Beleidsregel Groen loont!

Geldend van 06-10-2017 t/m heden

Intitulé

Beleidsregel Groen loont!

de raad van de gemeente Eersel

gelet op het artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;

b e s l u i t

vast te stellen de volgende beleidsregel:

Groen loont!

Integraal beleidsplan Landschap, Natuur & Groen - Gemeente Eersel 2017-2033

Beleidsregel Groen loont

Waar denkt u aan, als men het over groen heeft? Wat betekent groen voor u? Misschien heeft u de neiging te denken dat groen ons geld kost? Maar... weet u ook dat groen water opvangt, de luchtkwaliteit verbetert en ons voedsel geeft? We weten dat groen sport en beweging stimuleert, huizen in een groene omgeving meer waard zijn en dat het onze creativiteit prikkelt. Groen werkt daardoor kostenbesparend, levert zelfs economische winst op. Belangrijker nog: groen levert maatschappelijke winst op. Groen loont!

Voorliggend beleidsplan verbindt de thema's landschap, natuur en groen met elkaar in één integraal beleidsplan. Het plan geeft richting aan landschap, natuur en groen in een snel veranderende samenleving. Een samenleving in Nederland die steeds vaker participeert en initieert in het openbaar domein... in het groen. Een samenleving waarin gemeenten en inwoners elkaar steeds vaker weten te vinden in het groen. Een samenleving waarin we in Eersel samen kunnen werken aan duurzaam groen, want groen verbindt. Groen loont!

De titel "Groen Loont!" is rechtstreeks afgeleid van de publicatie Groen Loont!1, in 2011 uitgegeven door De Groene Stad. De Groene Stad is een soort denktank en stimulator tegelijk, het wordt ondersteund door de vakgroep Groen vanuit het bedrijfsleven en het ministerie van EZ. Groen Loont! is onderdeel van de filosofie van de Groene Stad, een groene filosofie dat ook wordt ondersteund door groene non-profitorganisaties. In de inhoudelijke teksten van dit beleidsplan is Groen Loont zonder "!" aangegeven om de leesbaarheid van de tekst te verbeteren.

1 Bron: Groen Loont! — Over maatschappelijke en economische baten van stedelijk groen

Samenvatting

In onze maatschappij is sprake van een toenemende (her)waardering voor de waarde van groen in een brede opvatting van dit begrip. Dan gaat het om de samenhangende waarde(ontwikkeling) van landschap, natuur en groen (hierna wordt het begrip "groen" gebruikt voor al deze drie thema's). Waarom deze waardering? Groen heeft een positieve betekenis voor gezondheid, welbevinden, economie en klimaat. Groen komt voor in de publieke en private omgeving. Groen stoort zich niet aan eigendoms- of gemeentegrenzen. Het hebben van een visie op en een gerichte ontwikkeling van groenwaarden leidt tot synergie op veel terreinen. Daardoor ontstaan aantrekkelijke baten voor onze Eerselse samenleving.

De basiskwaliteit van onze gemeente is groen. Daarmee hebben wij in Eersel groen goud in onze handen. Een zorgvuldige ontwikkeling van de onderliggende waarden vergroot deze "goudvoorraad". Dit komt ten goede aan de huidige generatie mensen die in Eersel wonen, mensen die Eersel bezoeken en bedrijven die hier gevestigd zijn. Maar misschien nog belangrijker zijn de komende generaties. Juist zij zullen nog meer hechten aan groene waarden als basis voor een door hen gewenst maatschappelijk leven en een sterke economische positie.

De rol van de gemeente is veelzijdig. Soms autonoom, soms als uitvoerder van tal van wetten en regels. Ook als het om groen gaat. Dit beleidsplan spreekt over de samenhang en de verschillende rollen en verantwoordelijkheden in het groen. Dit plan is mede tot stand gekomen door samenwerking met verschillende Eerselse inwoners en hun organisaties.

Beleidsplan Groen Loont stelt richtlijnen vast voor de inrichting, het beheer en de bescherming van landschap, natuur en groen in Eersel. Deze richtlijnen vinden hun vertaling in de verschillende specifieke besluiten over projecten, regelgeving en reacties op maatschappelijke ontwikkelingen.

Daarbij zijn twee verschillende invalshoeken:

  • 1.

    Maatregelen die de gemeente als eigenaar en beheerder van gronden zelf kan uitvoeren en maatregelen die de gemeente in de uitvoering van wetten en regels kan vragen/opleggen aan derden.

  • 2.

    Maatregelen ter ondersteuning, stimulering, begeleiding of facilitering van burgers en bedrijven gericht op de versterking van waarden van groen in onze gemeente.

Dit beleidsplan is een toetsingskader binnen de benoemde uitgangspunten en opvattingen. Het is leidend voor te nemen maatregelen en uit te voeren projecten (hoofdstuk 1). Met de vaststelling van dit beleidsplan stelt de gemeenteraad voor de komende jaren een uitvoeringsprogramma (hoofdstuk 7) vast met concrete uitvoeringsmaatregelen voor landschap, natuur en groen.

Uw gemeenteraad heeft in het verleden diverse bestuurlijke kaders vastgesteld in relatie tot groen. Die kaders hebben de basis gevormd voor dit beleidsplan. Die kaders zijn belangrijke ijkpunten en van grote waarde voor een goede sturing. Deze kaders zijn:

  • 1.

    Duurzaam Ruimtelijk Structuurbeleid gemeente Eersel (2004)

  • 2.

    Countdown 2010

  • 3.

    Structuurvisie Eersel (2011)

  • 4.

    Bosnota gemeente Eersel (2011)

  • 5.

    Beeldkwaliteitsplan Eersel (2012)

  • 6.

    Kwaliteitsplan Groen (2012)

  • 7.

    Toekomstvisie 2030- Kempisch wonen in een wereldregio (2013)

  • 8.

    Bomenbeleidsplan gemeente Eersel (2013)

  • 9.

    Duurzaamheidsbeleid gemeente Eersel (2017)

De afspraken in deze beleidsplannen zijn uitgangspunten geweest in voorliggend beleidsplan. In samenhang wordt nu zichtbaar wat de betekenis daarvan is. Beleidsplan Groen Loont bouwt daarop voort.

Beleid wordt ook voorgeschreven door landelijke en provinciale regels. In dit beleidsplan worden deze benoemd en de belangrijkste kaders worden besproken. In beleidsplan Groen Loont is geprobeerd zoveel mogelijk een praktische invulling te geven aan hoe dit in onze gemeente is en wordt uitgewerkt. Beleid gaat pas leven als het een zichtbare invulling krijgt. Conclusie is dat de laatste decennia een groot aantal maatregelen is genomen die nu al van grote waarde blijken voor de kwaliteit van Eersel als groene gemeente. Wat we zien, is dat maatregelen die op het moment dat zij zijn genomen, nog leidden tot discussie over belangen. Mogelijke toekomstige waarden vormen de basis van onze sterke groene uitgangspositie. Belangrijke kaders (en soms ook subsidiebronnen) zijn:

  • 1.

    Natura 2000

  • 2.

    Natuurnetwerk Nederland

  • 3.

    Beleid Ecologische Verbindingszones (EVZ)

  • 4.

    Structuurvisie Noord-Brabant (2014) en daarvan afgeleid beleid

  • 5.

    Natuurvisie (2014) en Natuurakkoord

  • 6.

    Wet natuurbescherming (2017)

  • 7.

    VN verdrag voor rechten van mensen met een beperking

  • 8.

    Stimuleringskader Groen Blauwe Diensten

  • 9.

    Programmatische Aanpak Stikstof

Bestuurlijk zijn rijk, provincie, waterschap en buurgemeenten belangrijke partners bij dit beleid. Toepassing van beleid op grond van al deze regels is geen statisch geheel. Waar onze samenleving verandert, wordt hier ook op ingespeeld. Groen houdt ook niet op bij onze gemeentegrenzen. Veel van wat wij beogen zullen we dan ook in samenhang en door goede bestuurlijke samenwerking realiseren. In dat opzicht is het voorliggend beleidsplan niet de eindbestemming van een te programmeren route, maar de start van een trektocht in de groene richting die u kiest.

Zo neemt beleidsplan Groen Loont u mee naar onze natuurhistorie en cultuurhistorie (hoofdstuk 2). De groenwaarde wordt vanuit dit perspectief benoemd en het belang om historische waarden in nieuwe tijden te blijven onderkennen en in te vullen met nieuwe maatregelen. Landschap, natuur en groen zijn niet meer te scheiden als het gaat om samenhang (hoofdstuk 3). Wel te onderscheiden als het gaat om concrete maatregelen en activiteiten. Integraliteit betekent niet dat een eenheidsworst aan maatregelen ontstaat. Het effect van alle afzonderlijke activiteiten en maatregelen is vaak aanvullend en elkaar versterkend: of het nu gaat om waterbeheersing, hittebestrijding, gezondheid, welzijn, milieu recreatie, energie, ecologie of economie. In beleidsplan Groen Loont wordt per thema (landschap, natuur en groen) een concrete uitwerking aangegeven (hoofdstukken 4 tot en met 8).

Een beleidsplan heeft pas zin als het een levend plan is. In de voorbereiding is actief in- en extern gesproken met belanghebbenden. Nadat de gemeenteraad het beleidsplan heeft vastgesteld blijft dit een belangrijk onderdeel van de uitvoering. En natuurlijk is het van belang resultaten te meten en nieuwe ontwikkelingen te vertalen (hoofdstuk 9 gaat hierover).

In het kort stelt u bij vaststelling van het beleidsplan de volgende richtinggevende beleidsdoelen (paragrafen 4.4, 5.3 en 6.1):

  • Thema Landschap

    • Sturing geven aan het integraal ruimtelijk beleid van de gemeente Eersel. Het vormt een "onderlegger" voor integrale ruimtelijke plannen, zoals de structuurvisie en het bestemmingsplan.

    • Het herstel, het behoud en de versterking van landschappelijke kwaliteiten voor een aangenaam woon- en leefklimaat. Dit wordt gerealiseerd door concrete richtlijnen over hoe de beeldkwaliteit van erven, agrarische bebouwing, recreatieterreinen en dorpsranden te verbeteren. Tevens wordt aandacht besteed aan de toegankelijkheid van het landschap vanuit de kernen.

    • Ruimte en vorm worden gegeven aan de dynamiek van het buitengebied van Eersel aan de hand van randvoorwaarden en richtlijnen voor een zorgvuldige inpassing van nieuwe ontwikkelingen, zoals: woningbouw in het buitengebied, nieuwe infrastructuur, natuurontwikkeling, recreatie en toerisme.

    • Het opstellen van een uitvoeringsplan dat kaders geeft voor de realisatie van ruimtelijke projecten en voor duurzaam landschapsbeheer. Waar mogelijk wordt dat gedaan in samenwerking met particulieren. Het uitvoeringsplan geeft tevens aanknopingspunten om prioriteiten te stellen, zoals de aanpak van bepaalde zoekgebieden en de keuze voor aanleg en herstel of het beheer van landschapselementen.

    • Realisatie van draagvlak door zorgvuldige communicatie. De inzet van de klankbordgroep met vertegenwoordigers van diverse belanghebbenden (agrariërs, inwoners, natuurgroepen en cultuurhistorie) bij de realisatie van dit beleidsplan, is al een concreet voorbeeld van creëren van draagvlak. Hun inbreng is in het plan herkenbaar. Dit beleidsplan bevat tevens een aanpak voor het stimuleren van de aanleg van erfbeplantingen en landschappelijke beplantingen.

  • Thema Natuur

    • De voltooiing van de nog te ontwikkelen en/of af te ronden natuurgebieden met de diverse samenwerkingspartners zoals provincie Noord-Brabant, waterschap De Dommel, buurgemeenten, terreinbeherende organisaties en de landbouwsector.

    • Het zorgvuldig en duurzaam onderhouden van natuurgebieden die in eigendom zijn van de gemeente op basis van vastgestelde beheerplannen.

    • Het proactief stimuleren en faciliteren van natuurbescherming in het algemeen en soortbescherming in het bijzonder door middel van advisering aan derden en het ondersteunen van natuur- en biodiversiteit bevorderende initiatieven van derden.

    • Behoud van biodiversiteit in Eersel en de aandacht voor biodiversiteit stimuleren en faciliteren.

    • Acties ter bevordering van de biodiversiteit:

      • a.

        waar mogelijk laten aansluiten op bestaande (natuur)plannen van de gemeente en andere organisaties en

      • b.

        op basis van een duurzame gebiedsgerichte benadering.

    • Uitvoering van een concreet uitvoeringsprogramma, waarbij de steenuil de ambassadeur is voor andere kwetsbare dier- en plantsoorten in met name het landelijke, agrarische buitengebied en de bebouwde omgeving. Voor de steenuil en de patrijs is het streven om in 2033 het aantal broedparen in gemeente Eersel te verdubbelen, met als peiljaar 2016.

  • Thema Groen

    • Het is belangrijk om in de zes kernen van Eersel voldoende ruimte te creëren voor de inrichting en het beheer van cultuurgroen om de ambities en taken te verwezenlijken.

    • Een goed ingerichte en onderhouden groene openbare ruimte dat voldoet aan de ambitie van de Toekomstvisie 2030 van gemeente Eersel.

    • Een aantrekkelijke, gevarieerde groene omgeving met meer kleur, geur en beleving, om het toonbeeld te vormen van hoe landelijk en groen wonen in De Kempen uit kan zien.

    • Investeren in een duurzame groene omgeving op het moment dat het groen versleten en aan vervanging toe is; en wanneer sprake is van nieuwe ruimtelijke projecten.

    • Investeren in het onderhoud van groen op voor een breed publiek zichtbare locaties door het kwaliteitsniveau op deze locaties naar kwaliteitsbeeld A (rapportcijfer 7-8) te verhogen.

foto

Figuur 1. Ook de VNG, Unie van Waterschappen en het IPO spelen tijdens de kabinetsformatie 2017 in op het Klimaatakkoord Parijs 2015, zoals dit pamflet laat zien.

1. Inleiding

De Nederlandse samenleving is volop in beweging. Een reeks van snel opeenvolgende veranderingen in de 21e eeuw op het vlak van maatschappij, economie, digitalisering en klimatologische omstandigheden heeft grote invloed op een adequate dienstverlening voor alle overheden, zoals de gemeente Eersel. Op regionale en lokale schaal oefenen deze ontwikkelingen ook grote druk uit op de fysieke leefomgeving en de openbare ruimte. In deze hectiek hebben landschap, natuur en groen een steeds belangrijkere rol op onder andere de rust, gezondheid en leefbaarheid van en voor mensen. Anderzijds is de druk op landschap, natuur en groen fors toegenomen door de groeiende vraag om fysieke ruimte voor woningbouw, landbouw, economische bedrijvigheid en ontspanning. Ook bezuinigingen en de afname van subsidies oefenen druk uit op het groen en de natuur. Ontwikkelingen die ten koste gaan van de kwaliteit en het areaal van landschap, natuur en groen. Groen vormt letterlijk en figuurlijk een essentiële buffer en een baken van rust tussen al deze ruimtelijke ontwikkelingen.

Het huidige Groenstructuurplan Eersel dateert van 1998. Dit plan richt zich vooral op de bebouwde kom en is opgesteld met de destijds beschikbare kennis en ambities. Het plan past onvoldoende in de huidige ontwikkelingen en is daardoor verouderd. Het Landschapsontwikkelingsplan is opgesteld in 2007 en is gericht op het buitengebied. Op basis van de huidige ontwikkelingen en situaties in gemeente Eersel, is het nodig om het plan te actualiseren. Het Biodiversiteitsplan van gemeente Eersel dateert van 2009 en richt zich vooral op het buitengebied en kleinschalige acties. De meeste acties zijn inmiddels uitgevoerd. Gezien het toenemende belang van en aandacht voor de biodiversiteit is het noodzakelijk een extra impuls te geven aan dit thema.2

Bovenstaande situatie vormt voor gemeente Eersel aanleiding om de thema's landschap, natuur en groen met elkaar te verbinden in één integraal beleidsplan en het een eigentijdse plaats te geven in een snel veranderende samenleving.

1.1.

Invloedrijke ontwikkelingen 2017: klimaatverandering en duurzaamheid

Tegelijkertijd met de opstelling en de besluitvorming van het beleidsplan Groen Loont vinden de formatiebesprekingen voor een nieuwe landelijke regering plaats. Tijdens deze besprekingen hebben alle partijen, die meedoen aan de formatie, nadrukkelijk uitgesproken dat de afspraken van het klimaatakkoord van Parijs 2015 gehaald moeten worden. De hoofdpunten van dit akkoord zijn:

  • Het verdrag3 treedt in werking als het door minstens 55 staten geratificeerd is die verantwoordelijk zijn voor minimaal 55 procent van de CO2-uitstoot.

  • Er komt zo snel mogelijk een eind aan de stijging van de uitstoot van broeikasgassen. Halverwege de 21e eeuw moet een evenwicht zijn tussen alle uitstoot van broeikasgassen en het vermogen van de natuur om ze te absorberen.

  • De opwarming van de aarde moet worden beperkt. De wereldwijde stijging van de temperatuur moet in 2100 beperkt zijn tot 2°C vergeleken met het niveau van vóór de opkomst van de industrie. Er wordt gestreefd om die stijging van 2°C, te verlagen tot 1,5°C.

  • Elke vijf jaar wordt het klimaatbeleid van alle landen geëvalueerd. De eerste controle vindt plaats in 2023.

  • Rijke, ontwikkelde landen moeten ontwikkelingslanden met geld helpen hun uitstoot te verminderen. Elk jaar moet er 91 miljard euro beschikbaar worden gesteld.

2 Bron: Projectplan Integraal beleidsplan Groen, Natuur & Landschap

3 Bron: Klimaatakkoord Parijs 2015

Het eerste punt is gehaald: 195 landen, waaronder Nederland, hebben het akkoord ondertekend. Bij het klimaatakkoord wordt een grote nadruk gelegd op de CO2-uitstoot en het terugdringen van de temperatuurstijging op aarde. Dat is niet voor niets, want deze twee factoren zijn met elkaar verbonden. CO2 is een reuk- en kleurloos gas in de natuur. Planten gebruiken zelf de CO2 en produceren zuurstof. CO2 komt vrij bij de verbranding van fossiele brandstoffen, zoals olie en aardgas. Vanaf de industrialisatie is door de grootschalige verbranding, de toename van transport en verkeer en de wereldwijde ontbossing de CO2-uitstoot fors toegenomen. Wordt deze uitstoot niet aangepakt, dan kan dit leiden tot een slechter en versterkt broeikaseffect, met als gevolg flinke milieuproblemen zoals sterkere klimaatverandering en aantasting van de natuur. Dit is de afgelopen decennia helaas praktijk gebleken en dat is nu goed te merken. Het klimaatakkoord heeft ook alles te maken met duurzaamheid. Duurzaamheid is de ontwikkeling die aansluit op de behoeften van heden zonder het vermogen van toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen. Dit komt in het kort op neer dat in een duurzame wereld mens (people), milieu (planet) en economie (profit) met elkaar in evenwicht zijn, zodat we de aarde niet uitputten. Wij moeten de aarde zo gebruiken dat toekomstige generaties ook plezier van hebben en dat op lange termijn de aarde het totaal van onze consumptie kan dragen.

Tijdens de formatiebesprekingen heeft het kabinet-in-oprichting oproepen tot een krachtig duurzaamheidsbeleid van diverse bedrijven gekregen, zoals ING, Schiphol, Gasunie, NS, RoyalHaskoningDHV, Bavaria, BAM, Auping en anderen (zie ook figuur 1). Zij stellen voor om bedrijven die schade berokkenen aan klimaat, natuur en milieu, de kosten van die schade door laten te berekenen in de verkoopprijzen van hun producten. Ook stellen zij voor om bedrijven (niet alleen, zoals nu, de grootste bedrijven) controleerbare duurzaamheidsverslagen te laten opstellen. Bevoordeel de duurzaamste bedrijven bij gunning van overheidsopdrachten. Samengevat betekent dit het ontmoedigen van de effecten die je wilt verkleinen en het belonen van de effecten die je wilt vergroten. Deze oproepen tonen aan dat de noodzaak voor een duurzaamheidsbeleid om de klimaatverandering te beperken, steeds beter wordt aangevoeld.

Tegen deze achtergrond van (inter)nationale politieke ontwikkelingen is het beleidsplan Groen Loont geschreven. De geschetste ontwikkelingen drukken mede hun stempel op de doelstellingen van voorliggend beleidsplan. De ontwikkelingen hebben in Eersel ook geleid tot het Duurzaamheidsbeleid Eersel. Beleidsplan Groen Loont en Duurzaamheidsbeleid Eersel hebben op een aantal belangrijke onderwerpen een nauwe verwantschap.

1.2.

Doelstelling en reikwijdte beleidsplan Groen Loont

Het beleidsplan Groen Loont geeft richtlijnen voor de inrichting, het beheer en de bescherming van landschap, natuur en groen in Eersel. Daarbij wordt samenhang gezocht met actuele thema's zoals klimaatverandering, duurzaamheid, leefbaarheid en biodiversiteit. Het beleidsplan haakt ook aan op bestaande aan groen gerelateerde plannen in Eersel die actueel zijn.

De hieruit af te leiden nevendoelen zijn: het informeren over en benadrukken van de maatschappelijke en economische waarden van groen; informeren over en benadrukken van waarden van groen voor de duurzaamheid, de klimaatverandering, de waterhuishouding en de biodiversiteit; en samenwerken met de samenleving voor de realisatie van een integraal beleidsplan dat draagvlak heeft en oog heeft voor beleving en veiligheid.

Het beleidsplan Groen Loont richt zich in beginsel primair op maatregelen die de gemeente als eigenaar en beheerder van gronden zelf kan uitvoeren. Niettemin wil gemeente Eersel met dit beleidsplan benadrukken dat zij proactief haar verantwoordelijkheid neemt door bij diverse projecten en maatregelen een stimulerende, begeleidende en/of faciliterende rol op te pakken en zo sturing geven binnen de regelgeving.

1.3.

Status beleidsplan Groen Loont

Het beleidsplan Groen Loont is een door de gemeenteraad vastgesteld beleid waarvan de status bindend is, vanaf het moment dat het is vastgesteld. Het beleid is vastgesteld voor de periode tot en met 2033, waarbij het aanhaakt op de periode van het huidige Bomenbeleidsplan. In 2033 kan het beleid rondom bomen ook worden geïntegreerd in mogelijk één op te stellen of te actualiseren nieuw beleidsplan landschap, natuur en groen. Tot die tijd wordt het beleidsplan om de vier jaar geëvalueerd, geactualiseerd en aan de raad voorgelegd. Dit zal ook nodig zijn in verband met de Omgevingswet die naar verwachting in 2019 in werking zal treden.

1.4.

Rol van de gemeente

Het is belangrijk om bewust te zijn van welke verschillende verantwoordelijkheden en rollen de gemeente heeft in de thema's landschap, natuur en groen. De gemeente heeft een:

  • Bestuurlijke verantwoordelijkheid: bijvoorbeeld door inspanningen te leveren voor de realisatie van de Natuurnetwerk Nederland (voorheen heette dit de Ecologische Hoofdstructuur).

  • Privaatrechtelijke verantwoordelijkheid: bijvoorbeeld door op eigen gronden ecologisch berenbeheer toe te passen ter bevordering van de biodiversiteit.

  • Rol als hoeder van de ruimtelijke kwaliteit: bijvoorbeeld bij (her)inrichting van woonwijken wordt rekening gehouden met voldoende areaal groen voor elke bewoner in de bebouwde kom.

  • Rol als grondeigenaar en beheerder: bijvoorbeeld de gemeentelijke bossen hebben een multidisciplinair beheer. Dit betekent dat altijd aandacht moet zijn voor houtproductie, natuur en recreatie, de aandacht kan nooit helemaal alleen naar één functie gaan.

  • Rol als medeontwikkelaar: bijvoorbeeld door op projectmatige basis met een samenwerkingspartner zoals het Waterschap zorgen voor een efficiënte waterberging, waarbij groen een bijdrage levert en dit groen tegelijkertijd ontsloten kan worden voor extensieve recreatie.

  • Rol als begeleider bij projecten: zodat groen en natuur voldoende ruimte krijgen om zich optimaal te ontwikkelen, bijvoorbeeld door bomen binnen de bebouwde kom voldoende groeiruimte te geven.

  • Rol als stimulerende en faciliterende dienstverlenende overheid: bijvoorbeeld door groene buurtinitiatieven te faciliteren in een soepele vergunningverlening of door actief informatie in te winnen bij lokale IVN-afdelingen en het Biodiversiteits-team Eersel. Of door het actief stimuleren van bewoners in het buitengebied om gebruik te maken van de subsidieregeling Groen Blauwe Stimuleringskader.

1.5.

Klankbordgroep en geraadpleegde organisaties

Een belangrijke rol in de totstandkoming van beleidsplan Groen Loont was weggelegd voor de klankbordgroep Groen Loont. In deze klankbordgroep zaten vertegenwoordigers van elf Eerselse belangengroepen die actief hebben nagedacht welke koers te volgen in het beleidsplan. Diverse adviezen van de klankbordgroep zijn rechtstreeks opgenomen of vertaald in beleidsplan Groen Loont. De klankbordgroep bestond uit vertegenwoordigers van de Dorpsraden Knegsel, Steensel, Vessem, Wintelre; de Leefbaarheidsgroepen Duizel, Eersel; de IVN afdelingen Bergeijk — Eersel, Veldhoven Eindhoven Vessem; Biodiversiteitsteam Eersel, ZLTO afdeling Eersel; en Heemkundevereniging Hooge Dorpen.

Bij sommige onderwerpen zijn ook andere gemeenten zoals Bergeijk, Bladel, Reusel - De Mierden, Hilvarenbeek en Oirschot geraadpleegd. Tot slot hebben twee externe adviesbureaus tekeningen, berekeningen en aanvullende adviezen gegeven.

1.6.

Leeswijzer

Het beleidsplan bevat negen hoofdstukken. Hoofdstuk 2 schetst de historie van de fysieke omgeving van Eersel, de beleidskaders die medebepalend zijn en een omschrijving van de drie beleidsthema's die in dit beleidsplan integraal zijn opgenomen. Hoofdstuk 3 benadrukt het belang van de integraliteit van groen, niet alleen de integraliteit tussen de drie thema's landschap, natuur en groen onderling, maar juist ook de samenhang die deze drie thema's hebben met veel andere beleidsthema's. Het derde hoofdstuk vormt het hart van beleidsplan Groen Loont. In de hoofdstukken 4, 5 en 6 zijn voor respectievelijk de beleidsthema's landschap, natuur en groen de thema specifieke beleidsdoelen, knelpunten en maatregelen aangegeven. In hoofdstuk 7 zijn de maatregelen voor de thema's landschap, natuur en groen nader uitgewerkt in een uitvoeringsprogramma. In hoofdstuk 8 zijn de financiële aspecten aangegeven. Hoofdstuk 9 gaat in op de communicatie en evaluatie die tijdens en na het tot stand komen van beleidsplan Groen Loont plaats vond en plaats zal vinden.

2. Historie, beleidskaders en thema's

De historie van Eersel, de vigerende beleidskaders en een goed begrip van de thema's landschap, natuur en groen zijn bepalend of invloedrijk voor de inhoud van beleidsplan Groen Loont. Gezamenlijk vormen historie, beleidskaders en thema's het raamwerk dat richting geeft aan de invulling van het beleidsplan.

2.1.

Historie van gemeente Eersel

De gemeente Eersel is door haar ligging geheel verweven met de natuurhistorische en cultuurhistorische ontwikkelingen van het Nederlandse deel van De Kempen. Deze historie is bepalend geweest voor het Eersel zoals we dat vandaag kennen.

2.1.1.

