel 3.6.1.4 Vergunningsplicht voor bomen in de openbare ruimte
  • 1. Het is niet toegestaan om zonder vergunning of melding als bedoeld in deze paragraaf een boom in de openbare ruimte met een omtrek van 45 centimeter, gelijkstaand aan een diameter van 14 centimeter, of groter te vellen of te doen vellen.

  • 2. Het is niet toegestaan om zonder vergunning van het college een boom te vellen of te doen vellen die op grond van artikel 3.6.1.8, lid 2, sub f en / of artikel 3.6.1.12 is geplant (herplantplicht) als deze nog niet de omvang heeft bereikt als bedoeld in artikel 3.6.1.4, lid 1.

  • 3. Het verbod als bedoeld in het eerste en tweede lid geldt niet voor een houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of krachtens een last onder bestuursdwang van het college. De bepalingen in deze verordening over herplant en schadevergoeding blijven daarbij van kracht.

  • 4. Het verbod als bedoeld in het eerste en tweede lid geldt niet voor een boom die onderdeel is van een compensatieplan en die binnen 3 jaar na aanplant niet is aangeslagen, zoals bedoeld in artikel 3.6.1.10, lid 2 van deze verordening.

Artikel 3.6.1.5 Vergunningsplicht voor houtopstanden bij (her)ontwikkelingen in de openbare ruimte
  • 1. Het is niet toegestaan om zonder vergunning van het college in het kader van een activiteit zoals bedoeld in afdeling 3.2 en 3.4 van deze verordening een houtopstand in openbaar toegankelijke ruimte of in ruimte die na de ontwikkelactiviteiten wordt overgedragen naar de openbaar toegankelijke ruimte, te vellen of te doen vellen.

  • 2. Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor een houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of krachtens een last onder bestuursdwang van het college. De bepalingen in deze verordening over herplant en schadevergoeding blijven daarbij van kracht.

Artikel 3.6.1.6 Meldplicht voor vellen van houtopstanden in de openbaar toegankelijke ruimte
  • 1. Voor het vellen van een houtopstand in de openbaar toegankelijke ruimte geldt een meldplicht, mits het niet betreft:

    • a.

      Het vellen van meer dan 30 procent van een als zodanig te herkennen boomstructuur; of

    • b.

      vellen van een houtopstand in de openbaar toegankelijke ruimte of in ruimte die na de ontwikkelactiviteiten wordt overgedragen naar de openbaar toegankelijke ruimte als onderdeel van een activiteit zoals bedoeld in afdeling 3.2 of 3.4.

    • c.

      Een houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of krachtens een last onder bestuursdwang van het college. De herplantplicht als bedoeld in artikel 3.6.1.10 blijft hierbij van toepassing.

  • 2. De melding dient tenminste 4 weken voor aanvang van het vellen bij het bevoegd gezag te zijn ingediend. De reactie van het bevoegd gezag op iedere melding wordt tijdig gepubliceerd.

  • 3. Bij de melding worden gegevens en bescheiden overlegd waaruit blijkt dat de activiteiten ruimtelijke inpasbaar zijn. De gegevens omvatten ten minste:

    • a.

      Een plaatsaanduiding van de betreffende houtopstand;

    • b.

      Bij vellen uit veiligheid of beheerbaarheid vanwege sterk teruglopende kwaliteit of conditie een afschrift van een recente boomveiligheidscontrole of een boomveiligheidsrapportage , in opdracht van de aanvrager opgesteld door een ETT-er of gelijkwaardig niveau;

    • c.

      Bij vellen uit oogpunt van waterveiligheid van een waterkering binnen gemeente Leiden een afschrift van een recente gemotiveerde negatieve beoordeling hiervan opgesteld door een daarvoor gecertificeerde partij in opdracht van de beheerder van de waterkering.

    • d.

      Bij vellen vanwege overlast de afhandeling van de overlastmelding conform de daarvoor vastgestelde beleidsnota ‘Versterken en verbinden van groen in Leiden’, met de bijlage ‘Overlast van bomen?’;

    • e.

      Een compensatieplan met beschrijving van de wijze waarop de te verwijderen houtopstand passend wordt gecompenseerd, binnen welke termijn, met welke boomsoort en welke groeiplaatsinrichting, mits het niet betreft het voor de eerste keer knotten of kandelaberen, of een beheermaatregel. Voor deze compensatie gelden de voorschriften zoals benoemd in artikel 3.6.1.12.

  • 4. Het college kan aan de melding voorschriften verbinden die zien op het moment van herplant, de nazorg van de aanplant en de vervanging bij aanplant die niet aanslaat.

  • 5. Het college zal indien de melding niet voldoet aan het in dit artikel gestelde eisen een kapverbod opleggen.

Artikel 3.6.1.7 Indienen aanvraag kapvergunning voor waardevolle houtopstand en bij aantasting boomstructuren
  • 1. Een vergunning als bedoeld in artikel 3.6.1.2 en artikel 3.6.1.3 wordt aangevraagd door de rechthebbende of gemachtigde daarvan van de betreffende houtopstand.

  • 2. De aanvrager levert bij de aanvraag in ieder geval de volgende stukken en documenten:

    • a.

      een kaart waarop de betreffende houtopstand en de huidige situatie zijn aangegeven;

    • b.

      welk maatschappelijk belang van de aanvrager zwaarder weegt dan het belang van het in stand houden van de houtopstand op grond van de waarden als bedoeld in artikel 2.4.1.1, derde lid;

    • c.

      welke alternatieven voor het behouden van de houtopstand zijn onderzocht en niet houdbaar zijn bevonden;

    • d.

      een afschrift van een recente boomveiligheidscontrole, in opdracht van de aanvrager uitgevoerd door een boomtechnisch deskundige met certificaat als ETT of gelijkwaardig, als de aanvraag is ingediend voor vellen uit veiligheid of beheerbaarheid vanwege sterk teruglopende kwaliteit of conditie, gelet op het belang van het voorkomen van letsel of ernstige schade, of een afschrift van een recente gemotiveerde negatieve beoordeling hiervan opgesteld door een daarvoor gecertificeerde partij in opdracht van de beheerder van de waterkering;

    • e.

      een Bomen Effect Analyse of gelijkwaardig technisch onderzoek waaruit blijkt dat de bomen niet duurzaam behouden kunnen blijven;

    • f.

      Een compensatieplan (artikel 3.6.1.12) met voorstel voor duurzame, kwalitatieve compensatie, conform beleid, van de verloren gaande houtopstand, door middel van gelijkwaardige herplant en/of financiële compensatie. De kwaliteit wordt bepaald aan de hand van de mate waarop de herplant bijdraagt aan ecologie, klimaat en beeldkwaliteit.

  • 3. Voor de financiële compensatie van het herplanten van een te vellen houtopstand wordt de rechthebbende daarvan gevraagd om een berekening van de actuele vervangingskosten van de houtopstand aan de aanvraag toe te voegen.

Artikel 3.6.1.8 Indienen aanvraag kapvergunning voor bomen en houtopstanden bij (her)ontwikkelingen in (na geplande overdracht) openbaar toegankelijke ruimte
  • 1. Een vergunning als bedoeld in artikel 3.6.1.4 en artikel 3.6.1.5 wordt aangevraagd door de rechthebbende of gemachtigde van de betreffende houtopstand.

  • 2. De aanvrager levert bij de aanvraag in ieder geval de volgende stukken en documenten:

    • a.

      een kaart waarop de betreffende houtopstand en de huidige situatie zijn aangegeven, en waarop te zien is waarom de houtopstand moet worden gekapt;

    • b.

      welk maatschappelijk belang van de aanvrager zwaarder weegt dan het belang van het in stand houden van de houtopstand;

    • c.

      welke alternatieven voor het behouden van de houtopstand zijn onderzocht en niet houdbaar zijn bevonden;

    • d.

      een afschrift van een recente boomveiligheidscontrole, in opdracht van de aanvrager uitgevoerd door een boomtechnisch deskundige met certificaat als ETT of gelijkwaardig, als de aanvraag is ingediend voor vellen uit veiligheid of beheerbaarheid vanwege sterk teruglopende kwaliteit of conditie, gelet op het belang van het voorkomen van letsel of ernstige schade, of een afschrift van een recente gemotiveerde negatieve beoordeling hiervan opgesteld door een daarvoor gecertificeerde partij in opdracht van de beheerder van de waterkering;

    • e.

      een Bomen Effect Analyse of gelijkwaardig technisch onderzoek waaruit blijkt dat de bomen niet duurzaam behouden kunnen blijven;

    • f.

      een kwalitatief compensatieplan, conform artikel 3.6.1.12. De kwaliteit wordt bepaald aan de hand van de mate waarop de duurzame herplant bijdraagt aan ecologie, klimaat en beeldkwaliteit.

  • 3. Voor de financiële compensatie van het herplanten van een te vellen houtopstand wordt de rechthebbende daarvan gevraagd om een berekening van de actuele vervangingskosten van de houtopstand aan de aanvraag toe te voegen.

Artikel 3.6.1.9 Criteria voor weigering vergunning vellen beschermde houtopstanden
  • 1. Een vergunning wordt geweigerd als de belangen niet opwegen tegen de van toepassing zijnde waarden van de houtopstand als waardevolle boom of als een als zodanig te herkennen boomstructuur, zoals bedoeld in artikel 2.4.1.1 en artikel 2.4.1.2 van deze verordening.

  • 2. Een vergunning kan worden geweigerd als naar boomtechnisch deskundige maatstaven:

    • a.

      De mogelijkheden en/of alternatieven voor duurzaam behoud niet voldoende gemotiveerd zijn onderzocht;

    • b.

      De reden van de aanvraag verband houdt met mogelijke gevaarzetting en dit niet voldoende gemotiveerd wordt aangetoond.

    • c.

      Het compensatieplan niet voldoende voorziet in een duurzame bijdrage aan ecologie, klimaat en beeldkwaliteit, conform het Beleidskader met afwegingen voor Aanwijzing en bescherming bomen Leiden.

Artikel 3.6.1.10 Bijzondere voorschriften bij vergunning en melding; her- en verplanten, storting Bomenfonds
  • 1. Aan de vergunning en bij melding wordt het voorschrift verbonden dat herplant moet plaatsvinden volgens het compensatieplan. Het college geeft bij een vergunningverlening hiervoor een termijn, welke ten laatste in het eerstvolgende plantseizoen is, en aanwijzingen voor de manier waarop de herplant moet plaatsvinden.

  • 2. Indien een plicht tot herplant wordt opgelegd dan dient de vervangende herplant tenminste drie jaar afdoende nazorg te krijgen. Wanneer de herplant niet aanslaat, dient deze binnen een jaar te worden vervangen op de aangegeven manier. Voor elke nieuwe vervanging geldt opnieuw drie jaar nazorg.

  • 3. Als bij een vergunning niet ter plaatse, op hetzelfde perceel of in de nabije omgeving kan worden herplant met bomen van kwalitatief vergelijkbare waarde, wordt als voorschrift opgenomen dat een financiële bijdrage in het Bomenfonds moet worden gestort. Deze bijdrage is gelijk aan de actuele vervangingskosten.

  • 4. Van het opleggen van een verplantverplichting kan door het college worden afgezien voor bomen met ecologische waarde minder dan 3 of wanneer de kosten van het verplanten hoger zijn dan de actuele vervangingskosten. De compensatieverplichtingen blijft onverminderd van kracht.

  • 5. Van het opleggen van een compensatieverplichting zoals beschreven n artikel 3.6.1.12 kan door het college worden afgezien als het gaat om het vellen van een houtopstand in een boomstructuur in het kader van bestendig beheer.

Artikel 3.6.1.11 Herplant-/instandhoudingsplicht bij vellen zonder vergunning 
  • 1. Als een houtopstand zonder vergunning of melding is geveld terwijl daar wel een vergunning of melding voor nodig was, kan het college bij een last onder dwangsom de verplichting opleggen aan de overtreder om te herplanten. De herplant vindt plaats volgens de bij een last onder bestuursdwang aangegeven manier en binnen de aangegeven termijn. Deze verplichting wordt opgelegd aan de rechthebbende van de gevelde houtopstand en/of degene die de houtopstand heeft geveld of heeft laten vellen.

  • 2. Als er niet fysiek kan worden herplant, moeten de actuele vervangingskosten van de gevelde houtopstand, berekend met behulp van de meest actuele richtlijnen van de NVTB door een bij de NVTB aangesloten taxateur van bomen, als financiële bijdrage worden gestort in het Bomenfonds, inclusief de taxatiekosten.

  • 3. Bij de verplichting als bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald dat wanneer de herplant niet aanslaat, dat deze binnen één jaar moet worden vervangen op de aangegeven manier, en dat nazorg geldt conform artikel 3.6.1.10 lid 2.

  • 4. Als het voortbestaan van een als waardevol te beschouwen houtopstand bij (her)ontwikkelingen in (na geplande overdracht) openbaar toegankelijke ruimte wordt bedreigd door menselijk handelen, kan het college aan de rechthebbende van de houtopstand, of aan degene die op een andere manier bevoegd is voorzieningen te treffen, in het kader van de op te leggen last onder bestuursdwang, de verplichting opleggen om:

    • a.

      De activiteiten die de bedreiging veroorzaken onmiddellijk te stoppen en een onherroepelijk geworden omgevingsvergunning voor de activiteit vellen te hebben, voordat de activiteiten mogen worden voortgezet;

    • b.

      Volgens de aangegeven manier en binnen de aangegeven termijn voorzieningen te treffen die de bedreiging wegnemen;

    • c.

      De activiteiten die de bedreiging veroorzaken onmiddellijk te stoppen en een Bomen Effect Analyse of gelijkwaardig technisch onderzoek op te stellen en aan het college voor te leggen;

    • d.

      De schade die wordt veroorzaakt aan bomen die eigendom zijn van de gemeente te vergoeden door het bedrag van een boomschade-taxatie, berekend met behulp van de meest actuele richtlijnen van de NVTB door een bij de NVTB aangesloten taxateur van bomen, door overtreder te laten vergoeden door een storting in het Bomenfonds, inclusief de taxatiekosten.

Artikel 3.6.1.12 Inhoud compensatieplan 
  • 1. Een compensatieplan maakt deel uit van de te verlenen omgevingsvergunning of wordt toegevoegd aan de melding voor het vellen van een houtopstand.

  • 2. In het compensatieplan wordt het volgende bepaald:

    • a.

      Waar zal worden herplant, op hetzelfde perceel of in de nabije omgeving, aangegeven op een voldoende gedetailleerde kaart;

    • b.

      Een omschrijving van de te herplanten houtopstand (soortnaam, maatvoering), inclusief een aanduiding van de ecologische waarde daarvan conform de lijst van Register ecologische bomen;

    • c.

      Een onderbouwing dat de kwalitatieve waarde van de aanplant verbetert ten opzichte van de te vellen houtopstand, gebaseerd op ecologische waarden, waarde voor klimaatadaptatie, waarde voor een functionele aankleding van de directe leefomgeving;

    • d.

      Een omschrijving van de groeiplaats (bovengronds en ondergronds) met onderbouwing dat deze groeiplaats van voldoende kwalitatieve waarde is om de te herplanten houtopstand, conform het gestelde wenselijke eindbeeld ter plaatse, duurzaam te handhaven;

    • e.

      Een beheerplan voor de eerste drie jaren, gerekend vanaf de aanplant, waarin onder andere de termijn voor de eerste aanplant, inboetperioden, aanwijzingen voor plantgatvoorbereiding, verzorging- en groeibevorderende maatregelen, welk plantmateriaal, welke soort, de stamomtrek en het aantal is opgenomen;

    • f.

      Indien sprake is van kap van 30 procent of meer van een als eenheid te herkennen structuur, de wijze waarop fasering van de kap en herplant over meerdere groeiseizoenen zal worden toegepast.