Natuurhistorie Kempenlandschap

Gemeente Eersel ligt geheel in het Belgisch — Nederlandse landschap De Kempen. De Kempen bestaan uit een licht glooiend dekzandplateau. Deze zandlandschappen zijn ontstaan onder invloed van de wind in de laatste ijstijd (Voets & Van den Berg, 2009). Het dekzandlandschap bestaat variërend uit een (licht) lemige, fijn zandige tot (grof) zandige en over het algemeen voedselarme bodem. De geologische ondergrond is gevarieerd door de doorsnijding van verschillende aardbreuken en steilranden die eveneens in de ijstijd zijn ontstaan. Gevolg hiervan is dat de water-doorlatendheid in de bodem sterk verschilt en dat werkt sturend in het ontstaan van inzijgingsgebieden (Hendriks et al, 2012). Na de laatste ijstijd zijn de beekdalen ontstaan door neerslag op het Kempisch plateau, waarbij het water via de oppervlakte en infiltratie en kwel in de dalen van het zandlandschap meanderde naar de Maas. Alle beken in het Nederlandse deel van De Kempen stromen in noordelijke richting. In gemeente Eersel zijn de laaglandbeken de Kleine Beerze, de Run, de Gender en de Bruggenrijt onderdeel van het beekdalensysteem de Dommel. Aan de westzijde van de beekdalen groeiden relatief veeleisende bomen als beuk, linde en iep, omdat de gronden door de hier aanwezige meer lemige bodems vaak vruchtbaarder waren dan aan de oostzijde. Aan de oostzijde van de beekdalen overheerste de berk, terwijl in het beekdal zelf de broekbossen uit els, wilg en es bestonden. Op de hogere dekzandruggen groeide ook eik. In de bovenloop van de beken groeide veen als gevolg van de slechte afwatering. Bij veel regenval traden de beken vaak buiten hun oevers. Het water bevatte veel vruchtbare beekslib dat neersloeg op de overstroomde gronden (Verdonk, 2016).

2.1.2.

Cultuurhistorie Kempenlandschap

De natuurhistorie van De Kempen is van grote invloed geweest op hoe de mens het landschap in gebruik heeft genomen. De menselijke ontginningen van dit gebied zijn begonnen door de toenemende bevolkingsgroei vanaf circa 1000 na Chr. en oefende invloed uit op het Kempische Landschap (Verdonk, 2016). In de Middeleeuwen ontstond in Noord-Brabant een landschap vol gehuchten met zeer kleinschalige ontginningen.

Door eeuwenlange veranderende machtsstructuren en (zeer) geleidelijke technologische ontwikkelingen veranderde ook heel geleidelijk de concentraties van kleine nederzettingen in het Kempische landschap.

De vroegmiddeleeuwse nederzettingen lagen vooral langs de relatief vruchtbaardere westzijde van de beekdalen (Verdonk, 2016). De huidige dorpen in Eersel vallen van oorsprong onder het dorpstype 'akkerdorpen'. Akkerdorpen ontstonden altijd dichtbij bouwlanden (akkers), graslanden (beemden) en woeste gronden (heide en bossen).

Deze dorpen konden afhankelijk van het ontwikkelingsproces de vorm aannemen van lintbebouwing en/of radiale verkaveling waarbij kerken of driehoekige restruimtes tussen de akkers (een zogenaamde plaatse) kenmerkende elementen waren en het herkenbare middelpunt van de nederzettingen vormden (Hendriks et al, 2012). De interactie tussen het Kempisch landschap en de mens resulteerde in een aantal landschapsontginningstypen:

  • Het essen-kampenlandschap: kleinschalige percelen met kleine buurtschappen met opbollende essen. Heidevelden en bossen werden begraasd door het vee en het vee zorgde voor mest die nodig was voor de kleine akkers. Door het jarenlange uitrijden van met mest verzadigde plaggen, kwamen de akkertjes wat hoger in het landschap te liggen (essen). Deze essen werden omringd door houtsingels, houtwallen of hagen om het vee uit de akkers te weren (Caspers et al, 2005). De nederzettingen ontstonden op de overgang van de relatief lagere beekdalen naar de relatief hogere wilde gronden (heide en bossen).

  • Het beekdallandschap: de beekdalen voorzagen de bewoners van water en weide- en hooi-gronden. De lange, smalle percelen in het beekdal met zijn natte ondergrond werden als erfgrens omringd door kavelsloten en greppels, al dan niet met beplanting. Qua biodiversiteit was de soortenrijkdom op de woeste gronden relatief arm, terwijl de beekdalen juist erg soortenrijk waren (Caspers et al, 2005; Hendriks et al, 2012; Verdonk, 2016).

  • Het stuifduinlandschap: op de woeste gronden ontstonden lokaal door de overbegrazing van de heide en het te intensieve plaggen van de heide, kale open landschappen waarbij de wind vrij spel had en de zandige ondergrond begon te verstuiven. Deze zandverstuivingen veroorzaakten problemen bij de aangrenzende akkers en naburige dorpen, omdat deze onderstoven (Voets & Van den Berg, 2009). Dit landschapstype komt nagenoeg niet voor in gemeente Eersel.

  • Het heideontginningslandschap: door verbeterde landbouwtechnieken en vooral door de in-trede van kunstmest veranderde het landschap in grote delen van De Kempen. De woeste gronden en de beekdalen werden vanaf eind 19e eeuw op grote schaal ontgonnen. Land-bouwpercelen werden grootschaliger en beken werden recht getrokken. Op de hoger gelegen gronden verdwenen de heidevelden op grote schaal voor landbouw en de slechtste (heide)gronden voor bossen (Hendriks et al, 2012). Door deze ontginningen begon de biodiversiteit af te nemen.

2.1.3.

Kempen 2000

Vanaf de 2e helft van 20e eeuw tot vandaag de dag is het Kempisch landschap drastisch veranderd door de voortgaande schaalvergroting van de landbouw en de toenemende verstedelijking in de vorm van groter wordende dorpen, industrieterreinen en de verfijning en toename van de wegen-structuren. De Kempen werden op grote schaal ontwaterd en bemest. Hierdoor krijgt dit landschap in toenemende mate last van overbemesting en verdroging. De biodiversiteit is in De Kempen fors afgenomen. Ontwikkelingen in het landschap om de natuur ruimte te geven en mogelijkheden te creëren voor recreatie, hebben eveneens geleid dat het landschap in een halve eeuw tijd is veranderd ten opzichte van het oude (cultuur)historische landschap. Niettemin lijken de laatste jaren dergelijke natuurherstelmaatregelen in elk geval de landelijke achteruitgang van de biodiversiteit af te remmen (Van Strien & Verweij, 2014), van specifiek De Kempen is dat nog niet bekend. Na de Tweede Wereldoorlog werden in de steden en in de dorpen groene ruimtes gecreëerd in de vorm van parken, plantsoenen, gazons en bomen om de stedelijke omgeving leefbaarder en gezonder te maken. Dergelijke groene ruimtes blijken in toenemende mate ook belangrijk te zijn voor met name de fauna van Nederland.

2.2.

De beleidskaders

Een aantal vigerende beleidsplannen van gemeente Eersel zijn mede bepalend voor de thema's landschap, natuur en groen in dit beleidsplan. Hieronder volgt een beknopte uiteenzetting, waarbij achter elk (beleids)plan het jaar van vaststelling staat vermeld.

2.2.1.

Landelijke kaders

De Rijksoverheid kent een aantal belangrijke wettelijke kaders op het gebied van natuurbescherming en natuurbeleid die van invloed zijn op beleidsplan Groen Loont en andere gemeentelijke beleidsplannen. Doel van dit Rijksbeleid is om natuur en landschap beter te beschermen. Vaak liggen ook internationale afspraken hieraan ten grondslag. Ook andere landelijke beleidskaders oefenen invloed uit op voorliggend beleidsplan. Het betreffen de volgende beleidskaders.

Natura 2000 (N2000) 4

Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden en omvat alle gebieden die zijn beschermd op grond van de Europese Vogelrichtlijn van 1979 en de Habitatrichtlijn van 1992. Dit netwerk van N2000-gebieden vormt de hoeksteen van het Europese beleid voor behoud en herstel van de biodiversiteit. Het netwerk draagt daarom ook bij aan soortenbescherming. De aanwezigheid van een N2000-gebied heeft invloed op plannen op het gebied van ruimtelijke ordening en verkeer en vervoer. Het biedt ook kansen voor bijvoorbeeld recreatie. In gemeente Eersel zijn de volgende drie gebieden aangewezen als Natura 2000: Groot en Klein Meer, de Run en Kleine Beerze.

4https://nl.wikipedia.orci/wiki/Natura 2000

Natuurnetwerk Nederland (NNN) 5

Het Natuurnetwerk Nederland is een samenhangend Nederlands netwerk van bestaande en toekomstige natuurgebieden en vormt een belangrijk onderdeel van het nationale natuurbeleid. De NNN gebieden sluiten aan op de N2000-gebieden. Doel is om de biodiversiteit in Nederland te stabiliseren en verdere achteruitgang tegen te gaan. Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor natuurbeleid. NNN gebieden bestaan uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones. Kerngebieden zijn onder andere natuurterreinen, landgoederen en bossen. In Eersel zijn dat bijvoorbeeld Rouwven, Buikheide, Wolfshoeksche Heide, De Pan en Cartierheide. Natuurontwikkelingsgebieden zijn gebieden met goede mogelijkheden voor het ontwikkelen van nationaal en/of internationaal belangrijke natuurwaarden. In Eersel zijn dat bijvoorbeeld de beekdalen van Kleine Beerze en de Run.

5 https://nl.wikipedia.orci/wiki/Ecolociische hoofdstructuur (Nederland)

Ecologische Verbinding Zones (EVZ) 6

Ecologische verbindingszones zijn gebieden die kern- en natuurontwikkelingsgebieden aan elkaar verbinden. De leefgebieden van kwetsbare en vaak ook zeldzame soorten in Nederland zijn door het intensieve landgebruik versnipperd geraakt. Door geïsoleerd geraakte populaties van flora en fauna met elkaar te verbinden, is genetische uitwisseling mogelijk en wordt behoed dat een soort kan uitsterven. Er zijn allerlei verschillende vormen van EVZ's die variëren van natuurlijke, landschappelijke elementen tot kunstmatige elementen. Voorbeelden van natuurlijke, landschappelijke elementen zijn natuurlijke oevers van waterlopen, poelen, brede bermen en houtsingels. In Eersel zijn dat onder andere het Boterpad en de bovenlopen van Bruggenrijt, de Run, de Gender en Klei-ne Beerze. Voorbeelden van kunstmatige elementen zijn ecoducten, amfibieëntunnels en vis- en wildtrappen. In Eersel zijn onder andere amfibieëntunnels te vinden in de Merenweg en bij het Rouwven.

6 https://nl.wikipedia.oro/wiki/Ecolociische verbindingszone

Natuurvisie (2014) en Natuurakkoord

Het Rijk heeft in 2014 het natuurbeleid tot 2024 vastgesteld in de Natuurvisie. Centraal hierin staat een andere benadering van het thema Natuur. De visie formuleert dat natuur midden in de samenleving thuishoort en niet alleen in beschermde natuurgebieden. Hierbij is ook sprake van gedeelde verantwoordelijkheid. Het Rijk is verantwoordelijk voor kaders en ambities en de provincies zien toe op invulling en uitvoering van het beleid. Deze afspraken zijn verankerd in het Natuurakkoord.

Wet natuurbescherming ( Wnb , 2017)

Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt drie wetten, namelijk de Boswet, de Natuurbeschermingswet en de Flora- en faunawet. De Europese Unie eist van Nederland dat het een meer proactieve rol neemt in natuurbescherming. Deze eis is in de Wnb verankerd in Artikelen 1.7 en 1.12. De artikelen geven aan dat de provincie zich actief moet inzetten op bescherming en/of herstel van leefgebieden van rode lijstsoorten, dus niet alleen de wettelijke beschermde soorten. Dit is een wettelijke taak voor alle overheden en organisaties. Provincie Noord-Brabant moet als verantwoordelijk bevoegd gezag voor naleving van de Wnb, een voorttrekkersrol vervullen om behalve passieve ook actieve natuurbescherming uit te voeren. Deze rol vertaalt zich onder andere in subsidiëring van natuurontwikkeling via het Groen Ontwikkelfonds Brabant en groene handhaving door Omgevingsdienst Brabant Noord.

VN verdrag voor rechten van mensen met een beperking

Op 14 juli 2016 is het VN verdrag voor rechten van mensen met een beperking in Nederland gerati-ficeerd. Met deze wet heeft de gemeente de verplichting iedere voorziening voor iedereen met of zondering een beperking toegankelijk wordt gemaakt. De gemeente heeft de plicht om bij de (her)inrichting van de openbare ruimte hiermee rekening te houden.

Programmatische Aanpak Stikstof (PAS, 2015)

De PAS is een gezamenlijke, samenhangende en wettelijke aanpak van alle betrokken overheden op gemeentelijk, provinciaal en rijksniveau. De PAS bevat maatregelen die leiden tot een afname van stikstofdepositie en maatregelen die leiden tot een versterking van de natuurwaarden in de Natura 2000-gebieden. Door deze maatregelen kunnen in en rondom de Natura 2000-gebieden nieuwe economische activiteiten, zoals bedrijfsuitbreidingen die stikstofdepositie veroorzaken, worden toegelaten.

2.2.2.

Duurzaam Ruimtelijk Structuurbeeld (2004) en Structuurvisie Eersel (2011)

In het Duurzaam Ruimtelijk Structuurbeeld van gemeente Eersel 2004 (DRS) is een ruimtelijk-functionele visie per kern opgesteld dat zorgvuldig ruimtegebruik en een kwaliteitsverbetering beoogt. In het gemeentelijk volkshuisvestingsbeleid is hierbij het credo "inbreiden vóór uitbreiden" van kracht. Eén van de doelen van het DRS is om in de kernen de groen- en waterstructuren te versterken. Het DRS geeft de belangrijke groen- en waterstructuren per kern aan.

Waar de DRS zich alleen op de kernen richt, is de Structuurvisie Eersel (SVE) gericht op de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied. De SVE is een integrale visie die bestaande ruimtelijke visies van het buitengebied in de gemeente aan elkaar koppelt en aanvult met een uitvoerings- en exploitatieparagraaf. De SVE legt de verbinding tussen: Bestemmingsplannen, Gebiedsvisie Bebouwingsconcentraties, Sloopstimuleringsregeling voor sloop van overtollige gebouwen, Landschapsontwikkelingsplan en de Agenda van de Kempen voor de uitvoering van reconstructieprojecten. Doel van de SVE is om mogelijkheden te scheppen voor ruimtelijke ontwikkelingen en tegelijk kwaliteitsimpulsen te geven aan het buitengebied om de stedelijke druk vanuit Eindhoven op te vangen en om te voldoen aan de wens om landschappelijke waarden te behouden.

2.2.3.

Beleidstukken bossen en natuurgebieden Eersel

De diverse bospercelen en/of natuurterreinen binnen de gemeentegrenzen van Eersel zijn in eigendom van verschillende eigenaren. Dat varieert van: particulieren, Het Brabants Landschap, Natuurmonumenten, waterschap De Dommel, Brabant Water, de gemeenten Eersel, Bergeijk, Bladel en Veldhoven, provincie Noord-Brabant tot De Staat. Binnen haar eigen gemeentegrenzen heeft gemeente Eersel circa 1.150 ha bos en natuur in eigendom. Van dit areaal beheert Staatsbosbeheer via een langdurige erfpachtconstructie circa 500 ha bos en natuur en wordt circa 650 ha door de gemeente zelf beheerd. Dit zelfstandige beheer is uitbesteed aan Bureau van Nierop. De gemeente heeft als grondeigenaar rechtstreeks zeggenschap over de door Staatsbosbeheer en Bureau van Nierop beheerde bossen en natuurterreinen. Beide partijen zijn verplicht om circa elke 10 jaar een nieuw/vernieuwd beheerplan respectievelijk bosnota aan gemeente Eersel ter vaststelling voor te leggen. Vervolgens geeft het College hierop zijn akkoord. In deze plannen worden afspraken gemaakt hoe de bossen en natuurterreinen ingericht, beheerd en/of gebruikt worden. Buiten de Eerselse gemeentegrenzen liggen nog enkele bospercelen die in eigendom zijn van gemeente Eersel.

Bosnota gemeente Eersel (2011)

De hoofddoelstelling van de vastgestelde Bosnota is: het zo goed mogelijk laten samengaan van de functies natuur, recreatie, cultuurhistorie en houtteelt, door middel van het actief sturen in spontane processen, waarbij het bosbedrijf onafhankelijk is van externe geldstromen. De hoofddoelstelling van de Bosnota is per functie verder opgedeeld in nevendoelstellingen, die verder vertaald en op kaart uitgewerkt zijn in een viertal streeftypen voor bos en één streefbeeld voor (open) natuurterreinen (Pruijsten et al, 2011). De gebieden die genoemd worden in de Bosnota liggen grotendeels ten noorden van de snelweg A67.

Staatsbosbeheer Uitwerkingsplan Object Eersel (2014)

Het Uitwerkingsplan is gebaseerd op de visie van Staatsbosbeheer om gebieden te benutten, te beleven en te beschermen. Voor wat betreft het benutten, komt het accent van het multifunctioneel bosbeheer deze beheerperiode op de productiefunctie te liggen. Bij beleven wil Staatsbosbeheer het recreatieverkeer meer in de randen van de beheergebieden opvangen. In Eersel beschermt Staatsbosbeheer belangrijke natuurgebieden en landschappelijke en cultuurhistorische gebieden, vooral in de meer open terreinen, zoals de heideveldjes, vennen, broekbossen, graslanden en grafheuvels (Ziel & Wijdeven, 2014). De gebieden die genoemd worden in het Staatsbosbeheer Uitwerkingsplan liggen grotendeels ten zuiden van de snelweg A67.

foto

2.2.4.

Beeldkwaliteitsplan gemeente Eersel (2012)

De aanleiding voor het opstellen van het Beeldkwaliteitsplan (BKP) is dat specifiek beleid nodig is om de karakteristieke historische kwaliteiten van de dorpen en buurtschappen in de gemeente Eersel te behouden en waar mogelijk te herstellen. De huidige beleidslijnen blijken vaak te algemeen of zijn opgesteld vanuit een eigen beleidsdiscipline waarbij het overzicht over de verschillende disciplines ontbreekt. De historische kwaliteiten zijn nog duidelijk zichtbaar en bepalen voor een deel de identiteit van een dorp. Het doel van het BKP is om de ruimtelijke kwaliteit en de samenhang van de dorpen te borgen om daarmee de identiteit en de leefbaarheid van het dorp te versterken. Nevendoel van het BKP is een integraal beleid dat de verschillende beleidsvelden overstijgt en de dwarsverbanden legt. Het BKP geeft kaders en richtlijnen voor de belangrijkste historische wegen en dorpsruimten in de gemeente Eersel om te sturen op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling. Het integrale beeld is in het BKP leidend, dus gebouw + erf + straat (Hendriks et al, 2012).

2.2.5.

Kwaliteitsplan Groen (2012)

Het doel van het kwaliteitsplan Groen is om inzicht te geven wat de mogelijkheden zijn ten aanzien van het onderhoud van de groenvoorzieningen met een bepaald budget. In dit plan zijn diverse scenario's uitgewerkt. Deze scenario's zijn als keuzemogelijkheden aan de raad voorgelegd, waaruit zij vervolgens een keuze heeft gemaakt.

2.2.6.

Toekomstvisie 2030 - Kempisch wonen in een wereldregio (2013)

De gemeente Eersel spreekt in de Toekomstvisie 2030 haar ambitie uit door in 2030 bekend te staan als één van de aantrekkelijkste woongemeenten van de regio, waarbij de kernen het toonbeeld vormen van hoe landelijk en groen wonen in de Kempen er uit kan zien. De gemeente wil op weg naar 2030 mensen blijven aantrekken door het versterken van het Kempische beeld van rust, ruimte, sociaal vitale kernen, recreatiemogelijkheden, cultuurhistorische kernen en Kempisch coulissenlandschap. De gemeente Eersel wil daarin complementair zijn aan de nabijgelegen stedelijke omgeving en wil zich profileren als de groene contramal van de regio. Eén van haar grootste kwaliteiten is het cultuurhistorische landschap. Het groene karakter van de dorpen blijft zoveel mogelijk behouden door prioriteit te geven aan herbestemming boven nieuwbouw.7

7 Bron: Toekomstvisie 2030 — Kempisch wonen in een wereldregio

2.2.7.

Bomenbeleidsplan gemeente Eersel (2013)

In 2013 heeft de gemeenteraad het Bomenbeleidsplan vastgesteld. Dit plan geeft kaders voor een goed ontwerp, inrichting, onderhoud en beheer van de gemeentelijke bomen en de monumentale (zowel gemeentelijke als particuliere) bomen. Ook worden richtlijnen gegeven hoe de huidige bomenstructuur te versterken of aan te vullen. Het beleid moet leiden tot een goede bescherming en instandhouding van het huidige bomenbestand. Een belangrijk onderdeel van het beleid zijn de regelmatige boominspecties om veiligheid en conditie van de bomen te controleren (Claassens, 2013).

2.2.8.

Structuurvisie Ruimtelijke Ordening Noord-Brabant (2014)

De structuurvisie Ruimtelijke Ordening Noord-Brabant gaat uit van zorgvuldig ruimtegebruik, waarbij de provincie een zogenaamde "lagenbenadering" hanteert. Interessant is daarbij dat vooral de laag "water, bodem, natuur, landschap en cultuurhistorie" als meer sturend worden gezien voor de ruimtelijk-functionele ontwikkeling "daarbovenop". Dus landschap, natuur en groen zijn sturend voor de laag "wonen, werken, landbouw en vrijetijdseconomie" en niet andersom. Hierbij streeft de provincie onder andere naar het goed inspelen op het water- en bodemsysteem en wil het water meer ruimte geven. Ook dient de ecologische kwaliteit en de belevingswaarde van de natuur worden verhoogd.

2.2.9.

Duurzaamheidsbeleid Eersel (2017)

Gemeente Eersel heeft samen met de Kempengemeenten de ambitie om in 2025 energieneutraal te zijn. In de Toekomstvisie 2030 heeft Eersel nog eens vastgelegd dat Eersel energieneutraal wil zijn. Een ingrijpende verandering in zeer korte tijd in het energiesysteem is daarvoor noodzakelijk, alsmede het extra aandacht geven aan andere duurzaamheidsthema's zoals circulaire economie (onder andere recycling afval en materialen), klimaatadaptatie, biodiversiteit en eerlijke productie.

Dit is nodig aangezien zij allemaal samenhangen met de uit te voeren energietransitie. De ambities van het Duurzaamheidsbeleid zijn:

  • een energieneutrale Kempen in 2025;

  • slechts 5% huishoudelijk restafval en 95% hergebruik in 2020;

  • het tot stand brengen van een circulaire economie in 2050;

  • Eersel klimaatbestendig inrichten;

  • biodiversiteit in Eersel behouden en waar mogelijk verbeteren;

  • eerlijkheid in eigen land en in het buitenland laten meewegen en waar mogelijk verbeteren (Derijcke, 2017).

2.3.

De drie thema's

Dit beleidsplan behandelt de drie thema's Landschap, Natuur en Groen. Zij zijn nauw met elkaar verweven, overlappen elkaar deels, versterken elkaar en vullen elkaar ook regelmatig aan. Om toch enige grip te krijgen op de drie thema's, wordt in deze paragraaf een omschrijving van elk thema gegeven. Daarnaast loopt in dit beleidsplan eigenlijk ook een vierde thema als een soort rode draad door deze drie thema's heen: de biodiversiteit. De omschrijving van de biodiversiteit wordt kort uiteengezet binnen de omschrijving van natuur (zie paragraaf 2.3.2), omdat deze twee thema's sterk verwant zijn.

2.3.1.

Thema Landschap

Wikipedia omschrijft het begrip "landschap" onder andere als een uitgestrekt stuk land in een bepaald gebied dat als een zelfstandig geheel van geologische, ecologische en cultuurhistorische elementen met elkaar een geheel vormt en door mensen zo ook waargenomen wordt 8. Een landschap wat zich door de eeuwen heen heeft gevormd en zich blijft vormen. Het landschap is de fysieke en historische ondergrond van het natuurlandschap en het cultuurlandschap. Of om het uit te drukken in termen van dit beleidsplan: het landschap bepaalt mede de invulling van de natuur en het cultuurgroen. Hiermee wordt de verwevenheid van de drie thema's benadrukt. In De Kempen komen een aantal kenmerkende landschapstypen voor die in paragraaf 2.1 worden beschreven. Diverse cultuurhistorische landschapstypen hadden tot ver in de 19e eeuw een halfnatuurlijk karakter en kenden ofwel een hoge biodiversiteit ofwel huisvestten in de soortenarme landschapstypen vaak bijzondere, karakteristieke soorten. In dit beleidsplan worden bij "landschap" vaak de verschillende cultuurhistorische landschapstypen van de 19e eeuw als referentiebeeld aangehouden, tenzij anders vermeld. Elk cultuurhistorische landschapstype heeft haar eigen kenmerkende en in het land zichtbare bouwstenen, zogenaamde landschapselementen. De landschapselementen die in dit beleidsplan worden bedoeld, betreffen: geriefbosjes, houtwallen, houtsingels, houtkanten, solitaire bomen in een weiland, bolakkers (essen), overhoekjes, (drink)poelen, hagen, heggen, plaatsen, grafheuvels. En soms ook: beemden (hooilanden), greppels, sloten, bermen, dijk(licham)en, zandwegen en de historische dorpsruimten en wegen in de dorpen en buurtschappen zoals benoemd in het Beeldkwaliteitsplan van gemeente Eersel.

2.3.2.

Thema Natuur

Natuur is een toestand die niet of minimaal beïnvloed is door menselijke activiteit. Anders gezegd: alles wat zichzelf spontaan ordent en handhaaft, al of niet beïnvloed door menselijk handelen, maar niet volgens menselijke doelstellingen. Natuur omvat de levende (onder andere dieren, planten) en de niet-levende natuur (onder andere bodem, water)9.

Soms wordt biodiversiteit in één adem natuur genoemd, hetgeen onterecht is. Biodiversiteit is een begrip voor de graad van verscheidenheid aan levensvormen binnen een gegeven ecosysteem of land. Biodiversiteit wordt vaak gebruikt als een indicator voor de gezondheid van een ecosysteem, waarbij de aanwezige biodiversiteit wordt vergeleken met historische gegevens of met gegevens uit vergelijkbare gebieden10. Een hoge biodiversiteit is niet automatisch natuur(lijk). Hoewel dit vaak wel het geval is, duidt een lage biodiversiteit niet altijd op een slechte situatie in de natuur. De natuur van Antarctica bijvoorbeeld verkeert in relatief redelijk goede conditie, maar heeft een relatief lage biodiversiteit.

8 Bron: https://nl.wikipedia.orq/wiki/Landschap

9 Bron: https://nl.wikipedia.orq/wiki/Wildernis (natuur )

10 Bron: https://nl.wikipedia.orq/wiki/Biodiversiteit

Als we in Nederland streven naar ruimte voor natuur, dan wordt bedoeld dat inheemse dier- en plantensoorten daadwerkelijk gebieden toebedeeld krijgen, waar menselijke invloeden zoveel mogelijk worden beperkt en natuurlijke processen zoveel mogelijk hun eigen gang mogen gaan. In Nederland betekent dat vaak toch dat de mens dit zoveel mogelijk stuurt. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de ruimte die wordt gegeven aan de natuur in het rivierengebied, waar het wassende water ruimte krijgt in de uiterwaarden als buffer tegen overstromingen. Echter de winterdijken halen we in dit gebied niet weg, waardoor de ruimte voor natuur wordt begrensd. Dergelijke landschappen noemt men halfnatuurlijke landschappen. Andersom geldt dat diverse levensvormen zicht spontaan vestigen en handhaven in volledig door mens ingerichte gebieden (het zogenaamde cultuurlandschap), zoals het stedelijk gebied. Een bekend voorbeeld is de merel. Was dit tot ver in de 1ge eeuw nog een schuwe bosvogel, tegenwoordig is het ook een echte cultuurvolger en leeft deze algemeen voorkomende zangvogel in tuinen.11 Dit kan men gerust een voorbeeld van "natuur in de stad" noemen. In dit beleidsplan wordt met de term "natuur" vooral de aangewezen gebieden bedoeld waar de natuur een doel vormt in betreffende gebieden en (gedeeltelijk) haar gang mag gaan. In gemeente Eersel zijn dat de Natura 2000-gebieden, de natuurnetwerkgebieden, de ecologische verbindingszones en de bossen.

2.3.3.

Thema Groen

Het woord "groen" is een containerbegrip en kan meerdere definities hebben. Denk bijvoorbeeld aan "groene" stroom, hier wordt het begrip "groen" gekoppeld aan duurzaamheid en schone energie. "Groen" wordt als term ook gebruikt als verzamelnaam voor bijvoorbeeld landschap, natuur en cultuurgroen. In dit beleidsplan wordt "groen" vooral als verzamelnaam gebruikt voor landschap, natuur en cultuurgroen, tenzij anders vermeld. In hoofdstuk 6 daarentegen wordt met "groen" alleen het cultuurgroen bedoeld. Cultuurgroen is een volledig door de mens bedachte ruimte waarin groen wordt ingericht en beheerd, denk bijvoorbeeld aan particuliere tuinen en gemeentelijke plantsoenen. Het cultuurgroen in dit beleidsplan beslaat het openbaar domein dat in eigendom en/of in beheer is van gemeente Eersel. Het cultuurgroen in Eersel bestaat uit: parken, plantsoenen, hagen, gazons, bloemweiden, speeltuinen, evenemententerreinen, vijvers, wadi's, sloten, greppels, bermen en (laan)bomen. Afhankelijk hoe het cultuurgroen is ingericht, ziet men vaak dat vooral de fauna profiteert van het aanwezige cultuurgroen. Daarmee kan cultuurgroen een wezenlijke positieve bijdrage leveren aan de biodiversiteit. In cultuurgroen worden materialen en middelen ingezet die hun ontstaansgeschiedenis hebben in de natuur, maar in feite volledig in dienst van de mens worden ingezet.

11 Bron: https://nl.wikipedia.org/wiki/Merel

foto

Figuur 2. De relaties tussen natuur en economie. Deze relatief eenvoudige weergave van het Planbureau voor de Leefomgeving laat in één oogopslag de onderlinge, onscheidbare relatie tussen natuur en economie zien.

3. Groen Loont: de integrale benadering

Groen in een leefomgeving is meer dan een decoratieve aankleding van de ruimte. Dit hoofdstuk verduidelijkt deze meerwaarde en de diverse functies die groen kan hebben. Bij het zoeken naar oplossingen van diverse problemen kan gebruik worden gemaakt van de meerwaarde van groen.12 Beleidsplan Groen Loont wil door deze integrale benadering inzicht geven van de vele aspecten van groen, zodat daarvan gebruik gemaakt kan worden.

12 Bron: Groen Loont! — Over maatschappelijke en economische baten van stedelijk groen

3.1.

Het belang van integraliteit

Het groen heeft vaak een ondergeschikte plaats in een woonomgeving en het landschap. Bij de planvorming van een nieuw woongebied is weinig ruimte gereserveerd voor groen. Groen heeft meestal uitsluitend een decoratieve functie. Dit wordt veroorzaakt door het feit dat groen geen geld opbrengt, omdat de gronden met een groenbestemming niet verkocht kunnen worden. Integendeel, het groen wordt gezien als een kostenpost vanwege het benodigde steeds terugkerende beheer. Hierdoor is op veel plaatsen niet meer ruimte gereserveerd dan voor een smal haagje, kleine groenstrookjes of een boom in een boomspiegel van vaak slechts één vierkante meter.

Als in een dergelijk woongebied op termijn vervolgens problemen ontstaan, bijvoorbeeld onveilige ver-keersituaties of een tekort aan parkeerplaatsen, gaat de oplossing van deze problemen meestal ten koste van de hoeveelheid groen. Zo wordt een al verharde woonomgeving nog meer verhard. Groen wordt niet als een autonome waarde gezien. In het landschap is eenzelfde houding te zien. Bij de aanleg van bijvoorbeeld nieuwe woongebieden richting het landschap, bedrijventerreinen en uitbreiding van agrarische bedrijven, gaat deze altijd ten koste van (landschappelijk) groen. Natuurlijk bestaan allerlei regelingen om dit verlies te compenseren, maar dat neemt niet weg dat veel landschappelijk groen en (potentiële) natuurterreinen in de loop der tijd zijn verdwenen.

Tegenwoordig wordt de waarde en de noodzaak van goede groenvoorzieningen steeds meer onderkend en ook statistisch en wetenschappelijk onderbouwd (zie figuur 2). Voor een deel is deze noodzaak ook voor de burger voelbaar. Oorzaak is vooral de steeds duidelijker klimaatverandering. De laatste jaren zijn vaker hevige regenbuien waarbij in zeer korte tijd een grote hoeveelheid water op het aardoppervlak komt. Daarnaast zijn vaker hittegolven waarbij de temperatuur boven de 30°C komt met als gevolg hittestress en droogte. Steeds meer wordt ingezien dat het groen ook een economische waarde heeft. Leefgebieden met veel aantrekkelijk en functioneel groen zijn prettige gebieden om te wonen, te werken en te recreëren. Het groen zorgt in zulke gebieden voor een aangenaam leefklimaat en dat maakt dat het ook een economische en financiële waarde heeft. Met groen kan een gemeente zich onderscheiden ten opzichte van omliggende gemeenten.

3.2.

Belangen bij een integrale benadering

Groen heeft raakvlakken met veel andere vakgebieden. Het groen heeft vaak een direct effect op het

desbetreffende belang. De belangrijkste belangen worden in deze paragraaf aangegeven.

3.2.1.

Groen en water

Door de klimaatverandering ontstaan vaker hevige, intensieve regenbuien. De verwachting is dat het aantal intensieve regenbuien in de nabije toekomst toeneemt. Dit regenwater wordt in Nederland grotendeels via verhard oppervlak naar de riolering afgevoerd. Het huidig rioleringsstelsel is hier niet op berekend en zal dat in de toekomst steeds minder zijn. Dit wordt verergerd door het feit dat in de bestaande woongebieden en op bedrijfsterreinen veel verhard oppervlak aanwezig is zoals daken, wegen en parkeerplaatsen. Ook particuliere tuinen hebben tegenwoordig veel verharding in de vorm van terrassen, paden en opritten.

Een open bodem heeft een grote sponswerking en kan relatief veel regen opvangen. Terwijl water op verharding en daken niet weg kan. Tijdens een hevige regenbui moet al het water dat op verhard terrein komt via de riolering afgevoerd worden. Omdat de riolering dit niet allemaal kan verwerken, komt water op de straat te staan en ontstaat uiteindelijk wateroverlast. Het aantal van deze piekbuien neemt in de toekomst toe. Het probleem kan gedeeltelijk opgelost worden door af te koppelen. Dat betekent dat regenwater en afvalwater gescheiden worden opgevangen. Er is één buis voor het regenwater en één buis voor het afvalwater. Hierdoor hoeft regenwater ook niet meer naar de waterzuiveringsinstallaties. Een enorme kostenbesparing op termijn. Het afkoppelen in bestaande woongebieden en bedrijfsterreinen vraagt een grote investering. Het is de vraag of de gemeente voldoende budget heeft om optimaal af te koppelen. Voor een groot deel kan de oplossing voor dit probleem gezocht worden in vermindering van verharding, vergroening van daken en de aanleg van wadi's of andere waterbuffers, zoals grindkoffers onder parkeerplaatsen. Op termijn krijgen particulieren waarschijnlijk de verplichting om het hemelwater, dat op hun perceel valt, zelf op te vangen. Dit water mag dan niet meer afgevoerd worden naar de riolering.

Een wadi is een verlaagd gebied ingericht als een grasstrook of een plantstrook met aangepaste beplanting, waar het overtollige water in wordt opgevangen en het geleidelijk in de bodem kan filtreren. Een wadi is beloopbaar en kan dus bijvoorbeeld prima gebruikt worden als speelvoorziening. Bij droog weer staat een wadi droog, bij een hevige regenbui komt water in te staan en zakt het water langzaam in de bodem. Wel moet voor gezorgd worden dat een wadi niet te zwaar belast wordt om verdichting van de grond te voorkomen, waardoor het water minder goed infiltreert en de functie van de wadi vermindert.

3.2.2.

Groen en hittebestrijding

In de toekomst zal in de zomer de temperatuur vaker boven de 30°C komen. Niet iedereen kan daar even goed tegen. De één zal daardoor minder kunnen slapen, een ander loopt het risico door oververhitting een hitteberoerte te krijgen. Nu al is het sterftecijfer tijdens een hittegolf 12% hoger dan in meer normale periodes. Hierbij lopen vooral de zwakkeren onder ons, zoals ouderen, baby's en zieken een groter risico. Binnen de bebouwde kom is dit effect sterker dan in het buitengebied. In een grote stad is dit probleem natuurlijk nog sterker voelbaar. De temperatuur binnen de bebouwde kom kan al snel 2°C hoger liggen dan in het buitengebied, maar op heel warme dagen kan dit verschil oplopen naar 5 tot 10°C.

Versteende gebieden nemen overdag meer warmte op dan dat zij 's nachts afgeven. Verharde en donkere oppervlakken worden warmer dan groene. Menselijke activiteiten zoals mobiliteit en bedrijvigheid genereren ook nog eens extra warmte. Groen heeft een sterk verkoelend effect. Onder de kruin van een boom kan de temperatuur 15°C lager zijn dan op een paar meter afstand daarvan. Bomen en vegetaties koelen de lucht door het leveren van schaduw en door verdamping van water via de bladeren. Er bestaat een lineair verband tussen groenareaal en hittebestrijding. Een toename van 1% vegetatie geeft al een vermindering van 0,06% van de temperatuurstijging.

Naast groen op de begane grond zijn ook vegetaties op een groen dak zeer effectief om de omgevingstemperatuur te verlagen. Boven een groen dak kan de temperatuur 40°C (!) lager zijn dan boven een gewoon dak. Een neveneffect van een groenere omgeving is dat het energieverbruik in een gebouw, nodig voor koeling, sterk afneemt.

3.2.3.

Groen en gezondheid

Nederland urbaniseert in rap tempo. Het aantal Nederlanders dat in steden en dorpen woont, stijgt. Tegelijkertijd staat het groen meer onder druk door de toenemende behoefte aan ruimtegebruik. Dit terwijl aanwijzingen toenemen dat de aanwezigheid van groen een positieve invloed heeft op de gezondheid van de stads- en dorpsbewoners. Deze bevindingen worden ondersteund door gecontroleerd onderzoek in binnen- en buitenland. Het vitamine G(roen)-onderzoeksprogramma (uitgevoerd door Alterra Wageningen kennisinstituut voor de groene leefomgeving en NIVEL, het Nederlands Instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg) toont een relatie tussen de hoeveelheid groen in de buurt en hoe gezond mensen zich voelen en zijn. Hoe meer agrarisch groen, parken of natuurlijk groen in de vorm van heide of bos, des te gezonder voelen burgers zich.

Bewoners uit een groene buurt brengen minder vaak een bezoek aan de huisarts. Depressie, aandoeningen aan de luchtwegen, diabetes, hoge bloeddruk, hartklachten, rug- en nekklachten, ademhalingsproblemen, darmstoornissen, migraine en duizeligheid worden minder gerapporteerd in groene woonomgevingen. De gevonden relaties blijken het sterkst bij kinderen, jongeren, ouderen en mensen met een lage sociaaleconomische status. Hierbij is niet alleen de kwantiteit, maar ook de kwaliteit van het groen van belang. In buurten waar een hoge kwantiteit wordt gecombineerd met een hoge kwaliteit van het groen, is de gezondheidswinst het grootst.

In groene wijken komt bij kinderen 15% minder overgewicht voor. Deze positieve relatie tussen de aanwezigheid van openbaar groen en minder kinderen met obesitas is van groot belang, want overgewicht en obesitas brengen op termijn een verhoogd risico op sterfte en ziekten met zich mee. Bijvoorbeeld hart- en vaatziekten, diabetes, klachten aan het bewegingsapparaat en psychosociale problemen. Deze klachten nemen toe in Nederland en brengen hoge kosten met zich mee. Voor Nederland worden de directe kosten van overgewicht geschat op 3 tot 5% (0,5 tot 1 miljard euro per jaar) van het gezondheidsbudget. De indirecte kosten in de vorm van ziekteverzuim, verloren arbeidsjaren, uitkeringen en dergelijke bedragen ongeveer 2 miljard euro per jaar. Aangetoond is dat patiënten in zieken- en verpleeghuizen in een groene omgeving zich beter voelen en sneller herstellen dan patiënten in een stedelijke omgeving. Een groene omgeving levert een flinke kostenbesparing op.

3.2.4.

Groen en welzijn

Welzijn is een gevoel van welbevinden, door sommigen ook beschreven als geluk. Met welzijn wordt bedoeld dat het zowel lichamelijk, als geestelijk, als sociaal goed gaat met een persoon. Welzijn staat daarbij los van welvaart. De overheid vraagt in toenemende mate aan haar burgers om te participeren in de samenleving. Zij beschouwt burgerparticipatie als een manier van werken, waarbij de gemeente burgers en andere belanghebbenden betrekt om in een zo vroeg mogelijk stadium mee te denken en samen te werken bij de planvorming inzake projecten en beheer die direct of indirect invloed hebben op de leefomgeving. Zo stimuleren gemeenten inwoners om op vrijwillige basis een deel van het onderhoud in de groenvoorzieningen op zich te nemen. Inwoners worden zich daardoor meer bewust van hun omgeving en gaan zich daarvoor ook meer verantwoordelijk voelen. Daarnaast zien zij beter hoe het gaat met hun buren, ouderen of mensen met een beperking in de omgeving. Met andere woorden: de sociale cohesie wordt groter. Met als resultaat een groter welzijn.

In een groene omgeving is veel gelegenheid voor kinderen om te spelen. Dit bevordert de sociale en motorische ontwikkeling, nog afgezien van het feit dat de kans op overgewicht daalt. Voor de oudere mens is een groene omgeving zelfs helend. Er gaat een therapeutische werking uit van zachte voelplanten en kruiden met verschillende geuren en kleuren. In Alzheimertuinen, waar een "oneindig" pad is aangelegd, blijkt dit ideaal te zijn voor inwoners met loopdwang. Het welbevinden van deze mensen wordt zo sterk vergroot. Door groen in de woonomgeving worden inwoners gestimuleerd om naar buiten te komen voor een ommetje, de hond uitlaten en te genieten van het mooie weer in het park. Hierbij ontmoeten zij weer andere mensen, waar zij eventueel een praatje mee kunnen maken. Hierdoor wordt de kans op eenzaamheid minder.

3.2.5.

Groen en milieu

CO2-uitstoot is de grootste veroorzaker van het huidige broeikaseffect. CO2 komt vrij door de grootschalige verbranding van fossiele brandstoffen. Groen zet CO2 om in zuurstof en kan op deze manier de CO2-uitstoot verkleinen. Het groenareaal, in de vorm van landschap, natuur maar ook groenstroken binnen de bebouwde kom, is echter afgenomen. Wereldwijd is dit eveneens gebeurd door grootschalige ontbossing. Mede hierdoor is het aandeel CO2 in de lucht toegenomen met als gevolg een toename van de temperatuur. Dit veroorzaakt op zijn beurt weer schade aan het milieu en de natuur. Door zuinig om te gaan met het huidige groen, in welke vorm dan ook, en een toename van het groenareaal kan dit tegen worden gegaan.

De luchtkwaliteit binnen de bebouwde kom en langs snelwegen laat zeer te wensen over. Naar schatting sterven in Nederland per jaar 2.300 tot 3.500 mensen door blootstelling aan piekconcentraties van fijnstof. Dit is exclusief de oversterfte door blootstelling gedurende een heel leven. Deze oversterfte wordt geschat op 12.000 tot 24.000 mensen per jaar. Verbetering van de luchtkwaliteit wordt vergemakkelijkt als je bedenkt dat alle planten en vegetaties fijnstof en gasvormige verontreiniging uit de lucht verwijderen, ongeacht de groeiplaats. Bomen zijn het meest effectief in het vastleggen van schadelijke stoffen. In algemene zin neemt de effectiviteit af van bomen, via heesters en kruidachtigen naar gras. Opmerkelijk daarbij is dat grote bomen veel meer (tot wel zeventig maal) meer fijnstof opnemen dan kleine bomen. Grotere bomen hebben meer blad en een grotere bedekkingsgraad (kroonprojectie). Het grote belang van de bedekkingsgraad is gebleken uit diverse onderzoeken. Dit houdt in dat het gemeentelijk beleid meer gericht moet zijn op de kwaliteit van de bomen dan op het aantal. Verder geldt dat groenblijvende plantsoorten gedurende het jaar meer verontreinigingen verwijderen dan niet groenblijvende soorten.

De economische waarde van de afvang van fijnstof geeft een besparing van luchtzuiveringskosten van € 40,00 per boom per jaar op een druk verkeerspunt binnen de bebouwde kom, de afvang van gasvormige verontreiniging wordt geschat op circa € 1,00 per boom per jaar. De waarde van vastlegging van het broeikasgas wordt geraamd op € 0,18 per boom per jaar. De geschatte kosten zijn kosten van maatregelen die gemaakt moeten worden om een verontreiniging op vergelijkbare, kunstmatige wijze te verwijderen. Vergroening van de leefomgeving verbetert de luchtkwaliteit op een goedkope, duurzame en effectieve wijze. Bronbestrijding van fijnstof en vervuiling blijft natuurlijk het belangrijkst. Het treffen van groenmaatregelen is slechts een aanvulling om de luchtkwaliteit binnen de bebouwde kom en langs snelwegen te verbeteren.

foto

3.2.6.

Groen en recreatie

Nederland verstedelijkt steeds meer. Dit gaat ten koste van groen in de vorm van bos, hei, landbouw, natuur en groenvoorzieningen binnen de bebouwde kom. Recreatie is nog altijd één van de snelst groeiende sectoren in Nederland. Goede groene recreatievoorzieningen kunnen vertaald worden in economische kansen. Veel mensen hebben behoefte om rustig te kunnen wandelen, te fietsen en op een terras wat te drinken en te eten. Dit geldt vooral voor de inwoners van de grote steden. Veel inwoners van Eindhoven zijn daarvoor aangewezen op de groene randgemeenten, zoals Eersel.

Onderzoek en enquêtes geven aan dat de meeste Nederlanders natuur en milieu nog steeds belangrijk vinden en dat ze dit zelfs steeds belangrijker vinden worden. Vooral de vraag naar bos in de buurt is groot. Het is daarom beleid van gemeente Eersel zorgvuldig met haar bossen om te gaan. Een groene, aantrekkelijke omgeving in de buurt van een grote stedelijke agglomeratie (Eindhoven en omgeving) waarin gerecreëerd kan worden, biedt veel kansen voor de vestiging van horeca, maneges, campings, boerencampings, bed en breakfasts, hotels, (boeren) golfterreinen, kinder-educatievoorzieningen, bezoekerscentra, outdoor sport en evenementen. Deze voorzieningen genereren allemaal werkgelegenheid. Daarnaast worden belastingen ingehouden op een deel van de winst. Eersel verdient hieraan via de toeristenbelasting, de OZB (onroerende zaak belasting) op de bedrijfspanden, leges en op vergunningen. Geconcludeerd kan worden dat voor Eersel het economisch en financieel belang van een aantrekkelijke, groene omgeving met recreatiemogelijkheden groot is.

3.2.7.

Groen en economie

Na de kredietcrisis, die vooral een vastgoedcrisis was, omdat al dat krediet gebaseerd was op vastgoed, zit de woningmarkt nu weer in de lift. De vraag naar woningen in een aantrekkelijke wijk met goede voorzieningen in een groene omgeving stijgt. Hierbij geldt vooral het adagium: locatie, locatie, locatie. In Nederland is met name de relatie tussen omgevingskenmerken, en dan vooral groen, en de woningprijs onderzocht. Deze onderzoeken concluderen dat woningen met groen in de buurt 4% tot 30% meer waard zijn in vergelijking tot hetzelfde woningtype in een niet groene omgeving. De hoogste waardetoevoeging wordt gerealiseerd door de nabijheid van toegankelijke, hoogwaardige natuur. Woningen met een hoge waarde hebben ook een hogere OZB-waarde, wat weer gunstig is voor de gemeente.

Verder blijkt dat in wijken waar veel groen aanwezig is, de criminaliteit 42% lager is dan in wijken waar groen ontbreekt. Ook de veiligheid is hoger in een groene wijk, deze stijgt van 86% naar 89,3%. Iedere afname van het aantal woninginbraken levert een maatschappelijke jaarlijkse besparing op. De mate van deze besparing is afhankelijk van de mate van vergroening en de vorm waarin dit gebeurt. Groen heeft ook invloed op de sociale cohesie in de buurt. In combinatie met bankjes en parkjes nodigt groen mensen uit tot gesprekken en samenkomen. Inwoners kennen elkaar, waardoor de sociale controle toeneemt en criminaliteit afneemt. De maatschappelijke participatie in deze wijken is bovendien hoger wanneer het gaat om het organiseren van buurtactiviteiten en onderhoud van wijken. Openbaar groen, vooral de parkjes, heeft een sociaaleconomische functie.

3.2.8.

Groen en energie

Eersel heeft in het duurzaamheidsbeleid aangegeven in 2025 energieneutraal te willen zijn. Groen kan hierbij een rol spelen. Groen heeft namelijk een isolerende werking, zowel qua temperatuur als geluid. Daarbij valt te denken aan een groen dak dat beter isoleert, maar ook aan beplanting naast gebouwen. Een goed geplaatste windsingel schermt gebouwen (woningen) af van de harde, koude wind. Hierdoor wordt de uitwisseling van warmte tussen woning en de omgeving verminderd. Een adequate aangelegde beplanting kan tot 10% energiewinst in de aangrenzende woningen leiden, zelfs als deze al optimaal geïsoleerd zijn. In de zomer treedt een besparing op de energiekosten voor de airco. De isolerende werking van een groen dak wordt steeds bekender. Een groen dak gaat ook goed samen met de energieproductie in de vorm van zonne-energie. Planten gebruiken wel 70% van de instraling van de zon om water te verdampen en voor fotosynthese waardoor de temperatuur boven een dergelijk dak 40 °C lager kan zijn dan bij een regulier dak. Daarnaast verbetert de demping van de temperatuurstijging door dakgroen de werking van de meeste zonnepanelen. Deze werking neemt namelijk af met 0,5% voor elke graad Celsius boven de optimale werktemperatuur van 25°C. Verder verdient de investering in een groen dak zich binnen een paar jaar terug, door de genoemde energiebesparing en doordat een groen dak langer meegaat dan een reguliere dak.

3.3.

Voordelen bij een integrale benadering

Onderzoeken naar de maatschappelijke kosten en baten van al deze aspecten zijn pas enkele decennia geleden gestart, toch wijzen alle onderzoeksresultaten in de richting dat bij een doordachte en zorgvuldige aanleg en beheer van natuur- en groenvoorzieningen veel winst is te behalen voor vele aspecten zoals gezondheid, welzijn, klimaatveranderingen, recreatie, energie en economie. Al deze aspecten ondervinden een positief effect als in de leefomgeving een hoge kwantiteit groen met een hoge kwaliteit aanwezig is. De komende jaren zullen de directe relaties tussen deze aspecten en groen steeds beter wetenschappelijk onderbouwd worden evenals de maatschappelijke baten en lasten. Het is daarom van belang de ontwikkelingen goed te volgen en daarop in te spelen.

Tussen de verschillende aspecten bestaan eveneens relaties. Een voorbeeld hiervan is: een goede luchtkwaliteit heeft invloed op het welzijn van mensen, maar ook op de gezondheid met als direct gevolg een besparing op diverse financiële gezondheidskosten. Dit laat de complexiteit van deze materie, de noodzaak van een interdisciplinaire aanpak en de communicatie tussen de verschillende vakgebieden zien. Het zal in toenemende mate nodig zijn dat een vakdiscipline over zijn eigen schaduw stapt. Gezien de complexiteit en de toename van de problemen door de klimaatverandering en de toename van het inwonersaantal in Nederland, is het belangrijk om deze interdisciplinaire aanpak te hanteren.

Om de meerwaarde van groen meer naar voren te laten komen zijn verschillende rekenmethodes bedacht, zoals de TEEB-stad tool van het ministerie van Economische Zaken. Met deze methode, die online vrij toegankelijk is, is specialistische kennis over het berekenen van waarde van groen en water toegankelijk gemaakt voor een groot publiek. Zo kan duidelijk gemaakt worden hoe de verschillende baten (berekeningen) tot stand komen. Met deze mkba's (Maatschappelijke Kosten en Baten Analyse) wordt inzicht verkregen die een eerste stap kunnen zijn naar een gezamenlijk verdienmodel. Het zet mensen aan tot denken over de waarde van groen en natuur. Op dit moment geven deze berekeningen elders in Nederland al aan dat aanzienlijke positieve maatschappelijke effecten te verwachten zijn. Deze waren in sommige gevallen 1,5 tot 2 maal hoger dan de kosten. Hieruit blijkt al dat groen loont.

Eersel wil in 2018-2019 een tweetal mkba's uitvoeren, waarin de relatie groen met hemelwateropvang en de relatie tussen groen en onroerend goed wordt uitgewerkt. Hiervoor worden digitale open data als bron gebruikt. Gemeente Eersel heeft een maaiveldanalyse uitgevoerd om de effecten van extreme neerslag inzichtelijk te maken. Afwateringsrichtingen op maaiveldniveau zijn tijdens deze neerslagex-tremen op een kaart gevisualiseerd door stroombanen aan te geven (de zogenaamde WOLK-kaart). Het geeft een waardevol beeld over de problematiek van overtollig water op straat in relatie tot de verwachte klimaatveranderingen. Ook geeft het een beeld op welke locaties het zinvol is om bovengrondse maatregelen te treffen. Het beleidsplan Groen Loont zet in op groene bovengrondse maatregelen. Een kaart wordt gemaakt waarop het groenareaal en de hemelwaterstroombanen bij extreme neerslag zijn samengevoegd. Het is de bedoeling om in beeld te brengen waar groen overtollig hemelwater in de toekomst kan opvangen of wellicht al opvangt. Deze informatie is vervolgens bruikbaar om een mkba uit te voeren om inzichtelijk te maken wat groen ruimtelijk en financieel kan betekenen in de hemelwater-problematiek.

Een andere analyse is het in beeld brengen van het areaal groen in relatie tot de waarde van onroerend goed. Of concreet gezegd: welke invloed heeft het areaal groen op de waarde van huizen in de ene wijk ten opzichte van de andere wijk? Door letterlijk factoren zoals het areaal groen, de gemiddelde perceelsgrootte en de huiswaarde in kaart te brengen, is informatie beschikbaar om een mkba uit te voeren op de relatie tussen groen en onroerend goed.

De uitkomsten van deze mkba's zijn vervolgens uitgangspunt voor het treffen van maatregelen. Deze twee mkba's dienen tegelijkertijd als pilot in het Kempische project Datagedreven Kempengemeenten.13 De wens is om groen steeds vaker in te zetten als deel van de oplossing bij diverse maatschappelijke vraagstukken, aangemoedigd door concrete voorbeelden vanuit het stedelijk gebied (Bade et al, 2011). De pilot met de twee uit te voeren mkba's is bedoeld om ook in Eersel ervaring mee op te doen.

13 Bron: Startnotitie Datagedreven Kempengemeenten

4. Landschap

We realiseren het ons vaak niet wanneer we gehaast van het ene dorp naar het andere dorp rijden of fietsen, maar als we ons wat meer tijd geven en om ons heen kijken, verzuchten we vaak "wat is het hier toch mooi en zo groen". Maar wat betekent dat mooi en groen zijn en hoe kunnen we dat dan behouden en versterken? Hoe kunnen we dit "mooie" landschap ook voor de volgende generatie in stand houden? Met dit beleidsplan willen we daar een aantal handvaten voor geven. Eersel heeft een bijzonder mooi buitengebied met diverse bos- en natuurgebieden die het leefgenot van haar inwoners vergroot. Er zijn echter allerlei ontwikkelingen die dit leefgenot onder druk zetten. Zo zijn er agrarische bedrijven die willen uitbreiden, is er vraag naar bedrijfsterreinen en woningen. Deze ontwikkelingen hebben hun weerslag op het landschap. De vraag hierbij is wat willen we behouden, wat en hoe willen we vernieuwen en versterken. Hierbij richt Eersel zich met name op kwaliteitsverbetering waarin de menselijke maat, verscheidenheid van landschap en een duurzaam gebruik van natuur en landschap centraal staan.

4.1.

De landschappelijke deelgebieden

In beleidsplan Groen Loont betreft het thema Landschap het landelijk gebied, het gebied buiten de bebouwde kom. Dit landschap is opgebouwd uit verschillende bouwstenen: agrarisch gebied, kleine en grote bos- en natuurgebieden, open water, vennen, poelen, beken, singels, houtwallen en solitaire bomen. Ensembles van deze bouwstenen vormen een aantal landschapstypen die we in Eersel kunnen onderscheiden. Deze landschapstypen zijn al kort aangetipt in paragraaf 2.1 en worden in deze paragraaf nader uitgelicht. De verdeling van deze landschapstypen is te vinden in de landschapsstructuur-kaart (bijlage A).

4.1.1.