Artikel 3.6.1.13 Bestrijding iepziekte en andere boomziekten 
  • 1. Als op een erf of terrein één of meer iepen zich bevinden die volgens het college gevaar opleveren voor het verspreiden van de iepziekte of voor vermeerdering van de iepenspintkever, is de rechthebbende die daarvoor door het college is aangeschreven verplicht binnen de daarvoor gegeven termijn:

    • a.

      De iepen te vellen als deze in de grond staan;

    • b.

      De iepen ter plaatse te ontschorsen en de schors te vernietigen, of;

    • c.

      De niet ontschorste iepen of delen daarvan te vernietigen of te behandelen zodat de verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen.

  • 2. Het is niet toegestaan gevelde iepen of delen daarvan te hebben of te vervoeren, met uitzondering van geheel ontschorst iepenhout en op iepenhout met een doorsnede van minder dan 4 centimeter.

  • 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het tweede lid.

Paragraaf 3.6.2

Dieren

Artikel 3.6.2.1 Loslopende honden (APV)
  • 1. De eigenaar of houder van een hond mag deze niet laten verblijven of laten lopen:

    • a.

      Op een voor het publiek toegankelijke en duidelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide, of op een andere door het college aangewezen plaats;

    • b.

      Zonder dat die hond is aangelijnd;

    • c.

      Op de weg als die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.

  • 2. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

  • 3. Het eerste lid, aanhef en onder a en b, is niet van toepassing op de eigenaar of houder die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of een sociale hulphond lat begeleiden of die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.

Artikel 3.6.2.2 Bijen (APV)
  • 1. Het is niet toegestaan bijen te houden:

    • a.

      Binnen een afstand van 30 meter van woningen of andere gebouwen waarin overdag mensen verblijven.

    • b.

      Binnen een afstand van 30 meter van de weg.

  • 2. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing voor de bijenhouder die rechthebbende is op de woningen of gebouwen als bedoeld in dat lid.

  • 3. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland.

  • 4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  • 5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Afdeling 3.7

Activiteiten met betrekking tot bodem en ondergrond

Paragraaf 3.7.1

Algemene bepalingen met betrekking tot bodem en ondergrond

Artikel 3.7.1.1 Handboek Leidingen (Leidingenverordening)

Het college stelt ter uitvoering van deze verordening een Handboek Leidingen vast, waarin onder meer bepalingen zijn opgenomen met betrekking tot de aanleg, het houden, het wijzigen en het verwijderen van kabels en leidingen.

Paragraaf 3.7.2

Leidingen

Artikel 3.7.2.1 Verbodsbepaling (Leidingenverordening)
  • 1. Het is niet toegestaan om zonder of in afwijking van een vergunning, in, op of boven de openbare ruimte, leidingen:

    • a.

      aan te leggen;

    • b.

      te houden;

    • c.

      te onderhouden;

    • d.

      te verwijderen.

  • 2. Het is niet toegestaan om zonder of in afwijking van een vergunning, in of op infrastructurele voorzieningen, leidingen:

    • a.

      aan te leggen;

    • b.

      te houden;

    • c.

      te onderhouden;

    • d.

      te verwijderen.

  • 3. Het is niet toegestaan om zonder of in afwijking van een vergunning bestaande leidingen:

    • a.

      te wijzigen;

    • b.

      te verplaatsen;

    • c.

      een andere functie te geven dan in de vergunning is omschreven.

Artikel 3.7.2.2 Aanvragen vergunning (Leidingenverordening)
  • 1. Het college verleent een vergunning op aanvraag aan de leidingexploitant, nadat is gebleken dat wordt voldaan aan het bepaalde bij of krachtens deze verordening.

  • 2. De aanvraag om een vergunning wordt digitaal ingediend bij het college door middel van een daartoe vastgesteld formulier dat is gepubliceerd op de website van de gemeente Leiden.

  • 3. Het college stelt in het Handboek Leidingen vast welke gegevens en documenten nodig zijn voor de beoordeling van de aanvraag.

  • 4. In het geval van reparaties en het maken van huisaansluitingen met een maximale lengte van 25 meter in de openbare ruimte geldt een verkorte procedure. Het college verleent toestemming voor de beoogde werkzaamheden als de leidingexploitant ten minste twee werkdagen voorafgaand aan de werkzaamheden daarvan digitaal een melding heeft gedaan op de manier die door het college is vastgesteld. Het college kan voorwaarden stellen aan de toestemming. Artikel 3.7.2.5 tweede lid, is hierbij van overeenkomstige toepassing.

  • 5. Het vierde lid is niet van toepassing op hoogspanningskabels van meer dan 380 Volt en leidingen ten behoeve van stadsverwarming.

  • 6. Bij storingen, waarvoor uitstel van de reparatie niet mogelijk is, of wanneer de storing buiten de normale werktijden plaatsvindt, wordt de digitale melding als bedoeld in het vierde lid, gedaan binnen een week na aanvang van de reparatiewerkzaamheden.

Artikel 3.7.2.3 Naleven vergunningvoorschriften (Leidingenverordening)
  • 1. Een vergunning die is verleend voor een leiding geldt alleen voor die leiding. De leidingexploitant zorgt ervoor dat de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden worden nageleefd.

  • 2. Als de leiding waarvoor een vergunning is verleend wordt overgedragen, of als de leidingexploitant in een andere rechtsvorm wordt omgezet, melden de oude en de nieuwe leidingexploitant, respectievelijk de nieuwe rechtspersoon, dit direct schriftelijk aan het college.

  • 3. Het college kan in afwijking van het eerste en tweede lid in de vergunning bepalen dat de vergunning alleen geldt voor de leidingexploitant.

  • 4. Een vergunning die is verleend op grond van deze paragraaf geldt, voor zover van toepassing ook als een vergunning op basis van artikel 3.4.4.2 van deze verordening.

Artikel 3.7.2.4 Beslistermijn (Leidingenverordening)
  • 1. Het college beslist binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag.

  • 2. De termijn als bedoeld in het eerste lid kan met acht weken worden verlengd.

  • 3. Het college houdt een beslissing op de aanvraag om een leidingvergunning aan als er op grond van artikel 3.4.4.2 van deze verordening ook een omgevingsvergunning nodig is voor het aanleggen, verplaatsen of verwijderen van de leiding, en er verder geen andere redenen zijn om de aanvraag om een leidingvergunning te weigeren. Dit geldt niet als de omgevingsvergunning is verleend en er zes weken zijn verstreken waarbinnen geen bezwaar is aangetekend, of als er een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend en op dat verzoek is beslist.

  • 4. De vergunning wordt in ieder geval niet verleend als niet wordt voldaan aan het bepaalde bij of krachtens deze verordening.

Artikel 3.7.2.5 Vergunningvoorschriften (Leidingenverordening)
  • 1. Het college kan aan de vergunning voorschriften en beperkingen verbinden met inachtneming van het Handboek Leidingen.

  • 2. De voorschriften en beperkingen als bedoeld in het eerste lid hebben betrekking op:

    • a.

      de bescherming van de openbare orde;

    • b.

      de bescherming van de bodem;

    • c.

      het voorkomen van gevaar, schade of hinder;

    • d.

      de verkeersveiligheid en goede doorstroming van het verkeer;

    • e.

      het verschaffen van nadere informatie;

    • f.

      de afstemming met andere werken;

    • g.

      de verzekering van de toestand waarin het tracé na voltooiing van het werk moet worden opgeleverd;

    • h.

      het bepalen van het tijdstip waarop de feitelijke werkzaamheden aan de leiding mogen of moeten beginnen;

    • i.

      de vaststelling van het in te dienen werkplan en de termijn waarbinnen het plan moet zijn ingediend;

    • j.

      het tijdschema voor de aanleg, wijziging of verwijdering van de leiding;

    • k.

      de voorwaarden waaronder afwijken van het werkplan of het tijdschema is toegestaan;

    • l.

      het tracé waar de leiding moet worden gelegd en gehouden.

  • 3. Het college kan met het oog op de belangen als bedoeld in het tweede lid een verleende vergunning wijzigen.

Artikel 3.7.2.6 Wijzigings- en intrekkingsgronden (Leidingenverordening)

Het college kan, onverminderd het bepaalde in artikel 3.7.2.5, derde lid, de vergunning wijzigen of intrekken als:

  • a.

    de leidingexploitant niet binnen zes maanden na het onherroepelijk worden van de vergunning met de werkzaamheden is begonnen zoals die zijn omschreven in de vergunning;

  • b.

    de leidingexploitant de exploitatie en het onderhoud van de leiding gedurende een aaneengesloten periode van ten minste zes maanden staakt, of de leiding op een andere manier gedurende een periode van ten minste zes maanden niet in gebruik is;

  • c.

    blijkt dat de vergunning is verleend op basis van onjuiste of onvolledige gegevens;

  • d.

    de vergunning in strijd met een wettelijk voorschrift is verleend;

  • e.

    het bij of krachtens deze verordening bepaalde niet wordt nageleefd door de leidingexploitant;

  • f.

    de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden niet worden nageleefd door de leidingexploitant;

  • g.

    dit noodzakelijk is vanwege de uitvoering van werken.

Artikel 3.7.2.7 Intrekken vergunning (Leidingenverordening)
  • 1. Het college trekt de vergunning in als de leidingexploitant schriftelijk aan het college verklaart geen gebruik meer te willen maken van de vergunning.

  • 2. Degene die een verklaring als bedoeld in het eerste lid afgeeft, wordt gedurende de tijd dat de leiding na opzegging in de openbare ruimte aanwezig is, beschouwd als leidingexploitant, tenzij de leiding is overgedragen of wordt geëxploiteerd of beheerd door een andere persoon. In dat geval wordt de laatstgenoemde persoon als leidingexploitant beschouwd.

  • 3. In afwijking van het tweede lid wordt in het geval van een persoonsgebonden vergunning als bedoeld in artikel 3.7.2.3, derde lid, de vergunninghouder als leidingexploitant beschouwd, tot aan het moment dat hij schriftelijk aan het college verklaart geen gebruik meer te willen maken van de vergunning en de exploitatie van de leiding staakt, of de leiding waar de vergunning betrekking op heeft in eigendom overdraagt en hij daarvan bij het college schriftelijk melding heeft gedaan, met dien verstande dat hij het bewijs van de overdracht kan leveren.

Artikel 3.7.2.8 De aanleg (Leidingenverordening)
  • 1. Het college kan de leidingexploitant verplichten binnen een vast te stellen termijn na het verlenen van de vergunning, en voor de beoogde aanvang van de feitelijke werkzaamheden voor de aanleg, wijziging of verwijdering van de leiding, bij het college documenten in te dienen zoals aangegeven in het Handboek Leidingen.

  • 2. De leidingexploitant voltooit de werkzaamheden met betrekking tot de aanleg, wijziging of verwijdering binnen zes maanden na aanvang van de werkzaamheden, tenzij in de vergunning anders is bepaald.

Artikel 3.7.2.9 Oplevering (Leidingenverordening)
  • 1. De leidingexploitant zorgt ervoor dat het leidingtracé na afloop van het werk wordt opgeleverd in de oorspronkelijke, dan wel in de staat die in de vergunning is omschreven.

  • 2. Als door de leidingexploitant werkzaamheden aan leidingen in de openbare ruimte worden uitgevoerd, brengt het college de kosten in rekening bij de leidingexploitant voor het herstel, beheer, onderhoud en degeneratie van die openbare ruimte die het rechtstreekse gevolg zijn van de uitgevoerde werkzaamheden, volgens het Besluit vaststelling tarieven voor schade veroorzaakt door ingravingen in verhardingen gemeente Leiden.

Artikel 3.7.2.10 Ondergrondse obstakels (Leidingenverordening)
  • 1. De leidingexploitant meldt het direct aan het college als tijdens de uitvoering van de werkzaamheden ondergrondse obstakels worden gevonden.

  • 2. Het college kan bij gebleken ondergrondse obstakels in of nabij het tracé van de leiding aan de leidingexploitant maatregelen opdragen ter bescherming van de belangen waartoe deze verordening strekt en opschorting van de werkzaamheden gelasten. De kosten van de te nemen maatregelen zijn voor rekening van de vergunninghouder.

  • 3. De opschorting als bedoeld in het tweede lid wordt pas gelast als:

    • a.

      is gebleken dat er geen uitvoering is gegeven aan de maatregelen die door het college aan de leidingexploitant zijn opgedragen, of;

    • b.

      naar het oordeel van het college de maatregelen als bedoeld onder a niet mogelijk zijn.

Artikel 3.7.2.11 Ter beschikking stellen tekeningen (Leidingenverordening)

Het college kan de leidingexploitant verplichten na de voltooiing van het werk tekeningen kosteloos aan het college ter beschikking te stellen waaruit de feitelijke situatie na de uitvoering van de werkzaamheden blijkt.

Artikel 3.7.2.12 Verontreiniging, gevaar en hinder (Leidingenverordening)

De leidingexploitant is verplicht om verontreiniging, gevaar of hinder, dan wel storingen waarbij verontreiniging, gevaar of hinder kunnen optreden onmiddellijk te melden aan het college.

Artikel 3.7.2.13 Verwijderen van leidingen (Leidingenverordening)
  • 1. De leidingexploitant is verplicht de leidingen te verwijderen binnen een door het college te bepalen termijn na het verlopen, opzeggen of geheel of gedeeltelijk intrekken van de vergunning.

  • 2. De artikelen 3.7.2.1, 3.7.2.8, 3.7.2.9, 3.7.2.10 en 3.7.2.11 zijn van overeenkomstige toepassing op de verwijderingen als bedoeld in het eerste lid.

Paragraaf 3.7.3

Rioleringen

Artikel 3.7.3.1 De aanvraag voor een aansluiting (Rioolverordening)
  • 1. Een nieuwe aansluiting of een wijziging van een bestaande aansluiting moet bij de gemeente worden aangevraagd door de rechthebbende van het betreffende perceel.

  • 2. Als er werkzaamheden in de openbare weg nodig zijn bij de uitvoering van de aanleg of wijziging van de aansluiting van het particulier riool op de openbare riolering, of bij de verwijdering van een bestaande aansluiting als bedoeld in artikel 3.7.3.2, worden deze alleen door of namens de gemeente uitgevoerd. De kosten daarvan zijn op basis van de werkelijke kosten geheel voor rekening van de rechthebbende.

  • 3. De uitvoering van de aanleg of wijziging van de aansluiting door of namens de gemeente vindt alleen plaats als het aan te sluiten riool tot aan het aansluitpunt aanwezig is, en als het voldoet aan de daaraan te stellen eisen.

  • 4. De datum en de voorlopig begrote kosten van de aanleg of wijziging van de aansluiting worden zo snel mogelijk na het ontvangen van de aanvraag vastgesteld en aan de rechthebbende meegedeeld. Bij het vaststellen van het tijdstip voor de uitvoering wordt zo veel mogelijk met de wensen van de rechthebbende rekening gehouden.

  • 5. Pas als de voorlopig begrote kosten door de rechthebbende aan de gemeente zijn betaald en door de gemeente zijn ontvangen, gaat de gemeente de feitelijke werkzaamheden uitvoeren.

  • 6. Als de werkzaamheden zijn uitgevoerd worden de werkelijke kosten daarvan vastgesteld in een definitieve afrekening. Deze worden verrekend met de voorlopig begrote kosten die door de rechthebbende zijn betaald.

Artikel 3.7.3.2 (Sloop)werkzaamheden, verwijdering aansluiting (Rioolverordening)
  • 1. Bij sloopwerkzaamheden of andere werkzaamheden op een perceel dat op het openbare riool is aangesloten, moet de rechthebbende voorzieningen treffen aan de particuliere afvoerleiding zodat verzanding van het openbare riool en de perceelaansluitleiding wordt voorkomen.

  • 2. De gemeente heeft de bevoegdheid de aansluiting op het openbare riool af te sluiten als de rechthebbende niet voldoet aan de zorgplicht als bedoeld in het eerste lid. De kosten daarvan zijn voor rekening van de rechthebbende.