Oude cultuurgronden (essen-kampenlandschap)

Het essen-kampenlandschap is een coöperatief landschap. De ontginningen werden in de vroege middeleeuwen door enkele families gezamenlijk uitgevoerd op de rijkste gronden. De minder rijke gronden bleven bebost. Een ontgonnen blok werd verdeeld onder de families. Na een nieuwe ontbossing van een blok werd dit opnieuw verdeeld. Dit gaf als resultaat veel smalle (van 8 tot 20 m) en langgerekte (200 tot 400 m) kavels. Op de es zelf vindt men nooit een weg. De essen waren zo gesitueerd, dat ze minstens aan één kant aan de weg lagen. Ter afbakening van de akkers werden de percelen omheind met beplanting. Een omheind perceel werd kamp genoemd. Het landschap met zulke kampen wordt daarom ook kampenlandschap genoemd. De naam de "Kempen" is daarvan afgeleid. De mensen hielpen elkaar met de landbouwwerkzaamheden, zij waren zeer afhankelijk van elkaar. In de 13e en 14e eeuw nam de bevolking zodanig toe dat intensivering van het gebruik van de akkers nodig was. De grond was echter arm. Boeren brachten daarom heideplaggen vermengd met de mest van schapen, opgevangen in de stal (potstalbemesting), op de akkers. Eeuwenlange bemesting zorgden dat de akkers steeds hoger werden met een vrij steile rand. Deze bolle akkers zijn op enkele plaatsen rondom Vessem en Knegsel nog in het landschap te zien. Bolle akkers zijn vanuit cultuurhistorisch, archeologisch en landschappelijk oogpunt zeer waardevol. Om de gewassen te beschermen tegen wildvraat en wind, werden bolle akkers omgeven door een wildgraaf, een wal met aan weerszijden een greppel. De wal was begroeid met soorten zoals eik, meidoorn en braam.

Het oude kampenlandschap is nog op slechts enkele plaatsen herkenbaar. De glooiingen van de akkers zijn soms nog wel zichtbaar, maar de openheid van de bolle akkers of de houtwal/ -singel is verdwenen.

4.1.2.

Beekdallandschap

De boeren hadden vroeger gemengde bedrijven, akkerbouw op de bolle akkers en vee langs de lager gelegen beken. Deze beken hadden een meanderende loop, de oeverzones bestonden uit grasland en werden begrensd door hogere terreindelen. De oevers werden gebruikt als hooi- en weiland en waren veel natter dan de hoger gelegen akkers. De veelal kleine grasperceeltjes werden begrensd door lijnvormige beplantingen, bestaande uit heesters en bomen loodrecht op de beek.

Vanaf de 20e eeuw zijn veel beekdalen ingrijpend aangepast door het rechttrekken van meanders, het plaatsen van stuwen, ruilverkaveling en het in gebruik nemen van grond voor akkerbouw. De kavelgrensbeplantingen verdwenen en daarmee de karakteristieke kleinschaligheid en beslotenheid. Het oorspronkelijke beekdallandschap is nagenoeg geheel verdwenen in Eersel. De afgelopen jaren zijn verschillende projecten gestart om het beekdallandschap op diverse plaatsen te herstellen. Bij de Gender, de Bruggenrijt en het Kleine Beerzegebied rondom Duizel en ten zuiden van Vessem zijn deze herstelwerkzaamheden afgerond. In 2017-2018 wordt de Kleine Beerze ten noorden van Vessem aangepakt. Het waterschap de Dommel is bezig met plannen voor een nieuw beekdallandschap rondom de Run. Het oorspronkelijke beekdallandschap wordt met deze projecten niet gerealiseerd, maar wel wordt rondom deze beken het oorspronkelijke karakter van dit landschapstype zichtbaar gemaakt. Dit is een grote aanvulling op het huidige landschap, het vergroot de diversiteit van de ruimtelijke kwaliteit en de biodiversiteit. Daarnaast heeft het beekdal-landschap betekenis voor de recreatie en de opvang van water.

4.1.3.

Heideontginningslandschap

Rond 1900 werd door de opkomst van kunstmest en de mechanisatie van de landbouw het mogelijk om de woeste gronden, ofwel heide, te ontginnen. Deze gronden werden tot dan toe gebruikt voor de beweiding door schapen. Deze ontginningen en de latere ruilverkavelingen zijn in het landschap goed te zien als grootschalige gebieden met een rationeel-blokvormige verkaveling met verspreide boerderijen.

4.1.4.

Bossen en natuurgebieden

In de periode van de heideontginning werden de armste heidevelden en de lokaal aanwezige zandverstuivingen (de zogenaamde woeste gronden) bebost om zo te kunnen voldoen aan de vraag naar mijnhout. De boskernen bevatten ongeveer 25% van het buitengebied van Eersel en zijn grotendeels eigendom van de gemeente. Een gedeelte daarvan is in erfpacht gegeven bij Staatsbosbeheer. Daarnaast bezitten Staatsbosbeheer, gemeente Veldhoven, Natuurmonumenten en Brabant Landschap eveneens bospercelen. Al deze partijen, inclusief gemeente Eersel, hebben bosvisies, bosnota's en/of beheerplannen opgesteld. Deze gebieden vallen daarom buiten dit beleidsplan. Een behoorlijk groot areaal bos is in handen van particulieren. Deze zijn niet georganiseerd en hebben geen visies of beheerplannen. Een regionale samenwerking tussen particulieren en overheidsorganen ontbreekt op dit moment. Sommige bossen zijn aangegeven als natuurgebied, maar ook buiten de bossen zijn diverse natuurgebieden in het hedendaagse landschap aanwezig. Het inrichten van een aantal gebieden in beekdallandschappen in Eersel als natuurgebied is hiervan een bekend voorbeeld.

4.2.

Overige groene elementen

In de landschapstypen, die hele gebieden omvatten zoals hierboven beschreven, bestaan vele landschappelijke elementen die eveneens groene dragers van het landschap zijn. Hierbij moet gedacht worden aan bosjes, houtwallen, singels, wegbeplantingen, solitaire bomen, erfbeplantingen, bermen en sloten, landbouwgebieden en landgoederen. Deze elementen zijn voor een deel in eigendom van de gemeente, een groot deel is echter particulier eigendom. Verschillende groene elementen worden hier in het kort beschreven.

4.2.1.

Bosjes

De bosjes hebben in het algemeen een oppervlakte kleiner dan 5 ha en zijn voor het grootste deel jong (geschat 40 tot 70 jaar). De hoofdboomsoort is zomereik met daarnaast berk en/of grove den. De bosjes hebben een hoge potentiële ecologische waarde, doordat soms zowel een boomlaag (bestaande uit verschillende soorten) als een struik- en kruidlaag aanwezig zijn. Hierdoor is structuurvariatie aanwezig en dit creëert weer leefgebied voor diverse plant- en diersoorten. Deze potentiële waarden moeten geoptimaliseerd worden door een aangepast beheer. Hierbij moet vooral aandacht komen voor de struiklaag. In slechts 13% van de bosjes is een goede struiklaag ontwikkeld. Het beheer van de bosjes is ondergebracht bij het bosbeheer in de Bosnota.

4.2.2.

Houtwallen en singels

Houtwallen zijn in het landschap herkenbaar als aarden wallen met daarop beplanting. Deze komen alleen voor in de omgeving van Knegsel. Deze historische wallen zijn nog maar deels in tact. De wallen zijn onderzocht en in kaart gebracht door de Heemkundevereniging "de Hooge Dorpen". De aan de Antwerpse Baan gelegen wal is opgeworpen op een oude akker die vermoedelijk uit de Karolingische periode (750-900 na Christus) stamt. De wal zelf stamt waarschijnlijk uit de 13e eeuw, omdat in die tijd de perceelsafbakening met wallen verplicht was. De andere wallen markeren verschillende ontginningsperiodes in de geschiedenis van Knegsel.

Functies van houtwallen waren:

  • Eigendomsbewaking

  • Afscheiding tussen een zandweg en een perceel grond

  • Het buiten de akkertjes weren van wild

  • Het tegengaan van zandverstuivingen.

Singels zijn houtwallen waarvan de aarden wal ontbreekt. De meeste singels in Eersel zijn slechts 40 tot 70 jaar oud, slechts een paar zijn ouder. De meest voorkomende boomsoort is zomereik met hier en daar wat berk. De meeste singels zijn aangeplant na een ruilverkaveling. Singels en houtwallen kunnen gezien worden als een vorm van bosranden met slechts een beperkte waarde voor echte bosplanten en —dieren. Wel hebben ze een belangrijke functie als verbindingsweg voor verschillende andere dier- en plantensoorten die niet specifiek van bossen afhankelijk zijn. Deze soorten maken normaliter ook gebruik van de gebruikelijke bosranden langs bossen. Dieren kunnen zich via de singels gemakkelijk verplaatsen. Hierdoor kunnen goed ontwikkelde houtwallen en singels een hoge ecologische waarde hebben.

4.2.3.

Wegbeplantingen

Langs vele verbindingswegen in Eersel zien we een wegbeplanting. Deze bestaat voornamelijk (meer dan 80%) uit zomereik. Op enkele plaatsen zien we ook beuk, linde of berk. Wegbeplantingen hebben vooral een landschappelijke en cultuurhistorische betekenis, omdat zij het landschap maat en schaal geven. Zij benadrukken meestal historische lijnen zoals oude routes en grenzen. De ecologische waarde van veel huidige wegbeplantingen is beperkt, doordat vaak geen onderbegroeiing aanwezig is en op vele plaatsen de bermen niet ecologisch beheerd worden, zodat een goede kruidlaag zich niet kan ontwikkelen. Voor vogels (zoals vinkachtigen, kraaiachtigen, roofvogels en duiven) vormen de bomen broedplaatsen en zang- of uitkijkposten. In oude lanen met een rustige ligging komen holenbroedende vogels (zoals holenduif, mezen, spechten en vliegenvangers) voor. Vleermuizen gebruiken lanen als vliegroute en jachtgebied en holten in oude bomen als verblijfplaats.

4.2.4.

Solitaire bomen

In het buitengebied van Eersel komen nog maar weinig solitaire bomen in het landschap voor. Op de oude cultuurgronden rondom Wintelre komen ze het meeste voor. Vaak zijn het restanten van oude singels of zijn het grensbomen. Verreweg de meeste solitaire bomen zijn zomereiken. Het blijkt dat de laatste jaren veel solitaire bomen verdwijnen door agrarische handelingen. De landschappelijke waarde van deze bomen is afhankelijk van de soort, het formaat en de leeftijd van de boom. Daarnaast hebben de bomen ook een ecologische waarde als zangpost of uitkijkpost voor vogels of als oriëntatiepunt voor vleermuizen.

4.2.5.

Erfbeplantingen

Erfbeplantingen zorgen dat woningen in het buitengebied en agrarische gebouwen worden opgenomen in het landschap. Zij zorgen dat de veelal grootschalige agrarische gebouwen, die vaak een zakelijke, bedrijfsmatige vormgeving hebben, niet te dominant zichtbaar aanwezig zijn in het landschap. Door deze beplanting behoudt het landelijk gebied zijn aantrekkelijke landschappelijke uitstraling.

4.2.6.

Bermen en sloten

Eersel heeft ongeveer 135 ha bermen en sloten in eigendom en beheer. De bermen en sloten vormen linten in het landschap. Zij bestaan uit onbemest grasland en plantsoorten van de arme zandgronden. Op relatief korte afstand van elkaar komen hier verschillende biotopen voor: beschaduwde bermen met laanbomen, zonnige droge wegkanten, vochtige slootoevers, afgeroofde bermen, bermen met opgebrachte grond, met bloemzaad ingezaaide bermen en kale bermen. Door deze biotopen met hun bijbehorende flora vormen de bermen en sloten ecologische verbindingszones voor flora en de kleinere diersoorten of kunnen als zodanig functioneren. Daarnaast is bekend dat de bermen belangrijk zijn voor de wilde bijen en vlinders. Bijen zijn belangrijk voor de bestuiving van vele planten en teeltgewassen.

4.2.7.

Landbouwgebieden

Het buitengebied bestaat grotendeels uit landbouwgebieden. Deze zijn voor het overgrote deel in particulier bezit. Eersel bezit slechts 250 ha die verpacht worden aan boeren die hiervoor belangstelling hebben. De landbouwgronden bestaan grotendeels uit akkers en grasland, daarnaast zijn op diverse plekken de laatste decennia ook boomkwekerijen gekomen. Door de intensieve bemesting en bestrijding van ziekten en plagen hebben de landbouwgebieden geen betekenis voor de biodiversiteit. De boomkwekerijen hebben een grote invloed op het landschap. Ze onttrekken onder andere veel grondwater door de benodigde beregening van gekweekte bomen. Dit gaat ten koste van de landschappelijke kwaliteit van het buitengebied.

4.2.8.

Water

Op het grondgebied van Eersel is op diverse locaties oppervlaktewater aanwezig zoals de verschillende aanwezige beken. Deze beken hebben grote landschappelijke waarde en zijn belangrijk als ecologische verbindingszone. Het Groot- en Kleinmeer is een Natura2000 gebied. Verder zijn er in het buitengebied de vennen Hoaneven, Rouwven en Lijsterven en een tweetal recreatieplassen bij het E3 strand en Ter Spegelt aanwezig. Deze vennen en plassen zijn omgeven door bossen of houtsingels en niet zichtbaar vanaf de openbare weg.

4.2.9.

Landgoederen

De provincie stimuleert initiatieven voor nieuwe landgoederen in Brabant, ook in Eersel. Onder een nieuw landgoed wordt verstaan: "Een functionele eenheid, bestaande uit bos of andere natuur al dan niet met agrarische gronden met een productiedoelstelling. Vormen van bos- en landbouw kunnen onderdeel uitmaken van de bedrijfsvoering. Het landgoed omvat minimaal tien hectaren grond en is voor 90% openbaar toegankelijk. Op het landgoed staat een woonhuis met tuin van allure en uitstraling. Als ruimtelijk kenmerk geldt dat er een raamwerk van wegen, waterlopen, lanen en singels is, waarbinnen de verschillende ruimtegebruiksvormen zijn gerangschikt. Het geheel is een ecologische, economische en esthetische eenheid waarvan de invulling is geïnspireerd door het omringende landschap, de cultuurhistorie en de bestaande bebouwing." Een nieuw landgoed heeft idealiter een meerwaarde voor natuur en ecologie, recreatie, cultuurhistorie en landschap, beeldkwaliteit en kent een goede inpassing van het nieuwe "rood". In Eersel kennen we de volgende nieuwe landgoederen:

  • Landgoed De Zandhoef

  • Landgoed Heijbroeck

  • Landgoed Duysels Hof

  • Landgoed De Roten

  • Landgoed De Panberg (nog in voorbereiding)

4.3.

Knelpunten beeldkwaliteit van het landschap

In het landschap zijn de volgende knelpunten te zien:

  • Veranderingen in het grondgebruik. Hierbij zien we op de nattere gedeeltes akkerbouw en op de drogere gedeeltes veeteelt. De boer volgt niet meer de natuurlijke omstandigheden, maar richt zich op de meest zakelijke oplossing die hij/zij verwacht. Door de klimaatveranderingen kunnen daardoor in de toekomst grote problemen ontstaan.

  • Een aantal agrariërs gaat over naar de teelt van coniferen. Deze teelt komt van oudsher hier niet voor en tast het oorspronkelijke landschapsbeeld aan.

  • Het ontstaan van grootschalige (niet) agrarische bedrijven in kleinschalige gebieden.

  • De afwezigheid van erfbeplanting rondom agrarische bebouwing.

  • Rommelige dorpsranden.

  • Het verdwijnen van landschappelijke elementen en solitaire bomen.

  • Het geleidelijk illegaal in gebruik nemen van gemeentelijke landschappelijke beplantingen voor landbouwkundige doeleinden.

  • Monotone wegbeplantingen.

  • De sterke achteruitgang van de biodiversiteit in het buitengebied, met name op de landbouw-percelen.

  • Lichtvervuiling door wegverlichting en stallen.

  • Geen duidelijk beheer voor met name de landschappelijke elementen.

4.4.

Beleidsdoelen

De landschappelijke kwaliteiten in het buitengebied worden door de inwoners van Eersel bestempeld als hoog. Voor het thema Landschap wordt aangegeven hoe de landschappelijke kwaliteiten worden behouden en versterkt en hoe ruimtelijk beleid en ontwikkelingen daaraan kunnen bijdragen. In dit beleidsplan zijn de doelen voor het landschap:

  • Sturing geven aan het integraal ruimtelijk beleid van de gemeente Eersel. Het vormt een "onderlegger" voor integrale ruimtelijke plannen, zoals de structuurvisie en het bestemmingsplan.

  • Het herstel, het behoud en de versterking van landschappelijke kwaliteiten voor een aangenaam woon- en leefklimaat. Dit wordt gerealiseerd door concrete richtlijnen over hoe de beeldkwaliteit van erven, agrarische bebouwing, recreatieterreinen en dorpsranden te verbeteren. Tevens wordt aandacht besteed aan de toegankelijkheid van het landschap vanuit de kernen.

  • Ruimte en vorm geven aan de dynamiek van het buitengebied van Eersel aan de hand van randvoorwaarden en richtlijnen voor een zorgvuldige inpassing van nieuwe ontwikkelingen, zoals: woningbouw in het buitengebied, nieuwe infrastructuur, natuurontwikkeling, recreatie en toerisme.

  • Het opstellen van een uitvoeringsplan dat kaders geeft voor de realisatie van ruimtelijke projecten en voor duurzaam landschapsbeheer. Waar mogelijk wordt dat gedaan in samenwerking met particulieren. Het uitvoeringsplan geeft tevens aanknopingspunten om prioriteiten te stellen, zoals de aanpak van bepaalde zoekgebieden en de keuze voor aanleg en herstel of het beheer van landschapselementen. Een belangrijk beleidskader hiervoor is de subsidieregeling Groen Blauwe Stimuleringskader (Stika), zie ook hoofdstuk 7.

  • Realisatie van draagvlak door zorgvuldige communicatie. De inzet van de klankbordgroep met vertegenwoordigers van diverse belanghebbenden (agrariërs, inwoners, natuurgroepen en cultuurhistorie) bij de realisatie van dit beleidsplan, is al een concreet voorbeeld van creëren van draagvlak. Hun inbreng is in het plan herkenbaar. Dit beleidsplan bevat tevens een aanpak voor het stimuleren van de aanleg van erfbeplantingen en landschappelijke beplantingen.

4.5.

Uitvoering landschappelijke ontwikkelingen in de verschillende deelgebieden

Bij ontwikkelingen in het buitengebied dient rekening gehouden te worden met de onderstaande streef-beelden van de landschapstypen in Eersel (zie ook bijlage A). Op deze wijze worden de aanwezige landschapskwaliteiten gerespecteerd, versterkt en/of hersteld.

4.5.1.

Oude Cultuurgronden

Streefbeeld (zie figuur 2). In de gebieden van de oude cultuurgronden blijft de kenmerkende kleinschaligheid van het gebied in stand of wordt indien mogelijk hersteld. De kleinschaligheid wordt bepaald door kleine percelen, gebogen lijnen en groene landschapselementen zoals singels, houtwallen, wegbeplantingen en kleine bosjes. De bolle akkers of essen blijven open. Met andere woorden: geen beplantingen op of over de es. Een enkele solitaire boom is wel op de es toegestaan. Rondom de boerderijen of andere bebouwing is een erfbeplanting aanwezig in de vorm van een houtsingel met boomvormers. De boomsoorten die hier voorkomen zijn zomereik, beuk, esdoorn, linde, haagbeuk en tamme kastanje. De es wordt van oudsher begrensd door een wildgraaf (hakhoutsingel met greppel). Deze vegetatie blijft laag, een enkele boomvormer kan aanwezig zijn. De soorten die hier voorkomen zijn onder andere meidoorn, sleedoorn, rimpelroos, vuilboom, braam. Op een aantal plaatsen zijn nog restanten van een dergelijke hakhoutsingel aanwezig. Indien mogelijk worden deze aangevuld. Nieuwe bebouwing op de es wordt voorkomen. Bij het herstel en de versterking van de oude cultuurgronden kan gebruik gemaakt worden van oude, historische kaarten.

4.5.2.

Beekdallandschap

Streefbeeld (zie figuur 3). Kenmerkend in dit landschap is de meanderende beek met een oeverzone en vervolgens het daarnaast liggende grasland. Dit landschap wordt begrensd door de hogere terreindelen. Het beekdal bestaat uit grasland, kleine bosjes (broekbos) en lijnvormige beplantingen loodrecht op de beken. De vegetatie bestaat uit elzen, essen, berken en meidoorn. Veel van deze beplantingen zijn verdwenen en worden waar mogelijk hersteld. Op enkele plaatsen is de karakteristieke beplanting door de situering van een solitaire boom of een enkele singel nog herkenbaar. De gemeente wil deze solitaire bomen behouden en waar dat mogelijk is de singel herstellen.

4.5.3.

Heideontginningslandschap

Streefbeeld (zie figuur 4). Kenmerkend voor de heideontginning is de grootschaligheid en de openheid. Hoe recenter de ontginning is, hoe grootschaliger en opener het landschap. De land-bouwpercelen bestaan zowel uit akkerland als uit weiland, afhankelijk van de bodem en de grondwaterstand. Deze geschiedenis in het landschap wil de gemeente indien mogelijk zichtbaar houden.

4.5.4.

Bossen en natuurgebieden

Streefbeeld. Op de plekken waar de bodem te slecht voor ontginning was, zijn grote boskernen aangeplant en zijn de natuurterreinen in stand gebleven. Daar waar dat mogelijk is, wil de gemeente meer natuurlijke bosranden aangeleggen. Deze randen verzachten de overgang van het landschap naar de bossen en bevorderen de biodiversiteit. De aanleg van deze bosranden mag niet te veel ten koste gaan van de houtproductie. Met de houtproductie wordt het bos- en natuurbeheer gefinancierd.

4.6.

Uitvoering recreatieve ontwikkelingen

In het landschap en rondom de verschillende dorpen zijn veel wandel-, fiets-, mountainbike- en ruiter-routes aanwezig. Veel van deze routes zijn onderdeel van het wandel- en fietsknooppuntennetwerk zoals dat beheerd wordt door Visitbrabant. Daarnaast is vanuit de dorpen een behoefte aan wandelpaden en zogenaamde ommetjes. Laatstgenoemde zijn kleine wandelingetjes direct vanuit het dorp. De inwoner kan op ieder moment een klein wandelingetje maken of de hond op een aangename manier uitlaten. Dit is goed voor de conditie, de gezondheid en het leef- en woongenot. De maximale afstand van een dergelijk ommetje is ongeveer 5 km. Niet elk dorp heeft een goed netwerk van dergelijke ommetjes. Daar waar hiaten zijn in de ommetjes- en knooppuntennetwerken worden deze indien mogelijk opgelost. Dit vraagt om een inventarisatie van de bestaande routes en de hiaten. In 2014 was Eersel wandelgemeente van Nederland. Op dat moment is een dergelijke inventarisatie opgesteld. Deze inventarisatie is een goed uitgangspunt om eventuele hiaten op te sporen en op te lossen.

4.7.

Uitvoering ecologische ontwikkelingen

Op dit moment is de biodiversiteit binnen de bebouwde kom hoger dan in het agrarische gebied buiten de kom. Dit wordt veroorzaakt door de bestrijding van ziekten en plagen en zware bemestingen in de landbouw. Eersel heeft als één van de eerste gemeenten in Brabant de Countdown 2010 verklaring ondertekend en daarmee aangegeven dat zij bereid is om te zorgen dat vanaf 2010 de biodiversiteit niet verder zal afnemen en dat zij alles zal doen om waar dat mogelijk is de biodiversiteit te bevorderen. Dit is niet gemakkelijk om te realiseren. In hoofdstuk 5 wordt hier nader op ingegaan.

4.8.

Oplossingsrichtingen voor de geconstateerde knelpunten

Voor de vastgestelde knelpunten zijn de volgende oplossingen mogelijk:

  • In samenwerking met de ZLTO, de veldcoördinator van de Stika en de ANV Kempenland een voorlichtingscampagne opstellen om de agrariërs meer bewust te maken van de voordelen en/of beperkingen van ieder landschapstype voor de individuele boer. Door een juist gebruik van de grond is de boer minder afhankelijk van de gevolgen van de klimaatverandering en het optreden van extreme weersomstandigheden. Tevens wordt voorlichting gegeven over de nieuwe Wet natuurbescherming, over toekomstige beperkingen voor bemesting en chemische bestrijdingsmiddelen. Op deze manier wordt aangegeven hoe een duurzame en toekomstbestendige landbouw mogelijk is. Tegelijk wordt verduidelijkt waar op sommige plekken wel of niet coniferenteelt wenselijk is.

  • Grootschalige bedrijven in een kleinschalig landschap is mogelijk als de oorspronkelijke structuur van het landschap gerespecteerd wordt. Dat betekent dat aanwezige houtsingels, landschappelijke elementen en solitaire bomen behouden moeten blijven. Waar deze elementen al verdwenen zijn, worden deze alsnog hersteld of versterkt en stimuleert de gemeente de aanplant van een erfbeplanting. De gemeente organiseert jaarlijkse een erfplantdag waarbij plantmateriaal ter beschikking wordt gesteld.

foto

Figuur 2. Streefbeeld van oude cultuurgronden.

foto

Figuur 3. Streefbeeld van een beekdallandschap.

foto

Figuur 4. Streefbeeld van een heideontginningslandschap.

  • Agrariërs en ondernemers in het buitengebied worden gewezen op het belang van erfbeplantingen. Deze geven onder andere koelte in de zomer, hebben een isolerend effect in de winter, vangen fijnstof af. Bovendien wordt door een betere landschappelijke inpassing van de grootschalige bedrijfsgebouwen de ruimtelijke kwaliteit van het landschap en de biodiversiteit verbeterd. Dit is belangrijk om de huidige recreatie in het gebied in stand te houden en/of uit te breiden. Bij de bouw van een nieuw bedrijfsgebouw of uitbreiding van een bedrijf, hanteert de gemeente het uitgangspunt van de aanplant van een (hak)houtsingel met een breedte van 10 m bij een landschappelijke inpassing rondom het gehele bedrijf. Daar waar geen concrete uitbreidingsplannen zijn, stimuleert de gemeente de aanplant van een erfbeplanting met de erfplant-dag.

  • De dorpen grenzen vaak met hun achterkanten aan het landschap. Het gebruik van verschillende schuttingen, of de afwezigheid daarvan, slecht onderhoud aan de schuttingen, de bouw van allerlei schuurtjes en hokken, het illegaal gebruik van naastliggende gronden geven de dorps-randen een rommelig en onaantrekkelijk karakter. Dit is niet bevorderlijk voor een goede landschappelijke kwaliteit en helpt niet om het recreatief gebruik van het buitengebied te stimuleren. Daarom wil de gemeente bij wijkuitbreidingen, een dorpsrand in de vorm van een (hak)houtsingel met een breedte van bij voorkeur 10 m voor een landschappelijke inpassing. En in elk geval maakt het areaal groene dorpsranden onderdeel uit van de beleidsregel 20% groen in de bebouwde kom (zie paragraaf 6.1.1). Daar waar geen afschermende beplanting aanwezig is of waar deze is verdwenen, herstelt de gemeente waar mogelijk de beplanting. De gemeente organiseert een jaarlijkse erfplantdag, waarbij plantmateriaal ter beschikking wordt gesteld en inwoners worden uitgenodigd mee te helpen een dorpsrand aan te planten (burgerparticipatie).

  • In de loop van de jaren zijn veel landschappelijke elementen en solitaire bomen in het landschap verdwenen. Met de regeling Stimuleringskader Groen Blauwe Diensten (Stika) wordt geprobeerd deze elementen op particuliere gronden terug te brengen. Daarom ligt bij een nieuw Stika-contract de nadruk op die maatregelen die structureel van aard zijn. Om dit te kunnen realiseren is een nulmeting met de ecologische potenties van het Eersels grondgebied uitgevoerd. Deelgebieden met een hogere ecologische potentie krijgen voorrang bij de toekenning van Stika-projecten. Na realisatie wordt door steekproefsgewijze monitoring nagegaan of de verwachtingen uitkomen of dat uitvoering/beheer aangepast moet worden.

  • Landschappelijke elementen en solitaire bomen op gemeentelijke grond verdwijnen eveneens, doordat een aantal inwoners deze geleidelijk aan in gebruik nemen als uitbreiding van hun (landbouwOareaal. Bij constatering van deze overtreding wordt de inwoner opgedragen de authentieke elementen te herstellen. Wordt dit nagelaten dan worden de elementen door de gemeente op kosten van de veroorzaker, die in gebreke is gebleven, hersteld.

  • De huidige monotone wegbeplanting (80 % zomereik) wordt geleidelijk omgevormd naar andere soorten. Hierbij kan men denken aan beuk, linde, wintereik, esdoorn, berk, tamme kastanje. Dit wordt een langdurig proces, omdat uitgangspunt is dat de huidige boombeplanting bij omvorming aan het eind van haar levensduur moet zijn om kapitaalvernietiging te voorkomen. Bij nieuwe wegen wordt de komende 25 jaar geen zomereik aangeplant.

  • De biodiversiteit in het buitengebied is de laatste decennia sterk achteruit gegaan. Op de land-bouwpercelen is deze zo goed als nul. Via diverse projecten, zoals de aanleg van (hak)houtwallen, poelen, bloemrijke randen, meer variatie in de wegbeplanting, vogelakkers, wordt de biodiversiteit in het buitengebied bevorderd. Hiervoor worden de Stika-regeling, eventuele andere subsidies en gemeentelijke projecten ingezet. Een ander belangrijk onderdeel hierbij is de bewustwording bij agrariërs voor de gevolgen van een gekozen bedrijfsvoering.

  • In het beleidsplan Openbare Verlichting wordt nu al de huidige lichtvervuiling grotendeels tegengegaan. Ook in de toekomst wordt uitgezocht hoe deze vervuiling verder verminderd kan worden zonder dat de verkeers- en sociale veiligheid in het gedrang komt.

  • Door een nieuw op te stellen beheerplan landschappelijke elementen met een duidelijke planning voor de komende tien jaar, wordt het beheer landschappelijke elementen eenduidiger georganiseerd. Jaarlijks wordt door middel van publicaties gecommuniceerd welke elementen worden uitgedund. Onderzocht wordt of dit beheer met de ANV Kempenland, de jachtverenigingen, IVN, B-team en/of vrijwilligers uitgevoerd kan worden.

  • Een grote diversiteit in het landschap is belangrijk voor de ruimtelijke kwaliteit, de biodiversiteit en de recreatie. Daarom zal steeds onderzocht worden hoe deze verbeterd kan worden.

  • Bij particuliere boseigenaren, vaak in het bezit van diverse grotere en kleinere bospercelen, is vaak sprake van onduidelijk beheer, verkeerd beheer of zelfs geen beheer. Dit geeft vaak een rommelig beeld in de bossen en illegaal gebruik. Deze boseigenaren zijn zich vaak niet bewust wat wel of niet mag. Een eerste stap om hierin verandering te brengen, is het opstellen van een communicatie- en informatieplan.

In hoofdstukken 7 en 8 worden aangegeven welke oplossingen wanneer uitgevoerd worden en hoe deze eventueel gefinancierd worden.

5. Natuur

De natuur vormt de bron van al het leven op aarde. Zij levert schoon (drink)water, voedingstoffen, een schone bodem, grondstoffen en een zuivere lucht. De natuur heeft ook een sterk regulerende en bufferende werking in allerlei processen. Ook de mens maakt onderdeel uit van de natuur. De natuur staat echter onder grote druk door de negatieve invloed die de mens in steeds sterkere mate uitoefent op de natuur. De natuur verliest al eeuwenlang terrein, zowel kwantitatief als kwalitatief. Kwantitatief door simpelweg areaalafname als gevolg van de toenemende verstedelijking, uitbreiding van het landbouwareaal en infrastructuren. Kwalitatief door het uitsterven van vele plant- en diersoorten, door nivellering van het landschap en door toenemende verdroging, verzuring, vervuiling en versnippering. Deze negatieve invloeden leveren een bijdrage aan de klimaatverandering die sinds de 20e eeuw aan het versnellen is, met alle gevolgen van dien. Internationaal, nationaal en regionaal sijpelt dit besef steeds verder door. In de laatste decennia ondernemen overheden en organisaties acties en/of maken plannen en verordeningen om de natuur te beschermen en te versterken. Ook op gemeentelijk niveau heeft dit zijn uitwerking.

5.1.

Natuur in Eersel

Gemeente Eersel is bij wet verplicht om de natuur te ontwikkelen en te beschermen, dit is onder andere uitgewerkt in de Wet ruimtelijke ordening en de Wet natuurbescherming14. Eersel heeft een wettelijke verantwoordelijkheid in het Programma Aanpak Stikstof (PAS) om samen met andere overheden en maatschappelijke partners de stikstofuitstoot te verminderen, het overschot aan stikstof in Natura 2000-gebieden te verminderen en daarmee ook economische ontwikkelingen mogelijk te maken. Gemeente Eersel heeft natuurontwikkeling en -bescherming in haar eigen beleid verankerd, zoals in de Bosnota. Als het om het thema Natuur gaat, speelt gemeente Eersel vooral een rol in de Natura 2000-gebieden, de ecologische hoofdstructuren en de ecologische verbindingszones. De ligging van deze drie typen natuurgebieden zijn te vinden op de natuurstructuurkaart van Eersel (bijlage B). In deze gebieden vormt de natuur een belangrijk doel en kan de natuur (gedeeltelijk) haar gang gaan.

14 Naar verwachting worden in 2019 alle wetten betreffende het fysieke domein samengevoegd in de alles overkoepelende Omgevingswet.

5.1.1.

Natuurgebieden

De officiële, wettelijk beschermde natuurgebieden in Eersel zijn de Natura2000-gebieden (N2000) Groot- en Kleinmeer, de Kleine Beerze en De Run. De gebieden vallen onder het Natura2000-beheerplan Kempenland West. Dit beheerplan omvat een groot regionaal gebied en is een plan op hoofdlijnen. De gemeente heeft als eigenaar van het Groot- en Kleinmeer zelf een beheerplan voor dit gebied laten opstellen waarin het praktische beheer voor dit kwetsbare gebied is benoemd. De Run en een gedeelte van de Kleine Beerze worden nog als zodanig ingericht. Dit vindt in de komende jaren (2017-2021) plaats. De beken zelf zijn in eigendom en beheer van waterschap De Dommel. Het omliggende beekdal is in eigendom van verschillende partijen. De gemeente heeft in de ontwikkeling van deze natuurgebieden vooral de rol van medeontwikkelaar en begeleider.

Behalve de N2000 heeft Eersel nog enkele natuurgebieden, zoals het Rouwven, Lijsterven, de omgeving van de Gender, de Kleine Beerze en de Bruggenrijt. Bij de WILG Wintelre Oerle zijn eveneens enkele gebieden ingericht als natuurterrein. Deze gebieden zijn meestal onderdeel van de NNN of vormen een EVZ. Veel van deze gebieden zijn eigendom van het waterschap en/of de gemeente. Het beheer wordt in een aantal van deze gebieden uitgevoerd door derden, zoals de Landcoöperatie Dal van de Kleine Beerze die een deel van het onderhoud van gemeentelijke landschapselementen in het beekdal verzorgt.

5.1.2.

Natuur buiten de natuurgebieden

De hierboven genoemde natuurgebieden zijn door de mens begrensde gebieden, terwijl de natuur niet ophoudt bij deze grenzen. Door de almaar toenemende schaalvergroting en intensivering van de landbouw valt tegenwoordig voor veel plant- en diersoorten vrijwel niets te halen in het buitengebied. Veel soorten zijn verdwenen of "gevlucht" naar andere uitwijkplaatsen. Deze uitwijkplaatsen kunnen bossen, natuurgebieden en de sterk versnipperde landschapselementen zijn, maar ook de bebouwde omgeving. Soorten die zich enigszins kunnen aanpassen, weten steeds vaker de weg te vinden naar dorpen en steden. Onder andere sommige roofvogels, verschillende soorten zoogdieren en recent ook bijen vinden een beter leef- of voedselgebied in de bebouwde omgeving dan op het platteland. Maar vaak zijn de omstandigheden voor de populaties van deze soorten in de bebouwde omgeving niet ideaal, waardoor de dichtheden laag blijven. Soorten die zich niet aan de huidige bedrijfsvoering op het platteland kunnen aanpassen, dreigen definitief te verdwijnen of staan op zijn minst onder grote druk. Denk hierbij aan de weide- en de akkervogels, kleine zoogdieren en graslandvlinders. Juist in het agrarisch en het stedelijk gebied kan de gemeente Eersel nog extra accenten leggen voor de bevordering van natuur. Het begrip biodiversiteit vormt hiervoor zowel een goede graadmeter als een apart te benoemen beleidsthema.

foto

Figuur 4. Voorbeelden van ecosystemen in Nederland. Met deze weergave toont het Planbureau voor de Leefomgeving de talrijke functies van landschap, natuur en groen.

5.2.

Biodiversiteit

Biodiversiteit is een breed begrip. Soms wordt biodiversiteit in één adem met natuur genoemd. Dit is onterecht. Paragraaf 2.3.2 omschrijft biodiversiteit als de graad van verscheidenheid aan levensvormen binnen een gegeven ecosysteem of land15. Als we het begrip biodiversiteit kort definiëren, is het als volgt samen te vatten:

Biodiversiteit is de variatie tussen en de verscheidenheid aan micro-organismen, dieren- en plantensoorten, de relatie die soorten met elkaar en hun abiotische leefomgeving16 hebben.

15 Bron: https://nl.wikipedia.org/wiki/Biodiversiteit

16 Betekenis "abiotische leefomgeving": wordt ook wel levenloze natuur genoemd. Denk hierbij aan bodem, water en lucht.

Het gaat niet goed met de biodiversiteit in de wereld. Uit diverse onderzoeken blijkt dat duizenden soorten uitsterven of met uitsterven bedreigd zijn, ook in Nederland. De wereldwijde achteruitgang van biodiversiteit is verontrustend. Biodiversiteit is de pijler van het leven op aarde en is belangrijk voor verschillende ecosysteemfuncties. Figuur 4 geeft een impressie welke functies dat zijn. Biodiversiteit heeft ook een belangrijke maatschappelijke en economische waarde. Dit is één van de redenen waarom gemeente Eersel zich duidelijk als een groene gemeente profileert. Deze waarden van biodiversiteit zijn als volgt te onderbouwen (Voets & Van den Berg, 2009):

  • Biodiversiteit bevordert gezondheid en kwaliteit van het leven. Dankzij biodiversiteit ontstaat een aantrekkelijke, gezonde leefomgeving waar mensen graag wonen en werken. Dit is de belangrijkste waarde;

  • Recreatie en toerisme worden aangetrokken door gebieden met een hoge biodiversiteit;

  • Biodiversiteit leidt tot (duurzame) productie uit landbouw en veehouderij;

  • Biodiversiteit zorgt voor een bufferende werking, bijvoorbeeld om vervuiling in lucht, bodem en water op te vangen;

  • Biodiversiteit is het natuurlijk kapitaal van de maatschappij.

Om de achteruitgang van de biodiversiteit te stoppen, heeft gemeente Eersel als eerste Brabantse gemeente de internationale Countdown 2010 verklaring ondertekend. Countdown 2010 heeft als doel om de teruggang van de wereldwijde biodiversiteit te stoppen. Het Biodiversiteitsplan van gemeente Eersel dateert van 2009 en richt zich vooral op het buitengebied en kleinschalige acties. Veel acties zijn inmiddels uitgevoerd of in uitvoering. Het actieplan heeft een concreet gezicht gekregen in de vorm van een voor iedereen herkenbare ambassadeursoort. Inwoners hebben in 2007 de steenuil tot ambassadeur-soort verkozen. Ook is het Biodiversiteitsteam, B-team Eersel, opgericht. Dit is een burgerinitiatief waarin inwoners van gemeente Eersel gevraagd en ongevraagd advies geven aan de gemeente om de biodiversiteit in de gemeente te stimuleren. Daarnaast voert het B-team soms zelf acties uit. Een voorbeeld hiervan is de herinrichting van het Lijsterven in 2016, waar een gebied van een hectare geschikter gemaakt is voor amfibieën, akker- en struweelvogels. Het B-team bestaat momenteel uit leden van dorpsraden, terreinbeheerders, natuur(werk)groepen, raadscommissies en andere inwoners met een groen hart. Het logo van het B-team is de ambassadeursoort: de steenuil.

Het Duurzaamheidsbeleid Eersel zet onder andere in op het behoud en de verbetering van de biodiversiteit. Dit beleid richt zich vooral op het creëren van meer bewustzijn bij inwoners over wat biodiversiteit is en wat het belang van biodiversiteit is. Kleinschalige, stimulerende acties worden vooral in de bebouwde kom opgezet. Deze acties worden gekoppeld aan het aanpakken van de hemelwaterproblematiek en hittestress (Derijcke, 2017).

Hoewel biodiversiteit al een onderdeel is van een aantal vigerende beleidsplannen in het fysieke domein, is het als thema op zichzelf nog niet in beleid verankerd. Beleidsplan Groen Loont geeft hier invulling aan. Gemeente Eersel levert graag inspanningen om binnen haar grenzen planten en dieren een goede toekomst te geven. Immers een goede toekomst voor de natuur, is een gezonde toekomst voor de mens. Gezien het toenemende belang van en aandacht voor de biodiversiteit is het noodzakelijk een extra impuls te geven aan dit thema. In beleidsplan Groen Loont krijgt vooral de biodiversiteit in het landelijke, agrarische buitengebied en de biodiversiteit binnen de bebouwde kom aandacht.

5.3.

Beleidsdoelen

De doelen van het beleid voor Natuur en Biodiversiteit zijn:

  • De voltooiing van de nog te ontwikkelen en/of af te ronden natuurgebieden met de diverse samenwerkingspartners zoals provincie Noord-Brabant, waterschap De Dommel, buurgemeenten, terreinbeherende organisaties en de landbouwsector.

  • Het zorgvuldig en duurzaam onderhouden van natuurgebieden die in eigendom zijn van de gemeente op basis van vastgestelde beheerplannen.

  • Het proactief stimuleren en faciliteren van natuurbescherming in het algemeen en soortenbescherming in het bijzonder door middel van advisering aan derden en het ondersteunen van natuur- en biodiversiteitsbevorderende initiatieven van derden.

  • Behoud van biodiversiteit in Eersel en de aandacht voor biodiversiteit stimuleren en faciliteren.

  • Acties ter bevordering van de biodiversiteit:

    • a.

      waar mogelijk laten aansluiten op bestaande (natuur)plannen van de gemeente en andere organisaties en

    • b.

      op basis van een duurzame gebiedsgerichte benadering.

  • Uitvoering van een concreet uitvoeringsprogramma, waarbij de steenuil de ambassadeur is voor andere kwetsbare dier- en plantsoorten in met name het landelijke, agrarische buitengebied en de bebouwde omgeving. Voor de steenuil en de patrijs is het streven om in 2033 het aantal broedparen in gemeente Eersel te verdubbelen, met als peiljaar 2016.

Bovenstaande doelen zijn herleid vanuit de hoofddoelstelling van het beleidsplan (zie paragraaf 1.2). De beleidsdoelen zijn concreter te maken door doelsoorten aan te wijzen. In dit beleidsplan richten we ons met name op soorten in het agrarische buitengebied en binnen de bebouwde kom. Kansen voor deze soorten zijn aangegeven in de biodiversiteitkansenkaart (zie bijlage C). De volgende doelsoorten zijn daarbij kenmerkend voor Brabant, De Kempen of in een enkel geval zelfs voor Eersel alleen:

  • Steenuil: kenmerkend uiltje dat afhankelijk is van het kleinschalig agrarisch cultuurlandschap en gevarieerde boerenerven. Tevens ambassadeursoort van de biodiversiteit in Eersel.

  • Patrijs: het boegbeeld van de akkervogels is afhankelijk van het kleinschalig agrarisch cultuurlandschap. Een soort die zwaar te lijden heeft van de intensiverende landbouw en in Nederland vooral nog in het zuiden en oosten van het land voorkomt.

  • Huismus en gierzwaluw: twee kenmerkende soorten van de bebouwde kom die graag nestelen in gebouwen onder dakpannen en in spouwen. Huismussen verblijven daarnaast graag in hagen en struwelen in het buitengebied op boerenerven. Door de steeds betere isolering van huizen en afname van voedselgelegenheid zijn gierzwaluwen en vooral huismussen de laatste jaren in aantal achteruit gegaan.

  • Kleine marterachtigen: de afgelopen decennia is veel aandacht geweest voor de das en boommarter. Vaak kennen mensen ook de steenmarter. Minder aandacht gaat uit naar de kleine marterachtigen bunzing, hermelijn en wezel. Het verspreidingsbeeld van deze soorten is verre van compleet. Deze soorten zijn afhankelijk van het kleinschalig cultuurlandschap, veel meer nog dan van natuurgebieden. Het natuurbeleid is nog te weinig op deze drie soorten gericht. Pas in recente jaren neemt de aandacht voor het belang van deze soorten toe. Landschapselementen spelen waarschijnlijk een belangrijke rol in het leefgebied van deze soorten.

  • Levendbarende hagedis: een reptiel van de hogere zandgronden van oostelijk en zuidelijk Nederland die sterk te lijden heeft van de verdwijning, verdroging en versnippering van heidegebieden en heischrale graslanden en bermen. Hoewel het nog steeds de meest verspreid voorkomende reptielensoort van Nederland is, gaat deze reptielensoort in aantal al jarenlang het hardst achteruit. In Eersel komt de soort nog op een paar plekken voor, namelijk op Cartierheide, Rouwven en een paar kleine, geïsoleerde populaties op Heieinden en Buikheide.

  • Kamsalamander en vinpootsalamander: twee amfibieënsoorten die in verschillende habitats leven en in Nederland schaars zijn. De kamsalamander is een soort van het kleinschalig cultuurlandschap met kleine bospercelen, heggen, struwelen en matig voedselrijke poelen, vennen en vijvers met waterplanten, maar zonder vis en waar veel zonlicht bij kan komen. In Eersel komt deze soort waarschijnlijk alleen nog voor in buurtschap Kreiel. De vinpootsalamander komt landelijk alleen in de relatief hogere delen van Brabant en Limburg voor en is daar afhankelijk van bos- en heidegebieden met relatief zure en voedselarme vennen en poelen. In Eersel komt de soort alleen voor op de grens met Bladel op Heieinden.

  • Bont dikkopie en bruine eikenpage: twee vlindersoorten. Beide afhankelijk van open bos(rand)en, waarbij de bruine eikenpage gespecialiseerd is op jonge(re) eiken en in wat drogere gebieden voorkomt, terwijl bont dikkopje in meer vochtige bossen voorkomt en daarnaast ook afhankelijk is van vochtige graslanden. In Eersel komen deze soorten voor op de grens met gemeente Oirschot.

  • Veldkrekel: een (heel) schaarse soort die in Nederland kenmerkend is voor zonnige, droge en schrale heidegebieden en voedselarme graslanden en dan vooral in delen van Brabant en Limburg. In Eersel is de soort bekend op de randen van Rouwven, Oostelbeersche en Oirschotse Heide en op de overgang van Buikheide naar Spekdonken.

  • Grote Bremraap: zeer zeldzame plant die landelijk nog in drie regio's op een (zeer) beperkt aantal plaatsen voorkomt. Hierbij vormen de gemeenten Veldhoven, Bergeijk en vooral Eersel gezamenlijk het laatste 'bolwerk' in Nederland. De plant groeit op zonnige, droge, voedselarme plekken. In Eersel zijn dat vooral de bermen en bosranden. Alle bekende locaties in Eersel zijn in eigendom en beheer van gemeente Eersel. De plant parasiteert op de algemeen voorkomende soort brem.

Daarnaast verdienen nog een aantal kenmerkende en zeldzame soorten aandacht en bescherming, maar deze zijn direct of indirect opgenomen in reeds bestaande (natuur)beleids- en beschermingsplan-nen en nota, zowel provinciaal, regionaal als lokaal. Het gaat hierbij om de natuurgebieden die opge-nomen zijn in de Natura 2000, het Natuurnetwerk Nederland, de ecologische verbindingszones en de bossen en kleine natuurgebieden die opgenomen zijn in de Bosnota gemeente Eersel en het Staatsbosbeheer Uitwerkingsplan. In deze gebieden gaat het om de volgende soortgroepen en soorten:

  • Zoogdieren: vleermuizen

  • Vogels: holen bewonende roofvogels, rietvogels en dodaars

  • Reptielen: gladde slang

  • Amfibieën: heikikker en poelkikker

  • Vissen: beekprik en kleine modderkruiper

  • Insecten: wilde bijen, gentiaanblauwtje, bruine winterjuffer, bosbeekjuffer, venwitsnuitlibel en zuidelijk beekoeverlibel.

  • Flora: heidekartelblad, klokjesgentiaan, pilvaren, teer guichelheil, moerashertshooi, oeverkruid, drijvende waterweegbree, duizendknoopfonteinkruid, gesteeld glaskroos, ongelijkbladig fonteinkruid, veelstengelige waterbies, vlottende bies en witte waterranonkel.

Diverse van deze soorten genieten wettelijke bescherming via de Wet natuurbescherming. Men dient ten alle tijden zorgvuldig rekening te houden met deze soorten, waar ze ook maar voorkomen.

5.4.

Projecten en acties Natuur en Biodiversiteit

Een goede selectie van projecten en acties vraagt inzicht in kansrijke gebieden en maatregelen. Op basis van opgedane ervaringen in lopende projecten en aan de hand van adviezen van een ecologisch adviesbureau is een duurzame, gebiedsgerichte selectie aan projecten en acties gemaakt. Het ecologisch adviesbureau heeft hiervoor een biodiversiteit kansenkaart (bijlage C) gemaakt.

foto

Voor de voltooiing van Natura2000, Natuurnetwerk Nederland en de ecologische verbindingszones zijn diverse natuurgebieden in Eersel inmiddels geheel of gedeeltelijk gerealiseerd. De volgende gebieden worden tot 2033 (her)ingericht en/of voltooid:

  • Beekdal van De Run

  • Beekdal van Kleine Beerze

  • Beekdal van Kleine Aa

  • Beekdal van Poelenloop

  • Diverse ecologische verbindingszones, zoals in buurtschap Lantie, in het dal van de Kleine Beerze en de (noordelijke) Oostelbeerschedijk.

  • Het Groene Lint van Eersel naar Eindhoven

Voor de bevordering van de biodiversiteit wordt ingezet op de onderstaande acties:

  • Stimuleringskader Groen Blauwe Diensten (Stika)

  • Beleef- en eetnatuur in de wijken

  • Operatie Steenbreek

  • Ondersteuning initiatieven samenleving

  • Verbetering leefgebied doelsoort — Grote bremraap

  • Verbetering leefgebied doelsoorten — soortgroep insecten

  • Verbetering leefgebied doelsoorten — soortgroep reptielen en amfibieën

  • Verbetering leefgebied doelsoorten — vogels

  • Verbetering leefgebied doelsoorten — kleine marters

De uitvoering van bovenstaande natuurprojecten en biodiversiteit bevorderende acties is uitgewerkt in hoofdstuk 7.

5.5.

Monitoring doelsoorten

Steekproefsgewijze monitoring van de doelsoorten is belangrijk om de vinger aan de pols te houden of de projecten en acties ook een positief effect hebben op de populaties van de doelsoorten. Monitoring kan leiden tot bijsturing van projecten en acties als ze niet leiden tot het gewenste resultaat. Monitoring wordt bij voorkeur altijd vooraf gegaan door een nulmeting. Een nulmeting van een bepaalde soort(groep) wordt uitgevoerd vóór de start van een project of een actie om een zuiver ijkpunt te hebben. Monitoring van de biodiversiteit is behalve voor het thema Natuur, ook een bruikbaar instrument voor het thema Landschap (zie paragraaf 4.8).

Afhankelijk van de soort(groep) en de aanwezige kennis bij natuurvrijwilligers, kunnen lokale vrijwilligers in sommige natuurprojecten en biodiversiteit bevorderende acties de monitoring (gedeeltelijk) ondersteunen. Dit heeft twee voordelen: het beperkt de kosten van monitoring en het vergroot het draagvlak bij belangengroepen voor natuurontwikkeling. De analyse van de monitoringgegevens vindt normaliter plaats door ecologen.

5.6.

Toekomstige natuurontwikkelingen 2017 — 2020

Behalve de voltooiing van een aantal natuurgebieden en het uitzetten van diverse biodiversiteit bevorderende acties, vindt in de nabije toekomst nog een aantal ontwikkelingen plaats waarmee rekening wordt gehouden bij het thema Natuur. Eind 2017 of in de loop van 2018 wordt in gemeente Eersel een nieuwe Grondnota vastgesteld. De Grondnota is een belangrijk instrument om de doelstellingen van beleidsplan Groen Loont te verwezenlijken. Denk hierbij aan het beschikbaar krijgen van grond en voorwaarden die gesteld kunnen worden bij pacht, koop, huur of ingebruikneming. In de herziende Grondnota zal hier aandacht voor zijn.

Artikel 1.7 en 1.12 van de Wet natuurbescherming stellen dat gemeenten de natuur niet alleen passief, maar voortaan ook actief moet beschermen. Wat dit concreet inhoudt, is nog onbekend. Provincie Noord-Brabant is bevoegd gezag om samen met de gemeenten hieraan invulling te geven. Omgeving Zuid Oost Brabant (ODZOB) is ingeschakeld om voor de gemeenten in de regio bij de provincie duidelijkheid te krijgen over de implementatie van de Wet natuurbescherming. Dit richt zich in eerste instantie op het passieve deel van de wetgeving, maar ODZOB en de gemeenten willen met de provincie in gesprek over actieve natuurbescherming. Vooral bij soortenbescherming is het belangrijk te weten waar beschermde en rode lijstsoorten in de gemeenten voorkomen. ODZOB heeft voor de regio een offerte opgevraagd voor een regionaal abonnement op de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). Voorliggend beleidsplan zet in op proactieve natuurbescherming, het sluiten van een abonnement op de NDFF is in lijn met deze doelstelling. Uiteindelijk wordt de Wet natuurbescherming opgenomen in de Omgevingswet die naar verwachting in 2019 in werking treedt. Dat is een ontwikkeling die waarschijnlijk van grote invloed is op de natuurbescherming en het natuurbeleid. Het is voor de overheden opnieuw een ijkmoment om te toetsen wat de staat van de natuur is en wie welke verantwoordelijkheden op zich neemt om de natuur te beschermen.

6. Groen

De gemeente Eersel wil op weg naar 2030 mensen blijven aantrekken door het versterken van het Kempische beeld van rust, ruimte, sociaal vitale kernen, recreatiemogelijkheden, cultuurhistorische kernen en Kempisch coulissenlandschap. De gemeente Eersel wil daarin complementair zijn aan de nabijgelegen stedelijke omgeving en wil zich profileren als de groene contramal van de regio. De complementariteit van dorpen ten opzichte van het stedelijk leven rond Eindhoven, de rust, het groen, de horeca en het kleinschalige karakter maken de gemeente aantrekkelijk voor inwoners en recreanten (Toekomstvisie 2030).

Vanuit de wetgeving heeft de gemeente ook een taak te vervullen. Als voorbeeld geldt dat volgens de Grondwet de overheid heeft te zorgen voor een bewoonbaar land en dient zij het leefmilieu te beschermen en te verbeteren. Het Burgerlijk Wetboek zegt dat de gemeente de wettelijke zorgplicht heeft voor het garanderen van de veiligheid van haar bewoners. Om deze reden moet de gemeente haar bomen aantoonbaar goed onderhouden en maatregelen treffen voor de veiligheid. Verder zijn vanuit andere wetten invloeden om rekening mee te houden in de inrichting en het beheer van het cultuurgroen, denk bijvoorbeeld aan de Wet natuurbescherming.

6.1.

Beleidsdoelen

Het is belangrijk om in de zes kernen van Eersel voldoende ruimte te creëren voor de inrichting en het beheer van cultuurgroen om de ambities en taken te verwezenlijken. Op deze wijze kan de gemeente een (be)leefbare en gezonde woon- en werkomgeving garanderen. Voldoende ruimte voor cultuurgroen omvat niet alleen de fysieke omgeving, maar ook de bereidheid om hier financieel in te blijven investeren met daarbij de gedachte dat dit zich terugverdient via leges, gemeentelijke belastingen en het kosten reducerend effect van groen op andere beleidsdisciplines. Zo kan een qua omvang voldoende grote groene ruimte meer water opvangen en bufferen bij wateroverlast, die ontstaat bij neerslagextremen. Dit kan waterschade aan particulier én openbaar domein aanzienlijk beperken alsmede de daaruit vloeiende (hoge) kosten. Dit zijn de economische baten van groen. Deze economische baten zijn samen met de maatschappelijke baten van groen in hoofdstuk 3 uitgewerkt. Het is belangrijk om bewust te zijn en te blijven van de talrijke functies van het groen, ook van het in dit hoofdstuk behandelde cultuurgroen. Dit doet ons beseffen dat groen behalve nuttig vooral ook noodzakelijk is.