  • 3. De rechthebbende is verplicht de gemeente op de hoogte te stellen als het gebruik van de perceelaansluitleiding definitief wordt beëindigd.

  • 4. De gemeente verwijdert de aansluiting als het gebruik van een aansluiting van een particulier riool op de openbare riolering definitief wordt en/of is beëindigd. De kosten daarvan zijn voor rekening van de rechthebbende.

Artikel 3.7.3.3 Storingen (Rioolverordening)
  • 1. Bij een verstopping, lekkage of een andere storing in de particuliere afvoerleiding onderzoekt de rechthebbende of de gebruiker of het gaat om een storing in de particuliere afvoerleiding (terreinleiding) of in de perceelaansluitleiding. Aan de perceelaansluitleiding mogen onder geen enkele voorwaarde werkzaamheden worden uitgevoerd zonder voorafgaande toestemming van de gemeente.

  • 2. Als uit het onderzoek bedoeld in het eerste lid blijkt dat er sprake is van een verstopping of storing in de perceelaansluitleiding, of van een verstopping of storing als gevolg van inspoeling vanuit het openbare riool, neem de rechthebbende of de gebruiker met de gemeente contact op voor het verrichten van de noodzakelijke werkzaamheden. De ontstoppingsvoorziening moet worden vrijgehouden totdat deze werkzaamheden zijn verricht. Als de rechthebbende of de gebruiker zelf aan een derde de opdracht geeft om werkzaamheden te verrichten, zonder dat de gemeente voorafgaand toestemming heeft gegeven, komen de kosten daarvan voor rekening van de rechthebbende of de gebruiker.

  • 3. Als uit het onderzoek bedoeld in het eerste lid blijkt dat er sprake is van een verstopping, lekkage, breuk of storing in de particuliere afvoerleiding moet de rechthebbende of de gebruiker deze zelf verhelpen. De kosten daarvan zijn voor de rechthebbende of de gebruiker.

  • 4. Als er sprake is van een verstopping of storing als bedoeld in het tweede lid, moet de rechthebbende of de gebruiker, voordat de gemeente met de werkzaamheden start, schriftelijk akkoord gaan met de voorwaarde dat de kosten van die werkzaamheden aan de rechthebbende of de gebruiker in rekening worden gebracht als blijkt dat deze kosten voor de rechthebbende of de gebruiker zijn.

Hoofdstuk 4 Beheer en onderhoud

Afdeling 4.1

Groen

Paragraaf 4.1.1

Activiteiten bij of aan bomen

Artikel 4.1.1.1 Toegelaten activiteiten aan bomen 

Activiteiten aan bomen zijn toegestaan als deze geen afbreuk doen aan de doelstellingen zoals bedoeld in artikel 1.3 van deze verordening of als instandhouding niet verantwoord is vanwege kans op letsel of schade aan personen of goederen. Tot deze activiteiten behoren:

  • a.

    activiteiten die betrekking hebben op bestendig beheer, conform de actuele versie van het Handboek Bomen van het Norminstituut Bomen, en

  • b.

    activiteiten in het kader van de Plantenziektewet.

Artikel 4.1.1.2 kabel en/of leidingwerkzaamheden in de nabijheid van bomen 
  • 1. Bij kabel en/of leidingwerkzaamheden in de nabijheid van bomen wordt de minimale graafafstand tot stabiliteitskluit conform de actuele versie van het Handboek Bomen van het Norminstituut Bomen in acht genomen;

  • 2. De schade aan bomen wordt achteraf vastgesteld op basis van de meest actuele richtlijnen van de NVTB (Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen). De aansprakelijkheidsstelling voor de schade vindt plaats conform het civiele aansprakelijkheidsrecht. Het totale schadebedrag wordt opgebouwd uit de getaxeerde schade inclusief taxatiekosten, beredderingskosten en overige bijkomende kosten zoals voor verhalen van schade.

Artikel 4.1.1.3 activiteiten in de nabijheid van bomen
  • 1. Indien in de nabijheid van houtopstanden werkzaamheden gaan plaatsvinden die duurzaam behoud van de houtopstand nadelig kunnen beïnvloeden, is de uitvoerder verplicht van de werkzaamheden een Boom Effect Analyse (standaard beoordeling van de gevolgen voor houtopstanden bij voorgenomen bouw-, aanleg-, of herinrichtingsprojecten) op te stellen voorafgaand aan de werkzaamheden en de daaruit voortvloeiende maatregelen met betrekking tot bescherming van de houtopstand op te volgen.

  • 2. Bij de uitvoer van de werkzaamheden dienen de richtlijnen van de actuele versie van het Handboek Bomen van het Norminstituut Bomen in acht genomen te worden.

  • 3. Bij aangerichte schade ten gevolge van de aanleg, instandhouding en opruiming van werkzaamheden in de nabijheid van bomen, laat gemeente Leiden het herstel verrichten door een door de gemeente geselecteerde aannemer. De marktconforme kosten worden aan de uitvoerder doorberekend. De uitvoerder wordt hiervan vooraf (schriftelijk of per mail) op de hoogte gebracht door de gemeente Leiden;

  • 4. De schade aan bomen wordt achteraf vastgesteld op basis van de Richtlijnen NVTB (Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen). De aansprakelijkheidsstelling voor de schade vindt plaats conform het civiele aansprakelijkheidsrecht. Het totale schadebedrag wordt opgebouwd uit de getaxeerde schade inclusief taxatiekosten, beredderingskosten en overige bijkomende kosten zoals voor verhalen van schade.

Paragraaf 4.1.2

Boomveiligheidscontrole en beheerplan

Artikel 4.1.2.1 Programma boomveiligheidscontrole 
  • 1. Het college stelt een programma boomveiligheidscontrole vast.

  • 2. Het programma betreft vier uitvoeringsjaren en vier verschillende stadsdelen.

  • 3. Per uitvoeringsjaar wordt binnen het aangewezen stadsdeel de boomveiligheidscontrole in opdracht van het college uitgevoerd.

  • 4. Het jaarprogramma betreft de houtopstanden in eigendom van de gemeente.

Artikel 4.1.2.2 Inhoud van een beheerplan 
  • 1. Het beheerplan geeft per onderdeel of type beplanting aan hoe vaak bestendig beheer plaatsvindt, in welke tijd van het jaar, en of er gefaseerd wordt gewerkt. Ook kunnen voorschriften worden opgenomen voor compensatiemaatregelen.

  • 2. Het beheerplan moet door het college worden goedgekeurd voordat het voor het uitvoeren van bestendig beheer kan worden gebruikt.

Afdeling 4.2

Overige bepalingen

Paragraaf 4.2.1

Water en riolering

Artikel 4.2.1.1 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen (APV)

Sloten en andere wateren, en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen geen gevaar voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen opleveren.

Artikel 4.2.1.2 Beheer, onderhoud, renovatie en vervanging (Rioolverordening)
  • 1. Het beheer en onderhoud, de renovatie dan wel de vervanging van de perceelaansluitleiding wordt uitgevoerd door of namens de gemeente en voor rekening van de gemeente, tenzij het aannemelijk is dat deze werkzaamheden moeten worden uitgevoerd door een onjuist gebruik van het particuliere riool. In dat geval zijn de kosten voor rekening van de rechthebbende of de veroorzaker.

  • 2. Onder onjuist gebruik wordt in ieder geval begrepen:

    • a.

      Het via deze aansluiting lozen van stoffen die door hun aard en samenstelling voor verstoppingen in de aansluitleiding of het openbare riool kunnen zorgen;

    • b.

      Het via deze aansluiting lozen van stoffen die door hun aard of concentratie de constructie van de aansluitleiding of het riool aantasten;

    • c.

      Het lozen van hemelwater en/of drainagewater op de drukriolering.

  • 3. De kosten voor het beheer en onderhoud, de renovatie dan wel de vervanging van de particuliere afvoerleiding (terreinleiding) zijn voor rekening van de rechthebbende, tenzij vaststaat dat de noodzaak voor onderhoud is veroorzaakt door inspoeling vanuit het openbare riool. Dit geldt ook voor verzamelleidingen in particuliere grond die zijn aangelegd voor de gezamenlijke afvoer van twee of meer woningen.

  • 4. Als de hoogteligging van het aansluitpunt door de gemeente wordt gewijzigd, moet de rechthebbende ervoor zorgen dat de particuliere afvoerleiding hierop kan worden aangesloten zodat de afvoer vanuit het perceel ongehinderd kan plaatsvinden.

Paragraaf 4.2.2

Stadsverwarming

Artikel 4.2.2.1 Stadsverwarming (Leidingenverordening)

De beheerder van de stadsverwarming moet aan de gemeente aannemelijk maken dat de veiligheidsaspecten van de stadsverwarmingsleidingen in voldoende mate zijn gewaarborgd. De beheerder kan dit onder andere aannemelijk maken door een daartoe strekkende verklaring van de Autoriteit Consument & Markt aan te leveren. De hiervoor genoemde verplichting voor de beheerder van de stadsverwarming vervalt als een toereikende regeling voor de veiligheidsaspecten in de Warmtewet wordt opgenomen.

Hoofdstuk 5 Financiële bepalingen

Afdeling 5.1

Groen

Paragraaf 5.1.1

Bomenfonds

Artikel 5.1.1.1 Bomenfonds
  • 1. In het door Gemeenteraad ingestelde Bomenfonds (RV 12.0085) worden financiële bijdragen gestort door:

    • a.

      Vergunninghouders ter uitvoering van een voorschrift dat is opgenomen in de omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand;

    • b.

      Rechthebbenden en/of overtreders in situaties als bedoeld in artikel 3.6.1.11, tweede lid.

  • 2. Als aan de omgevingsvergunning of de melding voor het vellen van een houtopstand het voorschrift is verbonden dat de waarde van de houtopstand geheel of gedeeltelijk moet worden gecompenseerd, dan moet deze financiële compensatie in het Bomenfonds worden gestort.

  • 3. Het college beheert het Bomenfonds.

  • 4. Het Bomenfonds wordt gebruikt voor de versterking van het bomenbestand en andere vormen van ecologisch waardevol groen in de stad.

Artikel 5.1.1.2 Financiële compensatie
  • 1. De bepaling van de actuele vervangingskosten wordt gedaan op grond van de op dat moment actuele gepubliceerde methode van de Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen (NVTB). In een bosplantsoenvak geldt een waarde per m2.

  • 2. Als de waarde van de houtopstand niet kan worden bepaald door middel van de methode als bedoeld in het eerste lid, bepaalt het college de vervangingskosten, waarin in ieder geval worden meegerekend:

    • a.

      Aankoop en planten van een vervangende boom;

    • b.

      Passende groeiplaatsaanleg;

    • c.

      Nazorg voor ten minste 3 jaar.

  • 3. Het kan voorkomen dat de vergunning voorschrijft dat de compensatie deels plaatsvindt op basis van het compensatieplan en deels via het storten van een financiële compensatie in het Bomenfonds.

Artikel 5.1.1.3 Storting in het Bomenfonds is geoormerkt 
  • 1. De financiële compensatie die volgens een vergunningvoorschrift aan de uitvoering van de vergunning als waarborgsom in het Bomenfonds moet worden gestort, is geoormerkt als bedrag dat is bestemd voor de herplant in een aangewezen aanplantproject.

  • 2. De geoormerkte gelden in het Bomenfonds kunnen alleen worden gebruikt voor het feitelijke aanplantproject dat in het vergunningvoorschrift is aangeduid en de daaraan grenzende aanplantprojecten zoals bedoeld in artikel 3.6.1.12 Lid 2a.

  • 3. In het vergunningvoorschrift over de herplantplicht in een aangewezen aanplantproject wordt aangegeven waar, wanneer, hoe en waarmee de vergunninghouder de feitelijke aanplant dient uit te voeren.

Artikel 5.1.1.4 Voorwaarden teruggave storting in Bomenfonds 
  • 1. Als na de oplevering van het aanplantproject is voldaan aan de vergunningvoorschriften kan de vergunninghouder verzoeken tot teruggave van de gehele of van een deel van de financiële compensatie in het Bomenfonds.

  • 2. Een aanvraag om een teruggave moet uiterlijk binnen één jaar na oplevering van het aanplantproject schriftelijk worden ingediend. Daarna bestaat er geen recht meer op teruggave van de financiële compensatie en vervalt het oormerk van de storting in het Bomenfonds.

  • 3. De aanvraag moet gemotiveerd zijn en zijn ondertekend door de aanvrager. De aanvraag bevat ten minste de opgave van de kosten van het aanplanten van de bomen en de begroting van het verzorgen van de aanplant op dusdanige wijze dat deze volledig aanslaat en gezond doorgroeit.

  • 4. Het college of een door haar gemandateerd persoon beoordeelt de aanvraag en de bijbehorende documenten en beoordeelt de feitelijke toestand van de aanplant op gezondheid en bestendigheid. Het terug te storten bedrag wordt hierop afgestemd.

  • 5. Het terug te storten bedrag is niet hoger dan de financiële compensatie die de vergunninghouder in het Bomenfonds heeft gestort. Alleen de kosten voor het aankopen van de houtopstand, het inrichten van de groeiplaats, het planten (inclusief volledig aanslaan en doorgroeien) en drie jaar beheerkosten worden teruggestort.

  • 6. De gelden in het Bomenfonds die niet meer geoormerkt zijn worden primair en hoofdzakelijk gebruikt voor de versterking van het bomenbestand. Deze gelden kunnen slechts worden aangewend voor versterking van ecologisch waardevol groen in zoverre dit plaatsvindt in de directe omgeving van en/of ten behoeve van de bodemverbetering van een nieuw te planten boom of een boom die is geplant binnen een termijn van 2 jaar voorafgaand aan de vaststelling van dit artikel.

Afdeling 5.2

Schadevergoeding

Paragraaf 5.2.1

Schadevergoedingsverzoek op grond van Wet natuurbescherming

Artikel 5.2.1.1 Schadevergoedingsverzoek op grond van Wet natuurbescherming (Bomenverordening)

Het college is het bevoegde bestuursorgaan om te beslissen op een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 6.3 van de Wet natuurbescherming.

Afdeling 5.3

Nadeelcompensatie

Paragraaf 5.3.1

Nadeelcompensatie leidingen

Artikel 5.3.1.1 Nadeelcompensatie (Leidingenverordening)

Als blijkt dat een leidingexploitant als gevolg van een besluit van het college om de vergunning in te trekken of te wijzigen als bedoeld in artikel 3.7.2.6, onder g, schade lijdt of zal lijden die redelijkerwijs niet of niet geheel tot het normale bedrijfsrisico kan worden gerekend, en waarvan een vergoeding niet of niet voldoende is verzekerd, kent het college op verzoek aan hem een vergoeding toe. Een dergelijke vergoeding wordt toegekend zo lang de gemeente op grond van artikel 228 van de Gemeentewet precario kan heffen.

Hoofdstuk 6 Procesregels

Afdeling 6.1

Voorbereiding van besluiten

Paragraaf 6.1.1

Groen

Artikel 6.1.1.1 Behandeling van de voorstellen tot plaatsing op de Groene Kaart (nadere regels Bomenverordening)
  • 1. Ieder jaar, na 1 oktober, start het college met de procedure voor het actualiseren van de Groene Kaart. Degenen die voor 1 oktober een voorstel hebben ingediend voor het toevoegen van een houtopstand aan, of het verwijderen daarvan van de Groene Kaart, worden schriftelijk geïnformeerd over het begin en het verloop van de procedure.

  • 2. Het college stelt een ontwerpbesluit op naar aanleiding van de voorstellen. De voorstellen worden getoetst op de manier als bedoeld in artikel 2.4.1.3, tweede lid. Als een boom meer dan 75 punten behaald, is deze voldoende onderscheidend en komt de boom in aanmerking om aan de Groene Kaart te worden toegevoegd. De uitkomst van de toetsing wordt als motivering opgenomen in het ontwerpbesluit.