Vanuit de hoofddoelstelling van het beleidsplan (zie paragraaf 1.2) zijn voor het thema Groen een aantal doelen te herleiden, namelijk:

  • Een goed ingerichte en onderhouden groene openbare ruimte die voldoet aan de ambitie van de Toekomstvisie 2030 van gemeente Eersel.

  • Een aantrekkelijke, gevarieerde groene omgeving met meer kleur, geur en beleving, om het toonbeeld te vormen van hoe landelijk en groen wonen in De Kempen uit kan zien.

  • Investeren in een duurzame groene omgeving op het moment dat het groen versleten en aan vervanging toe is; en wanneer sprake is van nieuwe ruimtelijke projecten.

  • Investeren in het onderhoud van groen op voor een breed publiek zichtbare locaties door het kwaliteitsniveau op deze locaties naar kwaliteitsbeeld A (rapportcijfer 7-8) te verhogen.

Om groen op peil te houden, wordt in het beleid en beheer van het cultuurgroen gerekend met twee waarden: de vervangingswaarde en de onderhoudswaarde van het groen. Deze twee waarden zijn inhoudelijk en financieel uitgewerkt in respectievelijk de paragrafen 6.3, 7.4 en 8.4.

6.1.1.

Specifieke beleidsrichtlijnen

Een aantal specifieke richtlijnen helpen de doelen voor het groen te verwezenlijken. Deze richtlijnen zijn:

  • Na de opgedane ervaringen met de pilots in het project Datagedreven Kempengemeenten, wil de gemeente maatschappelijke kosten- en batenanalyses (mkba) uitvoeren vóórdat concept (her)inrichtingsplannen, definitief worden gemaakt. Dit uitgangspunt is van toepassing op:

    • Alle nieuwbouwplannen, zowel bij wijkuitbreidingen als bij grootschalige wijkreconstructies.

    • Ruimtelijke projecten, zoals bij landschaps(her)inrichtingsplannen.

  • Diversiteit in cultuurgroen toepassen. Momenteel worden veelal de soorten eik in bomenlanen en beuk in hagen toegepast. Daarnaast bestaat 70% van het areaal groen in de bebouwde kommen uit monotone gazons. Het beleidsplan zet in op meer kleur, geur en variatie in de plantsoenen, gazons en hagen. Het Beeldkwaliteitsplan zet in op de herkenbare beukenhagen in de oude centra van dorpen en buurtschappen. Ook pleit zij op deze locaties voor toepassing van inheemse boomsoorten. Dit laatste aspect komt de biodiversiteit zeker ten goede. Het beleidsplan Groen Loont is niet voornemens het sortimentskeuze van het Beeldkwaliteitsplan voor deze delen van de bebouwde kom te wijzigen. Wel stuurt het in woonwijken en op industrieterreinen aan op de toepassing van een veel breder assortiment aan plantensoorten. Hierbij wordt concreet gedacht aan:

    • Toepassen van vaste planten, prairieplanten, kruidengraslanden en bloemweiden als alternatieven voor gazons.

    • Toepassen van heesters waarbij kleur, geur en drachtwaarde de bepalende factoren zijn.

    • Toepassen van gemengde en groenblijvende hagen.

    • Bomen zijn in principe inheems, maar uitheemse bomen zijn ook mogelijk als ze passen in de omgeving in relatie tot de bestrating en toegankelijkheid, ze klimaatbestendig zijn, ze toegevoegde waarde aan het straatbeeld en/of drachtwaarde hebben. Verder sluit beleidsplan Groen Loont aan op het vigerende Bomenbeleidsplan, wat betreft de bomen. De komende 25 jaar worden geen beukhagen in de bebouwde kom en geen eiken in laanstructuren aangeplant om de monotonie te doorbreken.

    • Vergroenen en diversiteit vergroten op strategische plekken zoals:

      • Biodiversiteit op de rotonden verhogen door toepassing van vaste planten, prairieplanten of andere kleur- en soortenrijke plantcombinaties.

      • Vergroening (school)pleinen. Dit is gericht op afname van verhard oppervlakte door een groene aanplant. De aanplant benadrukt accenten zoals kleur en geur en de beleving van de seizoenen.

  • Op peil houden van het areaal duurzaam groen in de bebouwde kernen door normen als uitgangspunt te hanteren. Het college van Burgemeester en Wethouders heeft beslisbevoegdheid om, gemotiveerd, van deze normen af te wijken:

    • Minimaal 20% (exclusief boomspiegels in verharding) van de oppervlakte in nieuwbouwplannen en bij inbreidingen is groen. Van deze norm kan worden afgeweken als bij de uitkomst van een mkba blijkt dat een zorgvuldige afweging is gemaakt van de maatschappelijke kosten en baten bij een plan en hieruit zou blijken dat het plan ook met een kleiner oppervlakte groen de gewenste ruimtelijke, groene kwaliteit kan bieden.

    • Het areaal gazon in de bebouwde kernen bedraagt maximaal 50% van de totale oppervlakte cultuurgroen dat in beheer en eigendom van de gemeente is.

  • Beschermen van belangrijke groenwaarden door:

    • Groen- en landschapsstructuren in bestemmingsplannen opnemen.

    • Boomkroonprojectie van monumentale bomen in bestemmingsplannen opnemen.

    • Aanpakken van ongeregistreerd grondgebruik en het tegengaan van illegale handelingen in het groen.

  • Stimuleren en faciliteren van groene burgerinitiatieven.

6.1.2.

Groenbeleid en andere beleidstaken

Bij de (her)inrichting van de openbare ruimte spelen vaak andere belangen mee. In de openbare ruimte zijn meerdere functies aanwezig en is tussen deze functies een nauwe relatie. In een woonwijk bijvoorbeeld is in het fysieke domein ruimte nodig voor riolering, kabels en leidingen, wegen, verlichting, waterberging en groen. In principe zijn deze functies in de openbare ruimte technisch goed te combineren. Idealiter zou in een nieuwbouwwijk van perceelgrens tot perceelgrens ruimte in de openbare ruimte moeten zijn voor een trottoir aan weerszijden van de weg, een parkeerstrook en een groenstrook met voldoende groeiruimte voor een rij 1e orde bomen. De totale benodigde ruimte is dan circa 20 tot 22 meter breed. Hierdoor is ook voldoende ruimte aanwezig voor verlichting en ondergronds voor kabels, leidingen en twee rioolbuizen. De praktijk leert echter dat de ruimte voor deze functies beperkter is.

De afgelopen jaren zijn alle functies meestal in de beperkt overgebleven openbare ruimte ingedeeld, terwijl deze ruimte al snel onvoldoende blijkt. Na oplevering van een nieuwbouwlocatie gaat dit letterlijk wringen. Voorbeelden: parkeerplaatsen zijn onvoldoende aanwezig, bomen veroorzaken worteldruk in de verharding of ruimte voor bomen ontbreekt vanwege kabels en leidingen en/of trottoirs zijn te smal voor voetgangers met kinderwagens. Hierdoor wordt al snel vooral in het groen ingegrepen, waardoor de structurele groenbeheerkosten door versnippering, hoger zijn dan in een openbare ruimte met voldoende ruimte voor de verschillende functies. Dan zijn de nadelen van de beperkte ruimte voor groen op het maatschappelijk-economische vlak nog buiten beschouwing gelaten.

In de grondexploitatie en in het ontwerp van een nieuwbouwlocatie werd tot 2016 bij een winstgevende exploitatie financieel rekening gehouden met een rood voor groen bijdrage van € 7,50 per verkocht m2, welke gestort werd in de bestemmingsreserve "Rood met Groen". Op grond van wijzigingen met betrekking tot het Besluit Begroting en Verantwoording en de Vennootschapsbelasting is het niet meer mogelijk om kosten op te nemen in een grondexploitatie als fondsstorting.

Bij aanvang van een nieuwe exploitatieopzet kunnen alleen nog alle kosten voor het bouw- en woonrijp maken, inclusief groenbeleid, van het desbetreffende plan worden opgevoerd. Op het moment dat sprake is van verloren gegane natuur- en groenwaarden bij de ontwikkeling van een nieuw plangebied door woningbouw, is het mogelijk om kosten in de grondexploitatie in te brengen voor compensatie van deze verloren gegane natuur- en groenwaarden. De compensatie kan dan elders plaats vinden. Op het moment dat sprake is van de ontwikkeling van een nieuw plangebied wordt bij de opzet van een nieuwe grondexploitatie door medewerkers van planeconomie, stedenbouwkunde/landschapsarchitectuur, ruimtelijke ordening, civieltechniek en groen integraal naar dit plan gekeken waarbij ook de juiste aandacht is voor groen. Hierdoor ontstaat de komende jaren ruimte om het voorliggend beleidsplan in praktijk te brengen en kan weer geïnvesteerd worden in de leefbaarheid en veiligheid van een nieuwbouwlocatie.

Ook onderwerpen in het sociale domein die van invloed zijn op het groen, spelen een rol. Vaak is er spanning tussen de diverse belangen. De belangrijkste factor hierin is het Inclusief Beleid. De Rijksoverheid heeft in 2016 het VN verdrag voor de rechten van mensen met een beperking ondertekent. Mensen met een beperking willen mee kunnen doen in de samenleving, maar ondervinden vaak obstakels in de eigen leef- en woonomgeving. In het fysieke domein valt daarbij te denken aan kuilen in de weg, te smalle stoepen voor rolstoelgebruikers en worteldruk van bomen in de verharding dat voor voetgangers, die slecht ter been zijn, letterlijk een hindernis vormt. Het Inclusief Beleid verplicht lokale overheden om in haar beleid rekening te houden met het obstakelvrij houden van de openbare ruimte. Een ander belangrijke beleidstaak is het voorzien in voldoende en veilige speel- en beleefterreinen voor kinderen. Hierin vervult groen een belangrijke rol. Speelterreinen en groen zijn meestal gecombineerd en versterken elkaar. Tegenwoordig worden op speelterreinen vaak speelaanleidingen in plaats van speeltoestellen gebruikt. Hiervoor worden meestal natuurlijke materialen ingezet. Maar ook op dergelijke plaatsen komt het aan op voldoende ruimte voor zowel het groen als de nodige bewegingsruimte voor spelende kinderen. Vanuit het sociale domein blijkt eens te meer het belang van een zorgvuldige, duurzame inrichting met voldoende ruimte voor alle functies en met name voor het groen.

De relaties tussen de diverse belangen en de verschillende functies in de openbare ruimte zijn tegenwoordig technisch steeds beter te combineren, ook in meer beperkte ruimten. Een goed voorbeeld is het toepassen van ondergrondse boomvoorzieningen. Dit kan variëren van grove lavakorrels tot complete krattenconstructies. Boomwortels hebben in dergelijke constructies voldoende ruimte om water en voeding te vinden, zonder dat ze worteldruk in de verharding veroorzaken. Kabels en leidingen worden beter beschermd. Bovendien wordt overtollig hemelwater beter afgevoerd. De constructies dienen dus meerdere functies. Bomen die hoog worden, kunnen hierdoor toch op verharde pleinen of in smallere straten worden aangeplant. Dit voorbeeld is behalve op nieuwbouwlocaties, ook goed toe te passen bij de herinrichting van straten. Belangrijk is te beseffen dat dergelijke technische oplossingen weliswaar hogere investeringskosten hebben, maar dat dit zich terugverdient. Dat komt doordat groen langer meegaat en geen beroep gedaan hoeft te worden op extra onderhoudsmaatregelen bovenop het regulier onderhoud

De relaties die de diverse belangen en de verschillende functies in de openbare ruimte met elkaar hebben, onderstrepen het belang van uitvoeren van mkba's. Het beleidsplan streeft naar een multifunctionele openbare ruimte waar de waarde van groen nadrukkelijk een rol van belang speelt. Dit betekent dat de vakgroep groen van gemeente Eersel bij de ontwikkeling van nieuwe plannen van-af het begin actief in het proces wordt betrokken

6.2.

Groenstructuren

Groenstructuren zijn (grote) lint- of vlakvormige beplantingen die door hun omvang, hun ruimtelijke ligging en hun belang voor de leefomgeving het waard zijn om te beschermen en waar nodig te versterken. De groenstructuren van beleidsplan Groen Loont sluiten aan op de structuren van het Bomenbeleidsplan en het Beeldkwaliteitsplan van gemeente Eersel. Een aantal groene ruimten die niet zijn opgenomen in respectievelijk de bomenstructuren en cultuurhistorische structuren van beide plannen, zijn in beleidsplan Groen Loont alsnog opgenomen. Er zijn immers groene locaties zonder (beschermwaardige) bomen en die geen onderdeel uitmaken van de cultuurhistorische waardevolle locaties, maar toch belangrijk zijn. Bovendien zijn ook nieuwbouwwijken met openbaar groen ontstaan. Dergelijke groene ruimten zijn door hun omvang, hun ruimtelijke ligging en hun belang voor de leefomgeving belangrijk genoeg om als te behouden groenstructuur opgenomen te worden in beleidsplannen. Voorbeelden van deze groene ruimten zijn bosplantsoenen aan de rand van de bebouwde kom, parken, bosachtige parkjes in woonwijken, wadi's voor hemelwateropvang of groen langs wijkontsluitingswegen in nieuwbouwwijken.

6.2.1.

Beleidsmaatregelen groenstructuren

De groenstructuren van het cultuurgroen in de bebouwde kommen zijn opgenomen in de groen-structuurkaart (zie bijlage D). De groenstructuren van het cultuurgroen in het buitengebied zijn opgenomen in de landschapsstructuurkaart (zie bijlage A). Cultuurgroen in het buitengebied betreft overigens alleen de laanbomen. Verder staan op de landschapsstructuurkaart vooral de landschappelijke structuren. In de groenstructuurkaart wordt voor het cultuurgroen onderscheid gemaakt tussen vier typen structuren, namelijk:

  • Hoofdstructuur en belangrijke groenelementen: dit zijn de qua oppervlakte en/of breedte vaak grote groenelementen in de bebouwde kom. Ze liggen langs de hoofdontsluitingswegen, vormen het groen in de historische oude centra van de kernen en vormen de grotere parken en evenemententerreinen. Deze elementen zijn bepalend voor het beeld in de omgeving. Zij vormen regelmatig het "visitekaartje" van een kern. Groen dat onder de noemer hoofdstructuur en belangrijke groenelementen valt, komt niet in aanmerking voor verkoop of verhuur en wordt ontzien bij ruimtelijke en/of infrastructurele ontwikkelingen. In zeer specifieke situaties kan dit type groen onder voorwaarden eventueel tijdelijk in gebruik worden gegeven. Denk bijvoorbeeld voor kermissen op evenemententerreinen. Voor groen onder de noemer hoofdstructuur en belangrijke groenelementen is het beleid: het groen behouden en waar mogelijk versterken. Mocht dit type groen om zwaarwegende, algemene belangen verloren gaan, dan dient het verloren gegane areaal groen elders in de kern fysiek of financieel te worden gecompenseerd. In beginsel wordt hierbij uitgegaan van een qua areaal fysieke compensatie, waarbij het elders gecompenseerde groen minimaal dezelfde oppervlakte heeft en ook dezelfde status van hoofdstructuur en/of belangrijke groenelement krijgt. Blijkt fysieke compensatie echt niet mogelijk, dan wordt het groen financieel gecompenseerd voor de geldende grondprijs.

  • Groene dorpsranden: heeft dezelfde status als groen in hoofdstructuur en belangrijke groenelementen, maar zijn vaak smaller en vormen heel specifiek de visuele en fysieke groene scheiding of buffer van sommige woonwijken en industrieterreinen met het buitengebied. Op deze locaties is een groene afscheiding of buffer vaak bepaald door de ligging in een bepaalde kenmerkende (cultuur)landschap (zie ook paragraaf 4.8) of is sprake van een maatschappelijk belang, zoals het afschermen van een industrieterrein voor omwonenden of recreatievoorzieningen. Voor dit type groen is het beleid: het groen behouden en waar mogelijk versterken. De beplanting van groene dorpsranden hebben vaak hun eigen kenmerkende sortiment beplanting, meestal bestaande uit inheemse soorten.

  • Nevenstructuur en wijkparken/-plantsoenen: dit zijn de groenelementen langs wijkontsluitingswegen, de wijkparken en de grotere plantsoenen in de wijk. Meestal is dit het relatief nieuwere groen, dat wil zeggen na de Tweede Wereldoorlog aangelegd. Groen dat onder de noemer nevenstructuur en wijkparken/-plantsoenen valt, komt niet in aanmerking voor verkoop en worden waar mogelijk ontzien bij ruimtelijke en/of infrastructurele ontwikkelingen. Het verhuren of het in gebruik geven van dit type groen is onder voorwaarden eventueel mogelijk. Voor dit type groen is het beleid: het groen behouden. Mocht dit type groen door ruimtelijke en/of infrastructurele ontwikkelingen verloren raken, dan dient verloren gegane areaal groen elders in de kern fysiek of financieel te worden gecompenseerd. Bij financiële compensatie van dit type groen is van toepassing: de geldende grondprijs

  • Overig groen (niet in de groenstructuurkaart opgenomen): dit zijn diverse soorten, vaak kleine(re) groenelementen in de kernen. Ze liggen vaak langs (zij)straten in de wijk, langs achterpaden en in resthoeken van de infrastructuur in de wijken. Het verkopen of verhuren van dit type groen is al dan niet onder voorwaarden mogelijk. Om misverstanden te voorkomen, is het noodzakelijk te vermelden dat dit type groen niet onbelangrijk is. Het groen vervult weliswaar geen grote ruimtelijke rol in de kern en de wijk, maar is wel degelijk van belang voor de leefbaarheid en beleving van de betreffende straat zelf. Verkoop, verhuur, in gebruik geven of het afstoten van groen vanwege ruimtelijke/infrastructurele ontwikkelingen van overig groen is daarom expliciet geen vanzelfsprekendheid, maar wordt per locatie en situatie nauwkeurig tegen verschillende factoren afgewogen. Die rol ligt bij de beleidsmedewerker groen en uiteindelijk heeft het college van Burgemeester en Wethouders beslisbevoegdheid. De opbrengsten van het verkochte cultuurgroen wordt gebruikt ten behoeve van uitbreiding en versterking van het groenareaal.

Samenvattend en aanvullend stelt dit beleidsplan de volgende regels voor het al dan niet verkopen, verhuren of in gebruik geven van openbaar groen in de bebouwde kommen:

  • Niet verkopen en verhuren:

    • Groene hoofd- en nevenstructuren en groene dorpsranden die zijn opgenomen in het Beeldkwaliteitsplan, bomenbeleidsplan en/of beleidsplan Groen Loont.

    • Groenstroken waarin kabels en leidingen liggen.

  • Eventueel verkopen en verhuren onder marktconforme prijzen of in gebruik geven van groen, al dan niet onder voorwaarden:

    • Overig groen dat fysiek en visueel rechtstreeks aan perceel van koper/pachter grenst.

6.2.2.

Groenstructuren versus bestemmingsplannen

In de bestemmingsplannen van de bebouwde kom van gemeente Eersel zijn alle plantsoenen bestemd als "groen". Hierdoor geniet in feite al het groen juridische bescherming. Dit houdt in dat bij elke ruimtelijke ontwikkeling ten koste van het groen of bij de verkoop van groen, een bestemmingsplanwijziging nodig is. Verder blijkt hierdoor dat voor de kap van vrijwel elke boom een aanlegvergunning nodig is. Als een boom vanuit het bomenbeleidsplan dan ook nog eens aangemerkt is als monumentaal of als beschermwaardig, is ook vanuit de Algemene Plaatselijke Verordening een (kap)vergunning nodig. In feite is de boom (onnodig) dubbel beschermd en gelden dubbele leges bij verlening van twee vergunningen. Om deze werkwijze iets meer te stroomlijnen en de lasten te verlichten, is het beleid van beleidsplan Groen Loont in relatie tot bestemmingsplannen:

  • Bomen in bestemmingsplannen bebouwde kom uit te zonderen van de aanlegvergunningplicht in plantsoenen met bestemming "groen".

  • Plantvakken kleiner dan 2 m2 die in beleidsplan Groen Loont onder de noemer overig groen vallen, de bestemming "verkeer" te geven. Plantvakken van een dergelijk klein formaat betreffen vaak bomen met hun boomspiegels in verharding en soms kleine blokhagen.

Bomen met de status monumentaal of beschermwaardig blijven in de toekomst een kapvergunning nodig hebben vanuit de Algemene Plaatselijke Verordening, indien men een dergelijke boom wil verwijderden.

De werkwijze van beleidsplan Groen Loont bij verkoop van groen is als volgt: aanvragen worden door team Vastgoed verzameld en per half jaar samen met de beleidsmedewerkers ruimtelijke ontwikkeling en groen afgehandeld inclusief eventuele bestemmingsplanwijziging. Hiervoor is het beleid van Groen Loont om wijzigingsbevoegdheid op te nemen voor het omzetten van openbaar gebied naar een tuin- of woonbestemming. Bij ruimtelijke ontwikkelingen ten koste van het groen, wordt de aanvraag per ontwikkeling afgehandeld.

6.2.3.

Groen en handhaving

Een veel voorkomend verschijnsel in Nederland is het al dan niet bewust in gebruik nemen van gemeentelijk groen door particulieren zonder dat de gemeente hiermee heeft ingestemd. Dergelijk ongeregistreerd gebruik van gemeentegronden komt zowel binnen de bebouwde kom als in het buitengebied voor. Eersel vormt hierop geen uitzondering. De vraag is hoe dergelijke situaties aan te pakken. Tot nu toe blijkt soms dat door verjaring grond van rechtswege in eigendom komt van een particulier. Dit is ongewenst en gemeente Eersel wil beleid opzetten om dit te voorkomen door het vastleggen van het ongeregistreerd grondgebruik waarbij de aandacht moet uitgaan van hoge naar lage prioriteit:

  • Groen in hoofdstructuren en belangrijke groenelementen,

  • Groen in groene dorpsranden,

  • Groen in nevenstructuren en wijkparken/-plantsoenen,

  • Overig groen.

De prioritering is uiteraard bepaald door het belang van het type groen, maar ook door de eventueel inzetbare personele capaciteit. Bij beperkte capaciteit kan in elk geval worden begonnen met groen in de hoofdstructuren, bij voldoende capaciteit kan de rest worden opgepakt. Om te achterhalen in welke omvang ongeregistreerd grondgebruik in Eersel voorkomt en hoe dit verschijnsel aangepakt kan worden, is een plan van aanpak met een gebiedsscan nodig. Landelijk is een aantal adviesbureaus gespecialiseerd in deze materie. Zij kunnen gemeenten hierin ontzorgen. Beleidsplan Groen Loont pleit voor het opzetten van een dergelijke (plan van) aanpak.

Een andere ontwikkeling die wordt gevolgd, is de inzet van groene handhavers. Gemeente Oirschot heeft een groene handhaver in dienst en gemeente Bladel heeft een groene handhaver op de proef voor een half jaar. Beide gemeenten verkennen samen met Vergunning, Toezicht en Handhaving De Kempen (VTH) of andere Kempengemeenten ook groene handhavers wil inzetten. Behalve deze gemeenten onderzoekt ook Staatsbosbeheer de mogelijkheden om samen op te trekken met de Kempengemeenten in de groene handhaving. Gemeente Eersel wil in elk geval deelnemen aan deze verkenning en wil op basis hiervan de mogelijkheden in beeld brengen.

6.3.

Beheer

Voor het duurzaam in stand houden van het groen is regelmatig onderhoud van de plantvakken en tijdige vervanging van beplanting noodzakelijk. Elk type groen heeft haar eigen gemiddelde levensduur en vraagt haar eigen specifieke onderhoudsinspanning. Een gazon bijvoorbeeld heeft een langere levensduur en vraagt een andere soort onderhoud dan een plantsoen met bodembedekkers. Een plantsoen met bodembedekkers buffert daarentegen weer veel beter overvloedig regenwater dan een gazon (zie figuur 6).

De focus van het beheer ligt in dit beleidsplan op het realiseren van een aantrekkelijke en gevarieerde groene omgeving. Door de vervanging van groen op peil te houden, hebben we de mogelijkheid om een duurzame, groene omgeving te realiseren en in stand te houden. Door tijdens de vervanging in te zetten op variatie in het sortiment zijn verschillende voordelen te behalen. Het groen krijgt een hogere belevingswaarde, maakt de gemeente aantrekkelijker voor toeristen, creëert een hogere biodiversiteit, is beter bestand tegen (plaag)ziekten en biedt mogelijkheden om een nog meer gerichte bijdrage te leveren aan duurzaamheid en gezondheid. Groen voldoet door de toepassing van meer variatie, veel beter aan haar veelzijdigheid in tal van maatschappelijke en economische nuttige functies. Variatie in het sortiment maakt het groen zelf ook vitaal sterk en de levensduur van groen wordt verlengd. Dit past ook in de duurzaamheidsgedachte. Hiermee voldoet groen aan de ambities van de gemeente Eersel. Zij geeft het voorbeeld hoe landelijk en groen wonen in de Kempen uit kan zien en hoe zij meer kleur, geur en beleving kan realiseren.

Een ander belangrijk speerpunt voor het beheer vanuit beleidsplan Groen Loont is om de mogelijkheid te bieden aan inwoners, bedrijven of organisaties om onderhoud in het groen te laten plegen. Niet vanuit de gedachte om op onderhoud te bezuinigen, maar om de betrokkenheid van mensen in hun eigen leefomgeving te vergroten. Dergelijk groenonderhoud door inwoners kan worden geregeld via gebruiks-overeenkomsten in perioden van drie jaar. Om te zorgen dat het groenonderhoud ook door inwoners goed wordt uitgevoerd, blijft toezicht en ondersteuning op dergelijke groene initiatieven nodig. Onderhoud in het groen is dan zowel mogelijk in de bebouwde kom als in het buitengebied.

Het groen in de bebouwde kom wordt conform het Kwaliteitsplan Groen (Claassens, 2012) op een sobere kwaliteitsniveau beheerd. Verschillende groenelementen als bomen, gazons en plantsoenen worden op kwaliteitsbeeld B (rapportcijfer 6-7) beheerd, de bermen en bosplantsoenen worden op kwaliteitsbeeld C (rapportcijfer 4-5) beheerd. Eén van de beleidsdoelen voor groen is om in te zetten op een hoger kwaliteitsniveau op, voor een breed publiek, zichtbare locaties. Verhoging van het onderhoudsniveau in de kernen creëert een aantrekkelijk woon- en leefklimaat voor inwoners en recreanten. Dit levert een bijdrage aan de ambitie van de Toekomstvisie om het toonbeeld te vormen van hoe landelijk en groen wonen in de Kempen uit kan zien. Als gevolg van de klimaatverandering wordt het groeiseizoen langer en daarnaast is het door veranderde wetgeving steeds moeilijker om medewerkers van de sociale werkvoorziening WVK voor het groenonderhoud in te zetten. Hierdoor staat het kwaliteitsniveau van groenonderhoud onder druk en is het nodig op deze ontwikkelingen te anticiperen. Het verhogen van het onderhoudsniveau draagt niet bij aan het realiseren van een groene omgeving met meer kleur, geur en beleving. Daarom zet dit beleidsplan alleen in op het verhogen van het onderhoudsniveau in de centra van de zes kernen naar kwaliteitsbeeld A (rapportcijfer 7-8), aangezien zij meer specifiek het toeristische visitekaartje vormen van de gemeente.

Beleidsplan Groen Loont is geen beheerplan en het werkt daarom het beheer niet in detail uit. Wel vraagt beleidsplan Groen Loont aandacht voor een belangrijke beheermaatregel: de nazorg van een (her)ingerichte groenvak. Na oplevering van bijvoorbeeld de groeninrichting in een nieuwe woonwijk of de groenenovatie van een bestaande wijk, is specifiek nazorg voor de nieuwe beplanting nodig. Gemeente Eersel wil dat in de opdrachten richting opdrachtnemers minimaal 1 jaar en bij voorkeur 3 jaar nazorg plaats vindt. Nazorg bestaat vaak uit het tijdig water geven, schoffelen, knippen en blad- en zwerfvuilvrij maken van de nieuwe plantvakken. Bij de oplevering van de nazorgactiviteiten wordt bekeken of aan de afspraken voldaan is en het gewenste eindbeeld is behaald. Na de oplevering van de nazorg gaat het (her)ingerichte groenvak in het regime van het reguliere groenonderhoud.

Voor de vervanging en het onderhoud van groen zijn landelijke richtlijnen en kengetallen opgesteld. Op basis hiervan heeft een extern adviesbureau de situatie van gemeente Eersel doorgerekend en de resultaten in een rekenmatrix verwerkt (zie bijlage E). Verder heeft het adviesbureau een steekproef genomen om de huidige, technische kwaliteit van de plantsoenen en de gazons in Eersel te toetsen. Op basis van deze steekproef zijn aanbevelingen gedaan over de vervanging van het groen. De rekenmatrix en de steekproef komen in hoofdstuk 7 aan bod.

foto

Figuur 6. Het bovenste figuur laat het effect zien van een groene en een verharde oppervlakte op moment dat hemelwater valt. Het onderste figuur toont de hoeveelheid afstromend hemelwater bij diverse groenvoorzieningen. Beide figuren doen een appèl op overheden, organisaties én particulieren om de leefomgeving te vergroenen .

7. Uitvoeringsprogramma en organisatie

Beleidsplan Groen Loont wil investeren in de maatschappelijk - economische functies en de ruimtelijke kwaliteiten die landschap, natuur en groen hebben. Het nut, de noodzaak en de functies van groen zijn groot en levert direct en indirect winst op voor de samenleving. Het beleidsplan geeft concreet invulling aan haar doelen aan de hand van een uitvoeringsprogramma in voorliggend hoofdstuk. In het uitvoeringsprogramma staat aangegeven waar en (indien van toepassing) wanneer welke maatregel wordt uitgevoerd. Voor elke uitvoeringsmaatregel wordt in hoofdstuk 8 voor zover mogelijk een kostenindicatie gegeven.

In dit hoofdstuk worden eerst de projecten opgesomd die gekoppeld zijn aan huidige en toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen richting het buitengebied, die schade veroorzaken aan landschap en natuur. De financiering van deze projecten is hoofdzakelijk geregeld door het Rood met Groenfonds en subsidies. De oorspronkelijke regeling "Rood met Groen" is echter juridisch achterhaald en mag niet meer gebruikt worden. Hiervoor zijn alternatieven gekomen die in hoofdstuk 8 worden uitgelegd. Vervolgens worden de overige uit te voeren projecten en acties voor de thema's Landschap en Natuur vermeld. Het uitvoeringsprogramma van het thema Groen is tamelijk uitgebreid en de maatregelen zelf zijn daarom in een bijlage opgenomen.

7.1.

Rood met Groen

Projecten die in aanmerking komen om uitgevoerd te worden met budgetten van de niet-locatie gebon-

den aanpak (in hoofdstuk 8 wordt dit uitgelegd) zijn:

Natuur en biodiversiteit:

  • 1.

    Rouwven — Oostelbeersedijk. Dit gebied is een oude heideontginning en ligt tussen de Oir-schotse bossen en de gemeentelijk bossen langs de Oostelbeersedijk. In dit gebied liggen mogelijkheden voor een ecologische verbindingszone. Doelsoorten zijn de levendbarende hagedis, de veldkrekel, amfibieën en veldvogels.

  • 2.

    De Huufkes - Molenvelden bij Knegsel. In dit heideontginningsgebied liggen kansen voor de grote bremraap. Deze plant staat in Nederland op de rode lijst als zeer zeldzaam en is sterk in aantal afgenomen.

  • 3.

    De Kleine Aa op de grens tussen Eersel en Bladel. De Kleine Aa komt uit op de Kleine Beerze. In dit gebied liggen mogelijkheden voor een EVZ. De doelsoorten zijn amfibieën, libellen, beekvissen, natte vegetaties, stroomdalgraslanden, broekbossen, elzensingels.

  • 4.

    De bosranden van de Buikheide. Doelsoorten zijn hier mantelzoomvegetaties, vlinders, wilde bijen en vleermuizen.

  • 5.

    EVZ tussen de Kleine Beerze en de Buikheide via de Heikesestraat en Kuilenhurk. Doelsoorten hier zijn de levendbarende hagedis, veldkrekel, libellen en vleermuizen.

  • 6.

    EVZ Landschotse Heide en de Kleine Beerze. Doelsoorten hier zijn struweelvogels, dagvlinders en vleermuizen.

  • 7.

    EVZ Hoolven. De doelsoorten zijn hier bos- en struweelvogels.

  • 8.

    EVZ Oostelbeersedijk tegen de gemeentegrens van Oirschot. De doelsoorten hier zijn heischrale flora, wilde bijen en vleermuizen.

  • 9.

    Een verdere uitbreiding van ecologisch bermbeheer. De doelsoorten bij zonnige bermen zijn vlinders en wilde bijen, bij schaduwrijke bermen paddenstoelen en kleine zoogdieren.

    Landschap:

  • 10.

    Driehuizen. Dit gebiedje behoort tot de oude cultuurgronden. Het is in gebruik als landbouwgebied en heeft diverse restanten van bosjes en singels. Doel is herstel van de landschapswaarde. Dit kan bereikt worden door herstel en aanvulling van bestaande singels met behoud van de aanwezige bolle akker.

  • 11.

    De oude cultuurgronden rondom Knegsel. In dit landbouwgebied komen essen, de Poelen-loop en restanten van singels voor. Het doel is om de oude nog aanwezige cultuurgronden te herstellen en een groene buffer te maken naar de nieuwbouw.

De keuze voor de projecten voor natuur biodiversiteit zijn gebaseerd op de biodiversiteitkansenkaart (zie bijlage C). De meeste locaties van bovenstaande projecten staan aangegeven op de landschaps-structuurkaart (zie bijlage A).

7.2.

Landschap

In het verleden is door allerlei ruimtelijke ontwikkelingen schade in het landschap aangericht. Dit heeft zijn sporen nagelaten. Om deze sporen te verzachten, is een uitvoeringsplan opgesteld. Met dit uitvoeringsplan wordt ook recht gedaan aan het duurzaamheidsbeleid van Eersel, kunnen de gevolgen van de klimaatverandering beter opgevangen worden, wordt het landschap aantrekkelijker voor haar inwoners en bezoekers en wordt de biodiversiteit verhoogd.

De volgende acties en projecten worden voor de komende jaren uitgevoerd of opgestart:

  • 1.

    Het opstellen van een voorlichtingscampagne met de ZLTO, de Stika-veldcotirdinator, het B-team en ANV Kempenland om agrariërs meer bewust te laten worden van de klimaatverandering en extreme weersomstandigheden. Hierbij komen onder andere de volgende vragen aan bod: Hoe kan de agrariër hierop anticiperen, welke beperkingen zijn er en welke maatregelen zijn vervolgens nodig?

  • 2.

    Inventarisatie van alle landschappelijke elementen en solitaire bomen. Onderzocht wordt de leeftijdsopbouw, de soortensamenstelling, in welke beheerconditie zij verkeren en welke beheermaatregelen nodig zijn om deze weer optimaal te laten zijn. Op basis van deze gegevens wordt een beheerplan landschappelijke elementen opgesteld. In dit plan spelen derden zoals de ANV Kempenland, de jachtverenigingen, het B-team, IVN en/of vrijwilligers een rol bij het beheer.

  • 3.

    Bij de bouw van een nieuw bedrijfsgebouw of uitbreiding van een bedrijf hanteert de gemeente het uitgangspunt van de aanleg van een (hak)houtsingel met een breedte van 10 meter. De gemeente organiseert een jaarlijkse erfplantdag en stelt plantmateriaal te beschikking. De benodigde publiciteit wordt geregeld en deze dag wordt bij voorkeur in samenwerking met de ZLTO, B-team en/of ANV Kempenland georganiseerd.

  • 4.

    Daar waar mogelijk de dorpsranden herstellen. Bij het illegaal gebruik van deze randen de ingebruiknemer hierop aanspreken en de mogelijkheid tot herstel geven. Indien de ingebruiknemer hiertoe niet bereid is, is handhaving een optie. Aanleg en/of herstel van een dorpsrand wordt ook georganiseerd worden via een jaarlijkse erfplantdag in het kader van burgerparticipatie. Bij nieuwe uitbreidingsplannen wordt een afschermende beplanting aangebracht op kosten van de initiatiefnemer.

  • 5.

    In het kader van dit beleidsplan is een analyse door een ecologisch adviesbureau uitgevoerd naar potentiële gebieden die bij de aanleg van nieuwe structurele landschapselementen de biodiversiteit bevorderen. Kansrijke gebieden zijn opgenomen in de biodiversiteitkansenkaart (bijlage C). De Stika-middelen worden met name in deze gebieden ingezet. De Stika-veldcotirdinator gaat in deze gebieden grondeigenaren enthousiasmeren voor de aanleg van de structurele landschapselementen.

  • 6.

    Het opstellen van een monitoringsplan naar de ecologische ontwikkelingen in de bosranden, landschappelijke elementen, bermen en sloten, nieuwe natuurontwikkelingsprojecten en de Stika-projecten.

  • 7.

    Het opzetten van een jaarlijkse controle van de landschapselementen. Indien het areaal verkleint, wordt de veroorzaker hierop aangesproken. De veroorzaker krijgt de gelegenheid om de situatie te herstellen. Indien dit niet binnen een jaar is gebeurd, vindt handhaving plaats.

  • 8.

    Het opstellen van een beheerplan landschappelijke elementen.

  • 9.

    Onderzoeken of de particuliere boseigenaren bereid zijn mee te werken aan een algemeen bosbeheerplan voor de bospercelen in hun bezit. Door samenwerking is de kans aanwezig dat zij daarbij een financieel voordeel bij hebben.

7.3.

Natuur

De realisatie van diverse natuurgebieden wordt vanuit de vernieuwde regeling Rood met Groen (zie hoofdstuk 7.1 en 8.1) gefinancierd. Dit betreffen diverse EVZ's, het beekdal Kleine Aa en het beekdal Poelenloop. Voor elk van deze gebieden is een gebiedseigen inrichtingsplan nodig. Elk gebied kent immers haar eigen specifieke omstandigheden met haar eigen doel(soort)en en haar eigen samenwerkingspartners met hun verschillende belangen.

Het natuurontwikkelingsproject Beekdalherstel De Run is in de tweede helft van 2016 van start gegaan in samenwerking met waterschap De Dommel, gemeente Bergeijk en de ZLTO. Dit betreft de realisatie van de eerste fase, namelijk de bovenloop van het beekdal.

De natuurontwikkeling van het Beekdal de Kleine Beerze is al meerdere jaren gaande. Diverse deeltrajecten van de beek zijn ingericht en opgeleverd. De realisatie van de laatste deeltrajecten zijn opgestart of in voorbereiding. In 2016 — 2017 stonden centraal; de oprichting en start van Landcoöperatie Dal van de Klein Beerze en de inrichting van landschapselementen in buurtschap De Donk. Gemeente Eersel werkt in dit stadium samen met provincie Noord-Brabant, gemeente Oirschot, waterschap De Dommel, het Brabants Landschap en de Landcotiperatie.

Landscape Art-elementen die toegevoegd worden aan het landschap, dienen de biodiversiteit te bevorderen. 'Het Groene Lint' (Bult, 2017), een wandelroute die de markten tussen Eersel en Eindhoven ver-bindt, bestaat uit gevlochten heggen van zwarte els met daarin soorten verwerkt zoals veldesdoorn, meidoorn en Gelderse roos. Een dergelijk element bevordert de biodiversiteit.

Voor de bevordering van de biodiversiteit wordt de komende jaren ingezet op de volgende 10 acties:

7.3.1.

Stimuleringskader Groen Blauwe Diensten (Stika)

Met het Stika wil de provincie in samenwerking met de gemeente en het waterschap het Brabantse landschap en het waterbeheer verbeteren en de mogelijkheden versterken om van het landelijk gebied te genieten. De regeling is bedoeld voor grondeigenaren die willen bijdragen aan natuur- of landschapsbehoud. Het stimuleringskader biedt de mogelijkheid om het recreatief medegebruik in het buitengebied te stimuleren, bijvoorbeeld door de realisatie van wandelpaden op bestaande zandwegen of over boerenland. De gemeente heeft vanaf 2010 jaarlijks een bedrag ingezet voor projecten in het kader van het Stika. Dit bedrag is door de provincie verdubbeld. Op deze wijze zijn de landschapselementen voor 50% bekostigd door de gemeente en 50% door de provincie. Met deze bijdrage wordt de aanleg en het beheer voor zes jaren van een landschappelijke element vergoed. Bij poelen wordt ook een vergoeding voor de afwaardering van de grond gegeven, omdat deze gronden uiteindelijk de bestemming natuur krijgen. Er is met name door agrariërs veel gebruik gemaakt van deze regeling. Het Stika is echter aan verbetering toe. In de huidige opzet is het risico reëel aanwezig dat na beëindiging van de beheerpakketten de grondeigenaar het landschapselement verwaarloost of zelfs opruimt. Het komt ook voor dat een grondeigenaar onvoldoende kennis heeft om een landschapselement op de juiste wijze te beheren, hetgeen verwaarlozing in de hand werkt. Dit is uiteraard niet duurzaam en onwenselijk. Een ander discussiepunt is het effect van een landschapselement op de biodiversiteit. Uit diverse onderzoeken (landelijk en internationaal) blijkt dat diverse maatregelpakketten gericht op agrarisch natuurbeheer, zoals ook opgenomen in het Stika, niet het gewenste effect hebben op de natuur17. Beleidsplan Groen Loont zet daarom alleen in op maatregelpakketten die een duurzaam effect hebben, waarbij ook de meetbaarheid van de verwachte effecten in ogenschouw worden genomen. Maatregelpakketten vanuit het Stika worden in Eersel voortaan alleen afgesloten in of direct grenzend aan de kansrijke gebieden die zijn aangegeven op de biodiversiteitkansenkaart. In de nieuwe overeenkomst Stika met de provincie voor de periode 2018 — 2021 wordt bovendien ingezet op een nieuwe randvoorwaarde bij het afsluiten van beheerpakketten. Deze randvoorwaarde betreft deelname aan start- en herhalingscursussen over duurzaam landschapsbeheer voor de deelnemende grondeigenaren. Deze vernieuwde, gebiedsgerichte aanpak moet leiden naar een duurzame instandhouding van landschapselementen die bovendien een bijdrage leveren aan biodiversiteit.

17 Bron: onder andere http://www.rli.nl/sites/default/files/u61/david kleijn - de effectiviteit van agrarisch natuurbeheer.pdf

7.3.2.

Beleef- en eetnatuur in de wijken

In de bebouwde kom kan aandacht worden gegeven aan het dichterbij brengen van de natuur in de eigen woonomgeving. Hierbij wordt gedacht aan het realiseren van zogenaamde bloemenweiden, pluktuinen en (buurt)moestuinen. Het idee hierbij is dat inwoners bloemen of fruit kunnen plukken in weiden, kleine boomgaardjes of plantsoenen met bes- en nootdragende struiken. Dergelijke plekken zijn eenvoudig te realiseren op locaties met nieuwbouw, herbestemming en/of groenrenovaties. Ook de combinatie met locaties voor waterberging kunnen in aanmerking komen. Deze biodiversiteit bevorderende actie richt zich vooral op beleving en het creëren van draagvlak voor de natuur, maar zal niettemin ook vrij algemene soorten helpen. Soorten die vrij algemeen zijn, kunnen soms een stimulans gebruiken, omdat ze al geruime tijd in aantal afnemen, zoals bijvoorbeeld de huismus. Voor de realisatie van beleef- en eetnatuur kan financieel worden meegelift met de reguliere budgetten voor groenbeheer en met beschikbaar gestelde budgetten. Dit is een "werk met werk" aanpak. In het uitvoeringsprogramma bij het thema Groen is een pluktuin naast een reeds bestaande moestuin in De Velden voorzien.

foto

Foto's 7, 8 en 9. Leerzaam en leuk. Kinderen van Meester Gijbelschool in Knegsel beleven plezier met hun grootouders door aanleg en onderhoud van de schoolmoestuin. Door dit initiatief van de basisschool en het IVN, plukken zij letterlijk de vruchten van hun groene arbeid,

foto

Foto 10. Met hulp van leerlingen van De Groote Aard wordt het leefgebied van bestuivende insecten in Eersel verbeterd.

7.3.3.

Operatie Steenbreek

Het doel van de actie Operatie Steenbreek is om burgers te enthousiasmeren om hun tuin te ver-groenen. De negatieve gevolgen van verstening, zoals afbreuk van de biodiversiteit en klimaatverandering worden daarbij onder de aandacht gebracht. Minder groen in de tuin betekent minder vogels, insecten en andere dieren. Burgers die hun tuin vergroenen leveren een belangrijke bijdrage aan de leefbaarheid van hun buurt. Zeker als men bedenkt dat plusminus 40% van het stedelijk oppervlak in bezit is van particulieren. Eén van de concrete acties waaraan wordt gedacht is dat inwoners een tegel uit hun tuin kunnen inleveren in ruil voor een struik in hun tuin. Ook het aanbieden van cursussen en het opzetten van nestkastacties behoort tot de mogelijkheden. Deze biodiversiteit bevorderende actie lift financieel mee met het budget voor de projecten biodiversiteit en klimaatadaptatie (hitte- en droogtestress en wateroverlast) van het Duurzaamheidsbeleid Eersel.

7.3.4.

Ondersteuning initiatieven samenleving

In de reguliere budgetten voor Landschap, Natuur en Groen, maar ook vanuit Duurzaamheid wordt rekening gehouden met (kleinschalige) initiatieven vanuit de samenleving die de biodiversiteit bevorderen. Ook bij budgetten voor de (her)inrichting vanuit grondexploitatie kan hier rekening mee worden gehouden. Een mooi voorbeeld is de realisatie van de schoolmoestuin bij de realisatie van de multifunctionele accommodatie in Knegsel. Op initiatief van de basisschool en het IVN heeft de gemeente grond beschikbaar gesteld voor een schoolmoestuin die onderhouden wordt door de schoolkinderen en de grootouders die in de buurt wonen. De kinderen en grootouders plukken letterlijk de vruchten van dit initiatief.

7.3.5.

Verbetering leefgebied doelsoort — Grote bremraap

De in Eersel bekende populaties van deze zeldzame Rode Lijstsoort, staan langs alle bosranden en bermen die in eigendom en beheer van de gemeente zijn. De gemeente heeft een grote verantwoordelijkheid voor een duurzame en gunstige staat van instandhouding van deze soort. De gemeente Eersel heeft zich begin 2017 aangesloten bij een regionaal samenwerkingsverband om tot een duurzaam netwerk van Grote bremraappopulaties in De Kempen te komen. De samenwerkingspartners zijn de gemeenten Veldhoven en Bergeijk, Stichting Floron en Bosgroep Zuid Nederland. Laatstgenoemde is penvoerder en heeft namens de samenwerkingspartners een subsidieaanvraag ingediend bij de provincie Noord-Brabant voor een projectplan (De Kort et al, 2017). Een belangrijk punt in de bescherming en uitbreiding van de Grote bremraap is het duurzaam beheren van de locaties met grotere aantallen bremrapen. Deze permanente groeiplaatsen worden aangewezen als zogenaamde bremraapreservaten waarin natuurgericht beheer en bescherming plaats vindt. In gemeente Eersel betreft dat het bos dat ligt tussen de snelweg A67 en het industrieterrein Haagdoorn. Hier staan in Eersel de meeste bremrapen bij elkaar en is in de Bosnota al rekening gehouden met het beschermen van deze bijzondere plantensoort. Behalve bremraapreservaten worden andere potentiële en aanwezige groeiplaatsen geoptimaliseerd. Het project beslaat de periode 2018 — 2020. De kosten hiervoor worden over de jaren verdeeld over de budgetten voor bosbeheer en bermbeheer. De uitvoeringsmaatregelen zijn goed te integreren in de beheerwerkzaamheden van bos- en bermbeheer. Hierdoor is sprake van een "werk met werk" aanpak waarbij de extra kosten nihil zijn.

7.3.6.

Verbetering leefgebied doelsoorten — insecten

Voor het verbeteren van de leefgebieden van insecten gaat in het beleidsplan de aandacht vooral uit naar de veldkrekel, bont dikkopje en bruine eikenpage (twee vlindersoorten). Wilde bijen krijgen eveneens aandacht aangezien deze soortgroep een belangrijke rol speelt in de bestuiving van natuur- en cultuurbeplantingen. Buiten de bestaande bos- en natuurgebieden is voor deze soorten winst te behalen in ecologisch bermbeheer, het realiseren van geleidelijke, open bosranden en het meer ecologisch inrichten en beheren van grotere vakken cultuurgroen in de bebouwde kom. Project Bloeiende Kempen speelt hier in het buitengebied op in. Dit project is een samenwerkingsverband van de gemeenten Bergeijk, Bladel, Reusel — De Mierden, Hilvarenbeek, Oirschot en Eersel. In 2016 was stichting Food4Bees en onderwijsinstelling De Groote Aard een samenwerkingspartner. In 2017 sluit Natuurmonumenten zich aan bij deze samenwerking. Doel van het project is: Verbetering van het leefgebied van de bijen en andere bestuivende insecten in De Kempen. Het richt zich op bij-vriendelijke inrichtingsmaatregelen. Hierbij ligt het accent op het inrichten, beheren en monitoren van verbindingen tussen natuur- en bloemrijke gebieden die voor wilde bijen, vlinders en de bijbehorende flora van grote betekenis zijn. Jaarlijks wordt bekeken welke maatregelen worden getroffen en welke partijen al dan niet meedoen. De maatregelen worden kostenneutraal uitgevoerd, omdat bijvoorbeeld de aanplant van bomen of het afroven van de toplaag van een berm op een bepaalde locatie al is bestemd. De meerwaarde zit hem dan ook in maatwerk. Door te letten op de juiste soort bomen of struiken bij aanplant; de juiste specifieke beheermaatregelen en/of het schuiven van maatregelen in de planning, wordt getracht maximaal rendement te behalen voor de leefgebieden van wilde bijen. De veldkrekel en de vlinders bont dikkopje en bruine eikenpage kunnen hiervan profiteren. Een belangrijk onderdeel van het project is het inventariseren van flora en wilde bijen om tot de juiste maatregelen te komen. Vrijwilligers van het IVN verzorgen de flora-inventarisaties.

7.3.7.

Verbetering leefgebied doelsoorten — reptielen en amfibieën

Voor amfibieën is het in zijn algemeenheid belangrijk om in het landschap rekening te houden met voldoende schuil-, voedsel- en voortplantingsgelegenheid. Dit kan in de vorm van het duurzaam in stand houden en waar mogelijk het uitbreiden van gemeentelijke landschapselementen als houtwallen/singels, kleine bosjes en visvrije poelen. Deze aanpak is in elk geval voor de doelsoort kamsalamander in Kreiel heel nuttig. De recent opgeleverde landherinrichting van Wintelre — Oerle biedt in potentie veel kansen aangezien in dit gebied veel houtsingels en bosjes liggen en zijn aangelegd. Verder is dit gebied op particuliere terrein te verbeteren door het Stika aan te wenden. Voor de vinpootsalamander op Heieinden wordt onderzocht wat binnen de mogelijkheden van het bosbeheer mogelijk is. Eventueel kan voor deze soort het Stika ingezet worden om poelen aan te leggen op particuliere gronden die direct naast de bossen liggen waar vinpootsalamander voorkomt.

De levendbarende hagedis heeft behalve (vochtige) heide, baat bij (hei)schrale graslanden en open bosranden. Als zodanig kan met deze soort rekening worden gehouden in het reguliere beheer van de bossen, landschapselementen en bermen. Het realiseren van open bosranden en structuurrijke bosjes en het ecologisch beheren van bermen in voor de levendbarende hagedis kansrijke gebieden (zie biodiversiteit kansenkaart - bijlage C) draagt bij dat de soort duurzaam in stand wordt gehouden. De verbetering van leefgebieden voor reptielen en amfibieën vergt een "werk met werk" aanpak waarbij financieel de reguliere beheerbudgetten en het Stika worden benut.

7.3.8.

Verbetering leefgebied doelsoorten — vogels

Beleidsplan Groen Loont zet op basis van de biodiversiteit kansenkaart in op de vogelsoorten huismus, gierzwaluw, patrijs en steenuil. Huismus en gierzwaluw vallen onder de noemer stadsvogels. Deze soorten zijn gebaat bij goede nestgelegenheden in of aan gebouwen. Dit beleidsplan wil via Operatie Steenbreek meeliften om een nestkastenactie op te zetten, waarbij ook deze stadsvogels worden geholpen. Verder hebben deze stadsvogels baat bij gevarieerde en insectenrijke tuinen en gemeentelijke plantsoenen. Hier leveren de biodiversiteit bevorderende maatregelen Operatie Steenbreek en Beleef- en eetnatuur in de wijken een bijdrage aan.

Patrijs en steenuil zijn te scharen onder boerenlandvogels. Het stimuleren van de aanleg van erfbeplanting, hoogstamfruitbomen en kleine bosjes in kansrijke gebieden levert een bijdrage aan het duurzaam in stand houden van deze soorten. Hiervoor wordt het Stika ingezet. De gemeentelijke bosjes en houtwallen/singels moeten zorgvuldig beheerd worden. Een goed ontwikkelde struik- en kruidlaag op de bodem met relatief weinig bomen is belangrijk. Om het voedselaanbod voor patrijs en steenuil te verbeteren is de pilot Project Vogelakkers opgestart. Op zes locaties in de gemeente worden in de komende jaren op gemeentelijke pachtgronden verschillende graansoorten en bloemen ingezaaid. Het project is niet alleen bedoeld als fysiek en visueel voorbeeld hoe habitat-verbetering van bepaalde doelsoorten kan plaats vinden, maar geeft ook een voorbeeld van hoe de getroffen maatregelen op hun effecten gemeten kunnen worden. In dit project werken Vogelwerkgroep De Kempen en B-team Eersel met de gemeente samen. De vrijwilligers verzorgen de vogelmonitoring en verrichten hand en spandiensten in de uitvoering.

7.3.9.Verbetering leefgebied doelsoorten — kleine marters

Hoewel het landelijke verspreidingsbeeld en de exacte eisen van kleine marterachtigen niet compleet is, spelen landschapselementen waarschijnlijk een belangrijke rol. Houtwallen, houtsingels, bosjes, erfbeplantingen, poelen en schrale bermen met een gevarieerde samenstelling aan struiken en kruiden zijn aantrekkelijk voor vogels, knaagdieren, amfibieën en insecten. Deze soorten staan op het menu van wezel, hermelijn en bunzing. Bovendien bieden de landschapselementen beschutting voor de kleine marters zelf. Voor deze soorten is het belangrijk het gemeentelijk beheer van landschappelijke elementen zorgvuldig uit te voeren. Aanvullend kunnen maatregelen vanuit het Stika en de aan het landschap gerelateerde acties van dit beleidsplan een positieve impuls geven aan het leefgebied van de drie kleine martersoorten.

7.3.10.

Monitoring doelsoorten

De effecten van nieuwe natuurontwikkeling, nieuwe landschapselementen, ecologisch groenbeheer, het Stika en biodiversiteit bevorderende acties kan worden gemeten aan de hand van (steekproefsgewijze) monitoring. De resultaten van de monitoring kan leiden tot bijsturing van de inrichting en het beheer van landschap, natuur en groen.

In diverse natuur- en bosgebieden vindt al monitoring plaats door ecologen of natuurvrijwilligers. Monitoring in kleine natuurgebieden en het cultuurlandschap, zowel in het buitengebied als binnen de bebouwde kom, ontbreekt vooralsnog. In het kader van de biodiversiteit bevorderende acties Project Bloeiende Kempen en Project Vogelakkers is hiermee een eerste start gemaakt, vaak in samenwerking met lokale natuurvrijwilligers. In beide projecten is een professionele ecologische analyse uitgevoerd. De natuurvrijwilligers hebben echter niet van alle soortgroepen kennis of beschikken, door andere activiteiten, niet over voldoende tijd om te monitoren. Vrijwilligers hebben bovendien (meestal) niet de kennis om een ecologische analyse uit te voeren. Een dergelijke analyse is belangrijk om het effect van een maatregel zeggingskracht te geven. Daarom wordt jaarlijks een bedrag begroot voor de uitvoering van monitoring (zie paragraaf 8.3). Aangezien ook bij het thema Landschap de behoefte aan monitoring aanwezig is, is voor dit thema eenmalig een bedrag begroot (zie paragraaf 8.2) voor het opstellen van een monitoringsplan. Dit plan richt zich met name op het monitoren van de biodiversiteit in landschapselementen.