  • 3. Het ontwerpbesluit geeft aan of het gaat om een solitaire boom, een boomstructuur of een boomgebied.

  • 4. Solitaire bomen krijgen een nadere aanduiding:

    • a.

      Monumentale boom als ze ouder zijn dan 80 jaar;

    • b.

      Herdenkingsboom als status die door het college wordt toegewezen;

    • c.

      Toekomstboom, of;

    • d.

      Waardevolle boom in alle overige gevallen.

  • 7. De belanghebbenden en eigenaren krijgen zes weken de tijd om een zienswijze op het ontwerpbesluit in te dienen.

  • 8. Het college geeft een gemotiveerde reactie op de ingediende zienswijzen. De Groene Kaart wordt door het toevoegen van houtopstanden gedeeltelijk herzien.

  • 9. Op de procedure voor het toevoegen van houtopstanden aan de Groene Kaart is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Paragraaf 6.1.2

Cultureel erfgoed

Artikel 6.1.2.1 De aanwijzing tot beschermd gemeentelijk monument (Erfgoedverordening)

Het college kan bepalen dat een nader waardestellend onderzoek moet worden verricht ten behoeve van de aanwijzing van een onroerende zaak of terrein als beschermd gemeentelijk monument.

Afdeling 6.2

Advies

Paragraaf 6.2.1

Advies bij aanwijzing beschermd gemeentelijk monument

Artikel 6.2.1.1 Termijn advies en aanwijzingsbesluit (Erfgoedverordening)
  • 1. Het college vraagt advies aan de Adviescommissie Cultuurhistorie Leiden, voordat zij een besluit neemt over de aanwijzing van een beschermd gemeentelijk monument.

  • 2. De Adviescommissie Cultuurhistorie Leiden adviseert schriftelijk binnen 12 weken na ontvangst van het verzoek van het college.

Paragraaf 6.2.2

Advies bij aanwijzing gemeentelijk beschermd stadsgezicht

Artikel 6.2.2.1 Advies bij aanwijzen gemeentelijk beschermd stadsgezicht (Erfgoedverordening)
  • 1. Het college vraagt advies aan de Adviescommissie Cultuurhistorie Leiden voordat de gemeenteraad een besluit neemt over de aanwijzing tot gemeentelijk beschermd stadsgezicht als bedoeld in artikel 2.3.3.1. In spoedeisende gevallen kan het vragen van dit advies achterwege blijven.

  • 2. De Adviescommissie Cultuurhistorie Leiden adviseert schriftelijk binnen 12 weken na ontvangst van het verzoek van het college.

Paragraaf 6.2.3

Advies bij omgevingsvergunning monument

Artikel 6.2.3.1 Advies van de Welstands- en Monumentencommissie Leiden (Erfgoedverordening)
  • 1. Het college vraagt advies aan de Welstands- en Monumentencommissie Leiden, voordat zij een besluit neemt op de aanvraag van de vergunning als bedoeld in artikel 3.5.1.3.

  • 2. Als de aanvraag betrekking heeft op een gemeentelijk archeologisch monument, dan betrekt de Welstands- en Monumentencommissie Leiden een extern deskundig senior archeoloog bij haar advies.

Artikel 6.2.3.2 Advies omgevingsvergunning beschermd rijksmonument (Erfgoedverordening)

Het college stuurt een afschrift van een ontvankelijke aanvraag om een omgevingsvergunning voor een beschermd rijksmonument, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wabo, direct door voor advies aan de Welstands- en Monumentencommissie Leiden.

Hoofdstuk 7 Handhaving, overgangs- en slotbepalingen

Afdeling 7.1

Handhaving

Paragraaf 7.1.1

Toezichthouders en handhaving

Artikel 7.1.1.1 Toezichthouders

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn de toezichthouders belast die bij besluit van het college zijn aangewezen.

Artikel 7.1.1.2 Marktmeester (Marktverordening)

Het college stelt één of meerdere marktmeesters aan, en bepaalt zijn of hun taken en bevoegdheden.

Artikel 7.1.1.3 Legitimatieplicht (Marktverordening)

Degene die een standplaats of een standwerkplaats op een markt inneemt of wil innemen, of die handelt met een bedienvergunning of opbouwvergunning, is verplicht aan te tonen dat hij daartoe gerechtigd is bij het eerste verzoek van een toezichthouder.

Artikel 7.1.1.4 Onmiddellijke verwijdering (Marktverordening)

Het college kan een vergunninghouder of iemand die hem bijstaat of vervangt gelasten onmiddellijk van de markt te vertrekken als deze zich op de markt schuldig heeft gemaakt aan wangedrag of aan bedrog, of een bij of krachtens deze verordening gestelde bepaling heeft overtreden.

Paragraaf 7.1.2

Strafbepalingen

Artikel 7.1.2.1 Strafbepaling bedrijfs- en pleziervaartuigen (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening)

Overtreding van artikel 3.4.1.1 wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van de tweede categorie.

Artikel 7.1.2.2 Strafbepaling bomen
  • 1. Degene die handelt in strijd met het bij of krachtens artikel 3.6.1.2 tot en met artikel 3.6.1.6, en artikel 3.6.1.11 lid 2 bepaalde kan worden gestraft met een hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie. Tevens kan een rechterlijke veroordeling op grond van dit artikel openbaar gemaakt worden. Bij de strafmaatbepaling kan rekening worden gehouden met de actuele vervangingskosten.

  • 2. De op grond van dit artikel ingestelde strafvervolging laat onverlet de mogelijkheid van het instellen door het college van een privaatrechtelijke vordering tot schadevergoeding wegens schade aan bomen of een houtopstand waarvan de gemeente de rechthebbende is.

Artikel 7.1.2.3 Strafbepaling erfgoed (Erfgoedverordening)

Het overtreden van de artikelen in afdeling 3.5 wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie, als deze overtreding niet al strafbaar is gesteld krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Artikel 7.1.2.4 Strafbepaling markten (Marktverordening)

Het overtreden van de artikelen in paragraaf 3.4.11 en artikelen 7.1.1.3 en 7.1.1.4 wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of een hechtenis van ten hoogste drie maanden.

Artikel 7.1.2.5 Bestuurlijke boete (Huisvestingsverordening)
  • 1. Het overtreden van de verboden als bedoeld in artikel 21 van de Huisvestingswet 2014, of het handelen in strijden met de voorwaarden of voorschriften als bedoeld in artikel 24 van de Huisvestingswet 2014, kan worden beboet met een bestuurlijke boete.

  • 2. De boete voor het overtreden van de verboden als bedoeld in artikel 21 van de Huisvestingswet 2014 bedraagt:

    • a.

      voor de eerste overtreding, en herhaalde overtreding na 24 maanden: €2.500,- voor niet-bedrijfsmatige exploitatie en €5.000,- voor bedrijfsmatige exploitatie;

    • b.

      voor herhaalde overtreding binnen 24 maanden: €5.000,- voor niet-bedrijfsmatige exploitatie en €10.000,- voor bedrijfsmatige exploitatie.

  • 3. De boete voor het handelen in strijd met de voorwaarden of voorschriften als bedoeld in artikel 24 van de Huisvestingswet 2014 bedraagt:

    • a.

      voor de eerste overtreding, en herhaalde overtreding na 24 maanden: €1.000,- voor niet-bedrijfsmatige exploitatie en €2.500,- voor bedrijfsmatige exploitatie;

    • b.

      voor herhaalde overtreding binnen 24 maanden: €2.500- voor niet-bedrijfsmatige exploitatie en €5.000,- voor bedrijfsmatige exploitatie.

Artikel 7.1.2.6 Hardheidsclausule (Huisvestingsverordening)

Het college kan van het bepaalde in paragraaf 3.2.2 en in artikel 7.1.2.5 van deze verordening afwijken door te besluiten een aanvraag om een onttrekkingsvergunning niet te weigeren, als door bijzondere omstandigheden het strikt toepassen van deze bepalingen volgens het college zou leiden tot een onrechtvaardige uitkomst.

Artikel 7.1.2.7 Strafbepaling leidingen (Leidingenverordening)

Het overtreden van de artikelen 3.7.2.1, 3.7.2.3, tweede lid, 3.7.2.8, tweede lid, 3.7.2.10, eerste lid, en 3.7.2.13 wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maande of een geldboete van de tweede categorie.

Afdeling 7.2

Overgangsrecht

Paragraaf 7.2.1

Overgangsrecht

Artikel 7.2.1.1 Overgangsrecht
  • 1. In deze verordening zijn bepalingen uit de, middels raadsbesluit RV 20.0079, navolgende ingetrokken en gewijzigde verordeningen, beleidsregels en nadere regels opgenomen:

    • a.

      Algemene plaatselijke verordening gemeente Leiden 2020,

    • b.

      Beleidsregels en Nadere regels Terrassen 2019,

    • c.

      Nadere regels handelsreclame 2010,

    • d.

      Bedrijfs-en Pleziervaartuigenverordening Leiden 2017,

    • e.

      Ligplaatsenplan Bedrijfs- en Pleziervaartuigen 2017,

    • f.

      Bomenverordening Leiden 2015,

    • g.

      Nadere Regels uitvoering Bomenverordening Leiden 2015, versie februari 2018,

    • h.

      Bouwverordening 1992,

    • i.

      Erfgoedverordening Leiden 2017.

  • 2. Besluiten, genomen krachtens de in het vorige lid bedoelde bepalingen worden geacht besluiten krachtens het bepaalde in deze verordening te zijn.

  • 3. Aanvragen voor vergunningen waarop op het moment van inwerkingtreding van deze verordening nog geen beslissing is genomen, worden afgehandeld op grond van deze verordening.

Artikel 7.2.1.2 Overgangsrecht leidingen (Leidingenverordening)
  • 1. Voor leidingen die op de datum van inwerkingtreding van de Leidingenverordening 2012 aanwezig waren en in gebruik zijn, geldt de schriftelijke toestemming of vergunning op grond waarvan die leidingen zijn gelegd, als een vergunning krachtens deze verordening. Voorschriften die zijn verbonden aan een eerder verleende schriftelijke toestemming of vergunning zijn daarop niet van toepassing.

  • 2. Als het college van oordeel is dat een schriftelijke toestemming of een eerder verleende vergunning als bedoeld in het eerste lid niet voldoet aan de voorschriften bij of krachtens deze verordening, dan kan het college de leidingexploitant een termijn stellen waarbinnen hij het college meer informatie over de leiding moet geven of een vergunning moet aanvragen. Als de leidingexploitant dat niet doet komt de schriftelijke toestemming te vervallen op een tijdstip dat door het college wordt bepaald.

Artikel 7.2.1.3 Overgangsrecht markten (Marktverordening)
  • 1. De krachtens de Marktverordening Leiden 2015 vastgestelde wacht- en anciënniteitslijsten gelden als lijsten krachtens deze verordening.

  • 2. Degenen die op de dag van inwerkingtreding van deze verordening op de wacht- of anciënniteitslijst stonden, behouden de rechten die daaruit voortvloeien volgens de regels die op die dag gelden gedurende één jaar na de inwerkingtreding van deze verordening.

Afdeling 7.3

Slotbepalingen

Paragraaf 7.3.1

Slotbepalingen

Artikel 7.3.1.1 Nadere regels

Het college is bevoegd ter uitvoering van het bepaalde in deze verordening nadere regels vast te stellen.

Artikel 7.3.1.2 Inwerkingtreding
  • 1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2021.

  • 2. Paragraaf 3.2.2 en artikelen 7.1.2.5 en 7.1.2.6 vervallen op 1 juli 2024 en worden dan herzien.

Artikel 7.3.1.3 Citeertitel

Deze verordening kan worden aangehaald als Verordening voor de fysieke leefomgeving Leiden 2020.

Ondertekening

Gedaan in de openbare raadsvergadering van 8 oktober 2020,

de Griffier, de Voorzitter,

Bijlage 1. Begrippenlijst

  • 1.

    Aansluitleiding: Combinatie van perceelaansluitleiding en/of ontstoppingsstuk en/of terreinleiding;

  • 2.

    Aansluitpunt: Het punt waar de perceelaansluitleiding aansluit op het openbare riool. Bij openbare vrijvervalriolering betreft die de inlaat in de buis van het openbaar riool. Bij openbare drukriolering betreft dit de inlaat in de punt van het drukrioolgemaal;

  • 3.

    Aanvaardbaar woon- en leefklimaat: Een leefbare woonomgeving die aansluit bij voorwaarden en behoeften die in zijn algemeenheid daaraan worden gesteld;

  • 4.

    Adviescommissie Cultuurhistorie Leiden: De commissie of instantie die door het college is ingesteld om volgens het Reglement voor de Adviescommissie Cultuurhistorie Leiden het college te adviseren over de aanwijzing van monumenten, de toepassing van de Erfgoedwet, de bepalingen uit deze verordening met betrekking tot erfgoed en het monumentenbeleid. Het adviseren over het verlenen van vergunningen bij wijziging, verbouw of sloop van monumenten valt hier niet onder;

  • 5.

    Afgebakend bedrijfsonderdeel: Een onderdeel van een onderneming met een watergebonden bedrijfsactiviteit, die verschilt van de andere onderdelen van de onderneming. Een bedrijfsonderdeel heeft zijn eigen plannen, inkomsten, kosten en bedrijfsmiddelen en gebruikt deze om met goederen en/of diensten waarde toe te voegen voor zijn klanten;

  • 6.

    Anciënniteitslijst: De genummerde lijst van vergunninghouders van een vaste standplaats, met vermelding van de datum waarop de betrokkenen voor het eerst een vaste standplaatsvergunning werd verleend en met vermelding van de branche waartoe zij behoren of de artikelen die zij verhandelen;

  • 7.

    Artikelgroepen: Door het college vastgestelde lijst van producten die bij voorkeur op een markt worden aangeboden;

  • 8.

    Bedienvergunning: Een vergunning voor het serveren van eten en/of drinken bestemd voor consumptie ter plaatse aan personen werkzaam op het marktterrein;

  • 9.

    Bedrijfsvaartuig: Een vaartuig dat voornamelijk wordt gebruikt en bestemd is voor het uitoefenen van een beroep of bedrijf, of daarvoor bestemd is, waaronder begrepen: goederenvervoer, goederenopslag, rondvaarten en/of verhuur ten behoeve van de pleziervaart. Hieronder vallen ook vaartuigen die feitelijk niet geschikt zijn om zich door het water te verplaatsen, met uitzondering van terrasboten waar een terrasvergunning voor is verleend en waarvan de locatie de aanduiding “terrasboot” heeft in het vigerende bestemmingsplan;

  • 10.