7.4.

Groen

In het uitvoeringsprogramma voor de vervanging van groen in bijlage F is voor gemeente Eersel per kern en voor het buitengebied aangegeven waar groen vervangen kan worden. Ook worden beknopt de te treffen maatregel(en) benoemd. Hierbij vormen maatregelen rondom de beheergroep bomen het uitgangspunt, aangezien zij vaak bepalend zijn voor omgeving en uitvoering. De selectie van maatrege¬len is tot stand gekomen op basis van een steekproef naar de huidige, technische kwaliteit van het groen en op basis van de rekenmatrix (zie bijlage E), dat is gemaakt door een extern adviesbureau. Het adviesbureau heeft zich vooral gericht op het nemen van een steekproef van plantsoenen en gazons en de gemeente heeft de technische kwaliteit van de bomen getoetst. Beleidsplan Groen Loont bestrijkt een periode tot en met 2033. In het uitvoeringsprogramma van de vervanging van groen is een globale planning aangegeven door maatregelen in drie clusters te prioriteren:

  • Prioriteit I betreffen maatregelen die worden nagestreefd in de periode 2018-2021, de eerste vier jaar van het beleidsplan.

  • Maatregelen met prioriteit II worden nagestreefd in de periode 2018-2028, de eerste tien jaar van het beleidsplan.

  • Prioriteit III geeft tenslotte een doorkijkje naar de periode ná 2028. Deze prioritering is slechts een indicatie.

Hoewel het een uitgebreide lijst is, houdt dit niet in dat deze compleet is. In prioritering kan worden geschoven en onbenoemde maatregelen en locaties kunnen worden toegevoegd. Dit geeft het uitvoeringsprogramma flexibiliteit, want verschillende factoren kunnen het moment van uitvoering en het soort maatregel beïnvloeden. Denk hierbij aan: ziekten en calamiteiten waardoor beplanting plotseling versneld vervangen moet worden; "werk met werk" situaties waarbij de planning van andere vakdisciplines leidend kan zijn en de vervanging van het groen in deze planning meegaat; bestuurlijke en/of financiële veranderingen in de organisatie waardoor prioriteiten verschuiven; samenwerkingsverbanden en signalen uit de samenleving die vervanging van groen op locaties in een ander daglicht kunnen plaatsen. De lijst in het uitvoeringsprogramma geeft aan dat diverse locaties in beeld zijn die op termijn aangepakt worden. Verder is gelet op een enigszins gelijkmatige verdeling over de kernen, waarbij ook rekening is gehouden met wat in die kernen in de periode 2007-2017 aan groen vervangen is.

7.5.

Organisatie

Om de doelstellingen en het uitvoeringsplan, zoals verwoord in dit beleidsplan te realiseren en uit te voeren is integraal werken in de gemeenteorganisatie belangrijk. In werkprocessen wordt daarom de verantwoordelijkheid van de diverse inhoudelijke disciplines uitgewerkt. Deze werkprocessen worden in 2018 uitgewerkt. De groenbeleidsmedewerkers zijn hierin leidend.

Naast deze werkprocessen geldt voor een aantal onderwerpen, waarbij het belang van groen in zijn breedste betekenis van toepassing is, het volgende:

  • De beleidsmedewerker groen geeft aan of bij een landschappelijke inpassing een groenstrook een landschappelijke waarde heeft. Bij een landschappelijke waarde is een groenstrook in principe met een breedte van 10 m voldoende.

  • Bij iedere ontwikkeling zowel binnen als buiten de kom, wordt de beleidsmedewerker groen vanaf het begin betrokken bij de voorbereiding van het plan.

  • Bij ieder plan wordt behalve een inrichtingsplan, ook een beheerplan opgesteld. De beleidsmedewerker controleert of dit plan past binnen de beheermaatregelpakketten van de gemeente. Indien dat niet het geval is, wordt een nieuw maatregelpakket opgesteld. De financiële consequenties daarvan worden in beeld gebracht.

  • De beleidsmedewerker groen neemt deel aan de Kempen brede verkenning naar mogelijkheden voor de inzet van groene handhavers.

8.

Financiën

In de onderstaande paragrafen 8.1 tot en met 8.4 worden de kosten per onderdeel uit het uitvoeringsprogramma aangegeven. Paragraaf 8.5 geeft een samenvatting van de gevraagde extra lasten en in paragraaf 8.6 zijn de dekkingsmiddelen weergeven.

8.1. Rood met Groen

In het verleden heeft de provincie in het streekplan vastgelegd dat ieder nieuw stedelijk ruimtebeslag, waarvoor de beleidsregel voor natuurcompensatie niet geldt, gepaard moet gaan met een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit ergens in het buitengebied. Deze beleidsregel staat bekend als de "Rood met Groen" koppeling. Door de oprichting van een reserve "Rood met Groen" zijn middelen gegenereerd om projecten uit te voeren die deze verbetering tot stand kunnen brengen. Deze reserve werd gevuld met € 7,50 (prijspeil 2009) plus indexering per uitgeefbare m2 rode stedelijke functies. In het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV) zijn de voorschriften voor de administratie van de grondexploitatie per 1 januari 2016 gewijzigd. Dit betekent onder andere dat toevoegingen aan bestemmingsreserves alleen kunnen plaatsvinden via resultaatsbestemming. De bouwcrisis heeft vanaf 2009 geleid tot minder winsten en in sommige exploitaties zelfs tot verliezen.

De provincie blijft het echter belangrijk vinden dat ieder nieuw stedelijk ruimtebeslag in het buitengebied gepaard gaat met een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied. De gemeente wil eveneens projecten uitvoeren die gericht zijn op kwaliteitsverbetering van het buitengebied. Zij heeft hiervoor de volgende alternatieven:

  • De niet-locatie gebonden aanpak

    In de bestemmingsreserve Rood met Groenfonds is een restantbedrag van € 85.788,00 aanwezig. Dit bedrag wordt ingezet in gebieden waar een potentie aanwezig is voor herstel en ontwikkeling van landschap en natuur. Projecten die in aanmerking komen om uitgevoerd te worden met budgetten van de niet-locatie gebonden aanpak zijn:

Nr.

Omschrijving

Periode

Bedrag

Natuur en biodiversiteit

2018-2025

€ 50.000,00

1

Rouwven — Oostelbeersedijk

2018-2025

€ 20.000,00

2

De Huufkes — Molenvelden

2018-2033

P.M.

3

De kleine Aa

2018-2033

P.M.

4

De bosranden van de Buikheide

2018-2033

P.M.

5

EVZ tussen de kleine Beerze en de Buikheide

2018-2033

P.M.

6

EVZ Landschotse Heide en de Kleine Beerze

2018-2033

P.M.

7

EVZ Hoolven

2018-2033

P.M.

8

EVZ Oostelbeersedijk tegen gemeentegrens Oirschot

2018-2033

P.M.

9

Uitbreiding ecologisch bermbeheer

2018-2033

P.M.

Landschap

10

Driehuizen

2018-2025

€ 30.000,00

11

Oude cultuurgronden rondom Knegsel

2018-2025

€ 50.000,00

Totaal

€ 150.000,00

  • De locatie gebonden aanpak

    Bij deze aanpak wordt bij iedere planontwikkeling en bij de vaststelling van het bestemmingsplan ruimte gereserveerd voor een goede landschappelijke inpassing. De kosten voor deze inpassing is voor rekening van de ontwikkelaar. Voor een goede landschappelijke overgang van de nieuwbouw naar het buitengebied hanteert de gemeente stroken van minstens 10 m breed als uitgangspunt. Bij ieder project wordt de groenbeleidsmedewerker vanaf het begin van de projectbegeleiding bij de planvorming betrokken. Deze aanpak vervangt voor een deel de oude regeling Rood met Groen.

  • Verloren gegane boomwaarden

    Het betreft hier de waarde van illegaal gekapte bomen, bomen die aangereden zijn of beschadigd door werkzaamheden en/of vandalisme. De waarde die hierbij verloren gaat, kan berekend worden volgens een taxatie conform NVTB-richtlijnen. De berekende schade wordt verhaald op de veroorzaker of op het schadefonds. De bedragen worden ingezet om de schade te herstellen en/of de kwaliteit van het buitengebied te versterken respectievelijk te herstellen met het accent op bomen.

Financiële aspecten

Alternatieven Rood met Groen

Financiële dekking

De niet-locatie gebonden aanpak

Dekking uit bestemmingsreserve Rood met Groen

De locatie gebonden aanpak

Dekking uit betreffende planontwikkeling/krediet

Verloren gegane boomwaarden

Budgettair neutraal

8.2.

Landschap

De uit te voeren projecten en acties voor het thema Landschap worden niet allemaal tegelijk opgestart en uitgevoerd, omdat daarvoor de personeelscapaciteit en de financiële middelen niet voorhanden zijn. Project 1, de voorlichtingscampagne om agrariërs te informeren over klimaatverandering, kan aansluiten bij de projecten biodiversiteit en klimaatadaptatie in het Duurzaamheidsbeleid Eersel. Verder wordt gestart met een aantal projecten die duidelijk zichtbaar effect hebben in het landschap. Voor het uitvoeringsplan wordt de volgende planning en raming aangehouden:

Nr.

Omschrijving

Periode/Frequentie

Bedrag

1

Voorlichtingscampagne

eenmalig

(2019)

kostenneutraal' d

2

Inventarisatie landschappelijke elementen

eenmalig

(2019)

€ 5.000,00

3

Het organiseren van een jaarlijkse erfplantdag

jaarlijks

€ 5.000,00

4

Herstel van de dorpsranden

jaarlijks

€ 5.000,00

5

Uitvoering Stimuleringskader Groen Blauw Diensten (Stika)

jaarlijks

zie paragraaf 8.3

6

Monitoringsplan

eenmalig

(2020)

€ 3.000,00

7

Jaarlijkse controle landschapselementen

jaarlijks

(vanaf 2020)

€ 1.500,00

8

Het opstellen van een beheerplan landschappelijke elementen

eenmalig

(2019)

€ 3.000,00

9

Het opstellen van een bosbeheerplan particuliere bos- eigenaren

eenmalig

(2021)

€ 3.000,00

Financiële aspecten

Voor de dekking voor onderstaande aspecten: zie paragraaf 8.6

Jaartal

Bedrag

Structureel/incidenteel

Vanaf 2018

€ 10.000,00

Structureel

Vanaf 2020

€ 1.500,00

Structureel

2019

€ 8.000,00

Incidenteel

2020

€ 3.000,00

Incidenteel

2021

€ 3.000,00

Incidenteel

18 Dit landschapsproject haakt financieel aan op de projecten biodiversiteit en klimaatadaptatie van Duurzaamheidsbeleid Eersel.

8.3.

Natuur

De uit te voeren projecten en acties voor het thema Natuur kosten:

Nr.

Omschrijving

Periode/frequentie

Bedrag

1

Stimuleringskader Groen Blauwe Diensten

jaarlijks

€ 25.000,00

2

Beleef- en eetnatuur in de wijken

jaarlijks

kostenneutraal

3

Operatie Steenbreek

2018 — 2020

kostenneutraal' &

4

Ondersteuning initiatieven samenleving

jaarlijks

kostenneutraal

5

Verbetering leefgebied doelsoort — Grote bremraap

eenmalig

kostenneutraal

6

Verbetering leefgebied doelsoorten — insecten

jaarlijks

kostenneutraal

7

Verbetering leefgebied doelsoorten — reptielen en amfibieën

jaarlijks

kostenneutraal

8

Verbetering leefgebied doelsoorten — vogels

jaarlijks

€ 6.000,00

9

Verbetering leefgebied doelsoorten — kleine marters

jaarlijks

kostenneutraal

10

Monitoring doelsoorten

jaarlijks

€ 5.000,00

Financiële aspecten

De jaarlijkse lasten voor het Stika zijn opgenomen in de Voorjaarsnota 2018-2021 en worden daarom nu niet als extra last meegenomen. Het in dit beleidsplan opgenomen bedrag voor biodiversiteit (dat wil zeggen "Verbetering leefgebied doelsoorten — vogels") vervangt het in de Voorjaarsnota genoemde investeringsbedrag van € 18.000,00. Dit betekent dat de bestemmingsreserve biodiversiteit van € 12.000,00 kan vervallen ten gunste van de algemene reserve als vrij te besteden. Het betekent ook dat de onttrekking van € 6.000,00 aan de algemene reserve als vrij te besteden, achterwege kan blijven. De hogere lasten zijn voor het thema Natuur structureel € 11.000,00.

8.4.

Groen

Een extern adviesbureau heeft voor het beleidsplan Groen Loont uitgerekend wat het kost om op basis van het huidige groenareaal, het groen te vervangen op het moment dat de levensduur van dit groen voorbij is. Het adviesbureau heeft hierbij landelijke normen gehanteerd.

Het adviesbureau heeft behalve de vervangingswaarde op basis van landelijke normen van het huidige groenareaal, ook kritisch gekeken naar wat dit in de praktijk betekent. Door bij vervanging van groen ook rekening te houden met een kostenbesparende aanpak, kan de vervangingswaarde aanzienlijk omlaag worden geschroefd. Denk bijvoorbeeld aan grotere plantafstanden van bomen in bermen, bomen bij vervanging alleen in beplanting terug te plaatsen en bij vervanging van groen uit te gaan van "werk met werk". Jaarlijks is in totaal € 179.500,00 (prijspeil 2017) nodig om de vervanging van het groen op peil te houden. Het huidige budget voor de vervanging van groen is € 88.500,00, waarvan € 23.500,00 bestemd is voor inboet. Om de vervanging van het groen op peil te brengen, is een structurele verhoging van € 91.000,00 nodig. Deze berekeningen zijn terug te vinden in de rekenmatrix van bijlage E. Het totaal benodigde budget wordt vanaf 2018 jaarlijks gestort in een nieuwe bestemmingsreserve Vervanging Groen en vervolgens worden vanaf 2018 de benodigde vervangingen opgenomen in het meerjarig investeringsprogramma (MIP) met als dekking de nieuwe bestemmingsreserve. Uitzondering hierop vormt het jaarlijkse budget voor inboeten, dit budget van € 23.500,00 blijft gehandhaafd als jaarlijks exploitatiebudget.

De begroting voor het onderhoud van groen bedraagt in 2017: € 672.000,00. Het adviesbureau heeft voor dit beleidsplan ook de kosten uitgerekend om het onderhoud kwaliteitsniveau van de centra van de zes kernen te verhogen naar kwaliteitsbeeld A. Op de huidige begroting voor het onderhoud van groen betekent dit een structurele verhoging van € 10.000,00. De resultaten van de berekeningen zijn opgenomen in een rekenmatrix (zie bijlage E).

19 Deze biodiversiteit bevorderende actie haakt financieel aan op de projecten biodiversiteit en klimaatadaptatie van Duurzaamheidsbeleid Eersel.

Financiële aspecten

Jaartal

Bedrag

Structureel/incidenteel

Vervanging groen vanaf 2018

€ 91.000,00

Structureel

Onderhoud groen vanaf 2018

€ 10.000,00

Structureel

8.5.

Samenvatting kosten paragrafen 8.1 tot en met 8.4

Paragraaf

Thema (onderwerp)

Jaartal

Structureel

Incidenteel

8.1

Rood met Groen

2018

Nvt

€ 150.000,00 (+ P.M.), zie paragraaf 8.6

8.2

Landschap

2018

€ 10.000,00

Nvt

2019

€ 8.000,00

2020

€ 1.500,00

€ 3.000,00

2021

Nvt

€ 3.000,00

8.3

Natuur

2018

€ 11.000,00

Nvt

8.4

Groen (vervanging)

2018

€ 91.000,00

Nvt

Groen (onderhoud)

2018

€ 10.000,00

Nvt

Totaal

€ 123.500,00

€ 14.000,00

8.6.

Dekkingsmiddelen

Structureel

De hogere exploitatielasten kunnen in de begroting 2018-2021 worden meegenomen. In 2018 zal in totaal € 122.000,00 als extra last worden opgenomen. Vanaf 2020 bedraagt de totale extra last € 123.500,00. Deze uitgaven komen ten laste van de exploitatie en hebben een neerwaarts effect op de positieve exploitatiesaldi 2018-2021.

Incidenteel

De incidentele extra lasten van € 14.000,00 zoals genoemd in paragraaf 8.2 en 8.5, kan worden gedekt via een beschikking over de "algemene reserve vrij besteedbaar". Hierbij wordt opgemerkt dat sprake is van een positief effect op de "algemene reserve vrij besteedbaar" door het feit dat het in de Voorjaarsnota 2018-2021 opgenomen investeringsbedrag van € 18.000,00 voor biodiversiteit niet hoeft worden opgenomen in de begroting van 2018.

Voor de geraamde kosten in paragraaf 8.1 en 8.5 van € 150.000,00 (exclusief P.M.-kosten) is de bestemmingsreserve Rood met Groen van belang. In de bestemmingsreserve Rood met Groen is een restantbedrag van € 85.788,00 (saldo per 31-12-2016, conform Jaarrekening 2016) aanwezig. Dit bedrag wordt ingezet in gebieden waar potentie aanwezig is voor het herstel en de ontwikkeling van landschap en natuur (zie paragraaf 8.1 voor de toelichting).

Gelet op de in paragraaf 8.1 geraamde uitgaven van € 150.000,00 en de stand van de bestemmingsreserve, kan vanuit de "algemene reserve vrij besteedbaar" aanvullend € 64.212,00 worden gestort. Als de bedragen van de op dit moment nog geraamde P.M.-kosten bekend zijn, wordt een voorstel gedaan om een aanvullende storting te doen op de bestemmingsreserve Rood met Groen op het benodigde niveau te brengen. Op termijn worden onder andere te verkrijgen subsidies en samenwerkingspartners meer inzichtelijk, zodat de totaal benodigde budgetten nauwkeuriger kunnen worden geraamd. Ter indicatie is op dit moment de inschatting van de totale P.M.-kosten ongeveer € 220.000,00.

9. Communicatie & evaluatie

Voor het welslagen van beleidsplan Groen Loont is het nodig dat de doelen en richtlijnen van het beleid draagvlak hebben. Een zorgvuldige communicatie is daarbij onontbeerlijk. Hierbij is een onderverdeling te maken tussen interne en externe communicatie. Bovendien is het periodiek evalueren van het beleidsplan belangrijk om te kunnen bijsturen op bepaalde beleidsonderdelen als dat nodig blijkt te zijn. Het beleidsplan is geen statisch document, maar een handvat dat door ontwikkelingen en ervaringen in de tijd steeds bijgestuurd kan worden.

9.1. Interne communicatie

Bij interne communicatie gaat het over de gemeentelijke organisatie, daarmee worden zowel de politieke bestuurders als de ambtenaren bedoeld. De politiek is op diverse manieren bij de totstandkoming van het beleidsplan betrokken. Het projectplan voor het proces rondom dit beleidsplan is met instemming van het college van B&W ter informatie naar de gemeenteraad verstuurd. Het college van B&W heeft besloten om de gemeenteraad aan de hand van een uitgebreide BOB-procedure actief te betrekken in de politieke besluitvorming van het beleidsplan. Het BOB-model staat voor Beeldvorming, Oordeelsvorming en Besluitvorming. In de uitgebreide procedure zijn vier gemeenteraadsvergaderingen belegd om de gemeenteraad mogelijkheden te geven weloverwogen richting te geven aan de nieuwe koers van Groen Loont. Deze vorm van interne communicatie besloeg de periode juni 2016 — september 2017. Tijdens deze periode is de portefeuillehouder van dit beleidsplan ook regelmatig bilateraal geïnformeerd over het verloop van het proces. Na vaststelling van het beleidsplan is het voor de continuïteit belangrijk om Groen Loont bij de politiek onder de aandacht te houden, te meer omdat de samenstelling van gemeenteraad en college van B&W na elke gemeenteraadsverkiezing wijzigt. Hier dient rekening mee te worden gehouden in de periodieke evaluaties van het beleidsplan.

Ambtelijk is op diverse momenten formeel en informeel overleg geweest tussen de vakgroep groen en de andere vakdisciplines om de integraliteit van het beleidsplan te borgen. Vooral met de vakdisciplines ruimtelijke ontwikkeling, vastgoed, financiën en innovatie & dorpsparticipatie zijn diverse beleidsrichtlijnen besproken. Met de vakdisciplines stedenbouw, wegen, water, recreatie, vergunning en handhaving hebben eveneens gesprekken plaats gevonden. De leidinggevenden binnen het Managementteam zijn ook op diverse momenten geïnformeerd en betrokken. De gemeente verankert het belang, de uitvoering en de toepassing van het beleidsplan door periodiek informatiebijeenkomsten te organiseren of door de verschillende vakdisciplines regelmatig op de hoogte te houden via teamvergaderingen.

9.2.

Externe communicatie

De externe communicatie van het beleidsplan richt zich op de inwoners en maatschappelijke organisaties van gemeente Eersel. Na vaststelling van het beleidsplan door de gemeenteraad wordt bekendheid gegeven aan het beleidsplan via social media en de klassieke media. Het beleidsplan is digitaal beschikbaar via de gemeentelijke website www.eersel.nl. Via Facebook, Linkedln en Twitter wordt eveneens aandacht gegeven aan het beleidsplan. Uiteraard worden ook de meer traditionele media ingezet zoals de lokale weekkrant De Hint en door het versturen van persberichten.

Om het beleidsplan onder de aandacht te houden, is het belangrijk om met enige regelmaat ontwikkelingen en actualiteiten via de diverse media te berichten. Een andere mogelijkheid is het periodiek of op aanvraag organiseren van informatiebijeenkomsten in kleine kring, denk bijvoorbeeld aan bepaalde belangengroepen zoals de dorpsraden of ondernemersverenigingen.

In de voorbereiding op het beleidsplan is een projectplan geschreven, waarin voor de communicatie is gekozen voor de Methode K3. K3 is een omgevingsanalyse bestaande uit een krachtenveldanalyse, kernboodschap en een communicatiekalender. Op basis hiervan is voor het beleidsplan Groen Loont gekozen om een klankbordgroep samen te stellen, waarin vertegenwoordigers van belangengroepen in de samenleving van Eersel zitting hebben genomen. Het is belangrijk om een klankbordgroep samen te stellen waarin inwoners van gemeente Eersel zitting nemen die hart hebben voor de thema's landschap, natuur en groen, maar ook een evenredige afspiegeling vormen van de bevolking van Eersel. Inwoners met interesse voor groen kennen hun eigen omgeving. Bovendien kan een klankbordgroep ideeën of ervaringen hebben, waar de gemeente geen weet van heeft. Deze kennis is nodig om het nieuwe beleidsplan compleet te maken. De klankbordgroep bestond uit vertegenwoordigers van de Dorpsraden Knegsel, Steensel, Vessem, Wintelre, de Leefbaarheidsgroepen Duizel, Eersel, de IVN afdelingen Bergeijk — Eersel en Veldhoven — Eindhoven - Vessem, Biodiversiteitsteam Eersel, ZLTO afdeling Eersel en de Heemkundevereniging Hooge Dorpen. De samenstelling van de klankbordgroep beoogt een zo breed mogelijk draagvlak voor het beleidsplan te creëren. De klankbordgroep is in de periode oktober 2016 — januari 2017 op drie avonden bij elkaar gekomen. Tijdens deze avonden hebben de aanwezigen nagedacht en gedeeld wat zij verstaan onder de thema's landschap, natuur en groen. Vervolgens zijn de kwaliteiten, kansen en knelpunten van deze drie thema's in Eersel in beeld gebracht. De resultaten van deze avonden zijn in bijlage G terug te vinden. De klankbordgroep heeft haar bevindingen en adviezen op de Beeldvormende bijeenkomst aan de gemeenteraad gepresenteerd. De klankbordgroep heeft haar bevindingen ook in een kort adviesdocument aan de gemeente overhandigd (zie bijlage H). Vice versa wordt het vastgestelde beleidsplan onder de belangengroepen verspreid die zitting hadden in de klankbordgroep.

9.3.

Evaluatie

Het beleid is vastgesteld voor de periode van 2018 tot en met 2033. Tot die tijd wordt het beleidsplan om de vier jaar geëvalueerd en de evaluatie wordt aan de raad voorgelegd. Dit zal ook nodig zijn in verband met de Omgevingswet die naar verwachting in 2019 in werking zal treden. Daarnaast kunnen andere ontwikkelingen van invloed zijn op het beleidsplan. Het met enig regelmaat evalueren, schept de mogelijkheid om op deze ontwikkelingen te anticiperen en het beleid eventueel bij te sturen.

foto

Foto's 11 en 12. Successen vieren, we zijn het als gemeente niet zo gewoon. Gelukkig weten zowel de beeldende pers als de schrijvende pers bijzondere projecten in Eersel te vinden. Op de eerste foto schenkt Omroep Brabant aandacht aan ecologisch bermbeheer met een tv-opname in het programma Natuurrijk. Op de tweede foto verslaat het Eindhovens Dagblad de (buurt)schoolmoestuin in Knegsel. Deze vormen van communicatie brengen projecten van beleidsplan Groen Loont voor het voetlicht en vormen daarmee uitstekende reclame voor gemeente Eerse l .

Literatuurlijst

Bade, T., G. Smid & F. Tonneijck, 2011. Groen Loont! — Over maatschappelijke en economische baten van stedelijk groen. De Groene Stad.

  • Bult, A, 2017. Het Groene Lint, Leidraad voor een wandelroute van Eersel naar Eindhoven en vice versa.

  • Caspers, Th., A. van der Leest & H. Stam, 2005. Grote Historische topografische Atlas Noord-Brabant 1894-1914, 1: 25.000. Uitgeverij Nieuwland.

  • Claassens, M., 2012. Kwaliteitsplan Groen Eersel. Gemeente Eersel.

  • Claassens, M., 2013. Bomenbeleidsplan Gemeente Eersel. Gemeente Eersel.

  • De Kort, N., L. van der Zee, R. van der Brug & E. Dijkhuis, 2017. Naar een duurzaam netwerk van Grote bremraappopulaties in de Kempen. Cotiperatie Bosgroep Zuid nederland u.a..

  • Derijcke, E., 2017. Duurzaamheidsbeleid Eersel. Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant.

  • Hendriks, T., W. Bouw, P. Drijver & R. van Huis, 2012. Beeldkwaliteitsplan gemeente Eersel — het DNA in beeld gebracht. Gemeente Eersel.

  • Nierop, L. van & M. Claassens, 2009. Nota Rood-met-Groen. Gemeente Eersel.

  • Pruijsten, L., W. Aarts & L. van Nierop, 2011. Bosnota 2011 — 2020 Gemeente Eersel. Bureau van Nierop.

  • Strien, A. van & R. Verweij, 2014. https://www.naturetoday.com/intl/nl/nature-reports/messaqe/?msq=19605 . CBS — Natuurstatistieken.

  • Verdonk, H., 2016. Het vergeten landschap — Beekdalen in de Kempen.

  • Voets, R. & W. van den Berg, 2009. Biodiversiteit actieplan gemeente Oirschot — Geelgors, boegbeeld van de Oirschotse biodiversiteit. Gemeente Oirschot.

  • Ziel, H. van & S. Wijdeven, 2014. Staatsbosbeheer Uitwerkingsplan Object Eersel. Staatsbosbeheer.

Bronnen

Colofon

Beleidsplan Groen Loont is tot stand gekomen mede dankzij:

  • De vertegenwoordigers van elf belangengroepen in Eersel, samen de klankbordgroep Groen Loont;

En op basis van adviezen van:

  • De collega's van de teams Communicatie, Financiën, Management, Ruimtelijke Ontwikkeling, Staf, Uitvoering & Beheer en Vastgoed.

Inwerkingtreding en citeertitel
  • 1.

    Deze beleidsregel treedt in werking op de dag van bekendmaking voor een periode tot en met 2033.

  • 2.

    Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel Groen loont.

Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Eersel op 26 september 2017

de griffier, de heer J.W.G. van Bree

de voorzitter (wnd), de heer W.J. de Laat

Onderstaande bijlagen zijn apart bijgevoegd in één document

Introtekst bijlagen

A: Landschapsstructuurkaarten

B: Natuurstructuurkaart

C: Biodiversiteitkansenkaart

D: Groenstructuurkaart

E: Rekenmatrixen Groen

F: Uitvoeringsprogramma Groen

G: Resultaten klankbordgroep avonden

H: Adviesdocument klankbordgroep