    Beheerplan: Een beschrijving van de werkzaamheden die moeten worden uitgevoerd om individuele bomen, houtopstanden of samenhangende houtopstanden optimaal te laten ontwikkelen. Een beheerplan geldt voor 5, 10 of 15 jaar;

  • 11

    Biologische producten: Door Stichting Skal gecertificeerde biologische producten;

  • 12

    Beschermd gemeentelijk monument: Een onroerend monument dat is aangewezen op grond van deze verordening en:

    • a.

      een zaak betreft die van algemeen belang is vanwege haar schoonheid, betekenis voor de wetenschap of (cultuur)historische waarde, of;

    • b.

      een terrein betreft dat van algemeen belang is vanwege de aanwezigheid van overblijfselen, voorwerpen of andere sporen dat mensen daar in het verleden zijn geweest, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen;

  • 13

    Beschermde houtopstand: Een houtopstand die voldoet aan de in beleid vastgestelde criteria voor waardevolle bomen;

  • 14

    Bestendig beheer: Alle handelingen die door de eigenaar volgens een beheerplan worden uitgevoerd ten behoeve van het in stand houden van de vorm of functie en ter bevordering van de gewenste ontwikkeling van de houtopstand;

  • 15

    Bomen Effect Analyse: Een standaard beoordeling van de gevolgen van voorgenomen bouw of aanleg voor een boom op of in de buurt van het betreffende perceel, uitgevoerd door een boomtechnisch deskundige op basis van landelijke richtlijnen van de Bomenstichting;

  • 16

    Bomenfonds: Het door het college ingestelde fonds waarin vergunninghouders gelden storten ter uitvoering van in de omgevingsvergunning opgenomen voorschrift tot financiële compensatie van de houtopstanden die met de vergunning worden geveld; of ter uitvoering van handhavingsmaatregelen voor als een houtopstand zonder de benodigde vergunning of melding is gekapt en er geen herplantplicht op het perceel kan worden opgelegd;

  • 17

    Boom: Een houtachtig, opgaand gewas, levend of afgestorven, met een stamomtrek van minimaal 30 centimeter, gemeten op 130 centimeter boven het maaiveld. Bij meerstammigheid geldt de omtrek van de dikste stam;

  • 18

    Boom deskundige: Een natuurlijk persoon die in het bezit is van een geldig European Tree Technician-certificaat of vergelijkwaardig niveau;

  • 19

    Boomstructuur: Een lijn- of vlakvormige, ecologische of ruimtelijke functionele groep bomen die als eenheid te herkennen is, vaak in de midden- en/of zijbermen van een weg of langs een waterweg, of als onderdeel van een park, die als groep een meerwaarde voor de omgeving biedt;

  • 20

    Boomveiligheidscontrole: Visual Tree Assessment (VTA), uitgevoerd door een boomtechnisch deskundige;

  • 21

    Boomvormer: Een houtachtig gewas met één of meer hoofdtakken, dat kan uitgroeien tot een één- of meerstammige boom;

  • 22

    Bouwwerk: Een constructie van enige omvang van hout, steen, metaal, of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren, met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bouwwerkgebonden installaties. Hieronder valt niet een schip dat wordt gebruikt voor verblijf van personen en dat is bestemd en wordt gebruikt voor de vaart;

  • 23

    Buitenriolering: De afvoerleiding(en) met inbegrip van alle hulpstukken, stankafsluiters, zettingsconstructies, ontlastputten en verbindingen tussen gebouwaansluiting en perceelsgrens;

  • 24

    Collectieve festiviteit: Een festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;

  • 25

    College: Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiden;

  • 26

    Compensatieplan: Een document dat door het college is vastgesteld, waarin door de eigenaar en de vergunninghouder is aangegeven waar en hoe compensatie zal plaatsvinden van de houtopstand die wordt geveld. Bij het document is in ieder geval een tekening met maatvoering toegevoegd van de situatie voor en na het vellen;

  • 27

    Cultureel erfgoed: Materiële en immateriële bronnen uit het verleden, die in de loop der tijd door mensen, eventueel in wisselwerking met hun omgeving, tot stand zijn gebracht. Deze bronnen worden gezien als een weerspiegeling en uitdrukking van zich voortdurend ontwikkelende waarden, overtuigingen, kennis en tradities, en bieden een referentiekader aan de huidige en toekomstige generaties:

  • 28

    Dagplaats: De standplaats die per marktdag ter beschikking wordt gesteld aan een vergunninghouder, omdat deze niet als vaste standplaats is toegewezen dan wel ingenomen;

  • 29

    Dekschuit: Een bedrijfsvaartuig met een vlak en gesloten dek, zonder opbouw op aandrijving, dat niet wordt gebruikt als terrasboot waarvoor een terrasvergunning is verleend;

  • 30

    Drijvend voorwerp: Een drijvend bouwsel dat vanwege zijn bestemming in principe niet wordt verplaatst, met uitzondering van drijvende bouwsels die omgevingsvergunningplichtig zijn;

  • 31

    Drukriool: Het openbaar riool, voor de afvoer van afvalwater, exclusief hemelwater, waarbij het transport door het riool plaats vindt door middel van met pompinstallaties veroorzaakte druk;

  • 32

    Drukrioolgemaal: De rioolput van de gemeente, waar de terreinleiding op loost en het afvalwater in het drukriool wordt gepompt. Dit gemaal kan niet het hemelwater afvoeren;

  • 33

    Dunnen: verwijderen van boomvormers uit een houtopstand als onderhoudsmaatregel ter bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand, waarbij geen oppervlakte van de betreffende houtopstand verloren gaat, conform een vastgesteld beheerplan.

  • 34

    Duurzame gemeenschappelijke huishouding: Een vaste groep van personen tussen wie een band bestaat die het enkel gezamenlijk bewonen van een bepaalde woonruimte te boven gaat en die de bedoeling hebben om bestendig voor onbepaalde tijd een huishouden te vormen. Er dient sprake te zijn van een samenlevingswens tussen de personen die niet overwegend wordt bepaald door de beslissing om de betrokken woonruimte te delen;

  • 35

    Ecologisch waardevol groen: Een areaal natuurlijke vegetatie met een oorspronkelijk karakter;

  • 36

    Eigen toegang: Elke deur die direct toegang geeft tot de woning, bereikbaar via de straatzijde, dan wel vanuit een gemeenschappelijke verkeersruimte en die is voorzien van een van gemeentewege verleend huisnummer;

  • 37

    Gebruiksoppervlakte: Gebruiksoppervlakte als bedoeld in NEN 2580;

  • 38

    Gebouw: Een bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

  • 39

    Gebouwaansluiting: De buiten het gebouw gelegen overgang van de gebouwriolering op de buitenriolering, gelegen op een afstand van maximaal 0,5 meter vanaf het gebouw of zoveel korter dan een zettingsconstructie in de buitenriolering vereist;

  • 40

    Gebouwriolering: Stelsel van afvoerleidingen en ontspanningsleidingen, met inbegrip van alle hulpstukken, dakafvoeren, stankafsluiters, afdichtingen en bevestigingen – voor zover geen deel uitmakend van lozingstoestellen – dat zich binnen een gebouw bevindt, of buiten een gebouw voor zover het aan het gebouw is bevestigd;

  • 41

    Gebruiker: In het geval van riolering: de perceeleigenaar, de zakelijk gerechtigde van het perceel of de huurder die gebruik maakt van de aansluiting op het openbaar riool;

  • 42

    Geluidgevoelige gebouwen: Woningen en gebouwen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige gebouwen, met uitzondering van gebouwen behorende bij de betreffende inrichting;

  • 43

    Geluidgevoelige ruimte: Een ruimte binnen een woning die als slaap-, woon- of eetkamer is bestemd of daarvoor wordt gebruikt, evenals keuken van minimaal 11 m2;

  • 44

    Gemeentelijk beschermd stadsgezicht: Groepen van onroerende zaken die op grond van deze verordening als gemeentelijk beschermd stadsgezicht zijn aangewezen, omdat deze van algemeen belang zijn vanwege hun schoonheid, onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang, of wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde;

  • 45

    Gemengd stelsel: Het openbaar riool voor de afvoer van afvalwater, inclusief hemelwater;

  • 46

    Gescheiden stelsel: Het openbaar riool met een buizenstelsel voor de afvoer van hemelwater en een buizenstelsel voor de afvoer van het overige afvalwater;

  • 47

    Handboek Leidingen: Door het college vastgestelde of nader vast te stellen regels betreffende het aanleggen, het houden en verwijderen van kabels en leidingen;

  • 48

    Handelsreclame: Iedere openbare aanprijzing van goederen en/of diensten, waarmee kennelijk wordt beoogd een commercieel belang te dienen;

  • 49

    Herstructurering: Planmatig en veelal grootschalig ingrijpen in de gebouwde omgeving om verouderde en verloederde gebieden zodanig te vernieuwen dat zij voldoen aan de huidige eisen op het gebied van wonen, werken, recreëren en mobiliteit;

  • 50

    Hoogspanningslijn: Een leiding behorend tot het landelijk hoogspanningsnet, zoals bedoeld in de Elektriciteitswet;

  • 51

    Houder van een inrichting: Degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;

  • 52

    Houtopstand: Een zelfstandige eenheid van een of meerdere bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend;

  • 53

    HMRI-99: Handleiding meten en rekenen industrielawaai, van het ministerie van Vrom, uitgave 1999;

  • 54

    Huishouden: Een alleenstaande dan wel twee of meer personen die een duurzame gemeenschappelijke huishouding (willen) voeren. Alleenstaanden die bij elkaar wonen, vormen in de regel geen huishouden;

  • 55

    Huurprijs: Prijs die bij huur en verhuur is verschuldigd voor het enkele gebruik van een woonruimte, uitgedrukt in een bedrag per maand;

  • 56

    Huurprijsgrens: De subsidiabele huurprijs per maand zoals genoemd in de Wet op de huurtoeslag;

  • 57

    Incidentele festiviteit: Een festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;

  • 58

    Infrastructurele voorziening: Voor de geleiding van een leiding specifiek aangebrachte constructie, waaronder in ieder geval wordt verstaan: leidingentunnels en leidingenviaducten, en in infrastructuur aanwezige constructies waar ook leidingen in, op of aan kunnen worden bevestigd;

  • 59

    Inrichting: Inrichting type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer;

  • 60

    Inwoning: Bewoning van een woonruimte die onderdeel uitmaakt van een woonruimte die door een ander huishouden in gebruik is genomen;

  • 61

    Kamer: Een verblijfsruimte zoals bedoeld in artikel 1.1 van het Bouwbesluit 2012 (Stb. 2011, 416);

  • 62

    Kampeermiddel: Een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf;

  • 63

    Koopprijs: De prijs die voor de enkele koop van een woonruimte daadwerkelijk is of zal worden betaald;

  • 64

    Koopprijsgrens: De prijs van een woning onder de maximale koopsom zoals deze wordt genoemd in de Wet bevordering eigenwoningbezit;

  • 65

    Kwetsbare doelgroepen: Mensen die begeleid worden door maatschappelijke instanties en enige vorm van zorg ontvangen van maatschappelijke instanties;

  • 66

    Leiding: Een buis bestemd voor het transport van vaste stoffen, vloeistoffen en gassen, of een kabel gelegen in, op of boven de grond, met uitzondering van bovengrondse hoogspanningskabels, of in infrastructurele voorzieningen, met alle daarbij behorende voorzieningen, zoals mantelbuizen, kabelgoten, afsluiters, brandkranen, kasten, etc.;

  • 67

    Leidingexploitant: Degene onder wiens verantwoordelijkheid een leiding wordt aangelegd, beheerd of geëxploiteerd, waaronder tevens wordt begrepen degene die een vergunning voor het aanleggen van een leiding heeft aangevraagd;

  • 68

    Ligplaats: Een deel van het openbaar water waar het is toegestaan een vaartuig af te meren gedurende ten minste de periode tussen zonsondergang en zonsopkomst;

  • 69

    Ligplaatsvergunning: Een vergunning die door het college is verleend waarmee het is toegestaan een ligplaats in te nemen met een vaartuig of ander drijvend voorwerp;

  • 70

    Markt: De door het college ingestelde warenmarkt;

  • 71

    Marktmeester: De persoon die als zodanig is aangewezen door het college;

  • 72

    Meeloper: Een gegadigde voor een standplaats die zich heeft gemeld voor het innemen van een dagplaats;

  • 73

    Meeloperslijst: De doorgenummerde lijst van meelopers voor een dagplaatsvergunning, waarbij meelopers bij inschrijving hebben aangegeven of zij in aanmerking willen komen voor een vaste standplaatsvergunning;

  • 74

    NEN: Een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven norm;

  • 75

    NVTB: Nederlandse Vereniging van Taxateurs voor Bomen;

  • 76

    Omgevingsvergunning: Een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, en artikel 2.2, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

  • 77

    Ondergrondse obstakels: Bodemverontreiniging, materialen, objecten en stoffen die nadelige beïnvloeding van de staat van de aan te leggen of gelegde leiding tot gevolg hebben of kunnen hebben;

  • 78

    Ontstoppingsstuk: Voorziening die toegang geeft tot het inwendige van een leiding en waarmee beheer en onderhoud van de leiding van binnenuit mogelijk wordt;

  • 79

    Onttrekken: Het slopen of het gebruiken van een (deel van de) woning voor een ander doel dan permanente bewoning door één huishouden;

  • 80

    Onttrekkingsvergunning: De vergunning als bedoeld in artikel 21 van de Huisvestingswet 2014;

  • 81

    Onzelfstandige woonruimte: Een deel van een woning dat dient voor de huisvesting van één huishouden. Kenmerkend is niet het hebben van een eigen toegang, het gezamenlijke gebruik (met bewoners van andere onzelfstandige woonruimte in de woning) van sanitaire voorzieningen en/of een keuken met kooktoestel. Een onzelfstandige woonruimte kan uit meerdere kamers bestaan;

  • 82

    Openbaar riool: Buitenriolering zoals bedoeld in de NEN3215:2011, exclusief de aansluitleiding;

  • 83

    Openbare ruimte:

    • a.

      In geval van houtopstanden: een voor het publiek toegankelijke plaats. Hieronder vallen ook de weg, en erven en terreinen die niet kenbaar ten opzichte van de openbare weg zijn begrensd of afgescheiden door inrichting, beplanting of begroeiing;

    • b.

      In geval van leidingen: alle publiek openbare en toegankelijke – zij het mogelijk met restrictie – plaatsen binnen de gemeente Leiden;

    • c.

      In overige gevallen: een plaats die krachtens de bestemming of vast gebruik openstaat voor het publiek, met uitzondering van gebouwen of besloten plaatsen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet;

  • 84

    Openbare buitenriolering: De perceelaansluitleiding en het openbaar riool;

  • 85

    Openbaar water:

    • a.

      In geval van ligplaatsen voor bedrijfs- en pleziervaartuigen: alle wateren die, al dan niet met enige beperking, voor het publiek bevaarbaar of op een andere manier toegankelijk zijn, met uitzondering van bevaarbare en openbaar toegankelijke wateren die geen eigendom zijn van de gemeente;

    • b.

      In overige gevallen: alle wateren die voor het publiek bevaarbaar of op een andere manier toegankelijk zijn, met inbegrip van de wal;

  • 86

    Openbare weg: Alle wegen of paden die voor het openbaar verkeer open staan, inclusief de daarin gelegen bruggen en duikers, de paden, bermen of zijkanten die bij die wegen horen en de parkeerterreinen die aan die wegen liggen en die als zodanig zijn aangeduid;

  • 87

    Passantenhaven: Een gebied met ligplaatsen die zijn bedoeld voor pleziervaartuigen die op doorreis zijn en maximaal 72 uur in de gemeente Leiden verblijven, en waarvoor niet al voor een andere ligplaats binnen de gemeente Leiden binnenhavengeld wordt betaald en/of een ligplaatsvergunning is verleend;

  • 88

    Passantenplaats: Een ligplaats die is bedoeld voor pleziervaartuigen die op doorreis zijn en maximaal 24 uur in de gemeente Leiden verblijven;

  • 89

    Perceel: Een onroerende zaak, een stuk grond, al dan niet met bebouwing, die met erf en tuin een eenheid vormt;

  • 90

    Perceelaansluitleiding: Het deel van de aansluitleiding vanaf de perceelsgrens/ontstoppingsstuk tot aan het aansluitpunt op het openbare riool;

  • 91

    Pleziervaartuig: Een vaartuig dat is bestemd of wordt gebruikt voor recreatief gebruik, dan wel voor sportbeoefening;

  • 92

    Rechthebbende: In het geval van riolering: degene die krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot heeft van een op de riolering aan te sluiten en/of aangesloten perceel;

  • 93

    Reclameaanduiding: Elk opschrift, aankondiging of afbeelding op of aan een onroerende zaak, die gericht is op het maken van handelsreclame;

  • 94

    Religieus monument: Een onroerend monument dat eigendom is van een religieus genootschap en dat uitsluitend of grotendeels wordt gebruikt voor de uitoefening van godsdienst;

  • 95

    Rijksmonument: Monument of archeologisch monument dat is ingeschreven in het rijksmonumentenregister;

  • 96

    Standplaats:

    • a.

      In het geval van markten: De ruimte die voor de duur van de markt is aangewezen voor het uitoefenen van de markthandel;

    • b.

      In overige gevallen: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel. Hieronder wordt niet verstaan een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet en een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24 van de APV;

  • 97

    Standwerken: De activiteit waarbij de vergunninghouder publiek om zich heen verzamelt en dat publiek door een aansprekende uiteenzetting probeert over te halen tot de aankoop van een artikel;

  • 98

    Standwerkersplaats: De standplaats die per marktdag ter beschikking wordt gesteld om te standwerken;

  • 99

    Seizoensplaats: De standplaats die alleen beschikbaar is voor de periode van 5 oktober tot en met 4 april;

  • 100

    Terreinleiding: Deel van de aansluitleiding vanaf het gebouw tot aan de perceelsgrens/ontstoppingsstuk;

  • 101

    Vaartuig: Elk drijvend voorwerp, inclusief vaartuigen zonder waterverplaatsing, dat vanwege zijn drijfvermogen wordt gebruikt voor of bestemd is voor het vervoeren van personen of goederen te water, met uitzondering van woonschepen;

  • 102

    Vaste standplaats: De standplaats die voor onbepaalde tijd ter beschikking is gesteld aan een vergunninghouder;

  • 103

    Vellen: Alle handelingen niet zijnde bestendig beheer, zoals rooien, met inbegrip van verplanten, het voor de eerste keer knotten kandelaberen, of kandelaren, het voor de eerste keer omvormen naar hakhoutbeheer, het snoeien van meer dan 40% van een boomkroon in één keer, alsmede het verrichten van handelingen die de dood ten gevolge kunnen hebben of ernstige beschadiging of ernstige en onomkeerbare aantasting van de habitus waardoor de houtopstand zijn beeldbepalende karakter verliest kunnen veroorzaken. Onder vellen wordt niet verstaan het knotten of kandelaberen van wilgen, het knotten, kandelaberen, of kandelaren als periodieke onderhoudsmaatregel nadat de betreffende re) houtopstand al eens geknot, gekandelaberd of gekandelaard is, het uitvoeren van periodiek terugkerend hakhoutbeheer of het dunnen in een bosplantsoenvak als onderhoudsmaatregel;

  • 104

    Vergunninghouder: De natuurlijke- of rechtspersoon aan wie een vergunning is verleend;

  • 105

    Verkeersruimte: Ruimte anders dan een ruimte in een verblijfsgebied, een toiletruimte, een badruimte of een technische ruimte, bestemd voor het bereiken van een andere ruimte;

  • 106

    Wachtlijst: Een lijst die door het college wordt bijgehouden waarop belangstellenden die voor een ligplaatsvergunning in aanmerking willen komen, zich kunnen (laten) inschrijven;

  • 107

    Welstand- en Monumentencommissie Leiden: De commissie die als taak heeft het college te adviseren ten aanzien van:

    • a.

      de vraag of het uiterlijk of de plaatsing van een bouwwerk waarvoor een vergunningaanvraag is ingediend, in strijd is met redelijke eisen van welstand;

    • b.

      vergunningaanvragen voor wijziging, verbouw of sloop van beschermde rijks- of gemeentelijke monumenten;

    • c.

      conform het Reglement van orde voor de Welstands- en Monumentencommissie Leiden.

  • 108

    Wezenlijke voorzieningen: Douche- en/of badruimte, toilet en keuken;

  • 109

    Woningcorporatie: Toegelaten instelling als bedoeld in artikel 19 van de Woningwet die feitelijk werkzaam is in de gemeente;

  • 110

    Woningvorming: Het splitsen van een zelfstandige woonruimte in twee of meer woonruimten als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder d, van de Huisvestingswet 2014;

  • 111

    Woningvormingsvergunning: De vergunning als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder d, van de Huisvestingswet 2014;

  • 112

    Zelfstandige woonruimte: Een woning die dient voor de huisvesting van één huishouden. Kenmerkend voor de woning is de aanwezigheid van een eigen toegang tot de woning, eigen sanitaire voorzieningen en keuken met kooktoestel.

Bijlage 2. Ligplaatsenplan

Hoofdstuk 1 Inleiding

In het verleden werden ligplaatsenplannen opgesteld per categorie watergebruik. Dus een apart ligplaatsenplan voor iedere vaartuigcategorie. Er bestonden drie ligplaatsenplannen te weten:

  • 3.

    Ligplaatsenplan Pleziervaartuigen,

  • 4.

    Ligplaatsenplan Bedrijfsvaartuigen,

  • 5.

    Ligplaatsenplan woonschepen.

In dit ligplaatsenplan worden de eerste twee, het ligplaatsenplan pleziervaartuigen en het ligplaatsenplan bedrijfsvaartuigen samengevoegd. Het Ligplaatsenplan Woonschepen blijft buiten beschouwing omdat woonschepen sinds enige tijd planologisch worden geregeld en derhalve worden meegenomen bij (de actualisatie van) bestemmingsplannen. Het Ligplaatsenplan Woonschepen verliest daarmee stukje bij beetje zijn noodzaak en zal over afzienbare termijn overbodig zijn. Dit is mede ingegeven door de komst van het Omgevingsplan na de invoering van de Omgevingswet. Bij deze wet wordt geregeld dat alle regelgeving die de fysieke leefomgeving raakt opgenomen moet worden in het Omgevingsplan. Het opnemen van woonschepen in de bestemmingsplannen is een manier om daarop voor te sorteren.

Het opstellen van het Omgevingsplan zal niet voor de geplande invoering van de wet in 2021 plaatsvinden. Ligplaatsen voor bedrijfs- en pleziervaartuigen hebben naar hun aard thans geen plaats in een bestemmingsplan. Daarom is een werkwijze gelijk aan die voor woonschepen niet uitvoerbaar. Een herziening van het Ligplaatsenplan Bedrijfsvaartuigen 2009 en het Ligplaatsenplan Pleziervaartuigen 2010 kan echter niet wachten op een omgevingsplan. In de afgelopen jaren heeft zich een hele serie ontwikkelingen voorgedaan die een herziening van deze ligplaatsenplannen noodzakelijk maken. Dit betreft bouwontwikkelingen langs het water maar ook de aankoop door het gemeentebestuur van stukken water van onder andere het Rijk. Daarmee zijn er stukken openbaar water binnen de werkingssfeer van de verordening en de ligplaatsenplannen gekomen die nu niet in die ligplaatsenplannen zijn opgenomen. Tevens liggen er meerdere verzoeken tot (kleine) wijzigingen en zijn er ook binnen de gemeentelijke organisatie andere invalshoeken ontstaan over het gebruik van (delen van) het Leidse water.

Geschiedenis

De ligplaatsen zoals die zijn vastgelegd in de voorgaande ligplaatsenplannen zijn tot stand gekomen in een periode dat het water veel minder intensief gebruikt werd dan nu. Bij de vaststelling van met name het Ligplaatsenplan Bedrijfsvaartuigen 2009 is expliciet gekozen om de tot dat moment historisch gegroeide ligplaatsen vast te leggen en niet te kiezen voor een ander systeem of een herverdeling van plekken. Sinds de vaststelling van dat ligplaatsenplan is de (bedrijfsmatige) activiteit op het water alleen maar toegenomen. Niet alleen is het drukker geworden op het water door meer pleziervaart maar ook zijn er in de bedrijfsvaart ondernemers bijgekomen, zien bestaande ondernemers hun bedrijf groeien en bezoeken bedrijven van buiten Leiden steeds vaker de Leidse wateren. Slechts heel sporadisch verdwijnt er een bedrijf.

Op dit moment wedijveren ook verschillende vormen van gebruik om de beperkte hoeveelheid openbaar water in Leiden. Naast de vraag naar meer ruime voor de bedrijfsvaart is er een lange wachtlijst voor pleziervaartuigplekken en neemt het aantal passanten en varende bezoekers aan Leiden toe. Dit laatste is in lijn met een groeiend toerisme in de stad Leiden. Daarbij is er in de stad meer aandacht voor het water an sich maar ook voor alles wat zich om het water bevindt op cultureel maar ook op het gebied van groenontwikkeling. Het Singelpark is daar bij uitstek een voorbeeld van. Met dit ligplaatsenplan trachten we recht te doen aan de eisen van vandaag en zoeken we naar een balans tussen de rechten van de verschillende vormen van gebruik van het openbaar water. Voor dit ligplaatsenplan kiezen we niet voor een ingrijpende herstructurering van alle ligplaatsen. Dit nu te doen zou een te grote wijziging zijn tegen de achtergrond van een markt die continu in beweging is. Te meer omdat reeds eerder is vastgesteld dat rust op het water zou moeten gaan boven innovatie 1 . Dit ligplaatsenplan is dan ook conserverend van aard, echter niet zonder dat er de nodige wijzigingen worden doorgevoerd om een aantal geconstateerde problemen op te lossen. Ook voeren we een aantal algemene wijzigingen door die bevorderlijk zijn voor bedrijfsvoering van de verschillende bedrijfsvaartondernemers en voor het recreatief gebruik van de Leidse wateren.

Leeswijzer

Dit ligplaatsenplan beschrijft in hoofdstuk 2 de verschillende type walkanten van watergangen die worden onderscheiden. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 van het in dit ligplaatsenplan nieuw toegevoegde water beschreven welke status daaraan wordt gegeven en welke vormen van gebruik daar wordt toegestaan. In hoofdstuk 4 worden de wijzigingen ten opzichte van de voorgaande ligplaatsenplannen die in dit ligplaatsenplan worden doorgevoerd besproken en tot slot in hoofdstuk 5 worden de overige regelingen die met dit ligplaatsenplan worden getroffen besproken.

Kaart

Bij dit ligplaatsenplan hoort een kaart waarop alle watergangen en bijbehorende functies staan afgebeeld. Deze kaart heet: Ligplaatsenplan Bedrijfs- en Pleziervaartuigen 2017, d.d. 01-06-2018, met nummer Z/17/434605/1063790.

Hoofdstuk 2 Categorieën walkanten

In het Ligplaatsenplan Pleziervaartuigen 2010 waren de walkanten voorzien van een kleurcodering. Deze codering bestond uit de volgende vijf kleuren:

Rood: Geen ligplaatsen mogelijk

Geel: Ligplaatsen voor passanten

Groen: Ligplaatsen vergunninghouders

Paars: Particuliere wal

Bruin: Ligplaatsen voor Woonschepen, Bedrijfsvaartuigen en Terrasboten

Aan deze categorieën wordt in dit ligplaatsenplan een aantal wijzigingen aangebracht. Hieronder wordt per categorie de wijziging besproken.

Rood

Onder het Ligplaatsenplan Pleziervaartuigen 2010 waren specifieke watergangen of delen van watergangen om een verscheidenheid van redenen aangewezen als plekken waar geen ligplaatsen konden worden afgegeven. Dat kon te maken hebben met de staat van de oever en het soort oever maar ook bijvoorbeeld voor het vrijhouden van het aangezicht van monumenten. Daarnaast waren veel, vaak kleinere watergangen in het geheel niet aangeduid. In feite houdt dat ook in dat er daar geen ligplaatsen uitgegeven kunnen worden. Uit het oogpunt van eenduidigheid zal in dit ligplaatsenplan enkel worden aangegeven waar wel ligplaatsen mogelijk zijn. Op plekken waar niet is aangegeven dat er ligplaatsen mogelijk zijn zullen derhalve ook geen ligplaatsen worden uitgegeven. Dit betekent niet per definitie dat er niet (kortstondig) mag worden afgemeerd. Voor een afmeerverbod is een verkeersbesluit op basis van de Scheepvaartwet noodzakelijk en zal een locatie met bebording kenbaar moeten worden gemaakt. Dit valt derhalve ook buiten de werking van dit ligplaatsenplan.

Voorts werden onder het oude plan de commerciële of verenigingsjachthavens ook aangeduid met de rode kleur. Hoewel het klopt dat het college daar geen ligplaatsvergunningen verleend is het niet zo dat daar geen ligplaatsen mogelijk zijn. Deze ligplaatsen worden echter op een andere wijze door de rechthebbende verdeeld. Deze havens zullen daarom met een andere kleur worden aangeduid.

Geel

Onder ligplaatsen voor passanten werden onder het ligplaatsenplan pleziervaartuigen 2010 alle plaatsen waar passanten voor langere of kortere tijd een ligplaats in konden nemen geschaard. Onder de Verordening fysieke leefomgeving Leiden 2020 wordt een onderscheid gemaakt tussen de passantenhaven waar men over het algemeen een of meerdere nachten verblijft en overige plekken in de stad waar me alleen kortstondig ligt als passant, zowel op doorvaart als recreatief. Deze 2 verschillende categorieën krijgen derhalve onder het onderhavige plan een eigen aanduiding. De passantenhavens krijgen de kleur oranje en de passantenligplaatsen blijven geel.

Groen

Met de groene kleur worden de ligplaatsen voor pleziervaartuigen aangeduid. Hieraan vind geen wijziging plaats.

Paars

In het Ligplaatsenplan Pleziervaartuigen 2010 werd de kleur paars gebruikt om particuliere wal achter en aan woonhuizen aan te duiden. Deze vorm van particuliere wal blijft bestaan en met dit ligplaatsenplan voegen we twee sub categorieën van particuliere wal toe.

Particuliere wal achter of bij woonhuizen

Aan deze particuliere wal kan de bewoner van het perceel een aanvraag doen voor het aanleggen van één pleziervaartuig onder voorwaarde dat de breedte van het perceel achter of bij de woning niet wordt overschreden en op voorwaarde dat de doorvaarbaarheid van de watergang waarin de ligplaats is gewenst niet in gevaar komt. Om de reden van doorvaarbaarheid kan het voorkomen dat aan bepaalde stukken particuliere wal de status particuliere wal, zoals bedoeld in dit ligplaatsenplan, en de bijbehorende kleur niet wordt toegekend.

Particuliere wal bij appartementen e.d.

Op een aantal plekken in de stad bestaat de situatie dat de particuliere wal een perceel van een appartementencomplex of ander woongebouw met meerdere wooneenheden betreft. In beginsel komen dan alle eigenaren en/of bewoners van die wooneenheden in aanmerking voor een ligplaats. Gewoonlijk is er echter geen ruimte om iedereen een plek voor een vaartuig te geven. In de regel zou het dan zijn dat degene die zich het eerste meldt bij het college voor een vergunning die ook krijgt. Omdat een dergelijke werkwijze wellicht als oneerlijk kan worden gezien is het voor een Vereniging van Eigenaren van een pand mogelijk om een convenant met de gemeente af te sluiten om zo de verdeling van de ligplaatsen aan deze vorm van particuliere wal te reguleren.

Particuliere wal bij bedrijfspercelen

Op een aantal plekken in de stad bestaat de situatie dat de particuliere wal een bedrijfsperceel betreft. Bij een dergelijk perceel is het mogelijk dat de eigenaar of gebruiker een ligplaatsvergunning voor een pleziervaartuig aan particuliere wal aanvraagt. Hiervoor gelden dezelfde voorwaarden als bij een reguliere vergunning voor een pleziervaartuig aan een woning. Daarnaast is het mogelijk in het geval dat een bedrijf dat is gevestigd op het perceel dat grenst aan het water en dat vanaf dat perceel bedrijfsmatig een watergebonden activiteit uitvoert hiervoor een of meerdere ligplaatsen wenst. Met dit ligplaatsenplan bieden we de mogelijkheid dat het college voor watergebonden bedrijfsmatige activiteit een of meerdere ligplaatsvergunningen voor bedrijfsvaartuigen aan particuliere wal kan verlenen. Hierbij geldt dat de ligplaatsen de breedte van het perceel niet mogen overschrijden en dat het aan de beoordeling van het college is of deze watergebonden bedrijfsmatige activiteit en deze ligplaatsen wenselijk zijn op de aangevraagde locatie. Bij deze beoordeling kunnen verkeerstechnische zaken en een goede ruimtelijke ordening worden betrokken.

Bruin

Onder deze kleur werden alle ligplaatsen voor woonschepen, terrasboten en bedrijfsvaartuigen. Voor woonschepen en terrasboten geldt dat we die nu planologisch regelen. De delen van het water waarin deze liggen hebben of krijgen binnen het bestemmingsplan de bestemming die past bij het gebruik als woonschip of terras. Op die plek kan dan ook geen andere vorm van ligplaats mogelijk worden gemaakt. Aan een terrasboot is het niet toegestaan om vaartuigen aan te leggen in verband met de beperkingen die dat oplevert voor de doorvaart. Deze plekken zijn dus niet geschikt voor ligplaatsen van enig soort en zullen derhalve onder dit plan geen aanduiding meer krijgen.

Blijft over dat de kleur bruin enkel nog voor de ligplaatsen voor bedrijfsvaartuigen gebruikt wordt. Bij deze categorie is het mogelijk dat per (deel van een) watergang onderscheid wordt gemaakt voor welke type bedrijfsvaartuigen de ligplaatsen zijn bedoeld. We onderscheiden dan de volgende categorieën:

  • a.

    Passagiersschip type 1: een door een fossiele of organische brandstofmotor aangedreven vaartuig dat is ingericht en hoofdzakelijk wordt gebruikt voor het bedrijfsmatig vervoer van meer dan twaalf personen, de bemanning daaronder niet begrepen;

  • b.

    Passagiersschip type 2: een elektrisch aangedreven vaartuig dat is ingericht en hoofdzakelijk wordt gebruikt voor het bedrijfsmatig vervoer van meer dan twaalf personen, de bemanning daaronder niet begrepen;

  • c.

    Verhuurboot type 1: een door een fossiele of organische brandstofmotor aangedreven vaartuig voor maximaal twaalf personen, dat hoofdzakelijk wordt gebruikt voor bedrijfsmatige verhuur zonder bemanning aan wisselende personen gedurende korte perioden;

  • d.

    Verhuurboot type 2: een elektrisch aangedreven vaartuig, dat hoofdzakelijk wordt gebruikt voor bedrijfsmatige verhuur zonder bemanning aan wisselende personen gedurende korte perioden;

  • e.

    Verhuurboot type 3: een door spierkracht voortbewogen vaartuig, dat hoofdzakelijk wordt gebruikt voor bedrijfsmatige verhuur zonder bemanning aan wisselende personen gedurende korte perioden;

  • f.

    Rondvaartboot type 1: een door een fossiele of organische brandstofmotor aangedreven vaartuig dat is ingericht en hoofdzakelijk wordt gebruikt voor het bedrijfsmatig vervoer van maximaal twaalf personen, de bemanning daaronder niet begrepen;

  • g.

    Rondvaartboot type 2: een elektrisch aangedreven vaartuig dat is ingericht en hoofdzakelijk wordt gebruikt voor het bedrijfsmatig vervoer van maximaal twaalf personen, de bemanning daaronder niet begrepen;

  • h.

    Vrachtschip: een vaartuig, dat hoofdzakelijk wordt gebruikt voor het vervoer van goederen;

  • i.

    Sleepboot: een vaartuig, dat blijkens bouw en inrichting is bestemd of wordt gebruikt voor het slepen of duwen van andere schepen;

  • j.

    Dekschuit: een bedrijfsvaartuig met een gesloten en vlak dek, zonder opbouw of aandrijving dat niet in gebruik is als terrasboot waarvoor een vergunning in gevolge de Algemene Plaatselijke Verordening is verleend;

  • k.

    Duw- of beunbak: vaartuig zonder eigen voortstuwing, meestal zonder verblijfsruimten en met een vrij rechthoekige bouw, al dan niet voorzien van een beun, inhoudende een waterdicht ruim meest bedoeld voor het vervoer van zand, bagger en aanverwante lading;

  • l.

    Samenstel: een samenstel van een of meer duw- of sleepboten en een of meer andersoortige vaartuigen waarbij de duw- of sleepboten dienen voor het voortbewegen dan wel voor het voortbewegen en het sturen van de andersoortige vaartuigen;

  • m.

    Historische vaartuig: een varend vaartuig dat is opgenomen in het Register Varende Erfgoed Nederland (RVEN) of het Nationaal Register Mobiel Erfgoed (NRME) of door het college eveneens als behoudenswaardig wordt beoordeeld;

  • n.

    Historisch bedrijfsvaartuig: een Historisch vaartuig dat bedrijfsmatig wordt gebruikt.

De kleurcoderingen voor aanduidingen voor de kades die aangehouden worden in dit ligplaatsenplan zijn dan als volgt:

Groen: Ligplaatsen vergunninghouders

Geel: Ligplaatsen voor passanten

Oranje: Passantenhaven(s)

Paars: Particuliere wal

Bruin: Ligplaatsen voor Bedrijfsvaartuigen

Waarbij geldt dat daar waar geen kleur is aangegeven het innemen van een ligplaats niet mogelijk is en ligplaatsvergunningen niet worden uitgegeven.

Hoofdstuk 3 Nieuw water

Sinds de vaststelling van het Ligplaatsenplan Bedrijfsvaartuigen 2009 en het Ligplaatsenplan Pleziervaartuigen 2010 is er door de gemeente Leiden water aangekocht dat tot dan toe niet of niet geheel in het ligplaatsenplan was opgenomen. Ook is er water dat wel openbaar toegankelijk is én onder gemeentelijk beheer valt maar wat nog niet eerder was openomen in de ligplaatsenplannen. Deze wateren worden in dit ligplaatsenplan wel opgenomen en daar waar noodzakelijk voorzien van aanduidingen voor ligplaatsen. Het betreft de volgende watergangen:

Groenoord

Dit betreft het bevaarbaar water in de nieuwbouwwijk Groenoord, de op dit moment nog onbenoemde watergang waar de tuinen van de woningen aan de Lebeauhof direct aan grenzen. Achter deze woningen kunnen ligplaatsvergunningen voor pleziervaartuigen aan particuliere wal worden verleend. In verband met de breedte van de watergang kunnen aan de openbare wal aan de overzijde (Cornetkade en Evenementenlaan) geen vergunningen worden uitgegeven.

Oude Rijn

Dit betreft het water in de Oude Rijn tussen de Schrijversbrug (Zijlsingel) en de Sumatrabrug (Admiraalsweg). Dit water heeft een totale lengte van ongeveer 420 meter, 250 meter daarvan is particuliere wal en aan de westzijde van de Sumatrabrug aan de Willem Barentszstraat zijn al 2 ligplaatsen bedrijfsvaartuigen opgenomen in eerdere ligplaatsenplannen. Voor nieuwe ligplaatsen blijft daar dan ongeveer 150 meter over. Dit vertaalt zich in 10 ligplaatsen voor bedrijfsvaartuigen of 15 ligplaatsen voor pleziervaartuigen. Gezien de locatie en de voornamelijk bedrijfsmatige omgeving kiezen we ervoor om in het ligplaatsenplan deze watergang op te nemen als ligplaatsen voor bedrijfsvaartuigen. Op dit moment ligt er nog een aantal vaartuigen illegaal afgemeerd. Voordat er vergunningen voor ligplaatsen kunnen worden uitgegeven zal daar eerst handhavend tegen moeten worden opgetreden. Pas op het moment dat dat traject voldoende is afgerond zal er met de uitgifte worden begonnen.

Potgieterlaan

Dit betreft het water dat is gelegen tussen de Potgieterlaan en de spoorlijn Leiden Centraal – Leiden Lammenschans. Het water heeft een directe verbinding met De Rijn. Dit water heeft een lengte van ongeveer 330 meter en biedt daarmee plaats aan ongeveer 33 ligplaatsen voor pleziervaartuigen. In dit water liggen van oudsher al pleziervaartuigen. Hier werden echter geen vergunningen voor verleend door het college omdat dit water onder de oude verordening en ligplaatsenplannen niet binnen het havengebied viel. De vaartuigen die hier nu liggen, liggen er derhalve illegaal en komen in beginsel niet voor legalisering in aanmerking.

De Rijn

Dit betreft het gedeelte van de Rijn tussen de A44 en de Rijnzichtbrug. Dit water is grotendeels al opgenomen in het ligplaatsenplan pleziervaartuigen 2010. In verband met provinciale regelgeving moeten er enkele kleine wijzigingen in vooral de status van de openbare wal worden doorgevoerd. Dit betreft onder andere de Andrej Sacharovstraat waar in het ligplaatsenplan pleziervaartuigen 2010 een aantal ligplaatsen voor pleziervaartuigen is gerealiseerd. Hierbij is in het verleden abusievelijk vastgesteld dat dit ligplaatsen aan particuliere wal zouden zijn. Dit zal met dit ligplaatsenplan worden rechtgezet. Dit betekent dat in beginsel de ligplaatsen onder het reguliere regime komen te vallen. De op dit moment op dit locatie verleende vergunningen voor ligplaatsen behouden onder de nieuwe verordening hun status.

De Snorhaven

Dit betreft een inham van de Zijl aan het Steneveltpark. Ter plaatse zijn twee insteekhavens die behoorden bij de scheepswerf Boot die vroeger op deze locatie was gevestigd. Na het verdwijnen van de scheepswerf is ter plaatse een woongebouw gerealiseerd en zijn de oude insteekhavens als waterpartij bewaard gebleven. In de jaren 90 is door de gemeente Leiden en de woningbouwvereniging Zijl en Vliet, thans woningbouwvereniging De Sleutels, in de zuidelijke insteekhaven een haven met ongeveer 26 ligplaatsen gerealiseerd. De noordelijke insteekhaven is afgesloten voor vaartuigen en voorzien van wandel en vissteigers. Het water is in eigendom en beheer van de gemeente Leiden. In het in 1993 tussen de woningbouwvereniging en de gemeente gesloten convenant zijn afspraken gemaakt over de verdeling van rechten en plichten. Kortweg betekende dit dat de verhuur van de ligplaatsen en het dagelijks onderhoud door de woningbouwvereniging werd gedaan en al het overige door de gemeente. Met de komst van de Woningwet 2015 mag een corporatie als De Sleutels dergelijke activiteiten niet meer uitvoeren. Dit deel zal derhalve ook aan de gemeente worden overgedragen. Nadat er tussen de gemeente en de woningcorporatie afspraken zijn gemaakt over de overdracht zal aan de huidige houders van een ligplaats ambtshalve een vergunning worden verstrekt. Vooruitlopend op dit proces nemen we dit deel van het water vast op in dit ligplaatsenplan.

Veilingkade

Dit betreft het water dat is gelegen tussen het bedrijventerrein De Veiling aan de noordzijde en de Moerbeistraat aan de zuidzijde. De totale lengte openbare wal is daar ongeveer 250 meter en zou ruimte bieden aan zo’n 25 ligplaatsen voor pleziervaartuigen. Net als bij de Potgieterlaan liggen hier van oudsher al pleziervaartuigen. Hier werden echter geen vergunningen voor verleend door het college omdat dit water onder de oude verordening en ligplaatsenplannen niet binnen het havengebied viel. De vaartuigen die hier nu liggen, liggen er zonder enige vergunning of toestemming en komen in beginsel niet voor legalisering van hun ligplaats in aanmerking.

Hoofdstuk 4 wijzigingen ten opzichte van voorgaande ligplaatsenplannen

In dit hoofdstuk worden de wijzigingen besproken die worden doorgevoerd in dit ligplaatsenplan ten opzichte van het Ligplaatsenplan Pleziervaartuigen 2010 en het Ligplaatsenplan Bedrijfsvaartuigen 2009. Dit hoofdstuk is opgedeeld in een paragraaf over wijzigingen in bestaand water en een paragraaf over technische wijzigingen ten opzichte van de voorgaande ligplaatsenplannen.

4.1 Wijzigingen in bestaand water

Aalmarkt /Stille Rijn

Dit betreft de weerszijden van de Rijn tussen de nieuwe Catharinabrug en de Kippenbrug. Dit gedeelte komt door de oplevering van het Aalmarktproject in een ander licht te staan voor wat betreft de rol binnen het kernwinkelgebied en als verblijfsgebied. In dit ligplaatsenplan wordt er dan ook voor gekozen om hier meer mogelijkheden te creëren voor passanten om kortstondig af te meren. De bestaande vaste ligplaatsen voor pleziervaartuigen worden opgeheven. Hierbij zullen reeds verleende vergunningen niet worden ingetrokken maar er zal wel een uitsterfbeleid worden gevoerd. De gehele kade aan beide zijden van het water, met uitzondering van de hieronder te benoemden ligplaatsen voor bedrijfsvaartuigen, wordt aangewezen als passantenligplaats.

Aalmarktzijde

Er zijn aan de Aalmarkt in het Ligplaatsenplan Bedrijfsvaartuigen 2009 twee ligplaatsen voor bedrijfsvaartuigen ten westen van de Catharinabrug gesitueerd en een ligplaats voor een bedrijfsvaartuig ten oosten van de Catharinabrug tussen de brug en het Waaghoofd. Ten einde meer ruimte rond de Catharinabrug te creëren ten behoeve van passanten verplaatsen we twee ligplaatsen van de huidige locatie ter hoogte van de huisnummers 11-17 naar de locatie ter hoogte van huisnummers 3-7 en verplaatsen we de oostelijke ligplaats bedrijfsvaart naar locatie ter hoogte van de huisnummers 12-13.

Stille Rijnzijde

Er zijn aan de Stille Rijn in het Ligplaatsenplan Bedrijfsvaartuigen 2009 twee ligplaatsen voor bedrijfsvaartuigen direct ten westen van de Catharinabrug gesitueerd. Door aan de westzijde een ligplaats voor een bedrijfsvaartuig toe te voegen wordt een ruimtelijk probleem elders in de stad opgelost. De ondernemer die de toegevoegde ligplaats gaat innemen zal elders een aan hem vergunde ligplaats moeten inleveren.

Apothekersdijk

In dit deel van de Rijn zijn in een eerder ligplaatsenplan twee ligplaatsen voor bedrijfsvaartuigen en twee ligplaatsen voor pleziervaartuigen op dezelfde locatie vergund. Dit betreft de situatie ter hoogte van de huisnummers 28, 29 en 30 en moet worden rechtgezet. Uit dossieronderzoek blijkt dat de ligplaatsvergunningen voor pleziervaartuigen eerder zijn uitgegeven dan de vergunningen voor de bedrijfsvaartuigen. Daarbij zijn de ligplaatsen voor de pleziervaartuigen uitgegeven tegenover de woningen van de vergunninghouders. Dit betekent dat de ligplaatsen voor bedrijfsvaartuigen moeten wijken. Bij een inventarisatie ter plaatse blijkt een omvangrijke verplaatsingsoperatie zoals die in eerste instantie was voorzien niet noodzakelijk. Er blijkt in de praktijk voldoende ruimte voor het verplaatsen van de meest oostelijke ligplaats naar de westzijde van de drie oostelijke ligplaatsen. De situatie in dat rak wordt dan van west naar oost: een ligplaats voor bedrijfsvaartuigen, twee ligplaatsen voor pleziervaartuigen, twee ligplaatsen voor bedrijfsvaartuigen, vijf ligplaatsen voor pleziervaartuigen, drie ligplaatsen voor bedrijfsvaartuigen en vier ligplaatsen voor pleziervaartuigen. De overige vrije ruimte in dit rak is dan bestemd voor passanten.

Blauwpoortshaven , Turfmaktzijde

In dit deel van de Blauwpoortshaven liggen nu drie terrasboten. De uitbater van de terrasboot direct naast de Blauwpoortsbrug heeft de wens uitgesproken om deze terrasboot op te geven in ruil voor het aldaar afmeren van zijn bedrijfsvaartuig dat nu een ligplaats heeft in de Oude Singel. Voor de terrasboot is in het verleden een ligplaatsvergunning op basis van de Verordening op de bedrijfsvaartuigen 2010 afgegeven. Er zijn in beginsel geen bezwaren om de terrasboot op die locatie te laten vervallen en deze te vervangen voor een bedrijfsvaartuig met veel geringere afmetingen. Deze wijziging wordt met dit ligplaatsenplan dan ook doorgevoerd. Dit heeft wel tot gevolg dat de ligplaats in de Oude Singel van het betreffende bedrijfsvaartuig komt te vervallen, zie daarover ook hieronder onder Oude Singel.

Galgewater ter hoogte van de Rembrandtplaats

Ter plaatse zijn vier ligplaatsen voor bedrijfsvaartuigen gelegen waarvan er twee tegen een woonschip zijn gesitueerd en twee aan particuliere wal. Deze ligplaatsen waarvoor vergunningen waren uitgegeven voor verhuurboten en roeiboten zijn alleen bruikbaar en bereikbaar met toestemming van de eigenaren en bewoners van het woonschip en/of de woning. Dit maakt dat deze ligplaatsen niet uit te geven zijn als een reguliere ligplaats voor een bedrijfsvaartuig. Ook eventuele overdracht van deze plekken is door die beperking niet op de reguliere wijze mogelijk. Daarbij heeft de vergunninghouder in 2016 zijn ligplaatsvergunningen voor het grootste deel opgezegd. Zoals beschreven in hoofdstuk 2, worden ligplaatsen voor bedrijfsvaartuigen aan particuliere wal conform dit ligplaatsenplan op een andere wijze uitgegeven dan ligplaatsen voor bedrijfsvaartuigen aan openbare wal. Om die reden en gezien voornoemde beperkingen op de ligplaats zullen deze vier ligplaatsen niet in dit ligplaatsenplan als ligplaats voor een bedrijfsvaartuig terugkeren en krijgt de kade aldaar de aanduiding particuliere wal. Waarbij de twee ligplaatsen die gesitueerd zijn tegen het woonschip worden aangemerkt als “particuliere wal” zoals bedoeld in hoofdstuk 2 van dit ligplaatsenplan.

Galgewater ter hoogte van het Rembrandtpark

Ter plaatse is een ligplaats gesitueerd aan de waterzijde van een woonschip. Daarmee is deze plek alleen te bereiken vanaf of via het woonschip en alleen bruikbaar en bereikbaar met toestemming van de eigenaren en bewoners van het woonschip. Voor regulier gebruik als ligplaats bedrijfsvaartuig is deze niet geschikt. Deze plek was in een eerder ligplaatsenplan gerealiseerd voor een atelierschip. Deze plek wordt echter al vele jaren niet gebruikt. Met de Verordening fysieke leefomgeving Leiden 2020 en dit ligplaatsenplan wordt op ligplaatsen voor bedrijfsvaartuigen enkel watergebonden bedrijvigheid toegestaan. Een atelierschip zou daarom niet meer voor een vergunning in aanmerking komen. Om deze redenen verdwijnt met dit ligplaatsenplan deze ligplaats.

Galgewater ter hoogte van de Van der Tasstraat

Tegen de woning Van der Tasstraat 13 en deels tegen de openbare wal aan de Van der Tasstraat is in een eerder ligplaatsenplan een ligplaats voor een bedrijfsvaartuig mogelijk gemaakt. Deze locatie is ontstaan omdat de toenmalige bewoner een bedrijfsvaartuig had. Inmiddels is deze ligplaats al enige jaren niet meer in gebruik en is de betreffende vergunninghouder niet meer daar woonachtig. De ligplaats voor een bedrijfsvaartuig komt in dit ligplaatsenplan om die reden niet meer terug en de kade wordt aangemerkt als particuliere wal als bedoeld in hoofdstuk 2 van dit ligplaatsenplan.

Kom Annies

Het punt waarop de Oude Rijn en de Nieuwe Rijn samenkomen. Op deze plek is een nieuw drijvend terras beoogd op de plaats van het huidige terras van Annie’s Verjaardag. Daarnaast is de Waaghoofdbrug vervangen door de Catharinabrug en de walkant aan de zijde van de Stille Mare is heringericht. Dit noopt ertoe om anders te kijken naar de afmeermogelijkheden in deze kom. De afmeermogelijkheden waren eerder al beperkt. Aan de Stille Mare zijde was een op- en afstapplaats voor een rondvaartboot. Aan de Aalmarktzijde waren passantenplekken ingetekend in het Ligplaatsenplan Pleziervaartuigen 2010. De op- en afstapplaats voor de rondvaatboot is verplaatst naar een locatie verderop aan de Stille Rijn. De kade op die plaats is nu hoger gemaakt en grenst direct aan een terras van een horecabedrijf. Voor wat betreft de passantenplekken geldt dat deze weinig tot niet werden gebruikt door de hoogte van de kade. Door de gewijzigde locatie van de brug is het waaghoofd vrijgekomen. Door de hoge kade aldaar en door de aanwezigheid van een horecaterras op het waaghoofd is dat ook geen geschikte locatie voor het (tijdelijk) afmeren van pleziervaartuigen. In dit ligplaatsenplan zal dan ook de mogelijkheid voor (passanten)ligplaatsen op deze locatie niet terugkeren.

Meelfabriek

Dit betreft de kade van de Zijlsingel direct grenzend aan (het terrein van) de Meelfabriek. In het Ligplaatsenplan Pleziervaartuigen 2010 zijn hier geen ligplaatsen toegestaan. Op dit moment wordt de Meelfabriek ontwikkeld tot een combinatie van wonen, werken en leisure. Daar past mogelijk ook de noodzaak voor een of meerdere ligplaatsen bij. Daarom zal de betreffende kade de status “Particlier” (paarse kleur) krijgen. Zodoende ontstaat de mogelijkheid voor eigenaren en gebruikers om een ligplaatsvergunning te krijgen wanneer de doorvaarbaarheid en de overige belangen die de verordening en het ligplaatsenplan beogen te beschermen niet worden geschaad.

Oude Singel tussen de Turfmarktbrug en de Lijsbethbrug

In het water van de Oude Singel zijn drie ligplaatsen voor bedrijfsvaartuigen gesitueerd ter hoogte van de huisnummers 10 tot en met 26. De twee vergunninghouders voor deze ligplaatsen hebben beide wensen tot het wijzigen van de ligplaats. De ene wijziging betreft de verplaatsing van een bedrijfsvaartuig naar de Blauwpoortshaven (zie hierboven onder Blauwpoortshaven Turfmarktzijde). De andere wijziging is de wens om de twee bestaande ligplaatsen direct aansluitend te situeren en daarbij enkele meters in oostelijke richting te verplaatsen in verband met een obstakel dat zich onder de oppervlakte bevindt. De verplaatsing van een ligplaats naar de Blauwpoortshaven maakt deze wijziging mogelijk zonder dat daarmee ligplaatsen verloren gaan. deze wijzigingen worden in dit ligplaatsenplan vastgelegd.

Rijnoever

Dit betreft het water in de Rijn nabij de Rijnzichtbrug en grenzend aan het appartementencomplex Rijnoever 1 t/m 47. Op dit terrein is enige jaren geleden een appartementencomplex ontwikkeld. Hierbij zijn op de onderste woonlaag woningen gecreëerd die direct grenzen aan het water. Daarmee is een situatie ontstaan zoals bedoeld in het in hoofdstuk 2 beschreven “Particuliere wal achter of bij woonhuizen”. Deze locatie wordt in dit ligplaatsenplan met de paarse kleur aangeduid en kunnen er door het college op aanvraag vergunningen voor ligplaatsen voor pleziervaartuigen worden verleend.

Slaaghsloot

Tussen de Slaaghsloot en de Zijl ligt het Zijleiland. De zuidelijke punt van het Zijleiland is in particulier eigendom en krijgt in dit ligplaatsenplan de aanduiding particuliere wal.

Witte Singel ter hoogte van de Sterrenwacht

Dit is de kade van de witte Singel tussen de 5e Binnenvestgracht en de Vreewijkbrug. Dit terrein is in particulier eigendom (Universiteit Leiden) en is door de eigenaar herontwikkeld. Er worden hier woningen gerealiseerd. Een deel van deze woningen grenst aan het water van de Witte Singel Waar in voorgaande ligplaatsenplannen hier geen ligplaatsen waren toegestaan (kleuraanduiding: Rood) zal er in dit ligplaatsenplan de aanduiding Particuliere wal (Paars) worden opgenomen.

Zijlsingel

De kade aan de Zijlsingel tussen de Schrijversbrug en de Weverbrug was in het voorgaande ligplaatsenplan grotendeels aangewezen als ligplaats voor passanten, in het zuidelijk deel ter hoogte en tegenover de Meelfabriek waren vier ligplaatsen voor pleziervaartuigen en tot slot liggen er twee woonschepen. Gezien de toegenomen vraag naar ligplaats voor bezoekende grote passagiersschepen van het type (fiets)vakantieboot komen met dit ligplaatsenplan de ligplaatsen voor pleziervaartuigen te vervallen. Dit met dien verstande dat de op dit moment daar verleende vergunningen niet zullen worden ingetrokken maar dat daarvoor een uitsterfbeleid zal worden gehanteerd. De ter plaatsen aanwezige woonschepen worden planologisch geregeld in het bestemmingsplan Binnenstad.

4.2 Technische wijzigingen ten opzichte van het Ligplaatsenplan Pleziervaartuigen 2010

Technische wijzigingen in verband met gewijzigde inzichten met betrekking tot ruimtelijke aspecten. Het betreft hier met name wijzigingen in de aantallen ligplaatsen binnen een bepaald rak.

Raknummer BW04 gazon Coebelweg

Opnemen als particuliere wal

Raknummer DW04 Jo de Clerstraat

Doorvaarbaarheid, geen ligplaatsen meer toestaan

Raknummer MS04 Maresingel

wijzigen max aantal van 6 naar 5

Raknummer MS06 Maresingel

wijzigen max aantal van 12 naar 13

Raknummer NR12 Nieuwe Rijn

wijzigen max aantal van 8 naar 6

Raknummer NR17 Nieuwe Rijn

wijzigen max aantal van 15 naar 12

Raknummer OV07 Oude Vest

wijzigen max aantal van 16 naar 13

Raknummer SM03 Lorentzkade

wijzigen max aantal van 5 naar 6

Raknummer SM04 van den Brandelerkade

wijzigen max aantal van 7 naar 6

Raknummer SM05 Lorentzkade

wijzigen max aantal van 30 naar 25

Raknummer SM09 Lorentzkade

wijzigen max aantal van 10 naar 8

Raknummer TV07 Trekvliet

wijzigen max aantal van 30 naar 31

Raknummer VL01 Vliet

wijzigen max aantal van 2 naar 3

Hoofdstuk 5 Overige regelingen

5.1 Ligplaatsen bij Woonschepen

Voor woonschepen is de regelgeving zoals bepaald in het vigerende bestemmingsplan en / of de Verordening Woonschepen 2009 met het bijbehorende Ligplaatsenplan Woonschepen 2000 van toepassing. Die regelgeving stelt de eisen aan de afmetingen en het gebruik van de ligplaats voor het woonschip. Daarbij kan een bijboot inbegrepen zijn. Een bijboot is een klein vaartuig dat is bestemd en wordt gebruikt voor de bereikbaarheid en/of het onderhoud van het woonschip. Een bijboot is geen pleziervaartuig zoals bedoeld in de Verordening fysieke leefomgeving Leiden 2020 en dit ligplaatsenplan, een pleziervaartuig mag dan in beginsel ook niet binnen de ligplaats van het woonschip worden afgemeerd..

De ruimtelijke situatie rond een woonschip in openbaar water is vergelijkbaar aan de situatie “particuliere wal achter of bij een woonhuis” zoals beschreven in hoofdstuk 2 van dit ligplaatsenplan. Daarom is het begrijpelijk dat het in sommige gevallen voor de bewoners van woonschepen wenselijk is om een pleziervaartuig aan het woonschip af te meren. Met dit ligplaatsenplan maken wij het mogelijk dat het college aan eigenaren en gebruikers van een woonschip op aanvraag één ligplaatsvergunning voor een pleziervaartuig bij het woonschip verleend. Hierbij geldt dat bij realisatie van die ligplaats de doorvaarbaarheid en de overige belangen die de verordening en het ligplaatsenplan beogen te beschermen niet worden geschaad.

5.2 Op en afstapplaatsen bedrijfsvaartuigen

In het Ligplaatsenplan Pleziervaartuigen 2010 waren globaal een aantal aanduidingen opgenomen van locaties van op en afstapplekken voor bedrijfsvaartuigen. Dit betreffen openbare op en afstapplekken voor algemeen gebruik. Een aantal van deze plekken is ook als zodanig ingericht zoals bijvoorbeeld de Trouwsteiger bij het Stadhuis of de afmeerlocatie bij Stedelijk Museum de Lakenhal. Een aantal andere plekken hebben nooit de bedoelde functionaliteit gekregen en komen in dit ligplaatsenplan dan ook te vervallen. Tot slot is er een plek die niet opgenomen was in eerdere ligplaatsenplannen maar die wel deze inrichting en functionaliteit heeft. De in dit ligplaatsenplan opgenomen openbare op- en afstapplekken voor de bedrijfsvaart zijn:

  • De Blauwpoortshaven de steiger tussen Bloemenboot de Watertuin en Rederij Rembrandt;

  • De Morssingel ter hoogte van Park de Put;

  • De Oude Singel ter hoogte van Stedelijk Museum de Lakenhal;

  • De Oude Singel ter hoogte van de Leidse Schouwburg;

  • Het Rapenburg ter hoogte van het Academiegebouw;

  • Het Rapenburg ter hoogte van het Rijksmuseum voor het Rijksmuseum van Oudheden;

  • Het Rapenburg ter hoogte van het Universiteitsgebouw RAP70;

  • De Trouwsteiger in de Nieuwe Rijn ter hoogte van het Stadhuis;

  • De Maliebaan, ter hoogte van het gebouw van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Leiden aan de Witte Singel 1;

  • Zijlpoort, direct ten oosten van het terras, in de Oude Rijn.

5.3 Afmetingen ligplaatsen

De ligplaatsen voor bedrijfsvaartuigen zoals bedoeld in dit ligplaatsenplan hebben een standaard afmeting. Iedere ligplaats is een box met een lengte aan de kade van 12,5 meter en een breedte van 4 meter. Conform artikel 3.36 van de Verordening fysieke leefomgeving Leiden 2020 mag de vergunninghouder naar eigen inzicht gebruik maken van de ligplaats voor elk van zijn bedrijfsvaartuigen, mits hij daarbij de buitengrenzen van de individuele ligplaats niet overschrijdt. In het geval dat hij meerdere aaneengesloten ligplaatsen ten behoeve van bedrijfsvaartuigen heeft kan van het geheel van die ligplaatsen gebruik maken voor elke van zijn bedrijfsvaartuigen - inclusief de tussen iedere ligplaats geprojecteerde twee-meter vaartuigvrije zone - mits hij daarbij de buitengrenzen van de gezamenlijk aaneengesloten ligplaatsen niet overschrijdt. In voorkomende gevallen is er sprake van een afwijkende maat van een ligplaats, bijvoorbeeld indien de breedte van de watergang een smallere ligplaats noodzakelijk maakt om de doorvaart te garanderen of indien door lokale omstandigheden in het verleden een vergunning voor een afwijkende maatvoering is verleend. Voor die gevallen wordt maatwerk toegepast. Deze afwijkende maatvoering wordt in de bij dit ligplaatsenplan behorende tekening vermeld en in de voor die ligplaats verleende vergunning vermeld.

foto

Bijlage 3. Voorbeeldkaartjes terrassen

Voorbeeldkaartje 1.

foto

Voorbeeldkaartje 2

foto

Voorbeeldkaartje 3.

foto

Voorbeeldkaartje 4.

foto